Verdraagzaamheid

14 september 1958

We weten natuurlijk allemaal wat de term “verdraagzaam zijn” inhoudt in het algemeen. Maar heel weinig mensen zijn zich volledig bewust van alle consequenties, die eraan verbonden zijn. Verdraagzaamheid is het bv., wanneer Jezus zich laat kruisigen zonder enig verzet. Hij verdraagt, hij aanvaardt, omdat hij voelt, dat zijn verdraagzaamheid en aanvaarding van al hetgeen er geschiedt de enige oplossing is. We weten echter, dat deze zelfde grote leraar ondanks al zijn verdraagzaamheid en plooibaarheid toch ook ontzettend hard kon zijn. Niet alleen dat hij de wisselaars de tempel uitjaagt maar ook, dat hij in vele gevallen eenvoudigweg zijn oordeel stelt. Niet dat hij tegen de mensen zegt: “Nu moet je mijn weg gaan.” Of zegt: “Wat je doet is verkeerd.” Hij zegt alleen maar: “Zo is voor mij de waarheid en anders niet.”

Verdraagzaamheid heeft consequenties, die voor velen op zijn minst genomen onaanvaardbaar lijken. Als daar bv. zijn in de eerste plaats: Je eigen mening terughouden en niet uiten, tenzij dit noodzakelijk is niet voor jou maar voor het geheel. Alle onrecht te lijden, behalve het onrecht aan anderen, dat je niet behoeft te verdragen. Het betekent, juist door het aanvaarden en verdragen, een voortdurend inzicht verwerven in het standpunt van anderen. Dat is lastiger, dan u denkt. Wanneer wij inzicht verwerven in het standpunt van een ander, gaan we vaak twijfelen aan onze eigen inzichten. Want andere mensen kunnen met een buitengewone overtuiging handelen. Ze kunnen met een felheid iets beleven, die ons overtuigt, dat hier toch werkelijk iets bijzonders aan de hand moet zijn. Toch is hetgeen zij geloven voor ons onzinnig. Toch is hetgeen zij doen voor ons onjuist. Dit te begrijpen, in de ander te tolereren, ja, wat meer is, a.h.w. te eerbiedigen en gelijktijdig zelf toch een andere weg te gaan, is erg lastig.

We kunnen dan ook een dergelijke verdraagzaamheid zeker niet baseren op een algeheel aanvaarden zonder meer. Want dan heeft het geen zin. We moeten wel degelijk weten: dit is goed en dat is kwaad. We moeten wel degelijk weten: dit is aanvaardbaar en dat is niet aanvaardbaar. Maar we moeten ook begrijpen, dat er meer maatstaven bestaan, dat we niet alleen onze eigen maatstaf aan de wereld aan kunnen leggen. Het is dan op deze punten, dat dit eerste betoog gebaseerd moet zijn.

In de oude boeken van de boeddhisten vinden we een reeks eigenaardige stellingen. Stellingen, die voor het christendom misschien onaanvaardbaar zijn, maar die toch naar ik hoop door u begrepen kunnen worden. Een van de eerste en misschien de belangrijkste daarvan is: Elke mens is gevangen in de waan van zijn eigen wezen. De waarheid wordt steeds verdrongen door de begoocheling. Slechts hij, die in de begoocheling zichzelf terugvindt en zo de begoocheling kent als deel van zichzelf, kan de waarheid vinden. Tamelijk ingewikkeld. Maar laten we het eens even nagaan.

Zolang als u hier leeft, is het uw eigen standpunt, dat bepaalt, hoe u de dingen ziet, hoe u ze ervaart. U spreekt over goed en over kwaad, over aanvaardbaar en niet aanvaardbaar. U beschuldigt uzelf van zonden en anderen van zonden. U vereert misschien. Maar waarom? Doet u dit alleen maar, omdat dat zo gebruikelijk is? Of omdat u werkelijk deel heeft aan de dingen? Goed en kwaad bestaan niet. Edel en niet edel bestaan ook niet. Er zijn geen differentiaties in waarden voor de mensheid te vinden. En dat is juist het eigenaardige van het hele geval. Laat ik mij een ogenblik voorstellen, dat ik in uw wereld sta en laat mij dan van uit mijzelf redeneren.

