Venijnigheden

17 januari 1964

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u er graag op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen, dat uzelf nadenkt en dat u aan het einde van deze avond geestelijk iets rijker huiswaarts gaat, dan u gekomen bent. Mijn onderwerp voor heden gaf ik de titel: Venijnigheden.

De laatste tijd ontdekken wij nogal eens stekeligheden, zowel in de reacties van de mens op zijn naaste, als in grotere groepen en kringen. Wij vragen ons altijd weer af: Hoe komt dit nu eigenlijk? Natuurlijk zijn daar verklaringen voor.

Indien ik het mis heb, kunt u mij corrigeren, maar naar ik meen, is vastgesteld, dat in het Nederlandse volk steeds meer psychoses voorkomen, die dan door de staatslieden – die wat dit betreft zeer psychochem zijn – worden weg gegoocheld… een onbenullig woordspelinkje, dat bovendien venijnig is.

Indien wij echter de achtergronden eens nazoeken, vinden wij dat de oorzaak van de venijnigheden ligt in het feit, dat de mens leeft in de ene wereld en denkt in de andere. Wanneer elke mens in zijn eigen wereld denkt te kunnen betogen en redeneren, zonder er rekening mee te houden dat anderen in hun wereld misschien geheel andere opvattingen kennen, ontstaat al snel een scheiding van groepen. Wij vinden een passende gelijkenis terug in het oude testament, wanneer wij daar lezen over de bouwers aan de toren van Babel: zij spraken tot elkander en verstonden elkander niet. De venijnigheden, die, en politiek en anderszins, voortdurend worden geponeerd en gebruikt, komen, geloof ik, voort uit deze begripsverwarring. Zo is mijn eigenlijke onderwerp niet de venijnigheid op zichzelf, maar wel haar achtergrond, haar verband met deze tijd en vooral de remedie daartegen.

Op het ogenblik dat een mens voor zich een passend systeem heeft opgebouwd, zal hij, ongeacht of de feiten daaraan volledig beantwoorden, daarin geheel verder willen gaan. Wanneer wij een bekende venijnigheid uit de laatste tijden citeren, blijkt hieruit reeds onmiddellijke hoezeer anderen zich dan weer aan die eenzijdigheid ergeren. Er werd namelijk gesteld: een econoom is iemand, die op een rots in de Rijn gaat zitten om te turven voor elk voorbijkomend schip, om dan te beweren, dat hij al deze schepen dirigeert. Hierin ligt inderdaad een aanduiding van het euvel: er zijn vele mensen, die registreren. Zij registreren echter alleen, wat hen interesseert. Dankzij deze registratie kunnen zij zich dan een wereldbeeld opbouwen. Dit wereldbeeld hoeft niet in overeenstemming te zijn met de werkelijkheid, maar voor hen is het geldig en het geeft hen een begrip van meesterschap. Nu verlangen zij van anderen, dat zij hun gezag dat zij voor zich krachtens dit wereldbeeld opeisen, zonder meer zullen aanvaarden.

Naarmate de mensheid in aantal groter werd en de problemen van een dichte bevolking toenamen, ontstond er een nauwer samengaan van verschillende meningen en inzichten. Er is een tijd geweest, dat men, zoals onder meer de mormonen hebben gedaan, weg kan trekken naar een verlaten en onbekend gebied om daar op eigen wijze en volgens eigen inzichten te leven.

Deze mogelijkheid bestaat echter niet meer. Ofschoon ik de laatste zal zijn om economen en mormonen met elkaar te vergelijken, wil ik toch stellen, dat in de plaats van het wegtrekken en zoeken naar eigen vrijheid, voor velen een wanhopig verdedigen van eigen vrijheid, denkwijze en geloof is gekomen. Vaak begint dit eenvoudigweg zielig te worden, omdat de mensen eenvoudig niet in staat zijn een gemeenschap te scheppen, waarin hun idee de enige wet is.

Een gemeenschap van economen kan een gemeenschap stichten, die geheel aan elke economische wet die men ontdekt of stelt, zal gehoorzamen, omdat immers eenieder van de waarheid daarvan overtuigd is. Komen wij echter in een wereld, waarin bv. 30% van de bevolking ja zegt, 20% zich laat besturen zonder meer, terwijl 50% tegen de stellingen nee zegt, zullen de economische theorieën steeds weer van hun voetstuk van onfeilbaarheid vallen. Het blijken geen werkelijke wetten te zijn, doch alleen stellingen, die steeds weer onjuist blijken te zijn. Dit betekent dan, dat de econoom zich tegen de wereld moet verdedigen om zijn begrip van eigenwaarde, zijn waardering van eigen zijn en misschien eigen levenswerk zelfs, te kunnen blijven handhaven.

Hij zal dit alleen kunnen doen door aan te vallen, door venijnig te zijn. Hij wordt giftig – wat uiteindelijk de vertaling is van het woord venijnig. Dit komt allereerst tot uiting in de vorm van toorn of verontwaardiging over anderen. Hoeveel mensen regelmatig verontwaardigd zijn in deze dagen – is het niet hierover, dan toch daarover – hebt u naar ik meen, zelf reeds ontdekt. Maar deze verontwaardiging komt voort uit eigen onzekerheid, waardoor sneller eigen begrippen van waarde en belangrijkheid worden aangetast. Het resultaat is, dat men de zekerheid, die men begeert, alleen terug meent te kunnen winnen door alles, wat deze zekerheid bedreigt, aan te vallen en te verpletteren. Wij krijgen dan te maken met acties, die regelrecht met eigen geloof, stellingen enz. in strijd zijn.

Om u een voorbeeld te noemen: in de economie werd een 10% loonsverhoging in Nederland niet als economisch verantwoord en mogelijk beschouwd. Toen zij toch werd afgedwongen, bleken vele economen opeens bereid om te betogen en aan te tonen, dat het wel mogelijk was. Over een 6-tal maanden zult u velen ongetwijfeld weer horen zeggen, dat dit nooit mogelijk is geweest.

Deze methoden van zich aanpassen was alleen maar mogelijk, door aan anderen de schuld te geven van dingen, waarvoor men zelf in wezen aansprakelijk of mede aansprakelijk was. In dit geval moesten het de behoudzuchtigen, de ambtelijken zijn, die immers nooit voor een vernieuwing voelden. Zij waren het uiteindelijk, die alles hadden afgeremd. De anderen wisten het reeds eerder zo goed, dat alles mogelijk was. Morgen zijn het dezelfden, die zullen uitroepen: deze ambtelijke mensen hebben toen maar ineens toegegeven, zonder na te denken, zonder ons eerst te zeggen, wat de consequentie van een toegeven aan deze eisen zou zijn. Zij zijn schuldig.

Onze theorie is steeds juist geweest, doch men heeft onze adviezen niet opgevolgd, of heeft ons verkeerd voorgelicht.

Nu vraagt u zich af, waar moet dit naar toe? Wordt het weer een echt vervelende avond? Als u nu even ziet, naar alles wat ik gezegd heb, zo ziet u, dat daarin een afschuiven naar anderen van eigen verantwoordelijkheden naar voren treedt. Een afschuiven, dat met zich brengt: een zichzelf gerechtvaardigd voelen. Door de werkelijke aansprakelijkheid heden steeds aan anderen toe te kennen en bij een mislukken deze anderen steeds weer aan te vallen, maar bij een gelukken echter zichzelf te prijzen daarvoor, kan men voor zich een beeld verkrijgen van eigen waarden en belangrijkheid, dat heel wat gunstiger en groter is, dan de werkelijkheid ooit kan zijn. Hetzelfde kunnen wij ook stellen t.a.v. een geloof. In een geloof geldt precies hetzelfde. Een mens heeft een geloof maar brengt dit geloof volledig in de praktijk, wanneer het hem past, anders niet. Nu komt er een ogenblik, dat dit geloof van buitenaf werkelijk, of schijnbaar door anderen wordt aangetast, en dan zegt men: deze anderen moeten vernietigd worden, zij moeten met uiterste strengheid bestraft worden, want zij plegen sacrilège. Daarbij vergeten zij één ding: dat zijzelf de heiligheid van dit geloof niet voldoende beleven of beseffen. Want anders zou voor hen geen sacrilège meer mogelijk zijn van de voor hen volgens eigen geloof onaantastbare en eeuwige waarden. Ten hoogste zouden zij de anderen met medelijden bezien in het besef, dat deze de gevolgen zou moeten ondervinden van het aantasten van werkelijke waarden.

Door anderen aan te vallen, tracht men voor zich eigen gedragingen te rechtvaardigen, die men innerlijk wel erkent als niet geheel in overeenstemming met eigen geloof. Zo ziet u ook hier weer een teruggrijpen naar eigen belangrijkheid. Hoe meer eigenbelangen, of de behoefte belangrijk te zijn, wordt aangetast, hoe sterker en feller, naar wij zullen ontdekken, de aanval op de anderen geladen is met gif.

Zolang de mensen bij geschillen van mening vriendelijk en begrijpend tegenover elkaar staan, kunnen wij wel aannemen, dat zij zich zeker voelen van eigen zaak en waarde. Indien in de Kamer iemand stelt: “De geachte afgevaardigde is klaarblijkelijk niet op de hoogte van deze en deze en deze feiten. Ik zou hem dus willen verzoeken om, met in acht neming hiervan, zijn standpunt opnieuw te bepalen”, zo kunnen wij wel aannemen, dat deze man zeker is van zijn zaak.

