Vergelijking van waarden in stof en geest

image_pdf

19 januari 1962

Aan het begin van de bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Als onderwerp koos ik voor heden: Vergelijking van waarden in stof en geest.

Wanneer wij ons de waarden van de geestelijke werelden vanuit stoffelijk standpunt willen realiseren, lopen wij vast in vele vaagheden. Er zijn vele tegenspraken te vinden; er zijn onnoemelijk vele onduidelijkheden, terwijl ook het aantal verklaringen en punten, die niet begrepen kunnen worden, legio zijn.

Indien men wil begrijpen, waaruit dit alles voortkomt, dient men zich eerst te realiseren, wat het betekent te leven in een wereld, waarin de tijd niet meer – zoals op aarde – een geheel meetbaar geheel is. Wanneer je in de sferen bent en je wilt iets op aarde in tijd afmeten, dan kun je dit niet meer doen aan het ritme van de wisselingen tussen dag en nacht. Dit is geen deel meer van eigen wezen, zodat men zich daar steeds weer vergissen zal. De beste methode om tot een benadering van een juiste tijdsaanduiding te komen is wel het volgen van de duur van een bepaald voorwerp in de tijd.

Voorbeeld: Een kerk bestaat – tot het moment, waarin mensen bewust zijn – een bepaalde tijd. Een gebeuren, wat ik waarneem, toont aan, dat deze zelfde kerk dan in duur langer is. Ken ik het aantal jaren, dat de kerk bestaat, dan kan ik ook de tijd berekenen, die tussen het heden en het moment van de gebeurtenis nog verlopen zal. Een ingewikkelde methode, waarin nogal eens fouten voorkomen. Indien men een tijdsverloop gist aan de hand van het menselijke denken, komen nog grotere fouten voor. Het is duidelijk, dat hieruit vele, voor de mens niet te begrijpen, vergissingen voort zullen komen.

Een ander punt is de voorstelling, die men zich van de geestelijke werelden maakt. Vanuit de stof gezien is het zeer moeilijk een beeld te verkrijgen van de geestelijke werelden. Want indien de gedachte bepalend wordt voor de wereldbeleving, zal elke denkbare wereld voor iemand, die in de geest leeft, kunnen bestaan. Wanneer de voorstelling van het individu diens werkelijkheid bepalen, is ’t maar een kleine stap van Beatrijs hemelweiden naar een land van 1001 Nacht, of een Nieuw Arcadië. De mens op aarde, gewend aan vaste waarden, kan zich dit niet voorstellen, maar in de geest kun je alles, wat je denkt, ook zien en beleven. Gedachten vormen de wereld, waarin je bestaat. De gedachten, waarin je anderen ontmoet, zullen bepalen, welke wereld er voor jou en die anderen bestaat, wat daarin mogelijk is, welke wetten daar regeren en aan welke regels men zich daar te houden heeft.

Een dergelijke, vanuit stoffelijk standpunt moeilijk te begrijpen en te hanteren wereld, met steeds wisselende elementen en waarden, kan vanuit het menselijk redelijk beschouwen, nimmer aanvaard worden. Slechts indien wij rekening houden met voortdurende tegenstellingen en veranderingen, waarin wel eigen instelling, maar niet de verschijnselen tellen, wordt duidelijk, waarom er bij verklaringen uit en waarnemingen in de geest, zo vele schijnbaar tegenstrijdige beschrijvingen bestaan. Verder dient men er nog rekening mee te houden, dat de beschrijving van iets in de geest niet alleen bepaald wordt door het denken van een of meer geesten, maar tevens nog door de interpretatie, die de stoffelijke waarnemer, of het stoffelijk instrument daaraan – op grond van eigen leven en denken – nog toevoegt.

Nu is de wereld van de geest op één enkel punt veel vaster, dan de wereld van de stof. Wie in de werelden van de geest leeft, in de sferen, bezit daarin ook een vaste kracht. Deze kan tijdelijk worden versterkt door samenwerking of contact met hogere machten, maar steeds weer keert men terug tot de eigen kracht. De in het ik aanwezige energie zal – ongeacht het verbruik – steeds weer tot juist dit peil worden aangevuld. In dit opzicht kan worden gesteld, dat de geest, zolang zij tot een bepaald niveau behoort, zichzelf gelijk blijft. In de stoffelijke wereld is de energie een voortdurend wisselende waarde, terwijl de vorm daarentegen praktisch gelijk blijft. Dit is een tegenstelling, die voor de mens moeilijk te verwerken is.

Wanneer de geest ingrijpt op aarde, zal zij dit alleen kunnen doen via energie, via deze kracht.

Wanneer de aarde iets van de geest wil verwerven, zo kan zij dit in de praktijk alleen doen door het projecteren van de voor haar bestaande vaste waarden: De vorm. Ook dit bevordert het ontstaan van misverstanden, waar men immers meet met verschillende maatstaven en werkt met geheel verschillende wijzen van uitdrukking. Indien u beseft, dat de enige vaste band met de geest uit trilling of kracht kan bestaan, maar dat alle stoffelijke redelijke opvattingen niet toe treffen, omdat zij op stoffelijke ervaring en verhoudingen alleen gebaseerd zijn, heeft u veel begrepen van de werkelijke verhouding tussen stof en geest.

Er is meer: Geest kan niet ruimtelijk worden omschreven, of uitgedrukt. Dit blijft altijd waar, ofschoon de geest zich aan de mens in een vorm – dus ruimtelijk – kan manifesteren. Er kunnen 10.000 geesten plaats vinden in een lucifersdoosje, zonder dat dit enige moeite kost, of voor die geesten enige verandering van wezen of wereld inhoudt. Gelijktijdig is het zeer moeilijk een 10.000 mensen gelijktijdig in contact te brengen met dezelfde sfeer. Een vreemde tegenstelling. Bedenk, dat, zo mijn wereld er één van gedachten is, deze geen vaste afmetingen heeft t.o.v. de werelden van anderen. Indien echter eigen bewustzijn gebonden is aan buiten het ik liggende maatstaven, waardoor men komt tot het als redelijk aanvaarden van een vaste reeks van afmetingen en dimensionale verhoudingen, zal het vaak moeilijk zijn met een wereld in contact te komen, die geheel andere maatstaven hanteert.

Men zal zich niet voor kunnen stellen, dat er ook buiten het ik een band met anderen op deze wijze kan bestaan. Daarom zal men niet kunnen aanvaarden, dat vele anderen gelijktijdig contact hebben langs deze weg en voor zich dan ook een gelijktijdig contact met een bepaalde wereld met velen onmogelijk maken, slechts de sterkste harmonie tussen verschillende mensen zal een gelijktijdig en bewust beleven van dezelfde geestelijke sfeer voor hen nog mogelijk maken. Het menselijk voorstellingsvermogen schiet vaak te kort, wanneer ik u vertel, dat in deze zaal – buiten de aanwezige mensen – 1.000 geesten aanwezig zijn, kunt u zich dit misschien net voorstellen. Indien ik u vertel, dat er in deze ruimte ook 10.000.000 geesten aanwezig kunnen zijn, zult u misschien nog kunnen aanvaarden, maar het u voorstellen kunt u niet meer. Het heeft geen betekenis meer. Wanneer u ooit met dergelijke, voor u strijdige, verklaringen wordt geconfronteerd, is het daarom goed u voor ogen te stellen, dat geest geen afmetingen heeft, maar slechts perceptie, waarneming, op een bepaald punt.

