Van dionysisch tot apollinisch

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 4) – januari 1972

Van dionysisch tot apollinisch

Als een geest is geïncarneerd en het kind is geboren, dan begint een periode van wereldontdekking. In deze tijd is het wel opvallend dat het kind, in verhouding tot de normen van volwassenen althans, weinig denkt. Het wordt grotendeels bestuurd door allerlei z.g. instincten. Maar instincten zijn nog wel iets anders dan alleen maar ingegrifte gedragslijnen.
In de stof kunnen o.m. via chromosomen enorm grote hoeveelheden informatie aan de cellen worden overgedragen. En dus kan men in feite stellen dat elk lichaam een eigen bewustzijn heeft, waardoor het niet alleen zichzelf kent maar ook wel degelijk kennis heeft van de omgeving en van de relatie, die er met die omgeving bestaat. Het is een wonderlijke zaak.
In de eerste 6 a 7 levensjaren pleegt het kind zich, zoals dat heet, ‘dionysisch’ te gedragen. Er is geen sprake van denken van rationele handeling in overeenstemming met de gangbare waarden van de wereld en van de wetenschap maar van een instinctief benaderen en ook van een instinctief overleven.
Dat is in uw maatschappij misschien niet meer zo gemakkelijk te zien. Maar als wij even terug schouwen naar b.v. de overigens rampzalige situatie in Biafra, dan is het daar opgevallen dat er zeer veel kinderen waren in de leeftijd tussen 1 en 4 jaar, die alleen rondzwierven en die zich ook lange tijd in het oerwoud hebben weten te handhaven. Zeker, zij waren ondervoed., ze waren beschadigd, ze waren naar de normen van de maatschappij absoluut slachtoffertjes. Maar aan de an­dere kant, een dergelijk kind is normaal aangewezen op de zorg van de ouders. Het kind is georiënteerd op de voortdurende steun en hulp van het hele milieu. En nu komt het plotseling in een wildvreemde wereld terecht, in een oerwoud waarin honderden gevaren zijn, waarin dat kind heus niet weet wat het kan eten en wat het niet kan eten. Dan is het werkelijk een wonder als het soms maandenlang daarin kan vertoeven voordat het wordt gevonden en dat het niet doodgaat. Ik geef u dit als een voorbeeld om duidelijk te maken dat ook de instinctieve reactie op de omgeving vaak zover gaat dat een wezen het voedsel kiest, dat op dat moment voor het lichaam goed is; dat ge­varen, die niet bewust worden gekend, toch worden. ontweken. Er zijn en­kele gegevens waaruit blijkt dat deze jongere kinderen vaak grotere overlevingskansen hadden dan kinderen van 10 à 12 jaar (voor die streek dus zo goed als volwassen), die zich in datzelfde milieu moes­ten bewegen onder dezelfde omstandigheden. Dat komt omdat het kind dan, wat men noemt: ‘apollinisch’ gaat denken; dat wil zeggen, in de termen van weten, van ratio, om niet te zeggen enigszins wetenschappelijk. Vanaf dat ogenblik ga je uit van de achtergrond die je hebt.
De achtergrond, die je hebt, en de lering, die je hebt opgedaan, bepalen verder je gedrag. Je kunt er niet aan ontkomen, dat is een feit. Maar,indien je in andere situaties wordt geplaatst, waarbij de gehele achtergrond in feite zou moeten wegvallen, ben je toch geneigd alles te reproduceren naar wat je hebt geleerd aangaande die omgeving, het daar geldende gedrag, de daar geldende waarden. Laten wij nog een voorbeeld geven om dit te verduidelijken, dan kunnen we hiervan afstappen.
Er waren in het oerwoud bepaalde eetbare bessen. Ze zijn niet erg gezond, dat geef ik graag toe, maar ze zijn voeding, ze bevatten bovendien nogal wat vitamine C en vitamine A. De kleine kinderen bleken deze bessen zonder meer te eten. De groteren hadden geleerd dat die bessen ergens een beetje taboe zijn omdat ze worden gebruikt voor het maken van bepaalde kleurstoffen. Enfin, dat zijn dingen, daar blijf je van af; die zijn niet om te eten. Indien de oudere kinderen die bessen wel hadden gebruikt, dan waren zij er ook wel levend van af gekomen, dan wel in een veel betere toestand geweest toen zij werden gevonden. Het kleine kind reageerde instinctief op zijn erkenning van de omgeving. Het beredeneerde niet, zei niet: In ons milieu mag dat niet, dus is het taboe. Het zei eenvoudig: Ik heb behoefte, mijn lichaam meent die behoefte daar te kunnen bevredigen, ik redeneer niet, ik vraag niet, ik eet. Het oudere kind ging zich afvragen of het mogelijk was. Het refereerde daarbij aan een in feite voor dat kind al vergane structuur van maatschappelijke en materiële inzichten en weigerde.
U zult zeggen: Dat is een beetje vreemd om deze twee waarden nu tegenover elkaar te stellen. En toch geloof ik dat het ook voor de bewustwording van de mens en voor zijn gehele reactie op het leven veel natuurlijker is, als je die indeling maakt. Want door deze indeling worden vele verschijnselen begrijpelijk.
Als een kind zijn ouders haat ‑ dat gebeurt heel vaak ‑ dan is het bij het jonge kind een vlaag; het is de reactie op een situatie, het is niet de reactie op een persoon. Zodra het kind wat ouder wordt (in het Westen is dat gemiddeld 7 soms 8 jaar), dan blijkt plotseling dat die reactie blijvend is en dat zij niet meer wordt gericht op een situatie, maar dat ze alleen met de persoon wordt verbonden. De haat tegen een persoon ‑ ook als het een van de ouders is vanwege een onrechtvaardige daad – kan vanuit die periode een heel leven lang blijven bestaan en kan alle beslissingen, alle reacties tegenover soortgelijke personen of zelfs overheden verder beïnvloeden.
Bij het jongere kind is dat niet zo. Wanneer het kind in die beginperiode erg slecht is behandeld, heel veel onrecht heeft ervaren, dan heeft het wel gehaat, het heeft misschien bepaalde angsten opgedaan, maar de bewuste haat (de associatie van de gehate ervaring met de persoon) blijft kennelijk uit. Dat kind kan zich dan verder wel normaal ontwikkelen.
