Verhouding Meester – leerling

image_pdf

04 november 1963

Over het onderwerp van hedenavond weten Wij naar ik meen wel het één en ander, maar toch zou ik u willen vragen of u zo goed zou willen zijn om ook met enige kritiek te luisteren, omdat Wij uiteindelijk niet alwetend of onfeilbaar zijn.

Op deze avond mag ik tot u spreken over de verhouding tussen Meester en leerling, tussen Guru en Chela.

Wanneer een leerling een Meester zoekt, zo zoekt hij niet alleen maar iemand die hem zeggen kan wat te doen, hij zoekt iemand wiens wezen, wiens leer, wiens mogelijkheden in hem een resonantie wekken, zodat hij een beantwoording van zijn vragen kan vinden, niet in de leer in de eerste plaats, maar in de Meester.

De Meester omgekeerd, zal nimmer een leerling aanvaarden alleen om zijn dorst naar kennis. Integendeel, degenen die naar kennis zoeken vinden vaak geen Meester, geen ware Meester. Want de Meester moet a.h.w. een deel van zijn wezen kunnen overdragen aan zijn leerling, wil hij in staat zijn om zijn taak juist te verrichten.

Dit betekent dus dat de verhouding tussen een leraar en een leerling niet te vergelijken is met de werkelijke verhoudingen die wij vinden tussen een leer-Meester en zijn geestelijke leerling. Deze verhouding zal dan ook vele bijzondere aspecten tellen en ik zou willen trachten om u deze aspecten a.h.w. iets duidelijker voor te leggen, door ze afzonderlijk en per punt a.h.w. te behandelen.

Wanneer de Meester een leerling aanvaardt, schenkt hij aan die leerling een deel van zijn persoonlijkheid. De kennis, de bereiking, de harmonie van de Meester is a.h.w., ter beschikking van de leerling, Onafhankelijk van uiterlijke omstandigheden zal de kracht van de Meester de leerling bijstaan. De harmonie die de Meester heeft bereikt, is voor de leerling een middel waarmee hij werken kan, een kracht die hij hanteren kan. Het is dit punt dat ongetwijfeld kenschetsend is voor de verhouding vanuit het standpunt van de Meester, want hoe kan hij iemand aanvaarden, iemand dragen in zijn wezen, zijn bereiking, hem opnemen in zijn meditatieve gedachten, en opvoeren tot in hogere sfeer, wanneer hij niet in staat is een zekerheid te vinden in de ander, in de leerling.

Daarom stelt hij als eerste eis een absolute aanvaarding. Een aanvaarding in al hetgeen hij zegt, redelijk of onredelijk, want slechts indien de leerling zijn Meester zonder voorbehoud aanvaardt en gehoorzaamt is de Meester in staat de verantwoordelijkheid voor de leerling te dragen.

Toch is dit niet slaafse gehoorzaamheid. Het stelt de leerling elk ogenblik vrij te zeggen Meester, ik volg U niet verder. Het staat de leerling vrij, over al hetgeen de Meester hem leren zal, hem zal doen beleven, hem schenken, zijn eigen oordeel te vormen. Maar op het ogenblik, hij daardoor de harmonie tussen zijn persoonlijkheid en de Meester verstoort, zal de band beëindigd worden.

