Uiterlijke en innerlijke krachten

image_pdf

4 maart 1963

U weet het, we zijn niet alwetend of onfeilbaar. Wij verzoeken u dus ook zelf goed na te denken.

Onder innerlijke kracht versta ik al datgene wat stoffelijk gezien abstract is, de geest, maar ook inhoud van het onderbewustzijn en tot op zekere hoogte het denkvermogen.

Onder uiterlijke kracht versta ik dan alle lichamelijke krachten en alle krachtsaanwendingen en omzettingen zoals die in de materie plaatsvinden.

Wanneer we spreken over innerlijke krachten, dan spreken we dus over krachten van de geest, krachten van de gedachte, die onder omstandigheden uitgestraald worden, kortom al die energieën in de mens die niet kunnen worden gegroepeerd onder wat men materieel nog een vorm van energie noemt.

Het is duidelijk dat we die innerlijke krachten moeilijk kunnen omschrijven, we kunnen niet precies zeggen wat er is en wat er niet is. We kunnen hoogstens een vergelijking gebruiken en die ligt ongeveer op het volgende niveau: Wanneer ik iets over elektrische stroom wil verklaren en ik zeg er loopt stroom door een leiding, zoals water door een pijp, dan is dat natuur1ijk niet waar, maar het lijkt erop.

Zo kan ik dus zeggen: Een gedachte die wordt uitgestraald is een veld dat doet denken aan een magnetisch veld dat zich vormt en wordt uitgestraald door een zender.

Ik zal dus voor innerlijke krachten hoofdzakelijk vergelijkingen moeten gebruiken en wat de uiterlijke krachten betreft, die kent u zelf.

Wanneer ik hier dit lichaam tot mijn beschikking heb en ik beweeg deze arm dan wordt er kracht gebruikt. Die kracht ontstaat door een omzetting van voedsel tot o.a. suikers, die als een chemische oplossing door het bloed worden gebracht naar de celweefsels. De cellen bevatten een kern (chromosoom), een moleculaire structuur dus, die bepaalt hoe de cellen reageren. Wanneer vanuit de hersenen een zenuwimpuls gaat, dan wordt hier aan het geheel een prikkel gegeven of een bevel en ik til die hand op. Zit er een gewicht in, dan heb ik meer krachtinspanning nodig. Maar zolang mijn vermogen groot genoeg is, kan ik dat gewicht ook optillen. Nu kun je voor de innerlijke krachten een dergelijk beeld moeilijk gebruiken. Je kunt niet zeggen, er is ergens een centrum. Je kunt hoogstens zeggen: het ik-bewustzijn van de mens is het centrum van zijn innerlijke krachten, en dan heb je nog niets gezegd.

Nu bestaat er gelukkig, tenminste voor ons vanavond, een verbinding tussen die innerlijke en de uiterlijke kracht. Wanneer een mens enorm schrikt, dan behoeft dat niet gebaseerd te zijn op werkelijkheid, het kan volkomen illusoir zijn, het kan zelfs in een slaaptoestand voorkomen, waarbij we misschien nog kunnen spreken over werking van de hersenen, maar ook over een beleving, die op astraal terrein ligt. Dan zal die schrik in het lichaam een reactie teweegbrengen. Wanneer die reactie uitblijft – dat is nu één van die typische verschijnselen dat het lichaam niet reageert – dan komt de volle belasting van die geestelijke kracht op de verbinding tussen stof en geest en wanneer dat gebeurt, dan knapt er iets. Dan kan zo iemand ten dele abnormaal worden. Hij heeft dan bv. geen volledige lichaamsbeheersing meer of hij kan niet meer terugkeren in het normale denken. Het kan ook gebeuren dat die belasting zo groot is, dat de verbinding als het ware helemaal gebarsten is. Dan zeggen we: het gouden koord of het zilveren koord breekt. Iemand kan zich dus letterlijk doodschrikken, alleen aan de hand van een geestelijk proces, waardoor geestelijke energie wordt gewekt. Hier hebt u dan een klein idee van het verband tussen beide en ook van beide krachten afzonderlijk. Nu blijkt echter dat de materie en de materiële kracht soms op de geest in kunnen werken. De geest kan klaarblijkelijk meer kracht, innerlijke kracht putten uit een materieel proces. Omgekeerd kan een bepaalde geestestoestand, die dus stoffelijk gezien, geen energie heeft ertoe voeren dat iemand een lichamelijke energie opbrengt. Ik wil van beide gevallen een voorbeeld geven ter verduidelijking: een mens heeft de behoefte om gedachten van goedheid, van vrede, van liefde uit te stralen. Dat ligt eigenlijk niet meer op een zuiver stoffelijk niveau, ligt dus abstract. Nu kan hij dat alleen maar doen wanneer hij voldoende stemming heeft, wanneer er een, ik zou haast zeggen, een emotionele harmonie bestaat tussen het lichaam en de geest.

Zo iemand gaat nu een ander een dienst bewijzen, waardoor hij het idee heeft te helpen, goed te doen. En hij gaat die ander a.h.w. zuiver stoffelijk helpen. Dat is een zekere lichamelijke krachtsinspanning, het is een lichamelijke beweging, een lichamelijke emotie. En we kunnen nagaan dat dit in het lichaam bepaalde wijzigingen tot stand breng en een zekere kracht gebruikt. Maar de gesteldheid die daardoor ontstaat, maakt a.h.w. een soort stemming, een soort sfeer, een sfeer van goedwillendheid, van goed doen, van energie, van kracht en die straalt uit naar het geestelijke, het werkelijke ik. Dat werkelijke ik zal die impuls ervaren als een soort steun in de rug. En nu is het met de gedachtekracht zo, dat het uitstralen van gedachten soms moeilijk op gang komt. Het is net een spoorwagen, wanneer die eenmaal rijdt, betrekkelijke geringe energie nodig heeft, om rijdende te blijven. Maar zolang hij staat grote energie vereist om in beweging te komen.

Nu geven wij deze stoot a.h.w. door het lichamelijk beleven aan die innerlijke kracht en deze kan daardoor met betrekkelijk geringe concentratie een grote snelheid bereiken. Ze kan een grote uitwerking en doordringingsvermogen bezitten. Omgekeerd hebben we wel eens meegemaakt dat een mens in een mijn (dit is een feitelijk voorval) zag dat de verschoring inviel en dat een aantal mensen niet meer zou kunnen ontsnappen, tenzij een balk het nog hield. Deze mens was lichamelijk wel een zwakkeling, maar hij zag kans om bijna gedurende 5 minuten die tonnenlast te dragen, door met rug en schouders te schoren, terwijl de anderen ontkwamen. Nu kunt u zeggen: die energie heeft dat lichaam dan opgebracht. Neen, dat lichaam heeft op een gegeven ogenblik op moeten geven, maar er was een bewustzijn, een kracht die verder ging. Want het lichaam zou nooit in staat zijn om a.h.w. zichzelf te eten in een korte tijd, dus alle energie uit de cellen weg te trekken, om een dergelijke prestatie te leveren, dat doet het niet. Maar nu komt dit element van geestelijke kracht erbij en de idee: ik moet redden. Dat heeft niets meer te maken met de materie. Dat had uiteindelijk ook niets meer te maken met een strijd alleen maar tegen die instorting. Dat was een strijd tegen de dood. Het lag op het terrein van het voorstellingsvermogen, het was abstract. En het eigenaardige is, dat deze mens daardoor een energie ontwikkelde, die later onvoorstelbaar leek. In die periode presteerde hij nl. zoveel, dat er normalerwijze 30 man meer nodig waren geweest om hetzelfde te doen. Toen het niet meer nodig was, toen hij zichzelf had moeten redden, was hij zo uitgeput dat hij zich niet meer kon bewegen. Het lichaam had zijn doel verloren, de geestelijke energie was als het ware aan het vertragen, alle kracht uit de cellen was opgebruikt, het zakte ineen en de man was eigenlijk al dood, voordat de instorting hem bedolf. Hier hebt u dus weer 2 typische voorbeelden.

Wanneer we dus werken met geestelijke krachten, dan moeten we goed begrijpen dat die geestelijke kracht ook de rest van het menselijk ik, het geestelijk ik beroert, dat je er iets mee te maken krijgt. Zolang als je in de stof bent, kun je niet alleen met geestelijke kracht werken, wanneer daarvoor stoffelijk niet de juiste omstandigheden voor aanwezig zijn. Omgekeerd kun je nooit tot een maximale prestatie komen in stoffelijk opzicht, zonder een geestelijke drijfveer.

Ik hoop hiermee dat ik het eerste punt duidelijk genoeg gesteld heb: de relatie tussen de innerlijke en de uiterlijke kracht.

  • Zou u op die overbelasting van de band tussen lichaam en geest iets verder willen ingaan. Hoe dat mogelijk is.

Nu, dat is niet eenvoudig. Kunt u zich een voorstelling maken van een fluïde of van wat u een protoplasma noemt?

Dat is een eigenaardig amorf iets, wat half materie is, half wat anders, half een vorm van kracht eigenlijk. Dat zgn. zilveren of gouden koord, dat is eigenlijk ook zoiets. Het is nl. een deel van het levenslichaam, wordt dus gespannen als verbinding, zodat de levensenergie die tot de geest behoort, het lichaam voortdurend kan bereiken en omgekeerd, de belangrijke prikkels uit het lichaam, dat zijn er maar weinig, dus ook de geest kunnen bereiken.

Maar nu moet u zich eens voorstellen dat dat eigenlijk is als een soort buis, zeg maar een soort tuinslang. Zolang dat ding in zichzelf rekt, gaat het goed, zolang daar een gelijkmatige vloed is, gaat het ook goed. Maar wanneer u de tuinslang aansluit op de waterleiding en u laat daar water doorheen stromen, niet meer onder een druk van, laat ons zeggen, 1,5 of 2 atmosfeer, maar van 10 atmosfeer, wat ziet u dan?

