Verantwoordelijkheid en harmonie

image_pdf

16 april 1965

Allereerst wil ik u er op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, zodat u er goed aan doet zelfstandig na te denken.

Ik vraag uw aandacht voor het onderwerp: Verantwoordelijkheid en harmonie.

Een van de dingen, waarmede de mens in het leven wel het meest overhoop pleegt te liggen, is wel de vraag van zijn verantwoordelijkheden. Enerzijds helt men over tot de bekende woorden: “Ben ik mijns broeders hoeder?” maar aan de andere kant zal men, zelfs indien men dit wenst, nimmer de verantwoordelijkheid kunnen dragen voor alles, wat er in de wereld nu eenmaal bestaat en gebeurt. In vele gevallen is men overigens zelfs niet in staat de verantwoordelijkheden te dragen, die men veronderstelt in eigen leven. Vandaar dat de vraag: “Ben ik hier nu wel, dan wel niet aansprakelijk?” Een vraag, die wel eens de rust van de mensen verstoort en vaak ook een grote invloed uitoefent op de harmonische verhoudingen in hun leven.

Juist daarom lijkt het mij wel goed dit onderwerp alsnog te behandelen en zou ik allereerst willen beginnen met enkele eenvoudige vaststellingen.

Op het ogenblik, dat wij iemand aansprakelijk stellen, waarvoor hij in wezen reeds normalerwijze zijn aandacht en besef van aansprakelijkheid bezit, zal zijn aandacht in overdreven wijze op dit punt worden gericht. Het gevolg is, dat dezelfde taak voor deze mens moeilijker wordt, dat hij veel minder zeker is in zijn optreden, met meestal slechtere resultaten dan normaal. Wij zien dit bv. bij een chauffeur. Deze is normalerwijze aansprakelijk voor de levens van hen, die hij vervoert. Maar indien men dit tot hem door doet dringen en daarmede werkelijk geheel tot zijn wezen doordringt, zal hij opeens veel voorzichtiger willen zijn. Hij wenst geen risico’s te nemen, maar zal juist hierdoor anderen dwingen – zij immers rekenen op een normaal gedrag in het verkeer – grote risico’s te nemen als gevolg hiervan. Indien u nagaat, wat er op de snelwegen gebeurt, zo kunt u vaststellen, dat juist de langzame, de voorzichtige rijders daar voor 60% van de ongevallen aansprakelijk zijn, zij het direct of indirect.

In het leven is het precies zo; wanneer je normaal leeft, zoals je bent, is je reageren op de wereld haast automatisch. Je hebt nu eenmaal je eigen karakter, je eigen geloof, misschien ook eigen morele inzichten. Dit is de praktijk van het leven. Zolang je bij die praktijk blijft, gaat alles redelijk goed. Wanneer er nu iemand komt, die de nadruk gaat leggen op een van de praktische aspecten van het leven en u waar maakt, dat deze van het hoogste belang zijn, wordt daardoor het evenwicht in uw reacties verstoord. Men zal zijn aandacht dan niet meer – zoals gebruikelijk – over alle factoren verdelen, maar men reageert eenzijdig in het leven. Het evenwicht in het bestaan raakt daardoor zoek en het resultaat is disharmonie. Vraag u daarom altijd eerst af, wat de verantwoordelijkheid is, die een normaal mens in het leven draagt. Wij zullen dan beginnen te stellen, dat je maar voor één ding werkelijk geheel aansprakelijk kunt zijn: voor jezelf.

Je kunt geen verantwoording dragen voor het leven en werken van anderen, hoe graag u dit misschien ook zoudt willen doen. Op het ogenblik, dat je jezelf aansprakelijk gaat stellen voor anderen, zul je je eigen persoonlijke handelingsvrijheid aanmerkelijk verkleinen. Dit betekent dat je ook eigen mogelijkheid tot bereiking doet afnemen en ten laatste daardoor ook een persoonlijk bereiken steeds disharmonischer zult zien worden t.a.v. de door jou als feitelijk erkende zin van het leven.

Wanneer je aansprakelijk bent tegenover jezelf houdt dit niet in, dat je voor je gedrag tegenover de gehele verdere wereld geen verantwoording hebt af te leggen. Elke binding met het eigen ik, die erkend is, valt onder eigen aansprakelijkheden, zover het eigen wezen daarbij betrokken is en invloed kan uitoefenen. Hier hebt u dus meteen bv. een uitleg en antwoord op de vraag: “In hoeverre ben ik verantwoordelijk voor mijn kinderen?” U bent voor uw kinderen verantwoordelijk volgens de verhouding en het gezag, die tussen u en de kinderen op het ogenblik bestaat.

Op het ogenblik, dat die kinderen zich van u en uw gezag losmaken, hebt u geen werkelijke invloed meer op hen en houdt uw aansprakelijkheid dus op te bestaan. Zolang de kinderen behoren tot uw gezin, deel zijn van uw leven en in meerdere of mindere mate onder uw gezag staan, bent u aansprakelijk voor hen, zover als u gezag kunt of zou kunnen uitoefenen.

Dan is er de kwestie van verantwoordelijkheid binnen de maatschappij. De maatschappij wil namelijk de mens maar al te graag verantwoordelijk stellen voor allerhande dingen, bv. voor de cultuur van zijn naaste, om een voorbeeld te stellen. Ik meen echter, dat er geen persoonlijke verantwoordelijkheid in deze zin kan bestaan, zoals men dit pleegt te stellen. Je kunt niet aansprakelijk zijn voor het wel of wee binnen een Staat. Als je bv. minister bent, kun je dit wel in administratief opzicht zijn, maar nimmer in moreel of zedelijk opzicht, op het gebied van cultuur enz. Dit zijn andere dingen, die te zeer verbonden zijn met de geaardheid van de mens zelf. De verantwoordelijkheid, die u t.a.v. de maatschappij hebt, kan dus nimmer voortspruiten uit datgene, wat je in die maatschappij graag waar zou zien worden, maar alleen door datgene wat je zelf in die maatschappij betekenen kunt. En dit is heel wat minder en heel iets anders, dan men veelal wil stellen.

Ten laatste wil ik opmerken, dat er bij sommigen ook een gevoel van religieuze aansprakelijkheid bestaat. Zij voelen het als een behoefte anderen van de juistheid van hun geloof te overtuigen. Zij zijn a.h.w. voortdurende zendelingen voor hun inzichten en geloof. Daartegen kan geen bezwaar bestaan, zolang het door hen verkondigde iets is, waaruit en waarvoor zij zelf geheel leven. Dan is dit immers een deel van hun bestaan en aldus hebben zij voor zich de verantwoording voor een uiting geven aan dit geloof. Maar zij kunnen nimmer het uiten van het geloof zien als direct verbonden met het al dan niet aanvaarden van dit geloof door anderen. Er zijn echter vele mensen, die dit toch plegen te doen. Zij willen hun gezinsleden, familie, kennissen dwingen, hetzelfde te aanvaarden en hen zo invoeren in wat zij zien als de uitverkoren kerk enz… Het resultaat daarvan is weer: disharmonie.

Misschien vraagt u nu, wat dan wel die harmonie is, waarvan ik steeds weer spreek. De eenvoudigste formulering daarvan luidt als volgt: Harmonie is een samengaan, dat niet noodzakelijkerwijze gelijkheid, gelijkwaardigheid of gelijk gerichtheid betekent, maar slechts berust op een elkander niet storen gedurende de momenten van ontmoeting. Deze harmonie is dus een zaak, waarbij het zelfs niet gaat om bv. wederzijds begrip. Het gaat in wezen om een elkaar aanvaarden. Harmonie is in wezen een kwestie van wederkerige aanvaarding, meer niet. Deze aanvaarding kan maar tot een bepaalde hoogte gaan. Stelt men verdergaande eisen, dan gaat de harmonie en de mogelijkheid tot harmonie daaraan ten gronde. Elke mens heeft een eigen leven, is een persoonlijkheid voor zich, heeft eigen mogelijkheden en krachten. Je kunt niet verwachten dat twee of meer mensen elkaar ontmoeten en het in alle dingen opeens zo volkomen eens zijn, dat hun gehele streven en het gehele bestaan voor hen gelijk is en zij daarin een geheel gelijk doel kennen. Dit is eenvoudigweg onmogelijk.

