Verhandeling over christelijke geheimleer

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 59

7 april 1957

Er zijn in Jezus leerstellingen bepaalde punten, die voor een mens onaanvaardbaar maken. Wanneer Jezus door de velden gaat, wijst hij zijn leerlingen op de bloemen en zegt tot hen: “Ziet de leliën des velds. Zij maaien noch zij zaaien. Zij weven en zij spinnen niet. En ziet, toch zin zij gekleed schoner dan Salome in al zijn heerlijkheid.”

Menigeen zal hieruit foutieve conclusies trekken, wanneer hij niet de achtergronden kent, die tot deze uitspraak hebben geleid. Samenvattende weer in mijn eigen woorden is deze achtergrond als volgt:

Alle wezens, die op aarde leven, hebben een natuurlijke eigenschap, een natuurlijke status en zijn daardoor geplaatst in het leven met een reeks van mogelijkheden en kwaliteiten. Deze mogelijkheden en kwaliteiten zullen voor elk wezen anders, verschillend zijn. Want de goddelijke Kracht, de wetten, die de Vader heeft gesteld voor heel de wereld, tekenen een mens en brengen hem tot een bepaald noodlot. Wie nu tracht zich hiertegen te verzetten, zal zeer veel strijd doormaken. Maar wie strijdt tegen de Vader, wie strijdt tegen de geest, zal het niet beter gaan dan Tobias en Tobias’ zoon, die verslagen werd. Wanneer wij trachten onze eigen wereld te veranderen, dan is het voor ons een strijd tegen de engel. Onze strijd gaat tegen krachten, veel groter dan wij ons kunnen voorstellen. Ons pogen om het leven geheel in onze eigen banen te leiden zal altijd weer op een nederlaag uitlopen. Maar zoals na de strijd met de engel de jonge Tobias verwierf, wat hij wenste om zijn vader te genezen, zo zal elke mens, die worstelt met de krachten van Licht, die in en rond hem zijn, op de duur daardoor de gave verwerven, die noodzakelijk is, niet slechts voor hem maar voor al datgene, waaraan zijn hart hangt.

Jezus stelde het zelfs zuiverder toen hij tegen de kleinste kring sprekende zegde: “Alle dingen, die de mens nastreeft, zijn een waan. Want geen mens, ja, zelfs niet de grootste onder de mensen, zal in staat zijn Gods wil geheel te begrijpen en Zijn wet geheel te zien als datgene, wat hem leidt en regeert. Hij kan zijn bewustzijn niet aanpassen aan hetgeen volgens de goddelijke wet zijn doel en eindbestemming is. Daarom zeg ik U: Wees als de kleinen onder de schepselen, wees als de bloemen en de bomen zijn. Die beleven de vreugden van het bestaan en de smart der vernieuwing, maar in zich openbaren de glorie Gods.”

Overgezet in moderne termen: Altijd, wanneer een mens geestelijk werkelijk streeft naar het hoogste, zal er een ogenblik komen, waarop zijn wereld niet meer beantwoordt aan zijn verwachtingen en eisen. Zorgen en moeilijkheden gaan zich opstapelen. Zakelijk, financieel, lichamelijk, overal komen problemen naar voren en hij begrijpt niet, hoe en waarom. Hij kan deze verandering, die in zijn wezen en wereld plaatsvindt niet verwerken. Maar wanneer deze mens waarlijk naar het Licht streeft, leert hij deze dingen met een vertrouwen te aanvaarden. Vertrouwen: niet, dat het zal gaan zoals hij dat wenst, maar een vertrouwen, dat het uiteindelijk resultaat der dingen goed zal zijn. Het uiteindelijk resultaat der dingen moet goed zijn, wanneer een mens de kracht van de Vader in zich aanvaardt en zich laat leiden door deze kracht. Het heeft dan geen zin zich zorgen en problemen te maken, Het heeft geen zin te vechten tegen dingen, die je niet beheersen kunt.

Jezus betogen wijzen zijn leerlingen steeds weer op het feit, dat naarmate een mens meer eist, meer verlangt en meer beschouwt als zijn recht, hij minder geluk, minder vrede en meer zorgen vindt. En dat is van uit Jezus’ standpunt volledig begrijpelijk. “Immers,” zo zegt hij, “wanneer ik bereid ben de wil van de Vader te doen, zal de Vader voor mij zorgen. Ik zal zijn als de vogelen, die maaien noch zaaien en toch genieten de rijkdom van heel de wereld. Ik zal kunnen zijn als de bloemen, die zichzelf geen kleding maken, noch zich zorgen maken over hun uiterlijk en toch schoner zijn dan al wat op de wereld bestaat.”

Zoals ik reeds zegde: Vooral voor een mens in Uw moderne wereld moeten deze dingen wat irreëel lijken. Toch zin ze werkelijk. De grondslagen zal ik trachten hier kort duidelijk te maken.

In ons leeft, wat wij noemen: geloof. Dit geloof kan ons leiden tot eenheid met de grote kosmos rond ons, die wij verpersoonlijkt zien in het beeld van de Vader, Degene, Die ons heeft voortgebracht en ons voortdurend in stand houdt. In deze harmonie kan nooit verloochend worden de kracht van de Vader, noch Zijn goedheid en Zijn liefde, die voortdurend in Zijn hele schepping tot uitdrukking komen. Naarmate wij sterker op Hem vertrouwen, zullen wij in staat zijn ons meer aan te passen aan hetgeen Hij volgens Zijn wetten en regels voor ons als goed, als wenselijk en gebruikelijk heeft gesteld. Wij maken ons dan geen zorgen meer over de kleine dingen en ons streven is slechts een voortdurend pogen om hetgeen wij in ons gevoelen te verwerkelijken. Daardoor vallen vele tegenstanden, die men normaal in de wereld heeft, weg.