Zo zou ik als eerste punt willen formuleren: Een leerling is, zolang hij de toestand leerling-Meester erkent, absoluut gebonden aan zijn Meester en zal alle redelijke en onredelijke verklaringen en eisen van die Meester moeten beamen. Op het ogenblik dat de leerling dit niet kan of wil doen, is de verhouding verbroken en zal de Meester waarschijnlijk geen tweede maal diezelfde persoon als leerling aanvaarden. Een volgend punt is eigenlijk een geloofskwestie. Ik moet geloven in de geestelijke waarden, die de Meester in zich draagt, waarden, die ik zelf misschien heel anders kan zien en hanteren, maar die in die Meester bestaan op een bepaalde wijze. Als leerling behoef ik niet te leven als de Meester, al zal ik trachten hem te volgen, maar ik moet Zijn Wezen en de juistheid van Zijn stellingen aanvaarden zonder kritiek, zonder beredenering. Als de Meester u zegt, dat er een mogelijkheid is, dat 2+2=6, zo hebt u dit te aanvaarden, als de Meester zegt dat wit, zwart en zwart, wit kan zijn, dan hebt u dit te aanvaarden, want het onredelijkste element vanuit menselijk standpunt gezien, dat in de lering en de werking van de Meester zo’n grote rol speelt, is gebaseerd op zijn kennis van andere werelden, zijn kennis van andere vormen van bestaan, zijn mystieke beleving van hogere krachten en waarden. Het is duidelijk dat menigeen zich daardoor geremd zal voelen. Daarom stelt de Meester het punt van aanvaarding meestal als volgt: Al dat wat de Meester leert, toont en doet beleven, is werkelijkheid. Deze werkelijkheid is direct hanteerbaar en praktisch kenbaar, maar de leerling moet die werkelijkheid in zichzelf aanvaarden, voor hij in staat zal zijn de waarheid van de stellingen en feiten aan zichzelf te bewijzen. Geen bewijs voor de aanvaarding van de stelling, maar voortvloeiend uit de aanvaarding van de stelling.

Dan vinden wij als derde punt de wijze, waarop de Meester aanvaardt. Een Meester kan u als dienaar aanvaarden en dan zijt ge ook Zijn leerling. Maar uw diensten, brengen u in voortdurend contact met zijn uitstraling, met Zijn gedachtenkracht, Zijn sfeer. De mens, die die sfeer in zich opneemt, ondergaat a.h.w. een innerlijke integratie met hogere kracht en de leerling zal zelfstandig tot formulering komen. De Meester geeft slechts de impuls, waardoor de bewustwording van de leerling mogelijk is.

De tweede wijze is die van onderricht. Een Meester kan zijn leerling onderrichten, door hem voortdurend bepaalde stellingen ter overdenking te geven. Dat hierbij de paradox vaak een grote rol speelt, vloeit weer voort uit het feit dat de menselijke werkelijkheid nu eenmaal een beperkte is. Hij zal daarbij in vele gevallen gebruik maken van symbolen en één van de grootste scholen op dit terrein is de oorspronkelijk Pythagoreïsche, een school, die overigens haar aanhangers zo goed vindt in het Oosten als in het Westen. Getallen zijn niet slechts symbolen, zo zegt deze leer, zij zijn waarden op zichzelf, zij hebben directe Kosmische betekenis, zij kunnen in wezen omschrijven, maar zij kunnen ook in zich in wezen zijn. Dat is in tegenstelling met bv. de Euclidische meetkunde. Maar op zichzelf dus wordt een nieuwe wereld gecreëerd, een wereld, die schijnbaar strijdig is met de menselijke erkenning, maar het voor zich gehanteerd, mogelijk maakt, om in de menselijke wereld tot nieuwe erkenningen te komen.

De leerling zal dus weer uit moeten gaan van een aanvaarding, nu van een reeks op zichzelf logische stellingen, die echter geen direct contact hebben met menselijke redelijkheid, menselijke logica. Hij zal verder moeten leren, deze waarden te manipuleren en zijn Meester helpt hem daarbij. Op deze wijze wordt hij in feite een vorm van magiër. Hij zal experimenten doen, proeven nemen, geestelijke en andere, om zo te komen tot een realisatie. De realisatie echter is die van de leerling, niet die van de Meester. De Meester verschaft de middelen, hij laat de ontwikkeling van de leerling volledig vrij van zijn eigen ontwikkeling plaats vinden en speelt dus eerder de beschermer en onderwijzer dan dat Hij is de geestelijk overheersende kracht. Vele geheimscholen volgen dit systeem.