Het is een krankzinnige situatie, tenzij wij uitgaan van het standpunt dat de geest in staat is om althans iets van de cellulaire bewustzijnsinhoud van een wordende mens te lezen, en dat is inderdaad wel het geval. Vooral de meer bewuste geest kan zien welke stoffelijke herinneringen aanwezig zijn. En dat betekent dus welke gedragsdefinitie het lichaam oplegt aan het bewustzijn.
De meest ideale vorm is natuurlijk een neutrale reactie. Als de dionysische reactie er een is van zelfbehoud zonder verwerping of preferentie, dan is een algehele wereldaanvaarding mogelijk zonder dat daarbij, op welke manier dan ook, de omgeving, de lering of wat ook wordt afgestoten. Want vergeet niet dat juist in die jonge jaren heel vaak bepaalde herinneringen worden geweigerd. Het kind kan onder omstandigheden duizendmaal iets voorgehouden krijgen en het eenvoudig niet kunnen onthouden. Dat komt dan doodgewoon omdat in de opmaak van het cellengeheugen deze factor niet aanwezig is en de reactie ‑ nog dionysisch zijnde ‑ weigert te aanvaarden. Je kunt zo’n kind conditioneren zodat de reactie automatisch plaatsvindt, maar het zal nooit in staat zijn zich te herinneren waarom b.v. het rechter handje het mooie handje is. Het kind weet het eenvoudig niet. En de kans is heel groot dat het dit nooit zal weten, totdat dit feit gaat behoren tot kennis, die hem wordt bijgebracht. En als die kennis eenmaal is geaccepteerd, meestal in samenhang met het andere, wordt ze nooit gezien als betrekking hebbend op het ‘ik’.
Dit kan ook een rol spelen in de houding van de mens tegenover de dood. De apollinische benadering maakt de dood voor ons tot iets waarin wij niet kunnen geloven. Het is het einde der dingen. Dat einde beredeneer je wel, maar je beleeft het niet. Gelijktijdig kun je in de dionysische benadering de dood volledig ervaren, maar ook aanvoelen ‑ en dat is nu het wonderlijke ‑ dat het alleen een kwestie van organische ontbinding is, dat het geen persoonlijkheidsontbinding is. Het vreemde is dan ook dat een kind over het algemeen niet bang is voor de dood. Dat krijg je pas als je volwassen bent, als je hebt geleerd dat gevoel van verbondenheid met alle dingen prijs te geven.
Dat ik de namen ‘dionysisch en apollinisch’ heb gekozen, moge verklaard worden uit de verschillende vormen van inwijding.
De dionysische inwijding was gebaseerd op roes. Zij was een beleving, waarbij denken en leren eigenlijk niet te pas kwamen. De apollinische inwijding daarentegen was een inwijding, waarvoor je kennis moest bezitten, waarvoor je werd getest en de geheugenfunctie vaak belangrijker was dan redeneringsvermogen, invoelings‑ en aanvoelingsvermogen. U ziet, de termen, hoe vreemd ze ook mogen staan in een onderwerp over de mens, zijn niet ten onrechte gekozen.
Vragen wij ons nu eens even af in hoeverre de instelling van de mens, zoals die dionysisch tot stand komt en in de eerste kinderjaren wordt beleefd, invloed kan hebben op het gedrag van de latere volwassen mens. Er blijkt dan een heel vreemd verschijnsel te zijn.
Onder bepaalde omstandigheden valt de rede weg. Het apollinisch vermogen staakt en op dat ogenblik neemt de dionysische impuls weer over. Zo kunnen mensen, b.v. een man en een vrouw, elkaar ontmoeten en, elkaar nooit eerder gezien hebbend, toch een zo sterke attractie tot elkaar voelen dat men zegt: Dit moet wel een ingrijpen van hoger hand zijn.
U kent het verhaal van de tweelingzielen. Dat is helemaal niet noodzakelijk een geestelijke zaak. Het is zeer goed mogelijk dat beiden een zodanige lichamelijke uitstraling hebben, dat beiden in de ander lichamelijk een volledige aanvulling erkennen. En zodra die aanvulling als een volledigheid wordt erkend, ontstaat er ook een emotionele binding, die niet rationeel verklaarbaar is, die wij zelfs niet wetenschappelijk kunnen verklaren omdat ze verder boven alle redelijke normen en eisen uitgaat.
Op dezelfde manier is het vaak heel moeilijk te verklaren waarom de ene moeder voor haar kind alles over heeft, terwijl de tweede het kind eigenlijk als iets bijkomstigs beschouwt. Je probeert het dan te verklaren uit het karakter. Maar in vele gevallen blijkt dat karakter bij beiden praktisch gelijk is, dat het ontwikkelingspeil praktisch gelijk is en dat alle uitvluchten bij een poging om dit wetenschappelijk op grond van feiten te verklaren, mislukken totdat je gaat kijken naar de dionysische factor. Dan blijkt dat bij de ene moeder het kind de directe voortzetting van de eigen persoonlijkheid is. Er is dus een overdracht van eigenschappen. En zelfs het celgeheugen heeft een groot aantal identieke factoren, die naar buiten treden.
In het tweede geval blijkt dat de moeder niet meer domineert en dat het kind – misschien door eigenschappen van de vader of weer naar boven komende herinneringen uit een voorgeslacht – qua reactie, qua uitstraling volkomen afwijkt van de moeder. Zo komt het zelfs voor dat b.v. moeders, die zes kinderen hebben, vijf kinderen liefhebben en één kind in feite haten. Nu ja, haten is misschien teveel gezegd, maar opzij schuiven. Het is net alsof zij er bang voor zijn, of zij het gevoel hebben: die hoort er niet bij. Realiseer je je dat dit een kwestie van zuiver emotionele reactie kan zijn, gebaseerd op het herinneringsvermogen van de cellen, van de materie zoals dat erfelijk is ingebouwd, dan zul je ook niet zo snel meer een oordeel uitspreken.
Er zijn heel veel van deze dingen. Het is gemakkelijk genoeg te zeggen: Het libido van een man of een vrouw is aansprakelijk voor de vele mislukkingen, die in de huwelijkse staat of op een andere manier in het contact met anderen steeds weer tot stand komen. Maar dat geloof ik niet. Zeker, er zijn bepaalde hormonale invloeden, die kunnen verklaren waarom een mens zich op een bepaalde manier gedraagt. Maar als je nog iets verdergaat, dan blijkt heel vaak dat mensen op een bepaald punt wel passen, maar dat zij gelijktijdig op een ander punt als een bedreiging worden ervaren.
