Van dier tot mens

image_pdf

1 mei 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ons onderwerp voor heden is: Van dier tot mens.

Dit is een onderwerp, waar menigeen vreemd tegenaan zal zien, omdat men zich nu eenmaal moeilijk voor kan stellen, dat men – vroeger – eens een dier geweest kan zijn. Omgekeerd blijkt ook, dat men een evolutie veronderstelt, die bepalend is voor alle dingen. De mens ziet zijn evolutie als een zuiver menselijke, waarbij zijn bewustzijn en eigenschappen eerst ontstaan op het ogenblik, waarop hij een menselijk lichaam als voertuig vond, terwijl men het dier haast altijd als een lager en minder belangrijk wezen beschouwt.

In mijn inleiding wil ik juist deze mogelijkheden belichten en begin te stellen: Een dier staat onder een groepsgeest. Wij zouden kunnen zeggen, dat dezen een soort dierengoden zijn – ook al zal het dier deze krachten niet als zodanig hoeven te beseffen, of zelfs maar te weten dat deze voor het dier bepalende en leiding gevende krachten bestaan. Als mens kan men zich echter wel voorstellen, dat er, naast de Alomvattende Godheid, een leeuwengod, een kattengod, een hondengod enz. bestaan. Vroeger heeft men daaraan wel degelijk aandacht besteedt. In Egypte, maar ook in vele andere landen, treffen wij goden met dierenkoppen en mensenlichamen, maar ook dierenlichamen met mensenhoofden aan, denk eens aan de vele vormen van sfinxen. Vele goden worden uitgebeeld door samengestelde vormen, waarbij ook meerdere delen van verschillende dieren worden samengevoegd tot een geheel. Overigens blijven dergelijke voorstellingen niet alleen tot het oude heidendom beperkt: In de openbaring van Johannes treffen wij eveneens samengestelde dieren als symbool aan, terwijl ook wordt gesproken over het “beest met het aanschijn eens mensen”.

Dit wettigt voor mij de stelling, dat men in het verleden zich meer met de dieren en hun groeps of rassengeesten verwant gevoelde, dan men in deze tijd nog wenst te erkennen. Deze stelling wordt nog verder ondersteund door geloof en gebruiken van primitievere volkeren. Bij negers zowel als indianen en andere dicht bij de natuur levende stammen, vinden wij steeds weer een soort dierentotem. De eenlingen kiezen vaak tijdens een periode van eenzaamheid – een soort inwijding – een beschermdier. De geheime groepen en genootschappen zijn gebaseerd op dieren.

In Afrika alleen reeds kennen wij o.m. luipaardmannen, leeuwmannen, alligatormannen. In Mexico kennen wij ook nu nog de – uit de oudheid overgebleven – condormannen, die weliswaar grotendeels binnen het christendom zijn op genomen, maar toch nog met een condormasker lopen.

Zeker is, dat in vele gevallen sprake is van een zich verwant gevoelen met bepaalde diersoorten en een vereren van “diergoden” door mensen, die nog dicht bij de natuur leven. Voor men dit veroordeelt zal men zich toch even moeten realiseren, dat deze mensen veel meer intens deel hebben aan alle ritmen en werkingen van de natuur, dan de mensen in grote steden, mensen, die zich beschaafd plegen te noemen, omdat zij zich van de ritmen en noodzaken van de natuur ten dele bevrijd menen te hebben. In Indië vinden wij fakirs, die zich bv. broeders van de slangen noemen en zich zelfs te midden van vele giftige slangen weten te bewegen, zonder daarbij gebeten te worden. Anderen noemen zich verwanten van de tijger en gaan – om dit te bewijzen – met tijgers om of het spelende katten zijn.

Wat is hiervan de kern? Volgens mij is, zeker in het laatste geval, een bijzondere harmonie of verbondenheid met de groepsgeest van de betreffende diersoorten aan te nemen. Moeilijker is de vraag, hoe deze band ontstaat, of is ontstaan.

Eens ontstonden de eerste, warmbloedige dieren. Zij waren een verdere ontwikkeling van koudbloedige vertebraten. Wij kunnen de keten terug volgen tot de oervorm, de eerste cel.

Historisch en biologisch is aannemelijk te maken, dat steeds weer de ene soort uit de andere ontstaat. Bij nadere beschouwing blijken de wegen zich echter vele malen te splitsen en hebben wij kennelijk niet te maken met slechts één evolutiereeks op deze wereld, maar met meerdere reeksen, waarbij wij soms honderdtallen van evolutionaire richtingen zien waarvan enkelen blijven voortbestaan.

Gedaante en capaciteiten van het ras blijken zich eveneens sterk te wijzigen, zodat ook binnen het ras van een zekere evolutie kan worden gesproken, zonder dat daar ook nu alle specifieke eigenschappen en mogelijkheden van dit ras teloor gaan. Een goed voorbeeld hiervan zien wij o.m. bij het paard: het eerste paard was niet veel groter dan een hond van nu. Het ontwikkelt echter een groeiend bewustzijn en een groeiende vorm, waardoor na het wegvallen der grote verscheurende sauriërs een grotere vorm op kan treden als “heersers van de steppen”, zodra dezen zijn ontstaan.

De grote draken van eens, de sauriërs, ontwikkelen zich in de omgekeerde richting: Eens zeer groot, blijken zij deels uit te sterven, terwijl andere soorten veel kleinere vormen aannemen.

Voorbeeld hiervan zijn bv. de leguanen, die wel een miniatuur lijken van de grote hagedissen van eens. Pachydermen als de olifant blijken eveneens, ofschoon niet in die mate, kleiner te zijn geworden. Zij zijn kleiner in deze dagen dan de oervorm, maar blijken daarvoor een groter intellect ontwikkeld te hebben. Vroegere beharing – overblijfsel uit ijstijd enz. – is wel verdwenen, maar soms treft men toch bij de olifanten van heden nog wel een enkel spoor van de vroegere beharing.

Met deze voorbeelden hoop ik u er bewust van te maken, dat er verschillende mogelijkheden en vormen van evolutie op deze wereld bestaan. De dieren tonen hierbij ontwikkelingen, die geen algemene regel schijnen te bezitten. Soms immers worden dieren groter en verstandiger, in andere gevallen wordt de soort kleiner en verstandiger, soms verliest de soort een groot deel van zijn “verstand”, maar blijft in vorm ongeveer gelijk enz.

Misschien kunnen wij ons voorstellen, dat een geest, die zich achtereenvolgens binnen verschillende rassen manifesteert, daarbij onder verschillende rasgeesten leeft en leert, daarbij zeker ook geestelijk bepaalde ervaringen opdoet. Wanneer deze ervaringen groot genoeg en belangrijk genoeg zijn, zal binnen het dierlijke bestaan niet langer een beantwoorden aan de eisen van het ik mogelijk zijn. Resultaat zal zijn, dat men overgaat naar andere, qua mogelijkheid en bewustzijn hogere groepen en uiteindelijk incarneert binnen de menselijke vorm.

Beschouwen wij de consequenties van deze stelling vanuit de geest, zo blijkt zij geheel duidelijk en zuiver te zijn: Bij bewustwording blijkt het bereiken van een zuiver bewustzijn van eigen ik en de wereld, waarin dit ik leeft, van het hoogste belang. Een instinctwezen zal nooit mens kunnen worden. Het bewustzijn komt niet ver genoeg, om de noodzaak tot een vrij denken te doen gevoelen en een incarnatie als mens te veroorzaken. Wel zal incarnatie in een soort, waarin de instinctieve wereld iets meer overlaat aan eigen reacties, vaak verkozen worden. Leven in groepen, een vorm van sociale orde, groepsgevoel, blijken vaak voor het bewustzijn belangrijke belevingsmogelijkheden in te houden, wilskracht te vormen en zo tot een snellere incarnatie binnen de menselijke vorm te voeren. Daar, waar genegenheid voor anderen, een haast onzelfzuchtige genegenheid voor anderen mogelijk wordt – ook wanneer deze voortvloeit uit de instincten – blijkt een mens worden haast zeker. Bepalend is hierbij, dat het dier zichzelf kan beschouwen als component van anderen, of zelfs als verantwoordelijk voor anderen.

Conclusie: Het is m.i. aanvaardbaar, wanneer wordt gezegd, dat tussen dierenrijk en mensenwereld grote bindingen bestaan, terwijl vanuit het dier de bezieling van de mens ontstaan kan. Nu weet ik, dat velen dit aanvechtbaar zullen achten. Men wil niet graag aan de mogelijkheid van dierlijke incarnaties herinnerd worden waar men binnen zich toch reeds vele dierlijke eigenschappen ontdekt en juist daarom niet zal willen aanvaarden dat men mogelijk – voor men als mens geboren werd – een hond, kat of varken geweest kan zijn. Men verzet zich haast instinctief hiertegen omdat men dan niet alleen eigen houding tegenover de dierenwereld zou moeten wijzigen, maar ook zijn gevoel van uitverkoren zijn, van hoger wezen zijn, aangetast zou zien.