Een derde vorm is er een, die hoofdzakelijk op geestelijke waarden berust. Wij zouden kunnen zeggen, dat dit een kwestie is van harmonie. Op het ogenblik dat de Meester de harmonie erkent met een ander levend wezen is, door dit ontstaan van harmonie, zonder verdere wil van de Meester of van de ander, een band leerling/Meester ontstaan, die echter afhankelijk wordt van de vrije erkenning van het optreden van de Meester. De Meester geeft in dit geval vele raadgevingen. Hij tracht door raadgevingen, het geven van aanwijzingen en zelfs voorschriften, soms op een afstand, in enkele gevallen ook in een nader contact, zijn pupillen te voeren tot een leefwijze die harmonisch is en zo uit die harmonische waarden vanzelf een zeker Kosmisch bewustzijn te doen ontstaan. Natuurlijk zijn er, mijn vrienden, meer wegen maar deze drie zijn wel de hoofdwegen.

Nu komt de grote vraag, die ik ook mijzelf heb gesteld: Wat is de kern van een inwijding? Want de Meester is degene, die ons tot inwijding voorbereidt en wij moeten dus een denkbeeld vinden dat niet slechts de verhouding Meester/leerling of omgekeerd karakteriseert, maar a.h.w. het proces in zijn einddoel omschrijft. Dan geloof ik, dat ik de omschrijving van Meester Kuthumi mag gebruiken, die stelt: Het overschrijden der grenzen, die door het bewustzijn zijn gesteld, binnentreden in de grote ordening der eeuwigheid. De menselijke rede is een beperking. Wanneer die beperking overwonnen is, dan treden wij en in een grotere wereld, een wereld, waarin wat eens een vaste grens scheen, nu slechts een aanduiding is van graad of rangorde, meer niet. Onze inwijding brengt ons dus in contact met een bepaalde kracht en of ik nu zeg: Matsoeraat de Heer van de Zon of dat ik zeg: God, of dat ik zeg: Jezus, in alle gevallen gebruik ik het symbool voor de onbeperkte wereld. De Meester tracht Zijn leerling te doen binnentreden in een wereld, waarin geen beperking geldt, althans geen bewust te realiseren beperking. En nu wij dit antwoord vinden, wordt ons duidelijk dat het kenteken van elke relatie tussen een Meester en Zijn leerlingen moet zijn: het voortdurend zich manifesteren van oneindigheid, onsterfelijkheid en niet de oneindigheid van het eigen Wezen. Daaromtrent zijn verschillende opvattingen mogelijk naar het openbaren vanuit het Ik, van verbondenheid met iets, dat grenzeloos is. En dat houdt in dat een Meester nooit en te nimmer in staat is, om Zijn leerling tot de bestemming te brengen. Hij kan ten hoogste een poort ontsluiten, waardoor hij gaan kan. Zo zegt men dan ook: De Meester tracht zijn leerling op te heffen tot het punt, waarop Hij zijn leerling als Meester kan beschouwen. En nu u ook dit hebt gehoord, lijkt het mij goed om de werkmethoden van Meesters ook nog anders te omschrijven, want wij kennen allen natuurlijk de goeroe, die in de stof optreedt.

