Van Ichnaton tot Griekenland

uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

De vorige maal heb ik reeds gesproken over Ichnaton. Nu wil ik graag een paar aspecten van deze figuur nog wat nader belichten. Hij is nl. van zeer groot belang geweest niet alleen voor zijn tijd, maar ook voor de latere denkwijze van het Westen. Aton ziet neer op de wereld. Als Ichnaton opschouwt naar de zon, ziet hij daarin het vuur van Aton. Hij schrijft zijn beroemd lied van Aton, zijn Ode aan de Zon, die ‑ als ik mij niet vergis ‑ bijna gelijkluidend is aan een psalm van latere datum, die u ook in de bijbel vindt overgenomen en die wij ook weer terugvinden in Syrië, in Perzië.

De man was ‑ zoals ik reeds heb gezegd ‑ een dichter, een dromer, een Profeet. Maar hij was eigenlijk toch ook een slappeling. Want zijn gedachten waren wel groots; hij droomde van eenheid en van een God van liefde, maar hij kon zich niet realiseren dat een ideaal aangepast moet zijn aan de wereld waarin het wordt beleefd. Wij vinden bij hem voortdurend weer vlagen van gewelddadigheid en verzet, afgewisseld met geestesvervoeringen die absoluut onpraktisch zijn. Hij liet de namen van verschillende farao’s weghouwen, zelfs zijn eigen naamtabletten, omdat Amon daarin voorkwam. Hij wilde geen Amon erkennen. Hij wilde de goden verdelgen. Een verstandig man begrijpt dat men als staatsman wel goden belachelijk kan maken, maar niet eenvoudig in de vergetelheid drukken.

Ichnaton was geen staatsman. Als wij dan ook enkele van zijn directieven hierover citeren, zien wij onmiddellijk met wat voor een vreemde figuur wij eigenlijk te maken hebben. Hij schrijft aan een van zijn bevelhebbers als volgt: “Aton in zijn goedheid geeft vruchtbaarheid aan de wereld, ook terwijl men de valse goden aanbidt. Ik zeg u echter: Neem uw soldaten en verbrijzel de beelden van afgoden, opdat zij Atons aangezicht niet vertoornen en beledigen.” Hier hebben wij de gewelddadigheid van Ichnaton uitgetekend tot en met: verbrijzel de zaak. Stuur er soldaten heen. Iets later schrijft hij aan een van zijn stadhouders; Voor de stad, die ik bouw (hij bedoelt hiermee de zonnestad die hij probeert te bouwen ter ere van Aton), is het noodzakelijk dat gij mij levert: 200 slaven, 500 roeiers en tenminste 10 boten. Ik heb gehoord van uw bode dat gij meent deze lasten niet te kunnen opbrengen. Moet ik aannemen dat gij een mens stelt boven Aton, de God van de Lief­de?” Dwaasheid, nietwaar? Men kan de mens niet boven Aton stellen, als men de mens dient in de naam van Aton. Maar zover komt hij niet. Hij ziet aan de ene kant  de God van liefde, die hij predikt een God, die ieder als gelijke ziet. Hij ziet Hem als de Algoede, de Levengevende. Degene die geen offers vraagt, behalve wat zijn schepselen Hem vrijwillig brengen. Maar aan de andere kant voelt hij er helemaal niets voor om zijn waardigheid als opperpriester en farao ondergeschikt te maken aan de belangen van zijn volk alleen. Het is een fout die wij bij meer denkers zullen zien. Hun theorie en praktijk verschillen te sterk. Zij zijn niet evenwichtig. Dat doet aan hun grootheid als denkers niets af, maar zeer zeker aan de resultaten die hun gedachten zullen boeken in de geschiedenis.

Het is overigens in de gehele geschiedenis opmerkelijk, dat wij het horen van alle grote helden en van elke grote denker die iets heeft “aangevallen”. Wij horen zelden of nooit iets van iemand die de vrede heeft gediend, die aan het land vruchtbaarheid en aan zijn volk geluk schonk.

