Tweede werkelijkheid (praktische mogelijkheden)

Wanneer de mens droomt dan is dat in een bepaalde fase van de slaap. Die droom kan zeer levendig zijn. Wat meer is, ze kan heel wat meer elementen bevatten die behoren bij het dagelijkse leven. Ze kunnen daarnaast ook met andere werelden of sferen in verband staan. Hiermee betreedt men over het algemeen de grenzen van de tweede werkelijkheid. Het komt voor dat dergelijke dromen over het algemeen a.h.w. ver­volgdromen zijn. Men droomt steeds weer over dezelfde omgeving, dezelf­de personen. Het verhaal zet zich voort ongeveer zoals het leven op aarde: je gaat naar bed, je gaat slapen en dan ga je weer rustig ver­der. Je weet, dat er een continuïteit is. Men neemt dit dan wel een tweede werkelijkheid, maar het is natuurlijk maar een heel klein topje van een enorme ijsberg. Als wij te maken hebben met het denkleven van de mens, dan blijkt dat die mens met zijn denken in staat is om veel meer tot stand te bren­gen dan hij normaal zou verwachten. Je kunt bv. door heel geconcentreerd te denken je lichamelijke toestand veranderen. Je kunt je reactie op de omgeving wijzigen. Je kunt de werkelijkheid voor een deel verschuiven. Dat is dan wel voornamelijk een werkelijkheidservaring die je verschuift, maar het blijft een feit: je kunt de werkelijkheid door je denken beïnvloeden.

Nu zijn er bepaalde disciplines (o.a. in Tiber is er een dergelijke discipline geweest, ook elders komt ze voor) waarmee iemand die inwijding zoekt, wordt geleerd om met zijn gedachten een vorm, meest­al een soort dienaar, te scheppen. In het begin is dat een fantasie, een droombeeld, maar het wordt steeds werkelijker. Op een gegeven ogen­blik is men in staat opdrachten te geven aan deze dienaar en die worden dan in je eigen wereld ook uitgevoerd. Niet iedereen zal die dienaar zien, maar de resultaten van zijn in­grijpen en werken zijn voor iedereen kenbaar. Het nadeel is, dat zo’n dienaar steeds sterker wordt naarmate je er meer contact mee hebt. Er komt een ogenblik waarop de dienaar meer doet dan hem is gezegd. Op dat ogen­blik moet je beginnen het beeld van de dienaar af te breken. Misschien klinkt dat een beetje vreemd, maar het is een heel aardig voorbeeld van wat tweede werkelijkheid eigenlijk betekent: het realiseren van iets wat niet behoort tot de algemeen erkende werkelijkheid van uw dagelijks leven op een zodanige manier dat het in dit dagelijkse bestaan desalniettemin kan ingrijpen.

Het praktische gebruik ervan.

In het voorbeeld heb ik daar al iets van aangeduid. Het is mogelijk dat je zo’n dienaar opbouwt en dan kun je daarmee praktisch iets doen. Maar het is ook duidelijk, dat de meeste westerlingen de tijd en het ge­duld niet hebben om een dergelijke, toch zeer zware geestelijke discipli­ne op zichzelf toe te passen. Datgene dat ik in deze inleiding wil behandelen hangt dus samen met de tweede werkelijkheid die ik – naar ik hoop – redelijk voor u heb omschreven, Daarnaast met de mogelijkheden die voor een normaal westers mens daarin kunnen schuilen.  Het betekent, dat wij op veel gebieden komen die ook op een andere wijze kunnen worden benaderd. Dat zijn zaken als geestelijke genezing, toekomstvoorspelling, telekinese en wat dies meer zijn. Maar de manier waarop ze tot stand worden gebracht maakt ze toch uitzonderlijk en wel deer het feit, dat hier een tweede werkelijkheidsvoorstelling bij de per­soon die de gave bezit de hoofdrol speelt.

Wat doe je om een tweede werkelijkheid op te bouwen?

Allereerst moet u goed begrijpen dat u nooit de tweede werkelijkheid in de plaats kunt zetten van uw alledaagse werkelijkheid: ze moet ernaast bestaan en een zekere mate van onafhankelijkheid bezitten. Beseft u dit, dan kunt u een droombeeld opbouwen. Een droombeeld meestal opgebouwd uit dagdromen is over het algemeen tamelijk onvolledig. Daartegen is geen bezwaar zolang voor u zowel emo­tioneel als rationeel de samenhang van die tweede wereld voldoende is. Met andere woorden: gatenkaas is toegelaten, maar gaten met alleen hier en daar een stukje kaas is niet aanvaardbaar.