Ik ben laten we zeggen niet al te knap, niet al te mooi. Een deel van de wereld kijkt op me neer. Een ander deel van de wereld accepteert me. Wat zal ik doen? Eigenaardig genoeg verlang ik er naar om in de gehele wereld aanvaard te worden en niet slechts door enkelen. Ik zal degenen, die mij niet aanvaarden haten of benijden. Beide komen op hetzelfde neer. Ik zal datgene, wat die anderen doen die mij eigenlijk niet accepteren veel ruimer beoordelen over het algemeen, ik zal daar veel meer van nemen dan van degenen met wie ik mij op een gelijk vlak beweeg of degenen, die mij vereren en die ik dus beneden mij zie. Is dat redelijk? Het lijkt me van niet. Hebben we het recht om iemand alleen omdat hij beneden ons staat of van ons afhankelijk is, omdat hij ons vereert of accepteert te veroordelen? Hebben wij op enigerlei wijze recht steeds maar weer oordeel uit te spreken omdat men dit oordeel aanvaardt? Is niet elk oordeel, dat wij uitspreken, eigenlijk een erkennen van de fouten, die wij beneden ons zien en in onszelf? En is al het goedpraten, dat we naar boven toe vaak doen ook niet een erkennen van eigen onvermogen om die status van een ander, die je zo begeert in ons innerlijk, te bereiken? We moeten het heel goed begrijpen.

Op het ogenblik dat ik hier in deze wereld sta en een verschil maak tussen wat er boven mij staat en wat er beneden mij staat, ga ik in mijn oordeel deze differentiatie doorvoeren en zal dus mijn wereld niet meer beleven op een eerlijke en oprechte wijze. Ik zal aan de ene kant van de hoger geplaatsten, van de meerderen, veel meer goeds verwachten dan redelijk verwacht kan worden. Aan de andere kant zal ik hun fouten goedpraten door hun meerderwaardigheid, dan wel ze zeer scherp verwijten vergetende dat ze mensen zijn. Wanneer ik een zekere mate van verstand heb, zal ik anderen dom achten, onverstandig, onwijs. Ik heb ook verering voor anderen, die wijzer zijn dan ik. Maar heb ik werkelijk inzicht  in de toestand? Ik oordeel nu wel van uit mijzelf en bepaal mij daarnaar. Maar is het juist, is het waar? Zijn die mensen, die minder weten dan ik ook werkelijk dommer dan ik? Zijn hun handelingen, die voor mij op zijn minst genomen wat ontoerekenbaar lijken, inderdaad zo dwaas? Of passen zij in een logica, die voor deze mensen volledig aanvaardbaar is? Is die hogere wijsheid, waar ik zo tegenop zie, inderdaad wijsheid? Of begrijp ik alleen niet de ingewikkelde manier, waarop een ander probeert iets uiteen te zetten, wat misschien op hetzelfde plan staat als de domheid van degenen beneden mij, die ik zozeer veracht?

Mijn eigen begripsvermogen, mijn eigen wijze van aanvaarding, die maken ontzettend veel uit. Wanneer ik mij daarop baseer, zal ik van degenen beneden mij weinig verdragen en aan de andere kant mijzelf dwingen mij te onderwerpen aan de hogere wijsheid van anderen, omdat ik hen niet begrijp. Onredelijk, in een verdraagzaamheid past ook dit niet.

We moeten begrijpen, dat zowel degenen, die boven ons staan, als die beneden ons staan, hun eigen wijsheid, hun eigen waarheid hebben. We moeten begrijpen, dat ook wij een eigen wijsheid en een eigen waarheid hebben, maar dat wij deze nooit precies kunnen gebruiken als maatstaf voor anderen. Het is lastiger dan u denkt om dit te doen.

Ik kan me zo voorstellen, dat iemand op een gegeven ogenblik tegenover een professor staat. Wat die professor zegt, komt er niet op aan. Maar de goede man zegt het met het gezag van zijn geleerdheid. Het kan onsamenhangend zijn, het kan dwaas zijn, vertekend of verwrongen. Een groot gedeelte van de menigte zal dit accepteren omdat het een professor is. Maar wanneer een eenvoudige straatveger of metselaar datzelfde durft te vertellen, lacht men hem uit. Is dat redelijk? Is dat de juiste vorm van verdraagzaamheid? Verdraagzaamheid is in zekere zin ook een onpartijdigheid.

Alle dingen in de wereld zijn gelijk voor ons. We hebben onze eigen opinie, onze eigen mening. En we hebben daar volledig recht op. We hebben onze eigen – mag ik zeggen – duistere plekken; we hebben onze eigen vreugden. Dat is alles goed. Maar wij mogen nooit proberen die maatstaven aan te leggen aan anderen.

Nu zegt men wel eens: “Ja,” maar als je werkelijk verdraagzaam bent, dan moet je over je laten lopen. Dan mag je niks terugdoen.” Ho, ho, ook weer zo’n – mag ik zeggen – fout. Want Jezus geeft zijn versie van verdraagzaamheid, wanneer hij zijn leerlingen zegt uit te gaan om te onderwijzen. Dan vragen ze hem: “Ja, Heer, hoe moeten we dan gaan?” “Ach,” zegt Jezus, “neem een mantel, een paar schoenen ge zult geen tweede paar schoenen of sandalen nemen en ga. En wanneer ge in een huis komt in een dorp, dan gaat ge binnen en ge vraagt om voedsel en onderdak. En als men het u weigert, gaat ge naar de volgende toe. En als niemand het u geeft, schud het stof van uw sandalen en ga verder.” Het is niet altijd gemakkelijk om verder te gaan.

