Verbondenheid met het Al

Dinsdag, 23 maart 1982

Dat is een onderwerp waar we wel een paar maanden voor nodig hebben, maar ik zal een korte inleiding geven.

Verbondenheid met het al is iets wat in ons wezen ligt, alleen zul je dat als mens, soms ook als geest, jezelf niet altijd realiseren.

Je bent afhankelijk van alles om je heen voor je bestaan. Om een simpel voorbeeld te geven: de plantengroei op aarde maakt weer het bestaan van dierlijk leven mogelijk, ik noem maar iets. De warmte van de zon maakt ontstaan op aarde mogelijk. De verveling van het melkwegstelsel bepaalt de banen die de zon en andere sterren trekken. Alles is één geheel en je kunt daar nooit een deel van weg nemen zonder dat er iets verandert. Wij willen echter niet veranderen in die zin, dat we verdwijnen. Daarom moeten we beginnen met te aanvaarden, dat we een deel zijn van het geheel. Niet de mens de heer van de wereld, niet de geest het suprême moment van bewustwording, maar eenvoudig één factor temidden van vele factoren, die tezamen de kosmos vormen waarin we leven.

Wanneer je dat zo formuleert, dan is dat nog zeer materieel gesteld. Wanneer we het filosofisch benaderen wordt het al iets anders. Wanneer er een samenhang bestaat dan moet er ook een samenhang zijn, die verder reikt dan het zichtbare. Een onzichtbare samenhang veronderstelt tenminste wederkerige beïnvloeding van de mensen door het denken. Maar, wanneer zij elkaar kunnen beïnvloeden, dan is het redelijk aan te nemen, dat elke vorm van bewustzijn medewerkt in die beïnvloeding en dat de mens ook omgekeerd alle andere levensvormen beïnvloedt. Ga je daarbij verder uit van een God, komt al snel de vraag: waar komt het leven vandaan? Het enige antwoord wat je daarop kunt geven is: ik weet het eigenlijk niet. Volgens de Bijbel is het de adem Gods. Misschien is het waar. Misschien zijn we alleen maar een droom, die gedroomd wordt door onze God en wie onze God is weten we niet. Misschien is hij wel een leerling schrijver, die een epos aan het dichten is en nu zoekt naar een fantastische afsluiting.

We weten het eenvoudig niet. Diep in onszelf, echter, voelen we een verbondenheid ergens met het onbekende. Laten we daar dan maar vanuit gaan. Wanneer ik mij verbonden voel met het onbekende, wanneer mijn leven ontstaat uit, afhankelijk is van dit onbekende, moet er een band zijn.

Wanneer ik nu kijk naar alle leven en het blijkt, dat daarin precies hetzelfde bestaat, moet ik ook aannemen, dat de Schepper of het Scheppende eigenlijk in alles aanwezig moet zijn. Gaan we uit van een God zoals die in heel veel godsdiensten gepredikt wordt, komen we zelfs terecht op een punt waarbij we zeggen: ja, alleen wanneer God is en ons in stand houdt, zijn wij. Dat houdt in, dat een deel van ons dus deel is van die God. We zijn verwant met alle dingen.

Die kosmische verbondenheid in jezelf voelen is een situatie, die voor een mens niet uitdrukbaar is. Wanneer u werkelijk denkt – voor een ogenblik – dat u die eenheid beleeft, denkt u niet meer. Het denken houdt op. Het is een je verliezen in een soort lichtende nevel van vrede, waarin je dan wel existeert, waar je opgefrist en gelukkig vandaan komt, maar waarvoor je in feite geen omschrijving hebt. Ik geloof, dat we ook deze laatste punten bij die verbondenheid met de kosmos moeten betrekken.

Er zijn waarden in die kosmos, die zich aan ons besef – althans aan ons besef van dat ogenblik – onttrekken, maar dat zij voor ons bestaan impliceert ook wel, dat wij ergens toe behoren. Wij behoren, zover wij kunnen nagaan, tot al dat gene wat denkbaar is en dat is heel wat en waarschijnlijk nog tot vele zaken, die nu niet denkbaar zijn voor een mens.

We moeten beginnen ons deelgenootschap eenvoudig te aanvaarden. Ik ben een eenheid. Ik ben een zelfstandigheidje. Ik word in mijn wezen, in mijn werken natuurlijk beperkt door de situatie waarin ik mij bevind, de mogelijkheden, die zich voor mijn bewustzijn openbaren. Dat is duidelijk. Aan de andere kant moet er een geheel zijn, waarin ik een functie heb. Zodra ik dit punt aanvaard, onverschillig in welke terminologie verder, dan komt het ogenblik dat ik mij af ga vragen hoe pas ik het meest perfect in het geheel? Want zolang ik alleen nog maar besta in het voortdurend opsommen van tegenstellingen dan kom ik er niet. Die tegenstellingen betekenen, dat ik een afstand schep tussen al datgene wat ook werkelijk is en wat ik ben. Zoek ik echter naar overeenkomsten dan blijkt, dat ik eigenlijk een aanvulling vorm ten aanzien van ieder ander die er bestaat. Zolang ik binnen het kader van hetgeen ik ben juist functioneer, gelijktijdig positief tegenover anderen, ontstaat er iets wat we wel eens met harmonie plegen te omschrijven. Je zou het een vorm van samenwerking kunnen noemen waarbij men iets van zichzelf opoffert om meer te passen bij het andere. Deze stellingen kunnen we terugvinden bijvoorbeeld bij de maconnerie, de tempelbouw, de welbehouwen steen, etc. Ook wanneer ik deze theorie niet aanhang kan ik teruggrijpen naar andere denkmethoden, bijvoorbeeld de Boeddha en het mededogen. Het mededogen is toch wel de aanvaarding van de ander zoals hij is. Het christendom met zijn naastenliefde. Ik heb de naaste lief. Niet omdat hij iets bijzonders is, maar omdat hij mijn naaste is. Al weer een – emotioneel uitgedrukte – aanpassing aan de ander.