Maar op het ogenblik, dat iemand begint te zeggen, dat de dictatuur van de staat en de miskenning van de boerenstand, of de kapitalistisch misdadige regie van deze of gene, aansprakelijk wordt geacht, zonder daarbij verder bewijzen te brengen en man en paard te noemen, dan weten wij, dat zo iemand niet zeker is.

Wat kunnen wij daartegen doen? Want het is wel aardig om al dergelijke venijnigheden op te sommen en ik zou u ongetwijfeld het grootste deel van de avond aangenaam bezig kunnen houden met dergelijke venijnigheden, maar het is belangrijker om een antwoord te zoeken op de vraag: wat kunnen wij daartegen doen?

Op de eerste plaats is het noodzakelijk, dat de mens zeker wordt van zichzelf. Dat betekent niet alleen, dat hij zeker moet zijn van zichzelf en zijn betekenis, maar ook van zijn kunnen, dat hij zeker moet zijn ook van zijn achting voor zichzelf, dat hij zijn eigen betekenis, zijn waarde en zijn waarheid moet beseffen. Zo lang hij van deze dingen niet volledig zeker is, kan hij niet in een maatschappij met een dergelijk veelvoud van meningen en stromingen als de huidige leven. Hij kan ook niet waarlijk geloven, want zijn uiterlijk geloof wordt, juist door dit gebrek aan zelfkennis, zelfvertrouwen en identificatiemogelijkheid, eenvoudig weggespoeld door alle tegengestelde meningen. Wanneer zo iemand nog aan een geloof vasthoudt, doet hij het over het algemeen alleen maar, omdat hij daarin tenminste nog iets heeft, waaraan hij uiterlijk betekenis kan ontlenen, maar niet, omdat hij innerlijk daarmede vervlochten of tenminste zeker daarvan is.

Schep daarom allereerst voor de mens de noodzaak zichzelf te realiseren, zoals hij werkelijk is. Dan is er nog iets nodig: op het ogenblik, dat wij uitgaan van het standpunt, dat een bescherming nodig is voor alle groepen, zullen wij deze groepen zelf dus het recht en de plicht om zich te verdedigen enigszins gaan ontnemen. Wij zullen de zwakken a.h.w. voortrekken, maar de bekwamen en sterken daardoor benadelen.

In een maatschappij, waarin men probeert om iedereen tevreden te stellen, kan niemand werkelijk tevreden zijn. Wanneer een regering of, wat dat betreft, een kerkelijk gezag, alles tot in de finesses regelt, kan men er wel zeker van zijn, dat juist hierdoor ofwel verzet dan wel een vertekening ontstaan. Het eindresultaat is innerlijke strijd voor de mensen, maar ook een buitengewoon hatelijk optreden van zeer velen tegenover anderen. De meest hatelijke zijn dan uiteraard de zwakken, die zich alleen kunnen handhaven dankzij de voorkeursbehandeling, die zij genieten. Stel daarentegen, dat alleen een minimum aan werkelijke schade aanvaardbaar is en materiële zekerheden dus wel kunnen worden geschapen; maar dat de mens zijn geestelijke zekerheden zelf zal moeten verwerven en verdedigen. Dan zal eenieder voor zich moeten werken, ingrijpen, handelen. Dat betekent, dat zijn protest niet meer onwaar is, waar hij door de gemeenschap aan zijn protest en alle consequenties daarvan gehouden zal worden. Het betekent, dat hij zijn houding en alle reacties zal moeten bepalen, niet alleen aan de hand van zijn lust tot protesteren, maar ook aan de hand van zijn aanvallen op de gemeenschap of op delen daarvan.

Door de mensen deze verantwoordelijkheid te dragen te geven, dwingen wij wederom de mensen zichzelf te erkennen, voor wat zij werkelijk zijn, alleen te strijden, voor wat zij werkelijk als buitengewoon belangrijk erkennen en waarvoor zij de mogelijke gevolgen gaarne over hebben, hoe ernstig dezen materieel of geestelijk ook mogen zijn.

Er is nog een derde punt: een oplossing kunnen wij nooit voor onszelf vinden door anderen aan te vallen. Want wanneer ik een medemens aanval, weet ik zeker, dat dit op mijzelf terug zal slaan. Venijn baart venijn. Wanneer u hier iemand met een heel gerust geweten aanvalt – een willekeurige figuur, neem er maar een …. Luns bv. Ik zeg bijvoorbeeld dat deze langs de luchtwegen heel wat af stottert, maar dat het de vraag is, of de kosten van reis en verblijf nu ook werkelijk steeds gedekt worden door de waarde van zijn stotteren – zal dit rustig venijnig, hatelijk genoemd mogen worden. De vraag is echter: komt er misschien een ogenblik, waarop ik zo luid ben met mijn aanvallen, dat ik antwoord moet krijgen. En aangezien mijn aanval hier een zuiver persoonlijke is geweest, kan ik alleen een aanval op mijn persoon terugverwachten. Dan moet ik mij dus weer gaan verdedigen.

Wanneer ik echter een probleem in mij opneem en constateer, dat het in wezen onbelangrijk is, kan ik op een eenvoudiger wijze reageren. Ik kan eenvoudig stellen: ik leg dit naast mij neer, het venijn, dat hierin schuilt, maak ik betekenisloos door mijn onverschilligheid. Alle geestelijk venijn is van die geaardheid, zodra wij er op reageren, is het buitengewoon giftig, zodra wij er echter niet op reageren, kan het ons niet verder schaden. Hieruit volgt dan een conclusie. Op het ogenblik, dat de mensen zonder geheel aansprakelijk te zijn voor hun uitingen, zowel met woorden als met naam, bezittingen en dergelijke, zich kunnen uiten, zal de neiging blijven bestaan om onjuist op te treden. Zo ontstaat een vergroeiing van de geestelijke bewustwording. Hiertegen kan alleen geageerd worden door de mens te dwingen, de feitelijke consequenties te ondergaan van zijn stellingen en aanvallen, zodat hij althans geestelijk daardoor niet geschaad kan worden en zal worden afgeremd in zijn meer materiële uitingen van onverantwoordelijkheid.

Hier wordt het dan tijd om over te gaan tot een volgend deel van het betoog. Want wij moeten onszelf dus leren kennen. Maar hoe?

Kort een paar punten samenvattend die u reeds meer hebt gehoord, stel ik allereerst: wanneer wij denken, dromen, reageren in een bepaalde richting en dit steeds weer herhalen, zo is dit inherent aan ons wezen. Door te erkennen, wat in onze dromen, denkwijzen, geneigdheid op de voorgrond treedt, erkennen wij tegelijk, wat op het ogenblik voor ons het belangrijkste doel in het leven is. Door rekening te houden met de gevolgen en de reacties, die wij vanuit de wereld ontvangen, kunnen wij weten, in hoeverre dit doel voor de wereld juist gesteld is. Alleen hierdoor reeds is een juistere vaststelling van eigen gerichtheid binnen de wereld mogelijk.

In de tweede plaats: goed en kwaad, zoals dezen buiten mij schijnen te bestaan, zijn nimmer waarden, die onbeperkt gelden. Laat daarom de mens steeds uitgaan van het goede, zoals hij dit in zichzelf erkent en verder goed en kwaad beschouwen als een bijkomstigheid, die misschien zijn optreden, zijn wijze van handelen mede zal kunnen bepalen, maar nimmer prioriteit kan gewinnen boven zijn eigen oordeel, zijn eigen aanvoelen van de persoonlijke waarden van goed en kwaad.

In de derde plaats: laat elke mens trachten om alles, wat hij eist van het leven, te zien als gepaard met de consequenties en laat hem mede aan de hand van deze consequenties afmeten, in hoeverre een bepaald streven voor hem werkelijk aanvaardbaar of begerenswaardig is.

Hierdoor zal hij voor zich steeds weer een argumentatie van eigen drijfveren en werkelijke verlangens op moeten stellen en zal hem tevens ook hieruit weer blijken, hoe en wie hij werkelijk is.

Hierop volgt als vanzelf de vraag: wanneer je jezelf beter leert kennen, wordt je dan ook werkelijk minder venijnig? Ik geloof inderdaad, dat het venijn van de mens, zijn scherpte tegenover de wereld zal afnemen, naarmate hij een juister beeld verwerft van eigen wezen en betekenis. Slechts op het ogenblik dat de mens zichzelf niet werkelijk waardeert of zelfs innerlijk ziet als waardeloos, zal hij over het algemeen met furiositeit reageren op alles wat hem niet zint in de wereld, Degene, die zichzelf kent, weet, dat hij een bestemming heeft, een plaats en mogelijkheden. Hij zal daardoor zeker zijn van zichzelf en geen behoefte meer hebben aan felle aanvallen naar buiten en felle reacties op de wereld buiten hem.

Kunnen wij nu verwachten, dat in de komende tijd iets van dit alles verwerkelijkt zal worden, dat de mensen zichzelf inderdaad beter zullen leren kennen? Tja…. Er is een oude legende dat eens,  toen de wereld geschapen zou worden, de wereldzee gekarnd zou worden. Het gif van de wereldslang kwam echter, door kwade wil van goden, in deze wereldzee terecht. Er was een god – Indra – die toen zelf al dit gif dronk. Als gevolg heeft hij op alle afbeeldingen nog een blauwe keel. Het resultaat van dit offer was, dat daardoor de wereld, waarop mensen kunnen leven, toch geschapen kon worden. Het karnen van de wereldzee had alleen, dankzij zijn edelmoedige daad, werkelijk resultaat.

