Verborgen sleutels

 SVGZ – 24 juni 1960 

Van het eerst ontstaan af van geestelijke geheimbonden en inwijdingen heeft de mens de nadruk gelegd op het overleveren van het geheim. Daarbij was belangrijk een methode te vinden, waardoor de inhoud van het geheim door kon worden gegeven aan het nageslacht, ook wanneer geen onmiddellijke opvolger en leerling kon worden gevonden. Met het eerste ontstaan van het schrift om aan anderen meningen, wijsheid en weten toe te doen komen, werd de eerste aanvaardbare methode geschapen, waardoor een overbrengen aan anderen op andere en geheel persoonlijke wijze mogelijk werd, terwijl tevens eigen weten en ervaren kon worden vastgelegd voor het nageslacht.

In het begin van het schrift gebruikte men dit hoofdzakelijk voor het schrijven van rekeningen en verantwoordingen. Dit pleit voor de handelsgeest van de mensen, maar ook in alle andere geschriften vinden wij mededelingen gebaseerd op hetzelfde systeem, dat voor rekeningen wordt gebruikt. De oudste bekende kleitafels, de eerste bekende proeven van Sumerisch, Fenicisch schrift doen ons dan ook denken aan een rekensommetje. Zelfs indien het schrift wordt gebruikt voor geschiedschrijving, vinden wij een systeem, dat zich met getallen bezig houdt. Indien een vorst overwint, zien wij geen werkelijke beschrijving van het gebeuren, maar eerder een opsomming van zijn veroveringen. Hij versloeg 20.000 krijgers, maakte buit 14 krijgswagens, 16 olifanten, etc. Eenzelfde systeem als wij aantreffen in de geschriften van handelaren en belastingambtenaren, die ook op deze wijze hun voorraden of inningen omschrijven. Voor degenen onder u, die dachten dat belastingen en het innen daarvan door ambtenaren eerst uit de nieuwere tijden stamt, kan ik overigens meteen opmerken, dat een dergelijke inning van gelden door de staat voorkomt rond 4.000 v. Chr.

De ingewijden waren geheel ingesteld op deze wijze van mededelingen, zodat hun eerste overleveringen van geheimen werden vastgelegd in de vorm van gefingeerde rekeningen of historische verslagen. Logischerwijze waren het hierin de cijfers, die de werkelijke inhoud bepaalden en zo een interpretatie mogelijk maakten. Dit werd het begin van de esoterische cijferleer die later zich zou splitsen in kabbalistische leer en de algebraïsche leerstellingen. Deze laatste vinden in de Pythagorese school hun historisch hoogtepunt. Het bleek al snel, dat men slechts met allergrootste moeite en zorg een wijsheid door middel van cijfers zó over kan brengen, dat niet van een vervalsing van waarden kan worden gesproken. Het gebruik van deze eerste geschriften doet dan ook denken aan de wijze, waarop in Z. Amerika de kippu’s werden gebruikt: het herinneringsvermogen is een noodzakelijke aanvulling van het vastgelegde. Men moet eerst zelf de kennis bezitten, dan eerst kan men de cijferreeksen – of knopenreeksen – als een steun voor het geheugen gaan gebruiken. Er is dus nog steeds geen sprake van een persoonlijke factor van beleven of herinneren. Wel kan men de mogelijkheid tot weten en herinneren aanmerkelijk uitbreiden, maar van een algehele overdracht van weten door middel van het schrift is nog geen sprake.

Het beroep van het heilige boek op het bestaande weten, of de herinnering, is dan ook al zeer oud. Het oudste boek dat bestaat en op deze wijze een overlevering bevat, is van Atlantische origine. Wij vinden hier het nu onbekende bloemenschrift. Als merkwaardigheid kan ik hierbij vermelden, dat ongeacht de naam, bloemen, zoals de mens die nu kent, in de dagen van Atlantis nog niet bestonden. De figuren in het schrift doen denken aan een margriet, een chrysant e.d. Zeer waarschijnlijk zijn deze letters de voorlopers van later algemene symbolen als bv. het zonnerad. In deze geschriften werd een reeks van symbolen neergelegd, waarbij cijfers en getallen reeds een grote rol speelden. Wanneer het schrijven een duidelijker omschrijven van ideeën mogelijk maakt, worden de geheimen nog steeds voor leken ontoegankelijk gemaakt, doordat de heilige boeken worden geschreven in een geheime taal en bovendien vaak in een op het gangbare gebaseerde, maar toch afwijkende vorm van schrijven.

Reeds in deze eerste geschriften vinden wij overigens aanduidingen van iets, wat later de weg en de poort zal worden genoemd. Al in ideografisch schrift worden vele gegevens omtrent deze weg vastgelegd. Het was in die dagen haast onmogelijk, of tenminste buitengewoon kostbaar voor een ieder, die naar inwijding streefde, een kopie van dergelijke boeken te maken. Door verschillen in geloof en landstaal bleek het verder zeer moeilijk er zelfs maar voor te zorgen, dat de sleutels tot deze leer overal voor ingewijden en inwijding zoekenden ter beschikking zouden zijn. Zeer vroeg besloot men dan ook in meer officiële geschriften en in schrift vastgelegde gegevens bepaalde delen van de esoterische leer in te smokkelen. Een aardig voorbeeld hiervan kunt u vinden in de Indische helden- en Godenverhalen, gedichten, die men tegenwoordig ook daar ter plaatse onder de heilige boeken rekent, maar die in het begin eerder werden beschouwd als verhalen ter vermaak. De mensen zagen alleen de avonturen van de helden en Goden. Eerst veel later ging men ook buiten de kringen der ingewijden beseffen dat hier sprake was van omschrijvingen van bovennatuurlijk gebeuren en een mededeling omtrent kosmische wetten.

Ook in legenden en vertellingen werd de esoterische wijsheid al ras binnengesmokkeld. De vertellers zijn tevens vaak filosofen en ingewijden. Zij kunnen door middel van de verhalen hun brood verdienen, leerlingen zoeken en hun leer vastleggen. Ook de Griekse sagen en legenden geven hiervan een wel zeer treffend voorbeeld. Verborgen in verhalen over Goden en helden vinden wij niet alleen omschrijvingen van andere werelden, maar ook een definitie van de eeuwige wetten, die in de kosmos bestaan. Hoe ver dit gebruik van de vertelkunst werd door- gevoerd, zien wij ook in Egypte, waar, naast de officiële boeken en geschriften, vele verhalen en legenden optraden, die – wanneer zij goed ontleed worden – ons doen herkennen, dat men ook daar een vaak verbluffend zuiver inzicht had in geheimen van de Schepping.

Ook de bouwkunst wordt al ras een middel tot vastlegging van bepaalde wijsheden en wetten. Wij kunnen zeggen dat rond 2.000 v. Chr. in Egypte, Cyprus, Syrië, later ook in Griekenland, in de heersende bouwstijlen overwegend bepaalde regels werden gebruikt en principes werden neergelegd, die tot de esoterie behoren. Een regel als de zogenaamde gulden regel, die in de bouwwerken van Egyptenaren, maar ook van de Grieken werd toegepast, moet ons hier een voorbeeld van zijn. Deze regel blijkt namelijk niet alleen voor de bouwkunst te gelden, maar blijkt evenzeer belangrijk en van kracht te zijn in vergelijkende rekenkunde, terwijl zij in de mathematica een grote betekenis heeft, ook in het dagelijkse leven. Een juist gebruik van deze regel geeft ons een geheel nieuw inzicht in vele heilige boeken, de bijbel niet uitgezonderd

Wij mogen voorop stellen, dat men van het begin af aan heeft getracht zoveel mogelijk kenbare tekenen van de geheime leer achter te laten. Zelfs de grensschriften, die vele vorsten op steen aan de grenzen van hun rijk lieten beitelen, werden gebruikt, doordat in de formulering bepaalde regels werden binnengesmokkeld, die met het leven en de macht van de vorst niets, maar alles met de esoterie, die ten lande bekend was, te maken hadden. Zelfs in de gebruikte titulatuur sluipen een tijdlang bepaalde esoterische sleutelbegrippen binnen. Hierdoor wordt, zij het vaag, een beeld van de weg ook deel van de volksoverleveringen. Men treft in volkswijs- heden en sprookjes dan ook steeds weer begrippen aan, die duidelijk zeggen: ergens is een geheime weg. Wie de sleutel vindt, kan die weg gaan en de poort openen. Alle grote leraren, tot Jezus toe, maken van deze methode – het verhaal – gebruik.  Opvallend is daarbij, dat – ondanks de grote verschillen in de terminologie – bepaalde begrippen altijd worden gehandhaafd. Het pad: boeddhisme – de weg: christendom – de poort der waarheid: Chinese filosofie – het smalle pad naar het paradijs: islam.