Hij is een Meester. Soms trekt Hij, soms is Hij als kluizenaar ergens gevestigd. Men komt tot Hem of Hij komt tot Zijn leerlingen. Met hen tezamen beleeft Hij de materie. Zijn kennis echter verheft Hem boven de doorsneemens en zo tracht Hij aan hen, die Hem volgen, een grotere vrijheid te geven. Maar naast deze leermeesters zijn er andere. Spreken wij niet over Jezus als Meester en kennen wij niet veel andere namen, die ook het predicaat Meester met zich voeren. Een grote lichtende, kracht is Meester op het ogenblik dat deze kracht door zijn wezen en werken te delen met het geringer bewustzijn dat hem aanvaardt, tracht op te heffen tot de onbeperktheid van zijn eigen bestaan. Daarbij is geen zichtbare relatie meer aanwezig. U gelooft aan Jezus, maar wat is dat geloof anders, wanneer u tenminste waarlijk gelooft aan een uzelf ondergeschikt maken volledig aan Jezus, niet aan wat men zegt, maar aan wat Jezus is voor u. Dan is Jezus Meester, omdat Hij in u werkzaam is en u bent leerling, omdat u, met uitschakeling van uw eigen oordeel en uw eigen behoeften, die Jezus als uw meerdere hebt aanvaard en Zijn wil, Zijn aanwijzingen, Zijn leringen in uzelf kritiekloos aanvaardt, om eerst, na de aanvaarding en verwerking, te trachten, deze om te zetten in de praktijk. Is dit voldoende duidelijk als beeld, mijn vrienden? Dan zeggen wij: één grote geestelijke meester kan dus talloze duizenden mensen gelijktijdig in Zijn wezen opnemen. Maar hoe groter het aantal entiteiten is, dat leerling is van deze Meester, hoe sterker nadruk zal vallen op eigen aanvaarding en activiteit van de leerling.

Is er een verhouding van één Meester/één leerling: dan kunnen zeggen: er is een voortdurende wisselwerking. De Meester instigeert vaak de ontwikkeling.

Hebben wij te maken met een hoge geestelijke Meester, dan zal dit niet het geval zijn. Want de hoge Meester geeft voortdurend de volheid van Zijn wezen, de leerling stelt zich open of sluit zich af daarvoor en de Meester heeft daarop geen kritiek. Maar wil men de kracht van de Meester gebruiken, zo zal men zich moeten openstellen voor zijn wezen zonder voorbehoud, zonder kritiek, niet afgaande op uiterlijke waarden of wetten, maar alleen op de erkenning van de sfeer van die Meester in hemzelf. Wanneer u dus op een ogenblik uzelf verbonden of één gevoelt met Jezus, dan kunt u zeggen, dat u op dat ogenblik niet alleen zoals elke leerling, volledig kunt putten uit de kracht van uw Meester, dat u a.h.w. kunt handelen en spreken uit Zijn vermogen, in Zijn naam, maar dat u daarnaast in uzelf een weten hebt, een wetenschap, een begrip omtrent de voor u juiste wijze van handelen, de voor u noodzakelijke dienst aan anderen en al wat daarin verder ooit kan optreden. Deze grote geestelijke Meesters, zoals ik reeds gezegd heb, omvamen, zeer grote aantallen leerlingen. Zo is het duidelijk, dat er een ogenblik komt, dat een nader contact vanuit zo’n Meester moet worden uitgedrukt door nu nauwere banden. In bepaalde streken bestaat de gewoonte, dat de Meester zelf in afzondering leeft, hij heeft rond zich Zijn eigen leerlingen, Zijn directe kring van discipelen en ofschoon de Meester ook zelf rechtstreeks tot het volk wil spreken, wanneer dit noodzakelijk is, zal Hij vooral de persoonlijke lering en achtergronden aan Zijn discipelen overdragen. Er is dus een mogelijkheid dat uw Meester tegelijkertijd de leerling is van een grotere meester. Deze beperkte Meesters putten uit de kracht van Hem, die zij volgen. Zij zijn in eerste plaats discipel, d.w.z. dat hun uitdrukkingen, zodra zij persoonlijk worden onjuist zijn. De zgn. vervangende Meester werkt dus alleen, met raadgevingen, die voortkomen uit Zijn innerlijk weten, plus het overdragen van de krachten, die in Zijn eigen Meester gelegen zijn. Al het andere vloeit voort uit Zijn eigen persoonlijkheid, de gestalte, die Hij voor u opbouwt, maar is niet deel van Zijn “Meester zijn”.