Wanneer je dit gaat begrijpen, zal de formulering van harmonie die ik u gaf, voor u opeens veel aanvaardbaarder worden. Wij kunnen natuurlijk nu wel gaan zeggen, dat bij dit alles ook geestelijke waarden betrokken zijn, omdat men toch ook een verantwoordelijkheid heeft t.a.v. eigen geest, t.a.v. God. Maar het eigenaardige hierbij is, dat degenen, die het meest de nadruk leggen op deze geestelijke verantwoordelijkheid en de verplichtingen die zij hebben t.a.v. hun God, tevens degenen zijn, die het minst met zich of met hun God in vrede kunnen leven.

Ik meen, dat wij ook hiervoor weer een verklaring kunnen geven. Men kan nooit de verantwoordelijkheid op zich nemen voor iets, wat buiten eigen wezen ligt. Indien men zijn verhouding tot God dus wil concretiseren, kan men dit alleen vanuit zichzelf, voor zichzelf en op een voor het ik aanvaardbare wijze doen. Meer niet.

Ik kan proberen harmonisch te zijn met mijn geest, met een geestelijk wezen. Met mijn super ego desnoods. Maar je kunt dit alleen bewust doen, zover je het wezen in kwestie, ik of niet ik, ook kent; over het algemeen weet men daarvan meer heel weinig af. Wat er op neer komt, dat alle zoeken naar harmonie en alle bereiking van harmonie herleid kan worden tot een actie, die van het ik uitgaat, berust op het bewustzijn van dit ik, en het innerlijk van dit Ik met zijn aard en gevoelens weergeeft.

Dat juist dit laatste vaak vergeten wordt, zal u steeds weer blijken. Zoals men op elk terrein op het ogenblik vormen van koehandel kan zien, is dit ook bij het zoeken naar harmonie gebruikelijk. Ik geef u een voorbeeld van de resultaten van dergelijke compromissen aan de hand van de werkelijkheid. In Moskou moest iemand weg gepromoveerd worden. Men wilde hem zeggenschap geven in de zware industrie. Anderen vonden, dat dit te veel invloed met zich bracht, zodat men hem de zeggenschap over de ontwikkeling van vakantieplaatsen bij de Krim opdroeg. Met als gevolg, dat niemand geheel tevreden was; alle betrokken partijen meenden, dat een andere regeling de meest juiste zou zijn.

Een ander voorbeeld is uw eigen kabinetsformatie. Wanneer men hier al een overeenkomst heeft gevonden, zo zal eenieder, die daaraan deel heeft, iets moeten doen, wat tegen zijn eigen geloof, stellingen, wezen, of belangen indruist. Men kan dan zeggen: doen, want het gaat ook zo toch wel. Maar in feite gaat het eigenlijk niet. Je kunt nooit iets werkelijk volbrengen. Elke partij, die deel neemt aan deze formatie, zal uiteindelijk en uit de aard der zaak gefrustreerd worden en in meerdere gevallen met zichzelf en eigen programma eigenlijk geen raad weten. Men zal steeds weer eigen denkbeelden en beloften moeten verzaken en gelijktijdig nog anderen moeten voor goochelen, dat men het eigenlijk toch wel zeer goed doet. Een soort leugen dus.

U zult menen, dat dit alleen een typisch politieke zaak is. Maar neen, de doorsnee mens drijft ook met zichzelf voortdurend een soortgelijke koehandel. Om een voorbeeld te geven van de meest eenvoudige vorm daarvan: “Ik heb vanmorgen maar 1 sneetje brood gegeten, dus mag ik nu toch wel een gebakje hebben. Natuurlijk mag ik eigenlijk geen gebak eten, want anders word ik veel te dik, maar omdat ik nu – ik had toch geen trek – die ene boterham minder heb gegeten, mag het voor deze éne keer wel.” Uw reacties vertellen mij, dat volgens u het voorbeeld zeker niet onjuist gekozen werd. Wanneer wij dus willen vermageren, moeten wij het gebak opzij zetten. Willen wij de offers daarvoor noodzakelijk, in wezen niet brengen, dan is het beter dit van het begin af aan toe te geven. Wij moeten weten, wat wij willen en ons daaraan houden.

Wanneer je weet, wat je wilt, weet je ook, hoever je verantwoordelijkheid strekken zal. Bij de een is het gemakkelijk: Hij eet weinig en alleen, wat goed voor hem is, omdat hij slank en gezond wil worden, maar wanneer het om iets anders gaat, bv. een geloof, wordt het al ingewikkelder. Daar wordt het een kwestie van een in de praktijk brengen van die delen van het geloof, waarmede je werkelijk geheel akkoord gaat, waarin je op hebt kunnen gaan met geheel je wezen. Al datgene wat je niet raakt, wat voor jou leeg blijft binnen dit geloof, schuif je dan eenvoudig opzij, daarmede hou je geen rekening. Dan kun je de verantwoording dragen voor je geloof en alles, wat uit het in praktijk brengen daarvan, voortspruit – ook al ben je voor anderen dan eigenlijk maar een ketter, een te orthodox iemand, en keuren deze anderen dat af. Wij hebben met anderen niets te maken. Als wij werkelijk harmonie op aarde willen kennen en bereiken, zullen wij eerst moeten ontdekken, dat wij met anderen en hun meningen, hun doen, niets te maken hebben. Het is voor ons van geen belang. Belangrijk is alleen, wat wij zijn, wat zij- voor onszelf – zien als juist. Het is niet belangrijk, dat de aansprakelijkheden, die de wereld ons op wil leggen, ook door ons aanvaard worden, maar wel, dat wij steeds weer handelen en leven volgens de aansprakelijkheden die wij vanuit ons innerlijk en verstand als geheel de onze erkennen.

In een wereld als die van heden wordt de reeks van u opgelegde verplichtingen, aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden steeds groter. U weet het misschien niet, maar als u op straat loopt en jonge mensen iets onbehoorlijks ziet doen, al is het maar een belletje trekken, dan bent u feitelijk verplicht daaraan iets te doen. Als goed burger bent u immers steeds verplicht mede te werken aan het handhaven van de orde… Wanneer u weet, dat uw buurman zijn belastingformulieren onjuist invult, bent u eigenlijk verplicht hem aan te geven – ook al wordt dit hier niet zo uitdrukkelijk als een lovenswaardig volbrengen van een plicht gesteld als in andere staten. Want buurman onttrekt gelden aan de staat en als medeweter en staatsburger bent u daarvoor mede aansprakelijk.

Of u het er nu mee eens bent of niet, wanneer u wetenschap hebt van iets wat tegen de regels van de gemeenschap ingaat, bent u haast overal mede verantwoordelijk voor alles, wat daaruit voort kan spruiten. In een land als Nederland voert men dit niet zo ver en streng door. Maar er zijn andere landen, als Spanje en Portugal, – wanneer u voor een dictatuurstaat niet direct naar het Oostblok wilt gaan – waar dit denkbeeld niet alleen bestaat, maar zelfs via beloning en straffen in de praktijk wordt afgedwongen. U zult wel begrijpen, dat, naarmate deze opgelegde, maar niet in u levende aansprakelijkheden worden opgevoerd, het verschil groter zal worden tussen het werkelijke wezen, wat je innerlijk bent, en de persoonlijkheid, die je, mede door je daden, naar buiten toe ben. Hoe groter dit verschil, hoe kleiner de kans, dat de mens in zijn leven harmonie bereikt. Een cynische grap uit het Sovjetblok stelt: Als de leider een grap maakt, lacht eenieder, niet omdat de leider geestig is, maar omdat het voor de staat belangrijk is, dat ieder ziet, hoe geestig de leider wel kan zijn. Men stelt daarin iets, dat niet zover van de waarheid ligt: Dat volgens dit stelsel en ongeacht eigen persoonlijkheid, eenieder die de leiding heeft in staat en partij ten koste van alles gedwongen is de mythe van onfeilbaarheid van de leiders, de partij en de staat te handhaven.

