Verhouding leraar – leerling

image_pdf

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 4 )- januari 1975

Er bestaan heel veel legenden over de verhouding van leermeester tot zijn volgelingen, zijn leerlingen. Sommige ervan zeggen dat je abso­luut gehoorzaam moet zijn aan de leermeester. Andere weer zeggen dat je zelfstandig moet denken. Als je het goed bekijkt, dan ligt het eigenlijk tussen absolute slavernij aan je meester en aan absolute vrijheid waar­bij je echter niet altijd op je meester zult kunnen rekenen. Ik meen dat het voor deze avond misschien goed zou zijn om die ver­houdingen nader te definiëren en duidelijk te maken wat er aan de hand is.
U moet allereerst onthouden dat een leermeester zijn leerling kiest want de leermeester, die iemand als leerling aanvaardt, neemt daarvoor de verantwoordelijkheid op zich. Met alles wat de ander denkt, wat de ander doet, heeft de leermeester in het vervolg te maken. In zekere zin heeft hij dus wel gezag. Maar dat gezag kan nooit worden opgelegd. Je kunt niet tegen iemand zeggen: Je bent mijn leerling, dus moet je nu maar gehoorzaken. Wat de leermeester doet, is dit: Hij schenkt een deel van zijn gedachten, en soms zelfs een deel van zijn kracht, aan zijn leerling. Door bij herhaling ditzelfde te schen­ken, maakt hij het hem mogelijk dingen opnieuw te beseffen. Dat klinkt misschien een beetje vreemd: opnieuw te beseffen.
Stel u eens voor dat u probeert om alleen maar de betekenis te leren van de zon die op uw huid schijnt. Het is iets dat u voelt. Maar wat voelt u precies? Of stel u voor dat u de betekenis van een woord nagaat, zoals dat in u weerklinkt wanneer een ander het uitspreekt. Dan gaat u begrijpen dat het niet alleen maar een woord is maar dat er ook een bepaalde emotie overkomt en er bepaalde associaties worden wakker ge­roepen. U gaat dan de dingen anders zien, anders beleven.
Wat de leermeester in de eerste plaats mogelijk moet maken voor zijn leerling, is dat hij zichzelf en het bestaan anders gaat beleven. Dat heeft niets te maken met het leren van lessen. Hier in het Westen en soms ook in het Oosten denkt men heel vaak dat de leermeester iemand is die je vertelt wat je moet doen en hoe je het moet doen en dan wordt dat allemaal prima in orde gebracht. Maar zo is het niet. Je moet zelf denken. Maar je denken moet verdergaan dan het tot nu toe gegaan is. Je moet je krachten gebruiken zoals je dat altijd hebt ge­daan maar je moet ze alleen en juister gaan gebruiken. Je moet besef­fen wat ze zijn.
“Een leerling”, zo zegt men in de oude codes, “is iemand die de wijsheid van een ander aanvaardt als zijnde groter dan zijn eigen wijs­heid. En zoekend naar een vergelijkbare wijsheid zichzelf vindt zodat hij de gelijke wordt van zijn leermeester.” Dat is heel wat anders dan gewoon lesjes volgen.
Waarom zou dan een leerling toch verplichtingen kunnen hebben aan zijn leermeester? Daar bestaat geen enkele wet voor. Het is zelfs zo dat de leermeester het recht niet heeft dat van zijn leerling te eisen. Maar de leerling, erkennend hoeveel van de persoonlijkheid van de meester in hem tot leven is gekomen en hoeveel de leermeester hem geeft van zijn besef en zijn kracht, zal door zijn beperkingen te beseffen zich onderwerpen aan hetgeen die meester zegt, en dat is heel iets anders.
De verhouding leermeester ‑ leerling wordt dus van beide kanten wederkerig, maar op geheel vrije basis tot stand gebracht.
Ik geloof dat de meeste mensen niet begrijpen dat een leermees­ter allesbehalve direct behoeft te werken.
Een goeroe zei eens tegen een chela (leerling): Ga eerst het erf maar eens aanvegen. De leerling vond dat wat vreemd en hij dacht erover na. Waarom zou ik nu dat erf aanvegen? Die man kan daarvoor toch een bediende nemen. Hij heeft geld genoeg. Hij kan het betalen. Er zijn vol­doende mensen die dat voor niets voor hem zouden willen doen. Waarom moet ik, zijn leerling die naar geestelijke wijsheid zoekt, het erf aan­vegen? Toen hij met zijn taak klaar was, ging hij naar zijn leraar toe en zei: “Heer, waarom heb ik eigenlijk moeten vegen?” Toen zei de meester: “Opdat ge zoudt beseffen wat mijn erf is. Opdat ge zoudt beseffen dat ge zelf de dingen moet doen en ze niet door anderen moet laten doen; en ten laatste, opdat ge zoudt beseffen dat ik bij u was bij elke streek met de bezem die ge hebt gedaan.”