Om deze redenen wijst men ook vaak de stelling af, dat de apen ergens de voorvaderen van de mens zijn – ofschoon de huidige aap en de mens wel degelijk gemeenschappelijke voorouders hebben. Ik wil deze stelling echter verdedigen: ik geloof niet, dat het voor een geest, die alleen een onstoffelijk bestaan heeft gevoerd, zonder meer mogelijk zal zijn een ingewikkeld instrument als het menselijke lichaam, te beheersen en juist te gebruiken zonder voorgaande scholing of voorbereidingen.

Het feit, dat vele mensen zich in het bijzonder tot sommige diersoorten aangetrokken gevoelen en deze soorten beter begrijpen, ja zelfs deze dieren in eigen gevoelsleven, religie en wereldbeschouwing een zeer belangrijke rol plegen te geven – ook nu nog – doet mij verder concluderen: De mens, die een contact heeft gehad met een groeps-of rassengeest van een bepaalde diersoort, zal zich daarmede, zeker in zijn eerste fasen van menselijk bestaan en zijn eerste incarnaties binnen de menselijke vorm, daarmede in het bijzonder verbonden gevoelen.

Als resultaat zullen dergelijke mensen een groter begrip hebben voor de diersoort in kwestie, zal men vaak een verering zien van deze soort of de bron daarvan – de groepsgeest – terwijl de mens in zijn persoonlijk leven grote overeenkomsten met deze diersoort zal vertonen. Zo dit juist is, kan zelfs de laagste mens, die door zijn soortgenoten als “te dierlijk” wordt verworpen, altijd nog een wezen zijn, dat een evolutie doormaakt. Het beeld van evolutie wordt door velen wel aanvaard. Soms worden zij echter door deze steeds verdergaande ontwikkeling in een soort ban gehouden, waardoor zij zich niet bewust kunnen worden van het feit, dat er naast de evolutie ook een revolutie, een soort degeneratie kan bestaan, waarin waarden voorkomen, die vanuit een zuiver menselijk standpunt toch minder veelbelovend, minder aangenaam zijn.

Ik heb gesteld, dat de geest van het dier tot mens kan worden. Wat is daarbij het grote verschil tussen mens en dier?

Bij het dier is het stoffelijke beleving, de uiting van eigen instincten en eigenschappen het voornaamste. Bij de mens neemt echter, naarmate hij verder voortgaat op het pad der menselijke bewustwording, de belangrijkheid van eigen gedachtewereld toe en komt werkelijkheid en beleving daarvan op de tweede plaats. Een dier leeft in een grote realiteit, die langzaam maar zeker vanuit het ik beseft wordt. De mens leeft in een realiteit, die hij langzaam maar zeker tracht te vervangen door zijn gedachtewereld. Wij mogen dan ook wel stellen, dat het menselijke lichaam zeker geen voorbeeld is van een gunstige evolutie, wanneer wij de vroegere menselijke vormen bezien. Eerder is er, wat de zuiver lichamelijke eigenschappen betreft, sprake van een aanmerkelijke degeneratie. Argumenten hiervoor vindt men o.m. in het feit, dat de mens van vroeger een veel groter uithoudingsvermogen had, bestand was tegen veel grotere wisselingen van temperatuur en omgeving, veel sterker was, minder gevoelig was voor pijn, zintuigelijk schepper begaafd was enz.

Wij mogen dan ook rustig stellen, dat de hedendaagse “beschaafde mens” in zeer vele opzichten de mindere is van zijn “primitieve” voorvaderen.

Gelijktijdig zien wij echter, dat intellect en bewustzijn bij de mens toenemen in bijna gelijke mate als er een deterioratie van de stoffelijke mogelijkheden en kwaliteiten optreedt. Hiertussen kan men een zeker verband leggen. Zelfs op twee wijzen. Wij kunnen zeggen: Naarmate de mens meer leerde zich te beschermen en leert zich te beschermen, zal zijn lichamelijke mogelijkheid verder deterioreren en zullen zijn geestelijke mogelijkheden en de wereld in zijn bestaan een steeds voornamere rol gaan spelen. Maar je zou ook kunnen zeggen: Op het ogenblik, dat een veel grotere mentale en geestelijke inhoud van het stoffelijke voertuig noodzakelijk wordt, zal het dierlijke element een andere functie in het bestaan krijgen, zodat de behoefte aan kracht, scherpe reacties, groot waarnemingsvermogen – zoals deze bij dieren plegen te bestaan – steeds verminderen. M.i. is dit laatste juister: Een dier zal zich steeds weer moeten weren tegen zijn noden door snelheid van reactie.

Het beschikt wel over goede instincten, maar bezit over het algemeen een zeer beperkt herinneringsvermogen, terwijl ook slechts een beperkt combinatievermogen het voor het dier moeilijk maakt gevaren en noodzaken te voorzien, voorzorgen te treffen, waar een mens dit wel kan. Wanneer je eenmaal zover bent, dat je de lichamelijke proef van leven in de stof kunt doorstaan, wordt het ook tijd de mentale mogelijkheden en proeven te doorlopen. Daartoe is een voertuig nodig, dat door zijn geringere kwaliteiten enerzijds, een terugval in het zuiver instinctieve leven moeilijk maakt, terwijl aan de andere kant een grotere mentale capaciteit aanwezig dient te zijn, welke het mogelijk maakt de tekorten aan instinctieve reactie en bekwaamheid van het lichaam op te vangen door andere middelen. Wij mogen dan ook wel zeggen, dat de geest een grote vooruitgang van bewustzijn dankt aan een voertuig met toenemende vermogens tot denken plus een achteruitgang van stoffelijke mogelijkheden en eigenschappen, waardoor het gebruik van het denkvermogen en het opbouwen van een gedachtewereld haast onvermijdelijk is.

Toch kan een al te eenzijdige ontwikkeling grote gevaren met zich brengen. In de dierenwereld treffen wij meerdere, soorten, die door een te eenzijdige ontwikkeling, of een over ontwikkeling van bepaalde eigenschappen of lichamelijk specialisatie, ten gronde zijn gegaan. Een ras sterft niet alleen maar uit, omdat het zich bv. niet meer verdedigen en voeden kan, maar het kan ook – door middel van natuurlijke selectie – bijvoorbeeld een steeds zwaardere pantsering krijgen, waardoor het weliswaar veilig is, maar niet vlug genoeg meer is om zijn gebruikelijke prooi te jagen en wanneer geen vervangende prooi beschikbaar is, zal de soort uitsterven, of ten hoogste enkele minderwaardige mutatievormen over laten. Ook andere eigenschappen spelen hier een rol: Tyrannosaurus rex, een van de meest verschrikkelijke strijdmachines die ooit op aarde leefde, ging ten gronde aan omvang en instinct. Hij was te groot, zodat hij niet meer in staat was zeer grote afstanden af te leggen om van jachtgebied te veranderen, en zo agressief, dat hij alle beschikbare prooi in een bepaald gebied binnen korte tijd doodde. Gevolg: Hij kon uiteindelijk alleen nog prooi zoeken op plaatsen die voor hem, gezien gewicht en omvang, gevaarlijk waren.

Gevolg: Vermindering van aantal en uiteindelijk daardoor uitsterven.

Voor vele andere sauriërs kunnen wij ongeveer gelijke factoren van uitsterven vinden. Alleen de rassen, die zich aan konden passen aan verandering van omstandigheden, andere vormen van plantengroei, meer droog terrein enz., blijven tot heden voortbestaan. Er zijn op aarde dan ook nog vele levensvormen, die wij aan het trias toe kunnen schrijven. Buiten enkele soorten, die terugkeerden tot de zee, zijn deze echter allen een soort miniaturen van hun voorvaderen geworden. Vele van de vroeger eigenschappen bleven wel behouden, maar door kleinere omvang is bv. kleiner jachtgebied mogelijk, terwijl eveneens minder voeding noodzakelijk is.

Wanneer de mens zijn nadruk op de mentale ontwikkeling zover voortzet, dat hij daarover zijn lichamelijke ontwikkeling gaat vergeten, zal ook hij daardoor gevaren voor zich scheppen, waaraan hij mogelijk ten gronde zal gaan. Ons verhaal van mens tot dier en dier tot mens houdt zich, zoals u zult begrijpen, dus niet alleen bezig met de geest, die eerst leeft in het dier en langzaam mens wordt of het dier, dat langzaam menselijke eigenschappen krijgt enz. In wezen is ons verhaal er een van vele vormen, die allen ergens een zwak punt hebben, wat de ondergang kan betekenen, maar ook een vordering, een winst. Altijd weer blijkt, zowel bij de dieren als de mens, dat het aanpassingsvermogen, waardoor zowel lichamelijke als geestelijke of instinctieve aanpassing aan een nieuwe omgeving steeds weer mogelijk is, bepalend zal zijn voor het behoud van ras en soort. Op het ogenblik, dat een dier of mens niet meer bereid is de werkelijkheid van de buitenwereld te volgen, ontstaat een wezen, dat met hulpmiddelen misschien nog enige tijd in standgehouden kan worden, maar uiteindelijk ten gronde gaat.