Wanneer ik streef naar iets, wat niet voor mij past, dan zal ik dit moeten ondergaan als een zeker lijden. Want zelfs indien ik het bereik, zal het mij geen vrede geven. Zelfs indien ik het bereik en terug kan zien, zal het mij vaak een vraag zijn, of het resultaat deze offers inderdaad waard was.

Natuurlijk heeft men Jezus gevraagd: “Hoe weet ik dan, wat de wil des Vaders is?” En het antwoord was dit: “Wanneer in U iets zegt: ‘Dit is goed, niet voor U maar voor de mensheid, aarzel dan niet. Twijfel dan niet. Indien de kracht des Vaders in U zegt: ‘Genees,’ vraag U niet af: ‘Kan ik genezen?’ Maar genees in Zijn naam. Wanneer de kracht des Vaders U zegt: ‘Ga,’ zo ga, niet vragende waarheen, volgende het onbestemde in U, wetende, dat gij zo door de Eeuwige tot het doel gevoerd zult worden.”

Hij bedoelt hiermede, dat de doorsneemens voor zich een bepaald levenspatroon uittekent. Dit is zijn doel, dat is zijn recht, zo wil hij gewaardeerd worden, zo wil hij zich verheugen, aan dat lijden wil hij ontsnappen. Naarmate de mens dit meer doet, zal hij minder in staat zijn de ware weg van de eeuwige krachten te volgen, zoals die in hem wordt geuit, Hierdoor zal hij voortdurend in strijd komen met het eeuwig Principe, dat hem leiding geeft. In zijn aarzeling, zijn wantrouwen, meent hij vaak, dat hij aarzelt ommentwille van zichzelf en de vermogens wantrouwt, die in hemzelf schuilen. En hierin ligt de grote fout. Telkenmale weer zal Jezus in zijn leer de nadruk leggen op het geloof, op de kracht van de Vader in de mens. Wie gelooft, is in het geloof geborgen. En niets, maar ook werkelijk niets mag gedaan worden zonder geloof. Wie gelooft in God, zal misschien geloven in hetgeen voor zijn wereld een waan is. Hij zal dingen volvoeren, die voor die wereld onmogelijk, onpraktisch of onredelijk lijken. Maar in zichzelf door het geloof gesteund en dus door de eeuwige krachten, die op deze wijze in hem werkzaam worden zal hij ook altijd weer bereiken – en het doel bereikende – de vervulling kennen, die zin eigen streven hem zo vaak onthoudt.

Het is begrijpelijk, dat ik dit punt allereerst moest aansnijden. Maar Jezus’ leer brengt nog andere aspecten naar voren, die hier onmiddellijk mee gepaard gaan. “Lijdt gij,” zegt hij, “zo zeg ik U, dat het lijden geboren wordt uit Uzelf en niet uit de Vader. Doch zo ge de Vader aanvaardt, zal het lijden U verdreven zijn.” Hier ligt naar ik meen een criterium. Alle fouten, alle lijden ziet Jezus als een resultaat van een zich verwijderen van de Vader, een aarzelen zich over te geven aan Zijn goedheid en Zijn genade. Deze overgave dat geeft hij onmiddellijk toe is niet praktisch en niet realistisch en daarom leraart hij weer aan de kleine kring, dus die van Johannes en zijn onmiddellijke vrienden over de krachten der eenheid. Wij zouden waarschijnlijk zeggen: over de krachten der grote werkelijkheid.

Er bestaan geen grenzen. Het Koninkrijk der Hemelen is nu, op dit ogenblik; en het is in U, of ge het aanvaardt of niet. Het Koninkrijk der Hemelen is een toestand van perfecte harmonie. In deze harmonie wordt al het onmogelijke mogelijk; en veel van het mogelijke verliest zijn waarde. De geest, deel van de werkelijke wereld en de ziel, deel van de Vader, zullen gezamenlijk streven, niet naar hetgeen op deze wereld belangrijk is, maar naar datgene, wat in eeuwigheid, dus in het Koninkrijk Gods, waar en werkelijk is. Hij zegt letterlijk: “Zo zult gij menigmaal de wereld verloochenen, opdat op deze wereld door U aanvaard moge worden. Gij zult Uzelf verwerpen, opdat – Uzelf verwerpende – de waarheid in U verheven wordt en gij één moogt zijn met de Vader.”

De wereld op zichzelf is niet zo werkelijk als men denkt. Achter de oppervlakte schuilen vele stromingen; en al deze stromingen kunnen weer worden teruggevoerd tot verschillende punten van uitgang. Wie die punten van uitgang weet te vinden, erkent, dat zij één zijn in kracht en drijven; en dat degene, die zich wendt tot de bron, zich onttrekken kan aan de stroming en haar resultaten.