Ik meen, dat wij deze legende toe kunnen passen op dit probleem en op deze tijd. Want inderdaad wordt de mensheid in deze dagen, zoals eens de wereld, gekarnd. Waarden veranderen met een tempo dat voor het menselijk begripsvermogen niet is bij te houden. Geestelijke inwerkingen vinden plaats op een zodanig snelle en felle manier, dat de mens zich niet eens bewust wordt, van hetgeen er gebeurt, voor het voorbij is. Daardoor ziet de mens alleen na korte tijd vol ontsteltenis, hoe alles rond hem opeens schijnt te veranderen.

Wij weten ook, dat in de afgelopen jaren – wij moeten daarbij drie tot tien jaren terug gaan – een felle strijd is gestreden tussen de Lichtende en de duistere geesten om deze mensheid. Een strijd, die, naar mijn mening, in deze dagen voor het grootste deel volbracht is, ofschoon er natuurlijk altijd nog wel enkele noodzaken tot krachtproeven over zullen blijven. Wanneer je nu zegt, dat deze wereld op het ogenblik gekarnd wordt – en dat meen ik, op grond van alle veranderingen, werkelijk wel te mogen stellen – moeten wij ons er ook bewust van zijn, dat er ergens een wereldslang moet zijn. Er is altijd wel ergens een chaotisch element aanwezig dat voor de naar vorming strevende ik-heid van de mens niet aanvaardbaar is, maar gelijktijdig toch uitermate verleidelijk.

Dan kunnen wij hiervoor misschien stellen: dit is de neiging tot stabilisatie van het heden. Stabilisatie van het heden noemt de mens zekerheid, maar is iets, wat blijvend gelijk en stabiel is, ooit wel waardevol, wanneer het niet gelijktijdig volmaakt is? Het is dood, het leeft niet. De mensheid en haar bewustwording kunnen niet leven binnen een gestabiliseerd bestaan en toch verder gaan. Zij zouden daaraan ten ondergaan. Men moet in de verandering leven, in de voortdurende innerlijke vernieuwing, in de voortdurende bereiking van nieuwe uiterlijke mogelijkheden, nieuwe contacten en nieuwe wegen.

Ik zou dus inderdaad de algemeen nu bestaande neiging, om de zaak te stabiliseren en a.h.w. alle belangrijke mogelijkheden tot verandering en ontwikkeling, terug te brengen tot onbetekendheden, willen beschouwen als het algemene en grote gif op deze wereld van u. Het is dan ook duidelijk voor eenieder, die maar even nadenkt, dat juist deze stabilisatie inderdaad de meeste haat, het meeste venijn, produceert.

Want, vrienden, wie wordt steeds weer aangevallen? Wat krijgt de grootste smaad te verduren? De mens die een gebaande weg gaat? Neen, de mens, die de moed heeft, de euvele moed, een weg te zoeken die geheel nieuw is, die niet past binnen het systeem en de stabiliteit van menselijk denken, die de maatschappelijke zoetsappigheid, van harmonische zelfgerechtigheid misschien zou kunnen aantasten.

Het is mogelijk op heksen te jagen of communisten te achtervolgen. Het is mogelijk om een dictatuur uit te oefenen onder het mom van een democratie. Het is mogelijk op deze wereld alles te doen, wat u wilt en toch gerespecteerd te worden, met rust gelaten te worden, zolang u niet het bestaande evenwicht bedreigt. Op het ogenblik echter, dat dit gebeurt, wordt u aangevallen.

Dan wordt er gevochten. Men vecht in feite niet, zoals u misschien zou denken, tegen onrecht, onjuistheid, belediging, aantasting van waarden en dreigingen, maar men vecht voor het behoud van een vaste en meestal reeds bijna dode evenwichtigheid waarin het menselijke wezen en het maatschappelijk bestaan ten onder kunnen gaan. Men zoekt naar een soort geïdealiseerde mierenstaat, waarin elke mens zijn eigen en vaste denkwijzen heeft, waarin eigen plaats en mening onaantastbaar en zelfs onredelijke worden, zodat zij alleen nog als een instinct binnen de eenling leven, verder niet. “Geen eigen denken a.u.b.!”

Dit mag natuurlijk niet zomaar gezegd worden, want ook dit is ergens venijn. Maar wanneer u de wereld beziet, zult u mij toe moeten geven, dat de situatie in feite werkelijk zó ligt en dat de aanvallen steeds weer gericht zijn op hen, die op enigerlei wijze zich daaraan onttrekkend, op enigerlei wijze trachten zelfstandig te reageren of te denken, op hen die proberen een mening te uiten, een daad te stellen, een politieke toestand te scheppen, die in overeenstemming is met hun weten en geweten en niet met het heilige evenwicht alleen.

Om dit gif weg te nemen is het noodzakelijk, dat er iets of iemand komt, die aansprakelijk kan worden gesteld voor alle onevenwichtigheid en deze smaad kan dragen, zonder daardoor venijn met venijn te beantwoorden, zonder zelf daardoor dus in strijd met of zelfs maar een verweer tegen de wereld uit te barsten. Er zijn altijd wel weer personen, landen, toestanden die zich daarvoor lenen.

Maar in deze tijd van grootste beroeringen is de vraag wel, wie of wat hiervoor in aanmerking zou kunnen komen. Wij moeten dan weer even logisch denken. In een zo dicht bevolkte wereld kan een kleine groep, zoals de volgelingen van de nieuwe wereldleraar, ten hoogste enkele 10.000-den, zeker nog niet gelden als belangrijk of zelfs maar een groep, die in staat is een deel van de aansprakelijkheid te dragen. De meeste leden zijn bovendien te eenvoudig en te weinig geschoold, om in de wereld onmiddellijk invloed uit te kunnen oefenen. Als groep valt deze gemeenschap dan ook buiten beschouwing. De kerken zijn tot evenwicht handhavende groepen geworden, die een afkeer hebben van de werkelijke vernieuwing en komen ook niet in aanmerking. Ook staten zoeken naar een permanent evenwicht en zijn door deze instelling behoudend, zelfs wanneer zij zich aankondigen als revolutionair. De wetenschap is eveneens evenwicht zoekend geworden en aanvaardt in deze dagen alleen nieuwe feiten indien deze zonder meer uit het bekende kunnen worden afgeleid en bewezen.

Wat blijft er dus, na deze uitschakeling van groepen nog over? Het verzet van de vrije mens.

De vrije mens zal daarom zonder haat, en zonder zich op enigerlei wijze te storen aan het venijn van anderen, moeten trachten als eenling de vernieuwing door te maken. Hij zal daarbij enerzijds gehinderd worden door de krachten, die vanuit de kosmos optreden. De versterking van gedachtekracht, die de laatste tijd is opgetreden, is ongetwijfeld ook aanleiding geworden tot een veel feller en scherper reageren op en ageren tegen dergelijke mensen en groepen, dan anders het geval zou zijn geweest. De komende invloed, die vooral de vitaliteit vergroot, zal inderdaad de veerkracht en vermogens van de voor zich naar vernieuwing zoekende vergroten en bevestigen. Maar ook hun tegenstrevers zullen met grotere energie en een grotere honger naar zekerheid en vastheid, hun evenwichtigheden gaan verdedigen en daarbij de verkregen krachten voor een groot deel aanvallend besteden. Er is dus, voor degene, die innerlijk een vernieuwing doormaakt en deze ook naar buiten toe tracht uit te dragen, zeker een grote reeks hinderpalen aanwezig. Door echter zonder woede, ja, zonder feitelijk deel te hebben aan de instelling en zelfs aanvallen van de wereld, toch zijn eigen weg te gaan, meen ik, dat veel van het venijn in de komende tijd kan worden geabsorbeerd en krachteloos gemaakt.

Wanneer dit inderdaad het geval is, zullen vele evenwichten, die nu nog in stand gehouden kunnen worden, hierdoor worden aangetast, want als eigen aanvalsmiddelen niet meer voldoende zijn, zullen vooral zij, die zekerheid zoeken in het bestaande, slechts nog over één enkel middel beschikken: zelf positief en vernieuwend gaan werken. Wanneer de christenen menen, dat hun christendom wordt aangetast of geschaad en nog steeds anderen kunnen dwingen zich te voegen naar hun inzichten en stemmingen, zullen zij, mijne vrienden, nooit ware christenen worden. Maar op het ogenblik dat zij hun christendom moeten gaan verdedigen tegen een wereld, die op hun verwijten en woorden geen acht meer slaat, blijft hen alleen nog de praktijk, het zelf werken. Voor velen betekent dit dan de keuze tussen zelf de straat op gaan en met woord en daad het christendom prediken of niets doen, maar dan ook erkennen, dat men niet waard en waardig is een ware christen te heten. Dan komt voor velen het pijnlijke ogenblik van de zelferkenning, en daarmede ook de uitblussing van het gif, dat de menselijke ziel kan schaden en aantasten.

Ik meen, dat de komende tijd hiervan vele voorbeelden te zien zal geven. U weet misschien allen wel, dat het een betrekkelijk rustig jaar zal worden. O ja, er zijn natuurlijk ook deze maal weer een paar wereldondergangen en grote rampen voorspeld. Ik weet niet, of u het weet, maar er is zelfs iemand die heeft gezegd: wij in Nederland leven op een gasbel. Wanneer iemand daarin net iets teveel prikt, loopt zij leeg. Dan ontstaat er een soort binnenmeer, dat bijna geheel Nederland omvatten zal.