Dit is voor menigeen de grote knoop: Eenieder vertelt u, dat u voor vele dingen verantwoordelijk bent. Voor de juiste moraal bv. Nu weet niemand, wat de juiste moraal is, want juist degenen die zeggen er het meeste van de weten, blijken ook degenen te zijn, die er het meeste tegen zondigen. Iedereen zegt u, wat de juiste houding enz. is en eist van u – niet van zich, maar van u! – dat u daaraan beantwoorden zult. U doet t.a.v. anderen precies het zelfde en eist van hen maar al te vaak, dat zij zich zullen aanpassen aan, en handelen volgens op zich geheel fictieve waarden. Maar hoe kan men daarmede iets, al is het maar enige harmonie, bereiken? Hoe kun je bereiken dat iets waar wordt, wanneer je het wel aan anderen voorhoudt, maar daarin zelf niet of niet geheel gelooft? Om het cru te zeggen: degenen, die het hardste ijveren voor het handhaven van de openbare zedelijkheid zijn maar al te vaak ook degenen, die buiten de plaats van hun inwoning door rijke bijdragen de rendabiliteit van buurten met veel rode lichten in de hand werken. Ook al gaat het misschien vaak nu wat verfijnder, het komt nog steeds op hetzelfde neer.

Degenen, die u het meeste willen beschermen en anderen via uw invloed wensen te beschermen tegen onjuiste en onkuise lectuur, verdiepen zich vaak vele dagen in dergelijke boeken. Om ze te censureren natuurlijk. Het is kolder, daarom lacht u er om. Want u voelt de onjuistheid daarvan zelf wel aan.

Maar is het niet overal zo? Wanneer men u zegt, dat u vakantie moet nemen – zoals bij de middenstand – stelt men, dat dit een verantwoordelijkheid is tegenover uw branchegenoten.

Door daaraan niet mee te doen, zou u hen op een onrechtvaardige wijze beconcurreren. Ik zie echter niet in, waarom dit juist zou moeten zijn. Ik kan niet inzien, dat het een zedelijke verplichting is voor iemand, die het zich in wezen niet kan permitteren om vakantie te nemen, omdat anderen, die daarvoor wel de middelen hebben, vakantie willen nemen. Men kan voor dergelijke maatregelen sociaal en maatschappelijk misschien veel argumenten aanvoeren, maar menselijk en zedelijk gezien is dit zeker onjuist. Want het betekent, dat degene, die de vakantie eigenlijk niet kan nemen, dus extra armoede moet lijden, omdat anderen, die dit wel zouden kunnen doen zonder dat hun armere concurrent gedwongen zou sluiten, vrij zouden blijven van eisen naar meer dienstbetoon.

Dit klinkt wat eigenaardig, wanneer, het zo gesteld wordt en wat “down to earth”. Maar zo zijn de zaken. Wij mogen dus wel de conclusie stellen, dat de hedendaagse maatschappij door de toenemende normalisatie van het menselijk gedrag, de toenemende veelheid van voorschriften en bindingen op elk terrein, een harmonie tussen de mensen onderling en zeker ook tussen de volkeren onderling steeds minder mogelijk maakt.

Dit is het eerste deel van mijn betoogje. Indien u daarop reeds commentaar hebt, kunt u dit nu geven.

  • Wanneer iemand op de naaste een moordaanslag pleegt, is men daarvoor dus niet verantwoordelijk?

In het door u gegeven geval kan ik mij verantwoordelijk gevoelen voor het beschermen van mijn naaste. Er is geen wet, die mij daartoe dwingen zal. Dit is een innerlijke kwestie. Wanneer ik dit niet doe en de moordaanslag zo, door een niet ingrijpen mijnerzijds, terwijl dit mij mogelijk was, slaagt, zal ikzelf daaronder lijden, omdat ik dit mijzelf zal verwijten.

Dientengevolge ben ik verplicht in te grijpen vanuit mijn eigen wezen – zonder daaraan echter het recht te ontlenen à priori te stellen, dat de moordenaar verkeerd handelt. Dus ingrijpen op gezag van eigen innerlijke waarden is geoorloofd, een veroordelen zonder meer echter niet. Dit is een van die pijnlijke situaties, die een verwijdering tussen volkeren en generaties in de hand pleegt te werken, daar men hier eerder pleegt te veroordelen dan volgens eigen kunnen en weten in te grijpen op eigen verantwoordelijkheid.

Stel bv. Duitsland. In en door burgers van dit land zijn zeer grote oorlogsmisdaden begaan. Men wil nu mensen veroordelen, omdat zij deze misdaden begaan hebben of hielpen begaan. Heeft dit echter waarlijk zin? Dit zal alleen gelden, wanneer degene die men straft, ook in zich

werkelijk beseft, dat de gewraakte daad een misdaad was. Indien hij dit innerlijk beseft, zal hij reeds vanuit zich trachten zijn misdaden goed te maken en is de bestraffing dus eigenlijk  heeft hij dit besef niet, dan heeft voor hem de bestraffing geen zin, zij wekt alleen

wrok. Nu kan men stellen, dat men zo iemand niet in de maatschappij wenst te aanvaarden. Dit is aanvaardbaar. De oplossing is dan: verwijder zo iemand naar een plaats of dood hem desnoods, maar spreek niet van een bestraffing. Dit heeft geen zin.

  • Kan dit geen voorbeeld stellen zijn?

Waarde vriend. Een slecht voorbeeld, dat je stelt voor de toekomst, wordt altijd door die toekomst aanvaard. Goede voorbeelden worden echter niet opgevolgd, maar ten hoogste in mensen herboren. Laat mij de zaak eens precies stellen, zoals zij is.

Men heeft de nazi’s vervolgd. Men heeft hun misdaden overal betreurd en bekend gemaakt. Het gevolg is, dat handelwijzen, die aan deze gewraakte Staat en haar instelling ontsproten zijn in praktisch geheel Europa – Holland niet uitgezonderd – de overhand schijnen te krijgen. Alleen geeft men daaraan andere namen. De wijze, waarop bv. het bestuur in Nederland de laatste tijd geregeld wordt, doet erg veel denken aan Duitsland, in de jaren 33 – 34. Tot de K.d.F-technieken toe. En misschien komt men zelfs reeds dicht bij het gebruik van concentratiekampen, al is dit van een wat andere aard en ligt de overeenkomst eerder in de mentaliteit, dan in het reproduceren van de in Duitsland gewraakte opzet. Ostracisme (sociaal uitsluiten van groep, ras) als indertijd in Duitsland komen meer en meer ook in Nederland voor. De wetgeving in Nederland is, zelfs op dit ogenblik, voor ongeveer 30% ontleend aan de nationaalsocialistische wetten, die gebaseerd zijn op de mentaliteit en racistische inzichten van de nazistaat. De economische opvattingen, die op het ogenblik in Nederland worden gehuldigd, zijn voor meer dan 50% afkomstig uit eenzelfde bron en worden, zij het indirect, sterk beïnvloed door o.m. de theorieën van Schacht.

De rasseninzichten, zoals deze in vele landen verdedigd worden door betrekkelijk sterke groepen – ik denk bv. aan delen van de USA – zijn in wezen niet verschillend van de inzichten omtrent het superras in Duitsland. Dictaturen, iets vrediger misschien dan het Duitsland uit de oorlogsjaren, maar in wezen gelijk aan het systeem dat in Duitsland bestond, zijn op communistische basis in vele landen van het Oostblok te vinden.

Denk hier o.m. aan het bewind van Tito. Maar ook in z.g. westerse landen bestaat een soortgelijke regeringsvorm. In Europa vinden wij bv. Spanje, Portugal, Turkije, terwijl pogingen worden gedaan om meer plaatselijk, vooral in grotere steden in Italië, een dergelijk gezag te vestigen en te handhaven.

