Verdraagzaamheid

10 februari 1956

U zult mij nu waarschijnlijk wel zeer vervelend vinden, maar voor wij werkelijk beginnen moet ik u eerst nog wijzen op een paar u reeds overbekende punten. U moet zich goed realiseren, dat sinds het begin van het werk van onze Orde er nog niets veranderd is, dat wij nog steeds niet alwetend, of onfeilbaar zijn. Wij zouden het graag genoeg worden, maar schijnbaar is de tijd daartoe nog wel te kort geweest. Ik mag u dus verzoeken om even zelfstandig na te denken en de weke massa daarboven stevig aan het werk te zetten. Dus voor uzelf uit te maken, of hetgeen wij zeggen volgens u juist of onjuist is. Per slot van rekening moet u leven met de levensopvattingen, die u heeft. Het zou dan ook niet gerechtvaardigd zijn, indien u op horen zeggen, zelfs alleen van ons, af zou gaan. Zo, dan heb ik daarmee wel de nodige inleiding gehouden, en krijg ik mijn beurt in de cyclus der kleine dingen. Ik zou u daarbij willen spreken over een bij u ongetwijfeld al zeer bekend onderwerp n.l. de Verdraagzaamheid. Misschien zult u zeggen, dat dit een heel groot iets is, maar dat hebben wij van alle andere besproken punten ook al gezegd. Wij zien normalerwijze deze dingen als betrekkelijk klein, als een heel klein deel van het leven. In werkelijkheid zijn het de factoren, die ons hele leven, onze gehele toekomst en ons geluk bepalen.

Verdraagzaamheid is natuurlijk de slagzin van onze Orde, maar onze verdraagzaamheid is zeker niet een verdraagzaamheid, die zonder meer over zich laat lopen. Want verdraagzaamheid is iets anders dan lijdzaamheid. Ik ken veel mensen, die lijdzaam het lot ondergaan, dat, naar zij menen, de Heer hen oplegt. Daar zijn er verschillende onder bij, die ik mede tracht te leiden, en ik weet hoe moeilijk het is voor die mensen. Deze zijn niet verdraagzaam. Zij ondergaan het leven, zij ondergaan alles, wat uit de wereld op hen afkomt. Het enige, wat zij weten te stamelen, is: “Dit is de Wil des Heren, de Naam des Heren zij gezegend!” Dat klinkt erg mooi, maar het is niet praktisch.

Wij moeten de dingen aanvaarden, maar eerst dan, wanneer wijzelf bewezen hebben, dat wij daaraan niets kunnen wijzigen. Wij kunnen verdraagzaam tegenover heel de wereld, tegenover elke mens, indien wij weten, dat wij daaraan niet onder zullen gaan.

Nu ik deze punten eerst heb gestipuleerd, kan ik mijn betoogje verder gaan ontwikkelen. De verdraagzaamheid is een zeer oude slagzin. Zij werd al gepredikt door oude kluizenaars lang vóór Abraham zijn vaderstad Ur zou verlaten. Waarschijnlijk dankzij deze kluizenaars en asceten duikt in de legende steeds weer het beeld op van de verdraagzame mens, die in vrede samen leeft met de dieren van het veld. Ook horen wij vaak van de heilige, die alle dingen ondergaat, ofschoon hij de macht bezit, zich daartegen te verzetten. Dat laatste daar gaat het nu juist om. Wanneer wij iets verdragen, omdat het nu eenmaal niet anders kan, zijn wij niet werkelijk verdraagzaam. Wij moeten weten, dat het anders kan en toch besluiten voor onszelf de toestand te aanvaarden, indien wij menen, dat deze voor ons een waarde als lering bevat, ons verdraagzaam tegen de wereld stelt, zodat wij tevens voor anderen doen, wat wij kunnen. Natuurlijk zou ik nog vele historische voorbeelden aan kunnen halen, dat is gemakkelijk, want de historie staat vol van dergelijke dingen. Ik zou u de christen martelaren aan kunnen halen uit de Romeinse tijd, die zonder één woord te zeggen zich lieten voeren naar de arena en biddend voor hun onderdrukkers, het leven lieten, gejaagd door de wilde dieren, brandend aan een kruis, of op een andere onaangename manier. Ik zou u ook kunnen gaan wijzen op de manier, waarop vele gereformeerden de vervolgingen van de Inquisitie hebben doorstaan. Ook dezen waren vaak verdraagzaam. Maar het wil er bij mij niet in, dat het noodzakelijk is een martelaar te worden alleen terwille van de verdraagzaamheid, of de gewaande Wil van God. Het is aardig om steeds weer de strijdkreet aan te heffen: ”God wil het” of  “Dit is het noodlot.” Of  “Nu ja, dan moeten zij maar uit kijken.” Dit zijn slagzinnen, die altijd weer i.v.m. de verdraagzaamheid worden gebruikt. Laten wij echter verstandig zijn en ons eerst af gaan vragen, wat de ware verdraagzaamheid eigenlijk inhoudt.

De ware verdraagzaamheid toont zich niet zozeer in de grote dingen, dan wel in de kleine. Misschien klinkt u dit vreemd. U meent misschien, dat het goed is verdraagzaam te zijn tegenover de grote dingen van het leven, en meent: dan kun je het gewone leven zo nu en dan wat onverdraagzamer bezien. Maar in feite is het precies omgekeerd. Wanneer je in de grote dingen verdraagzaam bent, dan heb je er later vaak spijt van, ofwel je vindt jezelf zo goed en braaf, dat je, door je volkomen zelfoverschatting de meest onuitstaanbare (verdraagzame) persoon wordt, die er maar is.  Ik weet niet, of u het wel eens heeft opgemerkt; er zijn mensen, die kunnen op zo’n prikkelende manier verdraagzaam zijn, dat het voor anderen véél erger wordt, dan wanneer zij eens precies hun mening zouden zeggen en er desnoods eens op zouden slaan. Dat zijn de mensen, die zo overtuigd zijn van hun eigen goedheid en deugd, van hun eigen verdraagzaamheid, dat zij a.h.w. een stroperige, zoete sfeer uitstralen. Voor ware verdraagzaamheid is dat natuurlijk fataal.

