Tweede werkelijkheid

Gent – 22 januari  1964

Ik wil u spreken over een onderwerp dat wel een bijzondere nadruk verdient: Tweede werkelijkheid. Datgene wat de mens zintuiglijk bezit, waarneemt en erkent, datgene wat hij menselijk redelijk kan vaststellen en kan bewijzen, is niet het geheel van zijn wereld. Er mag dus een onderscheid worden gemaakt tenminste tussen de menselijke wereld van bewustzijn en de werkelijke wereld.

Wanneer we die werkelijke wereld echter verder ontleden, dan ontdekken we daarin een groot aantal geestelijke krachten, wegen en mogelijkheden, die voor de mens nooit redelijk zijn, maar die met zijn wezen verwant zijn en de mogelijkheid scheppen om langzaam maar zeker te groeien naar een ruimer bewustzijn. We spreken dan over een tweede werkelijkheid, omdat die werkelijkheid voor vele mensen niet bestaat. Nu moeten we even een paar gegevens opdiepen, die misschien die stelling voor u aanvaardbaar maken. Het occultisme omvat een hele hoop reeksen van magie, geestelijke krachten en wetenschappen, die niet gebaseerd zijn op redelijke waarden vanuit menselijk standpunt. Toch heeft het occultisme vele en vele belangrijke waarden in zich. In sommige gevallen blijkt het in staat dingen te volbrengen, die de normale mens redelijk meent niet te kunnen volbrengen. Het zal in vele gevallen ook de mens ontheffen van belemmeringen die hijzelf opbouwt, waardoor hij zijn normale prestaties niet kan volbrengen. Het occultisme dus, ofschoon het den dele bovenredelijk is, kan worden beschouwd als een vorm van wetenschap, waarbij echter de beredenering niet meer geldt vanuit de rede, maar vanuit het gevoel. Dan kan worden gezegd dat het occultisme in zekere zin de wetenschap is van de tweede werkelijkheid. Want het houdt zich bezig met machten en krachten, die zich aan het menselijk weten onttrekken, die qua werking, optreden en invloed, liggen buiten de menselijke sferen en toch in de menselijke wereld ingrijpen. Dan is onze tweede werkelijkheid niet een afzonderlijke wereld, maar eerder een wereld die een beperkte menselijke wereld omvat.

Nu gaan we ons een paar dingen afvragen. Wanneer u een mens door geestelijke krachten kunt genezen – ook wanneer de medische wetenschap dit niet kan – is er dan sprake van iets redelijks?

Volgens mij niet. Want deze neiging is afhankelijk van factoren die alleen gevoelsmatig, en niet verstandelijk, kunnen worden vastgesteld. De genezer die de een van een fatale kanker bevrijdt, kan de ander nog niet eens afhelpen van een beetje hoofdpijn. De genezer die een oogkwaal kan genezen, die lijkt soms niet in staat om ook reuma weg te nemen. Er is geen reden te vinden, het is de verhouding en wel in de eerste plaats een gevoelsverhouding, die bestaat tussen genezer en patiënt die hier werkzaam optreedt. Een dergelijke verhouding is niet wetenschappelijk te registreren, omdat ze te vele voortdurend variabel en niet redelijk vastlegbare waarden omvatten.

Wanneer een mens bidt tot God en er ontstaat, wat toch heus wel plaats vindt, een gebedsverhoring, dat wil zeggen dat hetgeen waarom wordt gebeden waar wordt, tegen alle redelijke veronderstellingen in, dan hebben we niet te maken met een redelijk contact met iets. We kunnen zelfs aantonen dat de God, of de heilige waartoe men heeft gebeden, in feite niet eens bestaan heeft, dat is in vele gevallen eveneens waar. Klaarblijkelijk zal de mens, in een bepaalde gemoedstoestand door een uiting die niet bepaald kan worden aan de hand van een redelijke samenhang, in staat zijn werkingen tot stand te brengen vanuit zichzelf, of te verwerven vanuit een andere wereld, die eveneens liggen buiten het redelijk bereikbare.

Waar ligt ergens dan die tweede werkelijkheid, die zoveel mensen in hun leven klaarblijkelijk wel benaderen en waaruit ze invloeden ondergaan, zonder dat ze ooit in staat zijn deze redelijk te gebruiken? Ik wil proberen dit onredelijk element voor zo ver dit mogelijk is, te herleiden tot redelijke waarden. Het kan soms moeilijk zijn. Wanneer ik een totale wereld neem, dan is in die totale wereld alles ergens ofwel bezield, ofwel gebonden aan toevalswetten, die de plaats van de bezieling innemen.