Nadat Jezus aan het kruis gestorven was, heeft hij deze leringen nog enkele malen voortgezet. En het is begrijpelijk, dat juist daarbij naar voren kwam: “Meester, gij zijt aan het kruis gestorven. Gij hebt geleden en wij hebben gezien, hoe de angst kwelde. Hoe kan dit verenigd worden met de wil des Vaders en de werkelijkheid?” Jezus antwoordt: “Mijzelf zijnde moet ik mijzelf prijs geven om deel van de Vader te kunnen zijn. Dit prijsgeven van zichzelf lijkt gemakkelijk, zolang geen absolute ondergang van het “ik” voor het eigen bewustzijn hiervan het gevolg is. Maar wie in het eigen denken zichzelf verwerpen kan, zichzelf volledig prijs kan geven, die zal een ogenblik nog beroerd door de uiterlijkheden des levens komen tot een nieuwe werkelijkheid, zoals ik herrezen ben uit de dood, zoals ik leef terwijl ik gestorven had moeten zijn. Want de Vader in mij is de werkelijkheid en Hij is het, Die mij heeft verheerlijkt en verheven.”

Dat is geen grootspraak, niet alleen maar een algemene verklaring, waarmede hij zijn leerlingen zoet houdt. De kern van zijn leer wijst ons steeds weer op hetzelfde: Uiterlijk ben “ik”; in mij is God. Indien ik dit “ik” prijs geef, zal God Zich door mij openbaren. Dit is moeilijk. Maar moeilijker is het te aanvaarden, dat de Kracht, Die mij drijft, waar en goed is ook voor mij. Want veelal zal de kracht Gods in mij, mij leiden tot handelingen, mij dwingen tot daden, die mijn schijnbare ondergang betekenen, die een uiterlijk lijden, een uiterlijk sterven, soms zelfs een onrecht in zich houden. Maar God is Liefde. En het is de Liefde, die ons voert. Kunnen we daarin vertrouwen, dan zullen wij de oppervlakkige moeilijkheden kunnen overwinnen, dan zal de werkelijkheid, die in ons leeft, sterker tot uiting komen, In God zijn alle dingen een. Deze eenheid moge uiterlijk moeilijk te realiseren zijn, innerlijk is zij voor een ieder, die het bewustzijn bereikt, volkomen werkelijk. Zo is er geen scheiding tussen hetgeen ge wint en verliest. Geen scheiding tussen wat ondergaat en datgene, wat bestaat. Al deze dingen zijn één. En levende in elkaar en zich uitende in elkaar, is hun werkelijke waarde onverwoestbaar.”

Ik zou hier nog enkele conclusies aan willen vastknopen. Mijne vrienden, hebt nu verschillende malen deze leringen aangehoord. Gij hebt ongetwijfeld voor Uzelf nagedacht, in hoeverre deze leer buiten de theoretische waarde ook praktische waarde in Uw leven heeft. Ik zal trachten het U te zeggen. Op het ogenblik, dat het eigen streven in overeenstemming is met wat men meent, dat God verlangt, terwijl men gelijktijdig alle verantwoording voor de resultaten van dit streven van zich zet, zeggende: “Zolang ik in mijn leven Gods wil vervul op het ogenblik, dat ik deze erken, wanneer ik mij houd aan de taak, die mij volgens eigen bewustzijn is opgelegd ook door hogere krachten, wanneer ik mijn verantwoording steeds besef tegenover anderen en daaraan voldoe, zo zal ik niet vrezen voor morgen en ik zal wat gisteren was vergeten. Ik zal niet trachten mijzelf te uiten of op te leggen aan anderen, zo niet in hen dezelfde kracht werkt als in mij. Maar erken ik in anderen hetzelfde streven, dat in mij leeft, zo zullen wij de eenheid bereiken door een gezamenlijk streven, dat niet vraagt naar gevolgen noch naar oorzaken, maar zichzelf voldoende is in de vervulling van de wil des Vaders.”

Dat is moeilijker dan menigeen beseft. En toch is het de enige oplossing. Wie zich zorgen maakt over hetgeen morgen gaat gebeuren, over hetgeen hij heden niet kon volbrengen, ofschoon hij alles heeft getracht te volbrengen zo goed hij kon, die verwijdert zich van een werkelijkheid. Een werkelijkheid, die bestaat in een kracht, die ons hele streven zal bevestigen, mits het ons voldoende is in een volledig vertrouwen heden te doen, wat heden onze taak is.

Jezus leer wijst de leerlingen er steeds weer op, dat zij a.h.w. met de dag, ja, met het uur moeten leven. Hij geeft hun zekere rechten, zoals hij tot hen zegt; “Ga van stad tot stad. Komt gij in een stad, verkondig mijn leer. Ga in, in het eerste huis. En zo men U weigert, in het tweede. En zo verder. Weigert men U, zo schud het stof van die stad van Uw voeten en ga verder.”

Op zichzelf lijkt dit een beetje moeilijk, wanneer je denkt aan deze voetreizigers, die van huis tot huis gaan en uitgewezen worden. Maar laten we niet vergeten, dat er altijd ergens een plaats is, waar voor iedereen rust, onderdak en vrede te vinden is. Het is niet zozeer het feit, dat ze verder zullen moeten gaan, waar Jezus de nadruk op legt. In daarop volgende verklaringen van dit gezegde maakt hij de opmerking: “Men moet bereid zijn te allen tijde verder te gaan, ongeacht eigen toestand, ongeacht eigen krachten. Want indien men verder gaat en dit is de wil des Vaders zo zal de Vader de krachten geven om te volbrengen.”