Duizend en één dingen vinden wij bij elke leer opnieuw, waaruit ons duidelijk wordt, dat hierin een sleutelbegrip verborgen ligt, de sleutels liggen vaak zó voor de hand, dat de mens er over- heen ziet. Neem bijvoorbeeld het kaartspel. Ik geef graag toe, dat het kaartspel, zoals men dit nu kent, enigszins misvormd is. Om een volledige erkenning van de geheime leer mogelijk te maken, dient het te worden aangevuld met de 22 grote kaarten van de rota of tarot. Eerst daarmee is een volledige uitleg en een alomvattend inzicht mogelijk. Maar het duivels- prentenboek is ook zonder dit reeds een middel, waardoor men onder meer bepaalde Pythagorese stellingen voor zich kan nagaan, uitleggen, construeren. Men kan onder meer de verhoudingen van de vier elementen weergeven, die een zeer belangrijke rol spelen in de esoterische magie. Men kan tot wereldomschrijving en erkenning komen.

Een begrip voor de werkelijke betekenis van bestaande toestanden en mogelijkheden is uit het kaartspel voor de ingewijde mogelijk. Ook voor de ingewijde en zijn leerlingen is het veel gemakkelijker alleen bestaande sequenties – volgorde van kaarten – te onthouden, dan een heel boek van wijsheid van buiten te leren. Kent men de volgorde en waardering van de kaarten, dan is het mogelijk uit het kaartspel vele leringen en esoterische oplossingen te lezen. De meeste eigenaardige opstellingen, die daarbij gebruikt worden, zijn o.m. de driehoek in het vierkant, de dubbele driehoek, de gekruiste ruit en de gedeelde klok, of in segmenten verdeelde cirkel. De wijze, waarop deze figuren met bepaalde kaarten en aantallen worden gelegd, maken het de mens mogelijk bepaalde esoterische stellingen aanschouwelijk voor te stellen, hun betekenis te overwegen en bestaande esoterische kennis in zich te vergroten. Daarnaast geeft een juist gebruik van de kaarten nog de mogelijkheid bepaalde wetten van de kosmos toe te passen op eigen toestand en leven. Hieruit is, ten dele door misvattingen bij halve leken, het kaartleggen ontstaan.

Hoe belangrijk deze mogelijkheid en soortgelijke middelen ook voor de mens op het pad ook mogen zijn, zo zijn zij toch voor de zoekers van weinig betekenis in vergelijking met de belangrijke sleutels, die de mensen in bepaalde geschriften worden gegeven. Indien wij de Bijbel lezen, zo vinden wij daarin bijvoorbeeld verhalen, die historisch wel enigszins juist kunnen zijn, maar waarvan wij toch zeer wel beseffen, dat de verteller nog iets anders heeft willen zeggen. Het is zelfs voor de leek duidelijk, dat de verteller andere en belangrijkere begrippen in zijn verhaal geïnjecteerd heeft.

U moet eens aan het bekende verhaal van Samson denken. In het begin is hij een man vol kracht, een voorvechter van alles wat hij ziet als recht. Wanneer zijn kracht zeer groot blijkt te zijn, wordt hij tevens tot iemand, die in zijn beredeneringen haast sluw aandoet, iemand, die zeker niet over de rechten, of mogelijkheden van anderen nadenkt. Hij daagt dan ook de Moabieten vaak uit. Onder meer steelt hij hun stadspoort – deuren – enz. Neem nu de waarden van het verhaal, maar stel in de plaats van Samson nu eens de halfbewuste, die reeds veel weet, maar nog niet tot ingewijde is geworden. Deze kan in zich reeds kennis dragen omtrent de wereld van geesten, goden en demonen en heeft waarschijnlijk reeds een beperkte toegang tot de sferen. Hij kan daar binnen treden en handelen. Hij voelt zich dan ook meester op dit terrein. In vele gevallen denkt hij niet verder na over de wetten, die hem en die sfeer gelijkelijk regeren. Hij stelt eerder: die sfeer hindert mij, deze kracht is overbodig. Hij verlangt dit van deze kracht – of sfeer – en hij gaat er op los. Soms gaat hij zelfs zo ver, dat hij bepaalde lagere geestelijke krachten inschakelt om zijn hogere geestelijke problemen op te lossen. Zoals Samson, volgens het verhaal, vossen vangt en deze, nadat hij brandende fakkels aan hun staarten heeft gebonden, door de graanvelden van zijn vijanden heen jaagt, zo kunnen wij ons voorstellen, dat de magiër lagere geesten onder de ban van het heilige woord – dat voor hen pijn betekent – uitzendt om schade te doen in het werk – de oogst – van een bepaalde Lichtende, maar voor hem op het ogenblik niet geheel aanvaardbare sfeer.

In vele gevallen zien wij de halfbewuste, die zich meester waant, het goede doden om hetgeen hij kwaad acht, te schaden. Indien men nu op deze wijze, evenals Samson op de zijne, steeds maar weer overwinningen behaalt, meent men ook op magisch en esoterisch terrein: ik ben, ik heb het gevonden. Ik kan nu alles aanvaarden en doen……. . In deze toestand zorgt men met deze krachten ook zeer goed voor zichzelf en neemt al het aangename van het leven als zijn recht. Juist op dit ogenblik staat men, wanneer men niet volledig ingewijd is, open voor verraad. Men heeft geen voldoende zelfkennis en daardoor geen voldoende begrip van de werkelijke inhoud der krachten, waarmee men in contact komt. Dan wordt men verleid en gegrepen door een kracht, die – ofschoon men dit niet beseft – geheel buiten eigen beheersing ligt. Delila, de vrouw in het verhaal Samson, wekt zijn hartstochten, maar betekent verder niets voor hem, tot zij – magische aanduiding – hem het hoofdhaar afscheert, dat het teken is van zijn gebondenheid aan God.  Wanneer je als mens egoïstisch bent, zul je ook op een bepaald ogenblik vergeten, dat de kern van de esoterie, van de witte magie ook, is het gebonden blijven aan de lichtende kracht, het één-zijn met God en het kennen van God in jezelf. Zodra je door begeerten, of leed, van de band met God wordt afgebogen, bezit je in jezelf niet meer de kracht om het wonder te volbrengen. Er is geen voldoende geloof, vertrouwen en inzicht meer. Op het ogenblik, dat de band met je God verbroken is, word je gebonden met de krachten, die je uitdaagde en misbruikte. De mens, die doordringt in andere gebieden, in het rijk der geesten, zal juist, waar hij niet de zuiver Lichtende kracht alleen zoekt, zodra hij niet meer heersen kan, tot hun slaaf worden, zoals Samson in het verhaal. Wordt Samson aan een graanmolen geketend, zo horen wij van de slavernij in de geest, vele malen in esoterische en magische werken. Daar heet de kracht, die je bindt, dan: “De wachter aan de drempel”. Eigen vrees wordt dan tot in het oneindige versterkt door de krachten van het demonische. Hierdoor is men aan zijn vrees gebonden en zal men alles doen om de voorstellingen van vrees te verliezen. Dit maakt het eigen leven tot een slaafs gebonden zijn aan hetgeen de krachten der demonen verlangen.

Zo wordt de mens geheel verblind voor alle Lichtende krachten en kan de waarheid niet meer zien. Slechts indien hij eigen fout beseft, en ondanks de slavernij tot een aanvaarden komt, terwijl hij tevens het geloof aan zijn God herwint, kan hij de gehele structuur van vrees en demonie, die hijzelf opgebouwd heeft, of aan de opbouw waarvan hij toch in ieder geval zeer veel heeft bijgedragen, vernietigen. Indien hij zijn lot aanvaardt en de vrees overwint, zullen de krachten van duister zich opnieuw aan hem kenbaar weten te maken in hun meer persoonlijke vorm.

Samson wordt in de tempel tussen twee pilaren geketend, opdat zijn overwinnaars hem kunnen bespotten en zo de zekerheid van eigen macht bevestigd zien. In de esoterie en de magie horen wij steeds weer van twee zuilen, die in elk tempel staan. Zij bevinden zich evenzeer in de tempel van het goede, alsook in de tempel van het kwade. Wie de basiswaarden van het voor hem kwade in zich weet te overwinnen, tezamen met zijn angst en deze dingen terzijde weet te stellen, zal het leven daarbij vaak verliezen. Tevens vernietigt hij alle kwaad, waarmede hij gebonden was en alle overheersing, of macht van de boze krachten, die hij sterkte gaf. Hiermede is aan de kosmische wetten van karma, of oorzaak en gevolg, voldaan. Degene, die faalde, kan het pad der inwijding opnieuw betreden en hernieuwd, zij het vaak in een ander leven, of een andere vorm, gaan zoeken naar het juiste inzicht en de grootste wijsheid.