Laat ons elkaar a.u.b. niets voorspiegelen. Laat ons niet beweren, dat het nu wel bijna afgelopen is met de nazi mentaliteit. Deze heeft niets met nationaal-socialisme te maken. De oorlogsmisdaden van toen worden vandaag aan de dag op vele plaatsen geregeld herhaald. Alleen roeit men nu de mensen niet officieel uit. Dit niet zo openlijk in die richting werken is wel het grootste verschil, de mentaliteit blijft gelijk. Het stellen van voorbeelden – voor het nageslacht – heeft ten gevolge gehad, dat, of u nu kijkt in Duitsland, Oostenrijk, Nederland, de V.S., of elders als Argentinië, delen van Afrika, Azië enz, overal als gevolg van de publiciteit, die aan de stellingen en daden zijn gegeven, organisaties zijn ontstaan, die, openlijk bestaand en erkend, of meer heimelijk, op gelijke basis werken en hun werkelijke drijfveren en daadkracht vinden in dingen, die juist tijdens de processen van Neurenberg zo sterk werden veroordeeld. Over de gehele wereld zijn groepen ontstaan, die menen, dat het systeem goed is en dat men enkel moet vermijden om overwonnen te worden door tegenstanders, die in wezen soortgelijke theorieën van bijzonder recht, meerwaardigheid enz. koesteren.

Dit is het gevolg van het zo openlijk voorbeelden stellen: men heeft bekendheid gegeven aan het kwaad en het kwaad is blijven voortleven met dezelfde minachting voor eerlijk recht enz. In vele gevallen is – voor meer mensen dan u zou denken – het oude kwaad zelfs alweer geworden tot een nieuwe glorie. Neen, laat ons a.u.b. niet zeggen, dat het goed is een voordbeeld te stellen. Zeg desnoods, dat u met dergelijke mensen niet samen op aarde wilt leven en roei ze uit. Dat is niet goed, maar blijft te minste eerlijk. Zeg echter niet, dat u een voorbeeld wilt stellen voor de toekomst. Want met het stellen van die voorbeelden maakt men de zaak maar erger, door openheid te geven aan systemen die voor eenieder, die naar macht streeft, zoveel aantrekkelijks hebben en denkbeelden, die elke feitelijke minderheid of minderwaardigheid willen verbergen achter een machtsmisbruik en het vernederen van anderen.

Het “goede”, daarmede zou men kunnen trachten een voorbeeld voor de toekomst te maken, maar dit wordt niet zo direct en spectaculair verwerkt als in de oorlogsromans, die men op het ogenblik nog allerwege verslindt; romans, waarin het geweld en een mentaliteit van sentiment en gewetenloosheid – pardon, moed – wordt verheerlijkt. Het recht heeft daarin namelijk geen of bijna geen plaats. Met dergelijke aandacht voor oorlog en haar “glorie” kan men alleen maar bereiken, dat er een gewoonte ontstaat, dit alles te verheerlijken. Het “goede” zal nimmer aanvaard worden als iets bijzonders. Het kan echter eveneens tot een maatschappelijke gewoonte gemaakt worden, waarbij in de eenling een steeds juister besef ontstaat van eigen verplichtingen en aansprakelijkheid.

Ik kan u voorbeelden te over geven: de K.K.K. die zich met terreur tegen de negers keert; zogenaamde politieke geheime diensten, die, in het geheim, maar zeer doeltreffend discriminatie van bepaalde groepen van de bevolking in de hand werken enz. Indien wij zelfs maar de publiciteit aan de daden van dergelijke groepen bezien, kunnen wij constateren, dat daaruit strijd en disharmonie ontstaat, dat bekend geworden terreur altijd weer een tegenterreur uit zal lokken enz. Dit alles is en blijft gebaseerd op het prediken van een verschil in menselijke waardigheid. En deze predicatie, nu wij toch over deze dingen spreken, komt ook voor bij degenen, die eigenlijk weten wat zo iets betekent. De vele luidruchtige protesten van minderheden tegen bv. discriminerende uitlatingen – vaak op het belachelijke af – zijn uiting van een geheel verkeerd begrip van eigen plaats in de wereld en eigen aansprakelijkheden tegenover de medemens. Een ontkenning zelfs van eigen vermogen, een aanvaarding te bereiken, door eigen wezen en door eigen werken harmonie met de wereld te scheppen.

Voorbeeld? Iemand zegt: “Vuile jood”. Niet mooi, niet netjes. Als het hem zo in de mond gelegen had, zou hij ook hebben kunnen zeggen: Vuile of lelijke schollekop of zo iets. De uiting is tegen een persoon gericht, niet tegen de groep, die zijn naam als scheldwoord gebezigd ziet. Nu maakt men daarvan een drama: dit is een belediging van de joodse – of Scheveningse – burgers! Zijn er dan joodse burgers in Nederland?

Of zijn er in Nederland burgers van Nederland, die het Israëlitische geloof aanhangen? Voorts kan men stellen, dat alle joden goed zijn, omdat zij jood zijn, alle Scheveningers goed, omdat zij uit Scheveningen komen enz?

Neen, niet waar? Waarom zal men in een dergelijke uitlating dan een ressentiment tegen een bepaald ras willen zien, tegen een bepaalde groep van de bevolking? Waarom is men zo gauw op de teentjes getrapt? Is hier een gevoel van minderwaardigheid aan het woord? Beseft men niet, dat juist door de hevige protesten het scheldwoord los wordt gemaakt van een taalkundige usance en wordt tot een bewust afweren van de bedoelde groep? Men maakt van iets, wat zo kwaad niet bedoeld was, op deze wijze een racistische uiting, die misschien minder openlijk gebruikt zal worden, maar gelijktijdig in de gedachten van de mens gaat leven en daar tot een werkelijk racistische uiting zal worden? Op deze wijze schept men ressentimenten.

Wanneer een neger trots zegt: “I am no nigger, I am a couloured man”, doet hij in wezen hetzelfde. Wat doet het er toe, welke naam men hem geeft? Het belangrijkste is, dat men hem als mens leert erkennen, en als een goed mens. Daartoe zal hij zo weinig mogelijk op de verschillen tussen hem en anderen, maar zoveel mogelijk op de overeenkomsten tussen hem en anderen moeten wijzen. Een de nadruk leggen op de vaak onbewuste discriminatie die in een dergelijke uiting is gelegen, het steeds weer vechten om een woord, is dwaas en vergroot de afstand tussen de mensen. Men schept hiermede een steeds bewuster ontstaan van de discriminatie.

Wanneer wij hier de verantwoordelijkheid willen bezien, zowel voor de jood, de neger, als voor de Scheveninger enz., kan men deze als volgt formuleren: Toon dat je, als jood of als neger, of wat dan ook, in de eerste plaats een mens bent. Dat is de aansprakelijkheid van de enkeling. Ontken niet, dat je tot een groep behoort, maar toon door je gedrag steeds weer, hoezeer je mens bent met alle andere mensen. Dat is de eerste aansprakelijkheid van allen, die zich door dergelijke uitlatingen getroffen voelen. Eis nimmer, als groep of minderheid, een respect op, dat je niet zelf verdiend hebt. Door de eenheid met de anderen te bewijzen, ontstaat een harmonie, waarbij dergelijke scheldwoorden misschien nog wel eens in een opwelling gebruikt zullen worden, maar geen werkelijke betekenis zullen hebben.

Ik wil er aan herinneren, dat er bepaalde scheldwoorden bestaan, die onder omstandigheden zelfs geheel hun betekenis als scheldwoord verliezen en in plaats daarvan een vertederende inhoud krijgen. Zo zijn er geliefden, die elkander bij troetelnamen noemen, die alles behalve vleiend zijn, wanneer wij dezen in het licht van bv. de Grote van Dale bezien. Voor hen echter is de gangbare betekenis van het woord geheel te loor gegaan en veranderd. Waaruit wel blijkt, dat de betekenis niet in het woord ligt, maar in de mens.