U ziet, ik stel niet eens een God voorop. Wanneer dit geldt voor de kenbare verschijnselen moet dit ook vallen onder de niet kenbare verschijnselen. De niet kenbare verschijnselen zijn namelijk onderhevig aan dezelfde wetten of dezelfde scheppende kracht die elders bestaat. Zo moet dus in wezen dezelfde wet gelden voor een ster, een mens, een atoom. Zo moet dezelfde kracht optreden in een denkend wezen als de mens en een eventueel geestelijk wezen. Als we ons dat voor kunnen stellen, een denkende entiteit die niet materieel is, een denkende entiteit die in de stof gebonden is. Wanneer nu al die denkende entiteiten dus ergens moeten bestaan, waar dezelfde wet is, dan moeten we dezelfde mogelijkheden aannemen. Dan is de vraag, waarom wij die tweede werkelijkheid zouden beseffen, gemakkelijker te verklaren dan u denkt. Wanneer wij de werking zien in een atoom, dan kunnen wij stellen dat de tijdsbegripservaring van het atoom verloopt in een tempo van ongeveer 2.000.000 jaar per 1½ seconde menselijke tijd. Zien wij een ster dan kunnen wij zeggen dat ongeveer 70 tot 80.000.000 jaren gelijk zijn aan ongeveer twee minuten menselijke tijd. Er is een groot verschil in tijdscala. En de verschijnselen die op een atomair vlak gelding hebben, en daar invloed uitoefenen, zijn gezien hun enorme snelheid en enorme wisseling voor de mens niet waarneembaar. De grote invloeden van de traagheid zijn ook niet waarneembaar.  Een gedachte die voort gaat met de snelheid van het licht zal, wanneer zij komt vanuit een entiteit die twee minuten van onze tijd beleeft – die wij 80.000.000 jaren zouden noemen als mens – ongetwijfeld voor ons zijn, een langzaam op ons aandrijvende golf van invloed met een heel trage trilling, die voor ons verder niet eens begrijpelijk is, als we ze al vast kunnen stellen. En die gedachte die voor ons een breukdeel van een seconde zou duren, duurt wanneer we de gedachte van een ster ontmoeten wel enkele honderden jaren. Het wordt voor ons een cyclus. Op deze manier is dus het menselijk begrip niet in staat om die dingen te herleiden. De gedachte van een ster zou u dus eigenlijk op moeten nemen in het tijdtempo van een ster, om het dan te reproduceren tot het tijdtempo van de mens.

Dit systeem  bestaat niet, er is niet zo’n ding dat in staat is om over een periode van, laat ons zeggen, 5.000 jaar een totaal gevormde gedachte van een ster op te vangen, en die dan terug te geven in de normale tijd van enkele seconden. Het is er eenvoudig niet. Wij moeten dus uitwijken naar iets wat niet tijdgebonden is. Wanneer de mens een geest bezit – dat is weer een stelling – en deze geest behoort tot het tijdloos geheel, dan kan zij haar eigen begripsvermogen omstellen op elke deeltijd. Een geest overziet 80.000.000 jaren even eenvoudig als één minuut. Een geest kan dus, op het ogenblik dat zij loskomt van haar wereldbeperking, de gedachte van een ster verstaan. Zij kan ook los van zichzelf de gedachte van een atoom verstaan. Wanneer de mens daartoe in staat zou zijn, dan zou hij deze boodschappen nooit in zijn eigen tijdskader redelijk in kunnen passen. Want de gedachte van die ster, die omvat voor hem verschillende beschavingstijdperken, terwijl de totale ontwikkeling van een filosofie over het atoom samenvalt met één seconde van menselijke tijd.

Wij kunnen dus nooit de werkelijke waarde daarvan overbrengen naar de menselijke wereld. Wij kunnen wel de essentie ervan overbrengen. Wanneer er een filosofie is op een atomair tijdniveau, dan kunnen we het essentiële van die filosofie opvangen. Wij kunnen dat zelfs omzetten in gedachten en in woorden, maar we kunnen het niet uitdrukken als op onze wereld slaande. We zijn niet in staat om een tijdperk te overzien van ons bestaan, waarin die filosofie zichzelf zou bewijzen. Conclusie, alles wat tot ons door kan dringen uit voor ons zintuiglijk en redelijk niet waarneembare waarden, houdt zich bezig met toestanden of tijdperken, die voor ons onoverzichtelijk zijn, vanuit een menselijk standpunt. Wanneer wij echter leren om de grondwaarden van bijvoorbeeld een atomaire filosofie, of van een gedachte van een ster te beseffen, en daarbij kunnen erkennen in welke fase daarvan ons eigen wezen zich bevindt, dan wordt het geheel van toepassing op onze eigen wereld, en kan worden omgezet in een redelijk begrip dat op deze wereld hanteerbaar is.

Ofschoon het conclusies bevat die voor het heden te ver gaan. Dat is een belangrijk punt, want wanneer wij te maken krijgen met een tweede werkelijkheid, dan zijn we zozeer geneigd om dat alleen maar te zien als een wereld die ergens ons beïnvloedt, of een wereld waar wij naartoe moeten groeien. Maar het is een wereld die ergens met de onze vergelijkbaar kan zijn. De vergelijkbaarheid ligt echter weer voor ons grotendeels op het vlak van de gevoelens, zoals ook de mens, zonder het te beseffen, vaak meer door zijn gevoelens wordt beïnvloed dan door zijn verstand.

 Dan gaan we die tweede werkelijkheid ook nog eens anders bezien. We weten nu dat zij toestanden omvat, die wij niet onmiddellijk kunnen herkennen. Maar dat vinden van een juist begrip, voor onszelf plus deze tweede werkelijkheid, geeft ons de mogelijkheid ook in onze eigen werkelijkheid ons te oriënteren. We kunnen nu werkingen en krachten overzien, die voor een ander in onwaarneembaar snel tijdsverloop plaats vinden. We kunnen ook krachten overzien die voor anderen een te lange tijd vergen, en wij zien hoe deze krachten voor ons betekenis hebben. Want door onszelf dus daarmee te identificeren wordt het voor ons bruikbaar, zoals de kennis op atomairvlak bruikbaar wordt, zo wordt de kracht der gedachte van de sterren voor ons bruikbaar. Wanneer wij nu spreken over krachten, die uit de kosmos op de wereld aankomen, dan kunnen we dat ook heel goed gedachten van de sterren noemen, het is wel niet helemaal juist, maar in dit beeld van vergelijking is het toch bruikbaar. Het zijn trage golvende bewegingen, die gezamenlijk misschien Gods Naam spreken. Maar Gods Naam moeten we eerst in onszelf vinden, om te zien welke lettergreep nu toevallig wordt uitgesproken. Ziet u, daar ligt ook het geheim van het occultisme.