Wanneer er ergens een zwakke plek is, dan begint die te zwellen en dan barst het, nietwaar? Nu zal natuurlijk in dat fluïde koord, zoals we het misschien het beste kunnen noemen, die pressie een beetje anders werken, want dat is kracht in een andere vorm. Wanneer die kracht in die andere vorm nu zo intens wordt, dus zo’n groot vermogen krijgt a.h.w. dat daarmee, laat ons zeggen, het drievoudige van de normale levenskracht (de verbinding in dit geval dus ook) is bereikt, dan verdringt die nieuwe kracht, de levenskracht en dan is wat overblijft te zwak om nog een bewustzijnsimpuls van het lichaam te ontvangen of aan het lichaam te geven. Het resultaat is, dat het ik, het geestelijk ik, zijn oriëntatie verliest en dan is er dus sprake van een afgesloten zijn. In een ander geval, waar niet een volledige verbreking plaatsvindt, hebben we toch hetzelfde. Er is een grote energie, stel u zich voor een brandslang, wanneer die brandslang onder voldoende druk spuit, dan kan hij alles in de buurt kapot maken en alles in de war sturen. Nu is bv. het patroon van uw hersenen eigenlijk een doorlaatbaarheidskwestie en die kunnen we het eenvoudigst vergelijken met een doorlaatbaarheid-oriëntatie, zoals bv. bij elektriciteit, een transistor dat heeft. Wanneer nu echter op een gegeven ogenblik de pressie te groot wordt, dan worden die weerstanden uitgewist, dan is er dus geen geheugen meer. En nu hebben we ook nog iets, dat is het menselijk automatisme. Dat bestaat uit hersencellen, die in bepaalde centra gegroepeerd zijn en waarbij elk weer door een speciale molecuul met een zeer bijzondere structuur gericht is op het in stand houden van een bepaalde actie in het lichaam. Maar ook daar kan door een te grote kracht zo’n molecuulkern beschadigd worden. Wanneer daar te veel van beschadigd is, dan zal een bepaalde verlamming optreden. Er is dan geen reactie meer. De zenuwen zijn in orde, maar ergens in de hersenen werkt het niet meer Wanneer je dat hebt, dan krijg je dat gebrek, waar ik het over had. Is dit duidelijk nu?

Dan zullen we eens beginnen aan het eigenlijke onderwerp. Kijk eens, Wanneer wij werken met innerlijke en uiterlijke krachten, dan moeten we goed begrijpen, dat er een relatie bestaat en dat die relatie niet alleen maar een willekeurige is. Een impuls van gemiddelde sterkte, een gemiddelde schrik, een gemiddelde vreugde, betekent voor de geest een grote stimulans. Een te grote vreugde, die voor het lichaam haast overbelasting betekent of een te grote smart of schrik, eveneens een overbelasting voor het lichaam dus, kan echter een zo sterke impuls wekken, dat het geestelijk ik die niet noteert. Zij wordt niet meer gerealiseerd en er kan dus geen antwoord zijn. De geest is op dat punt afgesneden van het lichaam. Wat wij dus nodig hebben, is niet zomaar een ongelimiteerd krachtsverbruik naar buiten toe, om daarmee een zekere innerlijke kracht te wekken of omgekeerd een innerlijke werking, die we dan op een willekeurige manier naar buiten uitdragen. Er moet een verhouding zijn. Die verhouding is natuurlijk moeilijk in termen uit te drukken om de doodeenvoudige reden dat ieder van u een ander mens is, ieder van u reageert anders. Er zijn mensen, die, wanneer je achter ze roept, een meter hoogspringen en er zijn anderen, die zeggen: ben je een koe geworden? Op die manier moet u zich dit voorstellen. Het is uw persoonlijke reactie, die bepalend is. Er is geen recept te geven van: doe zus en zo en dan gebeurt dit en dat. Er kan alleen gezegd worden: een bepaalde innerlijke ervaring moet soms stoffelijk geuit worden, anders veroorzaakt zij moeite, last, onevenwichtigheid. Omgekeerd zullen bepaalde stoffelijke reacties vaak noodzakelijk zijn om innerlijk voldoende stuwkracht te vergaren voor het uitstralen van kracht, het opwekken van kracht of zelfs het reflecteren daarvan weer naar de stof toe. Daarom beginnen we allereerst met dit te zeggen: elke lichamelijke reactie wordt aan het werkelijke ik, aan de geest, overgedragen in een verhouding van ong. 1:1,5. Dus de normale menselijke emotie wordt geestelijk 1,5 maal zo sterk verwerkt als zij lichamelijk ervaren wordt. Als u dit vreemd klinkt, moet u er maar eens over nadenken, hoe u een betrekkelijk klein lichamelijk iets soms mentaal veel belangrijker of groter ziet dan het is. Hoe u zuiver stoffelijke waarderingen aan de hand van een kleine beleving soms al onnoemelijk verandert.

Die 1 op 1,5 is echter alleen geldig, wanneer het het algemeen levensgebied betreft. Nu geldt echter helaas ook dat de factor, die geestelijk moet worden opgebracht om stoffelijk een normale reactie te wekken, ongeveer is als 3 tegen 2, dus ook 1,5. Dit is bij normaal bestaan, en zo mag wel gezegd worden dat de stoffelijke ervaringen over het algemeen in de geest wat prettiger en wat scherper worden opgenomen en beter worden verwerkt, zodat het leven van de mens en een groot deel van zijn bewustzijn, uitgezonderd misschien het redelijk denken, dus eigenlijk meer leeft in een voorstellingswereld waarin de verhoudingen scherper gedefinieerd zijn, de verschillen dus groter dan in de stoffelijke wereld. Wanneer ik geestelijk iets tot stand wil brengen, dan heb ik echter ook daar, om iets stoffelijk kenbaar te maken, een factor nodig van 3 tegenover een resultaat 2, d.w.z. dat ik om een bepaald lichamelijk resultaat te bewerkstelligen, een geestelijke concentratie nodig heb van meer krachten dan normaal. Ik moet veel sterker geconcentreerd zijne Dat is nog altijd normaal. Dus dat is in het dagelijks leven. Op het ogenblik echter dat ik behoefte heb aan bijzondere lichamelijke prestatie om een ander te helpen misschien of jezelf uit moeilijkheden te helpen, dan blijkt dat die ratio 3 naar 2 kan veranderen en wel zo: Het begin van de concentratie vraagt inderdaad 1,5 de normale inspanning, die stoffelijk nodig is, maar is de lichamelijke actie eenmaal aan de gang, dan wordt die gereduceerd. Er is dus niet meer een verlies te constateren van 50% in de overbrenging, want de beweging is er. Er is een harmonie van toestand. En nu blijkt dat, wanneer eenmaal de stoffelijke situatie volledig harmonisch is, de kracht, die nodig is in de geest, terugloopt en wel zo, dat naarmate het stoffelijke bewustzijn plus de beweging volledig zijn, de geest genoegen kan nemen met 1 op 1 op den duur 0,5 op 1 en bij een voldoende gebondenheid van beide tenslotte kan volstaan met 1 op 10. Dat is een eigenaardig verschijnsel. Daar blijkt uit dat we moeite hebben om op gang te komen. Misschien dat ik ook hier weer een vergelijking kan gebruiken: misschien bent u wel eens aan het lopen geweest, aan het hardlopen. Dan komt er een periode van vermoeidheid. Wanneer je aan die vermoeidheid toegeeft, dan is het lichaam inderdaad afgemat en moe, heb je echter de wilskracht om door te zetten, dan is het net, of het lopen weer gemakkelijker gaat en dat krijg je nog een keer en nog een keer. Maar als er nu een werkelijk belangrijke drijfveer is om te blijven lopen, dan komt er een ogenblik dat je je niet meer realiseert, dat je loopt. Dan is dit een zo automatische beweging geworden dat alleen de concentratie je voort doet gaan en wel in een hoger tempo dan je gewend bent of wat mogelijk lijkt en over een afstand, die eveneens veel groter is dan mogelijk werd geacht. Dat is ook het geheim van de zgn. gelumpa’s, de snellopende of snel wandelende monniken van Tibet. Deze concentreren zich en weten het zo ver te brengen dat de beweging zelf niet meer gerealiseerd wordt, maar alleen het doel voortdurend gevisualiseerd. Van hen wordt gezegd, ik durf er niet voor instaan, dat het voor allen juist is, voor een enkeling echter zeker, dat zij tot 200 km per dag kunnen afleggen. Dat betekent dat, wanneer zij daar 24 uur over doen, zij dus een behoorlijk wandeltempo moeten hebben. In feite echter blijkt, dat zij per dag meestal niet verder gaan dan 16 uren en dat is dan een snelheid van een fietser, die niet al te hard rijdt. Maar dat houden zij dan ook al die tijd vol zonder een pauze. Hier blijkt dus iets wat belangrijk zijn kan voor u. Wanneer we uiterlijke kracht nodig hebben en die kracht en die kracht is op de een of andere manier vermoeiend voor ons, of het lichaam kan dat niet helemaal opbrengen, dan kunnen we overschakelen op een concentratie, een doelconcentratie. Wanneer dit in onszelf tot een zekerheid wordt, dus een soort sfeer, waarin wij denken en leven, dan zal elke geestelijke kracht die wij gebruiken, door het lichaam worden opgevangen als een veelvoud. Die geestelijke kracht, dat kan ik er nog bij zeggen, zal, wanneer het gaat om een geleidelijk proces, zoals van zo’n gelumpa, altijd weer ten dele aangevuld worden. Deze monniken reizen niet één, maar wel 10 dagen in een dergelijk tempo met een gemiddelde onderbreking van 4 uur op 12. En die uren gebruiken ze voor een maaltijd en voor meditatie. Dat kunt u dus ook doen, wanneer u geestelijke krachten hebt. Wanneer u gelooft in een geestelijke energie, dan zou u daardoor dus lichamelijk meer tot stand kunnen brengen. En wat meer is, die energie, die aan het lichaam wordt gegeven, moet wel eens omgezet worden, je kunt jezelf niet opladen, maar de wijze waarop ze moet worden omgezet, is niet bepaald. Wanneer ik dus energie verterende processen heb in mijn eigen lichaam als ik in de stof ben, en ik beschik over deze kracht, dan ben ik in staat om vele processen te versnellen en de energie, die daarvoor nodig is, aan het lichaam toe te voeren.

U hebt allen wel eens dat verhaaltje gehoord, waar menigeen de schouders over ophaalt van de magiër of fakir, die een mens vindt met een gebroken been, zijn handen erop legt, zich goed concentreert en dat been, dat is dan heel. Het is zelfs veel beter genezen dan anders, omdat er geen grote dikke wallen van verkalking te zien zijn, zoals dat bij een normaal genezingsproces vaak gebeurt. Dat lijkt misschien dwaas. In het lichaam moet natuurlijk een zekere hoeveelheid calcium zijn, omdat er andere bestanddelen zijn. Maar het is mogelijk, door geestelijke kracht de arbeid van het herstel, de kracht, die daarvoor nodig is, a.h.w. te geven en wel zo snel dat een genezingsproces 300—400 maal versneld wordt. Uit dit voorbeeld blijkt ook dat je dit niet alleen kunt doen voor jezelf, maar ook voor een ander. Wanneer je die kracht kunt overdragen en de sfeer is er, gebeurt het. Hier mag ik misschien nog iets duidelijk maken. U hebt allemaal wel eens gehoord dat Jezus altijd zei: Uw geloof heeft U behouden, enz. Hij kon dus niet iedereen genezen klaarblijkelijk, maar alleen diegenen, die in hem geloofden. Er was een gemeenschappelijke sfeer nodig, zelfs voor hem, een zekere gelijkschakeling, al is het maar van verwachtingen, van denken, van aanvaarding, voor hij de geconcentreerde krachten van zijn persoonlijkheid aan die ander kon toevoegen. Maar dan kon hij ook wonderen doen. Is dat duidelijk?