Een meer bewust wezen kan zelfs zichzelf een klimaat gaan scheppen, dat aangenaam is en een voortbestaan onder de oude condities ook verder mogelijk maakt. Hierdoor ontstaat echter een te grote afhankelijkheid van hulpmiddelen, die niet altijd betrouwbaar en beheersbaar zijn. Soms zijn dergelijke eigenschappen het begin van de ondergang. De bever mag hiervan een voorbeeld heten: Dit dier schept zich een eigen klimaat door het bouwen van dammen in rivieren. Zodra de mens in de gebieden kwam, waar de bevers leefden werd deze dam een zeker kenmerk van hun aanwezigheid en vergemakkelijkte de jacht zeer. De soort werd dan ook wel zeer sterk gedecimeerd.

Buffels en rendieren kenden vaste trekpaden. Hun gewoonten maakten het de jagers mogelijk op vaste tijden zonder moeite grote kudden af te schieten. De soort werd bijna uitgeroeid.

Een mens staat in wezen onder dezelfde wetten als het dier. Of hij dit nu aangenaam vindt of niet, passend voor zijn waardigheid of niet, hij zal zich daarbij neer moeten leggen. De mens heeft in zijn stoffelijk bestaan grote parallellen met het dier, of hij dit nu wil of niet. In zekere zin is de mens de voortzetting van het dier. Hij is het product van een evolutie van geheugen, denkvermogen en beheersing van omgeving. Indien wij naar vergelijkbare ontwikkelingen in het dierenrijk willen zoeken, zo vinden wij deze, vreemd genoeg, hoofdzakelijk bij de in gemeenschap levende dieren. Niet de koeien, paarden of zebra’s, maar bv. de wilde honden. De dingo leeft in kolonies, graaft een soort holen, kent dus woning, nederzetting en daarbinnen sociale orde. Hij is bovendien buitengewoon strijdlustig en heeft dus wel veel met de mens gemeen.

Deze en soortgelijke dieren weten hun gemeenschap sterk en gezond te houden, hun ras te continueren, door een zeer scherpe selecties: Wie misvormd of ongezond is, wordt zonder meer gedood en verslonden, wanneer hij zich binnen de gemeenschap bevindt of waagt. Op deze wijze blijft een redelijk peil van weerstand en kracht gehandhaafd. Van sentiment is er in deze gemeenschap echter in wezen niets te vinden.

Een ander voorbeeld vormen de bavianen. Ook dezen leven in gemeenschap, kennen een stamverband, zoeken bescherming en schuilplaatsen – woont de baviaan niet, als uitzondering onder de apen, vaak ook in het wild in grotten – kennen georganiseerde plundertochten en aanvallen, bewuste reactie op omgeving en het optreden van andere dieren. Zijn grootste kenmerk is daarnaast een zekere emotionaliteit en grote zelfzucht. Ook bavianen reageren zeer sterk op ziekten en deformiteiten. Zieken, misvormde jongen hebben, na de zoogtijd en soms reeds voordien, zeer weinig kans van leven. Zeker zullen zij binnen de gemeenschap niet aanvaard worden.

Een uitzondering hierop wordt alleen gemaakt voor volwassen apen, die door ongevallen enz. gewond werden en zich later weer bij de troep voegen, maar zelfs dezen zullen zich vaak vele plagerijen moeten laten welgevallen.

Waar echter ook bij andere kudde- en groepsdieren hoge eisen gesteld worden, zelfs aan pas geboren jongen, kan wel worden aangenomen, dat de groepsgeesten zich allereerst ten doel hebben gesteld de gezondheid en levenswaarde van het ras te handhaven. Steeds weer blijken groepen en kudden zich instinctief af te keren van alles, wat niet volwaardig is. Kortom: Gedreven door de groepsgeest weigeren zij zich bezig te houden met iets, dat lichamelijk minderwaardig is.

Ook primitieve volkeren kennen nog een soortgelijke instelling en plegen een zekere wreedheid te tonen tegen allen, die niet mee kunnen komen, zelfs indien het personen betreft, die ten gronde zijn gegaan bij hun streven voor de gemeenschap. Zo men dezen al duldt, zolang er overvloed is, zo zullen zij toch moeten verdwijnen, zodra de nood aan de man komt. Ernstig gewonden worden vaak door hun eigen mensen gedood. Vergelijk: Wilde honden, wolven enz. vallen degenen, die tijdens een jacht gewond of gedood worden, aan, en verslinden deze.

Bavianen laten hun gewonden en doden achter. Wanneer zij soms een gewonde helpen, zal deze zeer snel zelfstandig zich moeten kunnen redden. Is dit niet het geval, dan zal hij gewurgd, doodgebeten of verminkt worden door zijn helpers.

Conclusie: Gemeenschapszin, hardheid en samenwerking zijn zeer belangrijk, om een ras een blijvende waarde te geven. Behoudzucht, bezitszucht – het verdedigen van jachtterrein, weiden, buit – zijn eveneens sterk naar voren komende uitingen. Conservatisme is bij vele dieren een opvallende eigenschap, terwijl nieuwlichterij met uitstoting of zelfs de dood wordt bestraft. Ook de mens is conservatief, maar bij hem zijn vernieuwingen welkom, zo lang de gedachtewereld niet wordt aangetast. De veranderingen van levens omstandigheden telt hierbij minder mee.

Bij de mensen zien wij verder, dat de jongeren steeds weer de ouderen aanvallen en trachten te verdringen juist door het tot stand brengen van vernieuwingen. Ofschoon het recht van de sterkste, ondanks alle beweringen van het tegendeel, in de menselijke maatschappij een even grote rol speelt als in de wereld van de dieren, is er toch een verschil: Het dier vertrouwt hoofdzakelijk op lichamelijke kracht, bij de mens echter geldt als sterkste vaak degene met het grootste praktische inzicht, met het meest aan de werkelijkheid aangepaste verstand.

Wanneer de mens zoekt naar macht alleen door brute kracht en geweld, ziet het er voor de wereld slecht uit. Wanneer dit in de komende tijd zou gebeuren, zal werkelijk brute kracht – zij het van machines en bommen – weer geheel kunnen domineren boven alle verstand. Daarbij komt, dat, voor een leven zonder een zich eigen gemaakt klimaat, zonder andere hulpmiddelen dan eigen lichaam en verstand, slechts ongeveer 10% van de huidige mensheid aanvaardbaar is en kansen van overleven heeft. De meeste menselijke individuen zijn te zwak om op eigen krachten in de natuur te leven.

Wanneer wij de mentale mogelijkheden en ontwikkelingen bezien, zo blijkt, dat juist door de gewoonten en het conservatisme van de groep de verstandelijke ontwikkelingen worden geremd of zelfs tot stilstand komen. Zodra een leiderschap t.a.v. de gemeenschap aanwezig is, blijkt het dier zich niet verder meer te willen vermoeien en blijft het mentale peil gelijk, om na enige tijd zelfs een daling te vertonen. Dieren, die zijn uitgestoten of in eenzaamheid plegen te leven, blijken over het algemeen over een beter verstand en begrip te beschikken dan soortgenoten, die in groepsverband leven. Daar tegenover staat, dat zij vaak minder of geen nageslacht voortbrengen dan de anderen, zodat zij hun verworvenheden moeilijk of niet over kunnen brengen op volgende generaties. Bij de mens zijn het eveneens de zonderlingen, de buitenbeentjes die meestal de beste resultaten behalen, maar daarbij over het algemeen ook al weinig nageslacht voortbrengen. De menselijke gemeenschap tolereert echter wel afwijkingen en gebreken in zijn midden met als gevolg, dat juist dezen zich in grotere mate plegen te vermenigvuldigen.

Lichamelijke zwakten en fouten worden dus buitenmate sterk op het nageslacht overgebracht. De noodzaak, desondanks voor de gemeenschap een redelijk levenspeil te verzekeren, betekent, dat althans hiervoor van de mentale mogelijkheden steeds meer en steeds intenser gebruik gemaakt zal moeten worden. Dit voert tot een gunstig gebruiken van eigenschappen, die, binnen het kader van de natuur, zwakten zijn. De pogingen om een gebrek aan mogelijkheden of capaciteiten op te heffen, voert vaak zelfs tot een overwicht op andere, in wezen lichamelijk meer levensvatbare vormen. Zo zal de mens, die geen klauwen heeft of andere natuurlijke wapenen, een stok, een steen gebruiken en komt tot het gebruik van de vuistbijl, die dit tekort grotendeels opheft. Wanneer hem blijkt, dat je met een vuistbijl niet hard genoeg kunt slaan, om de vele sterkere dieren met redelijk succes aan te kunnen vallen, maakt hij er een stenen steelbijl van.