Het occultisme namelijk schakelt de menselijke werkelijkheid uit, niet om die werkelijkheid te ontkennen, maar eenvoudig om daarnaast die tweede werkelijkheid eerst te kennen en dan – een parallel trekkende in zichzelf tussen de grote werkelijkheid, die erkent werd en de persoonlijke werkelijkheid waarin men leeft – te komen tot een erkennen van de kernwaarden, die in die eigen werkelijkheid op dit ogenblik bestaan. Zoals een piloot bij een vlucht over de oceaan resultaten kan hebben door het juist kennen van luchtstromingen en weerberichten, door een juiste informatie over eventuele afwijkingen in het aardmagnetisch veld en alles wat erbij hoort, en zo zijn koers, ongeacht het feit dat hij het doel dus verder niet kan zien, met zekerheid bepalen.

Zo kan de occultist, door zich te oriënteren op die weerberichten – als ik het zo mag noemen – die vanuit de kosmos tot hem komen, die concrete kennis, die de mensheid over vele geslachten bereikte, die van een atomairvlak is gekomen, gebruiken om zijn eigen doel te bepalen. Wanneer hij dit doel dan bereikt, dan zal dit in vele gevallen voor anderen zijn alsof het een mirakel is.

 Columbus bereikte Amerika en iedereen dacht dat ze over de rand van de wereld zouden vallen. Het was voor de mensen een wonder dat Columbus die wereld bereikte. Maar Columbus wist dat de wereld rond was, en al wist hij niet wat hij op zijn weg zou ontmoeten, hij was toch wel in staat om een nieuw land te ontdekken. De occultist is in die zin vaak een Columbus, in de onbekende wereld van geest en tijdloosheid. Wat wij zoeken te bereiken, bereiken we niet altijd onmiddellijk. Wanneer wij zeggen, wij willen een geestelijke kracht richten, dan blijkt ons soms dat met hetgeen wij daarvoor gebruiken een andere kracht ontstaat. We zouden dwaas zijn om aan die kracht voorbij te gaan en te zeggen dat ons experiment of onze proef waardeloos is. We moeten trachten na te gaan wat het is wat ontstond, en dit vastgesteld hebbende, ons voortbewegen in dezelfde koers. Wij kunnen dan misschien de kracht eerst in onszelf verwerken om zijn doel alsnog te bereiken.

 Wanneer wij nu in deze tijd leven en we zien daarin allerhande krachten uit de kosmos op ons aankomen, dan hebben we het idee dat het allemaal grote meesters en heren zijn die met ons bezig zijn, en we vergeten dat de kracht zelf een veel hoger niveau heeft. Zij is ver buiten ons eigen tijdsbegrip geboren. Ze benadert ons met een voor ons onbegrijpelijke onverwachtheid en traagheid, uit een richting die we niet eens kunnen of durven bepalen. Waarom? Omdat het grote geheel nu, vanuit een veel langere tijd vanuit ons standpunt, ons gaat benaderen. Maar we kennen die kracht, wanneer we begrip hebben van die tijdloosheid van de tweede werkelijkheid, wij kunnen onszelf dan op die kracht gaan baseren. We kunnen die kracht gebruiken. Degenen die dat weten zijn de meest bewusten van de mensheid. Het zijn degenen die alle paden van inwijding hebben doorlopen, en die de Goddelijke Kracht zelf hebben ontmoet, en het is logisch dat dezen, die met de mensheid nog verbonden zijn, trachten om de mensheid die tweede werkelijkheid bij te brengen.

Werkelijkheid die niets meer heeft te maken met zijn eigen wereld en zijn eigen wezen misschien, maar die in die eigen wereld bepalend kan zijn voor elk doel wat zij zich stelt, geestelijk zowel als materieel. Wanneer u dus hoort dat Jezus en dergelijke op aarde werkzaam zijn in deze tijd, dan is dat niet te verwonderen. Zij weten welke kracht optreedt en zij trachten de mensheid ertoe te brengen die kracht op de juiste wijze te gebruiken, want deze grote meesters hebben de oneindigheid erkent, ze hebben getracht de mensheid die oneindigheid als doel te geven. Daar komen een hoop verschijnselen bij voor, die voor mensen dus onbegrijpelijk zijn. Tegenwoordig is een wonder geen wonder meer. Laten we zeggen, wanneer op het ogenblik iemand een geneesmiddel uitvindt, dat u alleen maar drie weken hoeft in te nemen om bevrijdt te zijn van tuberculose, van kanker enzovoort, dan roept iedereen onmiddellijk: “bedrog”. Waarom? Omdat het niet past in de opvatting van die mensen. Vroeger zou men hebben gezegd, dit is een wonder, nu roept men, het is bedrog, het is ontoelaatbaar.