Absoluut vertrouwen, absoluut geloof is een innerlijke noodzaak om langs de weg, die Jezus leert, te slagen. Wie twijfelt aan zichzelf, is dwaas. Wie twijfelt aan God, is ongelukkig. Dwaasheid kan soms amusant zijn. Maar een diep ongeluk, een absoluut onvervuld zijn van alle waarden, dat is niet acceptabel. Daarom leert Jezus steeds weer: Geloof, aanvaarden, niet denken aan het al of niet mogelijke. Niet met het grootse gebaar trachten van uit jezelf iets te volbrengen, maar God laten volbrengen.

Juist nu de Paasdagen gaan komen, zal de nadruk weer sterk worden gelegd op al, wat Jezus geleden heeft. De achtergrond daarvan volgens zijn eigen leer was: Een aanvaarding zonder verzet van hetgeen Gods wil is. Dat is moeilijk. Dat betekent voor menigeen, dat zijn leven zal veranderen. Het zal voor menigeen betekenen, dat wat hij tot nog toe hoog en waardig heeft geacht, van hem zal gaan en vele dingen, die hij heeft veracht, de inhoud van zin leven zullen vormen. Maar eigenlijk is dat niet belangrijk. Het Koninkrijk Gods, dat in ons is zoals wij reeds gezegd hebben is een eenheid, een harmonie met de kosmos. Deze harmonie met de kosmos betekent een zekere vrede. Het is geen geluk, zoals men dit op aarde ziet. Misschien doe ik er goed aan hier te wijzen op Jezus eigen uitspraak hieromtrent.

“Geluk,” zo zegt hij, “is de waan van een ogenblik, een roes als geboren uit een te veel aan wijn. En na elke roes komt een ontwaken. Elk geluk brengt onvree en ongeluk. Wie echter weet de vrede in zichzelf te vinden die is de vrede mijns Vaders aan die zullen geluk én ongeluk voorbij gaan. Doch hij zal meer vreugde kennen in het leven dan zij, die nu juichen en morgen zullen wenen. De liefde van de Vader is één en gelijk door alle dagen en alleen in die liefde is men geborgen en kent men de vreugden der eeuwigheid.”

Het is steeds weer nadrukkelijk: Een mens moet niet zoeken naar uitersten, een mens moet niet trachten iets voor zich op te bouwen, dat buiten zijn vermogen ligt of zo het binnen zijn vermogen ligt alleen betrekking heeft op het “ik”. Hij moet kunnen aanvaarden, dat zijn eigen paden door het leven door God geleid worden. En naarmate hij zich meer overlaat aan die God, zullen zijn wegen rechter en beter worden.

Daarmede ga ik voor vandaag beëindigen. Wij zullen ongetwijfeld nog enkele malen terugkomen op deze leringen, voordat deze groep wordt opengesteld. Ik hoop, dat U uit deze leerstellingen plus de aanvulling daarvan, in de andere groep gegeven, een beeld zult kunnen vormen niet alleen van Jezus leer, niet alleen van het geheim van het christendom, maar ook van de achtergronden, van de zelfopoffering en de zelfverloochening. Ik hoop verder, dat U daarin ook een leidraad zult vinden om in Uw eigen leven schijnbaar kleine gewoonten te veranderen en zo te komen tot een grotere harmonie met de Oneindigheid. Want om een laatste aanhaling als besluit van mijn toespraak te gebruiken: “Zij, die de Vader willen dienen door de grootse daad, dienen slechts zichzelf. Doch wie de Vader aanvaardt in het kleine, zich ontzeggende het kleine, aanvaardende het kleine, zal hierdoor verheven worden tot eenheid met Hem en Hem kennen in al Zijn licht en glorie.”

Vrienden, dit is mijn bijdrage voor deze bijeenkomst. Ik dank U voor de aandacht en geef nu het woord over aan een volgende spreker. Wanneer ik over ongeveer een maand weer bij U zal zijn, zullen wij gezamenlijk zien, hoe wij uit Jezus leer, vooral zijn geheime leer, een praktische levenswet kunnen opbouwen, die niet alleen geldt voor de christen of voor een andere wereld, maar die onmiddellijk toepasselijk is in elke wereld voor elke mens, voor elke geest.

o-o-o-o-o

Het is soms erg moeilijk om uit al die filosofieën een werkelijkheid voor jezelf op te bouwen. Per slot van rekening hebt U van ons op dit gebied al zoveel gehoord en ik ben er van overtuigd, dat U heel vaak heeft gedacht: “Ja, ze hebben wel gelijk.” Maar meer nog hebt U gedacht: “Wat is dat mooi.” Of: “Wat is dat aanvaardbaar.” En U bent er aan voorbij gegaan. Ik voor mij geloof niet in de waarde van datgene, wat aan je voorbij gaat. Wanneer je iets mooi vindt en je kunt er verder geen gebruik van maken en net betekent niets voor je, dan is het een object. Iets wat misschien mooi is, wat een zekere vreugde kan geven, maar wat zeker niet iets kan zijn, dat een verandering in je leven betekent. En het zijn juist die dingen, die zo belangrijk kunnen zijn.

Ik weet wel, het is een wijdingsbijeenkomst en eigenlijk zou ik mijn stem moeten uitzetten en met een plechtstatige traagheid de woorden der wijsheid over U uitwerpen. Maar waarom? Is het dan de vorm, die bepaalt? Of is het de gedachtegang? Neen. Ik houd mij liever bij mijn eigen manier van betogen.

