Verloren gegane leringen van Jezus

3 juli 1960

Nu we al zovele verschillende lessen hebben bezien, gedeeltelijk in de esoterie, gedeeltelijk in de religieuze richting, zou ik op deze morgen nog graag teruggrijpen naar bepaalde christelijke leerstellingen, die Jezus in zijn tijd dus heeft gegeven en die, laten we eerlijk zijn, in het rumoer der tijden teloor zijn gegaan.

Een van de typische leerstellingen, die men al heel snel heeft willen vergeten, luidt als volgt: Hij, die een ander een wet stelt, dan wel veroordeelt, maakt zichzelf de toegang en ingang tot het Koninkrijk Gods onmogelijk. De vertaling is overigens van mij.

Het is een zeer eigenaardig verschijnsel, dat juist deze stelling zeer snel teloor ging. De mens, die geneigd is zich vooral tot anderen te richten, anderen te bevelen, over anderen te oordelen, heeft dus niet willen begrijpen wat de werkelijke inhoud is van deze stelling. Echter, bezien vanuit het standpunt van het Koninkrijk Gods, dat in onze termen omgezet in feite de volledige harmonie met het goddelijke en de goddelijke wereld is, kan een veroordeling, een beoordeling, ja zelfs het stellen van een wet, een vervreemding betekenen. Het is iets anders wanneer wij gezamenlijk een regel aanvaarden. Wanneer wij een regel aanvaarden, dan doen wij dit, omdat wij daarin zelf een mogelijkheid zien tot bewustwording, tot beleving etc., en het is ieders recht om een regel te geven, of dit nu een regel is, ter bereiking van zuiver stoffelijke voordelen, of een regel voor esoterische bewustwording, voor innerlijke bereiking. Maar wee de mens, die tracht deze een ander als een wet op te leggen. Hij stelt zich, door het feit dat hij een wet maakt, buiten de gemeenschap, zelfs wanneer hij de wet zelf volledig naleeft – wat lang niet altijd gebeurt – zal hij zich nog gesteld hebben als wetende ten opzichte van de onwetende. Hij heeft zijn dienstbaarheid verworpen en daarvoor in de plaats op zich genomen een leiderschap. De enige kracht die werkelijk leiding geeft in het heelal is zeker vanuit het christelijke standpunt, God zelve. Hij verbreekt dus de harmonie. Het Koninkrijk Gods is voor hem minder bereikbaar. Wanneer wij anderen be- of veroordelen, zonder dat dit in directe relatie met onszelf geschiedt, dan zal ook zeer duidelijk ons bemoeien met de buitenwereld, de harmonie met die buitenwereld aanmerkelijk verminderen. Ook hier wordt de gedachte van eenheid dus verbroken en het Koninkrijk Gods voor ons minder kenbaar. Wanneer ik van dit standpunt uitga, vind ik in Jezus leer vele, ik zou haast zeggen, bijna eigenaardige, uitspraken. Het zijn alle uitspraken, die teloor zijn gegaan, of in sommige gevallen in de Apocriefe misvormd bewaard zijn gebleven. De levensleer echter van Jezus is er één, die de mens dwingt om voor zich te denken en te zorgen. Hij stelt verder, dat een dienstbaarheid aan de wereld noodzakelijk is. Daarnaast echter geeft hij die mens veel groter mogelijkheden tot vrijheid, tot vreugde, dan in de christelijke gemeenschappen gebruikelijk is. Luister maar. “Wanneer men u zegt: Er is droefenis, zo zeg ik u: Er is vreugde. En wie de vreugde kent en de vreugde beleeft, hij zal niet schuldig zijn in het oog des Heren. Slechts kan hij schuldig zijn tegenover hem, ten koste van wien hij vreugde neemt”. Dat is een heel typische opvatting. Het is logisch dat dit op de voorgrond is gekomen. U weet: Jezus heeft een hele tijd rondgetrokken en met zijn volgelingen, waaronder ook vrouwen, ging onder meer mee Maria Magdalena, de bekende danseres, of we mogen ook zeggen: Omrie, Maria Omrie, zoals ze oorspronkelijk heette. Deze Maria van Magdalena stond slecht bekend en wanneer er ’s avonds aan de bron wel eens geschertst werd en gelachen, zo waren er vele van Jezus volgelingen, die haar gedrag eigenlijk onbehoorlijk vonden. Zij waren van mening dat de Maria’s, de Martha’s en wie er verder allemaal meetrokken, allemaal een lang gezicht moesten trekken en vervuld dienden te zijn van de heiligheid des Heren. En het is juist hierop dat Jezus zijn aanval richt. Wanneer zijn leerlingen daarover debatteren met hem (vooral Judas was daar nogal sterk in en ook Bartholomeus), dan ontspint zich o.m. het volgende gesprek: “Ja maar Heer, zij die de vreugde zoeken zullen toch niet door kunnen dringen tot het Koninkrijk Gods?” Jezus antwoordt: “Zo denkt gij, dat het Huis mijns Vaders, het Koninkrijk van mijn Schepper, een rijk van droefenis is. Voorwaar ik zeg u, vreugde is er in allen die Hem kennen en vreugde is er in alle rijken, waarin Hij gebiedt. Slechts de blinden en de dwazen, zij erkennen deze vreugde niet. Zij werpen het licht van zich en in de verborgenheid van hun eigen onbegrip zullen zij treuren”. Wederom vertaling van mij, aangezien hiervan geen redelijke vertaling bestaat, zelfs niet in het latijn.