 We moeten dus niet verwachten dat de wonderen van deze tijd altijd bij een naam genoemd zullen worden. Wat we wel kunnen verwachten is, dat die wonderen zelf toenemen.  De ongelooflijke ontwikkelingen, de vreemde gebeurtenissen, de plotselinge veranderingen in ons eigen wezen nemen toe. Zijn wij nu tegen onszelf verdeeld, dan zullen we er weinig profijt van hebben. Wanneer u een middel krijgt, dat u geneest van longontsteking en u neemt het in, en u beslist daarop onmiddellijk in de kou en in de tocht te gaan staan, dan hebt u weer een longontsteking en dan kunt u zeggen, het heeft niet gewerkt. Een mens die zelf niet weet wat hij wil in deze tijd, die zal die krachten aan de ene kant misschien aanvaarden, zeker in een toestand die de meesten van u kennen, maar aan de andere kant zal die ook die krachten weer opzij proberen te schuiven. En hij zal onmiddellijk daar tegenop komen, hetzij met zijn rede, of met zijn eigen belangen, of desnoods met een theorie, en hij zal zeggen, ja ik heb dat nu wel ervaren maar …………, en daarmee zet hij alles weer buiten de deur. Wat dat betreft maakte iemand de vergelijking, dat menigeen Goddelijk Licht schijnt te beschouwen als een lastig katje, dat je strelen kan zolang als het lief is, maar dat je buiten de deur zet zodra het eisen stelt. Ik geloof dat dat niet zo vreemd is. In deze tijd is men geneigd om het bovennatuurlijke, dat in je leven optreedt, terzijde te stellen, al is het alleen maar om niet af te hoeven wijken van je eigen leven of denkwijze. U begrijpt hoe gevaarlijk dat is. We moeten wat dit betreft die tweede werkelijkheid een beetje meer proberen te bevatten en te begrijpen.

 Dan is er nog een punt: Omdat die tweede werkelijkheid nooit door iemand op aarde geheel kan worden overzien zal elk begrip, dat tweede werkelijkheid uitdrukt, gelijktijdig een relativering zijn. Het is een relatief stellen van waarden, niet een definitief stellen van waarden. Wij bepalen verhoudingen, geen vaste punten. Het is goed ook dit te beseffen, er zijn geen vaste punten.  Zeker, er is magie, een hele hoop magie, wonderlijk grote magie, als het daar om gaat. Er is een hele hoop geestelijke kracht, er zijn geestelijke inwijdingen, er zijn geestelijke gaven, die de meesten van u langzaam kunnen leren gebruiken. Maar kunt u die dingen ook werkelijk ervaren, gebruiken, wanneer u tegen uzelf verdeeld bent. Als u helderziende bent, maar gelijktijdig de juistheid van uw helderziendheid aan uzelf bewijzen wil, bent u niet helderziende, want u belet uzelf om waarlijk te zien. Klinkt een beetje dwaas. Wel mag hij, reagerende daarop, het antwoord van zijn beeld op die helderziendheid als een bewijs beschouwen van de al of niet aanvaardbaarheid daarvan, en de eventuele al dan niet juistheid zelf. Wanneer iemand mensen genezen wil, hij probeert het, en de een geneest misschien, en de ander niet, dan kun je niet zeggen, dus ik kan bepaalde mensen wel en anderen niet genezen. Je kan ten hoogste zeggen, ik kan in dit geval de genezende kracht wel vinden, in dat geval niet. Die relativering begrijpen, dat is ook weer voor jezelf een weg open maken. Een weg die niet alleen naar die tweede werkelijkheid voert, want dat is ergens toch ook belangrijk, naar je ware ik, je ware zelf. Dan ontmoeten we op die wegen ook weer allerhande dingen, waar we tegen in verzet plegen te komen.

 Op het ogenblik dat ik u een waarheid zeg, die voor mij volledig waar is, en ik zeg die met een dwingend geweld – ofschoon dit helemaal niet past in een redelijk kader, ofschoon dit niets te maken heeft met uw begrippen van logica, misschien strijdig is daarmee – dan bent u geneigd om die te verwerpen. Maar dan kunt u die weg niet gaan, het is of het een of het ander. U kunt niet zeggen, ik verwerp een deel en dan behoud ik toch nog de waarde daaruit. Het is, beproef alle dingen en behoud het goede, maar het is niet, beproef alle dingen en houd de goeie helft ervan. Dat vergeet men ook weer vaak. In deze dagen zult u vaak geconfronteerd worden met een zeker gezag en dat gezag, dat zal tegen u zeggen, dat en dat moet u doen. En als ze tegen u zeggen, u moet in een waskuip gaan zitten en uw rug schrobben midden op de Vogelmarkt, morgen, en u gelooft aan die weg, dan moet u het doen, dan zal het ook wel ergens goed voor zijn. Dan moet u niet zeggen. dat kan niet, dan word ik gearresteerd, dat gaat niet. U moet kiezen. Of zelf het onzinnige aanvaarden omentwille van de waarde die u voor uzelf vindt, of alles verwerpen. Een tussenweg is er niet.

 In die periode van rust, die op het ogenblik voor de meesten van u wel ergens gaat aanbreken, heeft u de gelegenheid u te bezinnen op datgene wat u wel kunt en niet wilt aanvaarden. U bent in de mogelijkheid om uw eigen weg te kiezen aan de hand van hetgeen u geleerd hebt. Maar als u die weg eenmaal gekozen hebt, in de toekomst bent u eraan gebonden. Niet omdat uw eigen wereld dat noodzakelijk maakt, maar omdat de tweede werkelijkheid u daartoe dwingt. Er bestaat reïncarnatie. Dat wil zeggen dat u een gevormd wezen was, al lang voordat u geboren werd op deze wereld. Nu zegt u, ik wordt door een lot geregeerd. Dat is tot op zekere hoogte waar voor u, maar in feite wordt uw lot bepaald door uw reactie op de grote werkelijkheid of de tweede werkelijkheid. Alles wat er in u leeft, uw lankmoedigheid, uw toorn, uw gezapigheid en uw drift, ze komen alle voort uit hetzelfde, uit uw houding tegen uw tweede werkelijkheid. Hoe meer u naar die grote werkelijkheid toe groeit, hoe meer u vanuit menselijk standpunt onmenselijk wordt. Niet dat u een onmens wordt, maar u verliest dus veel van die menselijke eigenschappen: impulsen; uzelf doorzetten; vanuit een eigen standpunt bezien; u wordt onpartijdiger en daardoor voor anderen koeler.