Iemand anders is vuriger, minder waarzuchtig en voorspelt: op een gegeven ogenblik explodeert de hele zaak en vliegt heel Nederland de lucht in. Ik weet niet, of dit voor sommige Nederlanders niet goed zou zijn; zij komen dan zeker wat hoger te staan en vinden tijdelijk een plaats in de hogere luchtlagen, al gaan zij dan niet met de KLM de lucht in.

Alleen: zoals wij het zien komt er niets van. Deze dingen zijn ook weer zo een uiting van venijn. Er is natuurlijk ook in dit jaar weer veel, waarover u zich zorgen kunt maken. Gemakkelijk krijgt de mensheid het nu eenmaal niet in de komende jaren. Maar zal het nu werkelijk zo erg en fataal worden? Kom nou. Zo erg wordt het niet, en eenieder, die even redelijk nadenkt, weet, dat het niet zo erg kan worden als de onheilsprofeten de zaak schetsen.

Voor mij is dit weer een duidelijke uiting van de neiging, die sommige mensen hebben, om liever geheel de wereld te laten ondergaan, dan ook maar even afstand te doen van eigen belangrijkheid of uitverkoren zijn.

Wanneer deze voorspellingen als verschijnsel worden bezien en wij van alle kanten te horen krijgen, dat het een rampenjaar wordt – wij gaven ons de moeite eens na te zien, wat menselijke helderzienden voorspelden, wat staatslieden en economen voorspellen, ofschoon dezen allen elkaar en vaak zelfs zichzelf tegenspreken – wijst dit o.i. op onzekerheid en angst eigen evenwicht te verliezen. De helderzienden – enkelen, volgens ons goeden, uitgezonderd – houden het op een jaar vol grote rampen. Zelfs de goeden leggen de nadruk op bepaalde rampen, al zijn deze slechts kleinigheden vergeleken met de kosmische omvang van de rampen die de slechtste voorspellen. Begrijpelijk, want een sappige ramp brengt de verkoopbaarheid van of belangstelling voor de prognoses nu eenmaal omhoog. Velen kondigen rampen aan, die vele duizenden levens kosten, enkelen beschrijven burgeroorlogen, en moordpartijen, twee voelen zelfs iets voor een wereldoorlog. Wel zijn allen het er met ons over eens, dat het economisch met de wereld in 1964 niet zo daverend zal gaan.

De staatslieden zijn het allen met elkander eens: zij zien in het sluiten van een nieuwe reeks verdragen – ofschoon dit moeizaam zal gebeuren – een mogelijkheid, de werkelijke vrede op aarde naderbij te brengen en de zekerheid van de volkeren te vergroten.

De economen zijn het bijna allen met elkaar eens, dat ongeacht de onstabiliteit, die op de wereldmarkt op het ogenblik dreigt op te treden, het toch mogelijk zal zijn om in het komende jaar de economie te stabiliseren en welvaart en werkgelegenheid voor een ieder te verzekeren.

Maar zijn dit nu werkelijke voorspellingen? Neen. Dit zijn pogingen om door praten voor zich een toestand aannemelijk te maken, waarvan men in zich wel weet, dat zij niet werkelijk bestaat of bestaan zal binnen afzienbare tijd. Degenen die rampen voorspellen doen dit vaak alleen, omdat zij de wereld van heden – of zichzelf – in feite haten. Voor hen wordt de wereld aangetast door werkelijke feiten of zelfs door het hogere. Hun geloof, hun mening en belangrijkheid neemt af.

Dus zal God hen moeten wreken en te vuur en te zwaard volkeren moeten verdelgen. Dus weg met alle gemene communisten. En Nederland, dat weigert aan de grootheid van de voorspellers te geloven moet er ook aan geloven. Aanvaardt men ons niet? Hup, steek aan de gasbel.

Als staatsman weet je wel, dat je het niet met elkaar eens kunt worden op het ogenblik. Maar je zegt, dat dit wel het geval is en herhaalt dit steeds weer en steeds plechtiger in de hoop, dat niemand zal bemerken, dat al je kostelijke bereikingen eigenlijk niet echt zijn. De economen hebben hun systemen opgebouwd en hun reputatie daaraan verbonden. Zij weten wel, dat deze systemen te kort zijn geschoten, maar dat kunnen zij niet toegeven. Daarom kunnen zij ook niet eerlijk zeggen: wij weten ook niet, hoe het nu verder moet, want met al onze leerstellingen en theorieën hebben ook wij gefaald. Daarom geven zij prognoses, die in overeenstemming zijn met hun stellingen in de zekerheid, dat, zo de voorspelling niet uit zou komen, er altijd wel weer iemand te vinden is die daarvoor de schuld zal dragen in de ogen van de massa.

Hebt u het in de gaten? De wereld moet genormaliseerd worden, moet worden aangepast bij de middelmaat. Alle werkelijke vooruitgang moet afgeremd worden. Wij zien het anders en getuigen daarvan in onze prognose. Natuurlijk kunt u daar een soortgelijke achtergrond in zoeken en misschien zelfs stellen, dat wij dit jaar rustig noemen in de hoop er nu zelf eens een kalme tijd door te krijgen. Waarom wij dit een in verhouding kalm jaar noemen? Omdat vele op zich voor u misschien belangrijke gebeurtenissen geen algehele omwenteling betekenen, doch elkaar zo zeer in evenwicht houden, dat een kalme ontwikkeling met behoud van levenswaarde en bewustwordingswaarden voor de doorsnee mens haast wel zeker is.

Toch kan worden gesteld, dat vele kleinere gebeurtenissen en ongelukken de mens in dit jaar toch onophoudelijk aan blijven sporen tot grotere zelfrealisatie. Daarom stellen wij vanuit dit beeld voor onszelf: alles wat in dit komende jaar gebeurt, is in wezen deel van een poging het venijn, dat de mensheid dreigt te verteren, weg te nemen. Het is een poging de mensheid tot vrijere en reëlere aanvaarding van zijn werkelijkheid te brengen. Het is een terugvoeren van de mensen naar de feiten van het leven, de feiten van de maatschappij, die hij zelf heeft geschapen en de feitelijke waarde en betekenis van zijn geloof, zoals hij dit beleeft, maar in zijn denken steeds weer tot iets hogers en beters tracht te vervalsen. De gebeurtenissen brengen de mens terug naar de werkelijkheid, en volgens ons kan alleen zo het wereldgif worden weggenomen.

Want alleen op deze wijze kan een einde konen aan het venijn, dat niet alleen de wereld, maar ook de geestelijke waarden in de mens dreigt te verteren.

Wij zullen trachten enige soorten van venijn nog nader te definiëren. Misschien verduidelijkt dit uw beeld van het geheel. Wij kennen bijvoorbeeld hoogmoedig venijn. Uitingen daarvan zijn ongeveer als de volgende: “Wij zijn er van overtuigd, dat wij van de Labourpartij geen andere reactie hadden kunnen verwachten, maar vragen ons wel af, of de eerlijkheid van hun verontwaardiging nu wel zo groot is, als zij voorgeven.”

Dit soort fatsoenlijk, maar hoogmoedig gif treffen wij vooral aan in Engeland. Een uiting als deze wordt gemeenlijk geboren uit een gevoel van onmacht wanneer men op deze wijze durft te spreken.

Hetzelfde spreekt uit deze uiting uit Amerika, gedaan ten tijde van Kennedy:

“….dezen gelijkheid zoeken en contact opnemen, moeten zij nog feller vervolgd worden dan de negers, die gelijkheid zoeken met ons…”.

Daarnaast kennen wij z.g. geestig venijn:

“Er zijn misschien wel heren, die een idee in hun achterhoofd hebben, ik weet immers, dat verschillenden van hen op het achterhoofd gevallen zijn…”.

Dit wordt in een andere vorm, bedekt venijn:

“Jij kunt er natuurlijk niets aan doen, maar bij mij zou dit nooit…”.

Het gevaarlijkste is echter het schijnheilige venijn:

“Men heeft hier onze God en onze heiligste waarden aangetast. Dat ook wij getroffen zijn, tellen wij niet. Maar voor de smaad onze God aangedaan, dienen deze onverlaten eeuwig in het hellevuur te branden… Wij zullen hen dan ook bestrijden met alle middelen en waar wij maar kunnen… Dit moet uitgeroeid worden en wij zullen dit doen in Zijn naam, maar gelijktijdig zullen wij Hem bidden, dat Hij de zondaars nederig maakt en hen ertoe brengt om, voor het voor hen te laat is, zich tot Hem te wenden en vergeving af te smeken van zijn Lichtende Grootheid.”

Uiteindelijk vallen alle genoemde soorten nog onder één en dezelfde noemer: zelfrechtvaardiging door agressie.

Een ander soort venijn is misschien het best gekenschetst met de woorden: “ik wil wel, maar ik kan niet”.

Het toont zich meestal als een revolutie, die echter door anderen volbracht dient te worden: “…de vakbondsleiders hebben ons weer aardig in ons hemd laten staan. Zij profiteren maar van ons. Het wordt tijd, dat degenen die dit met mij eens zijn, zelf een bond oprichten”.

Het gestelde kan al dan niet waar zijn. Het gif schuilt hier in de aantasting, terwijl men niet zelf bereid is de risico’s van een nieuwe organisatie te lopen, maar van anderen eist, dat zij dit doen.