We willen graag geborgenheid en rust hebben, natuurlijk. Maar wanneer wij de wereld geven, wat we kunnen, hebben wij er recht op door die wereld geaccepteerd te worden. Wanneer die wereld ons niet accepteert, ontslaat zij ons van vele verplichtingen; van de verplichting om deze anderen te helpen en bij te staan. Ze ontslaat ons van de verplichting om voor die anderen te zorgen. Maar dat betekent niet, dat wij nu het recht hebben om zo een dorp te vervloeken. Dat we het recht hebben om mensen, alleen omdat ze ons niet accepteren, eenvoudig opzij te gooien. We moeten begrijpen, dat zij in hun eigen milieu, op hun eigen manier, goed kunnen zijn.

Maar wie niet met ons van doen wil hebben, daarmee hebben wij niets van doen. En slechts wanneer een afhankelijkheid zou ontstaan en men dus een beroep op ons zou doen, zijn we verplicht om te helpen. Maar niet voordien. Dit is natuurlijk niet erg in overeenstemming met de strijdvaardigheid van het westen. Daar wordt altijd gezegd: Als iemand je niet aanvaardt, dwing hem je te aanvaarden. En wanneer je meent, dat er ergens onrecht is, vlucht niet, maar val aan en verdelg het. En dan komen we op dezelfde fout, die ik zo-even al heb aangestipt. We gaan dan uit van een redenering, dat wij kunnen oordelen. Dat kunnen we niet. Dus…. de vlucht a.h.w. voor datgene, wat ons niet aanvaardt, is de meest moedige en de meest verantwoorde daad. We mogen niet vergen, dat een wereld ons accepteert op onze eigen waarde. We mogen zelfs niet vergen, dat die wereld naar ons luistert. Maar we mogen wel zeggen: “Waar die wereld niet naar ons luistert en ons niet aanvaardt, hebben wij er verder niets meer mee te doen. We hebben geen verplichtingen en we kunnen rustig verdergaan.”

Er wordt een aardige legende verteld. Een legende van een heilige, een bodhisattva, die op aarde kwam en zijn bestaan voordat hij zijn plaats als abt van een klooster weer innam een tijdlang doorbracht met zwerven. Nu, waren er verschillende kluizenaars in een woud, waar hij doorheen kwam, die in staat waren hem te erkennen. En hij kwam bij een kluizenaar, die in meditatie was. Hij zette zich eerbiedig neer en wachtte totdat die meditatie was afgelopen, ook al duurde dat een paar dagen. Hij sprak met hem, eerde hem en ging verder. Toen kwam hij bij een tweede kluizenaar. En deze was druk bezig met onderricht te geven. Heel voorzichtig zei onze bodhisattva: “Broeder, mag ik een woord spreken?” Toen zei die kluizenaar? “Stoor mij: niet, want ik geef onderricht.” En de bodhisattva ging verder en hij is nooit meer teruggekeerd. Een derde was bezig een dier te verzorgen. En toen de bodhisattva bij hem kwam, keek hij ook niet op of om, want hij was bezig met helpen. De bodhisattva hielp hem en eerst daarna vroeg hij zijn aandacht,

Toen nu later de kluizenaars op het jaarlijks feest allen tezamen kwamen, spraken zij met elkaar en het bleek, dat bij enkelen de bodhisattva had overnacht, ja, soms een week had doorgebracht en bij anderen was hij eenvoudig verder gegaan. En ze begrepen dat niet, want zij waren allen even goed en even heilig. Zo besloten zij dan om wanneer de bodhisattva weer gezien zou worden het hem te vragen. En toen hij na vele jaren in zijn klooster kwam, hadden de leerlingen en ook de kluizenaars dat onthouden. Zo zonden zij hem een bode en deze gaven zij één vraag mee, meer niet: “Heer, wat bepaalt waar gij rust en waar gij verdergaat?” Het antwoord, dat hij gaf: “Ik rust daar, waar men mij rust biedt. Rust is begrip. Ik ga daar verder, waar men mij niet verstaat. Want niet verstaan is afwijzing. Afwijzing is verwerping. Verwerping zou de rust van de ziel kunnen verstoren.”

Het bracht natuurlijk met zich mee, dat vooral enkelen van degenen, die zo druk geleraard hadden, zich gekwetst voelden. En zij gingen zelf naar deze bodhisattva om hem te zeggen, dat leraren toch belangrijk was. Het antwoord was: “Leraart zoveel gij wilt, maar leert eerst zelf. Zij, die zoveel leraren, dat zij weigeren te leren, zijn hun leraarschap niet waardig.” En daarmee bedoelde hij alleen maar dit: Veel dingen, die je op de wereld doet op een bepaald ogenblik lijken belangrijk. Maar er komt soms iets, dat veel belangrijker is. Dan moet je leren om dit meer belangrijke eerst te aanvaarden en dan pas met het belangrijke verder te gaan.