Hier geeft Jezus is dus wel iets te denken. Hij gaat uit van het standpunt, dat vreugde voor de mens geschapen is, dat vreugde iets is, wat behoort in het leven. Hij vindt eigenlijk, als je dat zo tussen de regels door leest, dat mensen die voortdurend met lange gezichten door de wereld proberen te sjokken als wij in dit tranendal, God beledigen. Het is natuurlijk voor de ijveraars onder zijn leerlingen een beetje een slag en ze komen dan ook onmiddellijk in verweer: “Maar Heer, wie zal ons zeggen welke vreugde gepast is?” Ja, welke vreugde is gepast? Per slot van rekening: Er moeten toch ook wel vreugden zijn, die met deugen en ze zouden toch wel heel graag zien, dat Jezus zou zeggen: ja, er zijn zoveel vreugden, die niet deugen, dat je erg voorzichtig moet zijn. Jezus reageert heel anders: “De vreugde, die een werkelijke vreugde is, is altijd uit den Vader, maar dat wat de mens vreugde noemt, omdat hij zichzelf ten dele verloochent of verbergt, is altijd uit het kwade, want dit zeg ik u: De mens die leeft in de volheid des levens en vervult de wil des Vaders, kent niets dan vreugde, doch hij die zoekt de roes en het genot in verborgenheid, die zal zondigen tegen den Vader, omdat hij zich bewust is van zijn schuld.” En op dat laatste wil ik aanhaken.