Kosmische verbondenheid bestaat niet van boven uit voor ons. We zijn nu eenmaal deel van een of ander stratum, misschien wel van een substratum, van een of ander bestaan. Wanneer we dat accepteren moeten we van ons standpunt uit proberen te bouwen naar een werkelijkheid, waarbij we behoren. Dat kan alleen wanneer ik begin met de eenheid van alle dingen te aanvaarden. Begrip voor de kosmos, eenheid met de kosmos is niet alleen maar een beginseltje. Het is niet iets wat met een meditatie zo maar bereikt wordt. Soms is het even een ontvluchten aan de beperkingen van datgene wat je denkt te zijn. In de meeste gevallen is het een moeizaam proces, waarbij je steeds weer probeert positief te zijn tegenover alle dingen totdat die positiviteit een betekenis krijgt, een inhoud, die innerlijke ervaring wordt, maar die niet uitgedrukt kan worden. Het is een saamhorigheid waar niets meer is uitgesloten. Een verwantschap met alle dingen misschien. Wij trekken altijd nog een scheidslijn. Een mens zegt bijvoorbeeld ten aanzien van een geest: ja maar ik leef en jij bent dood. Wij zouden van ons standpunt uit tegenover u hetzelfde kunnen zeggen, want veel wat voor ons normaal is, is voor u nog onaanvaardbaar.

Kun je zeggen als mens: ik ben één met een ster? Het lijkt onvergelijkbaar die enorme massa voortdurend vanuit het superverlicht kernpunt naar buiten toestuwende massa, zich ontladend in hitte, in zwavel, die vlammende atmosfeer en dan dat kleine stukje mens. Dan zeg je, dat het niet kan. Waarom zou het niet kunnen? Wanneer ik maar kan aanvaarden, dat die ster alleen bestaat voor zover ik die ster beleven kan. Mijn sleutel tot de kosmos is uiteindelijk mijn besef, mijn innerlijk begrip en dat is iets anders dan een verstandelijk begrip alleen. Het is een versmelten met het andere zover je het begrijpen kunt. Hoe groter je begrip wordt hoe vollediger uit de aard der zaak ook je gevoel van verbondenheid zal worden met het andere. Je gaat steeds meer erkennen wat een ander is. Daarin gespiegeld vind je eigenlijk pas wat je zelf bent.

*  Kunt u het verschil duidelijk maken tussen innerlijk begrip en verstandelijk begrip?

Verstandelijk begrip is zeggen, dat je begrijpt, dat onder de huidige omstandigheden de heer Van Agt een zakenreis heel erg belangrijk vond. Hierdoor onttrok hij zich immers aan een directe dialoog, terwijl hij daardoor gelijktijdig anderen voor het blok zette. Dat is dus verstandelijk. Wanneer ik met mijn innerlijk begrip ga denken, dan zeg ik: iemand, die wegloopt voor de taak waarvoor hij in feite toch getekend heeft, is niet iemand van wie je kunt verwachten, dat hij die taak naar behoren zal vervullen. Hij zal dit alleen doen zoverre hem dit mogelijk wordt gemaakt in overstemming met zijn eigen denken en zijn eigen eisen.

*  Je denkt dat toch ook.

Je moet een gevoel in woorden uitdrukken om duidelijk te maken waar het verschil ligt. Als u vindt, dat u het denkt dan kunt u het misschien nog anders stellen. Soms weet je, dat iemand erg knap is, maar je hebt innerlijk het gevoel, dat hij maar griezelig is. Nu kan dat gevoel berusten op een innerlijk weten, namelijk wanneer u onbewust op verstandelijk niveau afleest wat die persoon uitstraalt en dus niet reageert op de feiten zoals die verstandelijk verwerkt kunnen worden, maar op onbewuste factoren, die in verstandelijke overwegingen nooit een directe rol spelen.

Het is altijd gemakkelijk om termen te gebruiken als één worden met de kosmos. Dat klinkt zo mooi. Hoe kun je één worden met de kosmos als je je nog niet eens één kunt voelen met een mus of met een grasspriet. Misschien ligt daar wel het criterium. Ik nam een ster om duidelijk te maken, dat er ergens een band, een mogelijkheid bestaat op basis van begrip. We zijn over het algemeen niet geneigd om datgene wat simpeler is in existentie dan ons eigen wezen voor vol te aanvaarden. Daardoor vergeten we heel vaak, dat wij voor onze existentie plus onze mogelijkheden van denken, van beseffen van formuleren wel degelijk van die zogenaamde lagere vormen afhankelijk zijn. Daar begint eigenlijk de moeilijkheid. Wij scheppen afstanden. Wij zeggen, dat een atoom klein is – het kan levensgevaarlijk zijn in een kettingreactie – en een ster is zo groot. Deze verteert ons wanneer we erbij komen. Aan de andere kant is ze leven. Een ster is leven en dood tegelijk voor ieder, die in haar bereik leeft. Het is wel zo. Natuurlijk is het wel zo, maar er is ook iets meer. Ik kan niet bestaan zonder die ster. Zal die ster echter, qua inhoud, volledig gelijk blijven als ik er niet meer ben? Helemaal bedoel ik, niet meer zijn, dus ook geen geestelijk voortbestaan. Ik geloof, dat je daar eigenlijk de puzzle hebt. Het is net een legpuzzel. Wanneer er één brokje uit mankeert kun je hem nooit helemaal afmaken.