De verantwoordelijkheid, van de mens is daarom volgens mij niet, de juistheid van een naam te bewijzen, te bewijzen, dat hij een goede boer, een goed socialist of communist, democraat, protestant, katholiek, slager of iets anders is. Zijn verantwoordelijkheid is hier steeds weer: Niet de nadruk leggen op het verschil tussen jou en anderen, maar bewijzen, dat je een goed mens bent. Een mens, die steeds weer het beste nastreeft vanuit zichzelf en volgens eigen weten.

De verantwoordelijkheid van een mens is niet een richten van het leven van zijn naasten. Wel behoort het tot zijn verantwoordelijkheden, aan elke naaste hulp te verlenen waar en wanneer hem dit maar mogelijk is. Een mens is niet verantwoordelijk tegenover heel de wereld voor het handhaven van de normen, die deze wereld prefereert te stellen. Hij is wel verantwoordelijk tegenover zichzelf en mag dus zeker niet de voor hem – haar- zelf aanvaardbare normen en regels overschrijden. Want door zich hieraan niet te houden, tast hij eigen harmonie en daarmede ook eigen vermogen tot harmonie met anderen aan.

De problemen van deze wereld op dit terrein zijn echter niet alleen van stoffelijke aard, al zou u dit door deze uitweidingen misschien wel gaan denken. Zoals ik reeds zei, kan de mens op aarde zijn werkelijke geestelijke verantwoordelijkheden niet kennen. Hij moet volstaan met de geestelijke verantwoordelijkheid, die hij op dit moment bewust in zichzelf beseft. Maar deze mens zal in zijn harmonie zeker niet beperkt zijn tot de materie en daardoor spreekt in het leven juist hier een zeer belangrijke factor mee: Wanneer een mens harmonisch is in zichzelf, zal deze harmonie zich uitstrekken tot alle met hem gelijk strevende of op gelijk begrip gebaseerde sferen en werelden. Dit geldt vanaf de hoogste Krachten Gods tot de eenvoudigste geesten in zijn eigen omgeving.

De harmonie, die een mens kan aankweken in de materie, is dan ook niet zuiver materieel. Zij omvat meer dan zichtbaar en kenbaar is. Indien de mens deze harmonieën wil scheppen, zal hij daarbij niet kunnen uitgaan van geheel theoretische verantwoordelijkheden en verplichtingen. Men kan daarbij alleen uitgaan van eigen zijn, eigen wezen. Harmonie wordt niet bereikt aan de hand van een wetboek, een catechismus. Men bereikt deze alleen aan de hand van de waarden

van eigen leven. Zelfs de gehele wereld zal hierbij verder weinig uitmaken. De mens die in zich voortdurend het beste doet tegenover de wereld volgens zijn kunnen, zal ongeacht al wat in deze wereld op kan treden, in zich harmonisch blijven. Dit betekent, dat alle geestelijke krachten, waarmede die harmonie bestaat, in kunnen werken op mens, dat het leven van die mens niet stoffelijk beperkt blijft, maar de volheid van waarden uit geestelijke sferen en krachten in zich draagt. Dit is heel wat meer dan alleen maar een zaak van rust of onrust, dwaasheid, of wijsheid. Het betekent het Eeuwige Principe binnen de beperkingen van de stoffelijke wereld tot uiting brengen. Iets wat nooit bereikt zal worden aan de hand van menselijke theorieën, hoe fraai ook. De mens is niet eens in staat precies te overzien, wat wel en wat niet noodzakelijk is voor hem.

Een van de meest treffende voorbeelden van iets dergelijks is wel de grote impasse, waarin men religieus en moreel verkeert t.a.v. de seksualiteit. Niemand weet, wat te doen. Is de seksualiteit er alleen voor het voortbrengen van nageslacht, is zij eenvoudig een soort genotsmiddel, dat diepere achtergronden kan omvatten, of hoe zit het eigenlijk? Niemand durft een uitspraak te wagen. Toch groeit ondertussen het bevolkingsaantal op de wereld gevaarlijk snel, toch ziet men problemen hierdoor ontstaan, waarvoor ook niemand een werkelijke oplossing weet te vinden. Het knelpunt hier is het bestaan van een theorie op niet logische gronden, waaraan de gezaghebbers van de wereld zich hebben verbonden en die zij niet kunnen of durven prijsgeven.

Maar meent u, dat zij werkelijk alles geloven, wat zij in dit opzicht naar buiten toe nog steeds als enige waarheid tot uiting plegen te brengen? Neen. Hier is sprake van gemakzucht en angst voor het nieuwe. De angst voor het aanvaarden van een aansprakelijkheid, die men wel beseft te hebben, maar die men eigenlijk niet wenst, en zo op God tracht af te schuiven. Maar eenieder is gehouden, verantwoordelijk voor ook een zich zo gedragen in het leven, dat hij geen enkele medemens schaadt, ongeacht de houding van die medemens.

Deze problemen verstoren op het ogenblik haast overal het evenwicht. Wanneer men in een kerk niet eens weet, hoe men over eventuele kinderbeperking moet denken en gelijktijdig toch uiting wil geven aan de waan de enige waarheid te bezitten; wanneer men ziet, dat de feiten steeds weer in strijd zijn met al hetgeen men anderen leert en toch rustig voortgaat zijn leringen aan anderen op te leggen, kan men geen waar geloof bezitten. Dan kan God zich niet meer openbaren, wordt alles langzaam maar zeker een levende leugen. Deze levende leugens baren misstanden en er ontstaat een steeds grotere strijdigheid met eenieder, die zoekt naar een eigen weg van leven, om zo met zich harmonisch te kunnen zijn. Hij, die de disharmonie van bv. het onvolledige geloof in zich kent, gunt vaak een ander de vreugden van het leven niet en wenst, dat eenieder zal lijden onder, en boeten voor zijn eigen onvermogen. Het is vreemd te zien, hoe vaak de mens op zuiver theoretische gronden – vaak ontleend aan onbegrip voor de stellingen van anderen – eerst het zichzelf onmogelijk maakt om gelukkig te zijn en vervolgens er toe overgaat anderen in wezen te haten, omdat zij nog wel gelukkig kunnen zijn of trachten gelukkig te worden. Dit brengt een geestelijke onevenwichtigheid tot stand van grote betekenis.

Wanneer in deze dagen de aarde beeft, kunnen wij natuurlijk wel stellen, dat dit alleen maar een natuurverschijnsel is, maar toch heeft ook de mens en zijn geestelijke inhoud daarmede ook iets te maken. De problemen van de mens, zijn zelfzucht en onevenwichtigheid spelen een grote rol bij de invloed, die hij onbewust uitoefent op zijn omgeving, dit is en blijft waar, of men het nu toe wil geven of niet. Wanneer vandaag of morgen de wereld een oorlogsgevaar beleeft, dat dreigt de gehele wereld te overweldigen, kan men ook dit weer aan anderen of aan de omstandigheden wijten. Maar de mens zelf speelt bij dergelijke inwerkingen vooral t.a.v. de resultaten steeds weer een rol.

Naarmate de mens zich door zijn disharmonieën verder verwijdert van contact met geestelijke sferen en krachten, naarmate de mens zich meer isoleert van het hogere, dat een deel is van zijn werkelijk wezen en persoonlijkheid, zal er steeds meer disharmonie in feite ontstaan en zullen de verantwoordelijkheden, die de mens werkelijk heeft en kent ter zijde worden geschoven, terwijl men daarvoor in de plaats geheel onbelangrijke en dwaze dingen zal stellen als menselijke aansprakelijkheid en als zodanig ook zal aanvaarden.