“Omdat hij zich bewust is van zijn schuld”. Het schuldgevoelen wordt hier gezien als de grote verwijdering van God. Dus niet de daad op zich, met het gebeuren op zich, neen, het feit dat men zich dus schuldig gevoelt en daaruit zou voort kunnen komen, dat de meest gepermitteerde vreugden voor sommigen schuld kunnen inhouden, omdat zij zich schuldig voelen. De leerlingen geven het nog lang niet op en dan komt de practicus naar voren, dat is Simon, later Petrus, gesteund o.m. door Andreas. “Ja maar Meester, gij hebt ons geleerd van de goede werken die wij moeten doen en indien de mens zijn vreugden zoekt, hoe zal hij daarvoor tijd vinden Ja, nu moet je dat eens even indenken. Die mens is op de wereld om goede werken te doen nietwaar, want Jezus heeft gezegd: je moet gevangenen bevrijden, hongerigen spijzigen, dorstigen laven, zieken troosten, noem maar op en ja dat zou toch een levensdoel moeten zijn en als je nou de vreugde nagaat heb je daar geen tijd voor. Maar Jezus reageert onmiddellijk weer en corrigeert: “Is het niet de grootste vreugde, anderen te geven? Zo zal hij, die de ware vreugde kent, te allen tijde uit zijn vreugde geven aan hen, die niet bezitten. Hij zal hen, die wenen, troosten en zijn vreugde geven en zo één zijn met hen in den zin van des Vaders wil en hen inleiden tot het Koninkrijk”. Nou, ik zou zeggen, daar kunnen ze het mee doen, maar ofschoon we in de evangeliën alleen horen, dat de Farizeeën en de Sadduceeën zo lastig waren voor Jezus, waren die eigen leerlingen vaak nog veel lastiger. Het hele koor begint door elkaar te babbelen en uiteindelijk komt er dan dit antwoord:”Ja maar Heer, indien wij de mens dan leren zich te verheugen, hoe zullen wij hun dan uw leer geven?” M.a.w.: Ja, hoor eens, je bent nu wel een groot profeet, maar als je met dergelijke uitspraken voor den dag komt, zien wij geen kans om dat de mensen duidelijk te maken. Wat is Jezus’ antwoord? “Zij, die in mij niet erkennen de vreugde des Vaders en zij die met in mij vinden de vrijheid die de Vader een ieder geeft, doen beter huns weegs te gaan”. M.a.w.: Ik bén vreugde. Mijn leven, mijn bestaan, moet je een vreugde zijn, en als dat met het geval is, wanneer je het ziet als iets droevigs, of iets dat te veel verplichtingen met zich brengt, dan deug je al niet meer, dan kun je beter je eigen wegen gaan.”

Een typisch verschijnsel, vindt u met? Strijdig met heel veel praktijken van het huidige christendom en toch zo waar, wat als ik nu eens uit mijn eigen idee zo dit verder ga bezien, dan moet ik in de eerste plaats wel zeggen, dat het feit, dat het Goddelijke zich openbaart door een grote Meester als Jezus, voor ons direct een zekerheid, een vreugde moet zijn. Er is dan toch maar een band tussen ons en God. Er is dan toch maar levende kracht en licht voor ons. Wij krijgen geestelijke geschenken van een onvoorstelbare waarde en ze worden ons steeds als een soort verrassing gedeponeerd, elke keer weer. U zoudt eigenlijk net zo opgewonden en blij moeten zijn met die gaven als kinderen op sinterklaasmorgen, maar neen, we nemen dat als vanzelfsprekend aan en we menen daar een droevig en plechtig gezicht bij te moeten zetten. Dat is al niet logisch.

