Van Uptah tot Ichnaton

Uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

Wanneer wij spreken over de denkers van de mensheid in de verre oudheid, dan moeten wij goed begrijpen, dat het praktisch onmogelijk wordt alle grote figuren te behandelen. Het zal dus mijn taak zijn om u enkele steekproeven voor te houden, u enkele uitzonderlijke figuren te noemen en u zo te wijzen op de vooruitgang die de mensheid heeft gemaakt.

Want de grote denkers van de mensheid zijn niet de scheppers, de creatoren van hun gedachten. De gedachte komt voort uit de ontwikkeling van het geheel. Indien deze ontwikkeling uit het geheel voortkomt, is het begrij­pelijk dat de grote denken in de eerste plaats de gedachten van zijn tijd, van de mensheid zoals hij ze kent, formuleert. In de tweede plaats, want daarom is hij een groot denker, zal hij hieruit logische gevolgtrekkin­gen gaan maken die dan op den duur door de rest van de mensheid weer­ als een soort gemeengoed zullen worden geaccepteerd.

Nu is de eerste denker, die ik op het oog heb, een volkomen onbekende. Men noemde hem Uptah. Het aanwezig zijn van de lettergreep ptah herinnert ons aan de Egyptische godsbegrippen die wij misschien nog aan het einde van dit betoog kunnen ontmoeten. Uptah was een mens uit het stenen tijdperk. Het rad was nog niet uitgevonden, het vuur was pas door de mens beheerst. U begrijpt dat het denken dus betrekkelijk eenvoudig was. De normale mens dacht aan het leven als een afwisseling van voldoeningen. en frustraties. Een enkele maal zocht men reeds fetisjistisch een verband te leggen tussen het gebeuren dat elke mens in het leven steeds weer naar een bepaalde plaats stuwde en de krachten die de mens in zichzelf niet erkende. Opvallend is dan ook dat reeds in deze tijd een denker durft uitspreken dat een fetisj tenslotte slechts een waanbeeld is. Ik kan het niet letterlijk vertalen want dan zou ik uit zo’n kleine vocabulaire moeten putten dat de werkelijke betekenis voor de meesten van u verloren zou gaan. Want uitgebreid echter luidde deze uitspraak als volgt: “Wij geloven in krachten die wij zien noch kennen en menen dat deze in bepaalde voorwerpen of bomen zetelen. “Ik geloof echter dat een kracht die in staat is het lot van een mens te veranderen, niet kan worden gebonden aan een zo kleine omgeving en vorm. Er moeten hogere wezens zijn die in hun bewegingen en daden minder beperkt zijn dan wij mensen zelf. Dat is dus al een heel grote vooruitgang t.a.v. het denken van zijn omgeving, maar … het wordt daaruit geboren. Het zoeken van de mens naar een bovennatuurlijke verklaring voor al hetgeen in zijn leven van invloed was, brengt de denker Uptah ertoe om dit in de mens levende te formuleren. Geconfronteerd met de gevormde en uitgesproken gedachte kan hij het daarmee niet geheel eens zijn. Hij tracht dus naar zijn eigen denken en weten deze gedachte aan te vullen.

Dit proces zullen wij zien bij alle grote denkers, maar dan ook werkelijk alle. Of wij spreken over de grote denkers van Atlantis, dan wel gaan kijken bij de priester‑filosofen van Perzië, van Egypte, bij de Aristotelianen of waar dan ook. Wij zien steeds dezelfde grondslag. Het is begrijpelijk, dat de volgende grote denkers reeds verder grepen.

Zo vinden wij een zekere Gundrajah, die de volgende gedachte poneert in een tijd dat het veelgodendom pas op weg is naar zijn volle ontwikkeling: “Wij geloven dat er goden zetelen in de natuur. Indien echter deze god verschillend is op deze en gene plaats, zoals blijkt uit naam en verering, is er klaarblijkelijk sprake van een willekeurige naamgeving onzerzijds. Als deze macht bij mij zo heet, dan kan een naamsverandering daaraan niets af‑ of toedoen. Dan moet deze kracht over de gehele bekende wereld gelijk en in de gelijke persoonlijkheid optreden.”