Kijk, ook dat is verdraagzaamheid. Per slot van rekening, in het leven komt het heel vaak voor, dat je op een gegeven ogenblik een taak op je hebt genomen. Die is zo belangrijk, zeg je voor jezelf: ik moet hier alles voor opzij zetten. En dan komt er iets anders. En dan zeg je: “O, wat mooi. Ja, maar ik heb geen tijd.” Stop! Dit is onverdraagzaam.

Je staat niet in het leven met een nauw omschreven taak alleen. Je komt niet in het leven met een dienstregeling, met een vastgelegd programma van wat je precies allemaal moet doen en moet laten. Je komt in de wereld om te beleven, om te leren. Wanneer de geest incarneert, doet ze dit om wijsheid te verwerven. En wijsheid kun je nooit verwerven, wanneer je alleen maar één weg gaat. Wanneer ge een land wilt leren kennen en ge rijdt alleen de lange rechte weg, die u zo snel mogelijk naar de hoofdstad brengt, dan weet ge niets van dat land. Maar indien ge getroffen wordt door de eigenaardigheden van dat land, hier misschien een molen of een bergdal, daar een rivier, daar een feest en ge gaat terzijde, dan zult ge het land leren kennen. Uw reis neemt misschien wat meer tijd, ze lijkt misschien wat gemakkelijker en wat plezieriger, maar in de ervaringen heeft ge geleerd.

De mensen, die zo recht toe recht aan op hun doel afstevenen, zijn mensen, die deze kunst niet verstaan. Zij leren niet in het leven. Zij proberen het leven te boetseren naar hun eigen opinies, hun eigen opvattingen. Zij zijn het, die even zullen zeggen, hoe het moet zijn in het bestaan. Hoe kun je leren, wanneer je van te voren begint te zeggen, dat de grote onderwijzer, dat het leven geen gelijk heeft; dat hij alleen heeft te doen wat jij goed vindt? Als een kind in een klas tegen de meester zegt; “Een en een is geen twee. Eén en één is drie,” dan zegt iedereen: “Ach, wat eigenwijs,” Maar wanneer de mensen in het leven zeggen, dat stelregels en wetten en vasthoudendheid aan je eigen ideeën boven alles staan, dan vinden zij dat wijsheid; dat is religieus verantwoord; dat is begrip hebben van je taak in de wereld. Toch is het precies hetzelfde.

Het leven leert u. En om te leren bent u in het leven. Dan kunt ge wel onverdraagzaam zijn en menen, dat gij met uw meningen en uw oordeel het leven moet beheersen, maar dan zult ge nooit verder komen. Ge kunt alleen verder komen, vrienden, wanneer ge het leven leert aanvaarden. Wanneer ge ook leert van het leven iets te verdragen. Leert te verdragen, dat datgene wat u zo belangrijk scheen, door het leven opzij wordt geschoven….zonder worstelen, Wanneer ge leert te kunnen aanvaarden, dat uw denkbeelden eenvoudig onderste boven worden gegooid.

Verdraagzaamheid is nl. heel wat meer dan het daadloos over je laten lopen, dat menigeen erin wil zien. Verdraagzaamheid is ook een activiteit. Een activiteit, die soms met een overdreven rust gelijk schijnt te komen, soms zelfs met een opportunisme. Alleen….noch in de rust, noch in het opportunisme zullen we ooit een ander schaden, zullen we ooit trachten een ander in zijn vrijheid te belemmeren. Maar het leven is er voor ons. Niet voor die anderen, want die leven ons leven niet. Wij leven. Nu kunnen we zeggen, dat we het leven mooi vinden of niet mooi vinden, maar wij moeten het doormaken.

Wanneer je van dit standpunt uitgaat, dan stel je dus: dat het leven zelf ervaren met al zijn mogelijkheden, met al zijn inhouden, zonder ooit een ander daarmee te schaden, zonder ooit te trachten het leven van een ander te wijzigen, de enig juiste levenshouding is. En het is hierop, dat we ons zullen moeten baseren. We moeten werkelijk van dit standpunt uitgaan.

Verdraagzaamheid betekent niet het ontgaan van alle strijd. Het leven zal ons soms tot een strijd dwingen. De ene keer gaat het om ons leven, de andere keer om ons bewustzijn van goed. Een volgende keer misschien om onze eigen inzichten en ideeën, die we willen handhaven voor onszelf. Al deze keren hebben wij het recht om te strijden. Maar die strijd is er een van verdediging. De verdraagzame is niet strijdloos, integendeel. Hij is strijdbaar. Maar hij verdedigt en zal nooit de strijd zoeken omwille van de strijd.