Voorbeeld:  Men heeft Jezus altijd voor willen stellen als een warmhartig mens. Dat was hij eigenlijk niet. Jezus was eigenlijk glashard. En wanneer Jezus die tweede werkelijkheid activeert op zijn manier, dan doet hij mirakelen, ook al zijn het niet de wonderen misschien die men u beschreven heeft.  Maar stel u nu eens voor, dat u een volgeling bent van die Jezus. U weet misschien iets over die tweede werkelijkheid, die Jezus het Koninkrijk Gods noemt, maar niet veel. Rond u staan 5.000 mensen met honger. Uw meester geeft u 2 vissen en 3 broodjes en hij zegt: “Voedt deze mensen tot ze verzadigd zijn”. Ik vraag me af hoeveel mensen, die Christenen zijn, deze dagen de moed zouden hebben om dit althans te proberen. De apostelen hebben dit gedaan en zij waren verbaasd over het resultaat, want er waren elf manden met resten die overbleven. Maar zij wisten niet wat er ging gebeuren, zij stonden alleen maar voor het feit: Er is een Hogere Kracht die die werkelijkheid kent, die zegt mij dit, en dat moet ik proberen, maar het is onzinnig. Voor hen net zo onzinnig en ook net zo gevaarlijk, wanneer ze gefaald hadden in het verzadigen van die menigte, dat kunt u toch wel volgen.

 U leeft in een andere tijd, maar nog steeds onder dezelfde wetten en condities. Uw lot wordt bepaald door een reactie op die grote werkelijkheid. Op het ogenblik dat uw reacties afwijken van de beperkte menselijke logica, en uitgrijpen naar de groot kosmische logica, die dus niet menselijk weer te geven is, behalve door gevoelens en impulsen en inspiraties, dan staat u vaak voor hetzelfde probleem als die leerlingen. Riskeer je niet alles? Zeker u riskeert alles, maar wanneer u die krachten durft en kunt aanvaarden en volgen, en dat met een zekere vrede in uw hart leert doen, een zekere gerustheid, dan zult u ontdekken dat het hele noodlot niet meer klopt, dat uw karma op de vuilnishoop terecht komt en dat u een nieuw mens bent geworden. Iemand die de tweede werkelijkheid leert kennen is een herboren mens. Waarom? Zijn leven wordt niet meer bepaald door de eenvoudige menselijke waarde, maar door eeuwige waarden. Hij is niet alleen in harmonie met zijn God en zichzelf op een bepaald ogenblik. Hij vindt de wet van harmonie in het tijdloze. Hij is niet gebonden aan menselijke gedachten, krachten en opvattingen, maar alleen aan die tijdloze krachten en opvattingen en gedachten. En daaruit put hij. Wanneer u dat doet, zonder bang te zijn om belachelijk te worden. bereikt u alles. Vaak is het daarvoor nodig u te beroepen op iets. De een zal zich beroepen op de theosofie, de ander op het spiritisme, een ander op het christendom en weer een ander op Allah. Dat doet niets ter zake. Dit beroepen is een vorm, een vorm waardoor u voor uzelf die tweede werkelijkheid ergens aanvaardbaar maakt.

 De mens personifieert. Veel krachten, die dus in feite geen persoonlijkheden zijn vanuit een menselijk begrip, worden toch als een persoon gezien. Wanneer er een kracht optreedt, in het verleden, gewoon een natuurkracht, bijvoorbeeld de luchtelektriciteit, dan krijgt die een Godennaam. Is het daarom een mens, neen, maar zou het daarom een redeloos wezen moeten zijn, of alleen maar een redeloze toestand? Dat is een vraag die u niet kunt beantwoorden. Want die dingen kunnen ook aan wetten gehoorzamen, al kent u ze niet. Ze kunnen ook reageren op de omgeving, al begrijpt u niet precies waarom en hoe. Voor degene die de tweede werkelijkheid betreedt wordt dit alles normaal, hij spreekt niet meer over verpersoonlijkte Goden of krachten. Hij leeft met krachten en toestanden, maar in zijn menselijke wereld geeft hij daaraan een naam en uitdrukking, omdat het voor de mens onmogelijk is om te spreken over iets wat onbeschrijfbaar is. En wanneer ik het onbeschrijflijke dan toch ergens waar wil maken dan geef ik het een naam. U hebt zoveel dingen waaraan u een naam hebt gegeven, en die u eigenlijk niet eens kent. Waar is de mens die me kan vertellen wat ‘deugd’ precies is, waar is degene die me precies het begrip ‘zonde’ kan wijsmaken. Wie van u kan me precies het gevoel ‘vreugde’ omschrijven of ‘smart’? U kunt het niet.  U denkt het misschien, maar probeer het eens, alomvattend. Onmogelijk. Het is een kracht en die kracht werd een naam gegeven. Wij geven namen aan al datgene wat in die tweede werkelijkheid bestaat. Wij geven aan die grootmachten en die grootkrachten die er zijn een persoonlijkheid. Dan hoeft het nog niet waar te zijn, maar zo kunnen wij ze menselijk hanteren. Uit uw contact met, of uw zoeken naar, die tweede werkelijkheid zal dan ook in de meeste gevallen een reeks van naambegrippen ontstaan. Soms zijn dat Godennamen, of Godsbegrippen, soms zijn het stellingen, en een enkele keer zijn het zelfs alleen maar bepaalde emoties of acties.