Dan draaien we de zaak eens om: Ik heb een zekere geestelijke inspanning nodig, ik wil mij bv. concentreren, maar die concentratie zal lang niet altijd slagen. Ik zal lang niet altijd zo ver in mijzelf kunnen doordringen als ik noodzakelijk acht.  Ik zal niet zulke grote krachten kunnen wekken en uitzenden op geestelijk niveau. Waarom niet? Omdat ook het lichaam a.h.w. mede zo’n poging, waar ook van het bewustzijn wordt uitgegaan, moet dragen. Er bestaan verschillende methoden, om dit te wekken. We weten bv. dat de dansende derwisjen gebruik maken van ritmische bewegingen, waarbij ze bovendien nog zekere klanken, spreuken voor zich heen zeggen of uitschreeuwen, dat ligt aan de orde. De bewegingstechniek van deze mensen is erop gericht om het gehele lichaam door een krachtsinspanning, die bijna automatisch komt, te maken tot een geheel met de geestelijke doeleinden, die zij nastreven. Wanneer wij dus uitgaan van hetzelfde standpunt, dan moeten we zeggen: we hebben een zekere lichamelijke actie, een stemming, een sfeer nodig om geestelijk het hoogste te bereiken. Nu zijn er voldoende voorbeelden te geven van mensen die die methode gebruiken: Wij kennen de Yogi’s die ademhaling als een soort gymnastiek gebruiken, die de bloedsomloop proberen te reguleren, de ademhaling reguleren en zelfs het stofwisselingsproces beheersen en door die beheersing de innerlijke harmonie scheppen. Maar er zijn maar weinig mensen die dat kunnen. Wij moeten dus grijpen naar iets, dat materieel een overeenstemming heeft met het geestelijk doel, opdat de uiterlijke krachtsinspanning de innerlijke kracht kan stimuleren en steunen. Die beide moeten in overeenstemming zijn. En daar kunnen we alleen maar een algemene regel voor geven, dat begrijpt u wel. Die regel geloof ik het best zo te kunnen formuleren: wanneer je een geestelijke kracht bewust wilt uitzenden, dan heb je een denkbeeld. Dat denkbeeld heeft een grondslag. Dat is bv. de basis van kosmische liefde voor de mensheid, dat is het begrip van gezondheid, een begrip misschien van macht of een begrip van dienen of zelfs van overgave. Dan moeten wij er rekening mee houden dat wij door de lichamelijke krachtsinspanning op een soortgelijk doel te richten (en wel op een manier die natuurlijk voor onszelf aanvaardbaar is), waar wij helemaal geen last van hebben. Het kan zijn dat u zegt: het is voor mij als het dansen van een medicijnman, een tovenaar bij de negers. Als u dat nu gaat doen in uw achtertuintje, omdat u bang bent voor de buren, dan lukt het helemaal niet. U moet het werkelijk ergens doen waar niemand u ziet, maar de beweging, de uitdrukking, de lichamelijke inspanning moet de sfeer ademen van wat u geestelijk wilt bereiken. Wat gebeurt er nu? We hebben weer te maken met die verhouding 3: 2. U begint altijd met een lichamelijke inspanning, die groter is dan het resultaat, maar wanneer eenmaal contact is gekomen, wanneer je je a.h.w. verliezen kunt in die abstracte waarden, in het innerlijke wezen van je, dan blijkt dat ook hier de verhouding anders ligt. Nu is dat heel typisch, dat hier dus ook een zintuig, het gevoel, een grote rol speelt. Wanneer een mens gewoon maar houtjes hakt, dan kan dit voor hem al een stimulans zijn. Maar wanneer die man meer moet doen en hij gaat aan het werk om een rotsblok kapot te slaan, wat veel meer krachten vraagt, waar hij veel meer moe van wordt, wat veel minder direct resultaat geeft, dan zal de toenemende vermoeidheid ook een grotere energie betekenen. De grotere prestatie op aarde betekent een grotere intensiteit van bereiking van de geest. Naarmate die geest meer bereikt, is minder stoffelijke inspanning nodig om hetzelfde resultaat te bereiken. En nu is het zo, dat we in de geest dezelfde kracht blijven toevoeren om daarmee in de stof een toenemend resultaat te bereiken, maar dat hebben we niet nodig, als we van de uiterlijke kracht gebruik maken om innerlijke krachten te richten en te stimuleren. Dan is het alleen nodig dat we de intentie in stand houden. Hier is dus niet meer sprake van een voortdurend bezig zijn, maar van het bereiken van een zekere toestand. Daarna is het lichaam niet meer nodig. U kunt dat zien: een dansende derwisj danst voort totdat hij in een soort trance valt. Wanneer hij neervalt, dan laat men hem altijd met rust, men voert hem niet weg uit de kring, men laat hem liggen. De mensen, die dat zien, denken wel eens, dat dat wreed is, dat dat weinig gevoel toont, maar voor de anderen is die mens nu nog intenser en vollediger verbonden met hun doel dan zij, die nog in beweging zijn. Hij heeft het punt bereikt, waarbij geen stoffelijke inspanning meer noodzakelijk is en het geestelijke vanuit zichzelf voortgaat, omdat er eenmaal perfecte harmonie ontstaan is. Hetzelfde zien wij bij de duivel dansers en de negerdoktoren, Ook dezen dansen tot ze uitgeput zijn (of doen alsof) en pas, wanneer zij eigenlijk de beweging staken, komt het moment, dat de geest door hen spreekt of dat ze de demonen uitbannen. Het is niet voor niets, dat die gebruiken bestaan. Ik weet wel: er wordt ontzettend veel misbruik van gemaakt, het is een gewoonte geworden, maar het principe is gezond. Het gaat erom, dat ik een lichamelijke sfeer bereik. En wanneer ik die lichamelijke sfeer bereik, dan zal ik daarmee alle krachten in het “ik” kunnen activeren.

Dan gaan we beginnen aan punt 3. Wanneer ik te maken heb met innerlijke kracht, dan beschik ik over een praktisch onuitputtelijke krachtbron. Lichaamskracht is gebonden aan de maximale mogelijkheid tot omzetting in het lichaam, want lichaamskracht berust uiteindelijk voor een groot deel op chemische processen, d.w.z. er is een zekere traagheid. Gaat het verbruik van krachten dus sneller dan het aanvoeren van stoffen, die omgezet kunnen worden door het lichaam, dan ontstaat uitputting. Maar de geest kent deze traagheid niet. Hij neemt uit zijn omgeving kracht op en hij zal steeds zoveel kracht op kunnen nemen, dat zijn eigen ‘ik’ gevuld is en hij zijn normale kracht bezit. D.w.z. dat wanneer de kracht wordt gesteld op 1 en de kracht 1 wordt uitgestraald, de ratio van opnemen van kracht zo groot is dat, ondanks dc uitgestraalde kracht, het geestelijk ‘ik’ altijd de inhoud van kracht 1 blijft behouden. Het is als een bokaal, waar ik water uit doe vloeien, maar waar ik gelijktijdig door een proces, dat we misschien het beste met osmose kunnen vergelijken, zoveel vloeistof aan kan toevoeren, dat de druk binnen volledig gelijk blijft. Zo gezien lijkt het dus op het eerste gezicht verstandig om zoveel mogelijk met geestelijke kracht te doen. Helaas is er voor iemand, die in de stof leeft een maar aan verbonden, want ik moet een geestelijke kracht niet alleen uitstralen, maar haar gericht uitstralen. Wanneer mijn beeld te vaag is, dan diffuseer ik die kracht te veel. Wanneer je water wilt geven aan een kleine plant en je hebt een gieter, dan kun je die plant water geven, zelfs vele malen, zoveel als ze maar nodig heeft. Wanneer je met diezelfde hoeveelheid probeert een heel bos te helpen, dan bereik je in feite niets, nog minder dan de bekende druppel op de gloeiende plaat. Ons ‘ik’ kan nl. nooit meer uitstralen in hoeveelheid dan zijn eigen inhoud. Het kan nooit zichzelf volledig ledigen. Dat moet altijd gevuld blijven. En dat wil zeggen dat het van zijn eigen krachtopneming afhankelijk is en deze wordt bepaald door bewustzijn. Hoe bewuster je dus bent, hoe meer kracht je kunt opnemen in een korte tijd, hoe meer kracht je dus ook kunt afgeven. Iemand, die behoort tot de geestelijk allerhoogsten, zal dus in staat zijn om geestelijke krachten op te nemen en uit te stralen op zo’n manier dat de hele aarde er nut van kan hebben. Maar dat kan een gewoon mens niet en ook niet een gewone geest. Daar houden we dus altijd rekening mee. Elk volledig diffuus uitstralen van kracht is zinloos en kan slechts dan zin krijgen, wanneer het door een grotere gemeenschap geschiedt, want als ik 10000 gieters gebruik, dan krijg ik voor dat stuk bos hetzelfde resultaat als met een fikse regenbui. En zo kan ik dus ook wanneer 10000 krachten zich richten op oen groot terrein, daar evenveel resultaat bereiken als een eenling alleen op een bepaald punt. Hier blijkt dus dat de beperkingen, die je stoffelijk kent, ook voor de geest gelden. Een mens, die een maximaal resultaat van kracht wil bereiken, kan dit alleen door absolute concentratie op een doel en de aanwending van de totale kracht op één enkele punt of één enkele wijze. Wanneer u een gewichtheffer aan het werk ziet, die zoveel drukt, dan moet u eens kijken. Die mens verstart haast een ogenblik, de wereld bestaat niet meer, er bestaat alleen de halter. Hij weet precies waar hij zijn halter aan moet pakken en hij weet precies, hoe hij hem moet bewegen. En daardoor kan hij, ofschoon hij misschien minder directe kracht heeft dan menigeen, die niet getraind heeft, een groot gewicht wel fraai doorzetten. Dat is dus een kwestie van training. Nu wil ik niet zeggen, dat we allemaal gewichtheffers moeten worden, maar we moeten wel proberen, om de innerlijke kracht zo juist en zo goed mogelijk te gebruiken. Dat kan alleen, wanneer we dat doen door die kracht te richten op een bepaald doel en verder te werk te gaan op een manier, die voor ons begrip, voor ons wezen, het doel het gemakkelijkst doet benaderen. Er is dus een zekere procedure nodig.