Als er voor het lichaam (de cellen) sprake is van een gedeeltelijke attractie, dan hebben wij te maken met wat men noemt: fascinatie. Je wordt enorm geboeid en gelijktijdig een beetje afgestoten, zoals sommige mensen kunnen kijken naar een slang, die zij mooi vinden en toch ontzettend griezelig; die zij aan de ene kant zouden willen beroeren en strelen en die zij aan de andere kant ervaren als iets wat vlak voor de poort van de dood staat. Mensen, die zo op elkaar reageren, zullen over het algemeen geen blijvende contacten kunnen hebben. Ook indien de uiterlijke band blijft gehandhaafd, is er sprake van een voortdurend verdergaande vervreemding. Die kan dan misschien eens weer in orde komen, als er een buitengewoon sterke psychische invloed mee een rol gaat spelen, maar zelfs dan is dat over het algemeen tijdelijk. Waarmee ik u heb verteld dat een groot gedeelte van uw relaties met anderen ook lichamelijk bepaald zullen zijn.
Niet iedereen zal dat even prettig vinden. Het is misschien beter om te zeggen: Ach, mensen, dat zijn allemaal geestelijke invloeden. De geest speelt daarin wel een rol, maar nimmer een overheersende. Zeker, de geest kan werken door het lichaam en zij kan een erkenning tot stand brengen. Maar als de erkenning op cellulair vlak stoot op afwijzing, dan behoeven wij er nooit op te rekenen dat deze mensen tot biologische eenheid kunnen worden. Dan zal, ongeacht de geestelijke erkenning, er altijd een scheidslijn zijn.
Dan hebben wij in het leven ook veel neutrale factoren. Een neutrale factor kan een medemens zijn, het kan net zo goed een materiaal zijn. Het zijn dingen, die op zichzelf niet bepalend kunnen zijn en waarvan de reactie inderdaad apollinisch is, d.w.z. op grond van denken wordt bepaald.
Een apollinische relatie kan voor de mens uitermate bevredigend zijn op mentaal vlak. Op zuiver fysiek vlak is zij meestal teleurstellend en zelden belangrijk en van blijvende aard. Dat zijn wonderlijke zaken.
Misschien vraagt u zich af waarom dit voor het bewustzijn zo erg belangrijk is? Wel, het voertuig, dat je hebt gekozen, bepaalt natuurlijk ook de wijze waarop je zelf als geest bestaat en de manier waarop je met bepaalde sferen al dan niet in harmonie kunt blijven en dus daaruit kunt putten en daarin eventueel kunt uittreden.
Er zijn gevallen geweest, waarbij de strijdigheid tussen het gekozen lichaam en de werkelijke inhoud van de geest zo groot was, dat de geest ‑ omdat zij het leven in de stof eenmaal aanvaard had – de gevangene werd van het lichaam. Er was voor die geest geen mogelijkheid meer tot werkelijke uittreding, zelfs maar tot een paranormale beleving; er was een absolute gebondenheid. Dergelijke mensen worden volgens de aardse opvattingen meestal door hun hartstochten geleefd. Dat is niet helemaal. waar. Zij worden geleefd door een innerlijke strijdigheid, waardoor zij alles doen om die strijdigheid te vergeten. Dat betekent dan meestal dat zij de voor de materie aanvaardbare prikkelende factoren uit het leven zoveel mogelijk trachten te verwerven. Onder dergelijke mensen vinden wij o.a. dronkaards.
Drankzucht kan erfelijk zijn. De drankzucht zal zich in het nageslacht niet altijd uiten in de grote voorliefde voor het bier van de Germaanse voorouders b.v., het kan net zo goed worden omgebogen in de richting van een stickje, overmatig snoepen of iets anders. Maar het is altijd een poging om ‑ zoals men deftig zegt ‑ via orale sensaties en eventuele roesvorming een verwijdering te scheppen tussen de complexe problemen van het ‘ik’ en de onmiddellijke beleving daarvan.
De interessantste zaak is dus steeds weer de gedraging van de mens en zijn relatie met de omgeving.
Het is mogelijk dat een dionysisch contact met een onderwijzer of onderwijzeres een kind, dat mentaal weinig begaafd is, ertoe brengt enorm goede prestaties te leveren. Men meent dan dat het kind zijn best doet omdat juffrouw of meester aardig is. Dat kan tot op zekere hoogte waar zijn, maar het is eerder ten aanzien van het gedrag dan van het opnemen van de leerstof. Het opnemen van leerstof blijkt dan vaak gebaseerd te zijn op een telepathisch overnemen.
De mens is niet alleen geestelijk telepaat. Er bestaat een vreemde manier van mededelen, die ook bij dieren vaak aanwezig is. Herten van eenzelfde roedel, je stelt ze zo op dat ze elkaar niet kunnen zien en horen. Als een deel van de roedel zich in beweging zet (door schrik op hol slaat b.v.), dan zullen de andere ‑ ofschoon er geen enkele reden toe is en geen enkele concrete waarneming van de andere mogelijk is ‑ eveneens plotseling schichtig worden. Dit is een paar keer bewezen o.a. in een dierentuin. Een van de dierentuinen, waarin dit wel heel aardig tot uiting is gekomen, is het grote Dierenpark van Hagenbeck geweest vóór de Tweede Wereldoorlog. Daar had men een roedel edelherten gescheiden en de dieren op tegenovergestelde punten van het park gebracht. Het ene deel, vermengd met inheems wild, terwijl het andere deel als verlevendiging was toegevoegd aan een aantal gazellen etc., dus Afrikaans wild. Nu bleek dat, als in de Afrikaanse sector de delen van de roedel schichtig werden en op hol sloegen, de andere delen bij het inheemse wild eveneens onrustig werden en vaak zelfs in dezelfde richting vluchtten. Daarover is trouwens een proefstuk geschreven.
Dit is een vorm van telepathie, die toch niet op geestelijk bewustzijn berust; dit is zuiver lichamelijk. Het is een emotionele telepathie want ze kan geen denkbeelden overbrengen, wat de geestelijke telepathie dus wel doet. Emoties kunnen op die manier worden overgebracht. En indien een emotionele harmonie bestaat ‑ en dat is nu het wonderlijke ‑ dan is hierdoor een versmelting op geestelijk niveau veel gemakkelijker geworden.