Ik geef nog een voorbeeld, nu op een ander terrein:

“En dan zijn er van die piassen die menen, dat zij, met hun onverstand, het goddelijk woord kunnen aantasten. Ik, in de heerlijke zekerheid van mijn geloof, kan alleen glimlachen om hun kleinheid. De regering dient echter…”

In wezen klinkt uit dit laatste steeds weer: Ik had het net zo willen doen als die anderen. Ik zou die middelen hebben willen gebruiken, maar ik kan het niet. Laat anderen het hen dus onmogelijk maken, iets te doen, wat ik niet kan. Op soortgelijke wijze spreekt men over de communistische leiders, die door hun veiligheidsdiensten de vrijheid van elke burger afzonderlijk bedreigen en de wreedste middelen niet schuwen om hun wil door te zetten, terwijl men het in feite maar al te vaak betreurt, dat men zelf niet in staat is om hetzelfde te doen. Dit soort venijn is doordesemd met een vorm van jaloezie en is daarom kentekenend voor de minderen, de minderwaardigen.

Deze laatste soorten venijn worden in intensiteit en doordringing van de menselijke waarden slechts door één soort overtroffen.

De gevaarlijkste vorm van venijn is steeds weer het aankweken van een kunstmatig en vaak vals gevoel van meerderwaardigheid bij zich en anderen: “Nou ja, wat had jij anders verwacht? Het is toch maar een rotjood.” Dit is een venijn, waarbij alle menselijke waarden worden weggevaagd. Er wordt niet meer over prestatie gesproken, over verhoudingen, maar zonder werkelijke reden, geheel willekeurig en met grote vasthoudendheid, eenvoudig een standpunt van meerwaardigheid ingenomen. En het blijft niet, zoals u meent, beperkt tot de joden.

“Wat kun je nou van zo iemand verwachten. Het is immers een Surinamer.”

Of: “Wat een brutaliteit van een neger, om zich zo maar in te dringen in onze gemeenschap.”

Men heeft zich weleens afgevraagd, waarom Hitler de joden eigenlijk vervolgde. Eenvoudig, wanneer men een ‘minderwaardige’ heeft, die men tevens aansprakelijk kan stellen voor alle fouten en misslagen die men zelf begaat, kan men eigen meerwaardigheid in eigen ogen en de ogen van anderen eenvoudig handhaven. En de joden in Duitsland hadden invloed. Zij waren in de ogen van de massa machtig, maar gelijktijdig verschillend. Maak hen tot minderwaardige wezens, tracht te voorkomen, dat zij ooit het tegendeel bewijzen en je hebt de ideale zondebok.

Men vraagt zich af, waarom de negers in Amerika zo lang het slachtoffer zijn geweest van terreur en zelfs nu daar niet bovenuit kunnen komen. Ook zij waren een gemakkelijk slachtoffer. De armste, domste, luiste blanke boerenhengst met een knuppel en een witte kap op het hoofd kon, na alle zorgen en mislukkingen van de dag, negers gaan afrossen en zo eigen meerwaardigheid bewijzen.

De vervolging van de naaste is echter, ongeacht de gevoelens, die men daarbij kan ondergaan, in feite een bewijs, dat men zich zwak voelt. Denk niet, dat dit alleen op het gebied van ras gaat. Er zijn landen, waarin een protestant een minderwaardig wezen is, terwijl in andere landen een communist is gepromoveerd tot een wezen, dat alle kwaads doet, dat misschien nog gezien mag worden in het openbaar, maar zeker nooit gehoord. De mensen, die op deze wijze hun gevoelens van minderwaardigheid trachten om te zetten in een meerwaardigheid, zijn de gevaarlijkste wezens, die op aarde bestaan. Zij zijn degenen, die zich baserende op het lijden van – en de onderdrukking van anderen, trachten een begrip van zichzelf te bouwen, dat nog aanvaardbaar is en daarbij vaak anderen meesleuren in hun haatcampagnes zonder werkelijke redenen.

Denk niet, dat dit soort venijn al uitgewoed is. Het is niet zo belangrijk op het ogenblik, zodat in de prognose niet afzonderlijk hiervan werd gesproken. Maar u kunt er mee rekenen, dat ook het antisemitisme in vele landen hernieuwd op zal laaien. Kleurlingengeschillen – en niet alleen in blanke staten – zullen in dit jaar voor vele doden, opstanden en voor veel gewelddadigheid aansprakelijk zijn. Zelfs de geloofsstrijd zal in dit jaar op vele plaatsen een gewelddadig karakter aannemen. Indien wij dit venijn willen bestrijden, kan dit nimmer door directe actie, waarbij men dus venijn en haat teruggeeft vanuit zichzelf. Men kan alleen daarvoor in de plaats een vermogen van incasseren stellen met een gelijktijdig vermogen, om jezelf niet te onderwerpen aan de beperkingen, die anderen je op trachten te leggen, of aan anderen zonder redenen op trachten te leggen.

Bezien wij het joden probleem, dan zien wij, dat vele joden inderdaad venijn niet onmiddellijk met venijn hebben willen beantwoorden. Op een gegeven ogenblik echter kwamen zij tot een angst plus een haat, die echter gelijktijdig een onderwerping inhield, waarschijnlijk in de hoop, dat het dan zo erg niet zou worden. Zij beseften niet, hoezeer zij door dit laatste anderen een gevoel van macht en grootheid verschaften en hen juist hierdoor prikkelden voort te gaan op de ingeslagen weg. Eerst toen het te laat was, kwam men tot werkelijk verzet. Nog minder heeft men beseft, dat dit ook bij anderen, die de joden niet ongunstig gezind waren, een verkeerde inwerking had. Hoe zelden hoort men, dat deze of gene grote man een jood was. Wel echter hoort men steeds weer, hoeveel de arme joden hebben moeten lijden. Dit voert tot een schuldgevoel, gepaard gaande met een onjuist inzicht in de werkelijke betekenis van dit ras. Er is hierover meer te zeggen, ik volsta echter met een betrekken van dit voorbeeld op ons zelf.

Wanneer de wereld onjuist handelt, dienen wij niet te zeggen: laat de wereld rond mij dan maar ineenstorten; ik kan het wel dragen. Wij dienen te zeggen: neen. Het gif kan ons niet raken, maar wij gaan zonder aarzelingen en met inzet van geheel onze persoonlijkheid de voor ons juiste weg.

Geen strijd, geen haat, maar een doorbreken van alle hinderpalen, die op onze weg komen al zouden wij daaraan ten onder moeten gaan.

In het komende jaar zal een dergelijke houding in vele gevallen beslissend zijn voor alle verdere ontwikkelingen. Want het gehele spel dat op de wereld op het ogenblik wordt gespeeld is nog hoofdzakelijk een spel van woorden en meningen, van groepsvervolgingen misschien, maar dit alles is niets in vergelijk tot de strijd, die in de komende jaren zal ontstaan. Nu nog kunt u de juiste houding aannemen vanuit een zekere welgedaanheid en welvaart. Over één en een half jaar zult u echter dit moeten doen terwijl u wanhopig strijdt om het weinige, dat nog werkelijk het uwe genoemd kan worden, te behouden. Over enkele jaren zal de gehele wereld moeten strijden om zichzelf te overwinnen en te kunnen blijven leven. Strijd is onvermijdelijk bij een vernieuwing, het is maar de vraag, hoe de wereld zal strijden: tegen anderen of tegen eigen onvolmaaktheden en oneerlijkheden, om zo te komen tot de juiste wijze van bestaan. Daarom leg ik op dit alles de nadruk. Het is zo gemakkelijk om anderen de schuld te geven, zo eenvoudig om te stellen, dat iets je niet aangaat, dat het de zaak is van de UNO, de EEG de politie enz. Het is gemakkelijk, zeker, maar de feiten liggen anders, want ook jijzelf bent aansprakelijk. Het zijn niet de anderen, die iets veroorzaken, die schuldig zijn, maar ook jij bent schuldig, wanneer jij je daarbij neerlegt.

Schuldiger ben je zelfs nog, wanneer je deze fouten van anderen tracht te gebruiken als een wapen tot eigen voordeel en zo gedoogt, dat zij hun verkeerde leef – ziens – handelwijze voortzetten.

Keer terug, o mens, tot jezelf. Dat is een van de belangrijkste raadgevingen, die men een mens in deze tijd kan geven. Wees eerlijk. Geef toe, waar het in wezen op aankomt en zeg desnoods eerlijk: wij kunnen dit niet. Want wanneer allen weten, dat men iets niet kan, kan men er gezamenlijk nog altijd iets aan doen. Maar indien men zegt: wij kunnen wel, wij hebben de situatie volledig in de hand, terwijl dit niet zo is, zullen anderen op je rekenen, op je vertrouwen, en dan komt er een ogenblik, dat je je moet gaan verdedigen met venijn. Dan moet je die anderen, die op jou vertrouwd hebben, gaan doden, tot slachtoffer maken.

Want u weet wel: niets op aarde wordt zo fel gehaat als iets of iemand, die men zelf teleurgesteld heeft. En dat is het probleem van deze tijd, van deze wereld. De geestelijke kracht, die rond deze wereld van u is, kan daaraan betrekkelijk weinig doen. Zeker. Zij kan u de mogelijkheid geven om te beseffen, wat de juiste richting is, zij kan u de kracht geven, om de juiste weg te volgen, zij kan u desnoods inwijden tot een hoger bewustzijn, en wanneer u daarvoor rijp genoeg bent, tot het bewustzijn van andere werelden. Maar wanneer u zelf niets doet, kan zij u niets opdringen. Zoals men zegt: je kunt een paard wel naar de trog leiden, maar je kunt het niet dwingen om te eten of te drinken. Zo is het met de mensen ook.