Nu moet U eens goed luisteren. Wanneer ik nu met U ga filosoferen, dan probeer ik dat zo praktisch mogelijk te doen. Ik wil mij daarbij baseren op mijn eigen ervaren en mijn eigen leven. En daarvoor heb ik een reden. Per slot van rekening, alles wat wij beleven en denken of we het nu weten of niet, is persoonlijk. En er komt een ogenblik, dat je werkelijk alleen met gezag kunt spreken, wanneer je iets zelf hebt doorgemaakt, wanneer je weet, wat het betekent en wat het is. Dan is die beschouwing waarschijnlijk eenzijdig, omdat ze alleen je eigen beleven inhoudt; maar ze wordt daardoor meer waard dan ze in een algemene beschouwing zou kunnen zijn. Houd U daarmede maar even rekening. En wanneer U zegt: “Dit ligt mij niet,” onthoud dan één ding. U kunt nooit persoonlijk op precies dezelfde manier doormaken, wat ik doormaak. U kunt nooit precies denken, zoals ik denk. Maar wel zult U ontdekken, dat de grondwaarde, van waaruit mijn beleven is geboren, bij U precies zo bestaat. En dan gaan we beginnen.

De grote wijsheid van alle werelden wijst ons steeds weer op stilstand, persoonlijke stilstand als een van de punten, die noodzakelijk is om vooruit te gaan in het Goddelijke. U zoudt kunnen zeggen, dat ons gehele leven een bewegen is op een vlak en we daardoor niet beroerd kunnen worden door de krachten, die op een hoger vlak liggen. Pas wanneer we hier weten stil te staan, komen we in contact met een hogere wereld.

De één vertelt dit door te zeggen, dat je stil; moet zin, dat je moet mediteren, je moet afsluiten van de wereld. Een ander vertelt, dat je je moet overgeven aan de krachten, die je leiden. Ook dat is een feitelijke stilstand, waar je eigen daadkracht niet meer tot uiting komt en je dus in je wereld t.o.v. de hogere wereld jezelf niet meer verplaatst. Weer een ander vertelt iets van onthouding van een actief streven of stelt in dogmatische lijnen een geesteshouding voor je op, die ook weer een verstarring betekent en mogelijkerwijze ook daardoor weer een beroeringspunt geeft met een hogere wereld.

Wij hebben allemaal op de één of andere manier de behoefte om die hogere wereld te bereiken, maar wij kunnen die grote krachten, die hogere wereld, niet realiseren voor onszelf, als ze niet in onze eigen wereld geuit zijn. In onze wereld willen we God kennen; niet ergens in de verte. In onze wereld willen wij weten, wat vrede is; niet ergens in een hiernamaals, dat nog onbereikbaar ver. Hier willen we weten, hoe we geluk kunnen vinden, of zo geluk dan uit den boze moge zijn misschien in sommige vormen hoe wij die vrede, die vreugde in net leven kunnen vinden, die voor ons toch zo belangrijk is en die we begeren. Positivisme in een toekomst zeggen ons niets. De werkelijkheid, die nu bestaat; die zegt ons iets.

Tenminste zo heb ik altijd geleefd. Ik heb nooit kunnen begrijpen, waarom de mensen zich troosten met een stoel in de hemel, of desnoods een hele troon in de hemel, wanneer ze hier op aarde niet alles hebben gedaan om eerst hier zelf de vreugde en de vrede te vinden. Ik kan mij niet begrijpen, waarom mensen zich troosten met de gedachte, dat God wel zorgen zal, wanneer ze niet eerst zelf hebben getracht hier datgene te volbrengen, wat volgens hen God eens volbrengen moet. Dat ligt er maar aan, hoe je de zaak bekijkt. Maar voor mij is er een werkelijkheid en dat is hier en heden. Nu, op dit ogenblik, moet ik volgens mijn beste weten en kunnen datgene verwerkelijken, wat ik van mijn God verwacht.

Het is natuurlijk een manier van bekijken, dat geef ik dadelijk toe. Wanneer U zegt: “Ik bezie het anders,” dan zeg ik: “Akkoord.” Maar zeg nu zelf: Wanneer U nu leeft in deze wereld, vraagt U dan grote rijkdommen in het hiernamaals? Of zoudt U liever hebben, dat er nu een paar van die banknoten toevallig in Uw buurt verdwaald waren, zodat U hier een kleine voorproef van die rijkdom zoudt hebben.

Vraagt U geluk en vrede in het hiernamaals en bent U bereid daarvoor hele leven ongelukkig te zijn? Of verlangt U hier naar een vleugje geluk en vrede? Bent U tevreden met een vereniging in het hiernamaals of hebt U liever het contact hier op aarde? Bent U bedroefd, als het verbroken wordt, ook al weet Uzelf waarschijnlijk wel, dat het hersteld zal worden en meer intens, dan het hier op aarde mogelijk is? Dat is redelijk. We praten allemaal veel over het hiernamaals, wij praten veel over onze werelden en sferen en U denkt daarin mee en U houdt U daarmede bezig. Maar in feite is er maar één ding, dat werkelijk betekenis heeft: Dat is Uw eigen wereld en wat daarin gebeurt, wat daarin beleefd wordt; de activiteit, die daarin ontstaat. En juist wanneer je het zo bekijkt, moet je op een gegeven ogenblik naar mijn idee gaan zeggen: “Ik kan niet berusten in een later, in een morgen. Ik wil niet dromen over wat wél eens zou kunnen gebeuren. Ik wil verwerkelijken, wat mijn droom is, hier.

Ik zoek naar het goede. Goed. Wat kan ik aan goeds voor mijzelf nu verwerkelijken? Ik zoek naar het goede voor de mensen, want ik word door naastenliefde gedreven. Wat kan ik nu, op dit ogenblik en verder niet aan goeds doen voor die mensen? Wat is vandaag mijn werkelijkheid, wat is vandaag mijn realiteit en mijn mogelijkheid? Niet morgen.