Is het nu belangrijk welke uitdrukking wij geven? Neen. Zolang ze in de menselijke wereld voor ons hanteerbaar worden, en gelijktijdig ons innerlijk die grotere werkelijkheid beseft, kunnen wij het menselijk niet denkbare, niet redelijke, omzetten in het menselijk wel redelijke. Het onbekende werd als het ware voorzien van een in onze wereld passend mom, en van achter deze vermomming is het nu in onze wereld een aanvaardbare, werkbare en hanteerbare kracht.

* U gaf een voorbeeld van Jezus, broeder, van uitdeling van broden en vissen. U schijnt de apostelen hier die kracht te geven, maar Jezus, was die zich bewust van die kracht?

Jezus wist wat hij deed. Jezus wist dus op welke wijze het mirakel waar zou worden, en dat was meer door psychologie dan door werkelijk wonderdadige vermenigvuldiging. Maar Jezus wist, de apostelen wisten niet, en daarin ligt voor mij het grote verschil. Wanneer Jezus tegen deze apostelen zegt, ga uit en genees de zieken, drijf de duivelen uit, dan is het helemaal niet verwonderlijk dat ze met hangende staart terugkomen: “Meester het gaat niet”. En dat is nu weer precies hetzelfde, Jezus weet wat hij doet, maar deze apostelen worden geremd, doordat zij toch ergens vasthouden aan hun begrip. Ze kunnen dat niet loslaten. We zullen dat ook later zien, dan blijkt wel degelijk dat hun eigen karakter en hun eigen zienswijze steeds op de voorgrond komt. Maar het begrip wordt door sommigen van hen op den duur gedomineerd door die grote werkelijkheid. Een apostel is niet direct een afdruk van Jezus, het is een persoonlijkheid, die dezelfde kracht en werking waaruit Jezus spreekt en werkt in zich bevat, en daarmee geleerd heeft ook te werken, zij het vaak beperkter dan Jezus zelf deed. Dus daarom vind ik het van die apostelen een grote prestatie. Het feit zelf is, gezien de persoonlijkheid van Jezus, geen mirakel. Voor de mensen is het een mirakel omdat het onbegrijpelijk is. Het hoort niet meer thuis in hun wereld, hun begrip.

 Wanneer ik zeg dat wij die tweede werkelijkheid moeten – en kunnen – leren kennen, ook wanneer we in de stof zijn, dan zeg ik dat niet om een figuur als Jezus, of een ander, te ontwaarden. Maar ik zou dan toch wel de opmerking moeten maken dat Jezus, zoals hij thans wordt gezien door de mensen, in feite een figuur is, die in de plaats is gekomen van een groot deel van die tweede werkelijkheid, en dat deze rationalisatie van hetgeen men aanvoelt, en niet redelijk verder kan omschrijven of uiten, voor de doorsnee mens gelijktijdig een rem is geworden om verder te gaan in het zelf bereiken. Het belangrijkste punt is, het gaat niet om het bewijs, het gaat eerst om de erkenning. En die erkenning die is niet miraculeus, maar die erkenning, die is een uitgaan buiten onze eigen wereld, een geconfronteerd worden met dingen die voor ons zinloos zijn, of absoluut onlogisch.

Voorbeeld: Simon Petrus is een rijk visser, want hij en zijn broeders hebben twee boten, en dat betekent wat in die tijd. Jezus komt langs, Jezus doet niets, Jezus zegt alleen maar: “volg mij”, en Petrus volgt. Om wat voor redenen? Geen. Hij heeft alleen zijn gevoel, hij heeft het onredelijke. Wat hij doet is de grootste dwaasheid die men zich voor kan stellen. Hij laat zijn bezit zo maar achter, iedereen kan er zo maar misbruik van maken. Later zal hij die boot overigens zeker stellen. Daarvoor is hij mens. Deze Petrus aanvaardt datgene wat niet zintuiglijk mogelijk is, hij aanvaardt datgene wat direct zelfs strijd met alle opvattingen van zijn omgeving, met zijn achtergrond, met zijn geloof, ja zelfs met de moraliteit van zijn dagen. En hij gaat.  Voor ons is de confrontatie met de tweede werkelijkheid ongeveer hetzelfde. En dat geldt voor de geest zo goed als voor de stof, want ook de geest kent niet altijd die hele werkelijkheid. Men wordt op een gegeven ogenblik geconfronteerd met iets. En men moet het aanvaarden, zonder dat men weet waarom, en in plaats van zich te verzetten, door eigen wereld en begrippen en waarden naar voren te schuiven, aanvaardt men eerst, en in die aanvaarding ontstaat de lering. En in die lering ontstaat de groei. Die groei die brengt nog niet onmiddellijk de miraculeuze macht. Voordat Jezus zijn apostelen uitzond om wonderen te doen hadden ze twee jaar met hem getrokken door het land, en reken maar dat ze elke dag les hebben gehad. Wij worden geconfronteerd met iets en we begrijpen het niet en we zullen twee à drie jaar moeten besteden, alleen om het te leren begrijpen. We zullen misschien ook vruchteloos proberen om wonderen te doen, en dan komt het ogenblik dat we begrijpen en ons begrip niet meer kunnen weergeven, dan moeten we spreken in raadseltaal. Niemand weet precies wat we bedoelen, onze taal klinkt als een geraaskal in de oren van anderen, misschien wanneer ze het redelijk ontleden, maar de emotie, de kracht die er achter zit is de kracht van een grotere werkelijkheid en uit die grotere werkelijkheid is het wonder mogelijk.