Dat zijn zo’n paar beginpunten. Natuurlijk heeft u dat waarschijnlijk al veel vaker gehoord. U heeft er al veel meer over gesproken en wij hebben er ook al heel vaak over gepraat. Het is een grondslag. Het is een wijze van leven. Een wijze van leven, waar wij u zeker niet toe dwingen, maar die we u voorleggen, omdat we haar als goed bevonden hebben.

o-o-o-o-o

Ja, mijn geestelijke tweelingbroeder heeft zich bij de praktijk gehouden. Ik zou een ogenblik over willen gaan naar de theorie en wel op mijn eigen wijze. Wanneer de hele wereld stil is en in de mens spreekt nog het hart, dan zal er geen stilte zijn. Wanneer heel de wereld luistert en de mens spreekt, dan is er voor hem geen aanvaarden en begrijpen van de stem van de stilte. Wanneer de wereld vol is van zonneschijn en de mens is vol van leed, dan  zijn er voor hem wolken en dreiging. Harmonie met de wereld, met het bestaan is een behoefte en een noodzaak. Wij kunnen alleen het werkelijke leven ten volle proeven, wanneer er harmonie, wanneer er eenheid aanwezig is. Wie door de wereld heengaat en in de stormen staande voelt, hoe het venijnig geweld van de wind gelijk komt aan de opstandigheid in eigen wezen, die vindt een rust. Met de storm bedaart ook de innerlijke storm.

Maar wie in zichzelf verbeten vechtend, opgewonden probeert ergens een recht te vinden; wie zoekt zijn leed te vergeten en daar staat in een atmosfeer van gezapige middagrust, van zon met schapenwolkjes en vredige gemoedelijkheid, die komt in nog veel feller verzet. Want de wereld, de wereld geeft geen antwoord. Wanneer je staat aan een graf en je hart weent, dan is het goed, wanneer het in de natuur ook regent, de natuur ook tranen schenkt. Dan is het of in het getik van het water op de grond, in het geritsel van de bladeren van de bomen, de sombere troosteloosheid spreekt van een sympathie. En onwillekeurig is het een troost. Want of we mens of geest zijn, onze behoefte is er altijd een aan delen, aan eenheid met anderen.

We willen zo graag een begrip, een weerkaatsing van onszelf vinden ergens anders. Als we vreugde hebben, dan is er een grote capaciteit tot vreugde in ons, maar ook in alle dingen. En hoe gezamenlijker de vreugde, hoe groter die vreugde wordt in het geheel, waarmee we vereend zijn. Hoe intenser de vreugde in onszelf oplaait, hoe groter onze capaciteit voor vreugde, voor lach en voor zon. En wanneer we lijden, hoe groter het aantal, dat met ons mede lijdt, hoe meer lijden we kunnen dragen, hoe meer weerstand er is. Omdat die grote eenheid veel meer lijden, veel meer tranen, leed en zorg kan absorberen, dan we dat alleen kunnen. Het komt steeds weer voor in het leven, dat deze eenheid voor ons belangrijk is. Maar deze harmonie zoeken we alleen met hetgeen rond ons is en zichtbaar. We vragen de sympathie van de mensen, we zoeken de weerkaatsing van onze stemmingen in de natuur. We klagen ons leed aan dieren en hebben genoeg aan een gebaar, dat onbegrip verbergend voor ons een ogenblik sympathie en begrijpen schijnt uit te drukken. Dat er grotere krachten zijn, vergeten we meestal. En toch zijn er krachten, die heel wat meer, heel wat belangrijker zijn dan alle stoffelijke vorm en norm, die we zullen zien.

Rond ons is de kosmos. Een mooi woord, waarmee het onbegrepen oneindige wordt uitgedrukt door de mens. De lucht zelf hier rond u is als de adem van vele ongeziene wezens. Hier zijn ze allen vergaderd, met elkaar. Daar staat zowel een Zoroaster als een Jezus; een Boeddha en een Mohammed. Daar staat Mozes met de profeten gerijd, daar staan de oude vorsten en priesters van Egypte. Allen tezamen in die atmosfeer, die omringt. Daar zijn de persoonlijkheden, die bestonden, voordat de aarde was gevormd. Daar leven de engelen en de demonen in de wereld rond u, in een kosmos, die geheel bezield is. Een kosmos, waarin geen ledigheid bestaat. En daarin ligt voor ons de grootste mogelijkheid tot harmonie en tot eenheid. Want wanneer wij wenen, werkelijk wenen diep uit het hart en we realiseren ons, dat de kosmos zelve met ons dit leed draagt, hoe groot is dan niet ons vermogen om leed te verdragen. Hoe worden we dan niet gesterkt van binnenuit. Wanneer er een vreugde is en we zenden deze als een dankgebed in de ruimte rond ons, hoeveel stemmen juichen er dan niet met ons. We kunnen de oneindigheid niet begrijpen. We kunnen de kosmos niet zien als een werkelijkheid. Een vage schim blijft het ergens in de verte. Een schim, die misschien iets duidelijker wordt, wanneer we de naam Gods spreken om daarin de persoonlijkheid te zien. Maar we kennen allen, die ons voor zijn gegaan. Op aarde zijn er boeken vol, elk dragend namen van helden en van priesters, die vergingen. In elke familie zijn er overleveringen van familieleden, die voorgingen naar een andere wereld en die goed waren of misschien lichtzinnig. Al dezen zijn hier rond u, als de lucht.