Hoe bouw ik de tweede werkelijkheid op?

In de eerste plaats moet ik mij een doel stellen. Wat wil ik berei­ken? Stel dat ik bv. telekinese wil bereiken. Dan wil ik dus dat, zonder dat een zichtbaar ingrijpen in mijn eigen wereld daartoe aanleiding geeft eenvoudig voorwerpen over korte of lange afstand zich kunnen ver­plaatsen.

Hoe kan ik mij dit voorstellen?

Ik stel mij voor dat ik een paar geestelijke handen heb. Ik moet deze visualiseren: ik moet deze steeds voor mij zien. Deze handen mogen spec­traal (doorzichtig) zijn of wazig. De armen kunnen zich uitstrekken over afstanden van vele honderden meters desnoods en zich weer terugtrekken naar mijn lichaam. Ik kan daarmee grijpen. Ik kan daarmee manipuleren. Door dit droombeeld steeds weer op te bouwen ga ik langzaam maar zeker iets van ectoplasma (je zou het zelfs een deel astraal en een deel levenskracht kunnen noemen) zodanig richten op dit gebruik van die handen dat hierdoor een relatie gaat ontstaan tussen mijn denken en dit deel van mijn wezen. Begin nooit met grote en zware voorwerpen. Eerst als u zeker bent dat u de ogen kunt sluiten en dan kunt zien hoe die geestelijke handen zich van u uitstrekken, terwijl u gewoon de handen over elkaar houdt, kunt u een proef nemen. Neem een lucifer. Leg die aan een kant van een tafel of bureau. Probeer die dan te verplaatsen naar de andere kant van de tafel. Stel u daartoe voor dat u inderdaad met die geestelijke hand het stokje vastgrijpt. Probeer het gevoel te hebben dat u die lucifer inderdaad tussen een paar geestelijke vingers heeft. De verplaatsing stelt u zich in het begin zeer traag voor. Later is het voldoende aan de plaats van bestemming te denken en dan vindt de overtocht vanzelf plaats.

In het begin moet het fase na fase worden beseft. De visualisatie­techniek die wij hiervoor gebruiken kan, gezien het feit dat de meeste mensen met open ogen moeilijk dagdromen, het best met gesloten ogen wor­den gedaan. De concentratie op de omgeving (het voorwerp in casu de lucifer en de tafel waarop de verplaatsing dient te geschieden) moet echter zo concreet mogelijk zijn. Neem ze dus eerst goed in u op, maak het dan waar. U zult zeggen. Dat is een simpele oefening, ik kan een lucifer gemakkelijker op een andere manier verplaatsen. U heeft volkomen gelijk. Maar u kunt natuurlijk ook verder gaan. U neemt een stukje vlakgom of een asbakje of als u iets verder bent een vaasje met bloemen en u blijft dit transporteren over korte afstan­den oefenen. Wanneer u ziet dat u resultaat krijgt, niet onmiddellijk verder grijpen. De proef herhalen tot ze bijna automatisch voor u is ge­worden.

Heeft u dit eenmaal bereikt, dan is het volgende gebeurd:

  1. u heeft in uw eigen wereld – niet werkelijk – een organisme of voertuig geschapen dat een zeer bepaalde functie heeft,
  2. u heeft een directe relatie gesteld tussen uw voorstellingsvermogen en het ingrijpen van dit mechanisme,
  3. u bent zover gekomen dat de voorstelling bepalend is voor het gebeuren.

Heeft u dat nu verscheidene keren gedaan, dan kunt u misschien eens gewoon een klein voorwerp in bv. een tennisbal teleporteren. Zet het erin. Het ding is gesloten het kan er dus niet in zitten. Het rammelde niet, nu rammelt het wel. Neem er een oude tennisbal voor, dan kunt u die later openmaken. U zult zien dat het erin zit.

Wat kunt u daar praktisch mee doen?