Dit is slechts één verhaal uit de Bijbel. Ik kan u er meerdere aanduiden. Hierbij denk ik aan het verhaal Job. Toepasselijk voor ons is wel het al even betekenisvolle verhaal van de zondvloed. Ook hierin ligt een sleutel verborgen, want al deze verhalen geven ons sleutelbegrippen. Om ze waarlijk en goed te begrijpen, moeten zij worden gelezen met begrip. Je moet de sleutel kennen. Weet je de gevonden sleutel te hanteren, dan openbaart zich zowel in de Bijbel als in een groot deel van de Koran – vooral in de eerste 14 suren – de oude wijsheid van de weg, die wij ook aantreffen in de boeken van het boeddhisme, de oude werken van India en de Hindoeleer. De wijsheid, die weergegeven wordt, is in al deze werken steeds weer dezelfde. Heb je de sleutel, dan wijzen al deze werken en vele niet genoemde, u allen de juiste wijze van leven, denken en werken.

Denk nu niet, dat ik u op een avond als deze kan gaan zeggen, waar de sleutel ligt en hoe deze te gebruiken. Dat is werk dat u zelf zult moeten doen. Wel wil ik u trachten duidelijk te maken, hoe een dergelijke sleutel gevonden kan worden. Voor elke mens is er sprake van een innerlijke afstemming. De een reageert misschien op een partij voetbal, een tweede vindt zijn hoogste spanning bij het ondergaan van de zon, een derde vindt het beroerd worden door innerlijke waarden eerder bij het aanhoren van een bepaald woord, of het lezen van een bepaald boek. Elke mens heeft dus een eigen innerlijke afstemming. Dit wisten de Ouden ook. Zij waren wijs genoeg om hun sleutels op de meest kundige manier verborgen te houden en wisten gehele leerstellingen in de vorm van een gelijkenis, een verhaal, of zelfs een gedicht aan het nageslacht over te leveren. Natuurlijk wisten de Ouden heel goed, dat niet elke sleutel ook voor iedere mens past. Daarom hebben zij hun sleutels aangepast aan de gevoelswereld van de mens.

Om een dergelijke sleutel te kunnen herkennen, moet de mens aan twee voorwaarden voldoen. Men moet voor een bepaalde sleutel gevoelig zijn, eenzelfde afstemming hebben. Men dient voldoende esoterische en verstandelijk inzicht hebben om de sleutel te erkennen en voor jezelf juist te formuleren. Het kan zijn, dat u honderd maal de Bijbel leest, zonder dat die u iets zegt. Maar opeens, terwijl u zo een weinig over de Bijbel filosofeert, komt u aan een vers, dat iets in u mee laat trillen. Dit kan in elk deel van de Bijbel zijn, maar waarschijnlijk vindt u het in het eerste boek. Gebeurt dit, dan hebt u een voor u toegankelijke plaats gevonden. Daar berust voor u een sleutel. De sleutel is hetgeen u beroerd heeft. Interpreteer dit niet als een deel van een verhaal, want dan verliest het zijn zin. Beschouw een dergelijk aanvoelen ook niet – zoals men verkeerdelijk wel doet – als een soort voorspelling. Ga zo goed u kunt na, op welke wijze tussen hetgeen u beroerde en het leven, zoals u het kent, een overeenstemming bestaat. Als gevolg van een erkennen zult u waarschijnlijk een nieuw beeld van eigen bestaan opbouwen, dat niet alleen inzicht geeft in vele verborgen waarheden, maar ook een geheel nieuw inzicht geeft in vele gebeurtenissen van het leven. Bijvoorbeeld, je zult iets, wat je altijd als een vroegere schuld hebt aangevoeld, anders gaan waarderen, terwijl iets, wat je bij jezelf als een deugt beschouwt, opeens veel minder verdienstelijk lijkt. Zowel het denken, als het beleven, wordt in zeer korte tijd reëler.

De verdere procedure is dan betrekkelijk eenvoudig: probeer eerst jezelf zo goed en eerlijk mogelijk te kennen. Tracht eerlijk te weten: dit ben ik, zó denk ik, zó kan ik leven. Ga dan verder in uw denken en besef dat in de Bijbel, zowel als in vele andere oude boeken, vele wijsheden verborgen liggen en gedachten uiteen worden gezet, die voor u – juist voor u – passend zijn. Lees en herlees de heilige boeken, maar erken daarbij, dat het niet gaat om de letterlijke interpretatie, maar om het vinden van de verborgen mening. Indien u iets van de kabbala afweet, dan kan dit u van dienst zijn. Dan kunt u onthouden, dat alle vormen en namen die, herleid tot getallen, het vierkant, of de derde macht zijn van uw eigen getal, evenals getallen, die een wortel vormen van uw eigen levensgetal, in betrekking staan tot uw wezen en in de meeste gevallen een les aanduiden, die juist voor u belangrijk is. Hiermede zal ik mijn verhandeling staken om te voorkomen, dat ik te veel uit de school klap.

Ik zal nog enkele waarheden aanhalen, die de meesten onder u wel kennen, maar waaraan men voorbij pleegt te gaan. Wanneer wij naar verborgen sleutels zoeken, zijn wij geneigd alleen naar de hemel te kijken. Indien u op straat loopt en iets vinden wilt, zult u op de straat zelf moeten zoeken, want in de wolken is niets te vinden. Wanneer een esotericus, of iemand die aan esoterie wil gaan doen, een sleutel zoekt om zo tot een verdere inwijding te komen, dient hij niet in het hoge licht van de hemelen te zoeken. Het Licht geeft hem wel de kracht en het vermogen de waarheid te zien. Indien de mens misschien van het zoeken vermoeid is, kan hij ook in dit Licht nieuwe kracht, rust, nieuwe levensinhoud vinden, maar zoeken naar een sleutel dien je steeds weer te doen in eigen wereld en eigen leven. Het is in je eigen, op dit eigenste ogenblik als werkelijk erkende leven, dat de mogelijkheden verborgen liggen. Hier ligt het vermogen, waardoor men een nieuwe weg kan betreden, of een poort doorschrijden en zo het pad volgen, dat gaat tot het laatste geheim.

Het tweede punt is eveneens zeer eenvoudig; elke mens heeft een geloof. Door dit geloof ben je geconditioneerd. Het geloof bepaalt je benadering tot God, kosmos en wereld. Tracht niet de sleutel, die een ander – misschien binnen een andere denkwijze – gevonden heeft, toe te passen, maar zoek je eigen sleutel. Ga desnoods de wijsheid en bereiking van anderen na – als een belangrijk punt van overweging – maar tracht nooit op basis hiervan zonder meer eigen weg naar inwijding en bewustwording te beginnen. Realiseer u, dat de sleutel, die voor u passen kan op het kosmisch geheim, lang niet altijd ook maar op verre na niet gelijk kan zijn aan de sleutel des levens, die een ander heeft gevonden. Sleutels zijn te zeer afhankelijk van persoonlijk wezen, leven en denken. Eigen vatbaarheid voor het occulte speelt hierbij evenzeer een rol.

Het aantal sleutels, dat gelegen is in de eerste vijf boeken, inclusief Numeri, van de Bijbel, bedraagt 16. Er zijn hier alleen al 16 verschillende wegen om het Goddelijke te benaderen. Alleen het aantal sleutels, dat in de heilige boeken van alle volkeren samen geborgen is, bedraagt ruim 80. Welke weg je ook gaat en hoe je deze ook gaat, het is onbelangrijk. Je kunt alleen de voor jou geheel juiste weg gaan, wanneer je ook de voor jou passende sleutel vindt, de juiste aanpassing van het Ik aan het kosmische geheel. Vergeet niet, dat Noë een heel goede man geweest is, maar dat hij nooit uit de zondvloed gered had kunnen worden, indien hij niet, terwijl ieder om zijn dwaasheid lachte, een ark was gaan bouwen omdat zijn God hem dit gezegd had. Zó kan het in uw leven voorkomen, dat u, om een eigen weg te kunnen vinden en vrij te worden van een wereld, waarin u niet geheel past, eveneens een Goddelijk bevel zult krijgen, dat u op dient te volgen, hoe dwaas het ook lijkt in de ogen der mensen.

