Vergeten waarden van het christendom

23 februari 1958

Ik doe dit in zekere zin ook meteen voor onze Orde, voor onze groep. Want Jezus geeft een gelijkenis omtrent de barmhartige Samaritaan, waarbij hij vastlegt, wie men als zijn naaste kan beschouwen. Hier maakt Jezus een kennelijk verschil tussen de naasten en anderen. Voor degenen, die de gelijkenis kennen, komt dit duidelijk uit, want de Samaritaan is de naaste van de gewonde. Maar bij implicatie zijn dus de Levieten en de priesters niet zijn naasten.

Wanneer wij verdraagzaam willen zijn, kunnen we een dergelijk verschil helaas ook maken. Er zijn dus mensen, voor wie verdraagzaam zijn betekent: aanvaarden van een ieder, met wie je in harmonie bent. Gelijktijdig is het evenzeer verdraagzaam om, waar geen harmonie bestaat, in de eerste plaats het eigen “ik” te handhaven. In vele gevallen ontstaat zowel bij het christendom als bij andere denkrichtingen een verwarring omtrent deze punten en ik wil trachten deze uiteen te zetten op basis der kosmische wetten en verhoudingen.

In de kosmos kan worden gezegd, dat van uit het Goddelijke alles harmonisch is. Van uit ons eigen standpunt en in onze eigen wereld kan echter worden gezegd, dat slechts datgene met ons harmonisch is, dat beantwoordt aan onze behoeften en het ons mogelijk maakt te begrijpen. Waar onbegrip bestaat, of waar een vervulling van een noodzakelijke behoefte wordt afgewezen, daar bestaat uitdrukkelijk geen harmonie. Integendeel, er ontstaat strijd.

Nu zeggen de wetten van oorzaak en gevolg, dat wanneer ik een daad stel ten goede, deze gevolgen ten goede zal hebben. Maar er staat nergens in de wet van oorzaak en gevolg, dat wanneer ik een invloed ten goede heb geschapen, ook alle andere invloeden gelijkelijk ten goede gericht zullen zijn. Er is hier wel uitdrukkelijk een verband tussen oorzaak en gevolg in een zeer beperkte en nauw omschreven zin. Het resultaat is, dat wij moeten stellen: In de wereld, waarin wij leven – onverschillig of deze als sfeer dan wel stoffelijk gezien moet worden – zijn een groot aantal waarden met ons wezen niet harmonisch. Slechts enkele waarden bezitten deze harmonie reeds. Uit hetgeen nu in overeenstemming is met ons wezen, kunnen wij een voortdurend grotere harmonie bevorderen met de wereld, met al hetgeen wij dus beleven en rond ons zien. Maar het zou dwaas zijn aan te nemen, dat alles nu plotseling in overeenstemming, in éénklank is. Want nemen wij dit aan, dan accepteren wij voor ons vernietigende factoren. Deze vernietigende factoren mogen misschien – gezien van uit de kosmos – in een volledige harmonie ingepast kunnen zijn, voor ons persoonlijk betekenen zij een bedreiging van onze persoonlijkheidswaarden, van onze persoonlijke bewustwording en dus ook van onze mogelijkheid om tot een inniger en dieper begrip te komen van de kosmos en de Schepper.

Welke houding moeten wij nu aannemen jegens alle punten, die niet in harmonie zijn? In de eerste plaats: Volgens Jezus geheime leer mogen wij stellen, dat “wie niet met mij is, tegen mij is.” In die zin zoals gezegd hier tegen Andreas, Johannes en Bartholomeus dat degenen, die niet met mij samen zijn en met mij treden voor de Vader, buiten mij staande treden voor andere waarden van de Vader, dan zoals Hij Zich aan mij openbaart. Daardoor zijn zij voor mij niet bereikbaar, mag ik deze waarden verwerpen en moet ik in ieder geval deze waarden niet achten te zijn op mijn eigen pad.

U zult begrijpen, dat Jezus dat niet voor niets heeft gezegd. Want stel nu eens, dat er een waarde bestaat in het Al, onverschillig welke, die ons tegemoet treedt in strijd met onze eigen ontwikkeling. Nu kunnen wij in naastenliefde zeggen: “Ja, maar ook hierin leeft God.” Wij kunnen in verdraagzaamheid zeggen: “Wij moeten ook dit ondergaan.” Maar het is in strijd met óns wezen. Een aanvaarding daarvan onverschillig of dit gebeurt ommentwille van verdraagzaamheid of liefde betekent gelijktijdig dus een ondergang van een deel van ons wezen. En dit is het nu, dat wij niet mogen en kunnen aanvaarden. Wij moeten dus trachten om deze invloed buiten ons te stellen. Wij mogen haar niet toelaten tot ons leven. Ja, wij mogen onder omstandigheden zelfs met geweld verweer plegen, zonder hierbij te zondigen, ons te vergrijpen aan de wetten der naastenliefde of aan de gedachten der verdraagzaamheid.