De leerling begon daar eens over na te denken. Hij dacht: ja, alle gedachten die ik had, waren niet helemaal van mijzelf. Ik heb dus eigen­lijk, terwijl ik bezig was met praktisch werk, gemediteerd. Toen dacht hij ook een beetje verder na en zei: Ik heb eigenlijk in betrekkelijk korte tijd veel meer werk gedaan dan anders en ik voel mij niet eens moe. Ik heb dus meer kracht gehad dan normaal. Toen begreep hij dat een leer­ling nooit alleen is, wat hij ook doet. Dit is een probleem en ieder lost dat op zijn manier op.
Zo was er eens een Zenmeester (het is een heel bekend voorbeeld) die zijn leerlingen vragen stelde als: Hoe applaudisseer je met één hand? Hoe loopt een man hard die maar een been heeft? Hoe kan een kraanvogel vliegen zonder vleugels? Dat soort dingen. De leerlingen waren er allemaal diep over aan het nadenken en werden er wel een beetje verward door, totdat de meester hun het antwoord gaf en zei: Jullie zijn dom. Wat ik ju1lie als vraag heb gesteld, is menselijk onmogelijk. Maar als het menselijk onmogelijk is en ik stel dat het mogelijk is, dan moet er een andere mogelijkheid zijn. De man met één arm applaudisseert door zijn waardering uit te stralen. De man die één been heeft, loopt hard doordat zijn besef voor hem uit kan snellen. Een kraanvogel zonder vleugels vliegt omdat hij, al heeft hij geen vleugels, een vogel is en slechts kan dromen van de lucht. Toen zeiden de leerlingen: Maar dat is geen antwoord op de vraag, meester. De leraar antwoordde: Er is geen enkele vraag waarop door een mens een volledig juist antwoord kan worden gegeven. Er zijn echter ontelbare vragen waarop de mens in zich een antwoord kan vinden. En hij, die een antwoord vindt op een vraag, vindt zichzelf want door haar te beantwoorden, geeft hij een deel van zichzelf als aanvulling van een probleem dat niet het zijne was.
Op deze manier ziet u dat de leermeester helemaal niet bezig is met lesjes geven aan zijn leerlingen maar dat hij, integendeel, die leerlingen zichzelf laten worden. Dat is het grote verschil tussen een wer­kelijke meester en degene die zich een meester noemt.
Iemand, die geen werkelijke meester is, zal zeggen: Ik ben hoog en jij bent laag, dus moet je mij gehoorzamen, dus moet je alles voor mij doen, dus moet je alleen mijn doeleinden nastreven. En dat is begrijpelijk, want hij kan immers niet de kracht uitstralen waardoor de leerling, zelf beseffend volgens zijn eigen begrip en waarde, het juiste vindt en doet.
In deze tijd zijn er nogal wat leermeesters. U moet maar onthouden dat, als u ooit een z.g. leermeester of ingewijde ontmoet die tot u zegt: Gehoorzaam mij en ik zal u inwijden, u moet zeggen: Dit is geen ingewijde. Maar als iemand tot u komt en zegt: Jij bent mijn leerling want we zijn verbonden in de geest en ik zal met je zijn en je helpen, dan heeft u een ware leermeester gevonden. Zo eenvoudig ligt de zaak.
De verhouding leerling ‑ meester wordt bepaald door de zelfstandigheid van de leerling. Hij, die iemand zoekt die hij kan volgen, zal nooit een ware leerling zijn. Hij kan hoogstens in het gevolg van de meester gaan, maar hij zal niet zijn waarde leren begrijpen en hij zal niet in staat zijn zelf de weg voort te zetten als de meester moet rusten. En daarin zit de essentie van het probleem leerling‑zijn.
Een leerling is iemand die zelf denkt, die zelf werkt. Iemand die op zijn eigen wijze zijn krachten gebruikt. Iemand, die op zijn eigen wijze zoekt naar mogelijkheden en begrip. Iemand die al zijn belevingen ‑ of ze nu occult zijn of stoffelijk ‑ allemaal gebruikt om beter te begrijpen wie hij is en wat hij in de wereld kan zijn.
De leermeester is degene die, beseffend wat hij is en wetend wat hij kan zijn, een ander helpt om zichzelf te vinden. Want de essentie van inwijden is niet het vernemen van geheimen. De essentie van inwijden is alleen maar het vinden van jezelf.