 Vandaar is het al niet meer zo ver naar de denker, die reeds komt tot een omschrijving van het leven en van de goden. Het is in dit geval een vrouw. Zij werd Istariës genoemd. Istariës was priesteres. Zij leerde o.a. ‑ ook dit alles weer in vrije vertaling: “Er zijn vele goden. Steeds meer goden zien wij tot ons treden. Echter is er één Vader der goden. Als op zijn bevel de uit hem geborenen tot ons komen, zo is dit omdat hij een doel met de­ze goden en met ons heeft. Wij kunnen niet doorgronden wat het doel van ons leven is. Maar wij weten dat wij worden geleid door deze grote Vader aller goden.” Iets later vinden wij op vele plaatsen tegelijk ‑ daarom zal ik hiervoor geen spreker aangeven ‑ de volgende gedachte: “De verschijnselen dezer aarde zijn tweeërlei: degenen die goed zijn (d.w.z. voor ons aanvaardbaar) en degenen die kwaad zijn (d.w.z. voor ons niet aanvaardbaar). De beide krachten of ver­schijnselen treden beurtelings op. Zij zijn met ons denken niet te verenigen tot een eenheid. Wij moeten dus aannemen dat hier twee machten zijn. Waar zij elkaar afwisselen, mogen wij zeggen dat zij een voortdurende strijd voeren en zo komen tot een wisseling, waarbij Ozmuth en Azmuth voortdurend strijden om het lot van de mens” Dat ik die twee namen noem, ligt aan het feit dat de gedachte het zuiverst werd uitgedrukt in de buurt van Perzië en Babylon. Echter zou ik daarvoor evenzeer andere namen kunnen gebruiken.

Nu zijn wij in een fase gekomen, waarin de denker langzaam maar zeker de beschikking heeft gekregen over een arsenaal van gegevens, waaruit vele gedachten omtrent de mens en zijn leven, zowel als over de bovennatuurlijke krachten kunnen voortkomen. Hij weet nu in de eerste plaats dat er een Oppergod is, één grote God. In de tweede plaats dat het leven van de mens een doel en een richting heeft. In de derde plaats ‑ ofschoon door mij nog niet genoemd – weet hij ook reeds dat er een voortbestaan is, ook al wordt dit nog niet voor alle mensen gelijk mogelijk gezien. In de vierde plaats weet hij dat er een strijd is tussen goed en kwaad.

 Dan geloof ik verstandig te doen een grote sprong te maken en als zuiverste vertegenwoordiger van de verdere ontwikkeling van het menselijk denken Hepth te noemen, de hogepriester van Re, die in het Beneden‑ Egyptische rijk gedurende één der eerste dynastieën reeds in de primitieve lettertekens van zijn tijd neerschreef: “Er kan slechts één God zijn. De zon geeft ons leven. Zij is het die de aarde vruchtbaarheid brengt. Zij is het die ons licht en duister schenkt. Zo is zij het teken van deze god.” “0mdat wij bestaan nu in deze dan in gene vorm, zoals de goden ons leren, moet deze Godheid ons geschapen hebben met een doel dat verder gaat dan slechts de voldoening van de kleine schuld des levens.” “Ons eigen streven en handelen zal bepalen hoe wij tegenover deze Godheid staan en derhalve ook hoe wij zijn invloed in ons wezen zullen ervaren.” Een zeer belangrijke gedachte, zijn invloed in ons wezen zullen ervaren. Wanneer wij met God harmonisch zijn dan kunnen wij ‑ nog primitief denkend ‑ dat zien als een feodale verhouding. God, de Beschermer en Heerser, beschermt, geeft gunsten en voordelen aan eenieder die hem gehoorzaam is en de taak, zoals de Heerser (God) deze voor die mens heeft gesteld, goed volbrengt. Wie zich tegen de Heerser (God) stelt, wordt uit het land verdreven, zijn goederen worden hem ontnomen of hij wordt in slavernij geworpen of ter dood gebracht.