De strijdloosheid, die menigeen wil zien in het begrip verdraagzaamheid, de algehele wereldaanvaarding ten koste van alles, die sommigen menen te mogen stellen voor het begrip naastenliefde, kan, niet juist zijn. Van uit een persoonlijk standpunt stel ik immers: In mij leeft God. Mijn ziel is een deel van het Goddelijke. Als zodanig kan ik deze God nooit benadelen door dit “ik” in stand te houden, God leeft in mij, Zou ik mijzelf verdelgen, dan zou ik het begrip van het Goddelijke in mijzelf ten onder brengen. Ik zou hiermede van uit mijn persoonlijk standpunt God schaden, dus kwaad stellen tegenover de scheppende Kracht. Wanneer ik mijzelf ten koste van anderen uitbreid, zal ik hierin het goddelijk begrip aantasten, zoals dit in deze andere waarden bestaat. Dit is niet mijn recht. Want zo goed als God in mij heilig is, is Hij heilig in alle dingen. Ik mag echter wel degelijk voorkomen, dat een ander tracht zijn wezen ten koste van mij uit te breiden. Daar staat tegenover, dat zeer vele dingen voor mij begrijpelijk en aanvaardbaar zijn. Ik kan hierin. a.h.w. mijn eigen wezen erkennen en zonder deze waarden te vernietigen kan ik ze voegen bij mijn eigen bestaan en wezen. Hierin is de uitbreiding van bewustwording, die genoemd kan worden het Koninkrijk Gods in de zin, waarin ook Jezus dat woord wel gebruikt.

En nu even de consequenties, zoals die voor de Orde der Verdraagzamen dus liggen: Wij zullen te allen tijde bij een verzet t.o.v. een ander verdraagzaam moeten zijn in de zin, dat wij ons niet door drift of woede laten bewegen, noch ons laten drijven door krachten, die wij niet begrijpen. Wij hebben niet het recht anderen te schaden, te benadelen of andoren onze wil of mening op te leggen, zolang deze anderen zich niet bewegen in strijd met ons eigen streven en voortdurend zijn binnen het bereik van onze eigen ervaring. Wij hebben echter het volste recht om een ieder, die een aantasting van onze eigen waarde, een beperking van onze eigen ervaringen betekent, in zoverre in zijn bestaan, in zijn levensuiting, in zijn mogelijkheden te beperken, als noodzakelijk is om voor onszelf een volledige vrije bewustwording ook verder mogelijk te maken.

Misschien is het verstandig, wanneer ik hier toch een ogenblik grijp naar de gelijkenis om zo duidelijk te maken, wat ik in feite hiermede heb willen zeggen: Er leeft een mens op aarde, die gelukkig is. Rond hem leven velen, die ongelukkig zijn. En hij zal geneigd zijn om hun ongeluk te zien als een vermindering van zijn eigen geluk. Nu leert hij, dat sommigen van hen in hun ongeluk hulp kunnen aanvaarden. En het feit, dat hier het ongeluk verminderd kan worden, ja, teniet gedaan, betekent een vergroting van innerlijke vreugde. In ware naastenliefde begeeft zo deze mens zich onder hen, die ongelukkig zijn en geeft hun van zijn eigen geluk, tracht hen te brengen tot een grotere intensiteit van leven en een juister aanvaarding van het leven en de schepping.

Hu ontmoet hij echter een enkeling, die evenzeer ongelukkig is en die in plaats van de poging om geluk te brengen, te aanvaarden zich daartegen met verbeten haat verzet. Voortdurend tracht dit wezen om het geluk van die eerste teniet te doen, zonder ook maar één ogenblik een mildering van eigen toestand, van ongeluk te willen aanvaarden. Zo zal hij, die gelukkig is, trachten om juist deze ongelukkige, die zijn ongeluk als een bezit beschouwt, uit zijn leven weg te bannen. En indien deze ongelukkige daaraan geen gehoor geeft en tracht zich voortdurend in te dringen in het leven van hem, die gelukkig is, dan is het zijn recht hem te ketenen, opdat hij niet de harmonie, die in zijn wezen bestaat, zal kunnen benadelen.

Zo gaat het ons ook. In het leven zijn we allen onderworpen aan de grote wetten. En die grote wetten impliceren, dat wij om gelukkig te zijn geluk moeten scheppen. Dat wij om God te vinden a.h.w. de krachten Gods moeten openbaren door ons wezen. In die wetten staat geschreven, dat het ons wezen zelve is, dat bepaalt hoe wij bestaan; niet voor een enkele korte wereld maar voor alle wereld. Deze wetten geven ons de mogelijkheid en de kracht door te gaan in alle beleving. En niets kan ons hierbij belemmeren. Al wat gij wenst kan het Uwe zijn, indien gij de prijs daarvoor kunt betalen. Doch indien hetgeen gij wenst te bezitten goddelijk licht is, goddelijke vreugde en goddelijke kracht, dan zult ge daarvoor als loon moeten geven al datgene, wat beperkt en tijdelijk is, zoals bezit, persoonlijke liefde, zekerheid. Want deze dingen behoren niet tot het Koninkrijk Gods maar tot de waan der mensen.