Een voorbeeld van dit laatste type is de vredes‑keizer Asoka. Asoka is een boeddhist. Hij is een verbreider van de boeddhistische leer te midden van een sterk Hindoe‑geloof. Als wij Asoka en zijn gedachten nagaan, dan is het opmerkelijk welke gedachten over zijn volk hij tot uitdrukking brengt. Hij zegt: “Mijn volk is geen gebied, maar een verzameling van standen. Ik kan de grenzen van mijn gebied vergroten, maar ik kan niet de grens overschrijden die mens en mens tussen elkaar stellen. Zij beperken zichzelf tot hun eigen stand en menen heiligheid te vinden, terwijl zij in werkelijkheid de dwaasheid dienen en zichzelf beroven van hun wettig erfdeel: het leven.” Als u vandaag de dag eens gaat kijken bv. naar een tot christen bekeerde Hindoe, dan zult u zien dat hij nog steeds op zijn kaste, zijn rang, zijn stand staat. Dat hij met heel veel zelfoverwinning met een lagere kaste omgaat. De boeddhisten, precies hetzelfde. De moslims blijven een volk van rangen en standen. Dus Asoka ziet wel degelijk de toestand zuiver. Daarom is het van belang te zien hoe hij zijn relatie tot God en de mensen omschrijft. Hij zegt: “Een God die van mij offers vraagt, is een onrechtvaardige God. Want hij heeft mij geschapen. En mij geschapen hebbende kan Hij niet van mij verlangen dat ik meer doe dan Hij in mij heeft gelegd. Zo zal ik mijn God dienen omdat ik datgene wat mijn God mij schenkt dankbaar ontvang en deze dankbaarheid wil uitdrukken. Ik zal om Zijnentwille, om hetgeen Hij mij heeft gegeven aan macht en verantwoordelijkheid, aan vrede en geluk, regeren. Ik zal als regeerder mijn volk dienen. Niet omwille van het volk, maar omwille van Degene die mij hier heeft geplaatst. Want de volkeren zijn dwaas. Zij roepen om krijg, maar de offers daarvoor betreuren zij. Zij roepen om vrede, maar willen zelf geen vrede sluiten. Zij roepen om wijsheid, maar zij lachen de wijze uit. Zo is het niet de stem van het volk waarnaar ik zal luisteren maar naar de stem van mijn God die in mij klinkt.” Een aardig brokje filosofie eigenlijk dat ook heden nog zeer toepasselijk zou kunnen zijn.

Een andere gedachte vinden wij bij Zarathustra die ‑ dankzij de uitspraken hem door een modern filosoof in de mond gelegd ‑ een grotere roem heeft verworven dan hem anders ooit zou zijn toegekend. Zarathustra is de denker, de eenzame, dat is waar. Hij is echter ook de stichter van een godsdienst die tot heden toe zijn stempel drukt zelfs op het christendom. Zijn eredienst gaat uit van het standpunt dat het eerst geschapene een stier was. U zult zeggen: Een stier? Hoe komt men daartoe? Een stier is het symbool van de levende kracht, van de vruchtbaarheid. Zo zegt hij: “De stier, opstandig zijnde, werd door zijn Schepper bij de hoornen genomen en neergeworpen ter aarde. Toen zijn bloed vloeide, werd daaruit alle leven geboren: het graan (de vruchtbaarheid van de aarde), de mens (de vruchtbaarheid van de gedachte).

De geheimzinnige Mithras‑leer waarvan u later zoveel zult horen. De Mithras‑dienst die zelfs in Rome lange tijd een hogepriester heeft gehad, alsof het een voorloper was van het christendom, vindt hier zijn oorsprong. Later zullen de Romeinen (de Romeinse soldaten) de Mithras‑dienst verbreiden, omdat zij de dapperheid van de stier en het bloedige offer zien als symbool.

Maar Zarathustra bedoelt het anders. Hij wil aangeven dat er één levende kracht is, maar dat de kracht zelfs niet de Schepper is, doch iets wat uit de Schepper is voortgekomen. Zijn stier is tenslotte niets anders dan wat wij noemen: de levensadem, de ziel. Helaas wordt hij misverstaan, zodat wij later overal offers van stieren zien brengen omwille van de vruchtbaarheid. Maar ja, zo zijn de mensen. De grote gedachte vatten zij niet graag. Zij zoeken het in de kleine dingen die zij kunnen begrijpen of die hun op z’n minst een stoffelijke bevrediging geven, zoals een gebraden stier nadat het bloed is geplengd ter wille van de vruchtbaarheid. Het was hier dus wederom een geval van misvorming van een gedachte. Toch kan de gedachte die Zarathustra heeft gebracht omtrent de vruchtbaarheid als product van het Goddelijke en niet het Goddelijke zelf, ook thans nog als zeer belangrijk worden gezien. Er is ‑ naar ik meen ‑ nog geen esoterische leer of filosofie, die hem deze gedachtengang heeft kunnen verbeteren.