Kijkt u maar eens naar die gewone huishoudelijke ruzietjes. Als vrouwlief begint te schelden en manlief beantwoordt dat met een: “Zeker, schat.” wordt vrouwlief nog eens zo hels. Omgekeerd, wanneer vrouwlief met een goedertierende blik in de ogen, waar de gedachte uitstraalt: Hij is toch maar een jongen en zegt: “Zeker, hoor, vent, jij weet het wel!” Dan wordt het “ventje” nog veel woedender, dan hij voordien was. Dat is dus wel een foute methode van verdraagzaamheid. Wanneer je je het goed realiseert, heeft het weinig te maken met verdraagzaamheid. Het is eerder een je-zo-hoog-verheven-achten boven het probleem, dat je het afdoet met een neerbuigend: “Nu, goed dan, ik geef je je zin maar.” Een dergelijke wijze van verdraagzaam zijn zien wij ook wel in de wereldpolitiek. Dan komen de grootste vijanden samen, vol vriendschap drinken en dineren zij, terwijl zij elkaar verdragen, om daarna in de volle overtuiging van eigen goedheid, zo niet heiligheid, terug te tijgen naar hun eigen landen, terwijl het kort daarna weer even erg tussen hen gesteld is als ooit tevoren. Dat soort verdraagzaamheid is er een blijk van, dat je geen begrip hebt voor je medemensen.

Wij willen allen helpen een betere wereld te bouwen. Bij allen op uw wereld bestaat er de drang om beter, vrediger en gelukkiger te leven. Het recept, dat de verdraagzaamheid daarvoor geeft, is betrekkelijk simpel, maar – dat zeg ik er meteen bij – niet altijd gemakkelijk op te volgen. Wij moeten trachten altijd de beweegredenen van een ander, zowel als de oorzaken van de dingen, die verzet in ons wekken, te begrijpen. Wanneer wij begrijpen, dan kunnen wij rechtvaardig oordelen, wanneer wij ons in de plaats stellen van de oorzaak van ons probleem, of de prikkel. Op die manier handelend kunnen wij begrijpen op welke wijze wij die de bedreiging van onze vrede, ons geluk, of ons bezit tegemoet treden.  Als u verdraagzaam wilt zijn, moet je beginnen met de kleine dingen.

De beste oefening in verdraagzaamheid is wel misschien gewoon te beginnen met niet meer boos te worden op dode dingen. Niet meer boos worden dus op de vulpenhouder, die lekt, of de melk, die onverwacht overkookt. Niet boos worden op de stofzuiger, die juist vol is, nu je haastig schoon wil maken, nu er visite moet komen. Niet boos worden op de kachel, die niet wil trekken enz. enz. Want deze boosheid, ja, drift vaak zelfs, is volkomen onredelijk en zal u nooit verder helpen.

Het is betrekkelijk gemakkelijk te begrijpen, dat je deze dingen maar moet accepteren en natuurlijk je best doen om ze te verbeteren. Hebben wij dat enige tijd gedaan, dan zullen wij ook gemakkelijker leren onze mond eens dicht te houden en de handen thuis te houden, wanneer er ons eens iets verkeerd gaat. Zo beginnen wij dan ook tegenover onze naaste omgeving meer verdraagzaam te zijn. Dus wanneer Jantje, Pietje, of Klaasje voortdurend zeurend achter u aan jengelt: “Màààm, waarom heeft een ooievaar nu lange poten?” antwoordt u niet met: “Ga op het dak zitten.”, of  “Omdat hij graag op stelten loopt”, of zoiets dergelijks. Probeer het geduld op te brengen steeds weer een antwoord te geven, of  zeg: “Hoor eens, dadelijk zal ik je antwoord geven op die vraag. Nu heb ik geen tijd. Probeer maar een uurtje stil te zijn.” Niet, dat zij dat doen natuurlijk, maar misschien geeft het even rust en in ieder geval is het de meest, redelijke en meest verdraagzame oplossing.

Iets verder zijn wij al, wanneer wij dat in de maatschappij ook toe kunnen passen. Je komt er vaak achter, dat men je op een heel beleefde manier, nu ja, een klein beetje bedriegt. Onverdraagzame mensen gebruiken daar vaak een woord voor dat begint bel….. ook wel verbasterd wordt tot “belatafelen”. Je zou dan wel eens kokend hels kunnen worden. Toch moet je trachten te begrijpen, waarom men dat doet. En voor jezelf zul je toe moeten geven, dat je ook wel eens van een beleefd leugentje gebruik maakt, al ben je daarbij handiger dan die andere, en wordt je dus misschien niet betrapt. Dan kun je niet boos worden en zul je trachten een redelijke wijze van handelen te vinden, waarmee je de leugen de wereld uithelpt en zo een juiste en zuivere toestand weer schept.

Ben je eenmaal zover gekomen, dan zul je ongetwijfeld ook niet meer onverdraagzaam zijn tegen mensen, die bv. op straat tegen je aan botsen. Of net op de plaats gaan zitten in de tram, waar jezelf een oogje op had of die met hun auto zo stomweg zonder uit te kijken maar doorrijden, zo erg, dat u ineens moest remmen. Misschien vindt u het erg aardig u dan te ergeren en enkelen der velen niet in de dictionaire voorkomende woorden binnensmonds te mompelen, maar helpen doet dat niet. Je staat voor een feitelijke toestand in het leven, wanneer je leert je aan die toestand aan te passen, haar te begrijpen en zo ook te verdragen, in zoverre zij verdragen moet worden, dan zult u ongetwijfeld zeer vele onaangename dingen uit uw leven kunnen bannen. Stelt u zich nu eens voor, dat u zich niet meer druk maakt over de Onredelijkheden van andere mensen, hoeveel woede, hoeveel chagrijn, hoeveel onaangenaam humeur zou u zich besparen, hoeveel zonniger zou ook uw leven zijn.