Iemand, die verdraagzaam is, moet het ook kunnen tolereren en verdragen, dat een medemens zich niet een dergelijk groots doel stelt. Want ieder mens heeft het recht om zijn eigen weg te gaan. Ieder heeft het volkomen recht zijn eigen waarheid te vinden en te zoeken. Jezus zegt niet tot zijn leerlingen – zoals later foutievelijk op grond van een uitspraak van een der apostelen is geïnterpreteerd – “Dwingt hen om in te gaan.” Want dwang op zichzelf zou een vernietiging van harmonie betekenen en zo het Koninkrijk Gods vernietigen. Maar wel zegt hij: “Gaat en onderwijst alle volkeren.” En hierin ligt misschien de beste uitdrukking van hetgeen de christelijke taak is van een ieder en die hij – of hij zich bekent tot een religie gebaseerd op het christendom of niet – altijd weer zal moeten realiseren.

Het is onze taak anderen de mogelijkheid te geven te delen in hetgeen wijzelf verworven hebben. Het is onze taak voortdurend die anderen te helpen, wanneer zij ons vragen om bijstand. Het is onze taak hun te geven voor zover als geven mogelijk is zonder daarmee de harmonie van ons eigen wezen te verstoren. Aan de andere kant echter hebben wij geen enkel recht noch de plicht om aan anderen onze waarheid te geven als de enige waarheid; hebben wij geen recht anderen de beperkingen op te leggen, die wij voor onszelf aanvaardbaar hebben gevonden voor het volgen van een juiste weg. Zelfs indien wij het Koninkrijk Gods hebben gevonden op deze wijze en zo een volledige harmonie, een volledig geluk in onszelf kennen, dan nog hebben wij geen recht de grondvoorwaarden van dit geluk aan anderen op te leggen. Want zoals Jezus zelve zegt: “In het Huis mijns Vaders zijn vele woningen.” Er zijn vele wijzen, waarop men tot God kan komen. Er zijn vele wijzen, waarop men in God het geluk en de harmonie kan vinden.

Dit te accepteren is vaak erg moeilijk. Want wat voor ons waar is, krijgt zo’n sterke invloed op ons leven, wordt zo bepalend voor al wat wij doen, al wat wij denken, dat wij haast niet meer in staat zijn om daarnaast nog iets anders als gelijkwaardig te erkennen. Toch moeten wij ook dit kunnen doen. Laat ons niet vergeten, dat zelfs indien men ons komt vragen: “Wat is je weg?” wij deze weg niet mogen opleggen. We mogen slechts de voorwaarden daarvan stipuleren.

Hier geeft Jezus wederom het voorbeeld, wanneer een rijke jongeling tot hem komt en hem vraagt: “Meester, wat moet ik doen om u te volgen?” Het antwoord is? “Keer terug, neem uw bezit, verdeel het aan de armen. Erken geen relatie meer, vrouw noch kind, vader noch moeder. En volg mij.” Wanneer deze jongeling dan wenend heengaat, omdat het hem te veel is, dan zou het Jezus misschien mogelijk zijn met enkele woorden hem te bewegen toch dat offer te brengen. Hij doet het niet. Het zou misschien mogelijk zijn geweest op een andere wijze, meer passend, minder abrupt deze mens de eisen van zijn weg te tonen. Hij doet dit niet. Want Jezus is uitdrukkelijk niet de dwingeland, niet de dictator van het geestelijk leven, die men zo vaak van hem tracht te maken. Jezus is de leraar, die een bepaalde en zuivere weg weergeeft. Wie deze weg kan en wil aanvaarden, is welkom. Wie deze weg niet kan aanvaarden, is welkom om zijn eigen weg te gaan. Slechts wie Jezus weg aanvalt, vindt tegenover zich de grote kracht, het grote bewustzijn, dat Jezus is.

Juist in het kader der verdraagzaamheid valt ons vaak de handelwijze van Jezus buitengewoon sterk op. Wanneer Jezus in een stad is, ziet hij, hoe men een vrouw een overspelige vrouw brengt om haar te stenigen. En nu mogen we nooit uit het oog verliezen, dat Jezus machtig is, dat Jezus dus deze handeling in strijd met zijn wezen ook op een andere wijze had kunnen voorkomen. Wat doet Jezus echter? Hij schrijft met een twijg in het zand. Meer niet. Wat hij heeft geschreven, staat nergens vast. Hoe hij heeft geschreven, heeft niemand bepaald. Maar zij, die hem zagen schrijven, lazen hun schuld in het zand en ze gingen heen, beschaamd. En Jezus zag op naar de vrouw en zegde: “Ga heen en zondig niet meer.”