De kosmos is zo’n soort legpuzzel, alleen het aantal stukjes is praktisch oneindig, dat weet ik ook wel. Wanneer er één stukje volledig wordt weggenomen, dan past het niet meer. Wanneer je één stukje op een verkeerde plaats neerlegt, dan komt de puzzel ergens niet meer uit. De kosmos geeft ons een aantal relaties aan. Het kunnen relaties zijn met mensen, relaties met andere werelden. Het kunnen verbondenheden zijn met verschijnselen in de natuur. Het aantal mogelijkheden is ook al weer heel erg groot. Het zijn deze dingen waardoor onze waarden, ons bestaan, onze verbondenheid met het andere wordt bepaald. Daarom is het misschien heel erg goed om – wanneer je nu gaat streven naar de verbondenheid met de kosmos allereerst te streven naar erkenning van jezelf. Nu weet ik wel, dat jezelf kennen is menselijk en geestelijk gezien praktisch onmogelijk. In de eerste plaats blijf je niet gelijk, je verandert voortdurend. In de tweede plaats is het beeld, dat je van jezelf maakt afhankelijk van de normen, die je aanlegt.

Die normen zijn geen vaststaande waarden. Het zijn ideeën. Ideeën hebben – zoals u weet – ook de neiging heel sterk te veranderen. Dat gaat van je naasten lief tot prediking onderwerping aan de één of andere dictator. Het zal duidelijk zijn, dat jezelf kennen alleen beperkt kan. Ik geloof, dat de beste vorm van benadering van dit ik is je af te vragen waar je contact mee voelt, wat zegt je iets en wat zegt je niets. Daardoor krijg je namelijk langzaam maar zeker het begrip, dat dit niet meer aan formules vastligt, maar dat gelijktijdig en emotioneel en intellectueel aangeeft waar jij in die wereld je contacten hebt. Die contacten bepalen dan volgens mij gelijktijdig je mogelijkheden om de eenheid met de kosmos nader te bereiken. Er zijn een hole hoop mensen, die zeggen, dat ze zich zelf moeten veranderen. Ik hoor het ze zeggen, ik zie het ze nog niet doen.

Ik geloof niet, dat je jezelf wezenlijk kunt veranderen. Je uiterlijkheden, ja natuurlijk, dat kun je veranderen. Je kunt misschien je gedrag veranderen. Je kunt zelfs je gedachten zodanig formuleren, dat je denkt, dat je anders bent. Maar, maakt het nu zoveel verschil uit of je “God zegene u” of GVD zegt? Ik ken hele brave mensen, die God zegene u gebruiken als een vloek. Ik ken ook mensen, die GVD zeggen als uiting van blijde, verbaasde verwondering en aanvaarding. De formules kunnen nu wel veranderen, maar wat je bent verandert volgens mij niet. Je bent een eeuwig wezen een eeuwig deel van de kosmos. Ik geloof, dat je binnen die kosmos absoluut gebonden bent aan het kosmische functioneren in juist die hoedanigheid. Je kunt je waarde, je invloed natuurlijk durend blijven veranderen totdat je je juiste plaats gevonden hebt. Als je eenmaal je juiste plaats gevonden hebt dan ontstaat voor het eerst in werkelijkheid dit begin van voorbestemdheid. Dan is de eenheid waarvan je deel uitmaakt, bepalend voor datgene wat jij bent in die eenheid en vanuit die eenheid.

Dit is dan weer een puzzel. Ik kan u nu wel bekennen, dat ik altijd een tegenstander ben geweest van puzzels, raadsels rebussen etc. Wat dat betreft ben ik dus wel veranderd, niet in emotie, niet in innerlijk, maar wel in benadering. Ik ga nu begrijpen, dat het oplossen van een puzzle voor veel mensen betekent, een overwinnen behalen voor het onbegrip, dat ze bij een ander veronderstellen.

Ik ga nu proberen dit om te zetten in iets wat mystiek is. Je kunt het niet uitdrukken in een gewone, redelijke taal. Als u het dadelijk onduidelijk of onbegrijpelijk vindt, krijgt u alle gelegenheid om commentaar te geven.

Buiten de tijd bestaat er alleen het zijn. In het zijn is al datgene wat ooit geweest is en wat zal zijn opgenomen. Daarin zijn alle vormen,alle mogelijkheden bij voortduring aanwezig. Maar ze zijn buiten de tijdpotentie. In de tijd zijn ze – zij het beperkt – tijdelijk werkelijkheid. Wij zijn een deel van dat grote tijdloze geheel. Wanneer wij tijdelijk tot werkelijkheid worden betekent dit nog niet, dat daardoor iets in het grote geheel verandert. Het betekent alleen, dat wij een deel van het geheel beseffen op onze wijze en gelijktijdig in de termen en de vormen, die bij onze wereld en ons bestaan behoren. Dan zal ik, op het ogenblik, dat ik probeer terug te keren tot het tijdloze mijn taal, mijn omschrijvingsvermogen verliezen. Daarvoor in de plaats krijg ik echter de verbondenheid met alles. En alles betekent gelijkheid van kracht, van mogelijkheid, van energie. Keer ik dan terug uit dat geheel dan zal ik een deel van deze energie als het ware weer beleven en ervaren en daardoor misschien gesterkt zijn waar ik anders ten gronde zou gaan wanneer ik alleen met mijzelf bezig blijf.