De werkelijke verhoudingen tussen stof en geest worden belangrijker, naarmate deze wereld haar kritieke stadium ingaat. Want een geest kan voor de stof heel wat doen, zolang dit kan worden gedaan in de vorm van energie. Ook de mens op de wereld kan ook voor de geest veel doen: Hem een vaste vorm, of een vast beeld, geven, waarin die energie tot kenbare gevolgen herleid kan worden. De samenwerking tussen stof en geest is dan ook voor velen onvermijdelijk en noodzakelijk.

Naarmate de geest beter beseft, dat zij haar eigen wezen nooit geheel zal kunnen ontwikkelen zonder een mogelijkheid tot vergelijken, een contact met een andere wereld, zal zij dan ook meer actief worden in andere, meestal beneden haar liggende, werelden. Wanneer zij een grotere beheersing heeft gewonnen, zal zij bijna zeker ook contact zoeken met de stofwereld.

Dit kan natuurlijk niet gelden voor degenen, die nog niet van hun werkelijke toestand bewust zijn. Evenals velen uit lagere werelden kunnen zij geen onderscheid maken tussen hun eigen wezen en de eigenschappen van een stoffelijke wereld, waarmee zij – door eigen denken – op een bepaald ogenblik gebonden zijn of geconfronteerd worden. Soms kunnen ook deze onbewuste geesten in de stofwereld ontstellende krachten opwekken, maar deze krachten worden door hen nooit beheerst.

Aan de andere kant zullen dergelijke geesten, wanneer zij enig besef verkrijgen van het feit, dat zij contact hebben met de mensen in de stof, vaak zeer grote beloften doen, zonder die ooit te kunnen vervullen. Daarom zou ik allereerst willen stellen: in een vergelijking van de waarden in stof en geest dient men te onthouden, dat voor de geest, die de wereld benaderen wil, beheersing van het Ik en een vast bewustzijn noodzakelijk is. Voor de mens, die de wereld van de geest wil benaderen, is eveneens bewustzijn een eerste vereiste. Wij kunnen alleen tot een samenwerking tussen stof en geest komen, wanneer er ergens een bindende factor is, een begrip van licht, een begrip van goede kracht. Besef, dat het licht en de goede krachten altijd hun tegenstellingen hebben.

Om het eenvoudig uit te drukken: De Orde is een lichtende groep. Deze aanvaardt als teken een ster. Logischerwijze zal dan met een ongeveer gelijk symbool een tweede groep werkzaam zijn. De naam zal wel anders zijn. Deze groep is dan de antithese van de Orde.

Regel: Overal, waar een kracht bestaat, vinden wij een tweede, daaraan gelijke, kracht, die in richting en streven daaraan tegenovergesteld is. In de geest ervaart men dit altijd. In de stof zijn deze dingen maar zelden geheel merkbaar. In de warrige wereld van heden zal menigeen zich dan ook af gaan vragen: Wat zullen wij nu eigenlijk met de geest en de werelden van de geest moeten beginnen? Het is ’n zo moeilijk te controleren factor. Zij is zo moeilijk te begrijpen. Wij weten nooit precies, waar wij aan toe zijn, wat wij eigenlijk er mee aan moeten. Ga dan uit van het volgende standpunt: Zolang ik mijzelf op het lichtende instel, kan het duister mij niet beroeren. Wanneer ik een beroep doe op willekeurig welke energie, zonder eerst mijn eigen instelling te bepalen, zal in 9 van de 10 gevallen het duister het eerst actief worden, want het licht is selectiever t.a.v. eigen uitingen dan het duister. Wanneer ik zou spreken over een duistere ster, zo zou dit de antithese van de Orde kunnen zijn. Het begrip duister geeft weer, dat deze groep onbewust is, of – zo u wilt – demonisch en chaotisch.

Wanneer deze duistere ster met de lichtende ster geconfronteerd wordt, is zij niet actief. Op het ogenblik, dat beide sterren met een derde macht worden geconfronteerd, b.v. een lichtende macht, die de aarde licht en bewustzijn moet brengen, zal de lichtende ster hieruit een vormende werking ondergaan. Zij vindt een hogere en meer lichtende harmonie.

Gelijktijdig vindt de duistere ster een brekende kracht: Haar samenhang wordt verbroken. De duistere ster, die misschien eens een werkelijke vorm bezat, wordt nu tot monstrum, een misvormd wezen, dat langzaam verbrokkelt.

Voor de lichtende wereld geldt verder: Wanneer de periode van vorming voorbij is, is er geen vijfpuntige ster meer. Er is iets anders voor in de plaats gekomen, dat alle waarden, die eens door de lichtende vijfpuntige ster werden uitgedrukt en gedragen, nog in zich bezit. De duistere ster heeft nu – zover zij nog bestaat – geen antithese meer. Zij kan zich dus niet verder meer spiegelen aan het lichtende tegenbeeld. Daarom zal zij geheel ten gronde gaan, waar in de duistere wereld niet kan worden opgebouwd, dat niet eerst vanuit het licht beseft en als uitdrukking in het licht gevonden wordt.

Indien ik dit voorbeeld nu in het bijzonder stel voor onze groep, stel ik het voor als een zeer ijverige en met velen gelieerde, maar toch – geestelijk gezien – betrekkelijk kleine groep, want zelfs een groep, die vele miljoenen leden telt, zal klein zijn t.a.v. alles, wat er in de lichtende geest werkzaam is. Daarom wil ik dit beeld ook nog eens uitdrukken in de termen van de grote kosmos. Daarin kan een lichtend geheel bestaan. Noem dit b.v. de bewuste mensheid.

Daartegenover zal dan de onbewuste mensheid staan. Deze beide waarden bestaan beiden in de geest. Wanneer de lichtende mensheid verhoogd wordt in vermogen en daardoor verandert van geestelijke geaardheid, zal dezelfde kracht, die de mensheid in het licht verheft, aan de andere zijde de negatieve mensheid doen verbrokkelen. De negatieve mensheid verliest haar samenhang en eigen kwaliteiten. Natuurlijk zal er ook voor de nieuwe vorm van lichtende mensheid een antithese ontstaan, want een tegenstelling zal er altijd zijn. Naarmate wij hoger stijgen in de geest, zullen de tegenstellingen dichter bijeen liggen, zal de verhouding tussen beiden meer evenwichtig zijn, terwijl men ook wel kan stellen, dat in de hoogste werelden licht en de ster voor een zeer groot deel dezelfde eigenschappen gaan bezitten.

Vanuit een stoffelijk standpunt is dit moeilijk te begrijpen, want men wordt geconfronteerd met de uitwerking van de geest. De lichtende werkingen van een stijgend bewustzijn, maar ook de wanhopige en daarom voor de mens meer treffende uitingen van een duistere groep, die uiteen dreigt te vallen, zullen voor de mens als energieën, die in eigen wereld ingrijpen, kenbaar worden. Het negatieve wordt daarbij door de mens beter opgemerkt dan het positieve.