Een typisch voorbeeld van ware christelijke naastenliefde, van ware christelijke verdraagzaamheid. Deze overspelige vrouw is niet in harmonie met Jezus. Zij kan deze harmonie verwerven, dat is zeker. Maar Jezus heeft geen enkele reden om haar tot zich te nemen en haar een les te geven, Hij zegt slechts: “Ga heen en zondig niet meer.” Met andere woorden: Zoek voor uzelf vrede en harmonie. Dat is zijn enige raad. En al die anderen, die hij hun zonden had kunnen verwijten met een felheid, die hen in het geheel van de samenleving dier dagen vernietigd zou hebben, zegt hij niets, hij schrijft in het zand. En wanneer zij heengaan, wist hij het uit. Jezus heeft het recht tegen hun haat en zelfoverschatting het wapen van zijn kennis te gebruiken. Maar hij beperkt zich in dit gebruik zo ver, als noodzakelijk is om de uiting, die strijdt met zijn wezen, onmogelijk te maken. Verder gaat hij niet.

Nu zouden we dit verder kunnen vervolgen langs de weg van oorzaak en gevolg. Want had Jezus de overspelige vrouw een les gegeven en onmiddellijk a.h.w. in zijn kring van gelovigen betrokken, dan zou zij waarschijnlijk daarin door haar leven en denken een punt van strijd geworden zijn. Ze had de harmonie tussen Jezus en zijn leerlingen verstoord. Ze had het aanzien van Jezus in de wereld aanmerkelijk verminderd op een ogenblik, dat dit aanzien noodzakelijk was om zijn leer te brengen. Had hij haar zonder troost heengezonden, dan had ze met een zekere haat tegenover hen, die haar wilden stenigen, waarschijnlijk getracht om nog slechter te leven. De wijze, waarop Jezus precies bepaalt in hoeverre zijn verdraagzaamheid gaat, in hoeverre zijn naastenliefde mag gaan, geeft haar de mogelijkheid voor zichzelf een nieuw leven te vinden. Geen verwijten maar een vaststelling van het feit, dat haar handelen onjuist is, Een vaststelling van het feit ook, dat hij geen enkel belang heeft bij haar persoonlijkheid. “Ga heen en zondig niet meer.” Hierdoor wordt het deze vrouw mogelijk gemaakt op haar eigen wijze tot inzicht te komen. En dan is het wel mogelijk, dat zij Jezus volgt, wat ze inderdaad doet.

 Hier ligt het criterium van onze eigen verdraagzaamheid, van onze eigen naastenliefde. De naaste is voor ons degene, die met ons in harmonie is. Niemand anders. Degene, met wie wij een eenheid van streven en denken tenminste kunnen bereiken. Al wie en wat ons wezen vreemd is, mogen we niet zien als de naaste in de zin van één met ons wezen, gelijk aan onszelf. Wij moeten langs onze eigen weg God bereiken, niet langs een andere weg. Datgene, wat niet onze naaste is, vergt van ons geen agressiviteit, geen aanval, maar wel een scherpe verdediging. Ja, meer zelfs, wanneer het een beroep op ons doet, een zuiver definiëren van de toestand, zoals Jezus hier doet t.o.v. die overspelige vrouw. Hij redt haar leven. Maar op het ogenblik, dat zij hem zou willen danken, zegt hij: “Neen, dit past niet voor mij. Ga heen. Dit is niet aanvaardbaar.” En hij voegt eraan toe de raad; “Zondig niet meer.” Dus: Onthoud u van de daden, die u in deze toestand hebben gebracht. Meer niet.

Wanneer wij dit op dezelfde manier kunnen doen, zal misschien het begrip naastenliefde meer beperkt zijn, dan wij ons gaarne willen voorstellen. Dan zal aan de andere kant echter onze naastenliefde en onze verdraagzaamheid nooit kunnen betekenen de droom van ons eigen wezen. Dan zal dit nooit kunnen betekenen de ondergang van ons eigen bestaan, de vernietiging van ons eigen denken en weten. Indien wij verdraagzaam willen zijn, zoals onze Orde deze verdraagzaamheid betracht, moeten wij een ieder het recht geven zijn wegen te gaan. Waar die wegen echter de onze kruisen zonder daarmee harmonisch te zijn, mogen wij elke consequentie van dit contact afwijzen. Overal, waar men ons eisen stelt, zullen wij daaraan tegemoet komen voor zover het ons mogelijk is, zonder echter hieruit een band te laten groeien met waarden, die niet passen bij ons wezen. Alleen op deze manier kunnen wij hier een ware verdraagzaamheid beoefenen. Dan kunnen wij christelijke naastenliefde leren kennen, zoals Jezus heeft geleerd en zoals ze een noodzakelijk deel is van alle bewustwording.

o-o-o-o-o

Ik zou graag op mijn manier een paar van deze waarheden illustreren:  Lang, heel lang geleden was er een mandoer, die zich zeer groot achtte door het gezag, dat hij uitoefende. Wanneer de arbeiders uitgingen, dan voelde hij zich groot en trots en op grond daarvan meende hij een gezag uit te mogen oefenen over iedereen. Nu gebeurde het echter, dat zijn dochtertje ziek werd, en hij ging naar een wijze man om te vragen, of hij de demon wilde uitdrijven, die deze ziekte had veroorzaakt. Hij kwam bij de wijze en deze gaf hem de volgende raad: “Vergeet u te beroemen op Uw grootheid. Vergeet te pronken met uw bezit. Vergeet de goden te danken voor wat gij zijt. Maar vergeet niet hun te vragen datgene, wat gij verlangt. Doe dit en de demon zal heengaan.” Onze mandoer, aan wie dit wel twee kwartjes had gekost – een groot kapitaal – voelde zich eigenlijk zeer bedrogen door deze wijze man. En zo ging hij naar huis en hij zegde: “Deze heeft mij gewoon bezwendeld.”