Het is voor een mens een theorie. Maar het is een theorie, die door het hart kan worden bevestigd. Want indien wij werkelijk en intens proberen een te zijn met deze geestelijke massa rond ons, wanneer we luisteren naar de echo, die ons de gevoelens en gedachten geeft, dan komt daaruit een soms onvoorstelbaar grote kracht voort. De theorie, die ik u beloofd heb, is dan ook deze; “Bedenk, dat alles bezield is. Bedenk, dat al het bezielde begrijpen kan. En weet, dat alle begrip tot eenheid met uw wezen beweegt.” Tracht dan ook gij te begrijpen. Tracht ook gij mee te voelen en te aanvaarden. Dan kunt ge pas weten, wat de kosmos voor u betekent. De kosmos is als een kracht, die je draagt door het leven, wanneer je haar aanvaardt. De kosmos is als een fort, een sterkte, die je verdedigt tegen al datgene in het leven, wat onverdraaglijk is. De kosmos is een kerk, waarin een goddelijke stem een persoonlijk antwoord geeft op je gebeden. De kosmos is ons leven, of we dat nu willen accepteren of niet.

En daarom….mijn kort betoog voor vandaag: Vrienden, laat de kosmos toch vooral binnen in uw wezen. Zoek niet alleen uw eigen persoonlijkheid of de bevestiging van uw wezen in de stof rond u, maar ervaar de echo. Want meer is het voor u nog niet. De echo van die onbegrepen grote wereld, waarin God leeft en al het geschapene, waarin alle dingen uit alle tijden vereend zijn. Want daarin zult gij uzelf terugvinden. Daarin zult ge kracht vinden en troost. Daarin zult ge zekerheid vinden, indien ge twijfelt.

Theorie? Een theorie, die alleen in de praktijk kan worden gebracht op een zeer persoonlijke wijze. Want ieder van u heeft zijn eigen gedachten, zijn eigen beelden. De kosmos begrijpt alle dingen. Maar gij moet ook begrijpen, dat de kosmos begrijpt. Er is geen daad, die kosmisch verworpen is. Alle dingen zijn voor de kosmos acceptabel. Alle dingen liggen in de kosmos vast als deel van een goddelijke uiting. In alle dingen is harmonie met God te vinden. Maar gij, gij zijt beperkt en gij hebt uw oordeel. Gij moet volgens dat oordeel trachten in de kosmos reeds nu deze eenheid te verwerven voor hetgeen nu aanvaardbaar is. Daarmee vindt ge dan voltooiing en voleinding.

o-o-o-o-o

Wanneer de gedachten gaan in de richting van de kosmos en het Al, dan worden onze beelden zo verward. De wereld der begoocheling versterft misschien, maar kunnen wij het beeld der waarheid daarvoor in de plaats stellen? Laat ons verstandig zijn en niet een oud gewaad wegwerpen, voordat wij het nieuwe gewaad zekerlijk in ons bezit hebben. Laat ons niet de oude gebruiken verloochenen, voordat wij met zekerheid een nieuwe wereld en kracht in onszelf kennen.

Anders vergaat het ons als de oude boer, die hoorde, dat zijn zoon was aangesteld aan het hof. Jubelend riep hij tot zijn omgeving; “Ziet, nu zal er voor mij eer zijn en rijkdom, want mijn oudste zoon is verheven tot schrijver aan het keizerlijk hof. Het is mijn, waardigheid nu, die mij dwingt om deze oude vodden van mij te werpen.” En zo trok hij zijn gewaden uit en wierp ze op de mesthoop. “Ziet,” zegde hij, ” nu wacht ik tot er een bekleding komt waardig aan een vader, de voortbrenger van een keizerlijk schrijver.”