Vergeet niet, dat wij vaak, zelfs wanneer wij een eerste sleutel gevonden hebben en dus reeds op de goede weg zijn, zullen blijven twijfelen. Wij zullen ons vaak afvragen: komt er nu geen einde aan ons beleven en aan onze beproeving, zoals Noë ongetwijfeld dacht, toen hij steeds weer een duif uitzond om te zien, of er al ergens droge grond te vinden was. In dit steeds weer zenden van een vogel als bode ligt een ongeduld, een wantrouwen misschien ook, alsof hij dacht: God heeft dit alles nu wel gedaan en mij zover behoed, maar hoe moet dat nu verder gaan? Ook wij zullen in de esoterie steeds weer een vogel uitzenden, want ook wij zijn ongeduldig, wanneer de uiteindelijke bereiking te lang uit schijnt te blijven. Ook wij zullen onze innerlijke erkenningen steeds weer in de praktijk op de proef moeten gaan stellen. Daarbij geldt dan voor ons, zoals eens voor Noë, dat het niet voldoende is éénmaal een proef te nemen en dan te zeggen: “nu blijkt wel, dat er niets van waar is”, maar steeds weer onze duif uit zullen moeten zenden, steeds weer de proef zullen moeten nemen, tot wij het teken ontvangen, waar wij naar zoeken.

Wij dienen ook steeds metterdaad al hetgeen tot onze innerlijke weg behoort, te uiten. Tegen het einde van Noë’s verhaal vinden wij de regenboog. “En God stelde een boog aan de hemel ten teken van het eeuwige verbond tussen Hem en de mens”. Wanneer je esoterisch zover komt, dat je de tekenen ontvangen hebt door een voortdurend zoeken en pogen, terwijl je steeds verder gaat op het juiste pad, zie je een Licht. Je ziet het misschien niet met de ogen, maar ervaart het meer innerlijk. Dit is dan het teken van het verbond, dat nog steeds bestaat tussen God en de mens. Natuurlijk ligt er in het verhaal veel meer dan dit. Wanneer wij denken aan de afmetingen van de ark, wanneer wij rekening houden met degenen, die hij meeneemt en hun namen, kunnen wij, wanneer wij de sleutel kennen, daaruit nog heel wat leren over de structuur van de kosmos, de geheimen van bepaalde inwijdingen, enz.

Wij hoeven ons zeker niet tot de Bijbel te beperken. Denk eens aan het verhaal van Prometheus. Ook dit verbergt vele esoterische waarden en geeft ons een inzicht in de geestelijke bevrijding van de mens. Zelfs de draad van Ariadne geeft ons, in de vorm van een avontuurlijk en interessant verhaal, een zeer goed inzicht in het labyrint van ons eigen wezen, waarin immers nog het dier woont. Het dier, dat, zoals men wel zegt, maar al te vaak onze geest en ziel dreigt te verslinden en te ontwaarden. Lees deze dingen eens na. Zij zijn interessanter en belangrijker, wanneer je je niet alleen op de stijl werpt, maar op de werkelijke en vaak verborgen inhoud dan menig modern detective verhaal. Er is een attractie aan dit speurwerk verbonden, die de moderne tijd niet geven wil of kan in haar boeken. Ten hoogste vindt u in een boek eens een papiertje, waarop een nummer. Wanneer u dan geluk hebt, krijgt u van de uitgever misschien nog een boek. Als u deze verhalen leest en u zich hun werkelijke inhoud en betekenis weet te realiseren, wint u een onschatbare prijs: de sleutel tot een nieuw vlak van bestaan, een nieuw denken, een nieuw leven.

Bedenk verder, dat elke mens, juist wanneer het om inwijding gaat, geleid wordt. Heel vaak meen je, dat de meester, leider, of kracht, die je volgt, daadloos blijft. Dan meen je: Waarom doen zij niets? Rond mij dreigen toch grote gevaren?  Indien u ook dit wilt beseffen, verwijs ik u naar de verhalen van Egypte en in het bijzonder naar het verhaal van Osiris’ reis met de zonneboot, dat ons hiervoor een wel zeer fraaie symboliek geeft. De leerling, die in de boot meevaart, meent, dat alles rond hem belangrijk is. Hij ziet de hellewereld, de rosse gloed van het vuur, de ellende van de zielen, die daar geketend zijn als straf voor hun misdrijven. Hij ziet monsters uit de afgrond rijzen en dreigen in de donkere rivier, waarover de hem eindeloos schijnende reis verder gaat. Hij ziet gevaarlijke rotsen uit het water omhoog komen. Dan meent hij: dit kan niet goed gaan, wij moeten wel te pletter slaan. De meester slaapt echter. Wanneer de boot de poort naar de wereld bereikt en een ieder de ogen bedekt om de vele monsters, die de boot bedreigen, wanneer zij hun ondergang zeker achten, omdat niemand en niets naar hun idee tegen deze krachten van duister opgewassen is, ontwaakt de meester. Osiris heeft de gehele tijd geslapen, want het rumoer was hem niet belangrijk. Belangrijk is hem alleen zijn taak. Hij staat nu op, stelt zich in de boeg van de zonneboot. De monsters trekken zich verschrikt terug. De rotsen, die de doorgang onmogelijk maakten, verdwijnen. De zonneboot zeilt de vrije hemel in, licht brengende aan de aarde.

Dit verhaal is zeker niet voor niets geschreven. Alles heeft hier zijn verborgen zin en betekenis. Wanneer u het dan wel eens moeilijk hebt en niet precies begrijpt, hoe en waarom, dan kunt u juist uit dit verhaal veel troost putten. Bovendien geldt ook hier weer: wie leert deze verhalen geheel te begrijpen, doordat hij de sleutels kent, zal ook hier voldoende kunnen leren om voor zich althans in beperkte mate een meesterschap te kunnen aanvaarden.

* U sprak over het getal van de mens. Hoe is dit te berekenen? 

Om dit duidelijk te maken zou ik het principe van de kabbalistiek geheel uiteen moeten zetten. In de praktijk doet men meestal zo. Men neemt de gegeven naam van de mens, zijn voornamen. Daarvan wordt aan de hand van de kabbalistische lettergetal een schaal gesteld. Men berekent zo dus het getal van de voornamen. Dit wordt dan nog even vergeleken met het getal van de gebruikte roepnaam. De getallen worden vereenvoudigd. Wanneer de roepnaam het getal 14 geeft en de gehele naam bv. het getal 41, dan zijn deze beide namen gelijk, want vereenvoudigd zijn zij 5. Treden bepaalde verschillen op, of weten wij niet goed, hoe te rekenen, dan houden wij ons over het algemeen aan de roepnaam. Verder berekenen wij het geboortecijfer. Dit is weer een per getal optellen van het jaar zonder eeuw – dus niet 1960 maar 60 nu – plus de maand en de datum, beide als getal gesteld. Dit cijfer noemen wij dan de levensbestemming. Ten derde nemen wij de horoscoop. Ook deze geeft dan een voor de persoon passend cijfer, ook dit ligt onder de 10. Dit is dan het geestelijk getal. Wij krijgen zo een eigen getal, dat uit drie afzonderlijke cijfers bestaat en voor het vooromschreven doel niet verder vereenvoudigd wordt. Indien wij affiniteiten willen bepalen, dan kunnen wij deze drie cijfers weer tot één enkel getal herleiden door optelling en vereenvoudigen.

Ik heb getracht u duidelijk te maken, dat het bepalen van het getal van een mens niet een grapje is, wat men zo maar leert. Alleen de astrologie vergt reeds jaren van studie en praktijk, vóór men de horoscoop zuiver kan uitzetten en duiden. Zo gaat het met de kabbalistiek ook. Vooral wanneer wij gaan werken met de getallenleer, die aan vele formules is gebonden. Om deze te beheersen zal men tenminste algebra en 2-dimensionale meetkunde moeten beheersen. Eerst dan is het mogelijk met redelijke juistheid het eigen getal en de levensinvloeden te bepalen.

* Wordt het getal dan geen woord?

Over het algemeen doen wij dit niet, omdat meerdere woorden kunnen voortkomen uit hetzelfde getal. Wel kunnen wij het getal omzetten volgens een bepaalde formule. Hieruit ontstaat dan een weergave van bepaalde kosmische regels. Wanneer wij deze dan aanvullen met het juist berekende persoonlijke getal, vinden wij een naam. Dit is dan de eigen, geheime of zielenaam. Dit is het woord, waarop u doelt. Dit woord is dan tevens een aanduiding van de innerlijke verbondenheid met het Goddelijke en zal in omzetting vaak tevens de persoonlijke Godsnaam, het grote innerlijke geheim, weergeven.