Nu ik zo spreek over deze verschillende groten, kan het haast niet anders of ik grijp nog even terug naar de figuur van Mozes. Van Mozes weten wij dat hij volgens bijbels verhaal wordt gevonden in een biezenmandje op de rivier. Is dat werkelijk zo? Men zegt: Hij is door de joden daar uit wanhoop geplaatst. Laten wij allereerst vaststellen dat het bij zeer veel vrouwen ‑ ook in de paleizen ‑ gebruikelijk was om kinderen die moesten verdwijnen niet te doden maar in een korfje te vondeling te leggen of toe te vertrouwen aan de wateren van een rivier of kanaal. Omtrent de afkomst van Mozes staat dus wel heel weinig vast. Wij weten ‑ alweer uit de bijbel ‑ dat hij een opleiding krijgt gelijk aan die van de magiërs van Egypte. Dat wil heel wat zeggen. Want in Egypte was de magie zulk een machtig wapen, dat alles (geneeskunde, wetenschap, astronomie tot zelfs het schrijven toe) magisch was en van magische spreuken werd vergezeld. Er waren heel veel mensen die dachten dat je een blind oog weer ziende kon maken door het prevelen van een spreuk. (Overigens iets waartegen Ichnaton heeft gestreden en waarschijnlijk een van de redenen dat de opstand in het volk zo sterk werd.) Mozes gaat dan naar het land van Midian, naar de Midianieten. Als wij dat proberen te plaatsen, vinden wij dat dit gelegen is in het stroomgebied van Euphraat en Tigris. Aan de hand van de verklaring dat ook dezen kinderen van Abraham waren, kunnen wij aannemen dat hier sprake is van een Arabische stam. Wij vinden bij deze stammen reeds lang tevoren Jahwe. Let wel, niet bij de joden, bij de Arabieren! Zelfs in de bijbel wordt over Jahwe gesproken als “Hij, die woont in de braamstruik in het braambos.” Maar daarvoor wordt er ook al zo over gesproken. Ik geloof dat wij rustig kunnen accepteren dat wanneer Mozes met Jahwe in aanraking komt ‑ Jahwe de naam is van een natuurgod. Dit wordt bevestigd wanneer Jahwe verschijnt. En al hetgeen wordt verteld over het gebeuren op Sinaï kan worden teruggebracht tot een aantal vulkanische verschijnselen. Het is dus wel zeer opvallend dat deze zoon van “niemand” met zijn priesterlijke opleiding vol Egyptische wijsheid en magie, Jahwe omhelst als zijn God. Ik wil hier erop wijzen ‑ juist omdat dit een manier van denken is die wij hier meer tegenkomen ‑ dat Mozes Jahwe adopteert. Jahwe adopteert Mozes niet. Wanneer de gelegenheid komt, dan is het Mozes die Jahwe tot stamgod van de joden maakt. Voor die tijd was hij het niet; er waren er verscheiden. Mozes is het, die uit de leerstellingen van de Arabieren (die hij graag onder zijn gezag zou trekken) plus de leer van de verschillende joodse stammen en uit het geloof van Abraham, die elementen neemt welke bruikbaar zijn. Hij compileert a.h.w. een godsdienst uit al deze gegevens. Om te weten hoe hij daartoe komt, doen wij het verstandigst ons een ogenblik te houden aan enkele uitspraken, die hij heeft gedaan en die zijn terug te vinden in de archieven van de tijd, niet in de archieven der mensen. “Slechts indien het volk één God kent, zal het zich gebonden achten. Wij, mijn broeder en ik (zie voetnoot aan het einde van deze les) mogen niet meer godheden aanvaarden.