Het is dus in vele gevallen ook uit een zuiver persoonlijk standpunt belangrijk de eenheid met de kosmos te vinden. Ik kan die eenheid nooit vinden langs de verstandelijke weg. Het verstand is niet in staat al het tijdloze, alomvattende kosmos ook maar te beseffen. Het is nog veel vreemder voor u dan alle miljarden waarin een rijksbegroting wordt gesteld. Dus moet ik naar iets anders grijpen. Nu kan ik zeggen, dat ik grijp naar mijn gevoelen, maar het gevoel van eens mens wordt ook nog bepaald door allerlei zaken, dat kan ook niet helemaal gebruikt worden. Dan blijft er alleen maar over: intuïtie. Deze intuïtie openbaart zich door een verschuiving van de beelden die in mij ontstaan.

Het zou kunnen betekenen, dat ik dingen droom die ik niet begrijp. Het zou kunnen betekenen, dat ik gevoelens heb zonder dat er een kenbare reden voor aanwezig is. Dan gaat het niet om de verschijnselen bij u of bij mij, maar het gaat wel om de tendens ervan. Mijn plaats in het geheel zal als een tendens tot uiting komen in al dat gene wat ik onbewust en halfbewust ervaar, voel en interpreteer.

Dan kom je als vanzelf aan het punt waarbij je zegt: mijn éénwording met de kosmos is het tijdelijk verliezen van elke vormvoorstelling, die ik bezit.

Eenwording met de kosmos kan dus voor de mens een ogenblik zijn. Hij zal altijd weer terug moeten keren naar zijn eigen beperking. De kracht, die in de eenheid met de kosmos leeft is een soort roes. Wanneer je beneden komt kun je ze niet verklaren. Ze brengt je zelfs tot een aantal reacties, die niet helemaal redelijk zijn. Het is wel belangrijk. Op het ogenblik, dat mijn wezen langzaam maar zeker de wereld ziet wegzinken, verhoog ik mijn bewustzijnsdrempel, komt mijn onderbewustzijn naar voren en begint te spreken in termen, die al het vergetene weer doet leven en die al het onbesefte opgenomene plotseling weer toegankelijk maken.

In de beelden, die daarin ontstaan blijft een hiaat. Een hiaat, dat – hoe goed ik het ook zou willen – niet kan benaderen, dat ik niet kan invullen. Dit hiaat moet je je maar eens voorstellen als een soort draaikolk. Het is een vreemd soort duister, zwart gat in de werkelijkheid van het leven waar je invalt. Alleen is er één verschil, je komt er ook weer uit. Dit is een bijna angstwekkend gebeuren. Zelfs iemand, die naar een hogere wereld van de geest wil gaan en die op aarde leeft, zal geconfronteerd worden met zijn eigen angsten, zijn eigen interpretaties, kortom met het monster, dat hij voor zichzelf geschapen heeft in zijn geloof en gedachten. Pas wanneer hij dat kan negeren, kan hij verder gaan. Hier kom ik op een gegeven ogenblik zover, dat ik moet vergeten, dat ik besta. In plaats van een wezen te zijn ben ik alleen nog maar iets dat pulseert, zonder te weten hoe en waarom. Het is een golf van weten die me overspoelt maar ik kan het niet opnemen. Het is een golf van erkenningen die mij doortrekt, maar ik kan ze niet vasthouden. Het is een geluid, dat in absolute stilte mijn verdooft. Dan, dan kom ik uit mijn rust terug en begin weer mijn beelden op te bouwen. Alles wat ik opbouw is in feite gelijktijdig weer afstand doen van de eenheid van de kosmos. Dat wil zeggen, de bewuste eenheid. De onbewuste eenheid blijft bestaan. Ik ben voortdurend deel van dat tijdloze geheel. Ik kan me er niet aan onttrekken. Ik ben voortdurend verbonden met iedereen en alles en al wat er ooit bestaan heeft en bestaan zal. Er is niets wat niet mede behoort tot mijn leven en mijn wereld, mijn geheel van zijn. Alles wat er gebeurt in dat geheel, of ik er nu direct bij betrokken ben of niet, weerspiegelt zich in datgene wat in mij bestaat. Ik werd erdoor gevormd, ik werd erdoor geboetseerd, ik werd erdoor doortrilt.

Ik heb u al gezegd, het wordt moeilijk om dat te zeggen. Het lijkt soms onsamenhangend, zwevend. Het is het niet helemaal. Zelfs Jung heeft gezegd: in het bewustzijn en het onderbewustzijn vinden we ergens een grens, die we niet kunnen onderscheiden.

Er blijft een onbekend gebied, dat we wel rondom in kaart kunnen brengen, maar waarvan de geaardheid onbenaderbaar blijft. Onze werkelijke verbondenheid met de kosmos zou je ook zo kunnen omschrijven: als een onbenaderbare zwarte vlek in de gehele kaart van ons bewustzijn en ons bestaan in alle voertuigen van alle werelden. Het wonderlijke is, dat zonder die zwarte vlek al het andere zinloos zou zijn. Het is of alles alleen maar bestaat om die kosmische verbondenheid te omgrenzen, om duidelijk te maken, dat ze er is. Wanneer je dat zegt, zegt de rede, dat het allemaal aardig klinkt, maar wat heb ik er aan. Wat doe ik er mee. Je hebt er niet veel aan, tenzij je bereid bent om je eigen verbondenheden althans zoveel mogelijk te erkennen. Om te erkennen, dat grenzen door gedachten worden geschapen en niet door feiten. Als je dat niet wilt doen, wanneer je juist graag grenzen en onderscheid wilt handhaven, dan heb je er niets aan. Wat kun je er meer doen?