Verder: wat leert Jezus ons? En dan kun je rustig grijpen naar de bekende evangeliën ook, dan hoef je je niet alleen aan de minder bekende delen van zijn leer vast te klampen. Hij gaat door de korenvelden en hij roemt de schoonheid ervan. Hij wijst zijn leerlingen op de bloemen en de vreugde die ze bezitten. Hij wijst ze op de vogelen des hemels. Jezus is een echte natuurgenieter, als je dat zo eigenlijk goed leest en hij is zeker geen hypocriet. Hij kan echt waardering hebben voor iemand, die dingen doet, die eigenlijk niet helemaal in orde zijn. Een van zijn gelijkenissen zegt het: Een rentmeester wist dat zijn heer hem zou gaan ontslaan, want hij had schulden gemaakt. Hij had geld gebruikt en wat deed hij, toen nam hij nog vele talenten van zijn heer en hij ging naar alle schuldenaren toe, dus al degenen die aan de heer geld schuldig waren. Tegen de een zei hij:”schrijf in plaats van 5, 3, en tegen een ander zei hij: “Hier heb je geld”. Tegen de derde zei hij:”Die verplichting zullen we als afgedaan beschouwen”. En, nou ja, dat noem je tegenwoordig oplichting, en wat zegt Jezus? Hij zegt: “Dit was een wijs mens, want het is goed u vrienden te maken uit de mammon.” Bom, daar ga je met je hele ethiek, daar ga je met je noodzaak om droef te zijn, om zo buitengewoon voorzichtig en eerlijk te manoeuvreren door het leven en alleen anderen te bedriegen, wanneer je eerst in staat bent jezelf te bedriegen. Hier wordt, wat oneerlijkheid is, door Jezus eenvoudig geroemd en waarom? Omdat deze mens daarmee dus eigenlijk vreugde geeft aan anderen en gelijktijdig voor zich een zekerheid schept. Als Jezus vandaag de dag tegenover het goede heertje had gestaan, had hij waarschijnlijk gezegd: ”Jongen, je hebt het bijna goed gedaan, je had alleen nog moeten zorgen, dat je zelf buiten net bereik van de rechterlijke macht kwam, want je hebt je vrienden gemaakt uit de mammon, dat is goed”. Dat vergeet men in deze dagen wel eens. Jezus is geen voorstander van beperkingen of van bezit of zoiets. Hij ziet de materie en het materiële als iets dat je gebruiken moet en wanneer die materie toevallig vrucht oplevert, heeft Jezus helemaal geen bezwaar. Hij zou er desnoods een kruikje wijn bij toveren, als het niet anders kan. Nietwaar, hij vertelt verhalen, hij maakt de mensen blij en daarnaast geeft hij ze de inhoud, de innerlijke inhoud van het werkelijke leven. Dat de mensen met die stof zo nu en dan eens wat minder netjes omgaan, ach zegt hij, dat is niet erg, indien men daarmee ook iets bereikt: de vreugden van anderen, de innerlijke zekerheid, daar gaat het om. Nu was deze stelling voor sommigen van zijn leerlingen nogal erg onaanvaardbaar. U moet met vergeten: er waren dus twee Galileëers, mensen die nogal eens in verzet waren tegen nu eens dit en dan weer dat. Ik zou naast zeggen: net zoiets als de havenarbeiders van Rotterdam en Amsterdam, die hebben ook nogal eens de gewoonte om in verweer te komen. Dus dat ligt hen wel en het is waarschijnlijk daardoor, dat ze met nadruk die gelijkenis van de oneerlijke rentmeester hebben doorverteld. Maar als je de christelijke leer ziet, dan is dat een van de weinige niet-congruente elementen in de leer. Gelijktijdig echter is het een van de weinige tekenen, die gebleven is van Jezus werkelijke opvatting. De wereld is er om vreugde te kennen. In die wereld moet je eerlijk zijn, natuurlijk. Je hoeft niet oneerlijk te zijn, wanneer er geen noodzaak is, maar het is belangrijker dat de mensheid gelukkig is, het is belangrijker dat je zelf dat gevoel van verbondenheid met God, die zekerheid, die geborgenheid kent, dan dat je materieel alles nou precies zo langs het wetje neemt, zoals het staat. Jezus is een revolutionair, dat vergeet men vaak. We willen in Jezus alleen de wijze meester zien, die voor eeuwen heeft vastgelegd hoe de mens zich moet gedragen. Men wil in hem zeker niet zien de wetende, want in sommige gevallen zegt hij iets, wat, nou ja, of wetenschappelijk of op een andere manier, een beetje wringt. Als Jezus tegen zijn leerlingen zegt: “Leert te lezen in de tekenen des Hemels en aan de lichten des Hemels te herkennen de weg.” (dat is dus een directe aanbeveling eigenlijk in de richting van de astrologie en cyclische leerstellingen), dan wordt dat niet opgenomen, want dat riekt teveel naar bijgeloof, of zouden we moeten zeggen dat zoiets teveel de deur openlaat voor andere profeten dan de leerlingen zelf? Dat moet eruit.