U kunt bv. een deurslot openmaken alleen door te weten hoe het deurslot eruit ziet. U kunt de zekeringveren zodanig plaatsen dat zonder meer de schoot kan omvallen. U gooit de schoot om en het slot is open. Als u verstand van brandkasten heeft, dan wil ik u er wel op wijzen dat dat niet is toegelaten, ook niet op deze manier. Theore­tisch zou dat kunnen. Er zijn ook nog andere mogelijkheden. U ziet bv. een kind in ge­vaar om onder een bus te komen. U steekt in gedachten de arm uit (u bent geoefend genoeg) en u kunt het kind over een afstand van laten we zeggen 5 meter verplaatsen, net voldoende om het ongeluk te voor­komen. Er zijn dus heel veel praktische gebruiksmogelijkheden. Het is heus niet alleen een kwestie van luiheid, van ik zal even de gebakjes aangeven en daar komen ze al uit de keuken zweven. Dat is alleen voor verhaaltjes goed. Voor de rest is het veel gemakkelijker om ze zelf te halen. Het is mogelijk, maar het is in feite te vermoeiend.

Wat ik hier probeer aan te duiden is, dat er een relatie is ont­staan tussen een voorstellingswereld die absoluut irreëel is voor ieder­een behalve voor uzelf en de reële wereld van iedereen waarin u op deze manier dingen kunt doen zonder dat er een zichtbaar en kenbaar ingrijpen plaatsvindt.

Laten we eens een ander beeld namen: genezing. U begint u gewoon voor te stellen dat u in een mens de levenskracht ziet. En dan geeft het niet hoe u die ziet. U behoeft dus niet eerst een boekje te nemen om de krachtstromen en circuits precies te leren. Het is voldoen­de dat u die levensstromen ziet pulseren. Alweer een oefening die u het best al dagdromend met gesloten ogen uitvoert. Ga vandaar uit verder. Probeer onregelmatigheden te zien. Ziet u bij het denken aan een bepaalde persoon deze structuur opkomen, dan heeft u inderdaad de relatie gelegd tussen uw beeld en die andere persoon, ook als dat verstandelijk gezien ab­soluut onaanvaardbaar is. U ziet bv. een kleine afwijking in de levensstroom. Laat mij het zo zeggen: U ziet de levensstroom als kleine partikeltjes. Normaal stromen ze allemaal naar beneden. Nu ziet u ergens in aantal van die deeltjes om­hoog gaan. Dan grijpt u die met uw gedachten en u zegt: Naar beneden. Wat heeft u in feite gedaan? U heeft een gevoelde, dus niet eens een geheel bewust besefte afwijking in het levenskrachtpatroon van een persoon gecorrigeerd. Dit is niet direct telekinese. Het is meer het uitstralen van bepaalde krachten plus het beheersen van levenskracht­stromen. Nu kan het zijn dat zo’n onderbroken stroom de aanleiding is voor een werkelijke ziekte. Dan verdwijnt nu de ziekte. Waarschijnlijk niet op slag maar ze herstelt zich opvallend snel.

Als u deze dingen doet moet u met het volgende rekening houden. U kunt niet zonder meer verzwakt weefsel ineens herstellen, dat gaat niet. U kunt ook niet weefsels waarvan bepaalde kernfactoren zijn weggevallen even weer veranderen. U kunt geen kanker wegnemen zonder meer. Wat u wel kunt doen is de kanker inkapselen, maar verder dan dat komt u niet. Uw mogelijkheden zijn dus enigszins beperkt. Wanneer u bezig bent geweest met de levensstromen (ik raad u werkelijk aan om daarmee te beginnen), dan gaat u ever naar een tweede fase. U tracht het zenuwstelsel van de mens u voor te stellen. Maak om er enig begrip van te krijgen eerst eens een kleine studie van anatomische afbeeldingen waarop het zenuwstelsel staat afgebeeld. Tracht dat zenuwstelsel te zien. Op het ogenblik dat er ook maar ergens een onderbreking lijkt te zijn, corrigeer deze.

Als u dat in gedachten heeft geoefend, probeer het eens op een patiënt. Bijvoorbeeld iemand die moeilijkheden heeft met reumatiek of iets dergelijks. Heel vaak zien we hier namelijk onderbreking van zenuwstromen of overbelasting van zenuwen mede een rol spelen. Als u dan dezelfde voorstelling heeft, stel u dan eenvoudig voor dat u het bevel geeft dat die stroming zich normaliseert. Blijf er a.h.w. in gedachten ingespannen naar kijken tot u geen verschil meer ziet tussen de plaats waar de afwij­king was en de rest. Hierdoor heeft u inderdaad ingegrepen in het zenuw­stelsel en heeft u zeer waarschijnlijk de reactie van de neuronen enigs­zins veranderd of gestimuleerd. Het zien van een dergelijke afwijking in gedachten is eigenlijk een intuïtieve waarneming. De correctie die u toepast is eigenlijk een imaginaire: d.w.z. ze behoort niet tot de alledaagse werkelijkheid: het is een tweede werkelijkheid. Maar als uw patiënt er beter van wordt, waarom zoudt u zich verder dan nog druk maken?