De krabscherf, het schrapmes, oorspronkelijk een mogelijkheid om, ondanks een onvoldoende gebit zijn prooi te kunnen delen en verscheuren, wordt tot speer en pijlspits, hem zo in staat stellende anderen op een afstand aan te vallen en zijn zwakten tegenover zelfs grotere dieren grotendeels te niet doende. Wij moeten goed begrijpen, dat het dier het nog steeds vooral van zijn natuurlijke mogelijkheden moet hebben, terwijl de mens juist zich baseert op zijn tekorten, die hij omvormt tot een noodzaak tot denken en zo tot een overwinning van een op zich sterkere en machtigere omgeving.

Men kan op aarde dan ook zeggen, dat de vorm plus haar bewustzijn gezamenlijk het peil bepalen van de geest, die binnen een dergelijk voertuig zal willen en kunnen leven. Lichamelijke kracht en beheersing gaan vooraf aan lichamelijke zwakten welke door verstand gecompenseerd worden.

Dan moet ook worden gesteld, dat, wanneer een voertuig – ongeacht door welke vorm van evolutie, revolutie, degeneratie, of andere veranderingen – nieuwe mogelijkheden voor de geest zal vertonen, daarin geesten zullen incarneren, die reeds de oude voertuigen beheersen – hogere geesten dus.

De conclusie luidt voor mij dan ook: Naarmate de aanpassingsmogelijkheden en de varianten van leven binnen een vorm groter worden, is de kans groter, dat meer bewuste geesten daarin zal willen leven. Wanneer een geest in een lager voertuig heeft geleefd en daarbij het uiterste aan ervaringsmogelijkheid, reactie en bewustwording heeft gevonden, zal deze krachtens het bereikte niet meer met een gelijk voertuig genoegen kunnen nemen en bij een volgende incarnatie een hoger voertuig kiezen. Alle ervaringen, die, door de geest binnen een bepaald voertuig worden opgedaan, vormen echter mede zijn bewustzijn en bepalen zijn benadering van wereld en sferen.

Dezen zullen eveneens bepalend zijn bij een keuze van een hoger voertuig en de soort en eigenschappen daarvan doen kiezen.

Wij kunnen dan ook aannemen, dat er verschillende reeksen van ontwikkeling op aarde bestaan. Elke reeks bevat een aantal soorten, terwijl in alle gevallen de mens de eindfase van de ontwikkeling kan zijn, maar dit toch niet zonder meer onvermijdelijk en noodzakelijk hoeft te zijn. In de mensen vindt men tekenen hiervan terug. Opvallend: In deze reeksen is bv., dat de afstamming van de hondachtigen voert van vissen over amfibieën. Reptielen als slang en hagedis blijken in de reeks van de katachtigen voor te komen. De vogels zijn op aarde soms ook een eindfase, omdat de geest, die in een vogel geleefd heeft, zich er niet toe kan brengen, te incarneren in een meer aardgebonden of menselijk voertuig. Een punt van belang, want juist hierom gaat het: Bij begrippen als evolutie denkt de mens altijd direct aan een opeenvolging van stoffelijke voertuigen. Een voertuig ontleent zijn werkelijke betekenis echter aan de geest, die er in leeft.

Evolutie is dus in wezen: Bewustwording. Het is een realisatie van het ik. Naarmate deze realisatie verder gaat, zullen de eisen die het ik zal stellen aan wereld en vorm, anders en groter worden.

Onder de mensen, die nu op aarde leven, zullen er velen zijn, die in een vorig leven – en dat ligt niet zo ver weg misschien een eeuw – nog dieren zijn geweest. Er zullen er velen zijn, die via verschillende, steeds verder gaande en meer mogelijkheden biedende menselijke voertuigen, uiteindelijk hun huidig voertuig als hen het best passende hebben gekozen. Daarbij geldt weer, dat voor de geest de belevingsmogelijkheden bepalend zijn en dus niet de vorm, de schoonheid ervan, de rijkdom, die het zal omringen, of de macht, waarmede het bekleed zal zijn. Indien bewustwording de bepalende invloed zal zijn bij alle incarnaties, dan moet deze verder in verband staan met de groepsgeesten van de dieren: Het waren immers de groepsgeesten, die de rassen aan hun vorm hebben geholpen, deze vorm hebben geperfectioneerd en in stand gehouden om, wanneer dit mogelijk en noodzakelijk was, via mutaties nieuwe mogelijkheden binnen de soort te scheppen op het ogenblik, dat de oude vorm minder mogelijkheden heeft, of niet meer aan de geestelijk te stellen eisen kan voldoen.

Men kan dan ook aannemen, dat elke mens ergens geestelijk – en misschien hiervan ook tijdens het stoffelijk bestaan in de geest bewust – bindingen heeft gehad met verschillende groeps- en rassengeesten en deze contacten ook nog kent tijdens de menselijke periode. Dit zijn hogere geesten, die meer bewustzijn bezitten dan de mens zelf, zij zijn ouder dan de mens zelf en houden zich mede daarom op aarde bezig met het vormen, helpen en beschermen van een diersoort.

Daar sprake, kan zijn van verschillende incarnatiereeksen, kan verder worden gezegd, dat elke reeks van ontwikkelingen, vanaf het laagste leven – eencellig – tot de menselijke vorm toe, voor de mens zal bepalen, hoe hij in wezen leeft en binnen het leven georiënteerd is, welke bijzondere eigenschappen en mogelijkheden hij zal bezitten. Daarnaast zal van de incarnatiereeks ook afhangen, welk doel de eigen geest zich stelt met dit leven in de stof.

Aanvaard men dit alles als mogelijk, volgt een eigenaardige conclusie: niet allen in het menselijke leven, maar in het bestaan van de gehele aarde en alle leven daarop plus de vormen van hoger geestelijk bewustzijn, die met deze aarde verbonden zijn, is een verdeling te zien van leven volgens de kosmische hiërarchie, waarbij nimmer een enkele soort, maar steeds een reeks van soorten zal behoren tot een bepaalde straal en deel uit zal maken van een bepaalde kosmische kracht. De mensen en de geesten, die zich binnen de menselijke voertuigen manifesteren zullen dan ook een doel hebben in de Grote Werkelijkheid, dat bepaald wordt door de dierlijke vormen, die zij hebben gekend, de menselijke bestrevingen, die zij gekend hebben, plus alle geestelijke realisaties. Deze invloeden werken altijd gezamenlijk en kunnen niet afzonderlijk beschouwd worden als geheel los van elkander.

De afstand, die moet worden, afgelegd van de menselijke vorm tot het kosmisch bewuste ik, dat een hemelwezen is, zal groter zijn dan de afstand die gelegen is tussen het laagste dierlijke leven en de bewuste mens. Eén ding hebben zij echter gemeen, deze fasen: Er is maar één hoofdweg en geen mens kan zich daaraan onttrekken. De evolutie vanuit het dierlijke is niet alleen maar een langzaamaan bewuster worden binnen vorm. Het is een zoeken en werken volgens een vast systeem. Daarom moet ik in dit verband een ogenblik de aarde en haar stoffelijke vormen verlaten om te zoeken naar de bron van deze dingen.

Waar ligt de kern van dit alles? Waar ligt de oorzaak van deze schijnbare evolutie, die via vele vormen tot de mens komt enz.? Men zegt wel eens: De Schepper is een cirkel, die in zich de zeven kleuren draagt. Men zegt ook wel: De hiërarchie van de kosmos is gebaseerd op de hoofdkleur van een goddelijke eigenschap, gevarieerd in de tinten, die de realisatie van die eigenschappen t.a.v. andere goddelijke eigenschappen weergeven door de bewustzijnsvormen die binnen het goddelijke bestaan. Mede daarom durf ik stellen: elk wezen, dat in de kosmos uit gaat is niet slechts door de goddelijke wil gericht tot een bepaalde ontwikkeling en op een bepaalde wijze te midden van de goddelijke wetten in de ruimte gesteld, maar is bovendien begaafd met een hoofdeigenschap, die de keuze van sfeer, voorstelling, bewustwording, leven in verschillende vormen en het einddoel zal bepalen.

Ik stel hier dus een vorm van predestinatie, die niet zozeer betrekking heeft op leven en leefwijze als wel op mogelijkheden, die men binnen het leven zal kunnen vinden en de weg die men zal kunnen nemen op zijn tocht van oorsprong tot einddoel. Eenieder kan op zijn wijze weleens van de kortste weg afwijken; degene, die eigenlijk een libelle had moeten zijn, kan wel eens een meikever worden, zoals iemand, die eigenlijk al een menselijke vorm had kunnen kiezen, zich wel eens kan vergissen en dan mogelijk eerst nog eens een os of een ezel zal zijn. Uiteindelijk zal men echter alleen door en vanuit de voertuigen waarin eigen kosmische geaardheid vertegenwoordigd is, bewustzijn kunnen verwerven, dat van blijvend belang voor het ik is. Wij kunnen daarom ook aannemen, dat het werken en optreden van ras- en groepsgeesten niet alleen een kwestie is van neiging en bewustzijn, maar tevens de realisatie betekent van een waarde, die binnen de kosmos en door verbondenheid daarmede ook binnen het wezen van de rassengeest zowel als alle geesten van een ras reeds aanwezig is.