Er zullen in het komende jaar vele geestelijke waarden, krachten en wijsheden gegeven worden, zowel langs inspiratieve als anderen weg. Overal. Er zullen nieuwe ontdekkingen worden gedaan, er zullen nieuwe geschriften zijn, waaruit de mens kan leren vrij te zijn, verder te gaan en te beseffen, dat hij wel degelijk de mogelijkheid heeft om zich te ontplooien. Maar op het ogenblik dat de mens terug zoekt naar de balans, het evenwicht, de zekerheden, die in feite reeds verloren zijn gegaan, tekent hij zelf zijn eigen ondergang. Dan tekent hij voor het veroorzaken van het venijn, waardoor tijdens dit karnen der waarden de mensheid haar leefbaarheid zou kunnen verliezen.

Dit is geen pessimisme. Ik zeg u niet, dat de wereld, dat de mensheid, ten onder zal gaan.

Integendeel. Ik geloof niet, dat het ooit zo ver zal komen. Wanneer uiteindelijk één enkele God van een legende genoeg is om het wereldgif te drinken, dan zullen betrekkelijk weinig mensen reeds voldoende zijn om dit gif, dit venijn, dat zovele mensen op het ogenblik uitbraken tegenover anderen, te absorberen, en desondanks zelf sterk te blijven.

Ik geloof niet, dat er een ondergang komt. Maar ik weet wel, dat in dit jaar deze kwesties van venijn, van onredelijke strijd – wat u misschien zou kunnen noemen de psychose der onredelijkheid, gebaseerd op onzekerheid – aan de orde komen in dit jaar. De gevolgen daarvan zal men ondergaan en men zal er iets aan moeten doen. Mijn vraag is alleen maar: wie doet er iets aan?

Op deze vraag kan ik maar één antwoord krijgen: de mens, die zich bewust is van zichzelf en gelijktijdig van de onbelangrijkheid van zijn gevestigde belangen en oude meningen.

Het is daarom, dat ik vandaag dit onderwerp naar voren heb gebracht, ongeacht de kritiek, die daarop ongetwijfeld zal volgen. Indien u kritiek te uiten hebt: gaat uw gang.

  • Geen reactie.

Laten wij het dan maar niet houden op de woorden, maar antwoorden op enkele door mij opgevangen gedachten.

“Heeft de geest ons nu werkelijk niets beters te vertellen?”

Neen. U verwacht van de geest misschien alleen hoge, grote en mooie woorden. Maar wanneer deze woorden in uzelf tot gif kunnen worden, dient de geest daarmede voorzichtig te zijn. De feiten en de feitelijke ontwikkelingen – hoe onbelangrijk deze ook zijn in uw ogen – zijn in deze tijd van veel meer belang dan alle hooggestemde leringen tezamen. Het is vanuit de praktijk van het nu, dat u groeien moet naar de bewustwording, waardoor de wereld van morgen vernieuwd kan worden. U reageert echter volgens eigen inzichten, zoals bv. deze gedachte: “Ik vond het maar een hoop flauwiteiten”.

Deze gedachte ving ik overigens halverwege het onderwerp op, dus niet eerst nu. Ja, inderdaad. Flauwiteiten misschien. Maar zie eens rond u en stel vast, hoe belangrijk het deel is, dat dergelijke flauwiteiten en venijnigheden uitmaken, zelfs van het officiële kader van uw samenleving. Zie rond u en zeg dan nog eens, dat dit onbelangrijk is! “Is het niet beter, te spreken over de liefde?”

Natuurlijk. Het is altijd beter om te spreken over de liefde, maar van liefde alleen kun je niet leven, zegt men wel eens. De liefde voor de mensheid en de lieflijkheid, die hier nog eerder werd bedoeld, zijn in vele gevallen gevaarlijk: wanneer er een moeras is en je laat daarin mooie bloempjes groeien, zo betekent dit nog niet dat degene, die het betreden zal, er daarom niet in ten onder zal gaan. En wanneer je de bloeiende planten weghaalt, zodat de stinkende modderbrij te zien komt, is het wel een onesthetisch gezicht, maar het maakt de zaak veel minder gevaarlijk.

Het zal heel vaak noodzakelijk zijn, om te spreken over dingen, die met hoge geest, liefelijkheid en liefde, uiterlijk maar heel weinig te maken schijnen te hebben, al is het alleen maar om de mensheid te laten zien, welke moerassen er rond haar liggen en haar duidelijk te maken, hoe vaak zij eigenlijk reeds enkele voetstappen op dit gevaarlijke terrein heeft gezet. Natuurlijk, er zijn wegen door het moeras. Maar het gevaar is toch heel groot, dat u vandaag of morgen in een moerasput stapt en nimmer meer boven komt. Dan ben je machteloos.

Ik had natuurlijk meer vragen op deze wijze op kunnen vangen, maar deze waren dan vragen, waarop een antwoord mij wel noodzakelijk leek. Eén vraag heb ik echter tot slot bewaard. Deze luidt ongeveer als volgt: “Zouden wij ook niet kunnen zeggen, dat vanuit de geestelijke bewustwording en de verstandelijke ontwikkeling van de mens, de vernieuwing van de wereld mogelijk wordt?”

Inderdaad. Dit zouden wij kunnen zeggen. Het is echter een formulering, die gelijktijdig te veel en te weinig zegt, te veel en te weinig inhoudt. Laat ons proberen om reëel te zijn en stellen: alleen de mens die leert elke haat en elk gevoel van onzekerheid rond zich naast zich neer te leggen, niet meer te zien als deel van eigen leven, om in plaats daarvan zijn innerlijke zekerheid te gebruiken en voor die wereld zoveel mogelijk te betekenen – onverschillig hoe de instelling van die wereld is – en de vernieuwing brengt. Wanneer wij stellen, dat juist deze mens de vernieuwing brengt, zijn wij dicht bij de waarheid.

Misschien kunnen wij het nog het best zo stellen: Het is de mens, die zich esoterisch ontwikkelend en zo komende tot een begrip van zichzelf en de krachten in hem, maar anderzijds volkomen bereid, om deze krachten te beleven binnen de menselijke werkelijkheid, welke het gif van deze wereld grotendeels neutraliseert en daarvoor inplaats voor menige mens voelbaar een positieve drang schept, een positieve gerichtheid, waarbij menselijke en geestelijke waarden in een vrije bewustwording samen kunnen vloeien. Ik heb nu dus een paar vragen beantwoord, die niet werkelijk gesteld zijn. U mag mij niet kwalijk nemen, dat ik enkele andere commentaren in uw gedachten onbeantwoord heb gelaten, want gedurende het eerste deel van het onderwerp waren er vele, zelfs een van: “Het is weer eens zo…”. Misschien hebt u wel gelijk. Maar misschien is het waarom u nu ook duidelijk geworden. In ieder geval wil ik nu mijn aandeel in deze avond afsluiten met een eenvoudige opmerking: Wanneer je een geloof hebt, dat sterker is dan al het andere in je leven, bezit je een Kracht, waardoor je alle schijn van werkelijkheid kunt overwinnen. Leef dus datgene, wat in u een zekerheid is en laat uw onzekerheden terzijde. Vraag niet voor uzelf, maar geef vanuit datgene, wat gij als zekerheid kent in uzelf, aan de wereld, zoveel als gij kunt, opdat gij van daaruit voor uzelf de vreugde en het bewustzijn mag vinden, die in deze tijd de duisternis bedwingt en de tweedracht onder de mensen kan doen verkeren in eendracht.

0-0-0-0-0-0-0-0

ESOTERIE:  Innerlijke paradoxen.

Bij pogingen om ons bezig te houden met esoterie zullen wij steeds weer met zuiver persoonlijke waarden worden geconfronteerd. Het eigenaardige van onze persoonlijke waarden is vooral wel de tegenstrijdigheid, die in onszelf steeds bestaat. Wat wij voor onszelf stellen en aan willen nemen, schijnt steeds weer een paradox te moeten zijn. Daarom zou ik op deze avond gaarne een ogenblik aandacht willen besteden aan de innerlijke paradoxen, waarmee wij dan worden geconfronteerd.

Een van de eerste en eenvoudigste daarvan is misschien wel deze: “Ik wil steeds het goede en doe steeds het kwade.”

Een antwoord op deze paradoxaal klinkende verklaring is niet zo eenvoudig, want wanneer je in jezelf zoekt, vraag je je op den duur af, of het goede, dat je wilt, dan ook wel werkelijk goed is, of het kwade, zoals je dit ziet en ook vaak doet, wel werkelijk kwaad is. En daarmede begint de grote verwarring.

“Ik beantwoord niet aan het ideaalbeeld, dat ik mij van mijzelf maak. Moet ik nu mijzelf veranderen? Maar als ik mijzelf niet kan veranderen of niet verander, kan ik dan toch nog geestelijk stijgen en iets bereiken in de esoterie?”

Nu zullen wij kunnen rekenen op een eenvoudig woord, dat stelt: “Regen, zon en de zorg van de boer doen de rijst rijpen”.

Ik meen, dat deze spreuk ook voor onszelf toepasselijk is. De zorg van de boer is voor ons het willen, de werkelijke behoefte om iets innerlijk te bereiken. De regen kan dan worden gezien als de dingen, waarvan wij zeggen, dat zij slecht zijn, ook ons lijden en onze disharmonieën. De zon is dan vertegenwoordigd door de ogenblikken, waarop wij een harmonie vinden, waarop wij een innerlijk evenwicht kunnen vinden.