Wat zou dat veel minder inspanning voor uw hart betekenen, wat zou u de mooie dingen van het leven ook beter kunnen zien, wat zou u dan veel conflicten kunnen vermijden. Het zijn misschien alles kleine dingen…  de persoon in kwestie moet het me maar niet kwalijk nemen, maar ik vang hier juist weer de onverdraagzame gedachte op: “Wat zit die nu weer te kraken met dat papiertje” maar weet u nu, of dat gedaan wordt om een erge hoestbui zo dadelijk te voorkomen of niet? Ik wil maar zeggen… Het zijn kleine dingen. Maar als je even nagaat, welke mogelijkheden er achter schuilen, dan erger je je zo gauw niet meer. Zo kunnen wij verder gaan tot in de oneindigheid, want het gehele leven is vol van kleine dingen, waaraan je kunt ergeren. Ergernis nu is voor de mens geestelijk en lichamelijk één van de meest dodelijke dingen, die er bestaan. Dat heeft een Chinese wijsgeer op zijn manier eens neergeschreven. Hij zei: “De bitterheid in de mens is de gal, die hem het leven onmogelijk maakt.” Hij had groot gelijk. U hoort tegenwoordig veel van managerziekte. Grote bazen die plotseling allerhande maagzweren krijgen, die het op hun zenuwen krijgen. Je hoort, dat die mensen soms plotseling zo erg mismoedig worden enz. Dat zijn mensen, die dit danken niet aan het feit, dat zij zich veel zorgen maakten, maar aan het feit, dat zij zich teveel ergerden. Dit laatste, omdat zij schijnbaar te dwaas waren om voor zichzelf na te gaan: wat kan ik doen? Hoe kan ik mijn gedachten zo goed mogelijk doorvoeren zonder anderen daarmee te schaden? Wat bedoelt een ander? Hoe komt hij tot handelingen, die zozeer met mijn intenties strijden. Men kan altijd een middenweg vinden. Juist, omdat je altijd een middenweg kunt vinden, mijne vrienden, is er ook altijd een weg te vinden, die je innerlijk vrede geeft. Een weg, die je het idee geeft, dat je niets misdaan hebt, werkelijk alles hebt geprobeerd, zodat, wat er nu verkeerd gebeurt, geheel buiten je schuld gebeurt. In zo’n geval is het leed heus wel te dragen.

Ik zit nu wel gezellig over deze dingen te babbelen, maar er zijn een paar puntjes van ernstiger aard, die ik ook graag even met u wilt bespreken. Wanneer u in opstand bent tegen het leven, tegen de medemensen, of de dingen, waar verzet u zich dan eigenlijk tegen? Een groot gedeelte van wat er in je leven gebeurt, veroorzaak je uiteindelijk zelf. Kom je in opstand dan vecht je dus in vele gevallen tegen jezelf. En dat is dwaasheid. U kunt uzelf ongetwijfeld geestelijk neerslaan, maar u moet niet denken, dat de partij, die in u overwint dan rustig overeind blijft staan. De partijen in het conflict gaan allebei tegen het vloertje. Wanneer u op deze wijze met uzelf worstelt, maakt u het zich onmogelijk om bewustwording en licht te vinden. U wordt door de worsteling als vanzelf naar het nevelige, schaduwachtige land gebracht, waar slechts een laatste glimp licht u nog de mogelijkheid geeft u te herstellen. Waar u echter gedreven door innerlijke strijd, op het licht maar al te vaak niet let. Dan komt u terecht in de onaangename oorden, die men kerks wel eens met “hel” of “onderwereld” omschrijft. 0, ik weet wel, het is geen eeuwige hel. Een geheel andere hel dan vele mensen zich voorstellen. Maar het is er dan toch maar een. Het heeft dus geen zin om tegen jezelf te strijden. Wanneer je er zelf nu echter eens niets aan kunt doen, wanneer je gedreven wordt door krachten buiten jezelf en zo niemand, of niets, jou voor het probleem aansprakelijk kan stellen, dan vecht je niet tegen je zelf, dan vecht je tegen de wereld. Maar wat is de wereld voor u? Hebt u er wel eens over nagedacht, dat eigenlijk alles in die wereld uit God stamt. Dat die hele wereld een uiting is van de Goddelijke macht, deel van de Goddelijke Schepping? U denkt nu wel, dat iets een dood stuk stof is, of een levende plant, of een mens, of een dier of de natuur, die zich wendt tegen uw plannen. Maar wie zal u zeggen, dat hierin niet tevens het Goddelijke scheppingsschema wordt uitgevoerd. Wij geloven, of wij dit nu willen of niet, in een God. De een doet dit op atheïstische manier en noemt Hem de natuur. Een ander misschien gelooft op vrome wijze en spreekt van de Heer. Maar hoe je ook gelooft in God; op de één of andere wijze geloven wij allemaal erin. En tevens geloven wij, dat Hij bij alles de drijvende Kracht is.

Heeft het dan nut ons te verzetten tegen de grote Kracht, die ons allen heeft geschapen? Dat is toch onzin. Het heeft dus geen nut ons te verzetten tegen de dingen, die wij toch niet beheersen kunnen. Evenmin heeft het nut ons daarover te ergeren, of er verdrietig over te zijn. Het beste kun je deze dingen maar verdragen en accepteren. Achter al deze punten der verdraagzaamheid ligt natuurlijk – zoals u van onze Orde al zo vaak hebt gehoord – de gedachtegang: wanneer ik begrijpen kan en zie, hoe alles naar één doel streeft, zie hoe anderen, evenals ik, de slagen van het noodlot moeten dragen, dan wordt hieruit een zekere achting, een gevoel van verwantschap en kameraadschap geboren. Dit is het begin der naastenliefde en ook deze is voor ons noodzakelijk.

Maar ja, naastenliefde is voor de mensen een groot ding. Geheel anders is het met de verdraagzaamheid. Die wordt op het ogenblik vaak heel verschillend uitgelegd en ik heb wel mensen horen beweren, dat vooral politiek verdraagzaamheid de meest ongewenste richting is, die er bestaat. “Je moet klaar staan om van je af te slaan”, zeggen zij. “Wanneer je dat niet kunt, dan slaat een ander jou neer.” Misschien, maar ik geloof dan toch, dat zij zich in een paar punten vergissen. Wanneer ik mij neer zou laten slaan, zou ik waarschijnlijk minder kracht verbruiken dan de aanvaller, die mij eerst neer moet slaan. Een volk, dat de slag aanvaardt, misschien niet vreugdig, maar dan toch aanvaardt, behoudt meer veerkracht dan een volk, dat zich volijverig en langdurig verzet. Een volk, dat een vijand leert begrijpen, zal deze vijanden vaak zonder meer in zich opnemen. Wat dat betreft hebt u in Nederland een goed voorbeeld aan de stijfkoppige Zeeuwen. De Zeeuwen, die vaak innerlijk en ook uiterlijk sterk in verzet zijn geweest tegen de Spanjaarden en toch een deel der Spaanse krachten eenvoudig hebben opgenomen in hun gemeenschap, zodat men bij een tegenwoordige Zeeuw haast nooit meer zeker kan zijn, of er nu Spaans bloed in zit of niet.  Het Nederlandse volk heeft vaak op de juiste wijze een grote mate van verdraagzaamheid gekend. Al lijkt het de laatste tijd wel eens anders, is het toch een feit, dat de Nederlanders altijd vaak zeer grote bevolkingsgroepen van elders hebben opgenomen in hun volk als deel van het volk, terwijl deze groepen elders altijd van volk en volksgemeenschap gescheiden zijn gebleven. Dit met het resultaat, dat het Nederlandse volk groter kon worden, juist door zijn verdraagzaamheid, dan voor vele andere volkeren van gelijke middelen en grootte mogelijk was.  Ongetwijfeld zult u zeggen: “Maar de Nederlanders waren toch grote vechtersbazen?” Zeker, zij hielden zich aan de gebruiken van hun tijd. Misschien wilt u zeggen, dat wij in Nederland zeerovers zijn geweest. Goed. Er zijn in Nederland inderdaad kaperkapiteins geweest, die Admiraal heetten, omdat zij veel buit binnen brachten. Maar dit was in die tijd gebruikelijk. Van een werkelijk grote haat is er in Nederland slechts zelden sprake geweest. Tegen de Engelsen, tegen de Spanjaarden, en in de laatste tijd…. de Duitsers. In beide eerste gevallen echter eerder tegen groepen en tendensen binnen deze rassen dan tegen de mensen van die volkeren zelf. Het volk van Nederland, een sterk gemengd rasje, kon daardoor toch tot een volk worden met hechte ondergrond.