Wij mogen dan aannemen, dat, ofschoon misschien deel van een andere ontwikkelingsgolf, de rassengeesten in wezen behoren tot dezelfde kosmische groep als alle geesten, waarvoor zij voertuigen helpen scheppen, alle geesten, die bewust binnen het door het geregeerde ras incarneren. Er is nu geen sprake meer van een incarnatie, waarbij alle bestaan willekeurig kan worden genomen of door toeval bepaald wordt. Er moet nu sprake zijn van een logische opeenvolging van mogelijkheden en voertuigen, waarbinnen een ik-bewustzijn en geestelijk peil van bereiken in overeenstemming is met eigen kosmische oorsprong, geaardheid en wezen. De weg van dier tot mens is dan niet, zoals men denkt, alleen maar een kwestie van promotie. Het is een aanvullen van datgene, wat reeds bestaat, een tot werkelijkheid maken en leven, van alles, wat voor het ik noodzakelijk is.

Het dierlijke in de mens is dan ook geen verwerpelijke factor van het bestaan, maar een noodzakelijk iets voor de geest, die in de stof leeft. Het dierlijke in de mens zal volledig verwant zijn met alle vroegere vormen, waarmede men door vroegere incarnatie verwant is en zal eigenlijk ook nu nog deels de weg aangeven, die men vroeger gegaan is. Het begrip voor de eigenschappen en moeilijkheden van eigen wezen, dat door deze erkenning mogelijk wordt en de oplossing van de problemen, die men als mens kent, zal zelfkennis betekenen, zodat door deze erkenning mede de bewustwording tijdens dit stoffelijk bestaan bepaald kan worden Zodra de mens zich onttrekt aan zijn stoffelijk mens-zijn en de vrijheid bereikt om andere geestelijke taken te aanvaarden of andere, hogere vormen van zijn te aanvaarden, zal hij nog steeds de dierlijke en menselijke elementen van het voorgaande leven in zich behouden.

Indien u het voorgaande aanvaardbaar acht, kunnen wij aan de hand van dit alles enkele stellingen poneren. Een daarvan luidt: Er zijn diersoorten, die, ongeacht het verschillend peil, waarop zij lichamelijk lijken te staan en het verschil in intellect, dat zij vertonen, een reeks van eigenschappen gemeen hebben. Deze eigenschappen vormen een gedragspatroon en dit gedragspatroon vinden wij terug in de mens.

Zo zal de gehele reeks van de vormen plus de mens in zijn uiting een deel van het goddelijke weergeven. De mens, die het goddelijke weergeeft, heeft het vermogen dit ook materieel – dus mentaal – te beseffen.

De mens verheft zich niet tot boven het dier, maar veredelt de eigenschappen van het dierzijn, totdat hij, schijnbaar aan het dierlijke onttrokken, de essentiële bestaanswaarden van het dier en de kosmos in zich gelijkelijk beseft en zo voor het eerst een meer vormende of zelfs scheppende taak in meer kosmische zin op zich kan nemen.

Dan is het logisch, dat er een stap moet zijn, die verder voert dan het mens-zijn alleen. Ik stel: Iemand, die een ontwikkeling door heeft gemaakt via bepaalde dieren tot in het mens-zijn en vandaar tot het vrijelijk geest zijn, zal, hetzij in dienende of zelfs direct vormgevende functie, deelnemen aan het vormen van wezens die voor het bereiken van soortgelijk bewustzijn door andere geesten belangrijk zijn. Hij zal daarbij eerst werken met de eenvoudigste, later met de meer gecompliceerde vormen, zodat de mens in feite de mogelijkheid tot mens worden voor anderen schept vanaf het ogenblik, dat hij de kernwaarden van het waarlijk mens-zijn voor zichzelf gerealiseerd heeft. De ontwikkeling is a.h.w. de slang, die zichzelf in de staart bijt, de mens verslindt ergens de wereld van het dier, van het lagere, zichzelf verslindende op deze wijze – ook al beseft hij dit nog niet – brengt hij uit zich de kernwaarde, het middelpunt van de cirkel voort, van waaruit opnieuw hetzelfde proces kan ontstaan.

De oude gedachte aan slangen als de Midgaardslang e.a., die volgens de legenden om de wereld gestrengeld zouden liggen, zijn dus niet zo dwaas en fabuleus als men wel denkt. Wij zelf zijn immers op het ogenblik deel van iets dergelijks. De mensen gezamenlijk vormen een macht, die, zichzelf verterend, moet komen tot het scheppend besef waardoor hij binnen zichzelf een wereld voort kan brengen, waarop zijn evenbeeld groeit.

De natuur is niet een eenmalige evolutie. Het is een voortdurend scheppingsproces, waarbij de eenmalige schepping van God door de wezens binnen die schepping voortdurend herhaald wordt, zodat zij, zichzelf uitende, op den duur bewust het laagste tot het hoogste wezen als een levend beeld in zich kunnen bevatten als een geheel: Een vaste reeks, die een goddelijke eigenschap volledig en volmaakt uitdrukt en daardoor de scheppers daarvan toegang geeft tot de Goddelijke werkelijkheid.

Wanneer wij als mens of geest met het dier worden geconfronteerd, zullen wij dit wezen dus enigszins anders moeten gaan beschouwen dan alleen als een lagere soort, geschapen om ons te dienen. Wij moeten het dier ook kunnen beschouwen als een oorsprong van ons eigen wezen, een deel van onze eigen wording. Sommigen zullen het een sacrilegie achten, wanneer ik hier nu een van de 10 geboden wil citeren, maar ik waag het toch u te wijzen op de regel, die zovelen verloochenen of verdraaien: “Eert uw vader en uw moeder.” Uw vader is het kosmische Licht, waaruit gij geboren zijt. Uw moeder is de evolutie-reeks, waartoe gij behoort.

De wilden voelen dit nog aan. Zij zeggen: Bepaalde dieren, mag ik niet eten, zij zijn ons taboe, zij zijn mijn persoonlijk totem. Ook dienen wij te beseffen, dat wij tegenover de reeks, waartoe wij behoren, verplichtingen hebben, die wij nimmer kunnen verloochenen, waaraan wij niet kunnen ontkomen. Laat ons daarom niet alleen maar erkennen, dat het mogelijk is via het dier-zijn tot een mens-zijn te komen, maar bovendien stellen, dat het mens-zijn ons verplichtingen oplegt tegenover alle soorten dieren die van onze ontwikkelingsgang deel hebben uitgemaakt.

Zo wij dit kunnen aanvaarden, zullen wij in harmonie kunnen blijven met krachten, die groter zijn dan wijzelf, die eens voor ons de vormen hebben geschapen, waardoor wij nu als mens bewust zijn. Ons aandeel in deze harmonie zal niet alleen bestaan in een erkennen van het feit, maar ook in zekere dienstbaarheid. Wij dienen en worden gediend. Zieken worden genezen, zo zegt de oude groene magie, door de planten, die deel van zijn totem zijn. Wat in wezen betekent, dat die planten, bv. als preferente voeding, een aandeel hebben gehad in vorige fasen van ontwikkeling.

Hetzelfde wordt, gezegd over dieren. De mens wordt door de tovenaar genezen door delen van de dieren, die tot hem behoren, zodat de tovenaar – volgens blanken onredelijk – de ene zieke slangenvet en de ander apenvet voor zal schrijven voor dezelfde kwaal. Vanuit wetenschappelijk standpunt is het wonderbaarlijke hierbij, dat een dergelijk middel nog vaak werkt ook.

Maar dat zal alleen het geval zijn als de toverdokter in staat is de afkomst, de reeks van zijn patiënten waarlijk en juist te erkennen. En daarin vergist hij zich weleens.

Dit geheim van de primitieven is, naar ik meen, voor ons een belangrijk aanwijzing. De evolutie, die het dier doormaakt tot het mens-zijn, is een persoonlijke. Maar onze evolutie van dier tot mens betekent voor ons een blijvende binding met alle fasen van leven, die wij eens gekend hebben. Zoals men als mens onder mensen een binding zal hebben met alle groepen, waarmede men eens bewust geïncarneerd geweest is – zelfs indien men daarvan nu weinig of niets meer weet.