Nu komt hier iets anders in het geding en dat is de stoffelijke mens zelf. Ja, u hebt heel wat te lijden vanavond. Als u er zich echter op concentreert, zult u ontdekken, dat u ook hier iets van mee kunt nemen. Het is nl. zo, dat in het onderbewustzijn van de mens bepaalde hoofdtendensen een rol spelen. Het is niet meer het bewuste, het te reguleren denken, maar het is een patroon, dat zijn hele leven beïnvloedt. Wanneer ik onderbewust bang ben, voor een spin bv. en ik heb de impuls angst nodig, dan is het logisch dat ik een beroep doe op de spin. Dan gebruik ik hetzij dit beeld, om de nodige spanning in mij op wekken of nog beter de werkelijkheid. Wanneer voor mij het begrip schoonheid en vrede ligt besloten in een roos, dan kijk ik naar een roos. Maar is dat de ondergaande zon, dan kijk ik naar de ondergaande zon. Wanneer uitgestrekt te zijn voor mij betekent volledig los en ontspannen, dan leg ik mij neer. Ik moet altijd rekening houden met het feit dat ik mijn onderbewustzijn gebruik om het lichaam op de juiste manier te richten. En dan kunt u zeggen, dat mijn ideeën over schoonheid eigenaardig zijn, dat is mogelijk. Misschien zijn het wel ideeën, die helemaal niet passen in de conventie, in de maatschappij. Maar zolang ze voor u schoonheid betekenen en niet iets anders, kunt u ze gebruiken, zolang ze voor u ontspanning betekenen en niet iets anders, kunt u ze gebruiken. Ga er dus van uit dat die eigenaardige gevoelswereld, die u voor een groot gedeelte tracht weg te drukken en te temmen, betekenis kan hebben, wanneer u werkt met innerlijke kracht. Zij geeft heel vaak de weg, de middelen, de methoden aan, wanneer wij kunnen gaan bereiken. Maar ook het omgekeerde geldt, want u bent door het onderbewustzijn geconditioneerd of u het wilt of niet en uw lichaam kan dus niet, aan de hand van een zuiver redelijke impuls reageren. U kunt een heel mooie theorie hebben en u kunt alles doen om die theorie vanuit de geestelijke kracht te stuwen, zodat u wat kunt presteren, maar het zal u niet lukken Waarom niet? De theorie is niet verwant met uw wezen en dit kan die kracht niet aanvaarden, verzet zich ertegen. U brengt voor uzelf alleen maar een hele hoop ellende, een hele hoop onrust tot stand en in vele gevallen een afwijking van het denken, een vertekening van het redelijke en menselijke. Dat komt door de schijnrealiteit. Daarom geldt dus ook weer bij het gebruik van innerlijke krachten naar buiten toe, omzetten van die innerlijke in uiterlijke krachten. Ga uit van dat, wat je bent.

Je hebt in jezelf een besef. Dat besef past niet bij het alledaagse, dat is heel goed mogelijk, maar het is je persoonlijkheid. Erken daarin de factoren, die je vindt van rust, vrede en bevrediging, misschien van schoonheid, behoefte en angst en zeg: dit is het kader, waarbinnen ik die geestelijke krachten in de stof kan manifesteren. Het beeld van iemand, die voortloopt uit doodsangst of van die mijnwerker, zoals ik dat zo-even gebruikte, is betrekkelijk eenvoudig. Hier wordt nl. een deel van het bewustzijn van de mens ingeschakeld. In het eerste geval is het onderbewuste, dwang tot zelfbehoud. Lopen, lopen, Lopen… anders dan kun je doorlopen. Het kan dus ook zijn een zichzelf doen gelden. Een gelumpa is zeer trots op zijn bekwaamheid, hij ziet dit als een grote geestelijke bereiking; door dit te doen, toont hij zijn heiligheid. En die behoefte om aanzien te verwerven maakt het weer mogelijk, die omzetting van kracht tot stand te brengen, ook al zou hij nooit bewust erkennen, dat het zo is. De mijnwerker had behoefte om te leven, maar hij zag dat leven niet alleen in zichzelf, maar in zijn kameraden, in het gezelschap. En daardoor werd de behoefte te leven weer een drang tot zelfbehoud eigenlijk. Hij identificeerde zich met die anderen, voor hem de bron van een geestelijke kracht, waardoor hij meer kon presteren dan lichamelijk mogelijk scheen. We hebben dus rekening te houden met het onderbewustzijn en daar kunnen we ook een regel voor gebruiken. Elke poging om geestelijke kracht in de stof werkzaam te maken of omgekeerd om innerlijke krachten te richten of te wekken vanuit het stoffelijk beleven, terwijl dit ingaat tegen onze gevoelswereld en onze instincten, zal een verzwaring betekenen met een factor 5. Wanneer dus iemand tegen zijn gevoelens in, alleen op grond van rede, probeert geestelijke kracht te wekken, dan heeft hij niet te maken met 3:2, maar met 10:2. De inspanning wordt in verhouding veel groter. En daarbij blijkt dan verder, dat zij korter kan worden volgehouden. Dit bestaat dus alleen in de stof en is voor geestelijk werk op geestelijk niveau van geen belang. Is ook dit duidelijk? Ik heb de behoefte om het onderwerp ook inderdaad goed te behandelen, om het duidelijk te maken. Ik zal proberen om het zo dadelijk nog eens even heel kort en eenvoudig samen te vatten, zonder bijkomstigheden.

Dan moet ik nog een ander beeld aanhalen. Op het ogenblik dat ik een steen heb, die op een berg ligt, heb ik te maken met energie van plaats. Wanneer ik die steen aan het rollen breng, dan wordt dat een vermogen of energie van beweging. Wanneer hij plotseling tot stilstand komt, dan blijkt het over te gaan in warmte, een andere vorm van energie. Energie kan dus worden omgezet en dat is ook iets, wat wij goed moeten onthouden, wanneer wij nadenken over innerlijke en uiterlijke krachten.

De innerlijke kracht kan onder omstandigheden omgezet worden in vormen van uiterlijke kracht. Wanneer wij te maken hebben met telekinese, dus het opheffen van een tafel, een stoel, een vaasje, dan hebben we te doen met een omzetting van krachten. Zeker, er wordt fluïde voor gebruikt, maar die fluïde op zichzelf heeft net zoveel kracht als een beetje lichtgas. Zij kan misschien enige druk uitoefenen, maar zij kan geen tafel van 600 pond optillen, laat staan dat ding wegsmijten of verbrijzelen. Maar in een zekere toestand (bij depoltergeist’ verschijnselen, meestal het onderbewustzijn van een mens, zijn verzet tegen de wereld) heeft wel dit vermogen.

Wanneer een gelijk gerichtheid bestaat tussen het onderbewustzijn, de lichamelijke uiting en de krachtsuiting vanuit het lichaam, plus het ik’, de reactie van het ‘ik’ op de impulsen van de stof, dan zal de kracht van de geest, zij het meestal zeer tijdelijk, niet door wat wij het zilveren koord genoemd hebben, stromen, maar als een stralenbundel daarlangs stromen. Er wordt dan geen gebruik meer gemaakt van een kracht, die helemaal innerlijk blijft, maar het geestelijk ‘ik’ projecteert een kracht naar dat punt van het stoffelijk ‘ik’. In zo’n geval kan dat dus ook plasma zijn. Ectoplasma, protoplasma is eigenlijk precies hetzelfde, dat dus deel is van het ik’ en daarin de werking uitoefent. Wanneer een deel van mijn persoonlijkheid of mijn bewustzijn zich kan identificeren met een andere persoon, een ander voorwerp, een andere plaats, kan op deze wijze de innerlijke kracht daar onmiddellijk tot ontlading worden gebracht. Dat is wel heel ingewikkeld, hè? Maar het is doodgewoon wat een magiër doet, wanneer hij met het één of ander poppetje bezig is, om een ander geluk te verschaffen. Hij boetseert eerst het poppetje klein en dan gaat hij eraan toevoegen, tot het steeds groter, steeds welvarender wordt. Maar hij identificeert dit met zichzelf en met de andere persoon. Hij geeft zichzelf daarin en hij ziet de ander als het doel, de werkelijkheid. Dan stroomt zijn geestelijke kracht naar dit erkende stukje werkelijkheid bij de ander. Die andere mens wordt krachtiger, welvarender, gezonder. Het omgekeerde bestaat natuurlijk ook, dat is zwarte magie. Wanneer u dit zich realiseert, dan zal de volgende regel voor u misschien aanvaardbaar zijn. Onder dezelfde condities kan alles, wat wij beschouwen, deel zijn van ons wezen, ongeacht of dit stoffelijk is, was of ooit zal kunnen zijn. Het is dus alleen een kwestie van voorstellingsvermogen. Wanneer ik stoffelijk bezig ben en ik richt mijzelf daarbij niet op mijn eigen persoonlijkheid maar op een andere, dan geldt ook weer hetzelfde. Een andere geest, sfeer of kracht, die voldoende gerealiseerd kan worden, betekent dat niet in het eigen ‘ik’, maar in die sfeer of kracht de reacties tot stand worden gebracht, die wij normalerwijze alleen in het ware ik’ kunnen wekken.

Daarmee heb ik de hoofdbestanddelen wel besproken.  Ik heb u beloofd om dat eenvoudig samen te vatten, d.w.z. dat we de nauwkeurigheid en de poging om duidelijk te zijn, maar even terzijde stellen. De innerlijke kracht, dus dat deel van het eigen ‘ik’, het ware ‘ik’ dat u misschien geest, of ziel noemt, beschikt over zoveel kracht, dat zij onbeperkte kracht kan uitstralen, zonder haar eigen kracht te zien verminderen. In de 2de plaats, de hoeveelheid kracht, die uitgestraald kan worden vanuit dit ware ‘ik’, hetzij naar eigen stoffelijk wezen of naar elders, zal in intensiteit van stroming en vermogen altijd bepaald worden door het bewustzijn van degene, die het uitstraalt. Verder, dat alle lichamelijke kracht kan worden aangevuld door de geestelijke kracht, met dien verstande dat de geestelijke kracht pas ten volle vat krijgt wanneer de lichamelijke actie reeds ontstaan is. Hoe groter de actie en hoe gelijkmatiger lichamelijk, hoe kleiner de hoeveelheid geestelijke energie is, die noodzakelijk is om die actie in stand te houden en verder mogelijk te maken. De enige beperking is hier de noodzaak van het lichaam om de cellen, om het bewegingsmechanisme in stand te houden en daardoor de reserves niet aan energie nu, maar aan chemicaliën, die in het lichaam aanwezig zijn, plus water.