Wilt u in de toekomst zien, wat ook mogelijk is, dan moet zich gewoon een beeld maken van een werkelijkheid waarin die toekomst kenbaar is. In het begin zal het een beetje moeilijk zijn om u voor te stellen dat u bijv. een krant in handen heeft met een datum van enkele dagen later. Maar misschien komt u zover, dat u naar de kop van de krant kijkt en dat er bv. op staat 30 april (nu is het 12 april). Als u dat heeft bereikt, dan heeft u al veel bereikt. Maar nu moet u nog iets anders leren. Als u eenmaal de voorstelling voldoende heeft waargemaakt, dan slaat u de krant open. U stelt zich verder niets voor. U leest de krant. Wanneer u de krant leest kunt u desnoods aantekeningen maken: u bent toch aan het dagdromen. En als het een beetje minder leesbaar is, omdat u uw ogen dicht heeft, dat maakt niet uit.

Probeer ook eens na te gaan wat de winnende getallen van de lotto of de toto zijn, Dat is een aardige stimulans voor een dergelijke proef. U zult merken dat u nooit 6 of 7 getallen helemaal goed heeft. Maar als u er in het begin 4 of 5 kunt uithalen, dan heeft u een aardig begin ge­maakt. U kunt natuurlijk ook in die krant laten wat er aan ongelukken is ge­beurd, wanneer er stakingen zullen zijn. Dan weet u het die dag en mogelijk wat er is gebeurd op de voorgaande dag. U kunt dan daarmee rekening hou­den. U kunt ook anderen waarschuwen. Alweer, u heeft de mogelijkheid gekre­gen om in te grijpen via die tweede werkelijkheid.

Als u dat directe ingrijpen in de eigen wereld een beetje griezelig vindt (ik kan mij dat voorstellen), dan is die tweede werkelijkheid daar­door nog niet helemaal ineens nutteloos geworden. Als u gewoon een dag­droom opbouwt die zo intens wordt dat u hetzelfde wereldbeeld bij herha­ling kunt zien en beleven dan kunt u ook proberen in die wereld met anderen te spreken. U zult altijd wel persoonlijkheden tegenkomen. Zeg niet, dat het aan bepaalde wereld of sfeer is, dat kunt u op het ogen­blik als beginneling zeker niet bestemmen. Neem gewoon contact op als het kan. Kijk eens hoe het daar eruit ziet. U zult in het begin erg verbaasd zijn, omdat blijkt dat een deel van uw droom zich niet gewoon in uw eigen wereld afspeelt, maar heel ergens anders. U zit hier rustig in Den Haag en eigenlijk heeft u een gesprek met iemand in Nicaragua in Kaapstad of noemt u maar een land op.

Daarnaast is het ook mogelijk dat er een wereldje is dat nergens bij hoort. In die wereld is meningsuitwisseling mogelijk. Vraagstukken kunnen worden voorgelegd aan anderen en kunnen worden beantwoord. De beantwoording van dergelijke vraagstukken is nooit exact. Goed ont­houden! Wat u krijgt is procedure, niet uitkomst. Maar de wijze waarop een probleem kan worden aangepakt, kan u op deze manier wel degelijk duidelijk worden. Het is met dagdromen en zender dat je daaraan aller­lei titels als tweede werkelijk wilt verbinden zelfs mogelijk oplossingen te vinden voor problemen die u zonder dat niet zoudt vinden, benaderin­gen te vinden waar u normaal niet op zoudt zijn gekomen. U vergroot uw scala van mogelijkheden. Nu denken velen: Ja, het klinkt allemaal wel heel leuk en misschien zelfs logisch, maar kan zo’n tweede werkelijkheid dan bestaan? Kijk eens, als u uw eigen werkelijkheid beschouwt, wat is nu waar en wat is niet waar. Weet u dat? Voor een groot gedeelte moet u toegeven. Ik weet het eigenlijk niet precies. Sommige mensen lijken oneerlijk, ande­ren lijken eerlijk, maar zijn ze dat ook werkelijk? Sommige dingen zijn zo apert waar dat je zegt, dat kan niet anders. Maar is het wel een volle­dige waarheid? Is de interpretatie die u geeft wel in overeenstemming met de werkelijkheid?