Zodra ik namelijk vanuit mijzelf een richting bepaal, ben ik geneigd om mijn doel, mijn ideaal, te stellen als een noodzakelijke bereiking op dit ogenblik. Want men zegt niet: “Eens wil ik volmaakt zijn”, maar men zegt: “Ik ben nu nog onvolmaakt en dit is verkeerd”. Zo negeren wij, in een pogen een innerlijk beeld te verkrijgen, maar al te vaak de realiteiten van het heden. Door het stellen van het – niet reële – ideaalbeeld tegenover het werkelijke heden komen wij tot de stelling: wij willen het goede en doen het verkeerde.

Maar als wij stellen: datgene, wat ik doe, heeft in zich beweegredenen en noodzaken, die behoren tot mijn bestaan; ik moet dus leren daarin een keuze te doen, opdat mijn doel zo goed mogelijk gediend wordt, en dan kan ik niet meer stellen, dat ik het verkeerde doe. Ik zal dan stellen, dat ik belangrijke en minder belangrijke dingen heb gedaan. Zolang ik in mijn leven de nadruk leg op de werkelijk belangrijke dingen van mijn leven, zal ik innerlijke harmonie kunnen bereiken. Door dus op een wat andere manier te staan t.a.v. onze benadering van het pad, komen wij vanzelf tot een grotere innerlijke rust.

Er zijn echter meer van dergelijke vragen. “Hoe kan ik”, zo vraagt menigeen zich af, “mijn geestelijke bedoelingen omzetten in materiële werkelijkheid?”

Dit is niet slechts een praktische vraag, maar in de meeste gevallen vooral een retorische vraag, die men echter toch aan zichzelf stelt, omdat men nu eenmaal meent, zijn innerlijke bereikingen te moeten uiten. Daarbij ziet men over het hoofd, dat tijdens een innerlijke bewustwording de mens niet alleen een bewustzijn verkrijgt van mogelijkheden op zijn eigen wereld, maar ook van vele andere werelden. Hij kan sommige van de innerlijk aangevoelde dingen dan ook proberen waar te maken in de materie, zonder daarin ooit werkelijk te kunnen slagen. Dit wordt duidelijk en begrijpelijk, wanneer men inziet, dat deze waarden in het ik feitelijk behoren tot een andere wereld en dus niet deel uitmaken van het huidige – stoffelijke – bestaan in materiële vorm.

Zolang de mens zich dit niet werkelijk in kan denken, zal hij veel aandacht besteden aan materiële ontwikkelingen en handelingen, die dit eigenlijk niet waard zijn. Daarnaast zal de mens moeten begrijpen, dat soms een aanduiding in de materie gelijk is aan een voltooiing in de geest, terwijl ook het omgekeerde waar kan zijn. Dit betekent, dat hij steeds weer na zal moeten gaan, wat voor hem de eigenlijke belangrijkheid van een bepaalde ontwikkeling is.

Er was eens een mens, die voor een spiegel stond. Hij had nog nooit een spiegel gezien. Toen hij voor het eerst nu zichzelf aanschouwde, sprak hij: “Wat is deze mens toch lelijk. Ik ben blij, dat ik anders ben.” U kent misschien dit verschijnsel. Ook wij, wanneer wij zoeken naar een beeld van ons eigen ik, vinden vaak een voorstelling die afwijkt van alles, wat wij van onszelf geloven en menen. Vaak zeggen wij dan tot onszelf: “wat is het toch goed, dat ik niet zo ben” – maar wij zien ons eigen beeld.

Men moet zich realiseren, dat uiterlijkheden niet belangrijk zijn, maar wel de samenhang der dingen. Of, zoals men wel eens zegt: “Het is belangrijker voor de mens, ogen, oren, neus, handen en voeten te hebben, dan een schoon gelaat te bezitten.” Zo is het voor u belangrijker, dat u over de middelen beschikt om over een geestelijke bewustwording te beschikken, dan dat u over een innerlijke schoonheid beschikt, die volgens uw denken gelijk komt aan de schoonheid der engelen, maar die u geen feitelijke mogelijkheid tot ontwikkeling laat.

Wij moeten ons dan ook nooit afvragen: wat zijn onze latere mogelijkheden, hoe zouden wij willen zijn, of hoe zijn wij eens geweest, maar zullen ons steeds weer moeten richten op onze ontwikkeling en mogelijkheden van het ogenblik.

Maar dan rijst al weer een volgende punt: “Ik zie dit wel in, maar ik kom er niet toe.”

Een opmerking, die alweer door vele mensen wordt gebruikt als een verontschuldiging van eigen ik, of als een tekortkoming van eigen wezen. Ik zie een bepaalde noodzaak in. Dit wil echter nog niet zeggen, dat zij voor mij op dit ogenblik een acuut bestaande waarde is. Het kan zijn, dat ik mij heden een noodzaak realiseer en eerst twintig of meer jaren later deze noodzaak ook zie rijzen, binnen de mogelijkheden tot verwerkelijking binnen eigen leven. Zo moet u bij uw zoeken langs het innerlijk pad onthouden, dat er een groot verschil bestaat tussen de innerlijk voorstelbare waarden en het praktisch bestaan daarvan. Wij kunnen wel vooruit grijpen op de tijd in de geest, maar kunnen de materiële tijd in de menselijke wereld nooit zo snel doen verlopen, dat onze geestelijke ontwikkeling en alle materiële mogelijkheden en noodzaken steeds geheel gelijke tred houden.

De grootste eigenaardigheid, die ik altijd weer bij de mens vind, is deze: “Ikzelf ben niets, God is alles. Daarom moet ik handelen om zo mijn God waardig te zijn.”

Dit is een stelling, die wij vaak tegenkomen en met vele variaties. Voor God stelt men vaak ook de Meester, of de idee, maar altijd weer begint men met te stellen “ik ben niets, ikzelf ben niets”.

Op het ogenblik, dat ik niets ben, kan ik niet denken, kan er geen ik-bewustzijn bestaan, is geen streven voor mij mogelijk en is niets voor mij belangrijk, zoals ikzelf niets ben. Ik mag dus niet stellen, dat ik niets ben. Ik ben altijd iets, iemand. Mijn God is belangrijker, dat is waar. Maar deze belangrijkheid is voor mij niet afhankelijk van hetgeen God waarlijk is, maar van wat God waarlijk voor mij is.

Het is altijd weer mijn persoonlijke verhouding tot de Hogere Kracht, die bepalen zal, wat hij voor mij betekenen kan. Vanuit mijn bewustzijn is dit de enig juiste benadering.

“Ik moet trachten om mijn God waardig te zijn”.

Onjuist! Ik kan mijn God nimmer waardig zijn, maar kan slechts mijzelf en mijn bestaan waardig zijn.

De mens kan de innerlijke gevoelens van onwaardigheid of minderwaardigheid, die bij het zoeken naar het innerlijk pad zo vaak optreden, dan ook het beste beteugelen door te stellen: “Ik moet allereerst mijzelf waardig zijn.”

Mijn bestaan, door alle tijden en vormen heen, is datgene, wat de werkelijke waarde van mijn bestaan uitmaakt. Ik kan dit geheel als mens niet overzien. Maar ook dan moet ik zorgen, dat ik nu mijzelf waardig ben op een voor mij passende wijze en dus nimmer mijzelf laat gaan in iets, wat voor mijn persoonlijke ervaringen negatief is. Het positieveren van datgene, wat ik nu ben, is veel belangrijker dan het al dan niet in staat zijn te beantwoorden aan maatstaven, die – gezien vanuit de huidige bestaanstoestand – niet veel meer dan imaginair zijn.

Een tweestrijd, die verder veel voorkomt bij zoekers naar innerlijke waarheid, spruit voort uit een beleving: men beleeft op een ogenblik de stille verrukking van het hoogste contact, van het hoogst geestelijk Licht. Vanaf dit ogenblik blijkt de mens gekweld te zijn door een zeker heimwee.

Men begrijpt niet, dat het dit Licht en dit beleven is, zoals met een munt, een penning, die men u geeft, om handel te drijven. Indien men daadloos blijft hunkeren naar meer penningen, zal men niet meer bezitten, maar eerder verarmen en zijn penning in waarde zien dalen. Indien men met de ontvangen penning echter handel weet te drijven, zo zal men rijker worden en daarmede bewijzen, dat men het ontvangene inderdaad waardig was. Het is dus niet noodzakelijk, steeds weer deze hoge belevingen van de Lichtende krachten terug te vinden. Het is alleen maar noodzakelijk al wat men daaruit op een gegeven ogenblik ontvangen mag, om te zetten in geestelijk en materiële betekenisvolle en waardevolle bezittingen of bereikingen.

De vraag: “Ben ik mijn broeders hoeder; zo ja, in welke mate?” schijnt binnen het christendom ook nogal eens als een onzuiver en onrust veroorzakend punt van overweging naar voren te komen.

Menigeen zal zich op zijn innerlijk pad be-engd voelen door de vraag, of hij wel voldoende heeft gedaan voor anderen. Wie echter de waarheid beseft, weet, dat men in wezen niets voor anderen kan doen. Men kan iets doen voor zichzelf, men kan voor zich beantwoorden aan eigen ervaring van harmonie met de wereld, de mensen, met God en de schepping. Dat dit in vele gevallen een gevoel van zekere aansprakelijkheid voor delen van die schepping in zal houden, moge waar zijn.