Zijn vrouw, die meer vertrouwen had in de wijsheid, ging ook naar de wijze man, bood hem als offer een doekspeld en zegde: “Heer, mijn echtgenoot is bij u geweest, maar hij zegt, dat gij hem niets hebt gegeven, slechts zijn geld genomen. Heer, wat moet ik doen om dit kind gezond te maken?” Toen glimlachte de wijze man en zegde: “Vrouw, vier dorpen verder woont uw zuster, uw zuster is arm, maar zij is zeer gezien. Verwijder u met het kind uit het huis van uw echtgenoot en verblijf gedurende twee manen bij uw zuster. Het kind zal genezen.” En zo gebeurde dat, ofschoon onze mandoer het niet erg prettig vond. Maar u weet, vrouwen hebben altijd wegen om hun wil door te zetten. Zo kwam dan ook inderdaad onze mandoer alleen terug in zijn woning. En tot hij daar thuis kwam, werd hij zelf bevangen door de ziekte, waarvan zijn dochtertje bevrijd was. Toen hij nu voelde, hoe de ziekte knaagde in zijn ingewand, ging hij wederom tot de wijze man en hij zegde: “Heer, ik heb u al “betaald en gij hebt mij niets daarvoor gegeven. Maar nu ben ik zelf ziek. Wat is de oorzaak van mijn kwaal?” Toen lachte de wijze man. Hij zegde: “Ziet, gij beroemt u op uw grootheid. Uw geld geeft gij voor grote feesten. Uw gezag ziet gij als een heiligdom. Werk tien dagen als een arbeider en beroep u niet op uw gezag en gij zult beter zijn.” De mandoer voelde daar niet voor, want hij vreesde zich belachelijk te maken in de ogen van anderen. Doch ten slotte liet hij zich verleiden om zelve te werken als een arbeider onder het gezag van anderen. En ziet, naarmate hij meer transpireerde, naarmate hij meer moe werd van binnen en van buiten, verliet hem de demon en hij was volkomen gezond. Hij ging naar de wijze man terug en zegde; “Uw raad heeft mij geholpen. Maar zeg mij, waarom was dit noodzakelijk?” Weer lachte de wijze en zegde: “Indien ik u had gezegd: Laat af van uw overdaad, had gij dit nooit gedaan. Nu ik u echter zegde: Vermoei u, nu hebt gij dit wel volbracht. Zo zijt gij dwaas en ik ben wijs. En in mijn wijsheid leid ik uw dwaasheid.” De mandoer wilde danken en een groot offer brengen. Toen lachte de wijze man weer en zegde: “Ach, neen, behoud dit. Want indien gij het misbruikt, zo keert de demon in uw ingewand wel terug en komt gij om mij een verder offer te brengen.”

Zo geldt dit, mijne vrienden, voor praktisch iedereen. Wanneer je toeziet – of dat nu is over huispersoneel, of dat het is over kantoorpersoneel, ja, misschien zelfs wanneer dit alleen maar is het weten, dat velen minder zijn dan jij – dan word je door een bewustzijn van stand en verplichting soms genoopt dingen te doen, die niet goed zijn. Doe je die dingen, dan ben je dwaas. Degenen, die aangetast worden door de kwalen van je dwaasheid, moeten zich uit je omgeving verwijderen, anders kunnen zij niet genezen. En jij zelf kunt pas genezen worden, wanneer je de nederigheid leert van hen,die je tot op dat ogenblik veracht hebt.

Nu zijn er natuurlijk ook nog andere verhalen en een daarvan illustreert misschien ook nog goed wat wij leren te verstaan onder verdraagzaamheid. Dit is een verhaal van de apenkoning Hanoeman. Hanoeman, die door omstandigheden over de stenen en de zeeën was gestapt en zo op de eilanden verkeerde. En omdat hij dank zij afspraken tot halfgod was geworden en de godenwereld binnen zijn bereik zag, trok hij een menselijk kleed aan en toonde zich als een arme, oude bedevaartganger. Hij wilde de mensen leren wat het is om goed te zijn. Maar als een apenkoning deed hij dit op een ietwat aapachtige wijze.

Hij vond een rijke vorst, die daar gezeten was te midden van zijn kraton. De danseressen dansten voor hem, rond hem zaten zijn edelen en velen kwamen hem eer bewijzen. En daar kwam ook Hanoeman. Hij zegde: “Heer, ik breng u een kleine gift.” Hij maakte zijn eerbiedige groet en hij gaf aan deze vorst zijn gevechtskrekel.