Verder dan, zeggen we, vanuit de stof aan de hand van een redelijk begrip, bewust iets te denken, innerlijke krachten te wekken, moeten wij zorgen, dat ons eigen wezen eenzelfde sfeer voelt, een situatie, een reeks van emoties ondergaan heeft of ondergaat, die in overeenstemming zijn met hetgeen wij willen bereiken binnen dat ware ik’. Uiterlijke krachten, gebruikt om een juiste harmonie tot stand te brengen, maken het bewust wekken van innerlijke krachten mogelijk. Dat is eenvoudig. Nu, dan krijgen we het omgekeerde ook weer. Wanneer ik met een bewustzijn, waarin ik mijzelf identificeer voorwerpen, krachten of mogelijkheden buiten mezelf, tot actie kom, zal ik aan de hand hiervan alle krachten kunnen ontvangen om vanuit mijn stoffelijk wezen, dit tot mogelijkheid te maken en ook in die delen, die niet normalerwijze deel uitmaken van mijn stoffelijk lichaam, maar die tijdelijk of blijvend door mij als identiek met het ‘ik’ worden beschouwd. Dat is al iets moeilijker, maar dat is ook magie.

Dan krijgen we het laatste en dat is misschien wel het aller gemakkelijkste. Innerlijke en uiterlijke kracht verschillen sterk van elkaar door de wijze, waarop zij optreden en de manier, waarop zij bestaan. Maar u kunt altijd zeggen: innerlijke kracht is alleen dan kenbaar, wanneer zij wordt omgezet in andere kracht. Omzettingen van innerlijke kracht in alle ander vormen van kracht zijn weer mogelijk, dankzij een innerlijke harmonie en een behoefte, die ook wordt uitgedrukt. Nu het laatste punt dat daar eigenlijk een aanvullende aanwijzing bij geeft, omdat de mens onderbewust angst heeft, begeerten heeft, die afwijken van zijn redelijk denken, zal hij zich moeten beseffen, dat niet datgene, wat hij zich redelijk voorstelt, maar dat, wat hij in feite is, bepalend is voor de mogelijkheden, die hij zal vinden voor het wekken van innerlijke kracht. Het is dus zeer belangrijk, dat niet alleen wordt gerekend vanuit het redelijk begrip, maar ook vanuit het gevoel; dit ben ik of dit begeer ik. Het vinden van associaties in eigen gevoelsleven en eigen onderbewust bestaan kan zeer belangrijk zijn voor het juiste wekken van innerlijke krachten en zelfs van het omzetten daarvan in uiterlijke krachten. Nu hoop ik dat ik het niet te moeilijk gemaakt heb; maar met die paar laatste regels kunt u misschien toch wel weer wat doen. En na de pauze kunt u alles, wat op dit terrein ligt, vragen. Het onderwerp is voor allen heel belangrijk, maar, als ik de gedachten juist heb opgevangen, zal voor velen het stellen van de juiste vraag wel eens moeilijkheden opleveren.

Vragen

  • Bij de managerziekte, die op het ogenblik zoveel voorkomt, bestaat dus, als ik het zo’n beetje gevolgd heb, een behoorlijke wisselwerking tussen lichamelijke en geestelijke krachten en als je je nu maar van alles goed bewust bent, dan lukt dat wel, maar het blijkt dan in de praktijk, juist in deze tijd, dat het niet lukt, Waar zit nu ergens de kneep?

Ja, dat managerziekte probleem dat ligt toch eigenlijk weer een klein beetje anders. Ik kan het u het beste zo verklaren: Om lichamelijk volledig goed te kunnen functioneren, heeft de mens een zeker innerlijk evenwicht nodig, om uit de bron van innerlijke krachten ook voortdurend te kunnen putten. Dus een manager of over het algemeen iemand, die stand hoeft te houden, die beslissingen moet nemen, moet altijd tonen dat hij de meerdere is. En nu zal juist die manager op menig terrein zich eigenlijk niet helemaal safe voelen. Hij is niet helemaal zeker, maar dat kan hij naar buiten toe niet toegeven. Hij moet dus voortdurend beslissingen nemen, waarbij hij bevreesd is voor de gevolgen, is dus innerlijk voortdurend onzeker. Die onzekerheid moet hij ontladen. Vroeger deed men dit door zijn personeel uit te schelden. Tegenwoordig bij de personeelsschaarste kun je zelfs dat niet meer. Je moet dus a.h.w. voortdurend anders lijken dan je bent. En deze strijdigheid, die brengt met zich mee dat iemand snel uitgeput raakt. Dat is een kwestie, die de hele fysiek betreft en waarbij de zwakke punten over het algemeen het eerst worden aangetast. Managerziekte bv. vinden we heel vaak in verband met de maag, de darm en de gal. Dat is heel eigenaardig, dat zijn dus klaarblijkelijk de punten waar deze spanningen het snelst voeren tot lichamelijke gebreken. Daarnaast blijken die ook in het denkvermogen te bestaan. Ook dat is begrijpelijk. Normalerwijze heeft een gedachte een logische loop, zij moet precies het spoor volgen dat daar door de ervaring is gelegd. Wanneer dat niet mogelijk is, dan wordt zij zuiver speculatief, maar geeft dan twee antwoorden. Dan is er een voortdurende keuze nodig. Een manager went zich er zozeer aan, een keuze te doen op onvolledige gegevens, dat hij op den duur steeds minder feiten meent nodig te hebben. Maar omdat hij steeds minder feiten meent nodig te hebben, zal hij gelijktijdig proberen, meer verantwoordelijkheid, dus meer beslissing en meer macht naar zich toe te trekken, want alleen zo kan hij het tekort aan feiten verhullen. Het resultaat is, dat er een zeer eenzijdige denkwerking ontstaat, waarbij de hersencellen vooral overbelast worden in dat gedeelte, dat iemand dagelijks gebruikt. Je zou die man dus heel goed hard kunnen laten werken zonder hem enige schade te berokkenen. Hij zou er zelfs van opknappen, mits daarbij ook zijn gedachteleven een andere richting uitging. Wanneer dit niet gebeurt, ontstaat een uitputting, een traagheid. Daardoor wordt ook het bewuste denken, het waakbewustzijn, voortdurend aangetast. Het wordt overbelast en er vallen steeds meer elementen uit. Dan wreekt zich dat weer op het zenuwstelsel als geheel. Het resultaat is, dat alles, wat met het zenuwstelsel in verband staat extra arbeid en extra belasting krijgt. En dat betekent weer dat o.m. bv. de hartspier, die een deel van het vermogen voor de zenuwkracht levert, overbelast wordt. Waar het lichaam zelf dan meestal al onevenwichtig is, krijgen we bij die managerziekte heel vaak bij de hoofdader en in de hartkamers bezwaren. De hartspier zelf werkt dan onregelmatig. Dan kennen wij daarbij nog een ander verschijnsel, nl. dat de zenuwen, die daar onmiddellijk bij het hart bijeenkomen, onregelmatig kracht krijgen toegevoerd en daardoor eigenlijk een knoop gaan vormen. Dan heb je bv. iemand die een gezond hart heeft, maar toch het gevoel van pijn in zijn hart, zodat hij vaak denkt dat hij hartziek is. Dan kennen we verder de zgn. “flutter” d.w.z.  dat het hart op een gegeven ogenblik zijn normale slag staakt en daardoor, zonder volledig sluiten van de hartkleppen, heel vlug gaat bewegen. Dat geeft dan weer aanleiding tot een gevoel van leegte, van duizeling enz.

Dat zijn allemaal verschijnselen, die bij de managerziekte horen, Nu zou u zeggen: is daar geen therapie tegen? Inderdaad, die therapie is misschien voor de manager heel erg moeilijk, maar ze is toch eigenlijk eenvoudig. In de eerste plaats: beschouw jezelf niet als onmisbaar, want juist dit legt een zeer grote druk op al wat je doet en veroorzaakt zeer grote spanningen. In de 2de plaats: taken te delegeren. Beschouw jezelf niet als degene die alles moet weten en beslissen, maar als de coördinator, die dc verschillende gegevens met elkaar vergelijkend, de meest logische conclusie trekt. Dit ligt meestal wel binnen het vermogen. Dan ten laatste, probeer steeds na elke dag, onverschillig of die druk is of niet, tijd te vinden voor een groot uur ontspanning. Gebruik die ontspanning niet voor sport, dat wordt vaak ook weer een belasting, maar gebruik daarvan, laat ons zeggen tien minuten, om te dagdromen. Stel je dan voor dat alles wat je wenst in vervulling is gegaan. Dan bouw je een wereld op, die ideaal is en probeer je jezelf in te denken, dat je daarin leeft. Het resultaat is dat de werkelijke problemen, die bestaan, in die fantasiewereld voor een deel worden opgelost. Je krijgt een rust over je, die zo dadelijk wel weer zal verdwijnen, wanneer de werkelijkheid terugkomt, maar gedurende welke de band met het ware ‘ik’ sterker wordt. In die periode kan een grotere dosis geesteskracht worden opgedaan, die ten dele wordt omgezet in zenuwkracht. Dan is er nog een raad die ik wil geven: neem nooit meer arbeid aan dan je kunt verwerken. Laat je niet dwingen tot beslissingen en werk zoveel mogelijk alles achter elkaar af. Probeer nooit 5 gesprekken tegelijk te voeren. Dat heeft geen zin en voert alleen tot overbelasting. Leer ook als manager, je steeds te bepalen tot één taak. Wanneer je die onderbreekt, leg haar geheel terzijde en wend je tot de volgende en zo, naargelang de noodzaak, je een taak niet af kunt krijgen, delegeer die aan anderen en laat je een samenvatting geven van diens conclusies. Bestudeer nimmer het geheel, neem een samenvatting. Alleen, wanneer je op grond daarvan meent dat het probleem opgelost is, heeft het zin, het verder na te gaan.

U ziet, het is dus eigenlijk heel eenvoudig. Nu dat waren managers. Dat zijn de arme mensen van deze tijd. Ze hebben van alles te veel, behalve van één ding: tijd. U zou het kunnen zeggen met een schrijver, ik meen dat het een Haarlemmer is: Van Dendermonde: “De wereld gaat aan vlijt te gronde”.

  • Daarom vond ik het zo jammer dat u zei: je moet die mensen de raad geven, een half uur of drie kwartier te dagdromen, zodat ze een idee krijgen: ik ben gelukkig. Want daar schieten ze dan eigenlijk niet mee op.