 In die rusttijd die nu, voor de meesten van u, in geestelijk opzicht aanbreekt, een periode van wat traagheid, van een zoeken als het ware naar het begin van wat nu moet volgen, zou ik u de raad willen geven u met de waarde van die tweede werkelijkheid eens wat meer te bemoeien. Niet met uw rationaliseren, maar eenvoudig met een nazoeken van die gevoelsinhoud. Van dit gevoel, van mogelijkheden die onredelijk zijn, en wat iedereen, misschien de meest ingewijde of de meest verstandige, schijnt af te keuren, maar wat ergens in u spreekt. Van die gedachten die dwaas lijken, waar iedereen zich tegen verzet, maar die voor uzelf een heiligdom worden. Dat is het begin van een tweede werkelijkheid.  En dan komt zo dadelijk die golf van energie, dan komt het “Gouden Licht”, dan komt er weer een periode, dat die hele wereld misschien zichzelf weer aardig in oproer gaat brengen, ook al duurt het enige tijd voordat het overal wordt uitgevoerd.  In die periode komt voor u ineens de stuwing, en dan zult u zeggen – ik moet iets gaan doen – en dan kunt u kiezen tussen datgene wat verstandelijk, wat redelijk is, of datgene wat u aanvoelt, maar wat eigenlijk de grootste dwaasheid lijkt. En dan neem ik weer datzelfde idiote voorbeeld, de badkuip op de Vogelmarkt. Waarom niet?

 De meesten van u vinden in dit leven bepaalde dingen onbevredigend. Hun eigen werkelijkheid is niet iets waar ze werkelijk gelukkig mee zijn. Met al hun zoeken, zij het naar eigen waardigheid, kennis van eigen ik of wat anders, worden ze ergens toch weer gedrukt. Waar heeft uw redelijkheid u gebracht, waar heeft die voorzichtigheid u gebracht? Ik kan het niet voor uzelf zeggen, maar ik kan u wel zeggen waar de voorzichtigheid de mensheid heeft gebracht. De voorzichtigheid heeft de mensheid ertoe gebracht zelfs onschadelijke geneesmiddelen te verbieden, ongeacht de grote resultaten die daarmee bereikt schijnen te zijn. De voorzichtigheid heeft de mensheid ertoe gebracht om experimenten op sociaal of ander terrein, die toch hoogst noodzakelijk zijn, en die in kleine vorm hun leefbaarheid en hun goedheid bewezen hebben, eenvoudig te verbieden, omdat er misschien een wanorde bij zou kunnen komen die men niet zou kunnen overzien, of misschien ergens iets achter zou zitten dat niet helemaal juist is. Dit kan niet voortgaan, voor de wereld niet en voor u niet. Zo dadelijk zult u moeten kiezen, voor uw eigen redelijkheid, maar dan zult u aan uw eigen besluiten worden gehouden en zonder enig pardon, dat brengt de tijd mee. Of u zult kunnen kiezen voor een grotere werkelijkheid en u zal heel onredelijk en misschien dwaas lijken in de ogen van de anderen, en u zult uzelf niet altijd helemaal kunnen begrijpen. U zult niet uit kunnen drukken waarom, maar u zult het doen. En u zult een inzicht verkrijgen, en als u dan uw leertijd voltooid hebt, dan zullen de mensen zeggen dat u wonderen kunt doen. Maar dan bent u eigenlijk alleen maar een mens geworden die, als waar occultist, een wetenschap heeft gemaakt van datgene wat buiten de directe rede van de mensen leeft, maar in feite toch het grootste gedeelte van het Al, van de werkelijkheid waarin ook u leeft, uitmaakt.

* Er is ons gezegd keuze te doen aangaande onze persoonlijkheidsbeleving en het doel dat wij ons stellen. Kunt u ons enige wenken geven?

Deze mogelijkheid is zeer beperkt, omdat elke mens enigszins anders is gericht, andere mogelijkheden bezit, ja zelfs in zijn denken verschilt van anderen. Maar indien u een aantal richtlijnen wilt horen, waartussen dus keuze mogelijk is voor de komende tijd, zonder deze bindend te achten:

  1. U kunt streven naar het vormen van harmonische gemeenschappen.
  2. U kunt streven naar begrip van magie en werken met geestelijke krachten.
  3. U kunt zich concentreren op het ontvangen en zenden van lichtende gedachten. U kunt zich daarnaast nog concentreren op een persoonlijke beleving van geestelijke waarden en het daaruit vinden van een persoonlijke taak, die dan in dit geval voor een deel moet worden beheerst door de geestelijke waarde waartoe u zich richt.
  4. U kunt zich eenvoudig richten op het vinden van een juist persoonlijk evenwicht en een innerlijke evenwichtigheid, waardoor u in staat bent de evenwichtigheid van anderen te redresseren.