Maar de keizerlijke schrijver vertoefde ver van het dorp, waarin zijn vader woonde. Het word nacht en het werd kil. En de oude man zegde tot zichzelf; “Onbekleed moet ik mij wat bewegen, want nog is mijn nieuwe waardigheid niet bevestigd. En gaande door zijn woning zag hij op de gang enkele aarden schalen en hij wierp ze met een gebaar naar buiten op de mesthoop, zodat ze in scherven vielen. “Dit grove aardewerk,” zo sprak hij, “past niet bij de vader van een keizerlijk schrijver. En deze mat, zij is onwaardig.” En hij wierp haar in het vuur. En zo ging hij verder. En toen de dag kwam, bezat hij niets. En hij wachtte en hij wachtte, maar er kwam geen bode. Wel kwam de winterkou. Toen kleedde hij zich in oude matten. Toen dronk hij uit de handen en at hij uit de grote schotel, omdat hij geen kleine meer bezat. En hij was armer dan de armste. Zeker, er kwam een bode, een bode van het keizerlijk hof. En hij droeg bij zich op zijn paard het eregewaad, waarnaar de oude man gehongerd had en de zakken met gebroken zilver,” die hem de weelde onwaardigheid zouden verschaffen, waarop hij recht had. Maar helaas, toen de bode kwam, was de oude gestorven van uitputting. Want door de armoede, die hij zich veroorzaakte, waren zijn krachten gevloden met de laatste stralen van de zomerzon. Menig mens is als deze oude. Hij zegt: “Ziet, ik heb een nieuw bewustzijn en een nieuwe gedachte. In mij is een nieuwe waarheid opengebloeid als de lelie, die op het scherm van het water glimlacht tegen de zon. En grijpende met beide handen naar deze nieuwe waardigheid zegt hij: “Het past, mij niet meer om te gaan naar een kerk. Het past mij niet meer om te luisteren naar de woorden der eenvoudigen. Het past mij niet meer mij te voegen naar de wetten der mensen. Het past mij niet meer deze simpele stoffelijke voertuig nog als belangrijk te zien.”

Maar helaas, een bewustwording is geen kracht. Zij is een mogelijkheid om krachten te verwerven. En wanneer eindelijk het bewustzijn in staat is krachten te putten, is maar al te vaak bewustzijn en hoop vervlogen en blijft er een mens over, een wezen, geslagen door de bitterheid des levens, zeggende: “Heb ik dit verdiend, ik met mijn bewustzijn?” Vergetend, dat hij dat wat hem diende terzijde wierp, voor hij in staat was het te vervangen.

En dit is dan op deze eerste bijeenkomst mijn bijdrage, vrienden. Geen filosofie, maar een onbetekenende, onbelangrijke aanduiding van een werkelijkheid. Wie zich geestelijk verrijkt, moge deze rijkdom genieten. Maar laat hem niet het oude, de steun, de omhulling van zijn wezen verwerpen, voor hij zijn nieuwe krachten heeft beproefd en goed bevonden. Want slechts zij, die het oude eren, zijn in staat de ware vernieuwing te brengen. Slechts zij, wier eerbied voor de voorouders hen drijft op het pad der juiste wegen, der juiste daden, zijn in staat een nageslacht voort te brengen, dat een eer is en een vreugde tot in lengte der dagen. Zo gaat het met ons en onze daden. Slechts indien wij het verleden kunnen eren, strevend volgens wat we daar geleerd hebben, ons steunend op de vorm, die het ons gegeven heeft, kunnen wij in de toekomst een bevrijding brengen, waardoor het oude zijn volledige doelmatigheid bewezen zal hebben.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

VERDRAAGZAAMHEID

Verdragen is een wonderlijke zaak. Want hoeveel verdragen we niet in het leven. In het leven verdragen we alle dingen, die eigenlijk niet eens noodzakelijk verdragen moeten worden. Hoeveel geven de ouders niet aan de kinderen, hoe verdragen ze niet het vaak voor hen onuitstaanbare rumoer. Hoe verdragen ze niet alle beperking van hun eigen vrijheid. Ze verdragen, omdat ze zichzelf zien in de kinderen en daarom werkelijk liefhebben.

Hoeveel verdragen we niet in het leven. Hoe verdraag je niet vaak de beperking van je vrijheid, ja, de vernedering van je persoonlijkheid, alleen omdat je weet, dat degene die dit doet je meerdere is, omdat je je onderwerpen moet of….een andere wijze van leven zoeken.

We verdragen op heel veel verschillende gronden. Soms verdragen we uit liefde, uit een gevoel van eenheid. Soms verdragen we eigenlijk uit een soort behoudzucht, uit angst iets te verliezen. En soms verdraagt de mens heel veel uit een vreemde zin van lotsverbondenheid.

Wanneer in de oorlogen de soldaten naar voren gaan aan de fronten, wanneer het trommelvuur komt misschien of de vreemde aanval in de nacht, dan zijn er heel veel bij, die niet geloven aan het doel, waarvoor wordt gestreden. Zij zijn geen politieke soldaten, geen idealisten of strijders voor vrijheid meer. Zij zijn mensen. Maar mensen, die zo samen verbonden zijn met al hetgeen rond hen is, dat ze zich niet meer voelen als een afzonderlijk mens, een afzonderlijk wezen. Dat zijn wat men noemen zou; de kameraden, de vrienden, de lotsverbondenen van het front. Juist in het gevaar van de dood kan de mens zo samensmelten met anderen, dat hij zich niet meer kan voorstellen, dat een bestaan zonder die anderen mogelijk is. En daarom verdraagt hij. Hij verdraagt meer, dan het lijkt dat een mens ooit zou kunnen verdragen, Verdragende om een eenheid., die je onbewust aanvoelt en niet eens kan uiten. Verdraagzaamheid heeft op de wereld duizend en een reden. Verdragen. En we kennen het in duizend en een zin, duizend en één vorm.