Zeg niet: “Morgen zal de Heer mij de kracht geven om te genezen. Morgen zal de Heer mij de kracht geven om dit te dragen. En morgen zal God dit of dat.” Dit is onzin, Volgens mij is dat een zelfbegoocheling, een ontvluchten aan je werkelijkheid. Neen, je moet het anders bekijken. Je moet zeggen: “Wat is vandaag mijn mogelijkheid?” En dan moet je dat heel nuchter doen. Je moet niet zeggen als vandaag de zon schijnt: “Ja, morgen zal ik naar buiten gaan en in de zon gaan wandelen.” Dan moet je vandaag gaan. Dan moet je er tijd voor maken. Je moet niet zeggen: “O, morgen zal ik bidden, vandaag heb ik het te druk.” Want morgen komt er niets van. Je moet vandaag bidden, als je er behoefte aan hebt. Het feit, dat je er over nadenkt, wil zeggen, dat je er behoefte aan hebt. Anders zou je er niet over denken. Je hele wereld en al je gedachten zijn voortdurend met bepaalde ideeën bezig. Ideeën, die te verwerkelijken zijn, als je je de moeite maar geeft.

Ik geloof helemaal niet in een leven alleen bij het ogenblik. Ik ben misschien nog niet zover gevorderd in die christelijke leer. Ik voor mij kan niet aanvaarden, dat ik nu alleen maar doe, wat er gedaan moet worden en helemaal niet nadenk over morgen. Ik zal heus wel eens erover dromen, wat misschien de mogelijkheid is van een toekomst. Maar in de eerste plaats zal ik toch steeds weer proberen te denken: “Wat kan ik nu doen om nu werkelijk te maken, wat ik veracht, wat ik verlang, wat ik begeer?”

Zeg ik: “Ik verlang God te kennen,” dan moet ik nu, op dit ogenblik proberen die God te kennen en niet zeggen: “Hij zal Zich wel eens openbaren.” Wil ik geluk, dan moet ik zeggen: “Wat maakt mijn geluk uit? Wat kan ik daar op het ogenblik van bereiken?” En verder niets. Wanneer ik zeg: “Ik heb kracht nodig,” dan moet ik niet zeggen: “Morgen zal God mij die kracht geven.” Dan moet ik zeggen: “God, geef mij die kracht.” En tot mijzelf: “Ik heb ze.” En dan moet ik mijn gang gaan.

Hoe moet ik streven? Ik mag natuurlijk niet in tegenstelling komen met hetgeen ik goed vind. Ik mag nooit verwaarlozen, dat ikzelf steeds een oordeel spreek, niet in de eerste plaats over mijn wereld al denk ik dat maar over mijzelf. Want alles, wat ik in die wereld veroordeel, is iets, wat in mijzelf op de een of andere manier bestaat. Anders zou ik het niet kennen. Dan zou ik niet weten, hoe ik het moest beoordelen. Ik moet redelijk en reëel zijn. Daar kan men niet omheen komen.

Dus ik moet vandaag streven naar wat goed is, maar ook tevens op de manier, waarop ik dat zelf verwerkelijkt wil zien. Ik moet trachten voor mijzelf de realiteit te vinden op dit ogenblik. En dan is het allemaal heel aardig om te zeggen: “Ja, en dan zal de geest mij helpen, en dan zal God mij helpen en dan zal die mij helpen en die zal dat doen en die zus en die zo,” Maar dat is allemaal fantasie. Dat is waan. Zo bekijk ik het.

Ik zeg niet, dat U het precies zo moet zien, maar zo zie ik deze dingen. Het is fantasie, wanneer je denkt, dat de krachten uit de geest iets voor je opknappen, wanneer je niet eerst zelf de handen uit de mouwen steekt, wanneer je niet eerst zelf begint. Het is onzin om te denken, dat God wel iets voor je zal doen of Jezus, of wie dan ook, wanneer je niet eerst zelf alles geprobeerd hebt. Je moet het leven reëel bekijken, waar je ook bent, in welke wereld ook. Want ik heb in mijn sfeer soms dezelfde problemen, die U in deze wereld heeft, ook al zitten er voor mij minder de elementen van nood en van onrust aan vast, die er voor U bestaan. Het reële leven betekent voor mij: Doen wat ik kan. En dat betekent vaak meer, dan ik denk te kunnen doen. En dan zeker zijn, dat wanneer mijn streven goed is de krachten, die ikzelf niet bezit, mij gegeven zullen worden, opdat ikzelf zal kunnen volbrengen, wat eigenlijk boven mijn vermogen gaat. Zo zit de zaak. Niet andere krachten, die het doen.