Het neemt echter niet weg, dat deze aansprakelijkheid uit het ik voortkomt en daartoe beperkt blijft. Men kan niet het lot van een ander buigen richten of wijzigen. Men kan slechts zijn eigen lot vervullen. Een besef hiervan zal u reeds in vele gevallen bevrijden van de u in uw bewustwording remmende angst, tegenover anderen te kort geschoten te zijn.

Wanneer u gedaan hebt, wat volgens uw eigen weten en inzicht het meest juiste was en u erkent dit in uzelf, bent u een stap verder gekomen op het pad der bewustwording, want u hebt dan beseft: het is niet mijn taak te leven voor de wereld, of de wereld te leven, maar het is altijd en alleen mijn taak zo goed mogelijk en zoveel mogelijk mijzelf te zijn in elke wereld, waarin ik tijdens mijn bewustwording vertoef en dus kennelijk als deel van mijn zelfrealisatie gesteld ben.

Zo komt men tot een grotere vrijheid van denken en beleven, zonder daarbij de belangrijkheid van een juist leven ooit uit het oog te verliezen. Bovenal zal men nimmer een gevoel van schuld in zich kennen, dat niet uit eigen daden is voortgekomen, of voortvloeit uit nalatigheden, die door het ik reeds eerder als niet goed, minder juist misschien, erkend werden.

Het is soms moeilijk een filosofie op te stellen die, binnen het kader van het voor de stof-mens aanvaardbare en begrijpelijke, aan deze paradoxen op het innerlijk pad, deze wonderlijke vragen, die de bewustwording zozeer kunnen afremmen, op te stellen.

Een van de meest juiste luidt als volgt: Er is een oorzaak en gevolg, een karma, dat door alle tijden heen mij volgen zal. Want zie de verschijning van mijn wezen wordt bepaald door al wat ik geweest ben, en wat zal zijn, en ligt reeds vast door mijn zijn in het heden. Maar mijn beleving is daaraan niet verknoopt. Zo mijn beleven vrij wordt gemaakt van een te grote gebondenheid aan verschijnselen en ik in mijzelf het hoogste en de juiste harmonie erken, richt ik mijzelf juist. De verschijnselen zullen zich dan als vanzelf op volmaakte wijze vormen en rangorde vinden om geheel juist de volmaaktheid uit te drukken, die ik in mijzelf heb erkend. Zodra ik mij bind aan gevolgen, zal ik niet in staat zijn het hogere te erkennen en daaraan te beantwoorden, zo de onvolmaaktheid van wereld en wezen lijdende, die voor mij toch steeds weer pijn en een tekort schieten betekenen.

Deze formulering stamt uit de Indische systematiek. Hierbij wordt geponeerd, dat wij, bij de innerlijke bewustwording, niet te maken hebben met karma en oorzaak en gevolg in de eerste plaats, dit zijn de uitingen. Wanneer ik in mijzelf eerst de harmonie vind, die noodzakelijk is, het gevoel van innerlijke rust en eenheid met het Al, ongeacht de mij omringende verschijnselen, en wanneer ik die verschijnselen zelfs als onbetekenend beschouw, zo geef ik de grote Kracht die ik erken en waarmede ik gebonden ben, de mogelijkheid, mijn leven en alle gebeuren daarin te ordenen volgens de volmaaktheid, die vanuit het allerhoogste tot stand komt, deel is van het Al en gerealiseerd wordt door a.h.w. deel te nemen aan de schepende gedachten van het scheppend principe in de juiste harmonie en volgens de eigenschappen in eigen wezen gelegd.

Daar ligt de sleutel voor de esoterische bewustwording, ook wanneer wij gekweld worden door de vele schijnbare tegenstellingen en paradoxen in ons eigen wezen. Ook komen deze tegenspraken uit ons zelf voort, vooral wanneer wij een beperkte logica of denkwijze trachten toe te passen op verschijnselen, die van een hogere orde zijn.

“God is Liefde. Zijn werelden geeft Hij vrede.” Geen van de beide in deze spreuk bevatte stellingen is feitelijk onjuist. Toch kan ik ook stellen: “In mijn beleven is God liefde en de voor mij schijnbare wreedheid van de wereld wil ik beleven als een uiting van zijn liefde, die ik nog niet geheel besef.”

Dan heb ik de voorgaande spreuk en opvatting veel juister gesteld. Men heeft niet meer voor zich een grens getrokken tussen een absolute Godheid en de daaruit volgens menselijk inzicht te verwachten verschijnselen, tegenover onze werkelijkheid, die daaraan immers niet pleegt te beantwoorden. Integendeel: zonder God, diens besluiten of eigenschappen volgens mijn eigen begrip te willen omschrijven en controleren, heb ik een binding gesteld tussen mijn geloof aan God, de scheppende kracht en alle gebeuren. Daarmede kan ik dus voor mijzelf de vrede vinden, die mij bevrijdt van te sterke oorzaak en gevolg-werkingen, zo komende tot een erkennen van en beleven in de grote, de goddelijke werkelijkheid, die meer omvattend is en daarom ook verschillend van de beperkte werkelijkheid, die voor het menselijk denkvermogen nog te bevatten is.

Wij hebben ook allen de neiging om alles, wat wij in ons zelf bereikten, ergens te uiten. Soms ligt deze uiting op geestelijk vlak, heel vaak zullen wij het ook in de stof moeten zoeken. Daarbij zullen wij natuurlijk deze in ons nog bestaande paradoxen en tegenspraken willen ontkennen.

Men kan wel aannemen, dat elke uiting van de werkelijkheid, zij het in werelden van de geest, dan wel in werelden in de stof, ergens onjuist is, zodra zij een opzettelijke uiting van meer innerlijke waarden wordt. De mens, die deze instelling heeft, de juiste harmonie, en verder geen opzettelijke uiting hiervan zoekt, zal in elke wereld op de meest juiste wijze blijven reageren, wat er ook met of rond hem gebeurt. Hij zal de juiste formule vinden, niet van zijn innerlijk, maar van de voor hem noodzakelijke uiting, die niet redelijk, maar door zijn instelling alleen, niet door overwegingen, maar door een vanuit eigen instelling aanvoelen van de juiste wegen.

De mens, die een juiste uiting, alleen volgens eigen begrippen zoekt te vinden voor zijn innerlijke waarden, maakt zich vaak juist hierdoor vrij van de kosmische harmonie. Hij is te nauwkeurig in het stellen van eigen bereikingen en inzichten en vervalt onwetend in disharmonie, omdat hij geen paradoxen of tegenspraken meent te mogen dulden in zijn handelingen en formuleringen.

Er zijn nog vele opmerkingen over dit onderwerp te maken. Waar ik mij echter tot doel had gesteld, de paradoxen enigszins te ontwarren en vooral aan te tonen, dat zij niet noodzakelijker wijze werkelijke paradoxen zijn, maar in vele gevallen berusten op een pogen, waarden van hogere innerlijke bereikingen en werelden te vertalen in stoffelijk redelijke termen, wil ik dit nu laten rusten en u nog wijzen op iets anders.

Wanneer wij vanuit de stof esoterisch streven, zullen wij ook in die bestrevingen een begrip tijd zien. Een tijd, die mogelijkerwijze niet identiek kan worden gesteld met stoffelijke begrippen van tijd en stoffelijke tijdswaarden, maar toch volgens een geregeld en opvolgend werkelijkheidsverloop.

Op het ogenblik, dat wij ons realiseren, dat binnen ons geen werkelijke tijd bestaat, kunnen wij vele tegenspraken oplossen. Want het heden, dat ik bv. stoffelijk beleef, behoeft niet identiek te zijn met het heden dat geestelijk reeds voor mij mogelijk is. Mijn bereiking in het hoogste of mijn grootste zelferkenning hoeven niet identiek te zijn met mijn figuur, noodzaken en behoeften van heden.

Mijn beleving, die kosmisch wordt, zal in wezen vrij staan van de tijd. De daar optredende beelden zijn dan ook niet in een vaste volgorde geschikt of zelfs maar daarin te schikken. Zij zijn allen slechts facetten van mijn werkelijke ik. Dan kan ik ook alle facetten van het ik, die ik in mijzelf erken, zonder meer aanvaarden en deze zelfkennis gebruiken om een zo harmonisch mogelijk beeld aan mijzelf reeds nu voor mijn bewustzijn te creëren. Het is dan verder van weinig belang, indien mogelijkheden op aarde en noodzaken op aarde met dit beeld niet in volledige overeenstemming gebracht kunnen worden: belangrijk is slechts, dat dezelfde intentie en harmonie voor mij, binnen en buiten de tijd kunnen bestaan.

Door te beseffen, wat wij waarlijk zijn – al is de formulering ervan nog zo onvolmaakt – komen wij vrij te staan van het ogenblikkelijk gebeuren. In plaats van de ontwikkelingen komen steeds meer vaststaande feiten en waarden naar voren. Men erkent dan de voorbeschikking, die wel te erkennen is vanuit het Goddelijke, maar nimmer vanuit het menselijke of klein geestelijke, omdat hierin immers steeds weer een keuzemogelijkheid ontstaat.

Stel jezelf bij je innerlijk streven zoveel mogelijk op het standpunt van eeuwigheid. De tijd is niets anders dan een uitstalraam, waarin gij zelf eens zult kunnen grijpen naar alle feiten en mogelijkheden van alle perioden van bestaan. Wat gij nu in uzelf erkent, is reeds nu binnen het geheel hiervan aanwezig.