Je kunt God nooit dienen door anderen te dwingen die God te eren. Je kunt God alleen dienen door hem in jezelf te erkennen en Zijn wil te beleven. Je kunt anderen niet dwingen rechtvaardig te zijn volgens de normen van jouw denken en bestaan. Je kunt die rechtvaardigheid alleen op aarde tot stand brengen door zelf volgens die normen te leven, zonder enige uitzondering of voorbehoud. Je kunt geen andere mens een contact met de geest geven. Je kunt alleen het contact met de geest in jezelf steeds sterker maken tot de kracht van die geest via u eenieder zal kunnen beroeren, die daarvoor ontvankelijk wil zijn. Dwang, beperking, veroorzaken uit zichzelf reeds disharmonie. Het is juist de vrijheid van leven en denken, noodzakelijk voor een mens, noodzakelijk voor een werkelijk leven als de lucht, die je inademt, die binnen de mens de werkelijke harmonie tot stand kan brengen. Dan alleen kan men als mens zin in het leven vinden, dan alleen kan men ontsnappen aan de holle, niet beleefde aansprakelijkheden, die de doorsnee mens gelijktijdig ontvlucht en in lippendienst erkent.

God is harmonie. God heeft ons geschapen. Daarmede ligt de verantwoordelijkheid voor ons bestaan bij God, zover Hij alleen daarbij betrokken is. Voor de kracht, die wij hebben, de kracht die wij bezitten, zijn wij zelf verantwoordelijk volgens ons bewustzijn. Wanneer wij die verantwoordelijkheid durven aanvaarden, wanneer wij deze niet terugwijzen naar anderen en ons niet beroepen op degenen, die zeggen ons van alle lasten van een persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te bevrijden, dan, en dan alleen, zullen wij weten, wat ware harmonie is.

Ware harmonie is vrede. Zij is geluk, zij is ontspanning, zij is vrijheid en bevrijding.

Dit alles had ik u voor heden in overweging willen geven.

Vragen

  • In ons harmonisch zijn komt vaak een verstoring door de disharmonie van anderen. Is men daarvoor ook aansprakelijk?

Wanneer onze eigen harmonie verstoord wordt door de disharmonie van anderen, behoort dit toch tot onze eigen aansprakelijkheid. Dit is voor menigeen geen prettige mededeling. Daarvan ben ik mij bewust. Maar ik baseer deze uitspraak op de volgende argumenten. Wanneer ik in mijzelf een werkelijke harmonie bezit, zal ik deze niet – en zeker niet blijvend – laten verstoren door de disharmonische aspecten buiten mijzelf. Ik zal, krachtens mijn harmonie, mij daarvoor eventueel af kunnen sluiten. In zoverre mijn eigen inwerking op anderen hierbij betrokken is, zal ik deze harmonie en alle daarin gelegen waarden uit blijven stralen en zal dus steeds trachten vanuit mijzelf het begrip harmonie zo juist mogelijk te uiten.

Wordt mij dit onmogelijk gemaakt, dan sluit ik mijzelf af en wordt neutraal tot het ogenblik, waarop ik opnieuw een harmonische mogelijkheid zie. Wanneer ik echter door de disharmonie van, of vanuit anderen, mijn eigen innerlijke harmonie aan laat tasten, laat ik de waarden van die anderen in mij overheersen over mijn eigen innerlijke waarden en het wezen of de doelstellingen van die anderen mijn eigen wezen en gerichtheid laten overheersen. Hierop heb ik echter zelf invloed. Daarom ben ik verantwoordelijk, aansprakelijk voor elke afwijking van de norm in mijzelf die ik toelaat, elke daardoor ontstane afwijking van het doel, dat in mij leeft. Op grond van dit alles meent u te mogen stellen: Wij zijn verantwoordelijk voor elke verstoring van onze eigen harmonie, die wordt voortgebracht door of veroorzaakt door de disharmonie in anderen. Wanneer dit geschiedt, hebben wij zelf niet voldoende of voldoende juist gereageerd.

  • Dit geldt dus ook, wanneer je bv. door een vijand gevangen wordt gezet of wat ook?

Zelfs dan blijft dit van kracht. De uiterlijke waarden zijn namelijk niet geheel bepalend voor het vermogen van de mens in zich een harmonie te bewaren. Laat hij, bv. door de onrechtmatige handelingen van anderen, angst en disharmonieën toe, dan zal dit op zijn gehele wezen en bewustzijn invloed hebben. Het is nimmer de uiterlijke waarde alleen, waardoor een disharmonie wordt veroorzaakt. Er is altijd ook de eigen reactie daarop en deze is de voornaamste invloed. Ik begrijp, dat het onder bepaalde omstandigheden zeer moeilijk zal zijn, zijn harmonie te handhaven, maar meen desalniettemin te mogen stellen: U bent voor het bereiken van en handhaven van eigen innerlijk harmonie te allen tijde zelf verantwoordelijk.

  • Maar een angst kan niet altijd beheerst worden en daardoor kan toch een disharmonie ontstaan?

Zelfs een angst kan aanvaard worden: Door het gevreesde te aanvaarden, zelfs wanneer het nog niet werkelijkheid is geworden, zien wij de angst veranderen van aard en een innerlijke harmonie opnieuw ontstaan. Indien u de delen van het evangelie, die in deze dagen zo sterk op de voorgrond komen, zult u daarin kunnen lezen, dat Jezus de angst kent – indien wij de waarheid van het evangelie aannemen – maar haast onmiddellijk zijn innerlijke harmonie weer herwint en zichzelf is, volledig rustig en harmonisch, bij gevangen name voor het Sanhedrin, bij Herodes, Pilatus en zelfs aan het kruis.

  • Bestaat er een verschil tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid?

Dit verschil wordt wel gemaakt, bv. op juridische gronden. Ik kan voor iets bv. wel geheel verantwoordelijk zijn en toch volgens de jurisdictie daarvoor niet aansprakelijk zijn. Ik kan iemand bv. driftig maken. Wanneer hij in deze drift naar buiten loopt een iemand neerslaat, ben ik daarvoor in wezen verantwoordelijk. Ik heb dit immers mede veroorzaakt. Ik ben echter daarvoor niet aansprakelijk, omdat de juiste relatie – althans juridisch – niet overtuigend als deelschuld is vast te stellen. Maar wanneer ik voor iets verantwoordelijk ben, zal ik daarvoor in de eeuwigheid – en dus buiten alle menselijke wetten en opvattingen om – ook aansprakelijk zijn, omdat ik beseffen zal, dat ik daarvoor verantwoordelijk ben en als zodanig- al zal men dit in de stof wel met een rationalisatie kunnen omzeilen – in de geest beleven zoals zij werkelijk zijn, eigen deel daarin belevende als iets, wat een zelfverwijt en kwelling is, iets wat straf behoeft, voor men verder kan gaan. Dientengevolge is voor mij, vanuit een geestelijk standpunt, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid praktisch identiek.

  • U merkte op, dat ouders aansprakelijk zijn voor kinderen, die onder hun gezag opgroeien, doch slechts zover zij daartoe in staat zijn. Indien een kind te lijden heeft onder erfelijke of karmische factoren, daardoor moeilijk te leiden is en het ouderlijk gezag weinig invloed heeft, in hoeverre is er dan sprake van een niet in staat zijn?

Er is dan sprake van een niet in staat zijn dit gezag persoonlijk uit te oefenen. In zoverre hierdoor schade en erger voor anderen zou kunnen ontstaan, zal men moeten nagaan, hoe de oorzaak – het kind – beperkt en veiliggesteld zou kunnen worden. Dit betekent in de praktijk, dat men na zou moeten gaan, hoe het kind te plaatsen is in een omgeving, waar een voldoende gezag over het kind wel kan bestaan en wordt uitgeoefend. Dit ongeacht de vraag, of men dit als ouder aangenaam vindt of zelfs maar als ouder het eens is met de wijze, waarop dit gezag uitgeoefend zal worden. Men kan hier eigen inzichten niet laten prevaleren, omdat men verantwoordelijk is voor een nalaten van alle mogelijke maatregel en, wanneer het kind hinder en schade aan anderen zou toevoegen, terwijl men, door gebrek aan gezag, niet in staat is dit te veranderen of te voorkomen.