Met andere woorden: u leeft in een wereld waarin conventies of suggesties, in feite ook een soort van droom, vaak in de plaats treedt van werkelijkheid waardoor een groot gedeelte van uw handelen, uw den­ken wordt bepaald door op zichzelf niet in de realiteit aanwezige waar­den, of het nu een ideaal is, een godsdienst of iets anders. Uw geloof kan voor u volkomen waar zijn, maar in uw wereld is het niet zonder meer waar. Toch verkiest u te handelen of al hetgeen u gelooft ook in uw wereld en voor iedereen waarheid zou zijn. Met andere woorden: u legt een droom op aan uw wereld. Als u zegt, dat de gulden meer of minder waard is geworden, is dat dan echt zo? Of is die gulden op zichzelf maar een fictie die men met een symbool hanteerbaar heeft gemaakt? Probeer eens even na te denken. Uw rechtspraak is dat rechtvaardigheid? Of is het eigenlijk meer een conventie, aan onderlinge afspraak? Maar die onderlinge afspraak houdt zeker niet met alle feiten rekening. Ze kan het proberen, maar het lukt niet. Als u dan toch al leeft in een wereld waarin zoveel din­gen maar heel betrekkelijk waar zijn, waarom zouden we dan aarzelen om er andere waarden, die betrekkelijk waar zijn, aan toe te voegen?

De tweede werkelijkheid heeft een voordeel: ze pretendeert niet een onomstotelijk en altijd waar deel te zijn van uw eigen werkelijkheid. Er zijn heel veel stellingen die dat wel pretenderen. Vraag u dan verder eens af, of u toch niet heel vaak fantaseert, droomt. Zijn hier spelers in de loterij bij? Hoeveel keer heeft u de honderd­duizend al uitgegeven zonder dat u hem ooit gekregen heeft? Een spelle­tje. Wat ontbrak er aan dat spelletje? Weet u dat? De honderdduizend is veel gevallen, maar niet op uw lat. De fout die erin zat was deze, dat u niet in staat was u voor te stellen hoe de trekking verloopt en hoe daarbij cijfer na cijfer wat op uw lot vermeld staat inderdaad elektronisch wordt aangeduid en als zodanig door een notaris wordt geregistreerd. Op het ogenblik dat u dat doet, heeft u de honderdduizend, niet als u nagaat hoe u die moet uitgeven. Met andere woorden: Een tweede werkelijkheid is eigenlijk het scheppen van een replica van uw werkelijkheid, maar dan wel met dien verstande dat hier alles gebeurt in overeenstemming met uw wens en behoefte. Het is een wereld waarin u als een soort godje troont en factoren kunt beïnvloeden. En dan zou het mogelijk zijn dat u wel dichter bij de honderdduizend komt of misschien wint. Ik zeg: dichter bij omdat het de vraag is of u in staat bent u zover te beheersen dat u de kringloop per cijfer elke keer volledig volgt en stopt op het goede moment. Zoudt u dat kunnen, dan is de kans heel groot dat u zeker bij een elektronische installatie grote invloed uitoefent

Heeft u te maken met het lotto‑idee van de balletjes, dan wordt het iets moeilijker. Maar u kunt zich zelfs dan voorstellen dat een bepaald balletje een begeerd cijfer draagt en dat dat ene balletje zich juist bevindt op de goede plaats wanneer het valt. In het begin zult u het misschien 9 van de 10 keer mis hebben. Maar het is in zoverre mogelijk, dat u een op de twee kansen heeft om die zaak inderdaad te bepalen. Niet omdat het echt ze is, maar omdat uw beeld van de werkelijk­heid ze intens inwerkt dat het eigenlijk het gehele waarnemingspatroon en daarmee het toevalspatroon van uw eigen wereld gaat beïnvloeden Het is gemakkelijk te zeggen: sprookjes zijn aardig. Natuurlijk, sprookjes zijn aardig. Als wij ons bezighouden met sprookjes (of het nu Hans en Grietje is of Sneeuwwitje) dan herkennen wij daarin bepaalde dingen van onze innerlijke wereld. Een sprookje is een combinatie van een verhaaltje volgens de normen van onze werkelijkheid en van onze in­nerlijke onwerkelijkheid tezamen gebracht. Sprookjes kunnen wij nooit he­lemaal waarmaken. Waarom? Omdat je er niet in gelooft als werkelijkheid.