Wanneer u dit alles kunt volgen, is de vergelijking van stof en geest op dit punt betrekkelijk eenvoudig: Al, wat in de geest wordt uitgedrukt door bewustwording in het licht en teloorgaan van bewustzijn in het duister, zal op aarde kenbaar worden als een positieve energie binnen de mensheid, waar t.o. een meer uiterlijk en chaotische inwerking ontstaat, die zichzelf verbrokkelt en vernietigt.

  • Wilt u dit nogmaals zeggen?

Wanneer de lichtende krachten stijgen, ontstaat hieruit een lichtende en vormende energie op aarde, die vooral binnen de mensen kenbaar wordt. Alles, wat met de stijgende geest harmonisch is, zal deze invloed in zich ondergaan. Gelijktijdig zal de antithese, het duister, dat zijn eigen samenhang en voorbeeld zo verstoord ziet, trachten – ten koste van alles – zijn oude macht en vorm te behouden. Daaruit ontstaat eveneens een ontlading van energie, die de wereld bedreigt. De werkingen zullen voornamelijk als gebeurtenissen kenbaar worden, van buitenaf de mensen bereikende. De negatief ingestelde mensen zullen juist hiervoor bijzonder vatbaar blijken te zijn. De negatieve geestelijke werkingen zijn in de duistere geest in de eerste plaats wel gericht op het behouden van het eigen ik en eigen macht ten koste van alles, ook andere duistere machten. Daardoor ontstaat een onderlinge strijd, een verbrokkeling. De invloed, die op aarde kenbaar wordt, is dus een vorm van chaos, het ontstaan van een macht, of machten, die zichzelf bestrijden en zo – door onderlinge strijd en verbrokkelingen – zichzelf teniet doen.

Naar ik meen, is het u nu duidelijk. Voor de komende tijden is dit belangrijk, want indien u het voorgaande kunt onthouden, zult u daardoor ook beter kunnen begrijpen, wat er op aarde eigenlijk allemaal aan de gang is. Reeds jaren geleden hebben wij u verteld, dat er een grote strijd gaande is tussen de lichtende en de duistere geest. Wij noemden dit zelfs een veldslag. Sommigen vroegen ons zelfs, of dit het begin was van Armageddon. Dit laatste hebben wij toen moeten ontkennen. Deze strijd is ondertussen steeds meer op aarde kenbaar geworden, zodat de negatieve werkingen steeds toenemen.

 In uw plaats zou ik mij af gaan vragen: Wat heeft dit alles dan voor ons te betekenen? Ik stel: Wat men op aarde het optreden van een nieuwe Heerser, of het treden in een nieuw teken, noemt, kan voor de geest worden omschreven als het verwerven van een nieuw bewustzijn. Er is dus voor de geest sprake van een door een nieuwe macht ontstane verandering in het bewustzijn. Het lijkt wel, dat er ergens een deur opengaat, zodat je een nieuwe en wijdere wereld kunt betreden. Soms doet het ook denken aan een stoffelijke verhuizing: Bij het aanvaarden van de nieuwe krachten laat je onnoemelijk veel achter. Dat, wat je als krachten en delen van eigen wezen werkelijk bezit, kom je in een nieuwe – en voor jou gunstiger – wereld terecht. Er is dus ook voor de geest wel degelijk sprake van het ondergaan van een nieuwe invloed, zeker zolang zij in de vorm- en klanksfeer leeft.

Wanneer dit in de geest gebeurt en deze geest toch blijft werken met haar energie op aarde, zal op aarde de verschuiving eveneens kenbaar worden. Al blijven de mensen dus zichzelf gelijk en blijft ook de geest zichzelf gelijk, zo zullen toch vele van de waarden en waarderingen, die tot dan bestonden, gewijzigd worden.

Het is moeilijk u dit duidelijk te maken. Misschien kunnen wij het beste hierbij terug denken aan Noah na de zondvloed: De mens, die op een nieuwe aarde staat en een nieuw leven begint, waarbij al wat vroeger zijn leven heeft beheerst, weggevaagd wordt. In enigszins andere zin kunnen wij ook denken aan Mozes, die de Tien Geboden ontvangt en zo Israël verandert en samensmeedt tot een nieuw volk. Deze dingen zijn ook voor de mens alleen denkbaar door het optreden van grote krachten. Een dergelijke periode maakt op het ogenblik de wereld – in de stof en in de geest – eveneens door. Daarbij komen natuurlijk ook minder aangename gebeurtenissen voor.

Indien men zich afvraagt, hoe dit alles verklaard kan worden vanuit menselijk standpunt, dient men te stellen: Geen bereiking en geen bewustwording is mogelijk zonder offer. Geen inwijding zal worden gewonnen zonder dat beproevingen zijn doorstaan. Er wordt geen vernieuwing op aarde mogelijk, zonder dat het oude ten gronde gaat. Het ten gronde gaan van het oude houdt in, dat velen, die daar op de een of andere wijze mee verbonden zijn, dit niet prijs kunnen geven en zo met het oude ten gronde gaan. Dat is niet hun eigen schuld. U kunt dus niet zeggen, dat iemand, die morgen in een ramp omkomt, dit aan zichzelf te wijten heeft.

Maar hij was a.h.w. vastgeketend in een negatief milieu en kon de nieuwe gedachten voor zich niet vinden of aanvaarden, omdat hij zich van het oude niet kon bevrijden. Daardoor werd hij meegesleurd door de vernietigende werkingen, die de negatieve stromingen tot stand brengen.

Indien zo iemand ook in zijn binding aan het oude toch steeds weer voor zich tot een positief denken en leven komt, is het positieve in de geest bepalend, zodat hetgeen er op aarde gebeurt, zeker niet definitief moet worden geacht.

Een vernieuwing moet nu eenmaal tot stand komen. Een dergelijke vernieuwing kan natuurlijk op zeer vele wijzen plaats vinden: Wanneer het totaal van de geest zich veranderd heeft, terwijl zo dus alle vormen van het duister en de zwart-magische krachten daarmee verbonden, opeens voor hun zelfbehoud moeten gaan vechten, ontstaat vaak iets dat een wereldcatastrofe genoemd kan worden. Vooral voor de mensen is hetgeen dan gebeurt, niet aangenaam; de mens in de stof is nu eenmaal altijd traag, zodat slechts weinigen geneigd zullen zijn alle nieuwe waarden en maatstaven zo maar te aanvaarden, terwijl eveneens velen zullen weigeren alles, wat zij in het oude gewonnen hebben of bezitten, opeens prijs te geven. In dergelijke gevallen zal de stoffelijke wereld vaak geheel ten gronde gaan, wat dan plaats vindt, is in feite een terugvallen van de mensen naar de oertijd, waarbij de sterksten overleven, terwijl langzaamaan de herinnering van alles, wat eens op de wereld was opgebouwd, teloorgaat, of tot niet begrepen legende wordt.