Wanneer er een storm is op zee, dan kun je soms een schip in nood niet benaderen. Daar hadden ze vroeger deze methode voor: er werd een vaatje met olie aan de boeg gehangen en daar werd met de maalpriem een gat ingestoken. Daardoor, door die olielaag, werd de zee tijdelijk kalm. Dat wilde niet zeggen dat er nu een kalme zee was, maar het wilde wel zeggen dat men gedurende de tijdelijke kalmte, die men rond het schip had geschapen, soms iets kon herstellen, mensen kon redden of voorraden innemen. Op dezelfde manier moet u deze dagdromen beschouwen. Het is een hulpmiddel om de nodige krachten te kunnen opnemen, innerlijke rust te winnen. U vindt het jammer dat ik zeg: dagdromen, maar waarom? Is het voor een mens niet belangrijker, ook wat betreft zijn kracht innerlijk en uiterlijk, om harmonisch en gelukkig te zijn dan om succes te hebben?

De mensen verwarren te veel dingen met elkaar. Kijk eens, geluk, dat wil niet zeggen macht, ook niet bezit. Dat wil alleen zeggen, harmonisch te zijn. Daar hebben de uiterlijke waarden weinig mee te doen. In jezelf heb je altijd tekortkomingen, die je probeert te compenseren naar buiten toe. Maar wanneer je dat naar buiten toe doet, dan stuit je op weerstand. Wanneer je echter innerlijk compenseert, dan ligt de zaak heel anders, Zeker, dan komt er een fantasiewereld, maar je blijft met de werkelijkheid in contact staan en dan komt er een ogenblik dat je zoveel rust gewonnen hebt, dat je geen ontspanning meer vindt in de dagdromen en dan heb je de harmonie bereikt. Dan heb je het peil bereikt, waarop je je normale krachten kunt gebruiken. Vergeet niet, we gaan uit van een ziekelijke toestand. Ik hoop dat u nu begrijpt, dat het helemaal niet jammer is, dat ik die raad, geef, maar heel logisch. Wanneer iets ziek is, dan is er een therapie nodig en een therapie is nooit zoeken naar een ultimatum, naar een perfectie. Het is het onderdrukken van symptomen zo ver noodzakelijk en daarnaast trachten de genezing te doen ontstaan. Ik hoorde daarnet hoesten. Er zijn mensen, die hebben ontzettend last van hoest. Dat kan erg uitputtend zijn en de oorzaak kan een eenvoudige bronchiaal catarrh zijn. Maar door dat hoesten wordt kracht verspeeld. Die mensen hebben hoofdpijn, ze hebben krampen, de borst gaat pijn doen, de longen doen pijn, ze zijn doodongelukkig. Moet je nu tegen die mensen zeggen: wacht nu maar totdat ik die bronchitis heb verdreven, de bronchitis kan niet genezen, omdat door de verschijnselen die er mee door veroorzaakt worden, de hoestprikkel te veel kracht teloorgaat, dan nemen we dus eerst een middel dat de trilharen, waar die hoestprikkel van uitgaat, verdooft, zodat die prikkel niet meer komt. En wanneer die hoestprikkel eenmaal verdoofd is, dan krijgt de patiënt rust en dan zal een verdere medicatie betere resultaten hebben. Het is dus logisch dat we, wanneer we een gevaar zien, dat we allereerst symptomen gaan onderdrukken, die een herstel onmogelijk maken. Daarnaast moeten we trachten om die mensen de kracht te geven en nu is in het door mij geciteerde geval van de manager, die dagdroomt het middel, dat rust moet geven, dat ontspannend werkt, gelijktijdig ook een geneesmiddel, want er komt meer kracht door. Maar als men geesteskracht krijgt en deze juist door middel van de dagdroom omzet, waarbij men zijn persoonlijkheid compenseert, evenwichtiger maakt, dan heeft de persoon meer weerstandsvermogen. Hij kan dus beter tegen zijn problemen op. Daardoor zal hij minder in twijfel verkeren, minder de behoefte hebben, zich anders voor te doen dan hij is, zal hij de rust hebben een probleem eens ter zijde te leggen en manager te blijven, maar zonder managerziekte. Dat is toch het doel in dit geval. Het ging om de therapie.

  • De uitstraling van geestelijke krachten, hebt u gezegd, moet zoveel mogelijk gericht gebeuren en dan kan men deze gebruiken om mensen te genezen. Men kan echter ook een indicator gebruiken, zoals bv. een foto of een ander middel, maar houdt dat ook in dat het uitzenden van krachten in de wereld alleen zin heeft, als dit een kosmisch meester doet of een groep van duizenden personen? Houdt dat ook in dat, als men met een kleine groep een gedachte uitstraalt bv. een gedachte van vrede zo maar zonder meer, dat dat verloren zou gaan?

Theoretisch is dat volledig juist. U neemt nu op het ogenblik een heel gevaarlijk begrip – ik had liever dat u wat anders gekozen had dan juist vrede – want er zijn natuurlijk op de wereld honderdduizenden, die naar vrede verlangen, die op hun wijze daar gezamenlijk voor bidden of gedachten uitzenden en daardoor komen we dan toch aan de massale werking en is het heel moeilijk om hier een antwoord te geven. De massa is door haar inherent verlangen naar zekerheid en vrede dat in de elke mens uiteindelijk leeft, toch geneigd, om die vrede als belangrijk te zien. Het percentage zal misschien ten opzichte van de gehele mensheid klein zijn, maar het is meer dan voldoende om een grote kracht te vormen, een massa. Maar wanneer u datzelfde doet met betrekking tot genezing voor allen bv. dan zal die kleine groep al veel minder tot stand kunnen brengen, tenzij ze weer uitgaat van gericht werk. Men wil dus wel eenieder genezing geven, maar neemt als beeld van die genezing, een bepaald persoon, een bepaalde ziekte. Dan wordt daarin de kracht geconcentreerd, wat er overschiet, verspreidt zich, maar ook weer selectief, omdat dan de kracht gericht is op allen, die een ongeveer gelijk geestelijk ziektebeeld vertonen. Dat behoeft niet een volledige identificering van de stoffelijke kwaal in te houden en van het stadium waarin de kwaal verkeert en zal dus in deze worden opgenomen. Dus dan bereik je wel weer wat. Het is met deze methode van het werken met innerlijke kracht wel heel belangrijk verder dat je in sommige gevallen niet alleen meer te maken hebt met het ik’, maar vaak met een gehele sfeer, waarin dit ‘ik’ op de één of andere manier zich kan kenbaar maken. Dan kunnen we misschien deze vergelijking gebruiken: Er is ergens een grote vergadering van brandweerlieden met hun spuitwagens. U staat voor een grote brand. U kunt die alleen niet blussen, maar u kunt een telegram naar die anderen sturen, die het met hun grote hoeveelheid materiaal wel kunnen. Of u hebt alleen een handblusser en zij hebben een brandspuit. Ik maak maar een vergelijking. Wanneer u geestelijke krachten daarbij kunt activeren in een sfeer, dan wordt het wel anders en werkt u niet direct, maar in harmonie met een groter geheel, zij het dat dit geheel niet in de mensheid zelf, maar in de met de mensheid verwante sferen is gelegen. Is dat duidelijk?

  • Ja, het is wel duidelijk. Niet door het zenden van krachten voor vrede dus, het moet dus eenvoudiger zijn. Laten we dan harmonie nemen. Als we deze krachten dus door willen zenden, moet men wel een persoon er  voor nemen in zijn gedachten?

Ja, wanneer u harmonie hebt, dan zou ik zeggen, kunt u daar een bepaalde persoon, een bepaalde sfeer, dus een groep bv. voor uitkiezen. Dan hebt u kracht, die gericht is en kenbaar wordt. U moet niet vergeten dat, wanneer ik gewoon een kaars neem, dan verspreidt ze licht en ze zal van ver kenbaar zijn. Maar wie de kaars wil zien, die moet ernaar zoeken, anders is het een toevallig vonkje vuur. Wanneer ik nu echter diezelfde kaars neem en ik zet daarachter een holle spiegel, dan krijg ik een scherp gericht licht, dat in een richting absolute aandacht vraagt en ook veel verder de voorwerpen kan belichten. Wanneer ik mijn spiegel goed kies, dus de gerichtheid juist is, dan zal ik zelfs met die ene kaars beter kunnen verlichten dan met, laat ons zeggen, 30 kaarsen, die bijeen staan, maar niet gericht zijn. Dus het richten op een bepaald voorwerp, op een bepaalde sfeer of groep, vergroot de intensiteit, waarmee je werkzaam bent, wel degelijk en in belangrijke mate. Het is natuurlijk aardig, om voortdurend te mediteren over vrede en harmonie en je bereikt er wel wat mee, maar het is te weinig. Je kunt dus niet, al denk je nu ook 1.000.000 keer harmonie voor de hele wereld, ingaan tegen de strijdlust, die die mensen hebben. Je bereikt ze haast niet, het is te weinig. Maar een strijdlustig mens kun je door die gedachte aan vrede of harmonie misschien er toe brengen, zijn strijdlust te laten varen en dat is het verschil. Het ene heeft dus een onduidelijk resultaat, het andere zou resultaat kunnen hebben in een tamelijk stabiele toestand en op den duur. Maar wanneer die toestand ook aan anders gerichte krachten onderhevig is, dan wordt het geheel gekanteld, dan zal uw uitgestraalde vrede of harmonie door de disharmonie van anderen a.h.w. opgeheven worden. Dan maakt het wel verschil uit, maar het is niet voldoende, het heeft geen onmiddellijk kenbaar resultaat. Het wordt niet een waarneembare kracht.

  • Het heeft misschien niet direct met het onderwerp te maken. Er is hier in Hilversum een jongetje zoekgeraakt, alles is in rep en roer. Is het nu mogelijk, om vanuit de geestelijke wereld een richtlijn aan bepaalde personen te geven, die een beetje sneller tot een oplossing voert?

Ja, inderdaad, er is een theoretische mogelijkheid, maar u moet wel begrijpen, dat daar een groot aantal moeilijkheden aan verbonden zijn. In de eerste plaats zou de geest zich bezig moeten houden met   de reconstructie van dat, wat dat jochie indertijd heeft gedaan. Dan zou verder nagegaan moeten worden, wat wel en wat niet belangrijk is en dan zou dit geheel aan een ander moeten worden overgedragen en wel op een zodanige manier, dat het ook nog begrijpelijk blijft. Vanuit de geest worden deze mededelingen heel vaak erg vaag en verliezen daardoor hun feitelijke betekenis. Maar u noemde mijnheer Croiset als voorbeeld?

  • Die houdt zich juist daarmee bezig.