Er zijn mensen die zeggen: geloof kan bergen verplaatsen. Niet dat ik het aanraad. Stel je voor dat je de Mount Everest verplaatst naar Rijswijk. Geen Rijswijk meer over en Den Haag in verzakkingsmoeilijkheden omdat de kust het niet kan dragen. Maar als u werkelijk een innerlijke zekerheid schept, dan ontstaat hiermee een mate van beheersing t.a.v. uw gewone werkelijke leven. De tweede werkelijkheid kan veel meer omvatten dan uw dagelijks leven ooit kan inhouden. Wij kunnen alleen die delen van de tweede werkelijk­heid transformeren naar het alledaagse leven die in beide principieel reeds aanwezig zijn. Met andere worden: Als ik mij voorstel dat mij een enorme feesttaart wordt gebracht in de tweede werkelijkheid, dan is het heel goed mogelijk dat er iemand op visite komt die ik niet zo graag zie en dat hij alleen maar twee moorkoppen meebrengt. Ik kan het dus nooit helemaal waarmaken, want die grote taart zal in je eigen wereld eerst moeten worden besteld: dus die komt zo gauw niet. Maar de analogie is denkbaar.

Een transformatie van gedachtekracht naar de werkelijkheid ont­staat doordat een beeldend vermogen binnen het ik een zodanige over­eenstemming op een of meer punten bereikt met de alledaagse werkelijk­heid dat het denkbeeld ten aanzien van dia werkelijkheid tijdelijk over­heersend wordt. Dit zijn alleen maar voorbeelden die ik probeer te geven. Het feit waar het om gaat is dit: elke werkelijkheid, die wij ons kunnen voorstel­len en volledig kunnen invullen, heeft voor ons een hoge persoonlijke waarde. Die waarde beïnvloedt niet alleen de wereld zoals wij haar denken te zijn, maar alle werelden waarin wij bestaan. Misschien kun je zelfs die hele voorstelling voor een deel terzijde stellen. U kent die mensen die dobbelen. Ze houden de dobbelstenen in de gesloten handen en mompelen voortdurend: zeven, zeven, zeven kom zeven, kom zeven …. en bij de werp ligt daar dan de zeven. Wat is er in feite gebeurd? Hoe komt het dat er mensen zijn die met een dergelijke incantatie, anders durf ik het niet noemen, in staat zijn om inderdaad veel meer zevens te gooien den volgens welke toevalsbereke­ning dan ook maar aanvaardbaar of waarschijnlijk is? Men zegt dan: dat is onbewust telekinese. Neen. Het gaat erom dat het beeld van de zeven zozeer in het voor­stellingsvermogen is verankerd dat het hele wezen en alle krachten daarin werkzaam zijn om die toestand te reproduceren in de werkelijkheid. En dan hebben wij eigenlijk de tweede werkelijkheid ten dele overgebracht naar de bestaande werkelijkheid. Maar als dat mogelijk moet zijn met een paar dobbelstenen waarom zou het dan niet mogelijk zijn met andere dingen? Theoretisch is het even eenvoudig met het beeld van een auto die onmiddellijk aanslaat te bereiken dat de motor inderdaad start, ofschoon redelijk gezien het van het vaartuig onder die condities niet zonder meer verwacht mag worden.

De tweede werkelijkheid is zeker voor de westerling niet het be­treden van een andere wereld, het scheppen van een wezen, ofschoon dat mogelijk is. Het is eenvoudig het vinden van innerlijke beelden die wij zodanig kunnen projecteren, dat daardoor een aanvulling ontstaat van mogelijkheden en waarden in ons dagelijks leven. Ik zou u ook niet wil­len aanraden om een volledige studie te gaan maken van al wat hiermee samenhangt. Er zijn mensen die gewoon zeggen: ik wil die zieke genezen, dus die zieke is genezen. Dan zegt iedereen: ja, maar zo kun je dat toch niet doen. Het enige ervan is: ze doen het wel! Er zijn mensen die misschien oplichters kunnen worden genoemd. Mensen die z.g. gezwellen uit het lichaam toveren door wat zij noemen een geestelijke operatie waarbij ze zitten te graaien en te knijpen en ineens hebben ze het te pakken. In 9 van de 10 gevallen een stukje van een kip en een beetje kippenbloed. Hoe kun je nu verklaren dat door deze op zichzelf heel mooie vertoning met wat goochelaarshandigheid soms toch mensen genezen? Dat kan alleen maar als het beeld van de genezing veel belangrijker is dan de suggestieve vertoning die er eigen­lijk bij wordt opgevoerd.