Hierin blijft een zoeken naar waarheid altijd noodzakelijk als basis, als punt van uitgang voor alle benaderingen. In de toekomst zou ik willen stellen het oude woord “Ken u zelve”, omdat slechts degene die zichzelf zoekt te kennen en te begrijpen zijn eigen mogelijkheden op de juiste wijze zal kunnen begrijpen.

* Kunt u me de oorsprong en gevolgen van Yoga vertellen?

De oorsprong van Yoga ligt eigenaardig genoeg niet in geestelijke strijd, of in geestelijke oefening en bereiking, maar in de training van krijgslieden.  In het begin, voordat de Hindoestaten tot stand kwamen, waren en namelijk verschillende krijgslustige volken, zowel in de bergen als in de grensgebieden van de huidige Gobiwoestijn, welke krijgers later macht kregen in het rijk in die woestijn gelegen.  Deze krijgers hielden lichaamsoefeningen die ten doel hadden uithoudingsvermogen, coördinatie, hantering van wapens, vermijden van vermoeidheid en dergelijke te bevorderen. Zij zijn de feitelijke voorvaderen van wat met nu wel de Hatha Yoga noemt.   Toen de wijsgeren en zoekers en priesters de middelen van hun tempels zagen wegvallen, en daarin hun geestelijk werk en hun geestelijk ontwaken niet meer in eenzaamheid konden bereiken, zochten zij naar een methode om dit te kunnen voortzetten. Het bleek echter dat de barre omstandigheden van leven hen dit steeds minder mogelijk maakte. Ook zij grepen daarom naar dezelfde oefeningen, die eens de krijgers hadden gebruikt, en wisten deze langzaam maar zeker verder te ontwikkelen tot een systeem, waarin meditatie en lichaamsoefeningen samengaan, zo niet een betere coördinatie van lichamelijke functies alleen, maar ook een betere samenwerking tussen lichaam en geest tot stand brengen.

 Uit deze wijsgeren zijn toen weer verschillende denk en meditatie richtingen ontsproten, die wij in zijn beste vorm zien in de Raja Yoga, en in een van zijn meest bruikbare vormen, ook filosofisch gezien, in het Karma Yoga. De gevolgen van Yoga zijn echter niet gemakkelijk te overzien. Iemand die van jongs af hierin getraind is bereikt een uitmuntende lichamelijke beheersing, het vermogen om zich geestelijk los te maken van zijn wereld, het vermogen om via meditaties, bespiegelingen en overwegingen grote wijsheden te ervaren. Degene echter die, door andere leefwijze, op latere leeftijd eerst over wil gaan tot Yoga zal moeten beseffen dat zijn lichaam niet meer in staat is daaraan geheel te beantwoorden. Hij zal zich dus moeten beperken tot een gevarieerde en gewijzigde vorm van de oorspronkelijke Hatha Yoga, die in feite niets meer is dan heilgymnastiek.

 Deze meditatie oefeningen zijn voor de Westerling slechts beperkt bruikbaar. Voor de westerling is de Inaja Yoga, indien hij zich in deze meditatie en denkwijze kan inwerken, zeer geschikt. Voor hen die niet direct christelijk zijn georiënteerd de Karma Yoga. Men kan door deze gewijzigde Hatha Yoga een redelijke lichamelijke gezondheid verkrijgen, mits men niet overdrijft, en rekening houdt met eigen lichamelijke gesteldheid en behoefte.

* Kunt u iets vertellen over humanisme?

De humanist op zichzelf gaat uit van het standpunt dat hij, alleen door het feit dat hij mens is, verplichtingen heeft tegenover zijn medemensen. Dat hij, om zijn mens-zijn te bewijzen, ook moet leven volgens de eisen die hij zelf en ook anderen aan dit mens-zijn stellen. Men stelt verder dat het geloof niet noodzakelijk is, ofschoon lang niet alle humanisten stellen dat er geen God is, of dat althans geen van de bekende Godsdiensten aanvaardbaar is. Zij zoeken elkaar onderling begrip en steun te geven. Dit heeft tot gevolg dat binnen het humanisme, mensen met zeer verschillende levensopvattingen en richtingen elkaar kunnen ontmoeten, om gezamenlijk te komen tot een – door onderlinge steun, beschouwing en onderricht – menselijke leefwijze.  Een ideaal mens te zijn staat hier dus wel sterk voorop. De humanisten zelf geven echter vaak zeer verschillende definities van hun taak en doel. In sommige gevallen willen zij optreden als het ware als een niet kerkelijke kerk voor niet kerkelijken. Iets wat mijn inziens niet aanvaardbaar is. In andere gevallen zien zij hun doel vooral in een sociaal streven. Maar dit sociaal streven brengt onder hen ook enige verdeeldheid. In de meeste gevallen zoeken zij echter steun te verlenen aan allen, die zelf het leven niet aankunnen en daar hun moeilijkheden hebben, ongeacht van welke aard.  De idealisten onder hen zouden het humanisme verder willen zien als het begin tot een wereldbeweging, waarbij alle rassen en staten en landen een uiteindelijke eenheid vormen. Men zou deze de politieke of staatkundige humanisten kunnen noemen. Hun denkbeelden echter zijn over het algemeen niet zeer reëel waar zij, met hun streven naar een grote en edele mensheid, de menselijke aspecten van de mens al te zeer verwaarlozen. Zij hebben één doel waarmee wij het volledig eens moeten zijn namelijk, het veredelen als het ware van het begrip “mens”, het veranderen van de gedragsnormen en leefwijzen van de mens in overeenstemming met een wezen dat niet dierlijk, maar redelijk denkend en levend zijn weg zoekt.