* Is ons verder willen komen naar het Licht niet een soort geestelijk egoïsme?

Ik geef toe, dat dit bij velen een soort geestelijk egoïsme kan zijn. Maar hoe verder je komt op het pad der inwijding, hoe meer je beseft, dat het meer-zijn niet betekent zonder verantwoording of zorgen te zijn, maar in tegendeel: meer verantwoording, meer dragen. Het zijn de hoogst bewuste die op aarde weer keren om voor de mensheid te sterven. Vergeet dat niet. Het zijn de meesters, die, in plaats de rust te genieten van de hoge sferen, waartoe zij behoren, zich vrijwillig binden aan het lot van de mensheid, dat – vanuit geestelijk standpunt gezien – heus niet altijd zo goed, prettig en gezellig is.

* Als je wilt, kun je ook dit uitleggen als een soort egoïsme.

Als je wilt, kun je alle denken uitleggen als een egocentrisch denken, want in alle gevallen blijft het contact met het Ik uit schouwen vanuit het Ik bestaan. Tot de laatste fase, het opgaan in God, zal dus een interpretatie vanuit het Ik optreden bij de waardering van alle toestanden en feiten. Laten wij het zó stellen: ik geef u graag het egoïsme toe, wanneer u mij toegeeft, dat de bewuste zijn of haar “Ik” steeds meer uitbreidt, tot het steeds meer van zijn wereld en kosmos als deel van het Ik omvat, terwijl al het omvatte als deel van het Ik zal worden beschouwd, ook feitelijk. De ingewijde brengt dan in feite in de praktijk: bemin uw naaste gelijk uzelf. Hij doet dit, omdat hij hem erkent als deel van het Ik, een deel van het wezen, waartoe ook hij behoort.

* Begrijp ik goed, dat de Minotaurus en Ariadne ook een esoterische betekenis  hebben?

Leest u het verhaal maar eens en zoek naar de esoterische uitleg. Ik zal u op weg helpen. Ariadne staat voor de liefde. Wanneer de liefde op een niet stoffelijk peil staat, toont zij de uitweg uit het stoffelijke labyrint. Alleen hierdoor beschikt de geest over het ware tovermiddel: de draad, waardoor zij steeds van haar zendingen in het labyrint bewust en met succes terug kan keren. De rest laat ik aan u over.

Mijn doel was het niet u alle verborgen betekenissen en sleutels te openbaren, maar u aan te moedigen zelf naar dergelijke betekenissen en sleutels te gaan zoeken. Hoe meer ik u vertel, hoe meer u geneigd zult zijn af te gaan op mijn interpretatie. Er bestaan tenminste 80 verschillende sleutels, die elk voor zich wel tot dezelfde weg kunnen voeren, maar elk een andere wijze van benadering vragen. Zou ik u te veel helpen, dan zou u trachten mijn weg te gaan en dat kan wel voor u een niet-juiste weg zijn.

*Ik voel mij als een bewaarschoolkind tegenover een professor.

Onderschat uzelf niet, want ook dit is kwaad. Wie zich minder acht dan hij is, belet zichzelf te volbrengen, wat hij in feite volbrengen kan. Overigens is dit geen verwijt. Ik voel mij zeer gestreeld door de professorale titel, die ik heus niet verdien.

* In Atlantis bestonden geen bloemen. Hoe kwamen zij dan aan het bloemenschrift en aan de voorstelling daarvan? 

In die tijd noemde men het geen bloemenschrift. Het is een schriftvorm, die op goud metaal werd gegraveerd. Het werd versierd met de toen aan de oppervlakte voorkomende kristallen, of zelfs met edelstenen en halfedelstenen. In de legenden vinden wij dit gebruik overigens terug. Denk maar eens aan de wet van Atlantis, die volgens de overleveringen op gouden platen gegrift was, terwijl het verbond der vorsten op een versierd gouden schild zou zijn gegrift en aan een middenpilaar van de tempel hing. De belangrijkste van deze platen zijn van de ene plaats naar de andere overgebracht. Dit is voornamelijk te danken aan het inzicht van de wit-magiers, die wisten, dat Atlantis ten onder moest gaan en hun grootste schatten van vastgelegde wijsheid wegvoerden. Later heeft men van deze platen kopieën gemaakt, waarvan een deel een tijdlang in de bibliotheek van de Potala heeft berust. Overigens zijn zij daar niet meer. De mensen, die later deze platen beschouwden, kenden wél bloemen. Dezen zagen de op de cirkel gebaseerde mathematische structuren, waaraan zich haaltjes naar beneden of naar boven bevonden. Voor hen leek dit veel op een niet eens zo schematische voorstelling van een eenvoudige bloem. De indelingen deden veel aan bloembladen denken. Al snel sprak men van het bloemenschrift, een aanduiding, die onder wetenden ook nu veel wordt gebruikt. In feite is er sprake van begrippen, die Atlantis volgens een bepaalde filosofie, ideografisch wist vast te leggen.

*Er waren toch bloemen in de zee?

Dat is niet helemaal waar. Wel waren er de voorvaderen van de huidige zeeanemonen, maar dit zijn geen bloemen in de zin, waarin men dit woord tegenwoordig gebruikt. Plantaardig leven in die dagen verkeerde in de overgangstijd qua voortplanting, tussen sporen- verspreiding en de zaadverspreiding. Een groot deel van de wereld kende nog varenwouden. Ook kwamen geweldig grote mossoorten voor in die dagen. Een werkelijke bloem – met bloesem dus – kwam haast niet voor. Pas heel langzaam, toen door gewijzigde omstandigheden voor de planten andere bestuivings- en bevruchtingsmethoden noodzakelijk werden, begonnen de insecten een rol te spelen hierbij, daaruit kwam weer de advertentiebehoefte van de plant voort.

De bloem is voor de plantenwereld, de bij en de vlinder niets anders dan een aankondiging: hier vindt men een bepaald soort nectar. In de mensenwereld heeft men i.p.v. bloemen vlaggen, die de dorstigen zeggen: hier ijskoud ijs, of drink coca cola. Er is sprake van een wisselwerking tussen bloem en insect. Zij kondigt aan, dat zij honing geeft, geeft deze ook, maar vraagt in ruil daarvoor het dragen van stuifmeel en het bevruchten. Indien u iets van de oudere methode in de plantenwereld wilt zien, moet u eens naar een bloeiende pijnboom kijken. Bij de vrouwelijke boom vindt u daar een groenachtig iets, dat wel aan een zacht dennenappeltje doet denken. Aan de top van dit appeltje steekt een soort kleverige spicht uit. Vooral in de sparrenfamilie kunt u dit duidelijk zien. In de mannelijke bomen ziet u oranje of rode trosjes. Wanneer je in de tijd van rijpheid dan tegen een tak slaat, zie je opeens een hele wolk van oranje stof, die de wind naar andere bomen toedrijft. Hier verzorgt de boom zelf met behulp van de wind de bevruchting. Daarom heeft zij ook geen bloesem of bloem nodig. Ook kennen wij de sporenverspreiding, die bij bepaalde mossoorten en de paddenstoelen kenbaar voorkomt.

Bloemen waren in deze tijd niet noodzakelijk. Overigens kende alle leven – ook dat in zee – veel minder kleur, omdat er in verhouding tot heden veel minder zonlicht was. Er heerste altijd een dichte bewolking. Men zag de zon nooit enkele dagen achtereen, zoals dit nu gebeurt. De toestand in Atlantis was gedurende het grootste deel van het bestaan zo, dat het overeenkomt met hetgeen een mopperende Nederlander als zijn eigen klimaat aan anderen pleegt voor te stellen. Daardoor waren de overheersende kleuren varianten van grijs. Daarnaast zien wij veel dofgroen en blauwgroen. Werkelijk felle kleuren zien wij bij de planten pas komen, wanneer de zon meer meester wordt op aarde. Tevens treedt dan opeens een veel sterkere differentiatie van vorm en soort op.

* Wanneer de wereld niet zoveel kleuren kende, was zij dan niet meer transparant?

Neen, de wereld was niet meer transparant. Wanneer wij dit stellen, gaat de huidige mens denken aan iets als een glasaaltje en dat is niet waar. De wereld was wel kleurlozer, omdat de wereld zoveel kleiner leek, dank zij de zware bewolking, de vaak optredende nevels en de veelvuldige neerslag, waren de wezens, die daar denkende leefden, zich veel beter bewust van de kleine verschijnselen, die zich in hun omgeving voordeden.