Een dergelijke verandering kan ook op een andere wijze tot uiting komen: Wanneer een groot deel van de mensen positief gaat denken, zodat het merendeel van de mensen in leven en denken, op den duur zelfs in gedrag en gewoonten, met de positieve krachten mee kan streven, zal het positieve voor geheel de wereld vormend gaan werken. Dan ontstaat een buitengewone snelle ontwikkeling, die meestal tot zeer nauw omschreven gebieden beperkt wordt. Deze ontwikkeling brengt dan – dit kan nu eenmaal niet anders – de ondergang van vele andere waarden met zich mee, maar het proces voltrekt zich geleidelijker en rustiger. Dit alles wijst op een eigenaardig contact tussen de stoffelijke wereld en de werelden der geest. Wij kunnen dan ook zeggen, dat alles, wat zich in de geest voltrekt, zich weerspiegelt in het stoffelijke gebeuren, zover dit buiten de beheersing van de enkele mens ligt. Dit is dus de werking, die door velen noodlot genoemd wordt. Men zal zich misschien na het voorgaande afvragen, of de contacten, die de mens met de geest heeft, ook zullen veranderen. Het antwoord luidt gelijktijdig: “ja” en “neen”. Want wanneer je in de stof bent, zullen alle contacten, die je hebt met een geest – doordat je daarmee harmonisch bent – blijven voortbestaan, ongeacht al, wat er stoffelijk gebeurt. Er is slechts één voorwaarde: Men moet zich daarbij aan kunnen passen aan de verandering, die deze geest zelf doormaakt. Wanneer een geest stijgt, maar uw eigen bewustzijn stil blijft staan, zal de directe verbinding tussen u en die geest tijdelijk verbroken worden. Vanuit het hogere bewustzijn van de geest kan het contact desnoods wel enigszins in stand worden gehouden, maar toch kan gesteld worden, dat de intense verbondenheid, die men eens kende, dan teloor is gegaan.

Wanneer u geestelijk stijgt en bewuster wordt, steeds meer doordringende in de essentiële geheimen van het leven, wanneer u in uzelf steeds meer lichtende krachten erkent en dit alles op aarde tot uiting brengt – u dus niet alleen tot gedachten bepalende – is het zelfs denkbaar, dat men de ontwikkeling van die geest enkele schreden voor is. Dan wordt uw eigen belangstelling bepalend: In dit geval kan het contact dus door de geest, of vanuit de geest, niet verbroken worden. Slechts daar, waar een onmiddellijk verschil van het bewustwordingsratio – de snelheid, waarmee het bewustzijn in verhouding tot eigen waarde toeneemt – ontstaat, kan van een scheiding tijdelijk sprake zijn en kunnen geestelijke banden tijdelijk niet tot uiting komen. Hier heeft u een voor de mens vaak vreemd lijkend verschijnsel, waarvan de inwerking voor de meer gevoelige mensen op aarde vaak merkbaar zal zijn.

In verband hiermee rijst de vraag: Hoe staat het dan met inwijding onder dergelijke omstandigheden? Hoe kunnen wij dit omschrijven? In het nabije verleden werden bepaalde paden van inwijding afgesloten; dit wilde zeggen, dat innerlijke verlichting en bewustwording niet meer in zo stoffelijke vorm verkregen kon worden. Daarvoor in de plaats ontstond een systeem van contacten tussen de stoffelijke mens en een geestelijke meester, die zich alleen op een meer abstracte manier, of zuiver innerlijk, afspeelden. Deze contacten confronteerden de mens met tegenstrijdigheden. Dan stelde men de mens op de proef a.h.w.. Steeds weer moest hij zelf een keuze doen; alles berustte in deze wijze van inwijden op de eigen reacties en activiteiten van de mens. Wanneer men daarin faalde en op enigerlei wijze niet juist reageerde of dacht, verzwakte het contact tussen leerling en meester, zodat perioden van algehele verlatenheid konden ontstaan. Was de mens in staat deze verlatenheid te doorstaan, dan word daaruit weer een nieuw contact geboren, dat vaak op een ietwat andere wijze tot stand kwam. Naarmate de mens meer harmonisch werd in zich, kon hij binnen treden in nieuwe werelden van geestelijk bewustzijn en geestelijk vermogen. Bij het betreden van deze gebieden vond men niet alleen zijn oude meesters terug, maar werd daarnaast een contact verkregen met nieuwe meesters en leraren van hoger niveau.

De tijden veranderen. De verhouding tussen het gebeuren in de geest en de werkingen in de stof, is aanmerkelijk gewijzigd in de laatste jaren. Daardoor was het niet meer zo eenvoudig om zonder meer langs geestelijke weg een inwijding tot stand te brengen. Degenen, die het tempo van hun meester konden volgen, zijn daardoor eigenlijk de mensheid enigszins ontgroeid. Zij staan geheel anders t.o. het leven. Degenen, die in de lopende invloed hun meesters niet geheel konden volgen, voelden zich op een gegeven ogenblik verlaten en moesten erkennen, dat oude contacten en gaven klaarblijkelijk niet meer aanwezig waren. De geest kan alleen een inwijding verder mogelijk maken – dit geldt zelfs voor de grootste geestelijke meesters en krachten – wanneer er een overeenstemming is tussen meester, leerling en de grote kosmische krachten, die de aarde, maar ook het merendeel van de sferen, beïnvloeden.

Daardoor ontstonden de volgende verhoudingen: De mens, die geestelijk voldoende bewust was, had niet meer de mogelijkheid zijn geestelijke inzichten binnen de zich veel trager aanpassende mensheid tot uitdrukking te brengen. Deze werden verkeerd begrepen. Door dit misverstand kwam het vaak tot een verbreken van contacten en banden, of het zoeken van een geheel ander contact. Een handhaven van de oude relaties en contacten was voor dergelijke mensen vaak niet bevredigend, omdat hij daarin niet verder voort kon gaan, terwijl ook die nieuwere vaak alle werkelijke vervulling ontbeerden. Deze situatie werd vaak in de materiële omstandigheden van de mensen gereflecteerd.

Op het ogenblik is voor de geest de periode van overgang reeds bijna teneinde, zodat mag worden gesteld, dat de werelden van de geest reeds een aanpassing hebben gewonnen aan invloeden, welks uitwerking op aarde nog komende zijn. De mens, die zich aan de geest kan aanpassen, zal de geestelijke leiding, die langere tijd zo twijfelachtig scheen, weer terug winnen en de inwijdingsmogelijkheid dus eveneens herkrijgen, maar een inwijding moet uiteindelijk ook in de stof gegeven worden. Zo wordt reeds nu ijverig gezocht naar middelen om stoffelijke inwijding weer mogelijk te maken. Voor enkelen zal in de stof zo hier en daar reeds een bescheiden centrum gesticht zijn. Op den duur ontstaat een geheel prijsgeven van het eigen denken door hen, die al een gedeeltelijke inwijding hadden ondergaan. Een wijziging van hun denken, dat ook in het uiterlijke leven vaak weerkaatst wordt. In dit denken vinden deze mensen een nieuw contact met geest en mensen, dat van de oude wijze van contact aanmerkelijk zal verschillen.