  • Als men niet aansprakelijk is voor het gedrag van anderen, zou men geen gedragsnormen en wetten kunnen vaststellen. M.a.w. een land niet kunnen besturen. Zolang een ingezetene zich niet aansprakelijk voelt voor gedrag, wat de belangen van anderen niet schaadt, zal – zonder rechtsnormen – een chaos ontstaan. Welke oplossing ziet u hiervoor?

Allereerst vraag ik begrip voor het feit dat de rechtsverhouding waarop een staat gebaseerd is, evenals haar normen van moraliteit, volledig willekeurige waarden zijn. Ik zou gesteld willen zien, dat deze waarden niet samenhangen met het geestelijk heil, de welvaart, de harmonie of godserkenning in de mens. De grote fout, die men maakt, is al te vaak de stelling, dat het systeem noodzakelijk is, omdat zonder het systeem niets bereikt kan worden.

Voorbeeld: Door de volledig vrije concurrentiemogelijkheden in de USA tussen 1870 en 1920 werd een praktisch algehele industrialisatie van dit land bewerkstelligd. De verhoudingen tussen concurrentie en vrijheid bevorderden eveneens, zonder dat hier enige dwang werd uitgeoefend, reeds voor 1937 een mechanisering en industrialisatie binnen de landbouw. Een redelijk rationeel verdeelsysteem werd in vrijheid via de handel opgebouwd. In Rusland werd, onder dwang en via een bepaalde doctrine en wetenschappelijke benadering van de problemen, eveneens een industrialisatie afgedwongen.

Al datgene, wat ik noemde in de USA als ontwikkeling tussen 1870 en 1920, werd ook daar verricht. Indien men rekening houdt met het verschil in tijd van ontwikkeling, blijkt de feitelijke bereiking in beide staten niet te verschillen op genoemde gebieden, ofschoon zij onder geheel andere systemen functioneren. Waaruit men de conclusie kan trekken, dat niet het systeem de vooruitgang mogelijk maakt, maar dat systeem, wet, moraliteit e.d. de rationalisatie zijn van een onvermijdelijke ontwikkeling en de gemeenschap voor zich de bestaande gemeenschapsvorm aanvaardbaar pleegt te maken.

Ik stel, dat juist in een maatschappij, waarin men vrij is en wettelijke en morele normen, zo al slechts zeer algemeen gedefinieerd zijn – en dus niet met vele voorschriften en artikelen – een even goede, ja, misschien zelfs veel betere samenleving geschapen kan worden, dan onder een voortdurend sterker wordende reglementatie. Ik stel dit, omdat bij reglementatie wel sommige doeleinden sneller bereikt kunnen worden, maar het vrije initiatief, dat in elke progressieve maatschappij noodzakelijk is, ontbreekt en niet of niet geheel, zeker niet in vorm en doel, aanwezig zal zijn.

Ook hiervoor heb ik een voorbeeld. De bloeiperiode van Nederland valt in een tijd, waarin, gezien de gezagsverhoudingen, gesproken kan worden van een groepsanarchie, daar steden en groepen hun rijkdommen en macht steeds weer tegen elkander uit blijven spelen en corporaties als Oost- en West-Indische Compagnie een strijd om de macht voeren, terwijl de gewone burgers de gegeven voorschriften geheel of grotendeels plegen te ontduiken. Het is echter juist in deze periode, dat Nederland zijn grootste scheppingskracht ziet ontstaan, de grootste rijkdommen verwerft, een zeer grote welvaart kent, die redelijk algemeen is en zijn macht en grootheid binnen de wereld het beste tot uitdrukking weet te brengen.

Historische voorbeelden van gelijke aard kunnen in verband met andere landen eveneens gegeven worden en verklaren onder meer het verval van de grootheid zowel in Frankrijk als in Spanje als gevolg van een steeds toenemende overheidsbemoeiing met de details van het dagelijkse leven. Hieruit kan worden afgeleid, dat regeren langzaam maar zeker is gemaakt tot iets wat in zich belangrijk is, maar niet in wezen het regelen van het leven betekent – zoals men in deze dagen vaak stelt – maar slechts is het geven van een samenhang aan het bestaande. Op het ogenblik dat een regering deze noodzaak tot coördinatie van het bestaande overschrijdt, bereikt zij in feite een beperking van de levens-, bewustzijns- en uitbreidingsmogelijkheden in het gebied, waarover zij regeert.

Ik zou hiertegen aan willen voeren, dat, zo Rusland niet dit systeem had geschapen, het zijn tegenwoordig peil niet zou hebben bereikt. Ik weet wel niet, of zij daardoor gelukkiger zouden zijn geworden, maar meen wel te weten, dat een industrialisatie, zoals wij daar aantreffen slechts uit en centraal beleid voort kan komen. Indien men Lenin niet naar Rusland had teruggebracht, zou zich een meer burgerlijke revolutie doorgezet hebben, met ongeveer gelijke resultaten, maar wel minder zware offers en minder beperkingen van burgerlijke vrijheid.

Het begin van een industrialisatie was reeds aanwezig vóór de communistische revolutie en wel in 1912 reeds, dankzij een opstandigheid tegen het bestaande, eveneens te veel de vrijheid bindende gezag, door een groot deel van de intelligentia. Ook de opvoeding van de eenvoudige burgers en boeren was in deze dagen reeds ter hand genomen, ofschoon dit vooral in het zuiden van Rusland geschiedde, terwijl in de omgeving van bv. Moskou en Petrograd dit minder het geval was.

Ten laatste wil ik er op wijzen, dat de revolutie in Rusland nimmer mogelijk geweest zou zijn, wanneer de middelen en kennis daartoe niet waren geschapen door intellectuele groepen, die onder meer het tot stand komen van de Douma afdwongen, en door de rebellenacties van eveneens intellectuelen van de betere standen, die door hun optreden en scholing het volk de middelen, kennis en gegevens hadden verstrekt, waardoor een revolutie inderdaad mogelijk was geworden. Zouden dezen niet opgetreden zijn, dan zou een eventuele revolutie door de witte generaals zeer snel onderdrukt geworden zijn.

Met andere woorden, het door u gestelde is niet geheel juist. Te stellen dat het systeem en de regering aansprakelijk is voor de vooruitgang van de bevolking is onjuist. Zij registreert slechts een ontwikkeling, die ook zonder het bewind tot stand zou zijn gekomen en eist alle verdienste, die daaraan verbonden is, voor zich op. Zoals de welvaartssfeer, die op het ogenblik in Nederland heerst, ook zonder vele regeringsmaatregelen tot stand zou zijn gekomen. Een enigszins andere vorm zou zij wel hebben aangenomen en minder ontwaarding van kapitaal en geld betekend hebben, maar ook meer stimuli hebben laten bestaan om tot hogere productie te komen enz. Er zouden dus geen andere resultaten behaald zijn, maar alleen zouden verschillende stimuli, die nu in het volk steeds meer ontbreken, nog aanwezig zijn.

  • De moordenaar van Lincoln was de vorige dag bij een dokter geweest, die hem cureerde. Men stelde eens, dat deze man daardoor ook betrokken was in het gebeuren van de moord en daar dus ook karmisch mede belast zou zijn. Hoe zit het dan hier met de verantwoordelijkheid?

Zelfs voor een medicus van die dagen was het kenbaar, dat Wilkes Booth niet geheel normaal en zeer agressief was. De medicus zou dus eigenlijk verplicht zijn geweest, deze man kalmerende middelen te verstrekken en rust te doen nemen – desnoods te zijnen huize. Hij had zeker niet mogen volstaan met een slechts verlenen van de hulp, die hem gevraagd werd tegen rijke vergoeding. De aansprakelijkheid is hier dus niet een aansprakelijk zijn voor de handelingen van de moordenaar, maar voor een onjuistheid van eigen handelingen tegenover deze moordenaar, mede in verband met zijn beroepseed, voor deze de moord beging. Wat de zaak toch wel iets anders doet zijn als u stelde.

  • Als u zo praat, krijg ik het gevoel, dat de staat eigenlijk de vijand van de mens is.