Deze empathie tussen onderwijzer en leerling resulteert in een verbondenheid, waardoor de scherp gevormde denkbeelden van de onderwijzer, vooral als het denkbeelden zijn die meermaals worden herhaald, zich als een soort ‑hypnose in het kind inprenten. Dergelijke kinderen, die overigens misschien helemaal niet intelligent zijn, kunnen vaak bepaalde delen van ­een les woordelijk herhalen en toch hebben zij heus niet zo goed opgelet. Het zal u duidelijk zijn dat ook voor bewuste telepathische contacten een dergelijke empathie (verbondenheid) belangrijk kan zijn.
Men heeft wel eens gespeeld met de gedachte om telepaten in te zetten als spionnen. Het zouden de meest ideale spionnen zijn. Zij behoeven alleen maar aan een andere telepaat te denken en niemand kan hen daarop betrappen. Maar er zit wel één moeilijkheid aan vast: beide telepaten moeten zeer met elkaar bevriend zijn. Zij moeten een verwantschap op lichamelijk niveau hebben. Men is daar zo langzamerhand achter gekomen.
In Sovjet-Rusland doet men op het ogenblik experimenten met tweelingen. Die worden gewoon tezamen opgevoed, maar daarna brengt men hen naar ver uiteenliggende plaatsen met afstanden soms van 1500 km zelfs. Men gaat dan de een denkbeelden geven en de ander vragen zich te concentreren. Het blijkt dan dat dezelfde denkbeelden en dezelfde symbolen vaak nog te voorschijn komen; wat wel een bewijs kan zijn voor deze eigenaardige geestelijke verbondenheid. Want dit is geen emotionele overdracht meer. Het is in vele gevallen zelfs een woordoverdracht zij het dat ze beperkt blijft.
Ook bij andere verschijnselen, die in het menselijk leven wel eens als paranormaal worden beschouwd, spelen zij een grote rol.
U kent waarschijnlijk wel de z.g. ‘sterfbedverschijningen’. Er is althans voldoende over gepubliceerd. Dergelijke verschijningen openbaren zich niet aan de personen, die daarvoor het meest in aanmerking zouden komen. Wij kennen gevallen waar vader, moeder, de echtgenote en drie kinderen aanwezig waren op dezelfde plaats. De echtgenoot verdronk praktisch gelijktijdig, maar op grote afstand. De ontvangst vond plaats ergens in Noorwegen en de ramp in de buurt van Halifax. Een dochter (typisch weer, één dochter!) zag die verschijning. Zij maakte toen de anderen wakker en sprekende over het visioen ervoeren de anderen de ongerustheid: het denkbeeld ‘dan is er iets gebeurd’. Dat zou suggestief kunnen zijn. Zeer waarschijnlijk is er hier ook sprake van een overdragen van de emotionele toestand van dit ene kind naar alle aanwezigen. Maar het feit dat de vader alleen met die ene dochter contact had terwijl het veel beter zou zijn geweest om zijn vrouw te beïnvloeden, bewijst wel dat ook hier een bepaalde overeenkomst van biologische structuur bepalend was voor de overdracht van deze doodsgedachte.
Opvallend is verder dat in zeer veel van dergelijke voorbeelden ‑ er zijn vele honderden daarvan geregistreerd ‑ het beeld of de voorstelling, die van de overledene wordt gemaakt, practisch fotografisch juist is. Dit is heel moeilijk te verklaren, indien wij uitgaan van het standpunt dat iemand zichzelf ziet. Hij ziet zichzelf namelijk nooit zoals hij is. U ook niet, trouwens. Dat is typerend voor de mens, die zichzelf altijd anders ziet dan anderen hem zien. Hier vindt echter een fotografische overdracht plaats. Dat impliceert dat niet‑mentale factoren voor het beeld bepalend zijn want het lichaam kent zijn eigen structuur wel degelijk.
Zelfs zo goed dat men ook andere kennis op die manier probeerde te verwerven. Het is b.v. bekend dat Alexander, voordat hij zijn grote veldtocht begon, ook naar een tempel van Asklepios ging, daar heeft overnacht en dat hem daar werd beloofd dat hij de wereld zou beheersen. In hoeverre dit geheel juist is, moeten wij maar aan de historici overlaten. Het verhaal bestaat en het is niet onwaarschijnlijk want wij weten dat de mens op die manier heel vaak naar een orakel heeft gezocht.
Hier werd dus kennelijk voornamelijk gespeculeerd op de dionysische invloed. Degenen, die in de tempel zijn, worden in een roes gebracht, er wordt suggestie uitgeoefend, soms misschien zelfs hypnose. Er is geen sprake van rationele processen en er is, geloof ik, ook geen sprake van geest. Want als een geest zichzelf geneesmiddelen zou moeten voorschrijven, dan zouden die waarschijnlijk toch wel wat beter uitvallen dan die welke de meeste patiënten zichzelf voorschreven. De voorgeschreven geneesmiddelen waren nl. gebaseerd op de middelen en kruiden, die zij in hun eigen omgeving kenden. Er was dus sprake van een lichamelijke kennis, niet van abstracte kennis. Ook als zij hoorden over geneesmiddelen elders en misschien een opleiding hadden gehad in kruidkunde, zouden zij slapende in de tempel steeds weer teruggrijpen naar die kruiden waarmee zij a.h.w. lijfelijk contact hadden gehad, dus die in hun onmiddellijke omgeving waren. Ik geloof dat dat ons ook weer wat leert.
De geest heeft haar eigen wereld. Zij werkt vanuit haar eigen wereld. Zij kan het lichaam op die manier ‑ we hebben dat in een vorige les gezegd ‑ gedeeltelijk beïnvloeden. Zij kan preferenties scheppen. Zij kan dat zelfs reeds doen terwijl het lichaam in wording is. Maar zij kan geen aanwezige inhouden veranderen; zij kan deze slechts verster­ken.
Ja, wie zou dan eigenlijk zo dwaas zijn om toch weer mens te willen zijn? De redenen daarvoor hebben wij gegeven toen wij spraken over incarnaties. De moeilijkheden daarvan worden nog duidelijker door dit onderwerp.
Als ik dit ga afsluiten, dan moet ik toch nog even het apollinisch principe wat verder behandelen omdat dat voor de geest weer van groot belang kan zijn.
Wij hebben het tot nu toe hoofdzakelijk gehad over de lichamelijke reactie. Het menselijk denken echter gaat verder dan de lichamelijke re­actie. Er zijn voldoende gevallen bekend waarbij het voorstellingsver­mogen zelfs het lichaam domineerde en dus de waarneming van het li­chaam vervalste. Bekend is de hypnoseproef: “Ik raak u aan met vuur.” Je doet het met een ijspegel, desnoods met een spits metalen voorwerp­ je en er ontstaat een brandblaar.