Maar Jezus staat tegenover het leven op een heel typische manier. Voor hem bestaat er geen goed en geen kwaad. Er bestaat voor hem alleen het naderen tot God en het zich afwenden van God. Hij heeft verder geen oordeel. Hij is niet iemand die een Pilatus zal veroordelen, of die een Barrabas zal haten omdat hij wordt vrijgelaten. Hij is niet een mens, die Dismas, degene die zich tot hem wendt in een redelijk contact, terzijde werpt en zegt: “Je bent maar een moordenaar”. En dan zegt men: “Ja, dat komt, omdat Jezus de Liefde was.” Maar Jezus is meer dan de liefde. Jezus is werkelijk het leven, met alleen het geestelijk leven. Hij is het beeld van het stoffelijk leven. We kunnen uit zijn leven, zijn leer, voor onszelf conclusies gaan trekken. Ik mag het n.l. niet te lang maken. Ik laat de citaten terzijde, vrienden, de aanhalingen en uit evangeliën en uit de andere geschriften, die nu nog toegankelijk zijn. Ik hoop dat u me dat vergeeft.

Het waarlijk christelijk leven betekent het leven in de kosmische liefde. Er is slechts één belangrijke kracht: Het aanvaarden van God en de Goddelijke Liefde in alle dingen. De mens, die hierin slaagt, behoort tot het Koninkrijk Gods, hij zal worden ingeleid tot het huis des Vaders. Hij beseft de grote weg, die door vele eeuwen heen de mens heeft gevoerd tot het goddelijke en die Jezus opnieuw verkondigt en met nieuw licht omgeeft. Alle materie, alle materiële gebeurtenissen, zijn onbelangrijk. Het is niet belangrijk wat er gebeurt in de wereld. Het is alleen belangrijk hoe de mens dit gebeuren aanvaardt. Zolang hij het kan aanvaarden als goddelijke wil, zolang hij zich kan overgeven, waar hij de zin met begrijpt, en gelijktijdig zich verheugen kan, daar waar hij enig besef heeft van de mogelijkheden, die God hem geeft, leeft hij goed. Het is niet aan de mens om een ander te veroordelen, want elk is schuldig op zijn wijze. leder heeft zich in zijn leven meerdere malen van het goddelijke en van God afgewend. leder heeft op zijn tijd gezegd:”maar nu gaat de stof eens even voor en wat God nu zegt of niet zegt, interesseert me niet”. Daarom heeft men geen recht de daden van anderen te beoordelen of te veroordelen. Slechts hij, die het innerlijk van de mens kent, zou een ander een zacht verwijd mogen geven en wijzen op zijn eigen innerlijke waarheid, verder gaat het recht met. Bezit in deze wereld is iets, waar je mee werken kunt, zolang dat voor jezelf en voor anderen een vreugde en een zegen is. Op zichzelf heeft het geen betekenis. Leerstellingen en leringen, ja zelfs de wonderen zijn er op deze wereld alleen maar om de mens dichter bij God te brengen.

Zodra ze niet meer aan dit doel beantwoorden, de mens gelukkiger, inniger, meer één met het goddelijk licht te doen leven, zijn ze waardeloos. Het maakt geen verschil uit. De mens, die denkt dat je met een heel leven van braaf zijn verder komt dan met één ogenblik van het beseffen van goddelijk licht, vergist zich. Het gaat niet om het dienen van God in menselijke zin, het gaat om de volledige aanvaarding van God. Als je de God in je aanvaardt en beleeft, is al het andere nul en nietig. Vandaar, dat in het laatste ogenblik van het leven evenveel van dat licht kan worden aanvaard als tijdens een heel leven van werken, want de mate van overgave kan niet door tijd worden bestemd, maar komt uit het innerlijk voort. Het innerlijk leven dicteert de mens hoe hij tegenover zijn medemens moet handelen. Hij zal in vele gevallen zich verstandelijk daarbij een dwaas achten, maar indien hij beseft dat het geloof aan de goddelijke kracht belangrijker is dan al het andere, zo zal hij zien – en dit zegt Jezus ook – hoe God, juist door die aanvaarding en die eenheid, hem honderd malen geeft, wat hij gegeven heeft. Er is geen ogenblik van absoluut verlies. In de oude leer en ook in bepaalde delen van het christendom, is onze God een God der wrake. Jezus schakelt de wraak uitdrukkelijk uit. God wenst dat wij tot Hem komen en er zijn nu eenmaal wetten, waardoor je jezelf kunt schaden, maar het is niet God, die de mens veroordeelt, het is de mens zelf, die het zich onmogelijk maakt God te bereiken en daardoor een oordeel provoceert in zich en voor zich.