Voorbeeld: Vroeger was er sprake van een direct auditief ontvangen van lessen, of het neerschrijven daarvan. Nu is er minder uitgesproken een ander aan het woord en krijgen vele lessen eerder het karakter van een tweegesprek met jezelf. Degenen, die in deze fase verkeren, zullen zich in de stof vaak afvragen, wie of wat er nu eigenlijk aan het woord is: Zijzelf of iemand anders. Toch ondergaan zij wel degelijk een belangrijke geestelijke invloed.

Het is voor hen noodzakelijk deze geestelijke invloed beter te leren beseffen, want zij dienen niet meer, zoals vroeger, alleen de stoffelijke ontvangers van een geestelijke les te zijn. Zij moeten tot de stoffelijke verwerkelijking worden van een bepaalde inwijding.

Vanuit de geest is er nu geen mogelijkheid meer zich geheel in te stellen op het denken en de vorm van bewustzijn, die in de stof nog overheersend bestaat. Dit is nu eenmaal niet meer mogelijk. Men kan niet, vanuit een totaal nieuw bewustzijn, ingrijpen op de wereld volgens de normen, die de mensen nog heden plegen te stellen. De geest moet dus het nieuwe zoeken.

Zij zal haar krachten wel uitzenden en haar lessen wel geven, maar de mens van heden zal deze op een geheel nieuwe wijze moeten gaan ontvangen, terwijl een vernieuwing van het eigen geestelijk begrip eveneens noodzakelijk wordt.

Er ontstaat een samenwerking tussen de geest en de stof, die het best zo kan worden omschreven: Vroeger werd men door de inwerkende geest aangeslagen als een snaar in een klavier. Nu is er eerder sprake van een geestelijke snaar, die begint te trillen, waarop het harmonisch afgestemde menselijke wezen meetrilt. Hoe groter de harmonie is, die men in eigen leven en denken tot stand kan brengen, voor de geest, hoe sterker in verhouding de geestelijke trillingen of invloeden ook binnen het ik ontstaan. Daardoor is de inwijding een proces geworden, dat hoofdzakelijk berust op eigen denken en handelen. Waarbij geïndiceerde harmonische invloeden een juiste keuze steeds bevorderen en een juist begrip mogelijk maken.

Het is betrekkelijk moeilijk u dit alles geheel te verklaren. Stel: De huidige inwijding vloeit voort uit de harmonieën, die men in zichzelf wekt en niet meer uit de leringen, die men verwerkt. De beproevingen, die met de inwijding gepaard gaan, zijn in deze tijd niet meer gelegen in de opgelegde bezoekingen en emoties, beproevingen tijdens uittredingen e.d., maar eerder gelegen in een verstoring van de bestaande harmonie door een tweede, daarvan overigens niet veel afwijkende trilling.

Men zal zich af moeten vragen: Hoe ontstaat dit dubbele beeld? Ben ik nu fout of niet?

Er is maar een klein werkelijk verschil tussen de stellingen en gevoelens, die zich binnen het ik ontwikkelen. Toch voelt men, dat men ergens moet kiezen. Een besluit zal men moeten nemen. Men kan deze waarden niet naast elkaar laten voortbestaan. Zo is de werkelijke beproeving dan ook hoofdzakelijk gelegen in het herkennen van het zuivere en het sterke, het erkennen van de voor het ik juiste harmonie. Dit betekent verder, dat de huidige inwijding een zuiver persoonlijke bewustwording inhoudt, waarbij eigen vermogens en het persoonlijke contact met de geest, evenals de beheersing van de meer geestelijke delen, sterker zullen worden. Contacten met de geest kunnen niet meer, zover het ik daarbij geheel betrokken is, worden volbracht door een in bezit name door die geest, of een door de geest overschaduwd worden, maar eerder is er een samenwerken, waarbij men zelfs niet eens meer weet, waar het ik ophoudt en de geest begint.

Zo ontplooien zich voor de mens in dit contact steeds weer nieuwe werelden van de geest, waarin men ook persoonlijk door leert dringen. Enerzijds ziet men daarbij de grote machten van het duister, aan de andere zijde ziet men het grote licht. Bovenal zal men in zich de felheid ervaren, waarmee het goede licht alles reinigt. Ook dan heeft de mens nog steeds de mogelijkheid om tussen licht en donker te kiezen; ook dan kan de mens nog steeds bepalen, hoe ver hij in het licht wil verder gaan enz.. Men heeft een vrije wil.

Vergeet niet, dat uit vele levens en incarnaties, uit ongetelde ervaringen, het wezen is ontstaan, dat men nu het ik noemt. Dit stoffelijke ik, dat in de materie kenbaar is, vormt daarbij nog weer een beperking van het werkelijke geestelijke wezen, dat men is. Deze beperking moet in het contact met de geest verwerkt worden. Indien men in de stof het ik anders heeft leren beseffen en zien, zichzelf anders kent dan vroeger, ontstaat een geheel nieuw stoffelijk ervaren. Dit wordt door de geest verwerkt en doet het eigen wezen verder in het licht doordringen. Denk niet, dat dit alleen een kwestie is van een wandelen in de tuinen van de lichte geest. Want uiteindelijk zijn dergelijke sferen niets anders dan gedachtebeelden, gespiegeld in de werkelijkheid. Werelden, waarin ook de mens zich soms mag ontspannen, maar die toch geen werkelijke of blijvende betekenis kunnen hebben. Het is eerder een gaan op een soort pad. Dit pad is tevens deel van een lichtend wezen, dat je ik doordringt, je weet niet precies hoe. Het gevolg is, dat je bemerkt: Mijn wereld is veranderd, ook al kan ik niet precies zeggen, hoe en in welk opzicht. Mijn wereld is anders, alles krijgt voor mij een nieuwe betekenis. Het is, of alles voor mij een nieuwe naam heeft gekregen…

Soms zal men zich daarbij voelen als de eerste mens in de bijbel, gedrongen om alle dingen opnieuw een naam te geven, die past bij het wezen. Dat in deze stijging van geestelijk bewustzijn voor de mens ook tevens het contact met het Goddelijke licht, een intenser ervaren van contacten met de Groot-Goddelijke krachten en de grote meesters gelegen zal zijn, is wel duidelijk, maar zelfs deze ontmoetingen hebben niet meer het karakter van les, van directe leringen. Zij zijn eerder een delen van existentie, een versmelting van wezen. Dat deze versmelting van het ik met hogere geestelijke krachten in deze dagen steeds sterker op zal gaan spelen, is ongetwijfeld mede te danken aan de inwerkingen van de komende kosmische Heerser.

Na deze vragen gesteld te hebben en een antwoord daarop gevonden te hebben, besef ik, dat zij hoofdzakelijk betrekking hebben op de werelden van de geest. Laat ons daarom nog even terugkeren tot de stofwereld.