Die kosmische verbondenheid beleven, dat kan soms een geloofsakte worden. Dat wil zeggen een onzekerheid, die tot een zekerheid wordt omgevormd diep in jezelf zonder dat je weet hoe of waarom en waaruit je handelt zonder te kunnen verklaren op welke wijze. Dan denk ik aan een magnetiseur, een gebedsgenezer, maar dan denk ik ook aan die mensen die geconcentreerd bezig zijn en de oplossing van hun probleem opeens in lichtende letters voor zich zien staan, zonder dat ze weten hoe het gebeurt. Deze mensen doen op de één of andere manier een beroep op die mogelijkheden.

Voor de mens is het juist de moeilijkheid, dat je het niet bewust doet. Als we nu eens kijken naar alles wat het menselijk bewust­zijn tot stand heeft gebracht en we laten alle modeverschijnselen een beetje buiten beschouwing, wat blijft er dan eigenlijk over? Het enige wat we tot stand kunnen brengen is een vorm van menselijkheid, die eigenlijk weer niet redelijk is. Op het ogenblik dat ik een systeem maak, spreekt het systeem zichzelf tegen. Ik kan menselijke relaties niet in een systeem vatten. Dat alleen al zou het duidelijk moeten maken, dat het juist heel weinig met de rede alleen te maken heeft. Het heeft te maken met dromen. Het heeft te maken met voorstellingen. Het heeft nog veel meer te maken met iets onbekends, wat je niet omschrijven kunt. Waarom zou juist deze tijd plotseling zoveel gisting vertonen terwijl de mogelijkheden van de wereld, let wel de mogelijkheden, in feite niet veranderd zijn.

Alleen de wijze waarop  ze benaderd worden is veranderd. Komen die problemen dan voort uit de wereld of komen ze voort uit de mensen? Als je zegt, dat ze uit de mensen voortkomen kun je niet zeggen waarom. Je kunt spreken over hebzucht en dergelijke, dat is er allemaal wel. Op de keper beschouwd is het niet het belangrijkste. Er is ergens iets onbekends wat meespeelt. We kunnen zeggen, dat het de tijd van Aquarius is. Dat is een hele mooie naam. Aquarius is de aanduiding voor een bepaalde fase waarmee de zon plus haar planeten op haar baan door de ruimte in de verandering van invloedssfeer terecht komt.

Het is wel zo, dat wanneer dit verandert, er op aarde iets verandert. In die hele mentaliteit van die mens, in zijn uiting verandert er iets. Je kunt niet zeggen waarom en je kunt niet zeggen hoe, het gebeurt. Het lijkt de allergrootste onzin om – zoals bepaalde astrologen hebben gedaan – te zeggen, dat binnenkort alle planeten op een rijtje staan, dientengevolge zal de aarde ten onder gaan. Dat klinkt allemaal krankzinnig omdat de conclusie, die eraan verbonden wordt, geïnterpreteerd wordt in termen van menselijk bestaan. Aan de andere kant is het een soort evenwichtsverstoring geweest. Er is iets veranderd, al weten we niet precies wat. Wat er werkelijk veranderd is, dat zie je pas wanneer de fase weer voorbij is. Het is net als met een experiment. De betekenis ervan ga je pas begrijpen wanneer het voltooid is. Dan pas kun je conclusies gaan trekken. Dat gebeurt regelmatig. De onderlinge stand van de planeten, het zijn schijnbaar krankzinnige dingen, maar ze beïnvloeden wel degelijk de aarde. Zelfs de gang van de maan beïnvloedt van alles op aarde. Kijk maar naar de planten. Je kunt zien, dat wanneer ze bij volle maan worden geplukt, de snapdriften een andere is dan bij nieuwe maan en dat daardoor ook de concentratie van bepaalde stoffen in de bloem een andere zijn. Je kunt zeggen, dat het niet zo is, maar het is wel zo. Zelfs op zuiver stoffelijk niveau zijn die dingen er. Je kunt daaruit concluderen, dat er wel degelijk verband bestaat, een verband overigens, dat niet – vergeef me astrologen – in een geheel rationeel kader te plaatsen valt. Er zijn geen absolute zekerheden. Het is ten hoogste het erkennen van een begroting van een bepaalde waarschijnlijkheid. Verder kom je niet. De band is er echter.

Je kunt dan misschien toch zeggen: wanneer ik diep in mijzelf, of het geloof is of wat anders, even vergeet dat ik het ben, die moet zijn, die moet zijn, die moet handelen, die moet denken, die moet redeneren,dan kan er op dat ogenblik in en door mij zijn wat te boven gaat aan de mogelijkheden van redelijke omschrijving.

*  Als je nu zegt: de verbondenheid met het Al, die is er altijd. Dat is dus onafhankelijk van je besef. Kan hij groter of kleiner worden naarmate je besef verandert?

Voor jou wel, maar niet in werkelijkheid. Het is precies hetzelfde als met een bankrekening, wanneer je niet weet dat je hem hebt dan heb je er niets aan. Als je denkt, dat je weinig op de bank hebt staan terwijl het miljoenen zijn, dan zul je er beperkt gebruik van maken.