Van deze Meesters zijn er zeer vele, ook in de geest. Dit gaat van degenen, die zuiver persoonlijk leidinggeven, tot Meesters, die ook weer bepaalde groepen trachten te helpen en te beïnvloeden. In alle gevallen kan hier worden gezegd dat de leerling de voorschriften van zijn Meester zonder aarzeling en voorbehoud dient op volgen, dat hij diens sfeer moet beschouwen als de voor hem, op dit ogenblik, enig juiste, maar dat elk redelijk argument dat door de Meester wordt gebracht, vrijelijk bezien, besproken en bekritiseerd mag worden, aangezien het niet is de onmiddellijke grote werking. En dat houdt in, dat de geestelijke Meesters, waar u ongetwijfeld van hebt gehoord en die u ook zelf wel hebt meegemaakt, niet de Meesters zijn waar u zich onmiddellijk op kunt beroepen. Het zijn Meesters, wier redelijke uitleg voor kritiek vatbaar is, maar die in de overdracht van een Hogere Kracht, u bepaalde waarden geven van meer mystieke en occulte geaardheid, die zonder kritiek aanvaard moeten worden. De sfeer, de stemming, de krachtsverhouding, die stralend ligt tussen leerling en Meester, mag nimmer bekritiseerd worden. Zij mag niet eens aan een wens onderhevig of onderdanig gemaakt. Zij moet voortvloeien uit een zo groot mogelijke eenheid op dit terrein tussen Meester en leerling. En daarmee kom ik weer tot een volgend punt.

Ieder kan zich Meester noemen. De ware Meester noemt zichzelf niet Meester, maar maakt Zijn Meesterschap kenbaar door de werking van de Kracht, die Hij van zich uit aan de zoekende zendt en waarin de zoekende voor zich licht, veiligheid, zekerheid vindt in omkering van waarden, die een totaal nieuwe verhouding van het leven voor zichtbaar maakt.

Zo moet u begrijpen, dat degene die tot u komt en zegt: “Ik ben uw Meester” nimmer recht heeft om van u deze kritiekloze onderwerping en aanvaarding te vragen, die behoort bij de absolute gebondenheid. Wel echter zal iemand tot u komen en trachten u te leiden, u een nieuw inzicht te geven en er ontstaat een ogenblik, een sfeer, waarin gijzelf erkent: dit is hoger en beter dan ik ben. Dan moogt gij tot die ander zeggen: Meester. En antwoordt hij daarop: Ik aanvaard u als gezel. En dan is het goed. Zegt hij: Ga met mij, dan betekent dit, gij zijt mijn leerling. Zegt hij tot u: ik keer tot u terug, dan betekent dit alleen, dat ge voort moet gaan, zoals ge nu leeft en werkt, opdat op een ogenblik dat voor de Meester het juiste is voor een harmonische mogelijkheid, Hij tot u zal komen en u zal omvatten in Zijn sfeer, zodat ge leerling kunt worden. De leerling zoekt zijn Meester en de Meester zoekt Zijn leerling, maar zij kennen elkaar niet uit uiterlijke normen, maar slechts uit het innerlijk besef, dat het Ik a.h.w. open plooit voor een grotere wereld, een nieuwe harmonie, een nieuw inzicht doet ontstaan.

En dat, vrienden, is dus wel zeer belangrijk. Er zijn zoveel krachten, die u zeggen ik ben uw Meester maar wie u zegt: Ik ben Meester, is niet Meester. Hij zal het willen zijn, maar door te stellen: “ik ben Meester “maakt hij zich al afhankelijk. Want, als hij eist van u een erkenning, zonder die erkenning bestaat zijn Meesterschap niet. Dan is hij nimmer de meester, die gij zoekt. Hij, die u wil dienen, kan meer uw Meester zijn dan hij, die u wil beheersen. Vraag dan ook nooit: Meester, help, mij, vraag: Kracht, help mij. Zeg niet: Meester Jezus, toon mij de waarheid, zeg: Kracht Jezus, leer mij harmonie met U kennen; ‘Zeg niet: Grote Boeddha, toon mij de paden, maar zeg: Gij, Leraar, laat mij de harmonie vinden, waarin de waarheid van Uw paden gelegen is. De verhouding mag niet, gebaseerd zijn op een stelling, zij moet immers innerlijk te beleven zijn.