Ik meende dat het een paranormaal begaafde was en deze doet heel iets anders, hij beroept zich niet op de geest, maar gaat met zijn eigen denken door middel van concentratie flarden van de tijd opvangen en daarbij krijgen we weer het verschijnsel dat zijn waarnemingen nooit volledig overeenstemmen met de waarnemingen van anderen. Ze zijn zeer persoonlijk, ze worden gedaan onder een bepaalde beeldhoek, zonder voldoende oriëntatie in het geheel. Er kunnen bij deze wijze van zoeken bepaalde delen worden overgeslagen. Het resultaat daarvan is, dat we een beeld krijgen dat, ofschoon in zich niet onjuist, toch weer verwarrend kan werken. Deze aanwijzingen hebben dus een zeer kundige interpretator nodig, een vertaler eigenlijk, voordat deze volledig bruikbaar zijn. Dat is de paranormale begaafdheid. En dan is er nog de methode van sensitiviteit. Dat kan iemand doen die zich in harmonie kan brengen met een persoon. Zo iemand concentreert zich op een persoon, waarvan hij zich een beeld kan maken en blijft dan net zo lang zich daarop concentreren totdat hij het gevoel heeft van een contact. Dan kan zo iemand wel vaak zeggen, wat er precies gaande is en vaak ook, waar gezocht moet worden, maar zo iemand kan weer niet zien, hoe het tot stand gekomen is. Hij stelt alleen wat gegevens vast. Dat zijn de verschillende vormen, waarin dit mogelijk is. Het ligt overigens buiten het kader van ons werk om hier verder op in te gaan, dat zult u wel begrijpen, maar ik geef u hier de methoden aan en dat blijkt in dit geval, daarom heb ik u zo uitvoerig geantwoord, voor ons onderwerp toch ook niet zonder belang. Want hieruit volgt dat iemand, die zich identiek kan voelen met een bepaald proces, in staat is, dit proces, zij het niet volledig, te volgen, ongeacht een verschil in tijd. Tijd kan dus worden uitgeschakeld, wanneer de innerlijke kracht voldoende harmonie schept en gelijktijdig in het bewustzijn daarvan de concentratie een aanvaardbare voorstelling doet ontstaan en dat betekent dat een rapport is bereikt, dat ook die ander door concentratie kan vinden. Men kan dan weten waar en hoe. En dat is in verband met die geestelijke krachten weer belangrijk.

Ik geloof dat we nu het onderwerp kunnen gaan afsluiten en dat wil ik niet doen, zonder u nog een ding voor te houden, nl. naar aanleiding van die laatste vraag. U zult ongetwijfeld denken: waarom geen antwoord geven daarop, jullie kunnen het toch wel.  Wanneer wij dit kunnen en wij doen dit, dan verandert de totale geaardheid van het werk dat wij verrichten, m.a.w. iets, dat op zichzelf toch niet herstelbaar is, wordt de aanleiding, dat men zich gaat richten op het heden, dat wat wij proberen geven, niet meer verwerkt, dat men op den duur zegt: tja, ik ben mijn portemonnee kwijt, weet u waar wij hem kunnen vinden, en dan is de Orde der Verdraagzamen een soort Heilige Antonius geworden. Om dit te vermijden bestaat bij ons de regel dat wij op niets persoonlijks ingaan. U moet dat kunnen billijken. Je moet een taak kiezen. We wijken alleen daarvan af in het allerhoogste belang, dus wanneer er onmiddellijk een mensenleven op het spel staat. Verder niet.

  • Ja, mag ik er even tussenin komen. Dit is toch wel wat anders dan een portemonnee. Ik geloof dat dit punt wat ik nu zo aanroer, toch zeker een week of twee heel Hilversum, dus ongeveer 800.000 volwassen mensen misschien, heeft beziggehouden. Dat is toch voor een hoop mensen wel belangrijk. Dus dan komen ze toch bij het paranormale terecht.

Daar gaat het niet over. Wanneer men bij het paranormale terecht komt, dan zijn er mogelijkheden te over, om dit op de proef te stellen en ik geloof dan ook, dat men dit zou moeten doen, al was het alleen maar om te zien of men er iets mee bereiken kan, experimenteel desnoods. Maar u vergeet, ik heb het niet vergeleken met een portemonnee. Ik heb gezegd: wij beginnen daarmee en we eindigen bij de portemonnee, die verloren is, m.a.w. wanneer een faciliteit geschapen is, dan zal de mens daar steeds meer gebruik van willen maken voor, in verhouding, steeds onbelangrijker dingen en dan vindt hij altijd een reden, zich te rechtvaardigen. Dat is iets, wat we willen voorkomen. Het is even gemakkelijk om te zeggen voor ons: hoe gaat het met uw moeder in de sferen, we zullen eens kijken, 0, het gaat haar best en ze laat u dit of dat zeggen. Daar zouden onnoemelijk veel mensen voor willen komen. Maar dan zouden ze niet komen, om te denken of te leren, maar ze zouden komen om iets te weten te komen van ogenblikkelijk belang, dat echter voor hun wijze van leven en denken geen verschil uitmaakt. Dat is juist de reden dat de regel is gesteld. O, ik kan begrijpen dat u zegt: tja, maar ik had het liever anders gehad.

  • Neen, ik zie er ergens (ik ben een zakenman) wel een reclame in. Ik bedoel, reclame is toch wel een heel makkelijk medium.

Buitengewoon goed, waarde vriend. Nu moet u eens luisteren. U handelt in zeer belangrijke metalen bv. uranium. Nu krijgt u de mogelijkheid, om grote hoeveelheden blik te gaan verkopen. Maar dat uranium, dat uw levenswerk is, dat moet u daarvoor afschrijven. Zou u dat doen?

  •  Neen, waarschijnlijk niet.

Nee, dan denkt u alleen aan de winst en dat is juist één van de facetten. We dwalen nu wel erg af. Om nog even op het onderwerp terug te komen. Maar het is één van de dingen, die in ons werk zo onnoemelijk sterk meetellen. U hebt wel opgemerkt, we maken geen reclame. Men heeft wel eens gevraagd, of het mocht. Toen hebben we gezegd: in een zeer bedekte vorm, een bekend geven eventueel, meer niet. Toen hebben ze gezegd: ja, als we nu een grote advertentie zetten en een grote zaal huren, dan is er toch wel iets te bereiken. Inderdaad, dan bereiken we de massa. Maar we moeten werken met het gemiddelde van de aanwezigen. Nu werken wij graag op een peil, dat behoorlijk hoog ligt. Uw reclame, hoe goed op zichzelf, zou betekenen dat wij afstand zouden moeten doen van onze poging om te leren, te leraren. De ene keer is het vaag, de andere keer niet, maar we proberen het en het zou daardoor een tegemoetkomen aan de massa worden. En nu moet u niet vergeten dat die massa dan denkt: als je dat weet, weet je ook wel de uitslag van de voetbaltoto. Dan bereiken we niets, dan kunnen we beter uitscheiden.

  • Ja, maar er zijn natuurlijk veel, een hele boel mensen, die nog niet van het werk van de Orde op de hoogte zijn en door een mondelinge reclame: je komt eens en je vertelt dat. Op die manier maak je toch reclame, persoonlijke reclame, dat is misschien ook in groter verband. Ik zeg niet, dat het altijd belangrijk is.

Misschien kunt u dat zo bezien, maar ik geloof dat we daar niet makkelijk bij elkaar komen, omdat de visie heel verschillend is en dat is begrijpelijk. U denkt eraan dat we hier bij elkaar zitten misschien 25 personen, maar wij denken eraan dat er 2 zijn, die iets hebben geleerd, al beseffen ze dat nu nog niet en dat die twee dat geleerde zeer waarschijnlijk in de praktijk brengen, en dat is belangrijk. Goed, vrienden, u hebt het gehoord en dat werd even een woordenwisseling. Nu ziet u het verschil van de materiële en geestelijke kracht. Materieel gezien zouden we dus vanuit ons standpunt zeggen; reclame leidt tot gelijkschakeling, veralgemening en op den duur waardeverlies van het product. In de stof zeggen ze juist: hoe meer reclame, hoe meer we kunnen verkopen, dus hoe beter we kunnen leven. Dat is kwestie van opvatting. Maar we oriënteren ons op de, wat u noemt, geestelijke krachten of innerlijke krachten. Waar het om gaat, altijd weer, dat is ons eigen innerlijk. Dat geldt voor u, dat geldt voor ons. De vraag is dus niet: wat denkt de wereld van ons, wat hebben wij of hoe leven wij, want dat is allemaal maar heel bijkomstig. De grote vraag is: hoezeer kunnen wij in onszelf dat licht vinden, die kracht putten, die voor ons nodig is. Daarom is het ook heel vaak belangrijk dat we weten wie en wat we zijn en wat we willen. Want een mens, die beseft wat zijn mogelijkheden zijn, zijn wensen, die begrijpt, waarom hij grijpt, hetzij naar een lezing als deze, hetzij naar een kerk of boek, of zelfs waarom je meer houdt van boerenkool dan van spruitjes, die begrijpt waar die voorkeur ergens mee samenhangt, die komt tot de conclusie, dat zijn leven is opgebouwd uit een grote reeks ervaringen en begrippen. Ik ben ten dele gepreconditioneerd op de wereld gekomen door mogelijk voortbestaan, door de eigenschappen en beleving van mijn moeder in de prenatale periode en op die manier heb ik dus een zeker karakter en een zekere voorkeur. En nu blijkt dat ik bovendien materiële eigenschappen heb, die ook weer een deel van mijn karakter uitmaken. Al die dingen bij elkaar bepalen, wat voor mij nodig is. Ik moet de harmonie vinden, het licht vinden in mijzelf. Nu kunt u misschien wel begrijpen dat een mens, die werkelijk harmonisch is, in alle dingen vreugde vindt. Hij is niet iemand, die het duistere van zich afschuift en niet wil zien, maar iemand die, het duister erkennende, het slechte ziet als iets, wat het lichte meer waarde en betekenis geeft. Op die manier leeft zo iemand altijd weer gelukkig, is altijd weer een nieuwe kracht, een nieuw leven in hem. Of hij nu in de materie leeft of in een hogere sfeer vertoeft dan wel in een lagere sfeer, hij is in zichzelf licht en geluk. En juist omdat hij dat is, is hij receptief. Hij kan de hogere kracht en al wat daarin ligt, ontvangen. Een mens, die onevenwichtig, disharmonisch is, die kan geen God vinden, wordt altijd in zijn God teleurgesteld, hoe ernstig hij ook bidt. Een mens echter, die in zich die harmonie heeft, die vindt dit contact met het hogere, dat soms zelfs boven kracht uitgaat, wordt tot wijsheid en zelfs tot begrip. Wij moeten begrijpen dat die innerlijke harmonie van ons wezen zeer belangrijk is. Het is één van de belangrijkste dingen in het bestaan van mens en geest. Die harmonie is niet afhankelijk van de wereld, niet van een bepaalde wet of regel. Zij is afhankelijk van onze persoonlijkheid.