Laten wij een ander voorbeeld nemen. Er is een postbode in een van de Zuid-Amerikaanse landen die al heel wat operaties heeft uitgevoerd waaronder enkele die medisch gezien te riskant zouden zijn genoemd. Ze zijn altijd geslaagd. Wat meer is, de man heeft voor zover bekend nog nooit last gehad van infectie in de wonden. Weet u waarmee hij opereert? Met een weliswaar geslepen maar toch ietwat roestig broodmes. Voor het fijne werk gebruikt hij een zakmes. U behoeft het van mij niet aan te namen: dit is gecontroleerd. Die man opereert op die manier. Hij geneest 9 van zijn 10 patiënten op deze wijze. Hoe kan dat? Omdat die man zich niet bezighoudt met de vraag hoe je zoudt moeten opereren, maar voor zich het beeld heeft dat hetgeen hij doet het enig juiste is. Hierdoor maakt hij het tijdelijk tot het enig juiste. Zolang hij zijn patiënten en de omgeving daarmee kan beïnvloeden zodat er geen tegenbeelden ontstaan, krijgen we als vanzelf een realisa­tie van dit denkbeeld. De gevolgen van de operatie zijn dan in overeen­stemming met de visie op de onaantastbaarheid daarvan.

De hele wereld zit vol met krankzinnige dingen. U heeft waarschijn­lijk wel eens gehoord van de lopende stenen o.m. in Arizona- in de Mojave-woestijn. De kunt dergelijke dingen aantreffen ever de gehele wereld. In woestijngebieden komen wandelende stenen voor. De een zegt dat het geesten zijn die ze transporteren. De ander zegt: het is iets wat ont­staat door sterke temperatuurwisselingen. Weer een ander zegt. Het is waarschijnlijk een geheime kracht. Wij weten het ook niet. Op het ogenblik dat iemand aanneemt dat stenen kunnen worden verplaatst, is daarmee de mogelijkheid geschapen dat stenen zich verplaat­sen. Want wat is het typische hierbij? Zo’n bewegende steen is nog nooit gefotografeerd, nog nooit tijdens het bewegen waargenomen. Wel heeft men de sleepsporen gevonden, wel heeft men geconstateerd dat er niemand in de omgeving kan zijn geweest die het heeft veroorzaakt maar ze zijn wel verplaatst. Iedereen zit te wachten om het te zien. Iedereen verwacht het te zien, dus gebeurt het. Zij hebben eerst het beeld van de ver­plaatsing van de stenen geschapen en maken het nu waar zonder het te weten. Daardoor staan ze voor een wetenschappelijk raadsel.

Er zijn andere dingen waarmee het wat moeilijker gaat. Neem het monster van Loch Ness. Ze bestaan echt, familie van de dinosauriërs. Waar het hier om gaat is dit: degenen die zitten te speuren naar het monster verwachten het niet te zien. Dus is de kans dat er iets reëels in verschijning treedt zeer gering. Op het ogenblik dat iedereen het verwacht te zien op een bepaald ogenblik en op een bepaalde manier, is het bijna zeker dat er ook iets in verschijning treedt. Wat meer is, er zijn enkele foto’s gemaakt ander dergelijke condities en daarop is iets inderdaad te zien wat een monster zou kunnen zijn.

De tweede werkelijkheid en de eerste werkelijkheid beïnvloeden el­kaar veel meer dan men denkt. De wereld van de gedachte, van de fan­tasie, van de dromen heeft veel meer invloed dan de mens zich realiseert. Als iedereen zit te wachten op het koken van het bloed van de hei­lige Januarius en men kookt innerlijk van vroomheid, dan gaat dat mee: het koekt ook. Toch is dit fysiek onmogelijk. Uit het intense geloof wordt het eventueel mogelijk. En dan kunnen we er natuurlijk om lachen, want er zijn genoeg trucs die worden uitgehaald om een Mariabeeld te la­ten huilen of om iets bij een grafsteen of een geheimzinnige bron te laten gebeuren. Maar het feit blijft bestaan: er zijn een aantal wonderen. Dat wil zeggen: redelijk gezien onverklaarbare gebeurtenissen.