Wij kunnen Adonaï niet stellen naast Jahwe. Wij moeten zeggen: Ziet, dezen zijn één. En is niet alle God één? Want is niet de gehele schepping voortgekomen uit één God?” Wat Ichnaton niet had, heeft Mozes. Niet alleen dat hij een visie heeft op het Goddelijke, niet alleen dat hij profeet en gezondene is, een groot mens, maar hij heeft bovendien dat beetje politiek inzicht wat hem mogelijk maakt te slagen daar, waar Amenhotep IV ‑ zich noemende Ichnaton ‑ tenslotte moest onder gaan. Mozes heeft de visie om een godsdienst te scheppen die niet alleen alle elementen van de wetgeving bevat die noodzakelijk zijn, maar die bovendien een band vormt tussen de mensen die hij wil samenhouden om zo een zedelijk verantwoorde samenleving op te bouwen. Mozes is een zeer groot denker. Dat zijn wetten niet altijd origineel zijn, mogen wij hem niet zo kwalijk nemen. Wetten zijn al zolang een erfdeel van de betere families in de joodse geslachten. De wetten bv. van Hammoerabi, vorst van Ur, leven gevarieerd voort bij de joden, de Perzen, de Syriërs, de Myceërs, ja zelfs tot in Egypte toe. Deze wetgeving nu is een menselijke. Tegen een menselijke wetgeving zondigt men snel. Mozes verheft dus deze wetgeving tot goddelijke wetgeving. Denk niet dat hij een bedrieger is. Zeker, zoals het geschreven staat, is het niet geweest. Maar Mozes heeft ‑ in zichzelf met God te rade gaande ‑ de waarden die het Goddelijke het meest benaderden, die het best uitdrukking zouden geven aan het wezen en de liefde Gods zoals hij het beleefde, neergelegd in een wet, waardoor hij zijn volk kon leiden en het kon maken tot een groot volk.

Ik heb zo even Hammoerabi genoemd. Daarmee ben ik weer een stap oostelijk gegaan. Het zal u niet verwonderen dat ik in deze bespreking nog enkele andere oosterlingen aanhaal. Ik denk hier bv. aan Prins Siddhartha, de latere Gautama Boeddha. Alweer een zuiver voorbeeld van de groten der mensheid, al geef ik toe dat hier, evenals bij Mozes, niet meer alleen sprake is van een zuiver denken. Zo zou ik deze figuren althans ten dele moeten schrappen uit een lezing, die “Denkers der mensheid” heet. Ik kan echter de verleiding niet weerstaan. Want als wij alle wonderverhalen wegnemen, wat blijft er ons dan over van de mens, de denker Siddhartha? Siddhartha, geboren uit Maya, een reine en vorstelijke vrouw, wordt opgevoed in alle wetenschap en kunsten van zijn tijd. Later zal men het woord maya gebruiken als begoocheling. Maar Maya is de bron, waaruit Boeddha wordt geboren. Zij leert hem denken. En zelfs wanneer hij ‑ nog in zijn wilde jaren ‑ samen met zijn speelgenoten uittrekt, maakt hij reeds opmerkingen die ons bewijzen dat niet alleen een geestelijke bewustwording zonder meer hem tot leraar heeft gemaakt. “Het leven” zo zegt hij, “is een aaneenschakeling van gebeurtenis­sen. Maar ik blijf mijzelf gelijk. Want ik ben het, die vreugde heeft. Maar ik ben altijd mijzelf. En door mijzelf te zijn ben ik het vaste punt in deze wereld.” Men lacht er om. Een oude leraar zegt dat dit geen filosofie is. Maar vinden wij later deze elementen niet terug als hij zijn leer openbaart? Ook hier! De mens als centrum van de wereld. De mens zelf, die het stabiliserend element moet worden van deze wereld, omdat hij zo bewustwording kan vinden, kan ontsnappen aan karma, enz. Zeker, ook Prins Siddhartha is een groot denker.

Dan kennen wij de grote Chinese filosofen. Denk eens aan Lao tse. Denk aan de leer van Tao. Denk aan de Tao Teh King. Leerstellingen die zeer zeker niet berusten op ingevingen zonder meer, maar waaraan een gedachte ten grondslag ligt, die juist door haar klaar en menselijk benaderen van het probleem bewijst dat ook China in de oudheid, zijn werkelijk grote denkers heeft voortgebracht. De weg van het goede gedrag, van het volmaakte gedrag. Zo zou men eigenlijk die leer kunnen noemen. Tao is meer en minder dan gedrag. De waarde waarop deze wijsgeren en filosofen zich baseren is a.h.w. de innerlijke mens. En zoals de Chinees in die tijden enorm gehecht was aan manieren, aan tradities, zo was hij ook innerlijk gehecht aan het vasthouden aan bepaalde waarden. Hij ging voor zichzelf zeggen: “Ik heb in mij een waarde die vastligt. Die waarde maakt het mij mogelijk mij in de wereld zo te uiten, dat ik mijzelf te allen tijde trouw kan blijven.” Daarop berust de hele leer, de hele gedachtegang. Van Lao Tse is bekend dat hij eens tegen een vorst zei: “Een vorst is geen vorst door de hoed die hij draagt of de rang die hij bekleedt, maar door datgene wat in hem leeft.” Iets wat onvoorzichtig was, ook in zijn tijd. Vandaar dat hij een lange tijd over de grenzen en in de buitenste provincies in verbanning heeft geleefd. Een vorst is geen vorst door de uiterlijkheden, maar door wat er in hem leeft. Hij zegt datzelfde over de mens. Hij zegt het over alle leven. De innerlijke waarden zijn betekenend. De uiterlijke vorm is slechts een aanpassing van het innerlijk. Indien daartussen een strijd bestaat, dan is Tao gebroken, dan is ook de levenskracht gebroken, dan gaat de mens ten onder doordat hij tegen zichzelf verdeeld is.