Als ik denk, dan construeer ik; dan kan ik een abstracte wereld scheppen. Ik kan mij daarin dingen voorstellen, die ik nooit lichamelijk heb gekend of heb gezien. Dingen, die misschien zelfs tot een fysieke onmogelijkheid behoren, maar ik kan ze mij voorstellen. Indien die voorstelling concreet genoeg wordt gemaakt, kan de geest daarin veranderingen aanbrengen. Ze kan een deel van haar abstracte wereld in het apollinisch denken injecteren. Zo kan ze een voorkeur voor bepaalde richtingen van onderzoek b.v. geven. Zij kan inspireren. Ze kan echter nog meer; zij kan deze abstracties van het stoffelijk denken gebruiken om hierdoor analogieën met haar eigen wereld te scheppen. Deze analo­gieën zijn vanuit menselijk standpunt dan misschien erg fantastisch, maar ze kunnen voor een mens zodanig reëel worden dat hij niet alleen daarin opgaat maar daarin ook een vrijheid vindt, die de lichamelijke vrijheid ver te boven gaat.
Er is, een overigens wat bombastische, de kolderieke roman met de titel ‘Peter Ibbetson’. Het gaat over een mens, die om bepaalde redenen gevangen wordt gezet. Hij heeft een vrouw lief, die hij voortdurend in zijn gedachten bezoekt, zelfs met haar tezamen een soort wolkenkasteel bouwt (eigenlijk een schijnkasteel) en daarin met haar samen is; dus gelijktijdig gevangen is en toch volledig elders leeft. Maar het wonderlijke van het verhaal is dat niet slechts de gekerkerde Ibbetson dat doormaakt, maar dat het ook voor de vrouw een realiteit is, die sterk van de stoffelijke realiteit afwijkt.
Van hier naar de ingewijde, die een lichaam projecteert terwijl zijn eigen lichaam ergens ligt te rusten en de vogels er misschien zelfs een nestje maken in zijn baard omdat het daar zo lekker warm en rustig is, is maar één stap. Want op het ogenblik dat ik in mijn denken een tweede Werkelijkheid kan scheppen, die voortdurend is aangepast aan de materie en dus ondanks haar abstracties volledig in materiële termen uitdrukbaar is, kan ik deze geestelijk waarmaken. En als ik haar waarmaak ‑ en daar komt nu de clou ‑ zal het gehele voertuig alleen apollinisch kunnen reageren. Er is nl. geen erkenningsfactor meer in het lichaam zelf ingebouwd, het is een volledig redelijke en rationele structuur.
Dit is een van de redenen dat bepaalde ingewijden inderdaad dergelijke lichamen graag gebruiken. Het is dus niet alleen maar een kwestie van een afstand overbruggen, maar wel degelijk ook van losstaan van de stoffelijke beïnvloeding, die het lichaam altijd overdraagt en misschien ook van de beheersing door lichamelijke tendensen, waaraan de geest ‑ zelfs van de meest bewuste ‑ zich niet altijd kan onttrekken. En om het nu heel netjes uit te drukken: Hoe hoog je als mens geestelijk ook bent gestegen en hoe ver je ook ingewijd bent, als je eet, moet je ook die deur door waar de initialen van Winston Churchill op staan.
Het apollinisch denken schept voertuig‑mogelijkheden en uitdruk­kingsmogelijkheden voor de geest. Maar die komen pas volledig tot gel­ding op het ogenblik dat wij de dionysische kant van het ‘ik’ (de li­chamelijke kant) kunnen uitschakelen. En daarmee hebben wij weer een stap verder gezet in de richting van een erkenning van het verschijnsel mens. Zeker, je kunt opvoedkundig met al die dingen zonder meer reke­ning houden. Maar de kennis van het verschijnsel kan misschien toch ertoe bijdragen dat je het onderwijs wat beter indeelt. Dat je dus niet bij voorkeur kinderen ergens neerzet in een klas waarin na ruim een maand onderricht nog steeds een heel grote animositeit blijkt te be­staan tussen onderwijskracht en kind. Dit impliceert dat de mogelijk­heid tot leren voor het kind veel kleiner is en dat bovendien een voortdurend lichamelijke beïnvloeding van de onderwijskracht zelfs ook het geven van goed onderricht aan de anderen aanmerkelijk belemmert. Men zou van deze kennis gebruik kunnen maken door het kind in zijn opvoeding anders aan te pakken. Laat de geest in het kind zichzelf rustig ontwikkelen. Laat het kind rustig een eigen persoonlijk­heid worden. U behoeft het heus niet tot een kopie van uzelf te ma­ken. Maar u moet er toch wel rekening mee houden dat het in de eer­ste jaren sterk emotioneel reageert en dat het juist in die periode – zeker daar waar er een gevoel van verbondenheid bestaat ‑ de denk­beelden van anderen overneemt en lanceert, zodat veel van de wijsheid, die het kind in de jonge jaren wordt toegedacht, niet de eigen wijsheid van het kind is maar een soort telepathische impuls, die het aan an­deren ontleent.
Zo is het ook goed te begrijpen dat juist in de periode dat het kind begint verstandelijk te leren en te reageren, de strijdigheid tus­sen emotioneel weten en verstandelijk weten voor het kind veel groter wordt en daardoor moeilijkheden veroorzaakt. Je zou het kind moeten helpen om zijn emotionaliteit en zijn weten en denkvermogen in overeenstemming te brengen en niet proberen ‑ zoals velen tegenwoordig doen ‑ om daartussen een bijzonder sterke scheiding te handhaven.
Ik geloof ook dat vele verschijnselen, die in het huwelijksleven kunnen voorkomen, juist in deze lezing een verklaring hebben gekregen: het begrip voor de dionysische factor in de menselijke natuur, die alle apollinische aspecten soms kan overdonderen. Indien u erkent dat dit aanwezig is, dan kunt u misschien uw verstandelijke benadering op een andere basis zetten. U kunt uitgaan van de onvermijdelijkheid van hetgeen u zelf beleeft en wat de ander beleeft en van daaruit verstandelijk verdergaan in plaats van ‑ zoals al te vaak gebeurt ‑ voortdurend ook de attractie zelf als een verstandelijk vraagstuk te beschouwen.