Voor de mens mag gelden: Wat hij ziet in de stof en beleeft in de stof, is hoofdzakelijk afhankelijk van hetgeen hij denkt. Het is het eigen denken, dat regeert, niet een stoffelijke werkelijkheid. Daarom kan onze eigen relatie als mens en denkend wezen tot de ons omringende wereld in de stof van ogenblik tot ogenblik veranderen. Men blijft altijd daarbij aan de stoffelijke beperkingen gebonden. Men kan niet zonder meer een kerk in een boom en een boom in een kerk veranderen. Dat is alleen in een sprookje mogelijk. Misschien dat de allerhoogst bewusten ook over de krachten zullen beschikken om dit in feite te doen, maar wel kunnen wij in een kerk een boom zien en zo het contact met God, dat normalerwijze in de kerk plaats zou vinden, nu ook bij de boom vinden, of omgekeerd de ervaring van schoonheid e.d., die de boom bij ons opwekt, overdragen op de kerk. De beheersing van het denken vergroot aanmerkelijk de versatiliteit van de stofmens. De materie zelf is gebonden aan nauwe en vaste wetten. De eigenschappen van de stof zijn gebaseerd op de omloop der kleinste delen in het atoom rond hun kernen. De emissie der kleinste delen is eveneens gebonden aan vaste regels. Wanneer in een van deze waarden iets verandert, zal de geaardheid van de materie zodanig gewijzigd worden, dat zij toch aan de algemene wetten en regels kan blijven verantwoorden. Hierbij kunnen krachten vrijkomen, die op de materie een vervormende of zelfs vernietigende invloed uitoefenen; indien geen evenwichtige aanpassing aan de wetten der materie mogelijk is, zal de materie in energie worden omgezet. Schijnbaar kleine wijzigingen kunnen dan ook werkingen veroorzaken, die schijnbaar buiten elke redelijke verhouding staan.

Stel, dat in een atoom met 64 omlopende elektronen een kleine kracht optreedt, waardoor het atoom 2 omlopende deeltjes emitteert. Dan verandert het wezen van het atoom, waarin dit geschiedt, maar zal – dank zij de geëmitteerde deeltjes – eveneens een dergelijke verandering in omliggende miljoenen kleinste deeltjes op kunnen treden. Dan verandert een klein stukje stof zijn kwaliteiten.

Laat ons stellen, dat met betrekkelijk geringe krachten van binnenuit de waarde van een kleinere hoeveelheid materie veranderd kan worden. Dan kan door deze betrekkelijk geringe kracht zeer veel bereikt worden. Stel, dat ik een stukje materie van structuur of samenhang doe veranderen in een kogel, die als basis dient voor een grote antennemast; b.v. van een of andere zender. Wanneer in de isolerende kogel een kleine verandering optreedt, zullen de daarop heersende druk en de daarin heersende spanningen zelfs de gehele kogel kunnen doen springen. De mast valt om, met alle daaruit voortkomende vernietigingen. De oorzaak is klein, maar optredende op de juiste plaats, kan zij voor de mens zeer grote, of belangrijke gevolgen scheppen.

Nu kunnen dergelijke kleine veranderingen ook tot stand gebracht worden door een sterk geconcentreerd menselijk denken. Daarnaast kunnen zij veroorzaakt worden door geestelijke energieën, die – meestal door een stoffelijke kracht of gedachte geleid – op een dergelijk punt gericht zijn. Hieruit volgt dan, dat de menselijke gedachte en onder omstandigheden, ook het ingrijpen vanuit de geest, in staat zullen zijn de veranderingen in stoffelijke verhoudingen te veroorzaken.

Nu zal men zich afvragen, of een dergelijke schade met dezelfde middelen hersteld kan worden. Neem de mast van zo-even. Wanneer A de kogel kapot denkt, kan een ander deze kogel niet meer heel denken. De kleine wijziging heeft gevolgen. Zij is daarom blijvende en kan alleen door een volgend ingrijpen gewijzigd worden, wanneer dit uitgaat van de toestand, waarin de materie dan verkeert. Men kan b.v. de zacht geworden delen van de kogel wel weer hard maken, maar daarmee heft men de schade van het in puin vallen niet op en herstelt men de vorige situatie niet. Om dit te kunnen doen zou men over oneindig meer kracht moeten beschikken.

Wanneer vele mensen ongeveer gelijk negatief denken, zullen uit die gedachten vernietigende werkingen ontstaan, die door concentratie zelfs bijzonder grote gevolgen kunnen hebben. De mensen zullen niet bewust negatief denken. Men denkt nu eenmaal niet allen gelijktijdig: “Viel dat Kremlin nu maar in elkaar”. Maar in het begin, toen een ieder vol haat aan de Berlijnse muur dacht, vielen daar steeds weer stukken van in. Nadat men er aan gewend was geraakt, dat die muur er nu eenmaal was, hield dit op. Omdat nu het grootste deel van de negatieve gedachtekracht van de mensen niet gericht is, maar eerder als een soort donderwolk in de lucht zweeft, kan worden gesteld: Willekeurig zullen flitsen van deze gedachtekracht inslaan in alle punten, waarin deze kracht werkzaam kan zijn. De gevolgen zijn geheel verschillend en niet te overzien. Als gevolg van het negatieve denken van de mens is het evengoed mogelijk, dat zonder kennelijke redenen ergens een brug in stort, een mens sterft, een vulkaan uitbarst, een aardverschuiving optreedt enz. Alles, wat door een betrekkelijke kleine impuls aan het werk kan worden gezet, kan actief worden. Overal, waar sprake is van een labiele toestand, kan het negatieve denken opeens en vaak met rampzalige gevolgen kenbaar worden. De mensheid beseft dit onvoldoende en kan daardoor weinig hiertegen doen. Wanneer ik een in verhouding zeer kleine bliksemafleider heb, kan ik een zeer grote spanning, een vonk van zeer hoog voltage, afleiden zonder schade. Op dezelfde wijze kan ik stellen: Wanneer ik een betrekkelijk klein aantal positief bewust denkende mensen heb, kan ik een soort bliksemafleider scheppen, waardoor vele negatieve invloeden kunnen afvloeien en onschadelijk weer als energie in de mensheid op kunnen gaan. Dit kan – vanuit de mens – wel degelijk gebeuren. De geest is hier in het nadeel, want de geest kan een dergelijke bliksemafleider zelf niet vormen. Zij behoort tot een andere wereld en kan de vrijkomende energie niet meer terugleiden tot haar punten van oorsprong. De werkingen komen uit de wereld voort. Overal, waar een teveel t.o. een tekort komt te staan, zal een aanvullen van het tekort noodzakelijk zijn.

Wanneer een groot deel van de aardse gedachtekracht wordt overgedragen aan de negatieve gedachtewolk, zal er op aarde een feitelijk gebrek aan deze kracht ontstaan, een gebrek aan energie enz. Alleen hierdoor kan dan de afgevloeide kracht weer zonder meer geabsorbeerd worden.

Dus: Werkingen van menselijke gedachtekrachten in negatieve zin kunnen alleen door gelijkelijk menselijke invloeden van positieve geaardheid voorkomen worden. De geschetste wolk komt ongeveer overeen met de heersende toestand op aarde. Vandaar, dat het aan betrekkelijk kleine groepen van mensen mogelijk zal zijn – door het gebruiken van bewust positieve gedachten – vele gevaren weg te nemen. Dan kan men dus zovele ongewenste verstoringen in de materie voorkomen.