En nu komen aan een volgend punt: Kan de geest, zoals ze hier spreekt als ik vanavond tot u spreek, zoals vele anderen tot u spreken, uw Meester zijn? Maar door het gesprokene, de uiting van het medium alleen kan nimmer een verhouding Meester/leerling ontstaan. Wel kan het het begin zijn van een begrip, waardoor u innerlijk de juistheid aanvoelt van de Kracht en daarmee een persoonlijk harmonisch contact krijgt. Wanneer dus een medium tot u spreekt en zegt: “Ik ben de Meester”, zo kunt gij antwoorden: Herhaal dit in mijn Wezen in mijn beslotenheid en harmonie en ik zal u aanvaarden.

Maar zeg nimmer: Laat mij dan uw leerling zijn.

Er zijn ook andere punten, die moeilijk zijn voor de mens. De Meester geeft u kracht, Hij geeft u innerlijke beleving, maar gij als mens, gij leeft in een wereld, die zijn eigen wetten en eisen stelt. Gij ziet rond u de volheid van een wereld en die wereld heeft recht op u, die wereld heeft u nodig; gij zijt een deel van een groot geheel. Door u eraan te onttrekken, zou je onrecht doen aan die wereld. Slechts door er deel van te zijn, kunt gij aan uw werkelijke bestemming voldoen. Zo dus een Kracht of een Meester van u eist, dat gij u afzondert van de mensheid, zo weet gij, dat deze geen ware meester is.

Harmonie omvat ook uw totale materiële wereld, zij omvat alle krachten. En of die Meester komt van uw eigen planeet, van een andere planeet, van een andere sfeer, van een wereld, die gij niet kent, of Hij is een oude Godheid of een dienaar onder uw voeten, maakt geen verschil. Wanneer die Meester werken wil, dan moet Hij u in functie laten in en voor het geheel. Uw gedachten, maar ook uw daden in uw gehele bestaan, mogen niet alleen gericht zijn op één enkel doel van innerlijke bereiking of verwerving, het moet een doorgeven zijn van wat in u ontstaat, opdat de harmonie die tussen de Meester en de leerling groeit, wordt uitgebreid over de wereld en zo, omvattend het geheel, het mogelijk maakt dat werelden die elkaar niet kennen, één worden. Zo wordt altijd weer de vraag voor ons kenbaar: Wat is eigenlijk Meester, wat is God, wat is leven? En een antwoord kunnen wij niet geven, omdat er geen juist antwoord mogelijk is. Gij kunt niet een Meester omschrijven, want er zijn 100.000 wegen denkbaar, alleen al voor u hier, die alle tot een einddoel leiden. Maar een Meester heeft zijn eigen harmonie gevonden vanuit zichzelf naar het Hogere, langs een bepaalde weg.

Slechts wie met die weg harmonisch kan zijn, kan leerling zijn van die Meester. Dat wil niet zeggen, dat dat de énige weg is, maar wie de weg gaat, moet zich aan die weg binden, dat is duidelijk. Wilt Gij één zijn in de Kracht, die van de Meester uitgaat, dan zult gij alles, wat buiten die Kracht ligt, weg moeten laten. Zou u disharmonie scheppen vanuit uzelf, dan zou dat zich opbouwen in de Meester, het zou steeds groter en sterker worden en de Meester zelf zou Zijn contact met het Oneindige verliezen en dit is onmogelijk. Daarom zal de Meester de disharmonie met de leerling beschouwen als een verbreking van het contact. Hij laat de leerling toe, in korte ogenblikken die harmonie te delen en die harmonie weer afzonderlijk te bestaan, maar Hij zal nimmer de leerling toestaan zijn eigen reglementen van denken en leven mee te nemen in een harmonie waarin zij nog niet passen, waarvoor zij niet rijp zijn. En zo is de verhouding dus ook wel geschetst als iets dat niet noodzakelijk voortdurend gelijk is. Ik kan vandaag voor mijn Meester bedelen en morgen met hem in meditatie opstijgen tot sferen, die geen vormen kennen. Morgen zal ik zijn hout hakken en overmorgen zal ik voor mijzelf spreken, met groot gezag voorschriften geven aan eenvoudigen, die tot mij ook Meester zouden willen zeggen. En dan is alleen het ogenblik van harmonie, gedeelde harmonie de werkelijke band tussen leerling en Meester. Al het andere is bijkomstig.