Zo bestond ook in Lemurië en vroeg-Atlantis een praktisch algemeen contact tussen de denkende wezens van toen, de wordende mensen en de geestelijke krachten en wezens. Die grens was betrekkelijk vaag. Indien u dit bedoelt met transparant, ben ik het met u eens. Overigens verliest de mens in Atlantis na ongeveer 40.000 jaar deze band met de geest. De verbindingen met de geest en geestelijke kracht blijft dan voorbehouden aan enkelingen, die zich hierop specialiseren. Zij zijn de magiërs, die later gesplitst worden in de zwart-magiërs, die in de steden wonen en de wit-magiërs, die in de bergen plegen te vertoeven, of op hoge punten, steeds ver van alle gewoel en drukte.

De wit-magische groepering komt dan tot een systeem van inwijding, dat het contact met de geest niet alleen in stand houdt of herstelt, maar dit tevens bewuster en intenser maakt dan ooit tevoren mogelijk was. De zwart-magische groep tracht de geest tot slaaf te maken van de materie en de materiële begeerten. Het grootste deel van de wereld hoort wel van geesten en denkt soms er iets van te zien, maar is niet in staat werkelijk iets van de geest, geestelijke krachten, of werkingen, daadwerkelijk te beseffen. De mensheid gaat wel een periode van meer doorzichtigheid tegemoet. Vermoedelijk heerst deze toestand over rond 44.000 jaren. Pas na deze tijd zal het menselijke type ver genoeg zijn veranderd om met enige reden weer te denken aan het begrip transparant.

ESOTERIE:  dimensies    

Wanneer wij rekenen met dimensies, trachten wij vanuit menselijk standpunt aan te tonen, dat er afmetingen, levensvormen, of krachten bestaan, die de mens niet kennen kan. Volgens het systeem van t.m., vier dimensies, kunnen wij – nog steeds menselijk redenerende – aantonen, dat dergelijke wezens of krachten een grotere inhoud, of een groter vermogen hebben dan de doorsneemens. Voorbeeld: wanneer wij ons een tweedimensionale wereld voorstellen, kunnen wij ons indenken als getekend liggende op een vlak papier, elke afgesloten ruimte is alleen begrensd door een lijn. Toch is deze afsluiting voor alle wezens, die op dit tweedimensionale vlak leven, volkomen. De driedimensionale mens kan rustig over die lijn heen reiken. Hij heeft immers een derde dimensie. Zo zou het t.o.v. de mens ook kunnen zijn voor een wezen, dat in 4 dimensies bestaat. Deze beelden stammen nog steeds uit het menselijke denken. Zij vertegenwoordigen een pogen om aan de hand van de bekende natuurwetten en de mogelijke abstracte berekeningen aan te tonen, wat eigenlijk mogelijk zou zijn.

Wanneer ik ga spreken over dimensies en over wezens, die men niet, of slechts in een steeds wisselende doorsnede kan kennen en daarbij stel, dat deze op een voor ons geheimzinnige wijze, maar volgens eigen wezen geheel natuurlijk in de stoffelijke wereld in zouden kunnen grijpen, dan kan ik met evenveel recht over de verschijnselen van het occultisme spreken. Indien wij daar een ingrijpen zien in een kamer, zo hoeft dit in wezen niet te verschillen van hetgeen wij zo-even zeiden: over de verhoudingen tussen een wereld van 2 en één van 3 bewust bekende dimensies.

Ga ik de wereld van de mens vergelijken met de tweedimensionale wereld, dan dien ik ook te stellen, dat deze mens op papier getekend lijkt, zodat voor de beschouwer geheel de binnenkant met alle organen zichtbaar moet zijn. Dit zou er dan ongeveer uitzien als een anatomische tekening van het menselijke lichaam, waarop spierweefsels, zenuwen, organen etc. duidelijk kenbaar zijn. Toch zal geen enkel binnen de buitenste grens liggende organen voor de tweedimensionale wereld zonder operatie te benaderen zijn. De driedimensionale mens hoeft dit niet te doen, maar kan – bij wijze van spreken – met één streek van zijn potlood een verandering aanbrengen.

Een dergelijke mogelijkheid vinden wij in de verhoudingen tussen geest en stof. Wanneer wij horen van een geestelijke operatie, dan komt hier geen mes bij te pas. Toch kan de geest onder omstandigheden bepaalde organen anders laten functioneren en deze a.h.w. direct beroeren. Dit is overigens niet altijd het geval. De geest kan – vanuit menselijk standpunt – door muren gaan. Precies hetzelfde zagen wij zo-even in ons voorbeeld van 2- en 3-dimensies.

Ik begin met deze stelling: het verschil tussen een mens en een geest kan het verschil zijn van een extra dimensie, waarbij door de geest een afmeting meer wordt erkend. U zult als mens geneigd zijn nu te onderbreken en te vragen: Welke afmeting moet dat dan wel zijn?

In de brieven van Paulus wordt over een 4-dimensionaal stelsel gesproken. Hij noemt hier de hoogte, de breedte, de lengte en de diepte. Paulus beschouwt het kruis klaarblijkelijk als een symbool van een 4-dimensionaal bestaan binnen een 3-dimensionaal stelsel. Wanneer ik van mijn kant daaraan toevoeg, dat de diepte in feite bestaat uit een uitbreiding van het bewustzijn, ben ik niet ver mis vanuit menselijk standpunt. Natuurlijk kan ik ook, zoals de stoffelijke geleerden doen, stellen, dat dit het element tijd is, maar waar ook tijd, naast de binding aan massa en beweging zeker aan het bewustzijn is gebonden, blijf ik bij mijn stelling, dat de vierde dimensie een waarde in het bewustzijn is. Dan volgt hier volgens mij uit: hoe hoger het bewustzijn, hoe groter het aantal beheersbare dimensies moet zijn. Dit houdt in, dat dingen, die voor u onmogelijk zijn, voor mij mogelijk moeten zijn, terwijl hetgeen voor mij en u onmogelijk is, mogelijk zal zijn voor iemand, die in bewustzijn weer hoger staat dan ik.

Dit wil ik nader met u bezien en grijp daartoe naar een voorstelling, die alleen als illustratie, als voorbeeld bedoeld is en zo laboreert aan de onvolkomenheden, die aan een vergelijkend voor- beeld vast plegen te zitten.

Indien wij een groot aantal bakken water boven elkaar stellen, dan zal de vaart, waarmede de bovenste bak – bak a – naar de volgende bak – bak b – zal stromen heel wat kleiner zijn dan de stroomsnelheid naar bak x. Het water valt dan immers verder. De bakken zelf kunnen dan, evenals de inhoud, verder volkomen gelijk zijn. De wijze, waarop zij t.o.v. elkaar geplaatst zijn, maakt het verschil uit van de kracht, die de ene bak t.o.v. de andere uit kan oefenen.

Wanneer wij spreken over hogere of hoogste sferen, zo hoeft een bestaan daarin niet zonder meer een verandering van wezen in eigen ogen betekenen. Het wezen kan zelfs gelijk blijven, de bak. Naarmate het bewustzijn het wezen hoger plaatst in de hiërarchie heeft het t.o.v. alle lager geplaatste wezens, maar zeker t.o.v. de langst geplaatste wezens, een steeds grotere invloed.

U bent op het ogenblik mens, wij zijn nu geest. Het verschil tussen ons zal 1, 2, ten hoogste 3 of 4 sferen, laagjes, bakken zijn. Toen wij mensen waren, bestonden er als geest anderen in dezelfde verhouding. Zo dezen niet meer hoefden te reïncarneren, zijn zij ondertussen verder gegaan. De potentie, t.o.v. het laagste blijkt steeds hoger te worden naarmate de bewust- wording verder voortschrijdt, terwijl t.o.v. gelijk bewustwordende wezens de gelijke potentie gehandhaafd blijft.

De esoterie is bedoeld om de mens tot een kennen van zijn Ik te brengen. ‘Eso’, in tegenstelling tot ‘exo’, als in de tegenstelling esoterie en exoterie, geeft aan de innerlijke waarde, de innerlijke wetenschap, in tegenstelling tot de uiterlijke wetenschap. Al hetgeen ik tot op heden gezegd heb over dit onderwerp, was exoterisch, maar wij kunnen al deze begrippen overdragen op het innerlijk van de mens. Ik neem aan dat u zich herinnert, hoe wij meerdere malen hebben gesproken over de voertuigen, die in de mens bestaan. Het zal u duidelijk zijn, dat je de mens eveneens voor kunt stellen als een reeks van dimensies. Een hele stapel bakken, want de mens heeft vele voertuigen. Theoretisch is het mogelijk zonder meer kracht vanuit het hoogste voertuig naar het laagste te laten vloeien. Dan zal het wezen en de omschrijving van beide delen van het Ik verder helemaal gelijk kunnen blijven, maar er zal sprake zijn van een erg groot verschil in vermogen, zover het het laagste vlak in casu de stof betreft.