Het ligt in de bedoeling dat u in deze lessen praktisch wordt voorgelicht. Ik denk dat deze les reeds voldoende praktische voorlichting bevat. In het 2e gedeelte van deze cursus krijgt u nog een spreker, die u aanvullend hierop het een en ander zal vertellen over het absorptievermogen van de mens t.a.v. feiten, leerstof en dergelijke.

Het menselijk opnemingsvermogen

De mens heeft een bepaald vermogen om feiten in zich op te nemen en in zich te assimileren. Bij vele mensen zijn daarbij hiaten te zien. Wij kennen op het ogenblik b.v. het verschijnsel van leesblindheid. Hierbij zijn mensen niet in staat om bepaalde woorden te lezen; in andere gevallen kunnen zij deze wel lezen maar spreken zij ze prompt verkeerd uit. Hier is sprake van een verkeerde wijze van opnemen.
Nu zal de doorsnee‑mens van de voor hem beschikbare data ongeveer 20 % bewust opnemen en ongeveer 70% onbewust. Niet opgenomen wordt dus ongeveer 10 %. Dat wil zeggen, dat de totale waarneming van de mens aanmerkelijk hoger is dan hij zich realiseert.
Bij het kind blijkt reeds heel vroeg dit vermogen tot opnemen. Er zijn kinderen, die één keer een verhaaltje horen en het dan ‑ zij het met licht gewijzigde woorden ‑ geheel kunnen navertellen. Zij zijn z.g. auditief ingesteld. Anderen kunnen wel een beeld, een plaat of iets anders dat zij hebben gezien, volledig omschrijven of natekenen; zij zijn echter niet in staat een verhaaltje te vertellen. Het blijkt dat in het kind over het algemeen dus één bepaald zintuig voor het herinneringsvermogen ‑ voor zover dit bewust is ‑ een grotere rol speelt dan de andere zintuigen. Ook bij volwassenen blijkt dit vaak nog zo te zijn.
Zeer belangrijk is echter het feit dat de niet bewust waargenomen en niet bewust terug te brengen feiten eveneens ­zijn opgenomen. Er zijn mensen met een z.g. fotografisch geheugen. Als zij één blik werpen op een bladzijde uit een encyclopedie, zijn zij in staat volledig de inhoud van de artikelen geheel woord-juist ­terug te brengen. Zou men hun vragen wat de illustraties zijn, zo kunnen zij deze eveneens beschrijven. Laat men diezelfde mensen een artikel horen, dan herinneren zij zich daarvan enkele steekwoorden, zoals ieder ander.
Bij verschillende experimenten, die op dit terrein zijn gedaan, zijn wij, uit de geest, tot de volgende conclusie gekomen: Een mens wordt in zijn eerste levensjaren vaak geconditioneerd doordat de nadruk wordt gelegd op het gebruik van bepaalde zintuigen. Normaal begint het kind met de tastzin en het gehoor en komt vandaar tot de visuele waarneming. Er zijn echter gevallen dat de visuele waarneming eerder komt dan de auditieve. Dergelijke mensen blijken de grootste mogelijkheid te hebben tot dit fotografisch geheugen waardoor al het waargenomene reproduceerbaar is.
De absorptie van feiten, die auditief worden geregistreerd, blijkt het sterkst te zijn bij mensen, die eerst op hun gehoor en pas later op hun gezichtsvermogen afgaan. Opvallend is ook dat degenen, die op hun gehoor afgaan, betrekkelijk vroeg leren spreken terwijl de visuele typen over het algemeen met spreken zeer laat plegen te zijn. De absorptie van data wordt dus voornamelijk verbonden met één bepaald zintuig.
Nu zijn er gevallen voorgekomen dat iemand door een ongeval korte tijd werd uitgeschakeld. Heel vaak ging dat gepaard met een tijdelijke amnesie waardoor het geheugen gestoord was. Als nu deze mensen in hun herscholing gelijktijdig met klanken en beelden worden geconfronteerd, dan blijkt hun vroeger herinneringsvermogen ‑ voor zover dat dit het bewuste gedeelte betreft ‑ verbeterd te zijn en tevens de voorkeur voor hetzij auditief of visueel binnengekomen prikkels, die er eerst was, te zijn weggevallen zodat het gehoorde en het geziene gelijk gereproduceerd kunnen worden.
De vraag in hoeverre een mens feiten bewust kan absorberen, is nog nooit geheel beantwoord. Wel is gebleken dat in bijzondere gevallen mensen in staat zijn ongeveer 60 tot 70 van het totaal waargenomene terug te brengen. Dit zijn mensen met een buitengewoon goed geheugen. Het zijn echter lang niet altijd mensen, die geestelijk bijzonder hoog staan.
Wij hebben vervolgens proeven genomen om bepaalde personen, die geestelijk zeer gevoelig waren maar wier geheugenfunctie vanuit menselijk standpunt zelfs zeer beperkt was, via inspiratie voortdurend een aanvulling te geven op de geheugenfunctie door het overbrengen van de impulsen uit het onderbewuste naar het bewuste.
Hierdoor bleek een verbetering van het bewust hanteerbare geheugen met ongeveer 1/5 tot zelfs 1/3 mogelijk te zijn. Dit is op het eerste gezicht niet zo buitengewoon veel. Maar wij moeten ons goed te binnenbrengen, dat de mens reageert op bepaalde zaken omdat hij getraind is in de aandacht daarvoor.
Bij jonge kinderen blijkt de herinnering voor vormen in felle kleuren (hard rood, hard geel, hard groen) ongeveer zevenmaal zo goed te zijn als voor vormen in pasteltinten van overigens gelijke inhoud. Hieruit blijkt dat de kleurassociatie een grote rol speelt. Zo blijkt ook dat bepaalde stemmen voor mensen buitengewoon boeiend zijn en dat zij al wat daarmee op die toon wordt gezegd, bijzonder goed absorberen terwijl hetzelfde, gezegd in een andere toonaard, wordt afgewezen. Hier is de herinnering zeer beperkt. Er is een selectie.
Deze selectie ontstaat door training. Daar waar de training kan worden overvleugeld hetzij door de eigen kracht (geestelijke kracht), hetzij door stimulansen, gegeven door andere entiteiten, blijkt een grote geheugenverbetering zonder meer mogelijk.