De geest in deze dagen is zich van alle gevaren wel degelijk bewust. Zij weet, welke gevolgen daaraan verbonden zijn. Zij weet ook, dat in vele gevallen een negatieve gebeurtenis, een gevolg van negatief denken, gepaard gaat met een paniek, die op zijn beurt de negatieve inwerkingen weer aanmerkelijk versterkt. Toch kan die geest zelf geen bliksemafleider vormen. Zij kan wel trachten aan al wat er op aarde aan positieve gedachten bestaan, meer vorm te geven. Gezien ons voorbeeld van zo-even denk ik hierbij aan de experimenten van Benjamin Franklin. De wind zelf kan geen elektriciteit afvoeren, maar zij kon de vlieger van Franklin wel zo hoog doen stijgen, dat de ontladingen voortijdig en alleen op deze vlieger plaats vonden, zodat de blikseminslag dus elders enigszins beperkt werd.

De geest kan aan degenen, die positief denken, zoveel stuwkracht, geestelijk vermogen geven, dat zij meer dan normaal aan positieve werkingen kunnen veroorzaken en daardoor dus meer dan eigenlijk verwacht mocht worden, zullen kunnen voorkomen. De geest is wel in staat iets te doen en behoeft niet machteloos toe te zien bij het gebeuren dezer dagen. Zij is echter steeds afhankelijk van de mogelijkheden en hulp, die zij op aarde kan vinden. De mens op aarde is in staat ook zonder deze hulp, zo nodig eigen denken en mentaliteit, te veranderen.

Dit belicht weer bijzonder sterk een in deze dagen belangrijk aspect: D e mensen, die bang zijn, of zelf in paniek verkeren, vormen een sterke negatieve invloed. Zij vormen daardoor zelf het duistere veld van kracht, dat hen bedreigt en vanwaar zij steeds sterker getroffen kunnen worden. Indien de mensen zich in de eerste plaats op het lichtende richten, dat in deze dagen ongetwijfeld steeds aanwezig is, zal de kans, dat zij getroffen worden door negatieve invloeden, sterk verminderen. Hoe meer van de negatieve krachten door het positieve denken kunnen worden herleid tot normale levenskrachten – wat hen meer positief maakt – hoe meer mensen men gelijktijdig beschermt en hun levensvreugde terug schenkt. Zoals u weet, kan één enkele bliksemafleider reeds voldoende zijn om meerdere lagere gebouwen in de omgeving tegen te veelvuldige inslag te beschermen. Hoe groter het aantal bliksemafleiders, hoe minder kans, dat de bliksem naar de aarde slaat en hoe kleiner de kans, dat iets anders dan juist deze bliksemafleiders getroffen zal worden. De laatsten zullen zonder schade de opgenomen inslag naar de aarde afleiden.

Wanneer de geest dus maar in staat is op enkele punten het geestelijk bewustzijn sterk op te voeren en de positieve samenwerking daarin zo intens en bewust mogelijk te maken, zal veel van hetgeen dreigt, mede door het werken van de geest worden afgewend.

Het belangrijkste punt: Door betrekkelijk weinige bewusten kan een groot aantal onbewusten afdoende beschermd worden. Bij het bezien van de verschillen tussen stof en geest blijkt, dat dezen niet alleen in geaardheid en voorstellingsvermogen zijn gelegen, maar tevens kenbaar worden in de mogelijkheden, die men in beide vormen kan vinden, te werken en ingrijpen.

Er bestaan op aarde soms vreemde opvattingen over hetgeen de bewuste mens eigenlijk moet doen. Men stelt b.v.: Ik moet voornamelijk in de geest werken…. Voor dit werken in de geest is de mens wel geschikt. Maar werkelijk geestelijk belangrijke resultaten zal hij ten hoogste in eigen of een lagere wereld kunnen bereiken. In een hogere wereld kan men geen werkelijke invloed uitoefenen; door voortdurend te trachten in een hogere wereld te leven en werkzaam te zijn, zal men geen grotere kracht kunnen bereiken, die stoffelijk kenbaar is, maar met de stof is dit wel mogelijk. Door op de juiste wijze het stoffelijk denken, eigen houding t.o. de wereld, eigen handelen, te wijzigen, zal men vele dingen op aarde bereiken, die voor de geest zonder stoffelijke hulp niet bereikbaar zijn.

Omgekeerd zal de geest een stuwing, een energie, kracht en licht kunnen voortbrengen – vaak gepaard gaande met een bewustwording – die geen mens aan een andere mens kan schenken.

Toch zal de geest deze krachten nimmer in een stoffelijke werkelijkheid om kunnen zetten, of zelfs maar aan de mens kunnen opleggen als een noodzaak. De geest kan de mens niet als een soort ledenpop hanteren, ondanks haar grotere kracht en mogelijkheden. Wanneer zij dit toch tracht te doen, verliest zij daardoor tijdelijk een groot deel van haar eigen krachten, zonder daarvoor de stoffelijke krachten en mogelijkheden te winnen, die in de mens zijn gelegen, zodat zij daardoor in feite machteloos wordt. Dit betekent, dat men nimmer mag spreken van een alleen op de geest vertrouwen, zolang men in de stof is. Eveneens mag men als mens – tenzij men alle mogelijkheid tot het verkrijgen van geestelijke hulp wil ontberen – alleen maar stoffelijk redelijk denken en leven. Er zal steeds sprake dienen te zijn van een zo bewust mogelijk in stof en geest samenwerken met de krachten, inspiraties, de lessen en het weten, die de geest aan de mens kan verschaffen. Alleen dan is in de stof een juist en positief resultaat met zo groot mogelijke invloed en kracht bereikbaar.

In deze dagen betekent dit: Mens, wees eerst eens zelf positief! Maak het mogelijk, dat je vanuit de geest geholpen wordt, maar vergeet daarbij niet, dat je uiteindelijk toch zelf zult moeten beslissen. Vanuit de geest zien wij natuurlijk de beperktheid van vele stoffelijke denkwijzen, het onvolkomene van vele, z.g. redelijke en esoterische begrippen. Wij zouden deze graag aan de werkelijkheid aangepast zien en zijn soms geneigd te zeggen: Waarom begrijpen de mensen niet beter, wat wij zijn, wat wij kunnen en wat voor henzelf noodzakelijk is. Wat niet wegneemt, dat wij, zodra wij in de stof zijn, dezelfde fouten maken, die de doorsnee mens nu eenmaal schijnt te moeten maken. Daarom heb ik getracht dit onderwerp vooral vanuit uw wereld te zien en daarbij voor u belangrijke of interessante punten naar voren te brengen.

Bij een geestelijk stijgen komen positieve en negatieve waarden dichter bij elkaar te liggen.