Ik gaf u dit als voorbeeld. Ook u kunt alle tendensen, die niet passen bij uw wijze van denken of bestaan terzijde stellen. Maar dan zult u eenzaam blijven en zwak. Door uw omgeving te assimileren en verdraagzaam te zijn tegen de tendensen, die niet geheel met uw eigen waarden overeenstemmen, zult u kracht kunnen winnen, beter begrip kunnen winnen en zo op betere wijze uw taak en functie in de wereld kunnen vervullen. Zowel als, en dat gaat hiermede vaak gepaard, voor uzelf een betere positie of functie weten te verwerven. Een mens, die verdraagzaam is, zal nooit zo diep ongelukkig zijn als iemand, die zich vol hartstocht verzet tegen de wereld en dan gebroken wordt. Een mens, die verdraagzaam is, zal wegen vinden, waar de toornige mens, de hartstochtelijke mens, met het hoofd tegen een blinde muur schijnt te lopen. Een verdraagzaam mens zal, waar een ander neerzit, treurende over een voor hem onmetelijk verlies, kunnen begrijpen, dat dit verlies noodzakelijk, of niet te voorkomen was. Dat men, nu het verlies er eenmaal is, het moet aannemen en er mee moet leven. Dezen zullen in staat zijn – ondanks het verlies – hun leven voort te zetten op de juiste wijze, zich daarmee van de voor hen grootst mogelijke mate van innerlijke vrede, geluk en welvaart verzekerend. Daarom wil ik in dit kleine onderwerp van een cyclus, die enkelen onder  u aan de wat lichte kant vinden, er graag nog eens op wijzen, dat verdraagzaamheid een noodzaak is voor elke mens, die een maximum aan geestelijk bewustzijn, zowel als een maximum aan stoffelijk geluk wil vinden in het aards bestaan. Geluk en geestelijk bewustzijn zijn niet strijdig met elkaar. Integendeel. Vaak kan geluk leiden tot een grotere mate van geestelijke bewustwording. Dit echter, alleen dan, wanneer men het geluk niet zonder meer aanvaardt, maar het  leert begrijpen als een kracht, die dragend optreedt in het leven.  Men mag het niet zien als een recht, dat men verworven heeft.

De bewustwording en het begrip, dat verdraagzaamheid geeft, leidt ertoe, dat wij, zelfs in het geluk de ware verhoudingen niet uit het oog verliezen. Het geeft u daardoor ook de kracht om het ongeluk te verdragen, vrede in uzelf te vinden en zo het doel van elke mens op deze wereld te vervullen: n.l. een vergroting van geestelijk bewustzijn, zo snel en zo uitgebreid mogelijk te volbrengen met gelijktijdig zo weinig mogelijk leed en ongemak. Ook dit klinkt misschien vreemd, maar het is toch dit, wat alle ervaringen ons hebben geleerd: waar te zijn in de meest werkelijke zin.  Al het spreken over de straffen Gods, over de noodzaak van het leed wordt tot zinloos gebazel, tenzij wij het leed kunnen zien als een factor, die ons intenser bewust maakt van ons leven en geluk. Het leed, is geen noodzaak. Het is iets, wat de mens zichzelf oplegt. Echter de mens kan soms, juist door het leed,  gewezen worden op een geluk, dat hij nog niet kent. Dan is het voor hem goed, want het verruimt zijn bewustzijn. Dan draagt het bij tot een bewust en actief leven. Maar wanneer men begrijpt, welk doel het leed heeft, kan men het dragen en vindt men in het uitbuiten van de geestelijke en andere mogelijkheden, die het leed heeft gegeven, voor zichzelf toch weer vrede en geluk terug. Het is de taak van de mens op deze wereld te leven! Naar bewustzijn te streven! Het is echter niet zijn taak om ongelukkig te zijn. Integendeel: het is zijn taak zo gelukkig te zijn als hij maar kan. Hierbij verantwoord blijvend tegenover zichzelf en zijn plicht vervullend tegenover God en de wereld.

  • Het huwelijk is in de maatschappij voor de meesten schijnbaar nog steeds een noodzakelijk kwaad. Wat zou u aanbevelen om tot een gelukkig huwelijk te komen? Dit voor de ouderen, maar vooral voor de kinderen.

Het huwelijk is de bouwsteen van de maatschappij, het is de kleinste eenheid binnen het staatsbestel. De toestand – het huwelijk – is zeker begeerlijk, omdat een kind de beste opvoeding gegeven kan worden door de ouders. Een huwelijk is verder van groot belang, omdat, waar de 2 seksen elkaar weten te vinden in een innige eenheid, zij elkaar kunnen brengen tot grotere bereiking en prestatie, zowel op geestelijk als stoffelijk gebied, dan elk voor zich zou kunnen bereiken. Het ligt dus zeker niet in de zin van mijn betoog het huwelijk als zodanig nietig, onbelangrijk of verkeerd te achten.

Dat het huwelijk vaak een soort van wettelijk contract is geworden, betreur ik ten zeerste. Toch meen ik ook dit te mogen billijken op grond van de maatschappelijke verhoudingen. Wanneer men echter een kind moet opvoeden tot het huwelijk en dat behoort toch een ouder met verantwoordingsbewustzijn te doen, valt het mij op, hoe weinig aandacht wordt geschonken aan sommige voor het huwelijk toch wel zeer belangrijke punten, als bv. seksuele bevredigingsmogelijkheden, worden veronachtzaamd. Men is schijnbaar blind voor de betekenis, die vooral in een jong huwelijk het seksuele aspect hebben kan.