Ik moet soms wel eens een beetje lachen eigenlijk over die mensen in de wereld. Dan zeggen ze: “Ja, vrienden in de geest, die nu even dit of dat voor me.” Ik kan ze begrijpen, maar als ze dat nu zeggen en ze doen verder niets, dan kunnen we misschien eens een grapje met ze uithalen, maar verder komen we niet. Dan kunnen we geen resultaten krijgen. Wanneer de mensen zeggen: “Lieve vrienden uit de geest, nu ben ik mijn breipennen kwijt, wil je ze a.u.b. voor me opzoeken,” en ze gaan niet zoeken, dan vinden zij ze niet. We komen ze niet thuisbrengen. Dan kunnen we niet helpen. Maar als zo iemand zoekt, dan kunnen we helpen om de poging van het zoeken te richten en daardoor iets te laten vinden. Wanneer je zegt: “Ach, lieve vrienden uit de geest, die en die is zo ontzettend ziek, help a.u.b. die te genezen,” dan moet je eerst in jezelf zeggen: “Alle kracht, die ik in mij heb, wil ik geven voor die genezing,” En dan zal de geest zeker proberen, dan zal de hoogste Kracht zelfs proberen aan te vullen en kunnen aanvullen, wat aan jezelf mankeert. Maar je moet eerst zelf de wil hebben, je moet zelf de inspanning hebben. Dan gaat het. Niet eerder.

Ik weet het alweer. Ik lig weer een eindje buiten die wijdingssfeer. Ja. Maar per slot van rekening: Is de waarheid wijding? Neen. De waarheid is leven, werken, kracht. Ik kan natuurlijk wel gaan zitten zalven, hoor als jullie dat nu willen. Dan kan ik ook gaan praten met pathos, enz. Maar dat is geen werkelijkheid. Wat wil je er mee doen? Wanneer je jezelf wilt laten begoochelen en verdoven door woorden, nu ja, er zien genoeg anderen, die zich daarin hebben gespecialiseerd. De hele wereld loopt vol met mensen, die zich hebben gespecialiseerd in het verdoven van anderen met een stelletje mooie woorden zonder betekenis. Die kun je zelfs bij ons in de sferen ook nog wel vinden. Maar daar hebt U geen behoefte aan. Moet het dan een roes zin van woorden, waardoor je onwerkelijke dingen gaat beleven? Waardoor je de dingen anders gaat zien dan ze zijn?

Weet U, ik word soms misselijk van die mensen, zoals ik vanmorgen er een hoorde. Die zaten excusez le mot – te zemelen over “het bloed van het lam.”

Hij zat te zaniken over iets, dat voor hem alles zou opknappen en zelf behoefde hij er geen steek aan te doen. Een soort patentmedicijn voor geestelijk welzijn. Denkt U werkelijk, dat Jezus daarvoor heeft geleefd? Dat Jezus daarvoor is gestorven? Dat God daarvoor krachten geeft op de wereld? Een soort van toverdrankje: Accepteer het nu maar, dan is de zaak in orde.

Wij leven op de wereld, omdat wij leven moeten. Wij leven in de sferen, omdat wij leven moeten. Ons hele bestaan is niets anders dan een strijd naar bewustwording, maar ook een strijd om eenheid met God. Die eenheid bestaat van God uit, die behoeft van uit God niet te worden gerealiseerd, daar hebben wij niets mee te maken. God is één met ons, of wij het weten of niet, of wij het willen of niet. Maar wij moeten bewust trachten die eenheid voor onszelf te realiseren. Daar gaat het om. En dan, wanneer wij in ons gehele streven steeds weer op die eenheid afgaan met onze uiterste krachten; dan zal de eenheid, die reeds werkelijk is, zo sterk gerealiseerd worden, dat we daardoor de mogelijkheden krijgen, die wijzelf niet beseft hadden.

Wat gaat hij te keer, hé. Ik ben blij, dat U het goed vindt. Per slot van rekening, ik probeer nuchter te zijn. Ik probeer van deze wijdingssfeer niet alleen iets te maken over boompjes, bloempjes en beestjes, over de heerlijke sfeer in de zoele lentelucht, over Pasen en al het wonderlijke gebeuren zonder meer. Ik probeer U iets te laten voelen van de werkelijkheid. Ze zeggen wel eens; “Verbeter de wereld en begin bij jezelf.” En dan zou je er achteraan kunnen zeggen: “Wanneer je dan goed begint en je doet werkelijk je best, dan kom je aan de wereld niet toe, want dan heb je aan jezelf meer dan genoeg te kluiven.” Maar je kunt het verder doorvoeren:

Verwacht niet, dat God de wereld verbetert en jou zal verbeteren, wanneer je zelf geen steek uitvoert. Verwacht niet, dat er wonderen bestaan, die geboren worden uit de Almacht zonder meer. Elk wonder is de uiting van een wet. Een wet, die om geuit te worden op Uw terrein, in Uw wereld, op Uw vlak eerst de sterke stimulans moet hebben van een realisatie van een streven op dat vlak, in die wereld, in die sferen, anders kan het niet gebeuren.

Wonderen zijn mogelijk. Heel wat meer wonderen, dan jullie je misschien kunt voorstellen. Maar die wonderen worden zeker niet gebaseerd op twijfelzucht, die worden zeker niet gebaseerd op een daadloos zitten. Die worden niet gebaseerd op een alleen maar afraffelen van woorden of een voortdurend bedelen aan hogere machten, terwijl jezelf geen steek uitvoert. Een wonder iets wat een mens een wonder noemt is iets, wat volkomen natuurlijk is. Het is gebaseerd op een maximumprestatie, een maximum streven, een zo sterk mogelijke wilsuitdrukking van de mens, gepaard gaande met de vervulling, die eerst door zijn eigen werkzaamheid mogelijk wordt uit hogere krachten, waardoor in hem wordt gerealiseerd, wat in hem bestaat en wat hij nog niet kent: de oneindigheid van kracht, die wij God noemen, de totaliteit van kracht, die in de kosmos ligt. En naarmate je jezelf sterker die dingen kunt realiseren en door je eigen daden en streven plus een geloof kunt komen tot een intenser gebruik daarvan, zul je je eigen wereld beter maken, zul je jezelf wijzer en verstandiger maken en gelukkiger en zul je werkelijk komen tot datgene, wat menigeen verwacht van anderen, maar niet van zichzelf: een soort van duizendjarig rijk, een perfecte harmonie, waarin je een bent met mensen en geesten, één met de Schepper en de schepping.