Redelijk gezien zou men zeggen: Verder van elkaar af. Dit punt heeft esoterische achtergronden, zodat ik van een meer abstract punt dien uit te gaan: In God zijn licht en duister gelijkelijk aanwezig, beiden deel van Zijn wezen en binnen Zijn wezen van elkaar niet te onderscheiden, want God is het Alomvattende. Wanneer ik dicht bij God ben, zullen dan ook de waarden Licht en Duister dicht bij elkaar liggen. Zij doordringen a.h.w. elkaar reeds ten dele. Positief en negatief, licht en duister, zijn een interpretatie van het Goddelijke, gegeven vanuit ons wezen en de weg, die ons wezen moet volgen. Naarmate wij dichter bij ons doel komen, zullen de tegenstellingen dichter bij elkaar komen te liggen en voor ons, t.o.v. elkaar, ook minder gewichtig zijn. Op den duur zullen wij erkennen, dat alle tegenstellingen alleen nog in ons bestaan. Door het verwerpen van deze tegenstellingen kunnen wij in God opgaan. Door ’t erkennen van de tegenstellingen kunnen wij God aanschouwen, maar stellen wij onszelf tevens grenzen, buiten welke ons wezen niet kan gaan.

Conclusie: Hoe meer wij beseffen van de werkelijke inhoud en waarde van ons leven, hoe minder tegenstellingen er rond ons zijn en hoe dichter deze elkaar benaderen. Hoe minder wij ons eigen wezen beseffen en kennen, hoe groter het aantal tegenstellingen, dat in ons bewustzijn plaats vindt, hoe verder ook deze tegenstellingen uiteen liggen voor ons. De onbewuste is geneigd alle tegenstellingen aan te dikken en zo sterk mogelijk te omschrijven.

Voorbeeld: Voor een kind, of een zeer eenvoudig mens, bestaat de wereld alleen uit wit en zwart. Naarmate men wijzer wordt en minder intens zichzelf leeft, ontdekt men, dat er vele variaties van grijs en bijna wit tussen deze tegenstellingen bestaan. Zij liggen verder uiteen, omdat wij nu eenmaal minder bewust zijn van het eigen wezen en meer ons beeld zoeken te kennen in de wereld. Wanneer wij meer bewust worden, zien wij in, dat punten, die wij grijs noemen, voor een ander reeds zwart zijn, terwijl ons wit misschien voor een ander slechts grijs is. Men beseft, dat er verschillende schalen van waardering mogelijk zijn. Wie beseft, dat zijn schaal van waardering uit hemzelf voortkomt, ziet tevens in, dat vele verschillen niet werkelijk zijn, maar door hemzelf geschapen werden. Daardoor zal men steeds minder oordelen en steeds meer een beroep doen op God. Hoe meer ik God zie als het enig belangrijke, hoe dichter de tegenstellingen als begrenzing van eigen wezen mij nader komen. Wij hervinden het kinderlijk besef, waarin het ik alleen goed en niet-goed erkent, maar geen tussenfasen aanvaardt.

Er komt een ogenblik, dat men erkent: God leeft in beiden. Dan kies ik niet meer. Op het ogenblik, dat voor mijzelf geen keuze meer noodzakelijk is, is er ook geen beweging vanuit mijzelf meer aanwezig. Ik bereik de toestand, die men wel Nirwana noemt: het bewust Niet-bewustzijn en bewust zijnde opgelost zijnde in Al, van zichzelf onbewust geworden, het Al ervaren.

Voor een mens zijn deze stellingen theorie, die niet in werkelijkheid kan worden omgezet. Toch blijkt, dat ook de geest, die binnen het menselijke voertuig in de richting van het direct ervaren van het Goddelijke voort streeft, een ongeveer gelijk aspect beleeft en daardoor niet meer tot een oordelen over anderen of de wereld komt. Ook hier geldt: Naarmate men meer de wil Gods in zich ervaart, zal men minder geneigd zijn te oordelen. Omdat de werkelijke tegenstellingen worden teruggebracht tot een: Dit is mijn weg in God, het andere is niet mijn weg in God; het verdere gaat mij niet aan.

Vragen

  • Waarom spreekt het Christendom altijd over gered worden? Voor iemand, die een andere godsdienst belijdt, lijkt dit een dwang om uit angst Christen te worden.

In het gered worden ligt tevens een zelf niet kunnen, of zelf niet behoeven te doen, opgesloten. M.a.w.: Er kan aan de nadruk hierop wel een zekere luiheid ten grondslag liggen.

Waarom men de nadruk hierop zo sterk legt, wordt duidelijk, indien men zich realiseert hoever de z.g. Christelijke leefwijze afwijkt van hetgeen Jezus van Zijn leerlingen verlangde en aan Zijn volgelingen predikte. Vaak wordt het “gered worden” inderdaad als een dwangargument gebruikt. Zij, die hierover spreken, menen werkelijk, dat alles is, zoals zij het zien, zodat ik daarin geen kwade bedoeling kan vinden. Toch zien zij het m.i. verkeerd: Zij denken, dat Jezus de hijskraan is, die je naar de hemel optrekt, terwijl Jezus van Zichzelf zegt, dat Hij de weg is, die men moet gaan, wat wel een groot verschil is.

  • Er werd gesteld: De mens, die zich volledig kan concentreren, zich geheel van het gewenste bewust is enz., is meester van alle materiële Deze kan alles naar eigen wil doen ontstaan en veranderen.

Wanneer u aanneemt, dat de mens zich niets kan voorstellen, dat niet al in God bestaat, omdat het menselijke denken niet buiten de grenzen van het Goddelijke kan gaan, is de beperking van deze stelling mede gegeven. Volgens haast ieder geloof is de mens gemaakt naar het beeld van God, dan wel een zoon van God. Hieruit vloeit voort, dat in de mens Goddelijke krachten kunnen schuilen. Verder weten wij, dat geconcentreerde menselijke gedachten t/m in de fijne astrale materie een matrix vormen kunnen, waarin een vormwezen en de in hem wonende Goddelijke kracht richt op een bepaald doel of voorwerp, dit door de in hem aanwezige Goddelijke kracht zal kunnen verwerkelijken.

Een beperkter voorbeeld in het dagelijkse leven: Een mens, die begint als bedelaar en zich ten doel stelt miljonair te worden, daaraan alles offerende, bereikt hij ook dit doel. De mens, die ondanks alle tegenslagen en gebrek aan onderwijs zich ten doel stelt wetenschap te verwerven, wordt tot een bekend geleerde. Men mag dan ook wel stellen, dat de mens, die alles – zichzelf inbegrepen – offert aan het doel, dat hij zich gesteld heeft, dit bereiken zal. De mens, die al zijn energieën bewust weet te richten en te gebruiken kan zelfs – binnen het Goddelijke – scheppend werken; als Jezus broden vermenigvuldigen, uit stenen brood maken, water tot wijn doen worden enz. Oorzaak hiervan: De volledige concentratie, plus het geloof of weten, maken het in ons levende Goddelijke actief. Hoe hoger het bewustzijn, hoe hoger ook het vlak, waarop het nog geldt en de scheppende werkingen tot uiting komen. De mens, die zich geheel van het Goddelijke in zich bewust zou zijn, zou ook geheel het Al kunnen herscheppen. Wie echter God kent, zal dit waarschijnlijk niet wensen. Dit kunt u zich misschien moeilijk voorstellen. Bedenk, dat juist de stelling: Dat kan ik niet, dat kunnen wij toch niet, vele malen mensen van bereikingen heeft terug gehouden.

image_pdf