Als we voor onszelf er een inhoud aan moeten geven, dan kunnen we dat alleen doen van uit ons eigen leventje. Je kunt niet zeggen; “Je moet de ziekte verdragen,” tegen een dokter, want moet de arts niet genezen en dus de ziekte bestrijden? Maar tegen de zieke kun je weer niet zeggen; “Je moet de ziekte bestrijden,” Je kunt zeggen; “Je moet de ziekte eerst leren verdragen en dan pas kun je tot genezing komen,” Strijdig zijn al die begrippen in een stoffelijke wereld.

Wie het lijden vreest is slaaf van het lijden. Maar wie het lijden kan aanvaarden, kan het overwinnen. In het verdragen vindt men vaak de kracht, niet slechts om het leed te dragen, maar om door eigen macht het leed weer te verslaan en dus bevrijd van leed zijn eigen weg te gaan.

Wanneer men zoekt in sterk begeren naar behoud of naar bezit, dan is men slaaf en wordt gebonden. Dan wordt de wereld tot een pool van zonden, die steeds het eigen “ik” bedreigen en dwingen ‘t vrije hart te zwijgen. Maar kan men alle dreiging, die de wereld biedt, al onbezit en armoe zelfs verdragen, dan vindt men ‘t recht om van het leven meer dan het beperkt bezit te vragen. Dan vindt men vrijheid bovenal. En wie niet van het leven vraagt, verdraagt al, wat het leven geeft, dat is de mens, die vrij bestaat en wie het leven alles geeft wat leven geven kan aan vreugde en ervaren.

Verdragen van een medemens kan soms zo moeilijk zijn. Ze spreken een woord, dat de gemoedsrust verstoort. Ze vallen je aan en je leven wordt klein. Ze gaan je voorbij, onbewust, maar doen pijn door de wijze, waarop ze dit doen. Hoe kun je dat verdragen? Hoe kun je met goed fatsoen in het leven weten te aanvaarden, wat al waarden men verstoort, wanneer men langs je gaat? En toch is hier verdraagzaamheid een middel, dat bestaat. Een middel, dat de krachten geeft om werkelijk te zijn: Een wezen, dat in vrede leeft.

Want wanneer je verdraagt, wat de mensen je doen, slechts belettend hen jezelf te vernederen, tot je jezelf niet meer kent, wanneer je de mensen verdraagt, wanneer ze gaan hun eigen wegen en toch hen belet je te vertreden, totdat je klein en nietig bent en zonder meer, dan ben je vrij. Want mensheid zul je dan niet vrezen. Je kimt niet meer, gekrenkt, geslagen wezen door een enkel woord. Je bent jezelf, vrij.

Wie leeft in de verdraagzaamheid, die ziet een wereld opengaan, waarin veel andere dingen, veel feller licht ook kan bestaan. De gebondenheid, de bedomptheid, beklemdheid van gebonden zijn aan lust en pijn, door angst en vrees en door bezit, ze zijn vergaan. En daardoor kun je consequenties van het eigen zijn aanvaarden. Kun je zelf bepalen welke waarden het leven je geeft. Kun je zelf bepalen waarheen je geest, je ziel, door eigen willen streeft niet meer geleid slechts door een toeval, dat regeert je alle levensdagen,

Verdraagzaamheid is sleutel slechts. Zij dient om aan de banden te ontgaan, die stof en lagere sfeer u leggen. Het is een sleutel, die het scherm kan openslaan, dat nog verbergt het werkelijke leven, het gouden licht, dat al beroert.  Een middel, voertuig slechts, verdraagzaamheid, Maar dan toch iets, wat u voert tot zuiver kennen, tot begrip van eeuwigheden, daardoor vreugde zonder grenzen. Uit verdraagzaamheid geboren begrip voor zijn en mensen en eenheid met je God. Dat is de mogelijkheid.

En dat is de reden ook, dat de Orde u steeds weer de verdraagzaamheid tracht te leren in de juiste zin. Niet als een proces van je laten neerslaan, je laten neertrappen zonder meer. Maar als een proces van jezelf blijven ondanks alles. Een proces van zonder angst te leven en zonder te groot begeren. Een aanvaarden van het leven, want wie dat kan heeft geloof ik wel de beste weg gevonden, die er bestaat. De weg van een persoonlijk opgaan tot in de Oneindigheid. Van een uitbreiden van je wereld, steeds meer, totdat alles, wat nu nog belangrijk lijkt, verzonken is in het niet bij het werkelijke leven.