Gij zult u nu afvragen, of er een Meester is, die in staat is, een systeem te geven, dat feilloos is. Er bestaat geen enkel systeem van feilloos denken, van redeneren, van extrapolatie aan de hand waarvan een werkelijke bewustwording mogelijk is, want het bewustzijn van een mens is gebaseerd op zijn grote Ik, zijn Kosmisch Ego, niet op zijn menselijk beeld van eigen bestaan. Daarom zal altijd de innerlijke wereld, de gevoelswereld, belangrijker zijn dan de denkwereld in het contact. Maar al is er dan ook geen vast systeem te geven, omdat een systeem altijd aan beide zijden gelijk blijft. Wij kunnen op een ogenblik wel beseffen dat het systeem met zichzelf in tegenspraak is en zichzelf afsluit. Zijn wij in wij nu in staat, gevoelswaarden te nemen als primair, dan leggen wij de feiten open. Er zijn twee zijden, die beide belangrijk zijn en de kristallisatie van de waarheid maakt mijn interpretatie van een leer mogelijk. Wanneer u dus de oude grote leerboeken of de meer moderne openbaringen daarvan gadeslaat bij Rozekruisers of bij Christendom in vele vormen, bij Boeddhisme in vele richtingen, dan zult u steeds geconfronteerd worden met iets, wat met zichzelf in tegenspraak is. U beseft dit niet, maar, wanneer ik enerzijds, zoals in de theosofie, mij baseer op het feit dat er wetenschap is en anderzijds de wetenschap verwerp – in “Isis unveiled” staat dit zeer duidelijk geschreven – dan heb ik iets onjuist gezegd, tenzij ik begrijp, dat er uit de innerlijke en de uiterlijke wetenschap, waarbij de benadering van de uiterlijke wetenschap vervangen wordt door de innerlijke en de uiting, de wetenschappelijke uiting dezelfde kan blijven. Wanneer ik geloof in Jezus en ik wil mij baseren op zijn historisch bestaan, begin ik al met een twijfelachtig punt. Wanneer ik daarnaast uitga van de juistheid van al dat, wat omtrent leerstuk omtrent Hem wordt aanvaard, dan kom ik ergens met mezelf in tegenspraak. Jezus is een zoon van God, zo leert men u, maar Hij is kennelijk ook mens, want Hij lijdt en kent angsten. Tegenspraak. De mens en de God, dat is geen verhouding. Nu zeg ik: God in de mens, dan heb ik beide waarden en zeg ik: de innerlijke waarde vereenzelvigt zich daardoor met het Hogere en het lagere. Dan heb ik hier de Goddelijke kracht aanwezig en ik heb daar het stoffelijk uitvloeisel van het mens-zijn en kan zeggen dat het mens-zijn de uiting is van een impuls van het Goddelijke en dan, dan is de woordelijke waarheid niet belangrijk meer, want nu wordt een sfeer van werken en beleven essentieel, waarbij de rest maar een vorm is, die niet ter zake doet. En dan krijgen we de juiste verhouding, die altijd moet bestaan met Hem van wie wij willen ontvangen. Hij kan niet materieel gezien worden. Materieel is hij met zichzelf in tegenspraak, zoals de Boeddha en zoals ieder ander met zichzelf in tegenspraak is, zoals het boek ‘Thot’ zelf het groot hermetisch geheim is vol van tegenstrijdigheden. Maar beseft men, dat zij uit verschillende waarden voortvloeien, dan blijkt opeens, dat het Goddelijke en het menselijke aspect zijn samengevoegd op de juiste wijze, dat gevormd is een afgerond geheel, waarin niet alleen menselijke werelden, maar een kosmische omvaming van alle sferen mogelijk werd. En dat is nu de reden dat de sfeer, de harmonie het belangrijkste is. Ik kan in geen enkel ogenblik met mijn Meester in harmonie zijn en verder in mijn wereld bestaan zoals ik wil. Maar op dat ogenblik van harmonie heb ik mij iets gerealiseerd, dat niet in woorden helemaal is uit drukken, wat in het gevoel is ingedrongen, misschien tegen alle reden in en dat nu verborgen is onder een Goddelijke waarheid, die ik misschien aanvaarden kan en een menselijke waarheid, waarin ik leven moet, de band schept, waardoor Goddelijke en menselijke waarden één worden.