Het principe van straf en beloning is in deze periode ook oppermachtig. Ik zou graag reeds ingaan op enkele Egyptische en ook Chinese filosofieën die in latere tijd tot ontwikkeling komen. Ik hoop deze even aan te snijden, als ik wijs op de taoïstische ontwikkelingen, zoals Kungfu Tse en Lao-tse deze tot uiting hebben gebracht. Op het ogenblik wil ik mij echter bepalen tot de verdere ontwikkeling in de rijken rond de Middellandse Zee als zijnde kentekenend voor een gelijksoortige ontwikkeling van het denken in de gehele mensheid.

 Waar een schrift bestaat, worden steeds grotere en meeromvattende bronnen ter beschikking gesteld aan eenieder die zoekt en denkt. Zo zien wij dan Amontera, eveneens een hogepriester en één van de eerste priesters in de Amon‑cultus, na rijp beraad neerschrijven: “De wijsheid der Ouden, opgetekend door velen uit de overlevering, brengt ons tot het besef dat er een goddelijke Rechter moet zijn. Een rechter kan slechts oordelen, indien er wetten zijn die hij heeft gegeven. Want zo wij van de vorst (de Farao) rechtvaardigheid en bescherming verwachten, zo mogen wij dit des te meer verwachten van de Vader uit wie onze vorst is voortgekomen.” God is rechtvaardig. Misschien voor u een primitieve gedachte, maar van betekenis. Want vóór die tijd heeft niemand dat geformuleerd. God is rechtvaardig! Hij gaat verder: “Indien ons leven en ons streven voortdurend gericht blijven op datgene wat de goden ons leren, zo kunnen wij nooit tegen de grote Kracht iets misdoen.”, Dan komt er een klein stukje in voor ‑ ik haal niet het gehele geschrift aan ‑ dat mij persoonlijk zeer te denken gaf, toen ik het vernam; “Waar ons de gave werd gegeven om te denken, is het onze taak zelf de goden te vragen wat hun wil is, hun raad in te winnen en hun hulp af te smeken. Want er kan geen mens zijn die de wil der goden zo uitdrukt als de God zelf dit in ons kan doen. Opvallend. Natuurlijk, deze denker leeft in een tijd dat een tempelmedium een normaal verschijnsel is, waartoe iedereen zich onmiddellijk wendt. De orakels spreken reeds. Maar het denken te stellen als iets dat je onafhankelijk maakt van de menselijke wet en gelijktijdig onderwerpt aan een grotere, een goddelijke wet, mag ik hier toch wel een conclusie noemen die van zeer groot belang is. Want juist dit denken vinden wij bij latere grotere denkers en filosofen terug als de basis van het gehele bestaan. Ik wil mijn betoog niet te lang maken.

De ontwikkeling leidt tenslotte zelfs tot een geheime leer, waarbij men na rijp beraad en diepe gedachten de Farao tegenover het volk weliswaar onschendbaar stelt, maar deze onschendbaarheid niet wenst te handhaven in de kring der ingewijden. Zo is het mogelijk dat het priesterdom van Egypte zichzelf een Ichnaton en een Mozes baart. Beiden zijn zij kenners van de priesterlijke leer en wetenschappen. De zachtaardige “Zoon van Aton”, zoals hij zich noemt, werd verteerd door verlangen naar weten. Tegen de wil van zijn sterke, hem regerende moeder in zocht hij alle priesterlijke geheimen na. De grootste geheimen van het priesterschap werden hem geopen­baard. Evenals Mozes, die met zijn broeder Aäron een tijdlang als pries­ter fungeerde; eerst in Thebe, later in een van de meer aan de grens­ van de woestijn gelegen heiligdommen. Ook zij nemen deze leer op.