De vorst wist eigenlijk niet, wat hij moest doen, of hij moest aanvaarden of niet. Toen zegde hij eindelijk: “Ach, oude man, ik wil u niet uw enige schat ontnemen.” (Want hij was geen slecht vorst.) “Ik stel u voor om deze krekel te laten kampen met mijn beste gevechtskrekel. Wanneer hij wint, krijgt ge van mij tien zilverstukken. Indien hij echter verliest, zo is uw krekel de mijne.” Hij meende zo zeer edelmoedig te zijn.

Maar Hanoeman kon de verleiding niet weerstaan. Zo won zijn krekel, niet een maal maar vele malen. En de rijkdom van de vorst begon aanmerkelijk te slinken. De vorst, die meende, dat op deze wijze door toverij zijn bezit en zijn eer werden aangetast, greep daarom een zwaard en wilde eenvoudig onze oude bedevaartganger het hoofd doen afslaan. Waarop Hanoeman zijn oorspronkelijke gedaante aannam en net met wraak en toorn wilde dreigen, ja, zijn hele volk wilde sturen om dit land te vernietigen, toen plotseling van boven uit een grotere god kwam en zegde: “Hanoeman, ga heen. En laat wat ge gewonnen hebt door uw tovenarij in het bezit van deze vorst.”

“Ja maar, Heer,” zei Hanoeman, “kan mijn eer toelaten, dat men mij hier beledigt, dat men mij slaat en door onrecht probeert te overtuigen?” Toen zei de grotere god: “Het grootste onrecht was, dat gij met uw kennis en uw macht een strijd bent aangegaan zelfs tussen krekels. Hij is een vorst der aarde, maar gij waart wijzer en dus waart gij meer. En daarom gaat gij terug naar uw volk en gij zult met hen de berg, die gij hebt opgeworpen, met minstens duizend meter verlagen.” Toen werd Hanoeman zo boos, dat hij met zijn volk daarheen ging, de helse krachten uit de lucht neertrok en de berg deed exploderen. En zo komt het, dat er daar in dat land zoveel vuurspuwende bergen zijn.

Weet u, wij zijn vaak net als Hanoeman. Wij zijn wijs, we weten misschien meer, we hebben misschien meer kracht dan een ander, maar we zijn geneigd om die kracht tegen een ander in te zetten en ons daar een zekere verdienste uit te maken. Het ging deze Hanoeman natuurlijk niet om zilver. Zilver had hij genoeg. Hij had geen zilver nodig. Maar het ging hem erom een ander te overwinnen door zijn krachten. En hiervoor werd hij gestraft. Hij was n.l. niet verdraagzaam, ook wanneer hij misschien het goede voor had met deze vorst. En zo gaat het ons. Wanneer wij ons verheffen op onze wijsheid en onze kennis en zo een ander een lesje willen geven in het leven, bestaat er veel kans, dat wij het zijn, die het lesje krijgen en niet een ander.

Weet u, er was eens een slang, een heel grote slang. En omdat zij zo groot was, meende zij, dat zij vorstin kon zijn van de hele wereld. Ze zegde: “Wanneer gij mij niet gehoorzaamt hier op aarde, dan zal ik de lucht invliegen en ik zal de maan opeten.” En omdat het in de eerste tijd was, toen dieren nog evenveel macht konden hebben als mensen en demonen, vloog zij de wereld uit en at de maan op. Maar de goden waren daarmee niet tevreden en zij dwongen haar de maan weer prijs te geven. Zij kon dit niet verdragen en zodra de maan was prijs gegeven, begon zij hernieuwd met haar aanval en at wederom de maan op. Zo blijft zij eten met smarten en pijnen, telkenmale weer, omdat zij gedreigd heeft haar krachten te gebruiken. Daarom blijft het steeds weer een wisseling van afnemende, van nieuwe en wassende maan. Wanneer de maan vol is, hernieuwt wederom de slang, der duisternis haar aanval.

Wanneer die slang zich eenmaal bekeerd zou hebben, er zou op de aarde geen werkelijke nacht zijn geweest, maar slechts een wisseling van goud en zilver licht, wat meer is, de slang zelve zou gelukkig geweest zijn. En zij zou door haar nederigheid de aarde geregeerd hebben, die zij nu verloren heeft door haar hoogmoed. Nederigheid is een noodzaak, wanneer men de wereld benadert. Niet in onbewustzijn van eigen krachten, maar in beperking van deze krachten, opdat men niet anderen verlegen maakt door zijn onhoffelijk gebruik van eigen vermogen.

Weet, dat wie zo onhoffelijk is, het vergaat. als de oude vrouw, die meende, dat zij meesteres kon zijn over alle goede dingen. Deze vrouw was oud en zij was rijk. Haar man had haar veel land nagelaten en wanneer het bebouwd werd door haar bedienden en haar buffels, bracht het rijke oogst. En zo kocht zij zich toverdingen van een Chinees: een spindel, die altijd vol met garen was; een bad voor een batik, waaruit de stof vanzelf kwam, bedrukt met de schoonste patronen; zij kocht zich een rijststamper, die altijd door stampte en rijstmeel gaf, ook wanneer ze niet gevuld werd; zij kocht zich een beurs, waarin het zilver onuitputtelijk was.

