Verbeelding

28 augustus 1955

Er was eens een pad, die verbeeldde zichzelf, dat hij een koning was, gezeten op een troon. En een ieder, die hoorde van het beeld, dat de pad zich verbeeldde, sprak honend over deze verbeelding. Maar zat de pad zo statig op het plompenblad, dan werd zijn beeld tot werkelijkheid; hij werd een vorst. Terwijl het water glijdt en deint en speelt met de wind, geeft hij zijn bevelen. Hij is een vorst dat ogenblik.

Al denken anderen slechts, dat het spelen is. Want wij verbeelden ons zoveel.

Wij scheppen beelden, die in het geheel der werkelijkheid niet passen. Wij scheppen wonderen en krachten en daden. Wij delen genaden uit, nemen besluiten en kunnen ze niet uiten, omdat het slechts verbeelding is, maar toch een werkelijkheid, die in ons nog steeds bestaat.

In de mens leeft het Al. Geen beeld, dat in een mens ontstaat, geen verbeelding van een werkelijkheid, of ook wel van iets, dat nog geen realiteit geworden is, gaat teniet. Alles leeft en alles streeft in u. Maar het beeld, dat gij schept, is een werkelijkheid. Want gij kunt niets verbeelden, dat niet bestaat. Niets is er in u, dat uiting kan geven aan iets, dat niet geschapen is, reeds lang voordat gij u bewust waart van uw bestaan.

Zo is de verbeelding, de uitdrukking, die wij geven aan de dingen, die in ons leven of die rond ons zijn, het in beeld weer geven der dingen, zo goed, als, het dromen anders te zijn, dan ons bewustzijn u zegt: Werkelijkheid. Een grote werkelijkheid. Maar een werkelijkheid, die alleen zin heeft, wanneer wij ze door kunnen voeren. Door kunnen voeren, totdat zij werkelijkheid is ook voor ons en voor onze wereld. Want wanneer onze verbeelding ons beelden creëert, die niet passen bij een werkelijkheid, dan is er een scheidslijn. Een scheidslijn tussen de wereld, waarin wij bestaan en de wereld, waarin wij dromen. Niet minder werkelijk is het beeld, dat wij ons denken. Maar wij worden voortdurend teruggeleid van de ene werkelijkheid tot de andere. Dan wordt het geheel een warboel, een chaos. Elk buitengewoon verschijnsel is a.h.w. een begin van chaos. Er zijn in elk Al, in elke wereld, wetten gelegd. Zolang wij deze wetten verbeelden door ons leven en zijn, hen gestalte en vorm geven en tot uitdrukking brengen, is het goed. Dan streeft vorm na vorm tot een torenende bouw, die uiteindelijk de tempel wordt van een creator. Maar op het ogenblik, dat onze verbeelding zoekt te verbeelden, wat niet in onze wereld, maar daarbuiten bestaat, wat niet in ons wezen ligt, maar elders aanwezig kan zijn, verstoren wij de regelmaat van ons eigen bestaan en de wetten. De wetten, waardoor wij zijn. Dan wordt er in ons de chaos geboren en sterft beeld na beeld en werkelijkheid na werkelijkheid! tot overblijft een wilde verwarring van vormen en waarden, die niet meer tot de realiteit kan behoren.

Elk leven is een verbeelden van waarden, die leven in de mens. Elke waarde, die leeft in de mens, is een verbeelding van Goddelijke Krachten, die leven in God. De machten en krachten van de Schepper kunnen uitbeelden, wat Hij is en wie Hij is. Misschien verbeelden zij een kracht, die zelfs staat boven datgene, wat wij Schepper noemen, omdat ons oog niet verder reikt, omdat onze gedachten niet verder kunnen gaan. Een wereld is opgebouwd uit beelden. Uit impressies van vliedende momenten, die samen een keten vormen, langzaam tot uitdrukking brengende de eeuwige kracht, die onveranderlijk staat temidden van alle wisselingen.

Wanneer wij in ons leven die kracht verbeelden, dan moeten wij zien in de kernwaarde van elk beeld, waarvan. wij deel uitmaken, deze zelfde kracht en deze zelfde werkelijkheid. Het stoppunt der verbeelding, in de genoemde zin en in andere zin, is niet net God zijn, maar is het bewustzijn van de werkelijkheid, waarvan alle beelden van eigen wezen deel uitmaken. Waar alle scènes van bestaan tezamen één vorm aan hebben gegeven, één kracht. Wat gij u ook verbeeldt, wat gij, ook tot uitdrukking brengt, acterende misschien om in het leven anders te lijken, dan gij zijt, spelende misschien een rol in een drama, terwijl gij gelijktijdig lacht om het ongezonde sentiment, dat er in verborgen ligt. Eén beeld is werkelijk en onveranderd, de scheppende kracht, die in u leeft.

En wanneer uw leven beeld na beeld, vorm en omschrijving geeft aan dit geheel, verbeeldende God, spiegelende God, zoals men het zegt, gelijktijdig zichzelf in die God spiegelend, dan kan er niets meer verbeeld, worden. Dan is er alleen het beeld der werkelijkheid en der Waarheid, dat de grote waarde is, voor ieder en Al. Dan gaat het ons misschien, als de kikker op het plompenblad.

Die droomde, dat hij een kroon op had,

En noemde zich koning van ‘t Al.

Zijn koningschap kwam dra tot val,

Maar in zich wist, hij van de wolken

En van het land en van de wind.

Hij had een wijsheid zonder grenzen,

Zoals men die in meen’ge vorst niet vindt.

Zijn droom bracht hem de werkelijkheid,

Hij overschreed in droom de tijd

En gaf een beeld, aan wat bestaat

Daar, waar het leven stille staat.

En slechts de ziel het ware zijn,

Aarzelend tot zijn Schepper gaat.

Zo de verbeelding, niet slechts in één zin, maar in vele zinnen. Verbeelding is het beeld, dat men zelf, geeft, waar of niet waar, aan dat, wat bestaat en aan dat, wat niet bestaat.

Verbeelding is de gedachte, die men omtrent zichzelf heeft, waar of niet. Verbeelding is ook, de uitdrukking van het geschapene. En waar God in alle dingen aanwezig is, zal elk beeld, elke verbeelding God uitdrukken. En zij, die in het beeld God kunnen vinden, zullen ondanks alle verbeelding in ongunstigste zin toch vaak de waarheid vinden, die alle verbeelding onnodig maakt, omdat er dan slechts één beeld en één werkelijkheid bestaat.