Waar Mozes het resultaat neerlegt in zijn beschrijving van het ontstaan van de aarde in zijn geschiedschrijving van het volk Israëls en zijn lot, zien wij dat de denker Ichnaton verder grijpt. Ichnaton zoekt niet naar een volk. Hij zoekt niet naar een stoffelijke vorm, waaraan hij zijn God kan ophangen. Hij heeft geen kapstok nodig voor zijn ideeën. Zijn ideeën zelf overrompelen hem als het ware. Als hij in eenzaamheid in de tuinen peinzend schouwt naar de zon, dan begrijpt hij meer en meer wat in de oude hepthefische overleving bewaard is gebleven. Hoe Hepthe gelijk had toen hij over de zon sprak als het symbool van God. Hij droomt van een God die geen vertegenwoordiger op aarde kent. Hij droomt van een God die wordt geëerd omdat dit de gebruiken van de mensen zijn, maar die in werkelijkheid is, de grote liefdeskracht die het gehele volk verenigt. Hij zoekt naar een God van vrede en geluk. En hij vindt deze. Ichnaton, idealist. Een idealist die kon zeggen: “Ziet, werd de wereld voor enkelen geschapen, elkeen heeft recht op haar weelde en elkeen heeft recht op haar vreugde.” Ichnaton, die durfde zingen in zijn Ode aan de zon: “Gij, onvergankelijke, die van ons schijnt te gaan en toch met ons zijt.” Een Godsbegrip in een volkomenheid, zoals wij dit niet meer zullen vin­den vóór het christendom. Daarnaast zijn tegenhanger ‑ Mozes, kind van de slaven, stiefkind van Egyptes edelste bloed, die ‑ priesterlijk haast ‑ zich genoopt voelt begrippen van God te verknopen met mensen en denken. Hij komt tot de stamgod Jehova, Jahweh, de grootmachtige, die zijn volk Israël beschermt en helpt.

Gij zult u verwonderen, dat ik onder de grote denkers der mensheid geen van de Aartsvaders heb genoemd. Maar dezen waren zieners en geen denkers. Want de ziener krijgt een openbaring en aanvaardt haar. Voor hem ligt de schepping open door goddelijke genade. Het is een gift die hij krijgt. De denker moet moeizaam elk brokje gedachtengoed ontworstelen aan de gehele wereld, waarin hij leeft en waarin hij moet zoeken naar een waarheid. Omdat een drang in hem niet toelaat te berusten in begrippen die te klein en te laag zijn voor zijn bewustzijn.

Wij spreken over denkers van de mensheid. De denkers van de mensheid zijn de pioniers die ‑ nemende wat de wereld hun gaf ‑ hebben geworsteld om hieruit een scherper beeld te distilleren van al hetgeen de wereld kende. Denkers zijn geen zieners. Zij hebben een moeilijke tijd. Zij worden soms door hun eigen inspiraties verward en moeten ‑ later zichzelf verloochenend ‑ terugkeren tot de eenvoud die zij reeds lang waren ontgroeid. Dat zal ik u later tonen bij groten als een Pythagoras. Elke denker verzamelt het goud der mensheid.

 Hierdoor is juist de filosoof, de denker, die zich baseert op het menselijke denken en be­staan de ware maatstaf voor de waarde van het menselijk bewustzijn in zijn tijd. Want bedenk: zij, die niet werden begrepen in hun tijd ‑ ook niet door enkelen ‑ dat waren de ketters en de dwazen. Die zijn verbrand, verjaagd, gehoond of gestorven als bedelende dwazen om wie men lachte. De grote denkers van de mensheid zijn de denkers die dicht genoeg bij hun tijd stonden om begrepen te worden en ver genoeg hun tijd voor­uit waren om ‑ zoekende in het bestaande ‑ nieuwe horizonten van bewustzijn te openen voor eenieder die hun leer wilde en kon volgen.