Indien u ooit behoefte voelt aan een meester ‑ en de meesten doen dat wel eens in hun leven – dan heeft u toch maar weinig kans dat er iemand komt. En als er iemand komt, is de kans groot dat het een bedrieger is. Want niet zij die een leermeester zoeken om hen te ontlasten van hun eigen streven, zullen er een vinden. Degene echter die zoekt om zelf tot bewustwording te komen, hij ontmoet dat wat hij nodig heeft.
Ik zou dit betoogje willen besluiten met een feitelijke weergave van de methode die een meester kan gebruiken om een leerling, die hij heeft gekozen, a.h.w. tot zich te trekken.
De leermeester zag een kind spelen. Hij zag dat het kind zelfstandig was. Hij zag dat de uitstraling van het kind goed was. Hij ging naar het kind toe, legde het zijn hand op en sprak een paar vriendelijke woorden. Daarna ging hij verder. Maar daarmee had hij het kind, zonder dat dit het besefte, tot leerling uitverkoren.
De jaren gingen voorbij en het kind kwam steeds weer in situaties waarin het dingen moest leren die het misschien niet geleerd zou heb­ben. Het kwam in een gemeenschap waar een stel gemene oudere jongens waren en het kind moest leren vechten. Op den duur verkeerde het in om­standigheden waarin zijn ouders niet goed voor hem konden zorgen en hij moest zelf gaan zoeken hoe hij aan de kost moest komen. Het werd han­dig. Het werd zelfs een dief. Maar toen het begon te stelen, begon het ook te denken dat er een eenvoudiger manier moest zijn om te leven en om gelukkig te zijn. Zo werd het kind een zwerver. De zwerver kwam terecht ergens op een boerderij bij een familie. Daar bleef het enige tijd wonen. Er was iemand die het kind leerde lezen en schrijven, wat in die dagen iets bijzonders was. Op een gegeven ogen­blik had hij toch geen zin meer om te blijven en ging verder.
Het kind wist niet dat al deze dingen mee door de meester waren veroorzaakt. Niet dat deze meester had gezegd: “zo moest het gebeuren”, maar elke keer had hij gezorgd dat er voor het kind een keuzemogelijk­heid was en het zelf de keuze deed die goed was, daardoor bleef hij leerling.
Toen het kind had geleerd te denken, te lezen en te schrijven en de schoonheid van de natuur te zien en zich vrij te voelen zonder angst voor eenzaamheid, ontmoette het een oude man die zei: Ga met mij mee. Het kind zei: Waarom zou ik meegaan? Ach, zei de oude man, je kunt misschien veel voor mij doen en wellicht kun je bij mij nog wat le­ren. Het kind, dat een jongeling was geworden, ging mee en werd de leerling van de meester omdat het zei: “Heer, u bent zo wijs. Wilt u mij uw wijsheid geven?” En toen begon de werkelijke leerperiode waarin de meester steeds meer van zichzelf gaf en het kind steeds meer liet zien, totdat het in staat was vrij uit te treden naar de hoogste we­reld zonder zijn steun of begeleiding, totdat het vrij was in de har­ten der mensen te kijken.
Toen het kind wist wat de meester wist en het had beleefd wat te beleven was, zei de meester: “Mijn zoon, ga nu heen, want de dag is ge­komen dat ik mijn vrijheid ga proeven.” De jongen begreep wat er stond te gebeuren en ging heen. Toen hij een week later terugkwam, was zijn meester gestorven. En toen hij hem begroef, zei hij tegen zichzelf: Nu heb ik pas werkelijk een meester gevonden.
Dit heeft zich afgespeeld ongeveer 150 jaar geleden. Het is echt gebeurd. De leerling is zelf meester geworden en vertoeft nu in onze wereld. Maar hij heeft iemand achtergelaten, die weer van hem les heeft gekregen. Want als een meester een leerling kiest, dan zorgt hij dat de leerling de mogelijkheid heeft om zijn meester te vinden. Maar als de leerling probeert een meester te kiezen, loopt het meest­al verkeerd af. Hoe kan de dwaas, de onnozele, weten wat voor hem rood is, waar zijn harmonie ligt? Hoe kan hij zien wat er leeft in het hart van de ene die hij tot zijn meester heeft uitgeroepen? Misschien is de grootste waarheid wel deze.
Wie waarlijk een meester heeft, kijkt niet naar diens uiterlijk maar naar diens innerlijk en naar datgene wat hij door die meester be­leeft. Maar hij die een dwaas is en een meester zoekt, kijkt naar de uiterlijkheden die geen betekenis hebben en vergeet het innerlijk be­seffen dat de werkelijke zin van het meester‑zijn bevat.

image_pdf