En, als u het niet erg vindt dat ik daar wat over zeg: een persoonlijkheid in de stof bestaat altijd uit een geestelijke en een stoffelijke honger, een geestelijke en een stoffelijke angst. Wij moeten niet proberen, om alleen het licht te vinden. De eenzijdigheid verstoort ons evenwicht, maakt ons disharmonisch op den duur met de wereld en uiteindelijk met onszelf. Wij moeten begrijpen dat in ons het evenwicht moet bestaan tussen licht en duister, tussen wat wij hebben en niet hebben, tussen onze vrees en onze moed, tussen onze begeerten en onze angsten, hier of daar. Dit evenwicht is zo belangrijk, dat het bepalend kan zijn voor zowel de kracht, die uiterlijk, als die innerlijk is. Een mens, die innerlijk evenwichtig, rustig is, blijkt over het algemeen schijnbaar lui te zijn. Hij is laconiek vaak en erg ontspannen, maar diezelfde mens kan ontzettend snel reageren, wanneer het er op aankomt. Zo’n mens ontwikkelt, terwijl hij zich niet voortdurend traint misschien, wanneer het noodzakelijk is, dezelfde of grotere kracht als iemand, die bijna is ondergegaan aan alle energie, die hij aan training heeft besteed. Hij is in staat, op het juiste ogenblik te begrijpen. Hij kan het essentiële zien van de dingen, wat aan anderen vaak ontgaat. Ook geestelijk geldt precies hetzelfde. Een mens, die harmonisch is, zal niet eenzijdig zoeken naar bepaalde sferen en naar een bepaalde God en een bepaalde kracht.

Neen, hij is receptief en wanneer zich iets openbaart, erkent hij het. Hij wijst het niet af, hij reageert erop en hij wordt daardoor sterker in zichzelf. Schijnbaar is zijn streven lang niet zozeer geestelijk als dat van een ander, maar deze mens, deze geest (want dit geldt dus ook weer voor de geest) voelt ergens in zich, elke nieuwe impuls als een kracht, als een mogelijkheid. Zijn daden, wanneer hij mens is, zullen vaak irrationeel lijken. Er is geen reden voor dat hij zus of zo doet en het lijkt dwaas, maar die mens vindt daarin de mogelijkheid om zich bij het hele leven aan te passen. Die mens vindt ook de mogelijkheid zijn krachten juist te dirigeren. Hij kan op het juiste moment met een ander meewerken. Hij weet precies waar hij werken kan en waar hij zich terug moet trekken. Hij kent geen overschatting, maar ook geen onderschatting. Zo iemand is sterk. Het is niet voor niets dat juist die volksstammen op aarde die het meest lui schijnen te zijn, de grootste krachtpatsers voortbrengen. Dat is heel eigenaardig, ze zijn het best ontwikkeld, het meest harmonisch. Hoe meer angsten een rol spelen, hoe meer eenzijdigheid hun leven doorkruist, hoe zwakker ze worden, hoe minder ze bestand schijnen tegen het leven. En precies hetzelfde geldt voor de geest. De geest, die alles kan ontvangen, kan reageren op de hoogste kracht, kan beseffen, wanneer een lagere kracht inzet, hij weet precies wat hij doen moet om zijn evenwicht te behouden en hij weet ook, over welke krachten hij uiteindelijk beschikt. Hij heeft geen zelfbewustzijn, maar hij heeft het besef van zichzelf en dat is het, wat juist de mens, die een redelijk begrip heeft, voor zichzelf zoekt en vindt en wat harmonie zo belangrijk maakt voor de wereld. Dit zijn geen dode woorden, dit is geen praatje voor de vaak. Dit zijn, ik zou haast zeggen, helaas, de feiten. Een mens kan zich niet richten naar een maatstaf, die buiten hem leeft, voor hij in zich weet, wie hij is, in zich rust heeft gevonden. Dan pas kan hij beslissen, wat hij naar buiten toe wel of niet is. En een mens, die met geestelijke krachten wil werken, zoals zoveel mensen, die de innerlijke kracht als een fontein van licht willen doen uitspatten over de wereld, hij kan dat pas, wanneer hij eerst voor zich een harmonie tussen geest en stof heeft tot stand gebracht, wanneer hij evenwichtig is. En wie bang is voor inspanning, wie een makkelijk resultaat wil hebben, wordt altijd weer teleurgesteld, hij bereikt niets. Maar degene die zich niet afvraagt, of het resultaat er nu al is of morgen, die mens bereikt vaak veel. Laten we hier een eenvoudig voorbeeld nemen; wanneer je een cake bakt en u doet elke keer de oven open om te zien of hij al gaar is, bederft uw cake in 9 van de 10 gevallen. Wanneer u de rust hebt om te wachten tot de tijd er is om te kijken, dan hebt u grote kans dat uw baksel zo goed mogelijk slaagt en dat is hetzelfde met ons streven. Wij kunnen niet zeggen nu moet er morgen iets gebeurd zijn, we kunnen alleen zeggen: we streven, we werken en als we harmonisch zijn, dan weten we ook dat dit werk in zichzelf de betekenis is voor ons, dat het resultaat haast bijkomstig lijkt en dan bereiken wij wat.

Innerlijke krachten nemen, om voor je lichamelijk bestaan eruit te putten, je ziekte en de ziekte van anderen te bestrijden. Het is weer een kwestie van ontspannen. Zeker, uit kennis van jezelf, werken, handelen en leven. Denk niet dat uiterlijke en innerlijke kracht alleen maar waarden en woorden zijn, waarmee je wat goochelt. Zij bepalen uw leven ook nu, ook nu maakt u gebruik, of u het weet of niet, van innerlijke krachten en veel van uw inspiratie of van uw onbewust goed handelen komt voort uit een aanpassen aan die innerlijke krachten. Veel van het uithoudingsvermogen dat u gegeven werd, zoals u zegt, op een ogenblik dat het nodig was, komt voort uit een innerlijk putten, misschien zelfs door een zekere gelatenheid. En ook veel van uw onrust, veel van uw niet kunnen, veel van de wereld niet meer aankunnen of niet passen in die wereld, komt voort uit het feit dat je innerlijk niet harmonisch bent en de kracht niet hebt. En de kracht niet hebt naar buiten toe uit te stralen of de krachten, die u van buiten bereiken, althans in uzelf, te compenseren. Innerlijke en uiterlijke krachten zijn het evenwicht van uw leven. We hoeven daar geen reclame mee te maken. Het is niet iets om mee te adverteren, het is niet iets, wat je de wereld zou moeten aanbieden als spectaculair, het is een normaal deel van een normaal, rustig, onopvallend leven. Verlang niet op te vallen, verlang te leven. Wanneer u beseft, dat het niet belangrijk is, wat men beleeft of wat u buiten u spectaculair tot stand brengt, als u er alleen maar mee kunt werken. Wanneer u voor uzelf kunt leven, dan zult u ontdekken dat innerlijke en uiterlijke kracht in een wonderlijke wisselwerking u lichamelijk en geestelijk voortdurend steunen, u ten dienste staan en vreugde geven, geluk, kracht, waar u die anders niet vindt.

Nu wil ik er nog wat aan toevoegen. Dat hangt niet helemaal met het onderwerp samen, maar het wordt in deze dagen vaak vergeten. Een mens, die op aarde leeft, moet blij kunnen zijn. Vreugde en blijheid zijn geen dingen, waar je voorzichtig mee moet zijn. Het is geen kwestie van een carnaval, waar je achter een masker een vaak kunstmatige blijheid vindt door jezelf te spuien of aan overdaad te doen. Neen, het is doodgewoon alles en elk ogenblik. Want vreugde geeft kracht. Want, vergeet niet, wanneer u blij bent innerlijk, wanneer u een zekere vreugde hebt in het leven, wanneer u daarin ook het goede steeds erkent, dan draagt u bij tot de harmonie van uw eigen wezen. U ziet als mens nl. alles wat verkeerd is snel genoeg. Wanneer u de blijheid zoekt, het goede, dan zult u juist daardoor ook een evenwicht bereiken en dat evenwicht is voor u van het grootste belang, dat hoop ik u in ieder geval duidelijk te hebben gemaakt.

Ja, en nu wil ik vanavond toch ook maar sluiten. Ik heb het wel meer gedaan, acht me er enigszins bekwaam toe, met improvisatie van het schone woord. Hebt u een onderwerp? U moogt er drie geven, maar één is ook genoeg.

  • Een stad

Stuk land, mensen wonen, opgestapeld in kazernes. Dorre straten zonder groen. Mensen met hun dwaze wetten, het onnatuurlijke fatsoen. De strijd, om onafhankelijkheid., die slechts tot meer gebonden zijn, tot gevangen zijn steeds leidt. Dat is de stad. Mensen die elkander niet kennen, elkander voorbijgaan, elkaar niet verstaan. Drukte en razen van autos, van trams. Het jachtige zoeken, het juiste moment en het zoeken misschien en elkander herkennen in een steenwoestijn waar niemand je kent. Een stad, het kan zijn de leegte met wat dromen, waarin de mens soms haast vergaat. Maar het kan zijn, machtig organisme van mensheid, die elkaar verstaat, die samenwerkt in het samenleven en -streven en het zoeken zonder egoïstisch zijn en zonder eigen grens, schept uit de mensheid het grote menszijn en zo God uit, in stad en mens. Maar dan moet je niet jezelf willen zijn, alleen geïsoleerd. Dan kan je met de anderen gaan, de anderen steeds verstaan. Dan moet je niet zeggen: zo is’t verkeerd of dat gaat mij niet aan. Leef het leven met allen die leven. Begrijp allen, ook al zijn ze niet zoals jij. Wees vrij, maar laat ook de anderen in hun vrijheid leven, ga niet zonder meer aan hun wezen voorbij. Dan wordt een stad het Goddelijk beleven, een eeuwige stad, die troont in het Licht, omdat de mens in het ware begrijpen, zijn kracht tot ‘t Hoogste heeft gericht. En uit door alle tijd en leven, de stad kan soms een wonder zijn van licht, de Hoogste sfeer ontbloeit, soms is het slechts de eenzaamheid aan de steenwoestijn ontgroeid.

Ik geloof, dat ik daarmee een stad wel heb gekarakteriseerd en zelfs nog iets van de kracht, waar we het over gehad hebben.

image_pdf