Het is voor ons belangrijk de keten te respecteren, waartoe wij behoren. Ook wanneer wij ons besef niet in een vorm van geneeskunde zullen uiten, zoals de primitieven wel doen, zo zullen wij toch zeker een uiting kunnen geven aan onze verbindingen door aan eigen gedrag en leven aandacht te besteden en daarbij rekening te houden met mogelijk dierlijke achtergronden. En met de daaruit voortvloeiende geestelijke behoeften. Wie erkent, dat hij vroeger tot de katachtigen behoort heeft, zal ongetwijfeld eveneens beseffen dat in dit leven voor hem meditatie, beheerste rust en snelle actie belangrijk zijn. Zo iemand zal in meditatie een innerlijke verdieping en inzichten kunnen bereiken, die voor personen uit andere reeksen bijna niet bereikbaar zullen zijn. Behoorde men in het verleden tot het genus canis, zo zal hij waarschijnlijk vooral in zijn luidruchtigheid en strijdvaardigheid, gepaard gaande met trouw, meer kunnen bereiken dan door alle godsdienst of meditatie samen.

De straal, waartoe men behoort, schrijft a.h.w. een zekere inslag, een zekere reactie voor. Al kun je dit voor jezelf als mens niet zo snel beseffen en zul je in de geest al bewust geworden zijn voor je deze keten van incarnaties geheel leert overzien, zo kun je als mens toch wel zeggen; ik wil mijn eigenschappen eens vergelijken met die van de dieren; ik wil proberen aan de hand van mijn eigenschappen en reacties in het leven trachten eens terug te zien, daarbij geen dier hoger of lager achtende, doch alleen zoekende naar de achtergronden van mijn eigen gedrag en wezen.

Want het dier is in zekere zin niet alleen de jongere broeder van de mens, maar ook zijn leermeester, omdat het in zijn primitief zoeken naar bewustzijn ook de mens steeds weer iets kan tonen van de juiste reacties, die de mens – meer bewust van geest en met meer mentale mogelijkheden, maar onoplettend, wanneer het gaat om de werkelijke mogelijkheden en eisen van zijn wereld – maar al te vaak vergeet. Zoals men ook op scholen de leerstof van vroeger, zelfs van vroegere klassen zo nu en dan doorneemt, om met een beter begrip en sneller verder te kunnen komen, zo lijkt het mij ook voor de mens goed eens terug te zien op eigen evolutie, waarin het dier ergens een rol heeft gespeeld en in die dierlijke wereld leringen omvatte, die hij ook nu nog nodig heeft, indien hij werkelijk iets wil bereiken.

Ik wil nu besluiten met eenvoudige, maar voor u misschien toch wel belangrijke opmerkingen: Uw geaardheid zelf zal beslissen of gij vanuit dit onderwerp praktische leringen kunt trekken of niet. Door de oriëntatie, die dit onderwerp inhoudt, zal men voor elke reeks van incarnaties, voor elke soort van ontwikkeling een “beter” begrip van eigen wezen en omstandigheden mogelijk kunnen maken.

De straal, waartoe wij behoren, de kracht, waaruit wij geboren zijn, de weg, die wij gegaan zijn en de mogelijkheden van de wegen die voor ons liggen, worden hierdoor begrijpelijker en meer kenbaar.

Maak gebruik van het verleden en schaam u er niet voor, u te beroepen op de jongeren en de krachten, die hen geleiden. Want zij zullen u zeker bij kunnen staan bij uw zoeken naar groter zelfkennis en grotere harmonie.

Voor degenen, die in deze thesen een Indisch denken hebben ontdekt, maar de variant op de meer gekende stellingen van reïncarnatie niet thuis kunnen brengen wil ik nog zeggen, wat de bron is: Deze stellingen komen voort uit een vroeg brahmaanse variant op de incarnatieleer zoals de Hindoe deze kent. Zij benadert de werkelijkheid zozeer, dat zij als punt van uitgang bruikbaar was en verantwoordelijk is voor de diergoden, die in de Indische mythen nogal eens optreden.

Laat ons daarbij niet vergeten, dat Hanuman, de god der apen, vaak meer mens is dan vele der mensen, die in deze verhalen ten tonele worden gevoerd, en zich uiteindelijk de halfgoden en goden waardig toont.

Ik heb deze stellingen op deze wijze uitgewerkt, opdat u zou kunnen beseffen, dat u als mens gelijktijdig God en dier zijt. De evolutie legde ik u verder voor, opdat u zou kunnen begrijpen hoe vele van de reacties bij de mensen in deze dagen eigenlijk haast zijn voorbestemd.

Vragen.

  • In de prenatale periode vertoont de menselijke vrucht achtereenvolgens verschillende dierstadia. Behoren ook dezen tot de evolutielijn of straal van het betreffende individu?

Neen. Zij zijn zuiver een weergave van de ontwikkeling van het menselijke voertuig.

In de prenatale periode van het menselijk voertuig in wording treffen wij inderdaad verschillende vormen en wijzen van bestaan aan die een periode van dierlijk bestaan zouden kunnen weergeven. In wezen hebben wij hier echter te maken met een normaal proces van celdeling en celspecialisatie, welk noodzakelijk is voor de opbouw van een lichaam vanuit het menselijk mogelijke punt van uitgang. De chromosomen doen op de celdeling en eigenschappen van de cellen zijn invloed gelden. De delen van deze ingewikkelde molecule bepalen dus hoe en met welke eigenschappen, mogelijkheden en vormen de celdeling tot meercellig wezen zal verlopen. Waar dit een zuiver stoffelijke kwestie is, lijkt het mij onjuist dit vormingsproces in verband te brengen met de geestelijke achtergronden, die ik zo-even met u besproken heb.

  • Is het juist, dat vogels een eindvorm zijn? In welke vorm zet zich dit vogel bewustzijn dan voort?

De vogels zijn in zekere zin een eindvorm, zover het de aarde betreft. Hun ontwikkeling – die zoals u weet vanuit het reptiel heeft plaats gevonden en waarvan wij een oer-stadium kunnen vinden bij de pterodactylen – behelst een leven dat a.h.w. een dimensie van beweging en leven meer kent dan andere dieren of mensen. De vogel heeft de atmosfeer als element en kan zich als mens vaak niet gelukkig gevoelen. Er zijn echter wel degelijk vogels, vooral bepaalde soorten, die wel degelijk mens kunnen en zullen worden. Er zijn echter ook vele zielen in vogels, die nooit een menselijk zijn zouden kunnen aanvaarden. Ten dele worden dezen tot aardgebonden natuurgeesten. Zij worden vooral lagere luchtgeesten, terwijl wij ook wel zien, dat deze dieren op andere werelden een stoffelijke vorm vinden, waarin een verdere bewustwording mogelijk is, terwijl de vorm en leefwijze beter aangepast zijn aan hun eigen behoeften en beter aansluit op de opgedane ervaringen – de scholing dus.

  • De mens is een kuddedier. Toch is het een individu, dat zich boven de massa leert verheffen, een meer bewuste persoonlijkheid. Niettemin ontwikkelt zich het bewustzijn naar de beleving van de grote verbondenheid, waarin geen grens of scheiding kan bestaan en dus alle stralen weer tezamen zullen komen. Mag ik hiervoor uw commentaar?

Dit is op twee manieren mogelijk. Allereerst dan het volgende: De mens is een individu. Zijn geest kent een persoonlijke ontwikkeling, die echter alleen tot uitdrukking kan komen tijdens het mens-zijn binnen de menselijke gemeenschap. Hij toont binnen de menselijke samenleving echter vaak een voorkeur voor hen, die tot zijn eigen straal behoren en ongeveer dezelfde levensrichting zullen bezitten. Het uiteindelijke doel van “eenheid” berust dus wel in de eerste plaats op een zelfstandig en bewust bereiken van harmonie met degenen die behoren tot je eigen reeks van ontwikkeling. Daarnaast zal men als mens moeten streven naar een begrip voor degenen, die behoren tot andere reeksen van ontwikkeling.

De uiteindelijke bestemming van ons allen is inderdaad eenheid. Gekomen tot een kosmisch bewustzijn, en in onszelf de kosmos a.h.w. herscheppende, zullen wij waarlijk moeten zijn: “beeld en gelijkenis van God”. Wij zullen dus het totaal van het Goddelijke Wezen moeten leren beseffen. Dit kunnen wij echter alleen bereiken, wanneer wij bewust tot eenheid komen met degenen, die tot andere stralen behoren om zo, gezamenlijk en elkander aanvullende, de volmaaktheid te hervinden, die in onze eigen schepping nog ontbreekt, maar toch deel behoort te zijn van het doel waartoe wij streven en waarvan wij eens zijn uitgegaan.

Dit is dus het eerste antwoord, dat mogelijk is. Het tweede antwoord is meer down to earth. De mens is een kuddedier, dat zijn individualiteit over het algemeen alleen maar weet te bewaren, wanneer de kudde niet te groot is. Een zich verheffen op grond van individueel bewustzijn boven de kudde is dus in zekere zin een illusie. Je zou kunnen zeggen, dat de mens weliswaar zijn bewustwording als individu opdoet, maar alleen binnen het milieu, dat door de kudde, waartoe hij behoort, bepaald wordt, zodat zijn belevingen en ervaringen wel degelijk sterk gebonden zijn aan een mensheid en dat deel van de mensheid, waartoe hij behoort, terwijl door zijn persoonlijk reageren en denken, een streven mogelijk wordt, dat binnen alle grenzen een beleving van goddelijke waarheid en inzicht in minder begrensde waarden van het leven mogelijk maakt. De mens leeft dus als persoonlijkheid binnen een vastgesteld milieu en zal door zijn persoonlijke bewustwording niet boven dit milieu, maar meer doeltreffend binnen dit milieu komen te staan. Dit zijn dan de twee antwoorden.