Daarnaast vergeet men vaak de nadruk te leggen op de innerlijke waarden van de mens, zijn beschaving en denkwijze, als belangrijker dan zijn bezittingen en zijn wereldse positie. M.i. gaan zeer vele huwelijken uit elkaar, of zijn ongelukkig, ofwel worden tot zakelijke verbindingen met seksuele tolerantie, omdat men deze factoren in de jeugd niet voldoende heeft leren kennen of begrijpen; om kort te gaan, omdat men in de jeugd niet vrij genoeg is geweest, ook op dit gebied langs de weg der ervaring naar de meest juiste oplossing te leren zoeken.

Nu hoor ik in stilte sommigen van u al zeggen: “Daar gaat het komen, het kritieke punt”. Inderdaad. Ik voor mij, hier tevens sprekende voor een deel, niet voor het geheel der Orde, meen te kunnen constateren, dat het geheimzinnige, het verboden aspect van het seksuele contact bij de jeugd prikkelingen veroorzaakt en een ongezonde voorstelling, waarbij aan de sekse een meer dan natuurlijke belangrijkheid wordt toegekend. Dit betekent, dat in het leven vaak de nadruk verkeerd valt. Want mensen die geneigd zijn, het seksuele, als het summa summarum van het menselijk bestaan te beschouwen, zullen ook na het huwelijk, in de feitelijke toestand hun geprikkelde verwachtingen niet voldoende vervuld ziende, door blijven zoeken naar het grote geheim, dat zij als kind in sidderende verwachting voorvoeld hebben achter de terughouding der ouderen. Dat betekent dan meestal, dat zo’n huwelijk uiteen zal gaan, of op zijn minst genomen, dat er sprake zal zijn van eenzijdige, dan wel wederkerige echtelijke ontrouw. U begrijpt, dat dit geheel niet juist is.

Men is er direct voor te vinden de kinderen verkeersonderricht te geven en ongeacht hun jeugd en wildheid ook praktisch reeds in het verkeer mee dienst te laten doen. Men zegt: “Het verkeer is een zodanig probleem, dat wij de jeugd niet snel genoeg daar aan deel moeten laten nemen, hen daarbij wijzend op de verantwoording, die elke mens in het verkeer tegenover zijn medemensen draagt.” Ik vraag mij af, op welke gronden men dan weigert de jeugd in de gelegenheid te stellen ook het seksuele gebied te laten betreden. Wat op het ogenblik gebeurt in hoekjes en gaatjes, vol van slinkse verborgenheid, vaak het vertrouwen der ouders beschamend, is op zijn minst genomen tot een wat liederlijke komedie geworden. Dit ondanks de oorspronkelijke prille eerlijkheid van deze kinderen. De achtergronden van het verbodene, de vruchten der hartstocht brengen vaak banden tot stand, die nooit blijvend zullen zijn. De onkunde, of het onvermogen, de nodige voorzorgen te treffen leidt immers in sommige gevallen tot zeer voortijdige conceptie met als gevolg een even ongewenst als voortijdig huwelijk, ofwel nog erger de toestand “ongehuwde moeder”voor de vrouw en, wanneer de man tenminste nog iets waard is, de verplichtingen van een vaderschap voor iemand, die eigenlijk nog een kind is. Dit alles gebeurt, doordat men niet eerlijk en niet open genoeg is. Het kan misschien goed zijn, zoals sommige religieuze bewegingen dit doen, de paring te verheffen tot een Goddelijk wonder, waarbij de mens niet in mag grijpen. Het is echter dwaas anderzijds het te verbergen achter een voorhangsel van geheimzinnigheden. Het geheel heeft echter slechts zolang zin als de maatschappij deze opvattingen als enig recht blijft handhaven. Dit gebeurt echter niet. Bioscopen, beeldromans, boeken, reclameplaten zijn een voortdurende herinnering aan het seksuele aspect van het leven. Zij verwerven zodanig, vooral van de ontwakende jeugd, een meer dan normale belangstelling.

Wanneer men echter iets ontsluieren wil, dan dient men zich te realiseren, dat slechts datgene, wat geheel ontsluierd is en van alle geheimzinnigheid ontdaan, zijn onnatuurlijke verlokking verliest. Het wordt tot een feit, dat men aanvaarden kan. Het half verhulde, het schijnbaar zedige, wat in werkelijkheid een schaamteloosheid is, iets wat de maatschappij, juist op het gebied van de seksualiteit, zo vaak naar voren brengt betekent een volledig onjuiste voorstelling. Gelijktijdig is er een belemmering zich door onderzoek tegen de suggestie te verdedigen door de religieuze voorschriften, die het enerzijds nog ten halve goed kunnen vinden, dat dergelijke dingen voor reclame doeleinden worden gebruikt, begrijpen kunnen dat men daar toch een boek over moet schrijven, maar anderzijds niet geneigd zijn de jeugd te leren, hoe zich te verdedigen tegen de ongewenste mogelijkheden, die uit het opvolgen der suggestie voort kunnen vloeien.  Indien men de jeugd in dit opzicht geheel vrij zou laten – mits de nodige voorzorgen getroffen zijn – dan zou op deze wereld ongetwijfeld een leven aanvangen, dat u allen zedeloos zou noemen. Zeer snel echter zou het seksueel verkeer terugvallen in belangrijkheid tot iets, dat nog net niet zo belangrijk is als bv. een voetbalwedstrijd, of een toneelvoorstelling. Het zou een feitelijk deel van het leven worden. De ervaringen, die de kinderen hebben opgedaan zouden hen echter in staat stellen voor het huwelijk de juiste partner te kiezen. Dit met het resultaat, dat een dan gesloten huwelijk ook werkelijk een hechte eenheid is, niet gebaseerd op zuiver animale attractie of overwegingen van slechts zuiver zakelijke en stoffelijke aard. M.i. zou een dergelijke handelwijze qua voorbereiding voor het huwelijk de beste zijn, mits zij slechts maatschappelijk werd geaccepteerd. Helaas is deze maatschappij te dwaas om te begrijpen, dat men niets ten halve kan doen zonder ongelukken te veroorzaken.