U ziet wat een vreemd beeld we nu krijgen van het christendom. Jezus noemt zichzelf niet onfeilbaar. Geen enkel ogenblik neemt hij voor zichzelf een groots gezag aan, tenzij hij in zich God erkent en dan zegt hij tot die mens duidelijk kenbaar: “Niet ik ben het die tot u spreekt, maar het is de Vader die tot u spreekt, door mij”, zeggende dus: het zijn eeuwige wetten en krachten, die van mij uitgaan, maar hij zegt niet: “Zo aanvaardt mijn woord of wordt verworpen” of iets dergelijks. Hij zegt alleen: “Hier spreekt God, kun je dat aanvaarden?”

Jezus is gelijktijdig een Meester, die ons een weg toont. Hij geeft ons de mogelijkheid God onmiddellijk en direct te beleven, maar hij schenkt ons daarnaast een zo grote vrijheid, dat ze bijna anarchistisch aandoet. Later zijn er mystieke beelden en openbaringen gekomen. Men heeft in de openbaring van Johannes alles kunnen lezen wat men wilde en men heeft deze steeds in hun interpretatie kunnen aanpassen aan de geldende maatschappij. Men heeft door het interpreteren en uitleggen van Bijbelteksten, door aan de hand van de geldende interpretatie het anders vertalen van de oorspronkelijke tekst – wat heel vaak mogelijk is – alles steeds weer in een harnas gegooid. Men heeft a.h.w. geprobeerd om het christendom en de christenen in een vaste vorm te leggen. Maar Jezus aanvaardt geen vaste vorm. Hij is ook onberekenbaar. Hij trekt zich eenvoudig, terwijl de mensen op hem staan te wachten, terug in de woestijn. Nu zouden we zeggen: een leraar, die dan toch op zich heeft genomen de mensen tot God te brengen, die mag die mensen daar niet voor niets laten staan. Ja, zegt Jezus, je kan mij nog meer vertellen. Hij stapt in zijn bootje en zeilt weg. Voor hem is er geen plicht. Voor hem is er alleen Gods kracht, die hem beweegt en als Gods kracht hem niet beweegt, dan is hij volkomen vrij om te zeggen: Ik heb er genoeg van nu ga ik eens een keer uitrusten. Toch zien wij, dat hij in andere gevallen, tegen zijn zin in haast, overweldigd wordt. De Bergrede is daar het resultaat van, nietwaar? De menigte volgt hem in de woestijn en juist op dat ogenblik is de geest Gods zo sterk in hem, dat hij niet anders meer kan, dat hij leraart en gedurende vele uren, dat kunt u wel nagaan, want de mensen hadden honger. Vandaar het wonder van vis en brood (niet kaas en brood, maar vis en brood). Ja, hier toont zich Jezus heel anders dan de gedisciplineerde mens, die men van hem wil maken. En ik geloof, dat wij, juist ook aan de hand van wat wij geestelijk zien en ervaren, das een onmiddellijke levensles eruit mogen trekken. Die levensles zal sommigen van u een beetje minder aangenaam zijn, dat geloof ik graag, want hij geeft zo weinig houvast in de zin van vaste regeltjes. Maar hij is, zover ik kan nagaan, volledig zuiver en juiste. En ons nagaan in de praktijk gaat hier betrekkelijk ver.

Mens, leef in vreugde. Leef zo goed je kunt, maar laat voor alles steeds de krachten van Licht in je werkzaam zijn. Maak geen voorbehoud, spreek geen oordeel over jezelf en anderen uit, maar vraag slechts jezelf af: voel ik mij hierin dichter bij God, is mijn vreugde hierin intenser en groter, zonder daarbij zelfzuchtig te worden?