  • Is het voor elke mens noodzakelijk, eerst enkele diervormen door te maken?

Een gevaarlijke vraag! Theoretisch bestaat deze noodzaak namelijk niet. In de praktijk echter kan worden gezegd, dat de uitzonderingen, die optreden zo gering zijn in verhouding tot hen, die wel dierlijke vormen kennen voor zij de menselijke vorm kunnen aanvaarden, dat wij dit percentage wel mogen verwaarlozen.

Buiten het besprokene is het namelijk ook mogelijk, dat men in een menselijke vorm incarneert vanuit een hoger bewustzijn, dat elders werd verworven, met als doel een taakvervulling op aarde. Het is ook mogelijk dat men, behorende tot een oude stoffelijk-aardse evolutiereeks, die niet voltooid werd, nu in menselijke vorm incarneert om zijn bewustwording voort te zetten. In deze gevallen zijn dus geen lagere incarnatievormen op aarde noodzakelijk geweest, omdat in het laatste geval sprake zal zijn van iemand, die tot een ver in het verleden levend wortelras behoort en elders, maar niet op aarde, alle nodige ervaringen en bewustzijn reeds heeft opgedaan. Wij kunnen voor hen de innerlijke ontwikkelingen dus buiten beschouwing laten, ofschoon ook dezen een harmonie zullen kennen met een bepaalde straal en alle krachten, die vanuit deze straal werken. Het aantal van dergelijke incarnaties is echter zo gering, dat het mij, zeker voor u allen, eenvoudiger lijkt maar een te nemen dat elke mens ergens een innerlijke achtergrond heeft. Degenen, die deze achtergronden niet bezitten, zullen, in tegenstelling met hen, die dierlijke vormen op aarde leefden, bewust genoeg zijn om zelf te beseffen, wat zij zijn, niet slechts als emotie, maar met een geestelijke en bewuste erkenning niet alleen van dit feit, maar ook van de voor hen vorige bestaansfase.

Een lastig antwoord. Maar de vraag was ook lastig. Wanneer ik even zelf een opmerking mag maken, zo lijkt het mij goed om te stellen: Een antwoord bv. op een vraag, die de totaliteit van de mensheid betreft, is nimmer te geven, zoals er door ons evenmin een vraag omtrent de totaliteit van de kosmos beantwoord zal kunnen worden, zonder dat op de gegeven stellingen en verklaringen een uitzondering zal bestaan.

Dit alles wel, omdat wij nog niet gekomen zijn tot een alomvattend besef van alle Goddelijke Waarden en niet in staat zijn, om met onze kennis en mogelijkheden een antwoord te formuleren, dat, voor alles en te allen tijde, geheel waar zal zijn.

Ik hoop dus maar, dat u er genoegen mee zult nemen, dat wij sprekers bij beantwoording van dergelijke vragen de uitzonderingen aangeven, die, volgens ons weten, bestaan. En zelfs dan laten wij maar buiten beschouwing, of er misschien nog anderen uitzonderingen bestaan op een regel, die wij t.a.v. de aarde als algemeen geldend hebben leren kennen.

  • De geest moet een aantal ervaringen in minder ingewikkelde vormen gehad hebben, aleer zij in staat is het menselijke lichaam te beheersen, zei u, naar ik meen. Maar functioneert het lichaam dan niet automatisch volgens natuurkundige en scheikundige wetten? In hoeverre heeft de geest hier een beheersende functie?

Het doel van de geest is het beheersen van haar voertuig. Zij wenst dit voertuig dus niet allen zonder meer te aanvaarden, maar op de werking daarvan een zodanige invloed uit te kunnen oefenen, dat haar doeleinden daardoor bereikbaar worden.

Het zal u duidelijk zijn, dat de mens met een lichaam dat vol van automatismen en semi-automatismen is voorzien, die, voortkomende uit zenuwwerkingen en de geciteerde wetten, toch wil en mogelijkheid tot beheersing zal bezitten, ook wanneer een groot deel van deze automatische functie en reacties ingeschapen instincten lijken te zijn. Want er blijft, zelfs wanneer wij deze vanzelf reagerende actie buiten beschouwing laten, nog zoveel over aan bewustzijn, dat het voor de geest aan de hand daarvan mogelijk is daardoor het lichaam en uiteindelijk ook de automatismen geheel of grotendeels onder bedwang te krijgen. Door het bewustzijn bestaan mogelijkheden tot beheersing, die bij een dier niet aanwezig zijn, omdat het zich eenvoudigweg daarvan niet eens bewust kan worden.

Vergelijk: Een auto met automatische schakeling enz. Zelfs de lichten gaan automatisch aan en uit, wanneer dat nodig is. U hebt alleen maar te sturen. Men kan daarmede dan rijden, zolang men de weg maar kent. Stel daarnaast een auto, waarin alles instelbaar is. Ik kan dus vanaf mijn bestuurderszetel het moment van ontsteking veranderen, het gas-lucht mengsel veranderen enz.  Kortom: Ik kan dus alles doen, waardoor ik de functie van de wagen beter aan kan passen aan de omstandigheden en er een zo doelmatig en rationeel mogelijk gebruik van kan maken. In normale omstandigheden zal misschien het rijden met de eerste wagen prettiger zijn.

Wanneer het gaat om het bereiken van een optimale prestatie of snelheid, zal de tweede wagen noodzakelijk zijn. Nu kan ik de tweede wagen wel ongeveer zo instellen, dat ik vanuit de eerste wagen zonder verdere ervaringen daarmede kan rijden, maar eerst zal ik moeten leren chaufferen, en dat is in de eerste wagen gemakkelijker en minder gevaarlijk dan in de tweede. Dit geeft het verschil van dierlijk voertuig – vastliggende en van buitenaf beheerste instincten en automatismen – waarin dus zeer weinige direct bewuste handelingen noodzakelijk zijn en het menselijke lichaam, waarin beheersing van de meeste automatismen binnen zekere grenzen mogelijk is.

Men kan als mens zijn instincten wel grotendeels laten prevaleren, maar binnen de menselijke maatschappij is dit nooit geheel mogelijk. Leven als mens eist dus reeds zekere beheersing en zelfbeperkingen. Wie wil, kan hiermede volstaan. Vooral zij, die juist uit een trap van dierlijk bewustzijn komen, zullen dit doen. De bewustere geest echter beheerst steeds meer en komt zo tot een wijze van leven, waarbij steeds meer bereikt kan worden op juistere wijze en met in verhouding veel minder tijd en inspanning.

Wie mens is, beseft vaak niet, in hoeverre hij zijn automatische reacties reeds beheerst. Daarom juist is het goed, dat men, vooraleer mens te worden, in eenvoudiger voertuigen eerst leert, hoe leven eigenlijk is en in hoeverre instincten kunnen worden beheerst en overwonnen. U zult toch ook iemand, die niet eens weet, wat verkeer is, midden in een wereldstad in een auto zetten?

Iemand, die het verkeer reeds kent door ervaringen als voetganger en later misschien als motorrijder of fietser, zal eenvoudiger leren rijden.

Maar ook hij zal voorlopig nog in de wagen zitten met begeleiders, die hem kunnen corrigeren en de ergste ongelukken voorkomen. Heeft de mens een dergelijke leergang eenmaal achter de rug, dan zal hij, als vanzelfsprekend, zich in het verkeer in kunnen passen.

Dieren en dierlijke voertuigen zijn voor de menselijke geest voertuigen, waarin de mogelijkheid bestaat onder controle van een rassengeest en met weinige vrijheden de ervaringen op te doen, waardoor hij later met grotere vrijheden en grotere verantwoordelijkheden van een menselijk voertuig op de juiste wijze gebruik zal leren maken.

Ten laatste wil ik nog opmerken, dat vele van deze z.g. automatismen en instincten van het menselijke lichaam niet werkelijk beheersend zijn, maar eerder een soort gewoonten inhouden, die zonder denken – dus automatisch – worden volbracht, maar bij enige training en wilskracht voor wijziging en beheersing vatbaar zijn. Bij dieren zal zoiets maar zelden het geval zijn.

Mensen kunnen leren hun hartslag te reguleren, hun lichaamstemperatuur te verhogen of te verlagen naar believen enz., terwijl op mentaal gebied na enige training eveneens een beheersing van de gedachten en alle daaraan verbonden werkingen en mogelijkheden bestaat. Yogi, fakirs enz. geven vaak treffende staaltjes daarvan, maar ook sportmensen leren mentaal zowel als lichamelijk een grote beheersing en een bewust doelmatig gebruik van lichaam en geest. Zonder de aanwezigheid van een sterke geest zou dit niet mogelijk zijn.