Om eigen geestelijke krachten op de stoffelijke wereld tot uiting te brengen is het niet nood- zakelijk, dat je als geest veel meer bent, dan je als mens schijnt te zijn. Om die kracht bewust te kunnen laten werken, moet je als mens je van je geestelijke Ik en de daarin voorkomende voertuigen geheel bewust zijn. Hier ligt de verklaring van een eigenaardig verschijnsel, dat wij bij de mensen tijdens een esoterische ontwikkeling waar kunnen nemen. Wij zijn altijd geneigd om als kern van het esoterisch streven steeds te denken aan een uitbreiden van het Ik. Het begrip voor de wereld moet groter worden, het begrip van de kosmos moet groter worden.

Dit is natuurlijk wel waar, maar men vergeet vaak een tweede aspect van de ontwikkeling: dat de kracht, die op dit ogenblik door innerlijk bewustzijn vanuit u werkzaam wordt, niet afhankelijk is van uw wereldbesef, of uw weten, maar van het geestelijke voertuig, waarmede u ook als mens nog voldoende eenheid zult kunnen bereiken. De esoterisch ontwikkelde mens beschikt ook altijd over meer krachten, meer uithoudingsvermogen, meer occult kennen, dan de doorsnee mens en ziet deze gaven in overeenstemming met zijn ontwikkeling groeien, zelfs indien hij hier geheel niet naar streeft. Dit verschijnsel is dus geheel inherent aan de esoterische bewustwording zelf.

Nu zal men mij tegenwerpen: het is niet goed dit te zeggen, want het bevordert het egoïsme…. De mens zal nu esoterisch gaan streven om meer kracht te kunnen ontvangen.

In de eerste plaats zal de innerlijke bewustwording zelf, ook wanneer zij uit egoïstische motieven begonnen wordt, voor de meeste mensen een steeds minder voor zich verlangen en streven inhouden. In de tweede plaats is hier de term “egoïsme” geheel afhankelijk van de reden, waarom men over die kracht wenst te kunnen beschikken. Zolang het gaat over kracht, die wij uit eigen wezen bezitten en kunnen hanteren, is het belangrijk, of deze kracht wordt gebruikt in verhouding tot het bewustzijn van het hoogste voertuig, dan wel of men tracht ze te ontwaarden door ze alleen voor de doeleinden van het laagste voertuig te gebruiken. In het laatste geval zal een scheiding ontstaan tussen het hoogste voertuig en de lagere voertuigen, waardoor de mogelijkheden zeer beperkt worden. Egoïsme zou hier zelfs het doel, dat nage- streefd wordt, onbereikbaar kunnen maken.

Een beschouwen van de innerlijke waarden en toestand van de mens maakt overigens het trekken van verschillende, in uw ogen eigenaardige, conclusies noodzakelijk. Elke mens kan innerlijk tot veel hogere voertuigen doordringen, dan hij normalerwijze pleegt aan te nemen. Om gebruik te kunnen maken van eigen hoogste mogelijkheden, moet er een zekere spanning, een zekere pressie aanwezig zijn. Zoals de mens pas tot een maximum van stoffelijk krachtsinspanningen komt onder invloed van een grote vrees, of een heel sterk verlangen, zal hij ook innerlijk pas tot een zo hoog mogelijk stijgen kunnen komen aan de hand van een groot innerlijk verlangen, of een even grote innerlijke vrees. Het is voor de mens noodzakelijk, dat een zekere stimulans aanwezig is. Alleen zo kan men hem het hoogste bereiken mogelijk maken. Vandaar, dat juist de esotericus, die zo gelijkmoedig t.o. de stoffelijke wereld tracht te staan, steeds weer een geestelijke crisis door moet maken.

Men meent vaak, dat dit onrechtvaardig is. “Wij streven er naar om alles juist te doen, om zo rechtvaardig mogelijk te zijn. Wij streven naar zelfkennis en eerlijk geestelijk verder gaan. Toch wordt juist ons dit alles opgelegd. Dit is onrecht!” Het optreden van dergelijke crisis is geheel logisch en het resultaat van een bereiken, want de mens moet steeds verder gaan op het geestelijke pad en steeds weer tot een hoger voertuig in zich door weten te dringen. Waar de spanning bestaat, wordt een versneld en juist bereiken mogelijk gemaakt. Dit houdt tevens in, dat de oplossing van alle problemen, stoffelijk of anderszins, door de esoterische strevende ontnomen kunnen worden aan de krachten, die schuilen in het volgende voertuig, zodat zij zichzelf oplossen bij het ingaan van de volgende fase van bewustzijn.

Dit alles klinkt u technisch. Ik vind het een noodzakelijke inleiding. Ik zou u willen herinneren aan bepaalde esoterische wetten, die altijd weer over het hoofd worden gezien. Zo de kracht en het wezen van de mens uit God zijn, is de mens toch zelf, en zelf is de mens. Uit zich kan hij slechts de kracht verwerven, het bewustzijn en de bereiking. Want slechts door het Ik gaat de weg tot de Eeuwige. De weg is de eeuwigheid, teruggebracht in voor het Ik begrijpelijk termen. Zij wordt uitgedrukt in een zo groot mogelijke innerlijke harmonie met de kosmos en een gelijktijdig zo juist mogelijk uiterlijk beantwoorden aan dat deel van de kosmos, waarin men bewust leeft.

Dit is de kern van een juist esoterisch denken en streven. Zelf is de mens. Wij hebben geen recht te verwachten, dat een God, een medemens, een geestelijke meester, of een medemens voor ons zal ingrijpen, of voor ons bij hogere krachten intermediair zal zijn. Toch kunnen wij vaak met een beroep op dergelijke krachten eigen hogere voertuigen activeren en inderdaad een hogere kracht in eigen leven geopenbaard zien. Wanneer wij vanuit onszelf tot onszelf gaan en daarbij beseffen, dat wij eerst door het hoogste Ik te leren kennen tot een ware harmonie met het Goddelijke en de kosmos kunnen komen, zullen wij niet meer geneigd zijn ook maar iets van de verantwoordelijkheid, die wij nu eenmaal moeten dragen, op anderen af te wentelen. Ook zullen wij niet meer geneigd zijn zonder meer de weg van een ander als juist te aanvaar- den: wij zullen zelfstandig leven en streven. Dit is het Alpha en Omega van alle esoterie.

Verder geldt: alle kracht, die ik bezit, is in de eerste plaats deel van mijn wezen, in de tweede plaats is zij deel van de kosmos. Dit houdt in, dat tussen mijn wezen en de kosmos een voortdurende wisselwerking kan bestaan, zonder dat ik mij daarvan volkomen bewust ben. Dit laatste zal ik verduidelijken. Wanneer de hoeveelheid water in een bekken voortdurend gelijk blijft en ik niet over een middel beschik om te zien, of en hoeveel water enerzijds ontnomen en anderzijds wordt bijgevoegd, dan is mij enkel het peil van het water kenbaar en bepalend. Heb ik in de eerste plaats belang bij dit peil, dan hoef ik mij van het andere niet noodzakelijk bewust te zijn.

In een aquarium, dat voortdurend zijn water ververst, kunt u dit als toeschouwer vaststellen. Tenzij u de installaties kent, zult u niets zien dan een gelijkblijvend peil en een goede toestand. Nu stel ik, dat voor ons in doorsnee het peil van de kracht, waarover wij beschikken, bepalend is. De mate van uitwisseling met de kosmos zullen wij mogelijk niet kunnen vaststellen. Wij kunnen, gezien de voortdurende kracht, die in ons zuiver en gelijk blijft, aannemen, dat er ongemerkt toch een dergelijke uitwisseling is. Op grond van deze wisselwerking mag ik aannemen, dat overal, waar mijn eigen wezen werkzaam is, de kosmos mede bij het werk betrokken is en mij zo nodig aan zal vullen, zowel in kracht als weten, zowel in gevoelen, alsook in beheersing.