De mnemonische (geheugen) training, die sommige mensen kennen, is eveneens geschikt om dit fotografisch geheugen te bevorderen. Hier is de training echter zodanig dat alleen op een bepaalde manier kan worden gewerkt. Om u een voorbeeld te geven:
Een variété‑artiest, die bij zijn geheugenproeven werkt met dagbladen, vaak bladen voor advertenties, zal zelden in staat zijn de gelijke prestaties te leveren met een telefoonboek, of omgekeerd. Er is kennelijk een associatie met een bepaalde vorm voor nodig. Deze vorm‑associatie bestaat niet bij het werkelijk groot absorptievermogen of het fotografisch geheugen.
Nu is de voorstelling, die er in zo’n mens leeft, voor een groot gedeelte bepalend. Hij associeert ‘onthouden’ ook met het telefoonboek of delen van het telefoonboek. met een courant, met druk in een bepaalde kleur of in een bepaalde vorm van afbeeldingen. Al het andere wijst hij onbewust terug en verdringt daardoor deze waarnemingen naar het onderbewustzijn.
De geest heeft eveneens herinneringsvermogen. Het herinneringsvermogen van een geest is gebaseerd op het samenvallen van gebeurtenis (waarneming, feiten, gevoelens) en emotionele indruk. Dat wil zeggen dat een geest uit het stoffelijk leven niet de volgens stoffelijke normen belangrijkste elementen onthoudt maar slechts die elementen waarbij men emotioneel betrokken was, terwijl gelijktijdig een stoffelijke ervaring werd ondergaan. De stoffelijke ervaring kan dan nog na vele incarnaties als praktisch juist en gelijkluidend met het origineel worden gereproduceerd. De geest heeft dus de emotie nodig omdat dit een aanvaarding van de indruk betekent.
Wij hebben op grond hiervan vanuit de sferen eveneens enkele experimenten gedaan. Wij hebben een onderwijzer geïnspireerd om een tafel van vermenigvuldiging (de tafel van 8) – het ging hier om de eerste klas te – verwerken in een zeer spannend verhaal, waarin zowel tovenaars als zeerovers voorkwamen. Het vreemde resultaat was dat van de in die klas aanwezige 32 kinderen er 26 het grootste gedeelte van de tafel van 8 later konden reproduceren. Dit zonder de veelvuldige dreunherhalingen van eens of het voortdurend oefenen daarmee, wat in latere methoden vaak gebruikt is.
Wat bleek nu? Omdat de functie in het verhaal, waarin het kind meeleefde (dus emotie), gelijktijdig ook de kennis overdroeg (nl. de getallen plus hun uitkomst), werden deze getallen plus hun uitkomst onthouden als zijnde een sleutel tot de herinnering aan zeerovers. De enige moeilijkheid, die hier wel eens zou kunnen optreden, is dat iemand, die op deze wijze die tafel heeft geleerd, als men hem later op 50‑jarige leeftijd vraagt: hoeveel is 8 x 8, onmiddellijk niet alleen zegt: 64, maar daarbij ook een tovenaar of een zeerover ziet. Zo sterk blijkt die associatie te zijn vastgelegd. Dit geeft voor het onderricht, in zowel de meer geestelijke en esoterische als in de materiële richting) een goede vingerwijzing.
Het absorptievermogen van de mens voor feiten (ook abstracte feiten) neemt tot het vijfvoudige toe op die ogenblikken dat hij een voor hem emotionele en in eigen gedachteleven reproduceerbare vertelling of situatie daaraan kan verbinden. Wetenschappelijke feiten zouden als zodanig het best in verhaalvorm aan de mensen kunnen worden overgedragen. Er is dan een grotere kans dat zij de principes daarvan onthouden en kunnen reproduceren dan als men hen door langdurig onderricht tracht te helpen deze te begrijpen.
Verder zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat het verstandig is om alle wat moeilijke leerstof eens vooraf te doen gaan door hetzij een film, een vertelling of wat dan ook, dat boeiend kan zijn, waarin de leerstof in hoofdzaken is vastgelegd. De wijze, waarop deze dan in het geheugen worden verankerd, betekent een veel gemakkelijker leren van de bijkomstigheden en de latere uitwerking.
Het zou voor de esoterie verder kunnen betekenen dat een verhaal een waarheid beter overdraagt dan een lezing. Het spijt mij dat wij  hieruit nog niet voldoende lering hebben kunnen trekken. Maar het feit blijft bestaan dat de overdracht van bepaalde waarheden door gelijkenissen, fabels e.d. de absorptie van de ingelegde lering bij de mens zeer vergroot en ervoor zorgt dat deze ook later onthouden blijft.
Ik zou dan in mijn betoog verder nog de aandacht willen vestigen op het feit, dat de geest haar ‑ zij het vanuit stoffelijk standpunt zeer fragmentarische ‑ herinnering heeft en zo alle voor haar belangrijke belevenissen in de gelijkenis van een beeld kan uitdrukken.
Als wij het jonge kind zien, dan blijkt dat t.a.v. vele gebeurtenissen in het kleine kinderleven later dromen of fantasieverhalen ontstaan, die wonderlijke elementen bevatten. Elementen, die men dan meestal toeschrijft aan “iets gehoord te hebben”, maar die in vele gevallen spontaan uit het kind voortkomen. Op het ogenblik dat voor een kind het onthouden van een bepaald feit belangrijk lijkt en de geest een gelijksoortige herinnering heeft, zal vaak de geestelijke herinnering a.h.w. over de directe herinnering worden gelegd en zo zal het feit of de noodzakelijke conclusie e.d. in het kind worden verankerd op een wijze waardoor het nog veel later toegang heeft tot deze zelfde waarden. De esotericus zou ook hiervan moeten uitgaan volgens mij.
In vele gevallen zoekt men via abstracte bespiegelingen de waarde van zijn innerlijk te vinden. Maar in deze abstractie ligt het grote gevaar van de verwarring. Men kan een hele formule opdreunen, maar men beleeft ze niet en men kent ze niet. Zo zou ik ook de esotericus willen aanraden om de voor hem belangrijke gebeurtenissen, kleuren, vormen, verhalen en belevenissen te gebruiken als analogieën voor datgene, wat hij innerlijk wil bereiken. Is hij in staat die analogie tijdens beschouwing, beleving etc. te verbinden met een zuiver stoffelijke waarde, dan heeft hij gelijktijdig referentiepunten, waardoor overdracht naar de geest mogelijk is en vanuit de geest elke referentie aan deze invloed mogelijk is geworden. Hét contact tussen geest en stof wordt zo aanmerkelijk verbeterd en daarmee volgens mij ook de erkenning van het werkelijke ‘ik’.