Nu zal ik jullie niet langer bezighouden. Voor predikant ben ik waarschijnlijk niet in de wieg gelegd geweest en ik heb die eigenschap meegenomen naar mijn eigen wereld. Maar aan de andere kant: De waarheden, die een predikant soms zegt in mooie woorden, die probeer ik te zeggen in eigen woorden. Ik heb gezegd: “Het is mijn idee, mijn werkelijkheid.” Ik weet, dat anderen er ook zo over denken, maar ik weet niet precies, hoe zij zich dit realiseren. Voor mij is het een werkelijkheid; En ik hoop dat ik met al mijn betogen die werkelijkheid, zoals ze in U bestaat, ook voor U misschien iets meer werkelijk heb gemaakt, al is het alleen maar op Uw eigen manier. Ik wens U heel veel kracht, heel veel vreugde en heel veel vrede toe in de toekomst. En ik hoop, dat U de kracht hebt om ze voor Uzelf te vinden, te verdienen en te bevestigen.

o-o-o-o-o

Wanneer wij de voorgaande sprekers met elkaar vergelijken, dan zullen wij ontdekken, dat de grondwaarde niet veel verschilt, maar wel de wijze van uitdrukking, de wijze van beleving. En vandaar dat ik mij verstout om een derde opinie toe te voegen aan hetgeen door de voorgaande sprekers reeds is gebracht.

Alle bestaan is werkelijk, onverschillig in hoeverre het voor ons werkelijkheid is of niet. Alles wat droom en denkbaar is, is werkelijk, onverschillig of wij het ons kunnen realiseren of niet. De mogelijkheden van onze wereld zijn zo uitgebreid en zo groot, dat zelfs een tiende daarvan tot werkelijkheid te maken ver over onze vermogens heen reikt naar de enige Kracht, Die dit alles is en werkelijk maakt.

Het weten, dat er zoveel mogelijkheden reëel en werkelijk zijn, legt sterker de nadruk op de wijze, waarop wijzelf ons die werkelijkheid realiseren. Het is natuurlijk zeer interessant aan te nemen, dat goddelijke krachten U leiden. Maar de goddelijke krachten scheppen voor U alle mogelijkheden gelijkelijk en geven U in elke mogelijkheid ook gelijkelijk kracht. Ik ben het daarom met onze jonge vriend van zo even volledig eens, dat de zelfstandige daad belangrijk is. Maar hij heeft een punt buiten beschouwing gelaten en dat is m.i. de zelfstandige keuze.

Een alleen maar leven in God zou betekenen; Onbewust de wegen gaan, waarop het toeval of God je voert. Maar elk punt van beleven, ook het huidige, betekent een reeks van mogelijkheden, waarvan er slechts één voor U gerealiseerd kan worden. U kunt zich niet alle mogelijkheden of meerdere mogelijkheden gelijktijdig tot werkelijkheid maken. Uit de vele lijnen, die reëel zijn, zult ge er één moeten kiezen, die voor U reëel wordt. Ge hebt niet het vermogen om al die andere als werkelijkheden tevens te beleven en te verwerkelijken.

Min conclusie is logisch en duidelijk: Belangrijk is de keuze, die wij doen uit de vele mogelijkheden, die ons geboden worden, opdat wij door een bewuste aanvaarding van één mogelijkheid steeds weer onze eigen weg kiezen met een eigen doel en daarin toch voortdurend de wegen en mogelijkheden volgen, die ons de Schepper heeft gegeven.

Een van de veel voorkomende denkfouten is wel, dat sommige wegen licht en sommige wegen duister zouden zijn. Menigeen meent voortdurend voor de keuze te staan: zonde of deugd. Dat is dwaasheid. In elke weg en elke mogelijkheid liggen zowel schuld als onschuld geborgen. Zonde en bevestiging van de goddelijke wil zijn gelijkelijk op elke weg aanwezig, Het is dan ook niet zo belangrijk welke wegen wij kiezen, als hoe wij ze kiezen. En de keuze van ons eigen levenspad, van de gebeurtenissen, die wij uit die mogelijkheden ons geboden voor onszelf realiseren, is m.i. daarom een factor, die nooit verwaarloosd mag worden. De keuze n.l. is een bevestiging van ons eigen bewustzijn.

Vertrouwen op God is natuurlijk goed. Ik ben het volledig met de andere sprekers eens, wanneer zij menen voortdurend de nadruk te moeten leggen op het geloof. Maar wanneer zij zeggen: “Handel in het heden, in het nu,” dan moet ik opmerken: “In het nu komt soms de noodzaak tot besluiten, tot kiezen, welk pad de toekomst zal zijn. Jouw toekomst. En die keuze is dan m.i. niet iets, wat je aan anderen moogt overlaten. Je moet steeds zelf kiezen, opdat je eigen leven in overeenstemming met je eigen wezen, met je eigen bewustzijn, de goddelijke krachten in je realiseert in de beperkte beleving van een oneindige schepping.”

Ik hoop, dat ik met deze korte aanvulling een kleine verduidelijking heb gegeven van een punt, dat m.i. te veel werd verwaarloosd.