Wanneer treden ze op? Ze treden op op het moment, dat er een groot aantal mensen in intense verwachting zich reeds een voorstelling van het gebeuren maakt voordat het op aarde constateerbaar is. Daarna ont­staat de constateerbaarheid. Dan kunt u zeggen: dat is onzin. Maar ga eens na hoeveel van der­gelijke verschijnselen zelfs in deze zeer technische dagen op aarde nog voorkomen. En probeer u dan eens voor te stellen onder welke condities ze altijd gebeuren. Het blijkt, dat het pas werkelijk actief wordt, werke­lijk constateerbaar is als er mensen in de buurt zijn die geloven in het verschijnsel op een wijze, die mijnentwege hysterisch genoemd kan wor­den.

De tweede werkelijkheid existeert niet als een onaantastbaar geheel met een vaste structuur, maar als een gedachtewereld die haar invloeden doet gelden in de wereld van de mensen. Dit is een stelling. Ik kan het niet zonder meer bewijzen. Wanneer u ermee bezig bent, kunt u misschien de praktische tips die ik in het begin heb gegeven toch eens in praktijk brengen zonder u af te vragen af het nu wel of niet werkt. Gewoon, wij doen het eenvoudig. En als er niets uit voortkomt, dan merken wij het wel. Als er wel wat van komt, dan is dat leuk. Maar daar zitten wij niet op te wachten. Het gaat er gewoon om dat wij die voorstelling kunnen opbouwen. Als u op die manier te werk gaat, dan zult u zien dat er veel meer kleine wondertjes op aarde gebeuren dan al datgene wat bekend wordt. Sommige van die wonderen zijn zo krankzinnig dat geen mens erop komt dat het eigenlijk wonderen zijn. Mag ik nog een voorbeeld geven? Is het niet vreemd dat er altijd overal paperclips te vinden zijn tot het moment dat je er een nodig hebt? Hoe zou dat komen denkt u? Zou het misschien ze zijn dat u onbewust verwacht dat het niet te vin­den is, terwijl u bewust beredeneert dat ze er moeten zijn. De discrepan­tie daartussen laat u gewoon voorbij ga en aan de aanwezige paperclips en zoeken totdat u nijdig wordt en een elastiekje gebruikt.

Hoe vaak heeft u het niet gehad dat u iets kwijt was? U heeft het niet meer teruggevonden: misschien heel lang niet. En dan op een ge­geven ogenblik schijnt er iets te klikken en dan is het er. Hoe kan dat? Wanneer u zoekt en u verwacht niet het te vinden, u bent onder een spanning van negatieve aard, dan zult u het niet vinden. En als het dan in de lade ligt waar u in kijkt, dan verdwijnt het a.h.w., het wordt onzichtbaar op het ogenblik, dat u het positief benadert, is de kans dat u het vindt heel groot.

Vandaar de schietgebedjes aan de H. Jozef (de verloren zakenvin­der): Sinte Jozef, beste vriend, maak dat ik mijn huppeldepup vindt. Het gebod in deze is het scheppen van een invloed waardoor het vinden wordt bevorderd. Als je werkelijk gelooft in je schietgebed verander je daardoor je innerlijke werkelijkheid. Het resultaat is, dat je vindt wat je kwijt was. Zo simpel is dat alles. Denkt u niet, dat de tweede werkelijkheid iets is wat je alleen maar in geheimzinnige kloosters en met inwijdingen kunt leren. Het is iets wat zo dicht bij uw dagelijks leven ligt dat u er bewust of onbe­wust heel vaak mee te maken heeft. Als wij willen spreken over een praktische toepassing, dan moeten we ons allereerst bewust zijn van die tweede werkelijkheid. Door bewust daarmee te willen werken, ook als het in het begin niet ze gemakkelijk gaat, scheppen wij voor onszelf een zodanige relatie tussen onze inner­lijke wereld en de wereld daar buiten dat op een gegeven ogenblik die innerlijke wereld zich kan manifesteren in de wereld buiten. Wanneer wij dat hebben bereikt, hebben wij het praktische gebruik van de tweede wer­kelijkheid voor onszelf leren toepassen.