Wanneer ik uitga van mijn eigen uiterste vermogen en daarbij mijn intentie voortdurend stel op het hoogste wat ik ken, terwijl ik daarbij ook nog steeds tracht de waarheid omtrent mijzelf uit te beelden en weer te geven – dit laatste dient men zo scherp mogelijk te omlijnen – is de kosmos deel van al mijn daden. Hieruit volgt, dat ik het maximum zal kunnen presteren en zelfs meer zal kunnen presteren dan redelijkerwijze door mijzelf of anderen redelijk verwacht zou kunnen worden. Ongeacht de inspanning betekent dit voor mij nooit schade, want al het noodzakelijke en zeker al hetgeen voor een helpen van anderen op een stoffelijk, of voor mij laagste vlak noodzakelijk is, zal mij dan vanuit de kosmos zonder meer worden gegeven. Deze gave zal altijd via het eigen wezen gaan, daarbij trekkende van het hoogste geactiveerde geestelijke voertuig tot het actieve, of het laagste, waarin het beleven voor mij mogelijk is.

Nu ik dit gesteld heb, bedenk ik nog een interessant punt: weten is niet altijd gelijk aan kennis. Kennen wil zeggen: doorgronden. Weten wil alleen zeggen: beschikking hebben over feiten- materiaal. Een esotericus, die veel weet, kan toch zeer weinig kennis bezitten. Het weten behoort altijd tot één vlak.

Voorbeeld: Uw indeling van kleuren, een weten, kan voor uw eigen wereld juist zijn. Voor een hoger voertuig zal deze kennis al niet meer geheel juist zijn. Uw waardering van dag en nacht, van leven en dood, kan in uw eigen wereld geheel feitelijk en juist zijn, ofschoon de verhoudingen op een hoger vlak geheel anders moeten liggen. Weten is een instrument van belang voor het laagste voertuig en is daarbij van zeer groot belang, zolang het Ik zichzelf daarin kent en beleeft. Kennis omvat altijd meerdere voertuigen. De hoogste kennis wordt bereikt op de ogenblikken, dat het hoogste geestelijke voertuig, dat binnen het Ik actief is, binnen de mens of de geest op zijn vlak van leven en handelen mede tot uiting komt.

De ware esotericus verliest zich in zichzelf en verkrijgt uit zichzelf het inzicht, het doorzicht, de kennis en de omschrijvings mogelijkheden, die hij uit het weten van zijn eigen wereld alleen nooit zal kunnen verwerven. Het is hierom, dat men over de esotericus, die, ofschoon niet geheel ingewijd, toch aanmerkelijk verder gaat dan de doorsnee mens, als een verlichte spreekt. Dit verlicht-zijn komt voort uit een kennen en omvatten van waarden, een doorzien der dingen vanuit een hoger geestelijk standpunt, terwijl gelijktijdig de uiting op zuiver stoffelijk standpunt plaatsvindt.

Nu ga ik nog even terug naar het technische deel van mijn betoog. Er zijn een betrekkelijk groot aantal van verschillende bewustzijnsfasen voor de geest en ook voertuigen tussen het directe contact met het Goddelijke Zelf en het voertuig, waarin wij als mens of geest op het ogenblik leven. Dit houdt in, dat vanuit het standpunt van het laagste voertuig, de krachten van het hoogste voertuig, dat wij nog hanteren kunnen, praktisch onmetelijk kunnen zijn. Zo mag ik stellen, dat de mens, die innerlijk bewust is, wiens kennen groot is, wiens begrip even groot is, ver uit kan gaan boven een normaal stoffelijk gebeuren. Nog verder gaande, mag ik stellen, dat, indien er velen of meerderen zijn, die op een dergelijke wijze de hoogste geestelijke kracht in hen aan de wereld kunnen openbaren, deze geestelijke kracht van een betrekkelijk klein aantal mensen die dit bewustzijn bereikten, voldoende is voor vele dingen, en gelijk kan komen aan de massale krachten, die de aarde bewegen.

Indien wij innerlijk de Goddelijke vonk, het hoogste deel van ons wezen, kunnen bereiken en de daarin sluimerende krachten actief kunnen maken – in het leven als stofmens bv. – beschikken wij over krachten, die bruikbaar zijn ook in de stoffelijke wereld, ofschoon het stoffelijk niet mogelijk is zich deze krachten en hun vermogens voor te stellen. Wanneer een aantal mensen dit bewustzijn beschikken, zo kunnen zij gezamenlijk over een kracht beschikken, die groter is dan alle krachten, die de wereld bewegen. De krachten, die zij openbaren, zijn in wezen dan kosmisch, terwijl de aarde niet veel meer is dan een enkele zandkorrel, drijvende op de wat stormachtige stromingen van de kosmos.

Wanneer wij stellen, dat de waarden op de wereld wankelbaar zijn – wat in het heden zeker het geval is – zodat men zich afvraagt, of de wereld nog ten goede zal keren, dan wel ten onder- gaan, dan lijkt dit hopeloos. Maar het is niet werkelijk hopeloos. Wanneer een betrekkelijk klein aantal mensen, dat geestelijk het hoogste bereikt – onder klein versta ik bv. 999 – zo zullen deze enkelen in staat zijn die wereld te stabiliseren. Zouden deze hoogste krachten niet, of niet in voldoende mate beschikbaar zijn, dan wel in onvoldoende mate in willen grijpen – gezien hun beter overzicht – zo zal eerder in verhouding nog klein, maar iets groter aantal, bv. 333.000 – mensen in geheel de wereld, die in staat zijn alleen maar tot de sferen van Licht door te dringen, ook over de noodzakelijke krachten kunnen beschikken, om geheel de wereld te stabiliseren. Juist in dit laatste schuilt een voor deze dagen zeer belangrijk punt: Esoterische bewustwording houdt het toegang krijgen tot innerlijke krachten en vermogens, die verder gaan dan het normaal stoffelijke. De invloed daarvan grijpt aanmerkelijk verder uit – ook al is dit niet ineens stoffelijk zichtbaar – dan een mens zich ook maar voor durft te stellen. Wanneer er nu nog een paar jaren zijn vóór de op aarde beslissende datum komt, en vele mensen trachten de esoterische bewustwording door te maken, dan kan – volgens het huidige bewustzijn van ons in de geest en u in de stof, plus de krachten van de Grote Broederschap – de zekerheid worden geschapen, dat de wereld voortbestaat, dat steeds sterker de geestelijke en Lichtende krachten daarin zullen heersen en regeren, zodat alle mensen tot een verder begrijpen, een verdere bewustwording kunnen worden gebracht.

Esoterie is niet alleen maar en innerlijk proces zonder meer. Zoals uit het voorgaande blijkt, is het tevens een activeren van bepaalde krachten via de eigen persoonlijkheid, die in hun wezen gelijk zijn aan de kracht, die de kosmos schiep. Juist in deze zin mag waarlijk worden gesteld, dat God de mens schiep naar Zijn beeld en gelijkenis. Hoe groter de kracht, die wij kunnen openbaren, hoe juister ons inzicht, hoe zuiverder onze zelfkennis, hoe verder wij kunnen komen, hoe meer wij voor anderen betekenen kunnen. Het is niet noodzakelijk, dat ook maar één mens op deze wereld sterft of overgaat, zonder tenminste meerdere schreden op het geestelijk pad gevorderd te zijn. Het is niet noodzakelijk, dat ook maar één grein van lijden, zonder ruimschoots geestelijk vruchten te dragen, wordt ondergaan. Stel u dat voor. En vraag u dan af, of esoterie niet juist in een wereld als die van heden belangrijk en steeds belangrijker wordt.

De mensen spreken over het overspringen van de grenzen van de ruimte, spottenderwijze heeft men het er al over, dat men binnenkort zelfs naar Andromeda zou kunnen reizen. Elders droomt men ervan de grenzen van de microkosmos definitief te overschrijden en door te dringen tot het geheimzinnige gebied, waarin de kleinste delen zelf gevormd worden. Deze dromen lijken de mensheid niet te stoutmoedig. Dan mogen wij toch zeker stoutmoedig genoeg zijn om te stellen: de mens zal door leren dringen in de verborgen dimensies van zijn eigen wezen en leren in te gaan tot de waarheid en kracht, die in hem bestaan. Uit deze kennis van eigen wezen en bewustzijn van eigen streven en werken zal de mens bewust kunnen scheppen, de paradijselijke toestand, waarin het wezen voortdurend met zijn God kan wandelen, voortdurend de eeuwigheid erkent, een wereld, waarin de dood is uitgeblust en alle leven is geworden tot een erkennen van de Goddelijke openbaringen in de schoonheid van de Schepping.