*  Voor jezelf kan er iets veranderen als je beseft….

Je mogelijkheden veranderen. Je beseft de mogelijkheden. Aangezien je de bankrekening nooit in zijn geheel kunt overzien, zul je nooit weten waar je grenzen liggen.

*  Als je het wel kunt overzien, overzie je de eenheid.

Neen, want dan ben je deel van de eenheid. Op dat ogenblik houdt de zelfstandige reactie als individu op. Het individu is er nog wel, maar het heeft zozeer de vervulling gevonden van zijn totale werkelijke inhoud, dat het geen behoefte meer heeft zich anders dan als deel van het geheel te manifesteren. Zo zou je het kunnen zeggen.

*  Is dat het doel van ons leven?

Ik neem aan, dat dat het doel van ons leven is, maar ik weet het niet. Het is gemakkelijk genoeg om ons voor te houden dat het je taak is om allemaal in de hemel bij God te gaan zitten en hosanna te zingen. Op dezelfde manier kan ik u zeggen, dat het onze taak is om één te worden met de kosmos en in die eenheid op te gaan. Ik weet het echter niet. Er kan meer zijn. Ik weet niet of die eenheid, die voor mij enigszins benaderbaar is meer is dan één vliegenpoepje op de spiegel van de werkelijkheid.

Juist daarom kan ik niet met zekerheid spreken. Ik kan wel zeggen, dat het één fase is die we in ieder geval zullen doorlopen, maar wat de consequenties ervan zijn, dát kan ik niet overzien. Ik geloof, dat er buiten de tijd geen eindigheid en geen oneindigheid bestaat. Er is alleen zijn. Dat zijn kun je niet uitdrukken in tijd. Nu kan ik wel zeggen: dus is het oneindig, maar ik weet niet of het oneindig is. Wel voor mij en mijn besef. Het is als de vlo, die binnenloopt in een enorme sporthal vol met mensen en die zegt: wat een oneindigheid van vreugde en voedsel mag ik hier aantreffen. Maar er staan muren omheen en het aantal is in feite beperkt. Nou, ik ben nog minder dan die vlo in de hal wanneer ik spreken wil over datgene wat buiten de tijd bestaat. U moet me vergeven als ik daarover geen exacte uitspraak kan doen. Ik kan ze wel doen, maar dat zou niet eerlijk zijn. Ik wil u geen geloof prediken, ik wil u alleen maar denkbeelden voorleggen. Ik wil u iets zeggen omtrent de werkelijkheid zoals ze voor mij bestaat. Ik zeg niet, dat het uw werkelijkheid moet zijn of moet blijven. U zult uw eigen weg gaan en naar eigen denken, geloof, ervaren zult u daarbij steeds weer de grenzen verschuiven, die tussen u en al het andere liggen. Er zal een ogenblik komen, dat die begrenzing zover van dat ik afligt, dat je het gevoel hebt, dat je al deel van het geheel bent. Misschien ben je dan alleen maar deel van de mensheid en moet die mensheid nog deel worden van alle sterren, van alle lege ruimte bij wijze van spreken voordat ze weer haar werkelijke betekenis krijgt.

De grote moeilijkheid met dergelijke denkbeelden is, dat je probeert het oneindige en het kosmische te formuleren in termen van eindigheid en menselijkheid. Daar loop je altijd op vast.

U hebt me gevraagd te praten over de eenwording met de kosmos. Ik heb daarover gezegd wat ik meen daarover enigszins begrijpelijk naar voren te kunnen brengen.

Nu moet u me vergeven wanneer ik u geen exacte leer geef of een exact recept. Zoiets als van: je gaat op je knieën zitten, je vergeet alle pijn, je hele omgeving, je gaat op in het grote licht en in dat licht zul je dan de verlichting ervaren. Jawel, moet je zeker op je knieën naar Eindhoven. Het zijn mooie woorden, maar het recept bestaat niet. wat de één vindt in schijn bij de meest menselijke dingen zal een ander alleen vinden door zich helemaal los te maken van die mensheid. wie kan bepalen wat je bent binnen het geheel. Het is wat je bent binnen het geheel wat bepaalt hoe je het geheel kunt benaderen en soms – in een soort versuffing volgens mij – kunt beleven.

*  Vraag over bewustzijn en verdelen. Bewustzijn stoppen in een grasspriet.

Die mogelijkheid bestaat. Dat is één van de simpelste disciplines die in een bepaalde mystieke Oosterse leer wordt gegeven; het betekent, dat je gewoon gaat zitten, kijkt naar bijvoorbeeld een grasspriet en probeert dat beeld helemaal in je op te nemen totdat je als het vare je ogen dicht kunt doen en die grasspriet er nog staat.

Dan vraag je je af of die grasspriet voelt. Heel voorzichtig komen er dan van die vreemde tintelingen waar je nog niet eens helemaal raad mee weet. Op een gegeven ogenblik weet je dat die grasspriet of dit moment dorstig is of dat ze blij is, want verder kom je niet. In die gevoelens kun je dan op een geven ogenblik doordringen en wat meer is, wanneer je het juist doet dan kun je inderdaad die gevoelens nog veranderen door die plant water te geven en dan nog een keer te beginnen. Zo gek is dat dus. Hetzelfde geldt voor dieren. Je kunt je zozeer één voelen met een dier, dat je op een gegeven ogenblik voor het dier de uitstraling van het dier aanneemt. Overigens is dit het geheim van bepaalde yogi’s die zich bezig houden met het beheersen van onder meer slangen en andere wilde dieren.