Toen zij zich dit alles had verworven, zegde zij: “Ziet, nu ben ik groot.” En zo begon zij op haar wijze goed te doen in de omgeving. Maar het vreemde was, wanneer er iemand koorts had of schurft, dan kon zij niet genezen. Maar er was ook een eenvoudige oude weduwe, die maar een heel klein stukje grond had en wier voedsel heel vaak beperkt werd tot de uiterste noodzaak, die met een enkele blik en een enkel woord kon genezen, wat de rijke niet benaderen kon.

Toen ging de rijke weduwe naar de arme weduwe en sprak: “Wat vermeet jij je om ziekten te genezen, die ik niet genezen kan.” “Ach,” sprak de arme weduwe, “ik genees niet. Zij komen tot mij en zij gaan heen, meer niet.” De rijke weduwe dacht: “Dat zal wel bedrog zijn. Je zult wel veel geld nemen. Je bent gierig.” Zo besloot zij om zich te verbergen in de omgeving. En daar zag zij iemand komen, aangetast door lepra. De melaatse kwam bij de arme vrouw en zegde: “Vrouw, genees mij.” “Ik kan U niet genezen,” zei de arme weduwe. “En wat meer is, indien ik u zou genezen, zou de rijke weduwe mij daarvoor straffen. Maar wanneer gij ongelukkig zijt, ga in mijn veld, neem u een vrucht, zo gij er een vinden kunt. Drink een koele dronk, rust in de schaduw en ga heen in vrede.”

De rijke weduwe verbaasde zich zeer. Geen penning had de zieke betaald. Niets was er gebeurd, alleen was die arme weduwe een beetje gastvrijer geweest dan eigenlijk verwacht kon worden. En toen de zieke gerust had, was hij genezen. Toen dacht de rijke weduwe: “Dat ga ik ook doen.” Voortaan wanneer iemand kwam, die ziek was, zei ze: “Je hoeft niet naar de arme weduwe te gaan. Kom bij mij. Hier, eet, drink, leg u in de schaduw.” Maar wanneer ze heengingen, waren ze nog veel erger dan voordien.

Zo erg werd dit, dat zij besloot naar de grootste en heiligste man te gaan van het hele veld, van het hele eiland zelfs. Ze kwam daar en zegde: “Heer, ik met al mijn rijkdom, ik geef alles en niemand geneest. Zij is arm, zij kan niets geven en zij geneest. Heer, dit is onrecht, herstel dit. Geef mij de kracht tot genezen.”

De wijze, rijke man – want hij was wijs en rijk tegelijk – glimlachte. Hij zegde: “Ik “begeer niets van u, want ik het alles wat ik nodig heb. Maar ga met mij naar de berg. We zullen de vulkaangod vragen. Neem een geit mee, offer een geit en het komt in orde.” Zo gingen zij door de vlakte en de berg op, offerden boven in de krater de geit en de vulkaangod nam het offer aan. Van af dat ogenblik kon de rijke vrouw genezen. En overal kwamen de zieken vandaan, want zij was royaal en ieder had goed eten en goed drinken bij haar en lag in de schaduw. En voor ze het wist, was ze arm.

Toen begon zij zich te beklagen. Ze zegde: “Ziet, nu geef ik genezing, nu geef ik alles, wat ik heb en nu, kijk, wat blijft er over? Ze eten mij de velden kaal. Een rustplaats heb ik niet, mijn huis is verontreinigd. En zij komen maar, de zieken, zij komen maar. Ze blijven niet bescheiden weg, zij komen.” Ze ging naar de wijze man toe en zegde: “Ziet, wat ge door Uw dwaasheid hebt gedaan. Ge hebt mij laten offeren aan de vulkaangod. Nu ben ik arm.” “Gij kunt de zieken genezen,” zei de rijke, wijze man. “Ja,” zei ze, “ik kan zieken genezen, Maar wat heb ik aan zieken genezen, als ik geen bezit heb? Dadelijk moet ik gaan bedelen voor mijn brood.” “Ach,” zei de wijze man, “gij hebt immers zelf deze gave verlangd. Behoud haar nu. Weet ge, de arme vrouw is rijk geworden en zij is gelukkig, Zij heeft niet begeerd rijk te worden, evenmin als zij begeerde te genezen. Gij begeerde rijk te worden, gij zijt rijk geweest. Ge begeerde te kunnen genezen. Ge hebt uw rijkdom gewisseld tegen de kracht om te kunnen genezen. Maar wanneer gij geld neemt, geneest gij niet. Wanneer gij goed neemt, zult gij niet genezen. Slechts wanneer gij goed zijt, zonder meer, zal uw goedheid genezing brengen. Behoud nu deze gave.”

Toen werd de rijke vrouw, die arm geworden was, zo boos, dat zij zich de haren uit het hoofd trok en woedend gillend wegliep, in de modder viel en omkwam. De wijze man stuurde een bode naar de arme vrouw, die rijk geworden was en zegde: “Neem haar bezit.” En ziet, de zieken bleven komen, ze werden genezen. En de arme vrouw, die rijk was geworden, werd wat armer, Maar ze bleef gelukkig. Want zij begeerde niet te geven of te nemen. Zij was tevreden, wanneer een ieder, die bij haar kwam, gelukkig was.