Daarom meen ik, dat in het huwelijk de noodzaak bestaat de kinderen in de eerste plaats een zo harmonisch mogelijk ouderpaar te geven en beter de volle waarheid aan hen te zeggen, wanneer dit niet zo is, dan hieromtrent, komedie te spelen, want dat laatste gelukt u tegenover het kind toch niet.

Verder dient men – ongeacht hoe het huwelijk is – het kind op jeugdige leeftijd, zodra het puber wordt en dus meer begrip krijgt voor deze dingen onverhuld de gehele waarheid met al haar mogelijkheden en consequenties voor te leggen, door een niet al te groot belang te hechten aan eventuele seksuele experimenten van deze kinderen, dus hen niet wijzende op het feit, dat zij nu zo slecht zijn en dus wel in de “hel” zullen komen. Wel dient men hen te wijzen op de schade, die hieruit voor hun gezondheid voort kan vloeien en de andere minder aangename consequenties, die een dergelijk experiment ten gevolge kan hebben. Hierdoor zou een hoger zedelijk bewustzijn kunnen worden bereikt dan door de huidige methode, waarbij men slechts node afstapt van de ooievaar en de kool om aarzelend over te gaan naar de bijtjes en de bloemetjes, uiteindelijk bij de zich modern noemende mensen culminerend in een beschrijving van de wording van een mens, dus de groei van de mens in het moederlichaam.

Maar steeds vergeet men dan de nadruk te leggen op veroorzakende en begeleidingsverschijnselen.  De groei van het kind kan zeer interessant zijn. Het is voor de jonge mens niet anders dan goed te weten, hoe deze dingen gebeuren. Dit is beter dan dat het kind, zoekend naar een oplossing voor deze raadsels, uiteindelijk een-recht-uit-de-straatgoot- komende uitleg moet  horen van vriendjes, die het ook niet precies weten. Een uitleg van de paring lijkt mij ook belangrijk. Het lijkt mij zelfs nog belangrijker dan een uitleg omtrent groei en wording van het kind. Om de jeugd voor het huwelijk voor te bereiden dient men dus wel in de eerste plaats deze dingen zo eerlijk en ruiterlijk mogelijk te behandelen.

Verder dient men m.i. elk kind, ongeacht of dit nu een jongen of een meisje is, te doordringen van het feit, dat huwelijk betekent: niet het krijgen van steun van een ander, maar het aanvaarden van een taak voor jezelf. Ook hier zijn misvattingen ingeslopen, zodat de vrouw de man zo nu en dan schijnt te beschouwen als haar bron van vast inkomen zonder meer. Een bezit. Door erop te wijzen, dat men naast de genegenheid, die tussen beiden dient te bestaan wil een huwelijk dragelijk en gelukkig zijn, men ook tegenover elkaar plichten heeft en deze plichten in het huwelijk over het algemeen het belangrijkste zijn, zal men misschien het verantwoordingsbesef van degenen, die een huwelijk willen sluiten, kunnen vergroten. Ook dit lijkt mij een taak, die reeds nu door de ouders te volvoeren is.

En dan – want ook dit is belangrijk – zou ik erop aan willen dringen, dat, ofschoon de ouders bij het huwelijk het jonge paar natuurlijk zekere steun kunnen verlenen, zij toch worden geconfronteerd met de zekerheid, dat zij, ofschoon met ouderlijke hulp misschien gehuisvest en ingericht, vanaf dat ogenblik samen op eigen voeten moeten staan. Zelfs, waar men dit niet geheel kan volvoeren – de ouderliefde laat dit niet altijd toe – is het noodzakelijk, dat de jonggehuwden beseffen nu zelf het leven te beginnen en zelf verantwoordelijk te zijn, ook voor elkaar. Op deze wijze kan misschien het op het ogenblik tot aanfluiting geworden huwelijks contract opnieuw zijn werkelijke betekenis terugwinnen. Indien men van het huwelijk een sacramentele handeling wil maken, kan ik dit goed begrijpen. Want een waar huwelijk is meer dan een zuiver stoffelijke vereniging. Ik meen echter, dat ook hier van grote plechtstatigheid, vermaan en formulieren afstand moet worden gedaan. Men dient daarvoor in de plaats te stellen het zich vreugdig tot elkaar bekennen van de beiden, die het huwelijk aangaan. Dit in het openbaar en ten overstaan van getuigen. Dus niet als hoofdpersoon een priester en een predikant, of ambtenaar. De hoofdpersonen zijn de twee, die huwen. Voor een ogenblik staan zij tegenover de mensheid en aanvaardt de mensheid nederig hun besluit.

Dit zal ertoe bijdragen, dat zij beter beseffen, wat er gebeurt. Dit is meer waard dan een wandeling door het kerkenpad, terwijl het orgel juicht, of het wat onzeker ginnegappend zitten voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand tot deze de beslissende woorden heeft uitgesproken. Wanneer een huwelijk mislukt, dient men ook bereid te zijn daarvan alle consequenties te aanvaarden. Ook dit dient men al vroeg de jonge mens te leren. Schipperen in het huwelijk is noodzakelijk, maar het kan alleen zolang je elkaar zozeer liefhebt, dat je daarvoor al het andere werkelijk over hebt. Op het ogenblik, dat het schipperen alleen nog maar plaats vindt ter wille van de lieve vrede, of omdat de buren er anders iets van zouden zeggen, is het beter eerlijk en tegen elkaar oprecht tot scheiding te komen. Deze scheiding dient echter voor geen der beide partijen een behoud van rechten, maar wel een behoud van plichten te betekenen. Indien dit in de wetgeving zou worden vastgelegd: scheiding betekent geen enkel voordeel voor één der beide partijen, doch voor beiden een aanmerkelijk nadeel, vooral in financiële zin, dus bezit.

Dus het opofferen van veel om de vrijheid te herwinnen. Dan zou men zelfs bij een veel ruimere scheidingswetgeving qua duur van huwelijk gemiddeld betere resultaten kunnen behalen dan thans. Waar men echter de wetgeving nog niet kan veranderen, lijkt het mij het beste als deel van de opvoeding de kinderen ook hier al op te wijzen. Erop wijzen, dat, wanneer scheiding de enige oplossing betekent dit altijd zal zijn, het brengen van een groot offer ter wille van een verlangde vrijheid. Dat men een dergelijk offer alleen brengen kan wanneer men er eerlijk van overtuigd is, dat het noodzakelijk en de moeite waard is. Dat men zichzelf zeker niet hoeft te verkopen, maar dat men, zo men al een huwelijk begint, er rekening mede dient te houden, dat de bij dit huwelijk gemaakte afspraken bindend zullen zijn voor de gehele duur daarvan.