Je moet dus in staat zijn om je eigen bewustzijn zozeer te vernauwen, dat je alleen nog maar die factoren opneemt, die het dier of het plantje waar je mee bezig bent, nog uitstraalt. Het is het scheppen van een resonantie tussen jouzelf en een ander levend wezen met een tegelijk uitsluiten van hogere ervaringen zodat je in die beleving komt tot een begrip, dat pas later gerealiseerd kan worden als zijnde een nieuwe benadering van verschijnselen.

Dit is een oude techniek. Ze werd in het Oosten onderwezen. Yogi’s hebben dat gedaan; Lama’s waren er in bepaalde streken heel sterk in. Ik heb ook gehoord, dat er Chinese magiërs en filosofen zijn geweest, die uitgaande van Tao juist die verplaatsing in het andere hebben geprobeerd te bereiken en dat in bepaalde verhalen ook vergelijkend hebben voorgesteld. Zoals die man, die droomt en dan in een mierenwereld terecht komt, daar huwt en dan wakker wordt en tot zijn verbazing ontdekt, dat hij zijn bruid net door het verplaatsen van een voet verpletterd heeft. Mijne heren, voor u is dat niet zo eenvoudig, maar in dat geval viel het mee.

*  Vraag over tijd, kosmos en beweging.

Wanneer u kijkt naar de wijzers van de klok, dan ziet u beweging. Wanneer u kijkt naar de klok, dan ziet u de klok. Begrijpt u wat ik bedoel? U kunt zeggen, dat de beweging inherent is aan het wezen van de klok, maar het is de klok die bepalend is en niet de gang van de wijzers. Op deze manier wordt uw hele betoog een beetje ontkracht, zelfs door de menselijke beleving. Hebt u ooit haastig staan wachten al was het maar voor een stoplicht. Dat duurt zo lang. Of hebt u ooit wel eens een avond gehad, die voorbij vloog. U dacht, dat het net het punt was om eens gezellig te gaan beginnen en toen was het al weer twee uur.

Dat was het ervaren van mij. Dat zegt niet over het tijdloze.

Dat wil dus zeggen, dat de tijd die u zo mooi indeelt voor uzelf niet in die betekenis bestaat. Aangezien we niet alleen te maken hebben met het stoffelijk heelal, maar te maken hebben met een geestelijk heelal komen we op een punt waar de tijd helemaal een zuiver persoonlijke ervaring is. Neem oriëntatiepunten, die tijdsverdeling mogelijk maken weg en je verzinkt in een zuiver persoonlijke tijdsbeleven waarin een dag maanden kan duren maar waarin maanden ook kunnen versmelten tot enkele minuten. Dit is overigens niet een stelling van mij alleen. Men heeft soortgelijke belevenissen gevonden. Wanneer mensen werden opgesloten in een cel, waarbij ze van elke prikkel van buitenaf werden afgesloten, blijkt, dat zelfs lichamelijkheid niet voldoende is om een vaststaande tijdsbeleving te hebben.

Mag ik nog een stap verder gaan. De hele tijdsbeleving kan worden herleid tot een denkbeeld, dat wordt overgedragen op processen in wat wij als een werkelijkheid beschouwen en door meting en vergelijking van de verschijnselen dan tot een schijnbaar constante waarde wordt gemaakt, die echter in zich geen constante schijnt te bezitten, tenzij wij die zelf daaraan toekennen.

*  Opmerking over het tijdloze zijn.

Daar ben ik zelfs van overtuigd. het tijdloze zijn kan niet door iedereen gelijk ervaren worden. De ervaring in zichzelf zou gelijktijdigheid kunnen inhouden. Uw normale tijd bestaat hieruit, dat u het ene na het andere verwerkt. Stel dat u alle moment gelijktijdig kunt opnemen en omzetten, dan is er alleen de verandering van uw bewustzijn van de ene factor naar de andere. Deze is bepalend voor uw waarneming. Dat houdt in, dat u op één punt staat, dat er geen tijd vergaat, maar dat er alleen het gevoel is van verandering van bewustzijn. Dan zitten we heel dicht bij die situatie waarin we gaan spreken van kosmisch bewustzijn.

Ik hoop niet, dat ik u beledigd heb, want de tijd geldt, de tijd draait, nu ook. Dat weet u misschien, want zolang er een klok loopt bent u eraan gebonden. Heel vreemd. De mens heeft de tijdmeter uitgevonden en hij heeft hem daarna zozeer verbeterd, dat hij zelf niet meer weet wanneer hij de tijd heeft. Dat moet hij eerst aan de tijdmeter vragen.

Wat ik probeer te zeggen is juist dit: Wanneer wij komen in die toestand van absolute gelijktijdigheid, zo kun je het nog het beste uitdrukken, dan is er dus een situatie ontstaan, die niet meer op welke manier dan ook vergelijkbaar is met stoffelijke ervaring. Dat wil zeggen, dat de relaties en erkenning niet meer kunnen worden ondergebracht in een kader, dat stoffelijk redelijk is. Dat is nou de moeilijkheid waarmee wij zitten te kampen.

*  Vraag over geestelijk zijn.

Wanneer je hooggeestelijke bent, dan kun je wel zeggen, dat je tijdsbesef anders is, maar zolang je niet in staat bent ook de stoffelijke condities gelijktijdig te beheersen, kun je daardoor wel menige trein missen.