  • Maar bij misgeboorten enz. dan?

Soms wil men weleens in een nieuw type wagen gaan zitten zonder nu onmiddellijk ook te willen gaan rijden. De oriëntatie kan dan, met het oog op latere taken e.d., wel degelijk nuttig zijn. Voor de rest kan ik u verwijzen naar een lezing van een collega van mij, die in het bijzonder heeft gesproken over de achtergronden van het geestelijk onvolwaardig kind. Daarbij is namelijk zeer veel, dat met uw vraag in direct verband staat, ter sprake gekomen.

  • In de ontwikkeling van eencellig wezen tot meercellige kwam de scheiding tussen plant en dier. Welk streven veroorzaakte die scheiding? Is de ontwikkeling tot mens ook via de plantenwereld mogelijk?

Theoretisch is dit laatste wel mogelijk, maar alweer: het is niet erg waarschijnlijk. Wij kunnen namelijk reeds bij de eencelligen op den duur een onderscheid vinden tussen langzamen en vitalen, tussen jagers en gejaagden. De mens, ofschoon hij dit zelf vaak niet beseft, is in wezen altijd een jager. Het grote verschil met hen, die de richting van het plantaardig bestaan uitgingen, ligt in geduld en conservatisme; deze waren namelijk in staat zich te voeden met zuivere mineralen. Voeding was voor hen een chemisch verwerken van grondstoffen.

De jagers echter, zich voedende met cellen, met leven dus, specialiseerden zich steeds meer op het verwerken van reeds verwerkte mineralen. Zij konden hierdoor aanzienlijk meer energie verzamelen en parasiteerden in wezen op de omzettingsarbeid van de gejaagden. De specialisatie, die zo ontstond, maakte al snel aan de jagers een zelf en zonder meer verwerken van zuivere mineralen moeilijk of onmogelijk. Naar ik aanneem, brachten deze experimenten de wens teweeg, een snellere evolutie mogelijk te maken, waarbij jagers en gejaagden in een soort symbiose leefden. Bewustzijn enz. bij de jagers is weliswaar gebaseerd op energie en verwerkte mineralen, die door de gejaagden worden verzameld, maar hierdoor ontstaat een meer gericht en gevormd wereldbewustzijn, terwijl de plantaardigen hun bewustzijn hoofdzakelijk blijven baseren op hun eigen omzettingsprocessen en alle omstandigheden, die daarmede in direct verband staan.

Er is dus geen werkelijk kennen van reacties buiten het ik. U zult dan ook kunnen constateren, dat een plant, ofschoon zeker gevoelig voor sfeer enz., slechts zelden direct en snel op de buitenwereld zal reageren en dan alleen nog, wanneer het gaat om zelfbehoud of voeding. Een voorbeeld van het eerste is bv. kruidje-roer-me-niet, terwijl het tweede duidelijk gedemonstreerd wordt door de vleesetende planten, die zich als een soort tussenvorm tussen plant en dier gevormd hebben. Hier te lande komt daarvan alleen de zonnedauw voor.

Er zijn dus misschien vanuit het plantaardige wel mogelijkheden om tot een menselijk bewustzijn te geraken. Maar deze mogelijkheden zijn zoveel minder dan die van de dierlijke vorm, zodat de noodzakelijke totale omstelling slechts zelden zal worden volbracht. Vooral omdat dit voor het bewustzijn in planten eigenlijk enigszins een wat teruggaan op eigen ontwikkeling zou betekenen.

Bij zeer primitieve vormen van plantengroei zal de overgang wel mogelijk zijn geweest, maar dan moeten wij terug gaan tot de meest primitieve vormen als bepaalde algea en plankton. Ten laatste: Zonder plantengroei zouden dieren niet op aarde kunnen leven, zodat ik meen, dat de vormgevende entiteiten wel genoodzaakt waren een splitsing in de ontwikkeling tot stand te brengen, wilden zij hoger georganiseerd leven op aarde mogelijk maken.

  • Houdt men de evolutie tegen door dieren op te eten? Of is dit niet belangrijk?

Wat de dieren betreft, voor hen is dit bevorderlijk voor een verdere evolutie: Zij die vrezen gegeten te worden, zijn actief en ontwikkelen snel een redelijk inzicht en bewustzijn.

Waar dit gevaar niet bestaat of niet zozeer bestaat, blijft de soort minder intelligent. Verder kan het dier, dat voor consumptie wordt gefokt, door zijn contacten met de mensen bepaalde associaties leren, die niet meer geheel dierlijk zijn – ook bij huisdieren komt dit voor. Het dierlijk voedsel op zich is voor het dier verder een normaal deel van zijn leven. Eten en gegeten worden is nu eenmaal, ook binnen de dierenwereld, een harde wet van de natuur. Of de mens dit nu aanvaardbaar vindt of niet, het is nu eenmaal zo. Het is deel van de structuur van het gehele leven op deze wereld.

Voor de mens ligt het enigszins anders. Ofschoon er omstandigheden zijn, waarbij dierlijk voedsel noodzakelijk is – klimaat, lichaamsconditie enz. – zal in vele gevallen met de dierlijke vetten en eiwitten andere stoffen het lichaam binnen komen, die niet zo gemakkelijk worden verwerkt.

Meer afvalstoffen in het bloed, meer slakvorming dan noodzakelijk ook, zal een van de gevolgen zijn. Het menselijk darmstelsel is echter niet gebouwd op een zuiver plantaardige voeding in natuurlijk – onverwerkte – vorm, zodat men in plaats van dierlijke voeding dan zal moeten beschikken over extracten uit planten – plantaardige vetten bv. – enz. om een volledige voeding te verkrijgen.

Het lijkt mij echter voor de mens inderdaad, gezien de bestaande mogelijkheden, beter om de dierlijke voeding tot een minimum te beperken, zonder te dogmatisch daarbij te worden. Zolang men gezond is, vermijdt men daarbij de onaangename gevolgen van de huidige vleesvoeding, waarbij in het weefsel, dat men koopt en eet, vaak hormoonstoffen en dergelijke secreties aanwezig blijven die mogelijk maken, dat men impulsen zou overnemen, of kleine veranderingen in eigen intern evenwicht zou ondergaan, als gevolg van deze dierlijke voeding.

Vis is aanvaardbaarder dan vlees, maar zal dan zoveel mogelijk gekookt met behoud van sappen en zonder te veel aan kruiden, gegeten moeten worden. Zeevis is het meest gezond. Gebakken vis kan echter chemische reacties ondergaan, waardoor stoffen ontstaan die voor de menselijke spijsvertering eveneens minder goed zijn.

  • Bestaat exorcisme?

Inderdaad. Uitdrijving is ongetwijfeld mogelijk. Het is alleen de vraag, of dit in bezitnemende geesten, demonen dan wel delen van het eigen ik zal betreffen. Er zijn voorbeelden te noemen van exorcisme, waarbij werkelijk een demon werd uitgedreven. Een wezen dus met een andere richting van leven en streven, welke zich door het in beslagnemen van een mens trachtte uit te drukken in de materie, terwijl dit zeker niet tot de normale taak of mogelijkheid van een dergelijk wezen behoort.

Wij kennen verder het uitdrijven of scheiden van de bezetene en een geest, die mens is geweest en tracht zijn stoffelijk bestaan te continueren via het lichaam van een ander – bewust dus – of verward raakte in het menselijke bestaan van een ander in de stof. Men noemt dit laatste wel aanhechting in de aura. In deze gevallen drijft men werkelijk iets uit. De riten, die gebruikt worden kunnen verschillen wat betreft tijd en plaats.

Men gebruikt gedachtekracht, die ontleend wordt aan eigen geloof en een contact met hogere machten door een beroep op de waarden, waarin men werkelijk en geheel gelooft, onverschillig het al dan niet waar zijn daarvan. Op deze wijze weet men zijn wil aan de geest in kwestie op te leggen.

Vaak echter betreft de “uitdrijving” een deel van eigen persoonlijkheid. Ik wijs hierbij op enkele vroegere heksenprocessen, waarbij nonnetjes in wezen van niets anders bezeten waren dan het feit, dat zij vrouw waren en dus ondeugend beweerden, dat de duivel hen bezeten had of bezat, zodat zij onder zijn – imaginaire verantwoordelijkheid – alles konden zeggen en doen, wat zij als brave nonnetjes meenden nimmer te mogen zeggen of volbrengen.

Ook in deze gevallen horen wij van exorcisme, waarbij het eigenaardige is, dat de nonnetjes eerst de duivelbanners de waarheid pleegden te zeggen om daarna rustiger te worden. Genezing of “exorcisme” slaagde in deze gevallen echter eerst blijvend, nadat de bronnen van onrust – in tenminste drie gevallen de priesters, die de kloosters als priester en biechtvader bezochten – verwijderd waren. Eerst daarna kon in de gemeenschappen de oude en vrome rust weerkeren.

image_pdf