Het absorptievermogen van een mens, het vermogen om feiten en data in zich op te nemen, is van mens tot mens verschillend. Er zijn mensen, die een slecht geheugen hebben. Sommige mensen alleen, indien zij u iets schuldig zijn; zodra zij moeten vorderen, is hun geheugen goed. Anderen hebben dat voor religieuze verklaringen, terwijl ze voor economische of politieke uiteenzettingen een zeer goed geheugen hebben.
Daaruit blijkt wel dat de preferentie, die wij hebben, bepalend is voor de mogelijkheid om feiten op te nemen. Maar indien dit het geval is, dan betekent het ook dat wij door bewust onze aandacht op iets te richten, voor onszelf het opnemen van alle daarmee in verband staande feiten eenvoudiger maken.
De meeste mensen werken hun hele leven in één richting. In de laatste tijd heb ik moeten constateren dat de mens naast zijn dagelijks werk veelal een liefhebberij kiest. Ook deze kan vanuit geestelijk standpunt als een vorm van arbeid worden beschouwd. Als nu de liefhebberij of de arbeid voortdurend gelijk blijft, hebben wij slechts een kader van referentiemogelijkheden. Dit zal geestelijk zowel als stoffelijk het vermogen tot erkennen en onthouden nadelig beïnvloeden. Een wisseling in liefhebberij, een voortdurend veranderen van arbeid en manier van werken, zodat men met nieuwe noodzaken, mogelijkheden en factoren wordt geconfronteerd, betekent echter gelijktijdig dat nieuwe associaties en nieuwe associatiemogelijkheden ontstaan en dat deze ‑ daar zij in het dagelijks leven vaak mee een rol spelen – bijdragen tot een juister en veelzijdiger waarneming, een grotere absorptie van beschikbare feiten en een groter terugbrengingsvermogen voor belangrijke feiten en gegevens.
Met dit alles is de eindconclusie geloof ik wel duidelijk.
Daar het menselijk absorptievermogen wordt bepaald door zijn voorkeuren, zijn gebondenheden en zijn emotionaliteit, is het voor de mens belangrijk te zoeken naar die emoties, bindingen en vormen van waarneming, die het best passen bij zijn persoonlijkheid. Indien hij deze nl. hanteert, zal hij daardoor voor zich een groot arsenaal van feitenkennis en begrip in zich kunnen vergaren, dat onmiddellijk voor hem toegankelijk is.
Vanuit de geest, zo mag ik hieraan toevoegen, zal de grotere capaciteit van het onmiddellijk geheugen vaak kunnen bijdragen tot een ruimere inspiratiemogelijkheid zodat een grotere uitbreiding kan worden gegeven aan de geestelijke betekenissen en inhoud van hetgeen in het menselijk geheugen aanwezig is.

Overgave

Bij mensen is het woord ‘overgave’ vaak verbonden met een overwonnen worden. Maar het is het erkennen van de ander, het andere als groter of sterker. Daarom juist is overgave in vele gevallen voor de mens niet de meest juiste methode om zichzelf te ontdekken en zichzelf te vinden.
De overgave aan de drang van de feiten betekent heel vaak een voorbijgaan aan je eigen mogelijkheden. De overgave van een mens betekent heel dikwijls het tijdelijk verliezen van bepaalde capaciteiten en daardoor een later beroofd zijn en armer wakker worden.
Indien wij echter overgave anders zouden kunnen interpreteren, zou deze dienstig kunnen zijn.
Overgave betekent dan niet zozeer het aanvaarden van de heerschappij van een ander, het onderworpen zijn aan diens wil, diens inwerking als wel het openstaan daarvoor.
Een vrouw, die in volledige overgave een man ontvangt, kan daarin ongetwijfeld een ogenblik gelukkiger zijn, maar zij zal wel moeten uitkijken dat zij haar eigen persoonlijkheid niet verliest. De vrouw, die openstaat voor de man en hem aanvaardt in een erkenning van gelijkwaardigheid, zonder grenzen tussen hen te stellen, zal echter zichzelf blijven en daardoor haar eigen persoonlijke waarde ook aan de partner kunnen overdragen.
Een mens, die zich overgeeft aan de Almacht zonder meer, laat zich leven door krachten, die hij niet kent. Een mens, die openstaat voor de krachten die ons leiden, voor de grote geesten of zo u zeggen wilt: de goden, die ook in het leven van een mens voortdurend invloed hebben, zonder daarbij zichzelf daaraan prijs te geven, zonder enig voorbehoud, maar zichzelf voortdurend waarmakend zoals hij of zij is, ook tegenover deze krachten, in aanvaarding van de producten daarvan, zal zichzelf zien groeien en niet klein en onaanzienlijk gedreven worden door andere krachten.
Overgave is alleen dan aanvaardbaar indien ze gebaseerd is op een innerlijk besef van gelijkwaardige; niet van meer­- of minderwaardige. Want eerst in deze zin en in deze vorm is een werkelijke uitwisseling mogelijk, waarin de overgave gelijktijdig wordt tot een overname.
Als wij ons overgeven aan God en in deze overgave in staat zijn om een deel van de krachten, die in het Goddelijke liggen, een deel van de gaven die in het Goddelijke verscholen zijn, in onszelf op te nemen, dan is het goed. Dan worden wij meer het Goddelijke waardig, terwijl wij dit Goddelijke aanvaarden.
Maar op het ogenblik dat wij ons stuurloos laten drijven door de grote krachten rond ons, bereiken wij slechts datgene, wat Ibsen heeft bedoeld, toen hij in zijn Peer Gynt de Knopensmelter invoerde: de figuur, die het waardeloze voortdurend omsmelt tot iets anders.
Wij zijn deel van de eeuwigheid. Wij geven ons over aan de kracht, die de eeuwigheid heeft voortgebracht. Maar niet in een volledige willoosheid en besefloosheid, maar in een erkenning van onze persoonlijkheid en van onze persoonlijke waarde, onze noodzaken en onze mogelijkheden. En eerst zo versmeltend met die hogere kracht, maken wij de werkelijke eenheid daarmee de ware eenheid in onszelf. Geen pionnen of marionetten zijn van anderen, zelfs niet van de hoogste krachten, maar bewuste delen zijn ‑ desnoods een agens ‑ in de enorme actie en interactie, die gezamenlijk leven en schepping vormt en betekent.