  • Maar bij een scheiding zijn de kinderen toch altijd de dupe ervan?

Dit is waar, wanneer zij geleerd hebben een scheiding te zien als onjuist en verachtelijk iets. Ze worden het slachtoffer vaak ook, omdat in de tijd voor de scheiding door de ouders een unfaire strijd wordt gevoerd om de liefde van het kind. Ze trachten dan elkaar te treffen door elkaar de liefde van het kind te ontnemen. Dit is op dit terrein de grootste misdaad, die ik me kan voorstellen. Dit is een jong mens opofferen aan je haat en ressentimenten tegen de ander. Helaas komt dit nogal vaak voor.  Wanneer de maatschappij echter het scheiden, of gescheiden zijn, niet meer als iets abnormaals ziet, zal het kind deze dingen gemakkelijker kunnen accepteren. Ook wanneer het kind op de hoogte is van de wederzijdse problemen, die tot de scheiding leiden, zal het minder daaronder te lijden hebben, zelfs wanneer het deze dingen niet volledig kan begrijpen. Het is voor het kind beter te leven met een vader, of moeder, die dan wel gescheiden is, maar het kind werkelijk liefheeft, dan te moeten leven tussen twee ruziënde ouders, die het kind de jeugd bederven en, ofschoon vaak onbewust, de nodige liefde onthouden, om zo het karakter daarvan te bederven en alle eerbied en alle achting voor huwelijk en leven te ontnemen.

Een mislukt huwelijk, dat bij elkaar blijft brengt, brengt over het algemeen slechtere mensen voort dan een huwelijk, dat op eerlijke manier uit elkaar is gegaan. Dit heeft de ervaring ons wel geleerd.  Ik hoop dat ik u daarop een voor u voldoende antwoord heb gegeven. Het is natuurlijk beter, wanneer een huwelijk ideaal is. Ik heb er in het begin van mijn betoog echter al op gewezen, wat voor een algemeen bereiken hiervan volgens mij noodzakelijk zou zijn. Waar heden echter de toestand nog niet zo is, dat een huwelijk te allen tijde verantwoord wordt gesloten, lijkt het mij redelijker eerlijk en oprecht, ook tegen de kinderen, die zelfs hierin ook in zekere mate recht op beslissing zouden moeten hebben – meer het kind dus dan de wet en eigen gevoelens – beter is, dan de halfslachtigheid, die wij vaak, zowel bij de betrokkenen als de wetgever zien, wanneer het om een scheiding of desnoods een scheiding tussen tafel en bed gaat.

Ik hoop, dat mijn mening hierover u nu duidelijk is geworden. Wanneer er verder nu geen commentaren zijn, kan ik u verder slechts nog herhalen, wat ik al aan het begin van mijn betoog heb gezegd: zou ik u gechoqueerd, of misschien zelfs gekwetst hebben, herinner u dan, dat niets minder mijn bedoeling was dan dit te doen Op een dergelijke vraag paste echter m.i. slechts een zo eerlijk mogelijk antwoord. Dit heb ik gegeven volgens mijn beste weten en overtuiging.

  • De spreker is voorstander van absolute seksuele vrijheid voor de jeugd. Uitmuntend. Maar hoe is dat te verwezenlijken, waar de artikelen 244, 245, 247, 278 bis enz. van het Wetboek van Strafrecht zelfs strafbaar stellen?

Het antwoord zou betrekkelijk simpel zijn: door een bewustzijn van deze noodzaak te scheppen in een volk, heeft als gevolg het niet-geldig verklaren of wijzigen van de betreffende wetsartikelen. De wet behoort uitdrukking te geven aan de wil en verlangens van het volk binnen rechtvaardige normen. Niet dient het volk geregeerd te worden door een papieren wet tegen beter weten in.  Ik ben echter volledig met u eens, dat de maatschappij op het ogenblik voor dergelijke verreikende en overigens juiste maatregelen niet rijp is. Dit zal zich langzaam dienen te ontwikkelen. Sta mij toe op te merken, dat over het algemeen de jeugd deze grotere vrijheden voor een groot gedeelte al zelf in handen heeft genomen. De ouderen kunnen uiteindelijk deze vrijheid niet geven of nemen. De kinderen nemen die zelf wel. Maar de ouderen zouden, door op verantwoorde wijze leiding te geven en begrip te scheppen bij de kinderen plus hen een grote vrijheid te laten, de ongelukkige asociale resultaten van jeugdseksualiteit met de daaruit voortvloeiende jeugdcriminaliteit weg kunnen nemen.

  • Heeft een horoscoop waarde? Zo ja, dan ligt het leven van een mens bij zijn geboorte reeds in grote trekken vast. Hoe staat het dan met de vrije wil?

Sta mij toe om te vragen, of een reisbeschrijving waarde heeft? In een dergelijke beschrijving staan gegevens over het landschap, de weg, die u kunt afleggen en de km. afstand. Wat er vaak niet in staat is, dat u in het ene hotel goedkoop en goed terecht kunt, terwijl het er vlak naast gelegen uitgesproken slecht is, zodat de huur van een kamer u gelijktijdig een aantal zespotige medebewoners bezorgt.  Ligt uw reis nu vast, wanneer u aan de hand van deze reisbeschrijving een tocht gaat volbrengen? Neen. Wel ligt vast, dat, wanneer u de weg daarin beschreven volgt, u een bepaald en ook beperkt aantal mogelijkheden zult hebben, terwijl een zeker aantal punten voor u gedurende die tocht niet te verwezenlijken zijn.

Een horoscoop kunnen wij zien als een reisbeschrijving in de tijd, waar hierin een aantal invloeden worden genoemd, die op de mens kunnen werken gedurende een bepaalde periode. Om een horoscoop echter verantwoord te trekken is het noodzakelijk, dat men eerst het beginpunt bepaalt. Dit doet men door een geboortehoroscoop te trekken, die tenminste tot het uur, zo mogelijk tot op de minuut, juist moet zijn. Indien men dit doet, verkrijgt men een zodanige beschrijving van de eigenschappen van een persoon, dat ook de interpretatie van de horoscopische invloeden, bv. gedurende één jaar mogelijk worden. Zelfs dan is de horoscoop nooit bindend. Zij kan ten hoogste worden beschouwd als raadgevend, waar zij geen feiten, doch slechts tendensen vermeldt. De vrije wil blijft dus onaangetast. Om tot mijn eerste voorbeeld terug te keren: het is uw eigen zaak en eigen wil in welk hotel u zult overnachten. Evenals het bepalen welke weg, van de meerdere in de reisbeschrijvingen als mogelijk geziene, u voor uzelf zult kiezen. De horoscoop dwingt niet. Wel geeft zij aan, dat uw mogelijkheden op een zeker ogenblik niet verder gaan dan zover. Hoe van de u blijvende mogelijkheden een juist gebruik te maken kan zij u wel raden. Zij dwingt u nooit op een bepaalde wijze te reageren en dus het geheel van de in de horoscoop blijkende mogelijkheden ook te verwerken.  Degenen, van wie horoscopen altijd zo goed uitkomen, zijn over het algemeen mensen, die zich eerder door omstandigheden en impulsen dan door een innerlijk bewustzijn laten leiden.