Ik zou nog veel meer filosofen kunnen aanhalen. Ik zou u kunnen spreken over Plinius bv. die zeker ook de moeite van het noemen waard is. Maar ik geloof dat ik verstandiger doe om niet te veel hooi tegelijk op mijn vork te nemen en nu eerst even de besproken periode ga afronden met een korte kenschets van de grondslag van de grote denkers in die dagen. Want het karakter, de achtergrond die wij bij de denkers vinden, verschilt zeer in de opeenvolgende perioden. De denkers van de oudheid, zoals wij die tot nu toe hebben besproken, baseren zich allen op het Goddelijke. Vanuit het Goddelijke komen zij tot een benadering van het menselijk bestaan. Het menselijk bestaan zelf is ondergeschikt aan geestelijke waarden. Hun gedachtegang omtrent schepping en levenskracht is hen voornamer, belangrijker en meer waard dan al het andere. Zelfs hun politieke wapens zoals zij die gebruiken, hun pogingen om vrede te brengen of hun redenen om oorlog te voeren, worden niet geboren uit stoffelijke overwegingen, maar vanuit God. De dwazen projecteerden hun eigen wil in de God. De wijzen van die dagen zochten in die God een waarheid, groter dan zijzelf. Maar zij faalden vaak door zichzelf niet aan hun God aan te passen. Zo gaat het haast altijd weer.

Als wij nu wat verder gaan en wij gaan een volgende keer de Grieken beschouwen, dan zullen wij ontdekken dat de Griek uitgaat van de mens. Hoe wonderlijk en hoog, hoe esoterisch vaak zijn filosofie moge klinken, altijd weer is de achtergrond hiervan de mens. Bij de denkers van de oudheid was het God. Bij de nieuwere denkers die wij later gaan behandelen, zullen wij vinden dat het innerlijk van de mens belangrijker wordt. Eerst in mystieke zin: de ziel van de mens en haar verhouding tot God. Later het innerlijk en onbewust denken van de mens en de houding tegenover het leven en de wereld. Dit in niet toevallig. Elke tijd brengt de denkers voort die in staat zijn het beste van die tijd te gebruiken als bouwstenen voor een gedenkteken. Het gedenkteken dat lang zal blijven voortbestaan wanneer de herinnering aan de volkeren waaruit het voortkwam reeds is vergaan. Zoals uit de oudheid stemmen tot ons klinken van lang vergeten wijsgeren en volkeren, die nu nog de wijzen zowel als de zoekers  weten te binden met de grootsheid van hun gedachten. Zo zal ook deze tijd waarin u thans leeft in haar denkers eens een monument oprichten dat langer duurt dan alle steen en alle staal. In de denkers van de mensheid hebben wij tot nu toe de voorgeschiedenis gevonden van de filosoof van het christendom. Dadelijk zullen wij in de denkers de voorboden vinden van een technisch tijdperk. En in deze tijd, uw tijd, zullen wij met de enkele denkers die wij kunnen aanstippen, een nieuw, een wonderbaarlijk iets vinden: een voorzegging, als het ware mystieke wetenschap en wetenschappelijke mystiek die ‑ tezamen één geworden ‑ de mensheid omhoogtillen ver boven alle menselijk vermogen uit, zoals dit tot nu toe werd gezien. Daarmee zullen deze lezing voor heden besluiten

Noot: Aaron wordt genoemd als de “broeder van Mozes. Dit behoeft niet noodzakelijk in te sluiten dat hier een natuurlijke familierelatie be­stond; daar het ritueel dat leidde tot bloedbroederschap ook in die dagen een bekend Arabisch gebruik was.