En dat is nu precies het verhaal van alle mensen op aarde. Zij willen graag veel zijn en gelijktijdig veel hebben. Zij willen geestelijk goed en groot zijn en stoffelijk grote welvaart bezitten. Maar slechts indien zij zich niet bekommeren om de geestelijke gaven, die zij de wereld geven en om de stoffelijk gaven, die zij uit de wereld ontvangen, kunnen zij beide bezitten. Want wie begeert, brengt door het begeren de onmogelijkheid tot stand om het ene te behouden en het andere te verwerpen. Dan wordt het een ruiling; en die ruiling brengt ongeluk. Maar wie niet begeert en niet vraagt, doch zijn wegen gaat, die krijgt en rijkdom en de kracht tot genezen; die krijgt en licht der wereld en licht der geest in zich, juist omdat hij niet begeert en dus door het begeren niet wordt afgeleid van zijn doel.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

ONTHECHTING

Onthechting veronderstelt gehecht zijn. En wanneer we gehecht zijn aan het een of ander, dan is het de vraag, in hoeverre dit gehecht zijn van zelfzuchtige kwaliteit is. Onthechting betekent n.l. niet – zoals men wel eens denkt – afstand doen van de wereld, maar alles op de wereld op zijn eigen wijze kunnen aanvaarden. En daarom kan ik het misschien het beste zo zeggen:

Onthechting. Bezit, ik wens u niet, ‘k verwerp u niet. Zijt gij het mijne ten gebruike, ‘k gebruik u. Maar ‘k laat niet Uw rijkdom mijn gedachten fnuiken en brengen tot een niets.

Onthechting. Mensen, die met mij gaan tezaam, ik voel mij soms met u gebonden door duizend banden. Maar…..zijn het uwe handen, die zich klampen aan mijn leven? Of is in mij ‘t verborgen streven u tot ‘t eigene mij te maken? Zo ja, dan ben ik wel te laken. Gij zijt niet mijn bezit, zijt niet geheel van mij. Bezitten kan ‘k u pas, indien ‘k u laat in feite vrij.

Leven, waarom zou ‘k u niet verlaten? Ben ‘k zo gebonden aan uw bestaan en kan ‘k niet anders dan alles haten, wat niet volgt uw zijn, uw baan? Maar leven, wat ben ik dan verwaten. Wat meen ik, dat gij het criterium zijt voor mij van leven en eeuwigheid? Neen, leven, zelfs u kan ik wel laten.

Onthechting. Ik eis niet, ik verlang niet, ik aanvaard wat mij door ‘t leven wordt gegeven en verwerk dit volgens mijn beste begrip zonder naar hechting ermee te streven. Geeft ‘t leven mij n mens, dierbaar nabij, ‘k ben dankbaar voor wat het leven mij heeft gegeven. Maar ‘k meen niets Dit is nu mijn werkelijkheid, dit is nu mijn voor alle tijd. Ik wil verdergaan en verder leven, ook als dit bezit mij weer ontglijdt.

Ik wil daaraan niet gebonden zijn en niet gekweld zijn door de pijn van het verliezen, wanneer ik in feite niet bezeten heb. Ik wil niet gevangen zijn in een begrip van rijkdom en van verstand, van wat ik bereikte, van burgerlijk recht en dat, wat met gulle hand het leven mij gegeven heeft. Het leven dat geeft, kan ook nemen. En doet mij dat nemen pijn, dan heb ik verloochend de werkelijkheid, mijn persoonlijk, mijn werkelijk zijn. Onthechting zegt niet: Werp al van u, wat wereld en leven u biedt. Het betekent slechts: Bindt u aan al, wat het u geeft, toch voor alle tijden niet. Wees dankbaar voor wat het gegeven heeft, ook wanneer het leven u neemt. Omdat wat naar bezitsrecht en pracht in uw wezen zweemt, beperking is van eeuwigheid, vlucht uit een werkelijk bestaan. Onthechting is wat tot het ware geleidt. Bezit blijft toch altijd maar waan. En nu weet ik wel, dat niet iedereen het daarmee eens zal zijn, Maar het is zo: Wanneer ge meent iets te bezitten, dan beperkt ge uw wezen daardoor. En doordat ge uw wezen zo beperkt hebt, kunt ge niet meer de werkelijkheid van het leven aanvaarden. Ge maakt veel leed door, waar het niet nodig is. Ge ondergaat veel pijn, waar het evenmin noodzakelijk is. En daarom zou ik u toch willen zeggen, vrienden: Onthechting in de ware zin des woords is een der schoonste deugden, ja, is een der meest stuwende krachten op onze weg naar de oneindigheid. Want deze onthechting is: het kunnen aanvaarden van al, wat het leven geeft, zonder bitter te worden, wanneer het neemt. En dat is de grootste rijkdom.