DE EZEL DIE IN DE HEMEL KWAM.

Er leefde eens een ezel op aarde, die moeizaam elke dag zijn lasten droeg. Hij was in dienst bij een molenaar, die, al nam hij ruim zijn maat van al het koren, dat hij maalde, toch niet oneerlijk was. Deze molenaar had dan ook, tegen alle gezegden der volksmond in, niet zijn ziel aan de duivel verkocht, zodat hij, toen hij stierf, ten hemel voer.  Maar de knecht, die de wieken stil zou zetten in de vereiste vaanstand was een dwaas en liet een zak vallen op de rug van de ezel, die zo zijn nek brak en bezweek. Aangezien ezels gewend zijn hun eigen weg te gaan zonder op iemand anders te achten, besloot deze ezel zijn meester te volgen in de hoop dat dan een goede maaltijd zou volgen. Hij was zich niet bewust van de geestelijke toestand, waarin hij al verkeerde. Het paar kwam bij de hemelpoort aan. De molenaar zei: “Waarde Petrus, gaarne zou ik in de hemel hier binnentreden.” “Wie ben je dan?” “Ik ben Willem Mulderszoon.”  “Dat zullen wij even uit moeten zoeken. Ben je molenaar geweest?” “Ja”  “Ja, ja, ja”, zei Petrus toen. “Dat is een moeilijk geval. ” De ezel, die dit alles had gehoord en tot zijn verbazing ontdekte, dat hij als geest kon spreken, besloot het voorbeeld na te volgen. Zo zei hij tegen Petrus: “Waarde vriend, ik ben een ezel, die vele lasten heeft gedragen in zijn leven. Ik zou gaarne in het hemelrijk binnen gaan.” Petrus wees op een zijpoort en zei: “Ga daar maar naar binnen.”

U begrijpt, dat dit de mulder niet naar zijn zin was: “Zou mijn ezel in het hemelrijk binnen gaan en zou ik voor de poort moeten staan?” zo vroeg hij de poortwachter. “Ach neen”, zei Petrus, “maar wij krijgen hier zoveel ezels, die zich voorstellen dat zij in de hemel komen, dat wij naast onze eigen poort een extra ingang voor de benedenafdeling aan hebben laten leggen.” De mulder, dit begrijpende, zei tot zichzelf: “Het is toch niet eerlijk, dat mijn ezel in de hel blijft.” en zodra hij dan ook toelating kreeg in het hemelrijk, besloot hij tot de Vader te gaan en zei: “Heer, ik heb een ezel gehad, die mij altijd trouw heeft gediend. Nu heb ik gezien, dat Petrus hem naar de hel stuurde. Maar ik zou hem zo graag in het hemelrijk brengen.” “Indien u dat wenst, is u dit toegestaan”, antwoordde de Heer.”want het dier beseft niet, waar het zich bevindt.”

De molenaar daalde af naar de hel, ietwat angstig voor de vele dreigende gestalten, die hij daar op zijn weg ontmoette. Maar zodra hij het woord  “ezel” zei, ging ieder opzij en men liet hem gaan tot in het diepst der hel, waar een aantal verslagen duivels rond een troon stonden, waarvoor de ezel rustig bezig was wat gloeiende cokes te verkauwen. “Kom mee, Bella”, zei hij tot de ezel, “wij gaan naar de hemel. De ezel stond op en ging. Achter hen zong het hele koor der duivelen plotseling zo’n jubellied, in helse smart en vreugde tegelijk, dat de molenaar zich omkeerde en aan één van de hoofdduivels vroeg: “Waarom jubelen jullie nu zo, nu mijn ezel hier weggaat? ” “Wel”, zei deze duivel, “wij hebben vele kwellingen in de hel, maar de grootste kwelling is altijd, wanneer er een ezel onder is, die zelfs niet weet, wat het betekent helse smarten te lijden.” Zo werd de ezel naar de hemel gebracht, maar omdat hij ook de hemelse vreugde niet kon waarderen, is hij terug gegaan naar de wereld en daar wordt hij op het ogenblik geacht als een zeer rechtschapen mens.

U zult u afvragen, wat de achtergrond is van dit kleine, ietwat spottende verhaal. Ik zal trachten het u te vertellen. Er zijn op aarde mensen, die wij ezels kunnen noemen, omdat zij slechts hun eigen weg zien en niets begrijpen van het leven zelf. Wanneer zij overgaan, verwachten zij onmiddellijk in het hemelrijk binnen te treden. Maar wat de ingang van de hemel lijkt is, volgens ons aller weten, eerder een duistere sfeer van een hel. Wanneer men echter in zo’n hel komt met een andere ezel, die weigert u te begrijpen, wordt hierdoor de kwelling eens zo diep.

Er zijn sferen, waarin diegenen, die zich op aarde zo rechtvaardig achten, voortdurend bezig zijn hun rechtvaardigheid tegenover anderen te uiten en te getuigen van hun eigen verhevenheid. Hun lijden is onmetelijk, want er is niemand, die hen aanhoort. Wanneer daarentegen een dwaas tot de lichtende sferen doordringt, zo zal hij zelfs in deze lichtende wereld terug hunkeren naar de toestand van mens-zijn en niet bewust kunnen worden. Daarom is het voor elke geest en elke mens noodzakelijk niet slechts aan zichzelf te danken, maar altijd  te denken aan de wereld, waarin hij leeft, aan de sferen, die hem omgeven, opdat hij één met deze waarlijk binnen moge gaan in de lichtende sfeer, die ik in mijn verhaal heb vermomd onder de naam: het hemelrijk. Ik hoop, dat deze vertelling voor u een aangename en tevens een ietwat leerrijke tijdsvulling is geweest.