Met andere woorden, geestelijk hoog is ook zo’n term, die zo weinig zegt. Je zou eigenlijk moeten zeggen: geestelijk meer omvattend, dat is veel beter dan geestelijk hoog. Dan geef ik toe, je krijgt dan een juister overzicht over een geheel van waarden. Daardoor zal tijd minder belangrijk zijn omdat harmonische momenten, het samenvallen van een aantal voor u harmonische factoren dan eigenlijk datgene is waarmee u uw wereld en het gebeuren gaat meten. U kunt niet zeggen: ik ben vrij van de tijd. Vrij van de tijd kunt u pas zijn wanneer u alles, ook dat hoge geestelijk bewustzijn als het ware hebt afgelegd doordat u de begrenzing, die in uw besef tussen u en het andere bestaat verloren hebt en daardoor een gelijktijdigheid van al het andere, ook in uw wezen, kunt aanvaarden. Het wordt wel moeilijk. We zitten nu eigenlijk te zweven.

*  Moet ik de term kosmisch jaar van 25.000 jaar, zuiver zien als aanduiding van een soort evolutieperiode?

Het is niet precies 25.000 jaar. Het is een term, die de mensen gebruiken omdat ze uitgaan van een kringloop van de zon in haar eigen baan ten aanzien van andere sterren en daardoor aannemen, dat zij een dierenriem met de twaalf tekens in deze tijd volledig doorloopt zodat zij weer bij het beginteken is aangeland. In feite is dat niet helemaal juist omdat de baan van de zon in de melkweg in feite een parabolische is en geen cirkelvormige. Verder moeten we ons daarbij ook nog afvragen of de verschuiving van de sterren geen grote rol spelen. Aangezien de mens zijn historische kennis zeker niet over een dergelijke periode kan uitstrekken en wat de sterren zijn aanwezige kennis niet veel ouder is dan 2600 á 2700 jaar, mogen we wel aannemen, dat dit dus een symbolisch getal is, dat gesteld is om een indeling te geven dat past bij een systeem, dat men veronderstelt.

*  Dat ingaan in een Aquarius-jaar is natuurlijk ook niet zo precies.

Ergens is dat ook gekheid. Ze doen net of je opeens aan de zone grens bent gekomen en dan moet je gaan bijbetalen voor je het volgende tijdperk in mag. Bijbetalen zit er voor u wel in, maar dat is voor een andere reden en doeleinden bestemd.

*  Vraag over verschil tussen waarden en normen.

Een norm is een waardering die wij stellen ten aanzien van situaties, feiten en eventueel zaken zonder dat dit op zichzelf een wetmatigheid is.

Een waarde echter is een directe betekenis relatie ten aanzien van een persoon of ten aanzien van het geheel. De norm is dus gesteld, de waarde is evident.

Afsluiting.

We zijn bezig geveest met allerlei denkbeelden, die heel ver van de werkelijkheid van alledag af liggen. Dat lijkt misschien zinloos, maar we hebben ook geprobeerd om gelijktijdig zover mogelijk redelijk te blijven, dat wil zeggen ik heb getracht om het menselijk standpunt en denken vanuit elke benadering toch nog te respecteren. Ik geloof, dat je als mens uit moet gaan van je eigen wezen,van je eigen redelijkheden.

Een eenheid met de kosmos kun je soms bereiken, maar je kunt ze niet redelijk verwerken. Het enige waarover je beschikt is je rede en daarnaast een soort innerlijk weten, deels uit het onbewuste, onderbewuste, deels misschien vanuit hogere zaken. Met die dingen moet je leven. Die dingen zeggen je wat goed en wat kwaad is. Die dingen zeggen je hoe je verder kunt gaan.

De eenheid met de kosmos kan ontstaan, zeker. Als je ze beleefd hebt zul je er waarschijnlijk nog heel lang naar terugverlangen. Misschien komt ze nog een keer. Maar de dagen gaan verder. We zijn deel van het tijdloze, maar voor ons allen tikt de klok verder wanneer we op aarde zijn. Laten we dan leven met de tijd en het tijdloze beschouwen als een achtergrond, waaruit de tijd op ons inwerkt. Te begrijpen, dat er een achtergrond is, die veelomvattend is, kan belangrijk zijn, maar de belangrijkheid ervan kan nooit groter zijn dan ons vermogen om ons binnen de beperkingen, die ons gegeven zijn te gedragen volgens datgene wat volgens ons innerlijke weten voor ons juist is. Dat moogt u niet terzijde zetten. Hoog-geestelijk zijn betekent niet wegvluchten vanuit de materie. Het betekent de eenheid begrijpen, die de materie omvat, gehoorzamen aan datgene wat materieel kenbaar noodzakelijk en aanvaardbaar is en gelijktijdig daarbij krachten putten of inspiratie vinden waardoor je die betekenis groter kunt maken.

Ik weet, dat u allemaal oneindig bent, buiten de tijd bestaat. Ik weet ook, dat de tijd die u deze discussie nog geconcentreerd kunt volgen, voor sommigen al teneinde is gekomen. Laat ik me daarbij aansluiten als ik zeg: beste mensen, we moeten niet meer willen zijn dan we zijn kunnen, maar we moeten datgene wat wij zijn zo goed mogelijk uitdrukken als wij kunnen. Wanneer wij daarvan uitgaan, dan zullen we, bewust of onbewust, steeds meer eenheid met de kosmos ervaren en uit deze ervaring uiteindelijk komen tot de beleving ervan.