En dit; vrienden, is het essentiële voor elke verhouding tussen een Meester en Zijn leerling, tussen een leerling en zijn Meester. Wij moeten de menselijke rede beschouwen als het werktuig voor het menselijk leven, maar u moet begrijpen dat die menselijke rede alleen zin heeft, wanneer zij door een Goddelijke rede, die niet menselijk beseft kan worden, gemotiveerd en geleid wordt. En daarom kan de Meester, niet anders zeggen dan: Gij zult mij geheel aanvaarden zonder kritiek en zonder rede. Want slechts door de harmonie van de Meester, die reeds een hoger aspect van het Licht kan ontvangen, en van de leerling die door de Meester hetzelfde aspect harmonisch kan beleven, door die harmonie, die de verbinding vormt, kan de Meester overdragen aan de leerling, wat in Hem leeft. Geen stelling is zonder dit van belang, geen werking zonder dit mogelijk.

En nu ten laatste nog één punt, mijn vrienden, en dan heb ik misschien al te veel een beroep gedaan op uw geduld. Ik heb u zo-even duidelijk gemaakt, dat er een verbinding bestaat in die harmonie waarbij het hoge aspect van de Meester verbonden is met het lage aspect van de Leerling, waarbij deze beiden in feite één zijn in omvatting in hongerig verzwelgen van de waarheid. Realiseer u nu dat, wat in de Meester is, dus ook in de leerling komt, zij het door bemiddeling van de Meester. Wanneer de harmonie juist is, dan kan het zover worden gedreven, dat de leerling a.h.w. de hand is, de Meester zegent of straft. De leerling is het verlengstuk van zijn Meester, tot hij in staat is zelfstandig uit dezelfde harmonie en kracht te putten. En daarom is het noodzakelijk dat een mens, zich onderworpen aan de Meester voegend, dadeloos blijft. Zo gij innerlijk beseft, wat uw Meester mogelijk maakt, kunt gij dit ook. Maar gij kunt dit alleen in volle aanvaarding van uw Meester en van de krachten in Hem. Zelfs indien Hij daarmee dingen stelt, die voor u misschien twijfelachtig zouden kunnen zijn, zo gij uw verstand toeliet die twijfel te doen opkomen. Indien gij uw Meester volgt, of Hij nu Jezus heet of de Man van Tenna of misschien zelfs een kwakzalver is als Cagliostro of als een bekende graaf, altijd kan hij zich zonder voorbehoud op die Meester beroepen op de Kracht, van waaruit die Meester de harmonie voortbrengt.

Is dit beroep volledig, dan is de Kracht volledig en dan beantwoordt zelfs uw stoffelijke wereld niet meer aan de wetten van een menselijke beperktheid, maar slechts aan de Kosmische Wet, die de wetten van natuur en menselijk leven niet altijd volledig respecteert. Zo moet de leerling dus ook leren om nog groot te zijn uit de kracht van zijn Meester, opdat hij de grootheid van de harmonie leert beleven, ze kan ze uitdrukken onder de mensen.

Met deze punten, vrienden, wil ik mijn inleidend betoog voor vandaag sluiten.

image_pdf