Tot op zekere hoogte is dit waar. Het is echter moeilijk dit geheel zuiver te formuleren, omdat zovele verschillende elementen hierbij een rol spelen. Wij kunnen dus ook niet elke staat gelijk zien en beschouwen. Van staatsvorm tot staatsvorm kan de nadeligheid voor de ontwikkeling en geestelijke bewustwording van de mens dus groter of minder groot zijn. Wanneer wij echter de staat zien als een usurpator, die het vrije beschikkingsrecht van zijn burgers en hun werkelijke verantwoordelijkheden aan zich pleegt te trekken, moeten wij ook de gevolgtrekking maken, dat de vrijheid van beleven en ervaring – die in het stoffelijk bestaan van de mens voor de geest van zo groot belang is – wordt beknot. D.w.z. dat de staat in de meeste gevallen de bewustwording en belevingsmogelijkheden van zijn burgers beperkt. Zodra deze beperking zover gaat, dat hierdoor de geestelijke mogelijkheden ernstig in de knel komen, mogen wij, naar ik meen, inderdaad wel stellen, dat de staat, bij alle goede bedoelingen die er misschien zijn, in wezen de vijand is van zijn burgers.

In een z.g. democratisch bestel mogen wij daaraan toevoegen, dat de burgers die zelf dit bestel gedogen of zelfs verkiezen, hun eigen vijand zijn door hun onbegrip voor het feit, dat een mens eigen verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden moet kennen en dragen, dat hij een eigen en vrije ontwikkelingsmogelijkheid moet hebben, omdat hij alleen zo aan het leven een maximum van bewustzijn, maar ook aan vreugde, tevredenheid en bereiking kan ontlenen.

Ik wil dus niet zeggen, dat elke staat op elk ogenblik à priori de vijand van al zijn burgers zal zijn. Maar de neiging van de staat is altijd weer de vrijheid van de burgers te beknotten en over hun leven en bezit te gaan beschikken. Wij kunnen met zekerheid echter stellen, dat elke staat een demonische vijand van alle menszijn en geestelijke ontwikkeling wordt op het ogenblik, dat zij de vrijheid van denken van de burgers beknot. De vrije geestelijke ontwikkeling wordt in een dergelijk geval zozeer geremd en wordt een zo eenzijdige beleving en interpretatie van eigen bestaan afgedwongen, dat voor de doorsnee geest, die in een dergelijk milieu leeft en niet toevallig precies behoefte heeft aan de ook door de staat voorgestane ontwikkeling, een groot nadeel ontstaat, dat voeren kan tot anders niet noodzakelijke reïncarnaties enz.

Op het ogenblik, dat een staat de mens zijn verantwoordelijkheden en bepaalde gevaren van eigen bestaan ontneemt, zal het bestaan van die mens oppervlakkiger worden. Men zal minder werkelijke zorgen en problemen kennen, daardoor komen tot een overwaardering van op zich geheel onbelangrijke feiten en goederen, zo een vertekend beeld van het leven verkrijgende, wat voor de bewustwording zeer schadelijk is.

Een staat, die een minimum van regels geeft en een zo groot mogelijke vrijheid van haar burgers voorstaat, zal daarmede misschien het stoffelijke welzijn van die burgers niet zozeer bevorderen als andere staatsvormen. Zij bereikt echter voor haar burgers de mogelijkheid tot een nog juist geordende samenleving met daarnaast zo grote eigen verantwoordelijkheid en mogelijkheid tot persoonlijk streven en bereiken, dat zij ongetwijfeld in de huidige omstandigheden de meest verkieselijke gezagsvorm zal mogen heten. Wanneer een dergelijke staatsvorm zich lang genoeg weet te handhaven, is werkelijke vrijheid, een z.g. anarchie, mogelijk zonder dat zij voor de mensen een te zware belasting of voor hun samenleving een vernietiging betekent. In dat geval zou immers eenieder optreden als tijdelijk bestuurder of beheerder, wanneer zijn bekwaamheden stroken met de behoeften of noodzaken, die ogenblikkelijk bestaan. Dit is een vorm van onderlinge hulpverlening, waarbij het beste resultaat met de meeste kracht in de kortst mogelijke tijd steeds bereikbaar zal zijn, terwijl niemand gedwongen of gebonden is tot een leven of handelen boven of buiten eigen besef en vermogens om.

Ik wil hieraan nog toevoegen: Naarmate men zich meer baseert, zoals in deze dagen het geval pleegt te zijn, op het denkbeeld, dat men iets voor niets zou kunnen verkrijgen, zal men steeds minder bewust geestelijk kunnen reageren. Of wij dit iets voor niets voor onszelf of anderen verlangen, wat wij ook doen, dit blijft van kracht.

Maar genoeg van de politiek. Wanneer wij spreken over politiek, spreken wij niet over de werkelijke fouten en ziekten maar over symptomen. Niet over feiten, niet over de kwalen zelfzucht, materialisme, oppervlakkigheid, maar alleen over enkele van de kenbare verschijnselen, die uit deze ziekten voortkomen.

De mens moet in zich het geestelijk bewustzijn herwinnen. Dat kan alleen, wanneer men van een zelfstandig leven, van een persoonlijke verantwoordelijkheid, eigen harmonie en geestelijk bewustzijn uit wil gaan. Men kan alleen komen tot een voor de geest en het gehele zijn belangrijke vooruitgang, wanneer men begint met persoonlijk bewust en zo harmonisch mogelijk te leven, eigen aansprakelijkheid op elk terrein aanvaardende met alle ongemakken, die daaraan kleven en alle uiterlijkheden voorlopig maar ter zijde stelt.

Dit is mijn pleidooi: heb begrip voor uw naasten. Heb begrip voor de noodzaak tot een zuiverder leven volgens eigen inzichten en mogelijkheden, een leven, dat meer in overeenstemming is met uw persoonlijk bewustzijn. Het is mijn pleidooi voor het gebruik van uw geestelijke krachten, gaven en mogelijkheden, waarover u altijd weer beschikt zodra u zich daarvan maar bewust bent, voor anderen. Misschien vindt u dat veel hiervan overbodig is en heb ik enkelen onder u geërgerd, gechoqueerd misschien ook met mijn beweringen en stellingen. Ik kan mij dit wel voorstellen.

Denk echter na, over al hetgeen wij gezamenlijk besproken hebben en beantwoord voor uzelf eens deze drie vragen:

  1. Is er nog een werkelijke harmonie tussen de mensen, of is er in wezen alleen nog sprake van een soort massamentaliteit, waarin eenieder in feite zichzelf zoekt, ook al geeft hij voor ook voor anderen iets te willen bereiken?
  2. Bent u innerlijk het volledig eens met alles wat er rond u als regel en reglement bestaat, met al wat u zonder verzet schijnt te aanvaarden? Of zou u zonder het bestaan van deze regels en reglementen anders kunnen en willen leven?
  3. Vindt u niet, dat geestelijke waarden en belangen, zoals deze in de mens bestaan en leven, te veel worden onderdrukt en weggecijferd achter theoretische verklaringen en op zich zinloze leuzen?

Als u op deze vragen een antwoord hebt gegeven en dan het voorgaande opnieuw beziet, zult u misschien ook voor uzelf zeggen: Ik kan in deze tijd van veranderingen en omwentelingen mijzelf zozeer veranderen, dat ik alles op de wereld kan verwerken, verdragen en aanvaarden, omdat ik vrijelijk mijzelf ben en beantwoordende aan wat ik in mij gevoel als mijn werkelijke taak en verplichting, mijzelf en de mensheid kan verbeteren en zo in mijzelf een grote vrede kan kennen, welke worden zal tot een harmonie in en met mijn wereld.

Indien dit het geval is heeft u iets gewonnen en is mijn pleidooi niet voor niets geweest. U zult over veel van het heden gesprokene onderling willen spreken. Mag ik u waarschuwen hierbij niet uit te gaan van wat u altijd hebt gedacht, maar alleen van hetgeen u nu, na rijp beraad en overweging, denkt?

image_pdf