Zolang de mens de zelfzucht, het alleen voor mij kan vermijden, zal hij altijd in intensiteit van vreugde God ontmoeten. Er bestaat geen enkele werkelijke wet. Er bestaat slechts de grote liefdekracht Gods, waarin wij onszelf bewegen en waarin we opgaan. Uit die liefdekracht Gods, juist door de vrijheid die we bezitten om te leven, te denken, te handelen, zowel op aarde als in de sferen, zullen wij in staat zijn onszelf te kennen, zullen wij in staat zijn te begrijpen wie en wat we zijn, zullen wij vanuit onszelf, in eenheid met het zijnde, God dienen in volmaaktheid.

M.i. is dit de kern van de christelijke leer en waar zo langzamerhand het seizoen teneinde gaat lopen, dat wil dus ook zeggen dat de zondagsgroepen weer opnieuw geformeerd worden, leek het me goed, om dit nog eens aan te snijden. Vergeet het niet: Die vreugde, die niet ten koste van anderen wordt gewonnen, is uit God. Alle kracht, die in die vreugde schuilt, is goddelijk. Alles wat je in je leven doet en waarin je jezelf tevreden kunt voelen, terwijl je gelijktijdig voelt, dat je goed hebt gehandeld voor je eigen denken en doen, is de weg is de erkenning, zowel van jezelf als van de wereld.

En daarmee heb ik dan mijn bijdrage voor vandaag geleverd vrienden. Ik wil u alleen waarschuwen: Interpreteer wat ik u gezegd heb, niet verkeerd. Ik heb u geen bandeloosheid gepredikt. Bedenk dat wel. Ik heb getracht u de juiste en werkelijke verhouding te doen zien, die bestaat tussen ons en God. Wij zijn vrij, zolang hetgeen wij doen, niet tegen God strijdt. D.w.z. dat al, wat een zekere liefdeloosheid inhoudt, het schaden van een ander, voor ons verboden is. Dit is vaak meer dan een menselijke wet, meer dan een godsdienst ons verbieden kan, maar in vele gevallen hebben we ook een vrijheid, die mens en godsdienst ons met willen laten. We moeten leren onze eigen weg te gaan. Dat heb ik geprobeerd u duidelijk te maken.

o-o-o-o-o

Wanneer er woorden worden gesproken als die van mijn voorganger, dan voel ik mij genoopt, om mijn eigen visie daaraan onmiddellijk te koppelen. Want daar is niet alleen sprake op de wereld van Meester Jezus. Er zijn andere Meesters en stichters van begrip en godsdienst als de Boeddha, maar ook zeker als de grootmeesters b.. K’oeng-foe-tse, Lao-tse, die allen leraar waren, ook in eigen recht. Elk hunner toont ons een weg en een wet, maar elk hunner leert ons, dat wet en weg tevens deel zijn van omstandigheden. In het Westen wordt een begrip als Tao soms verward met vaste indeling en structuur van een maatschappij. Dit is natuurlijk dwaas. Tao is de wet van de juiste verhoudingen. Een mens, die op de wereld leeft, zo zegt de wijze meester, heeft door het feit dat hij bestaat, relaties met anderen en hij bevindt zich zowel sociaal en economisch als verstandelijk en godsdienstig in een bepaald verband met hen. Hij zal dit verband moeten respecteren, want juist in het respect, dat hij voor dit verband toont, kan hij komen tot grote wijsheid.

De Meesters van China waren geen dwazen. Zij hebben u niet gesproken over hemelrijken of over Goden en Meesters, die nu eens even het heelal regeren. De raadselen hebben zij rustig raadselen gelaten, maar zij hebben getracht de mens te definiëren en het is begrijpelijk, dat een mens die leeft in bepaalde omstandigheden, condities en verhoudingen, zichzelf zal schaden en verliezen, wanneer hij tracht deze onmiddellijk en plotseling te wijzigen. Er bestaat geen enkele mens, die in staat is de gehele wereld te bestrijden. Zo zal degene, die beantwoordt aan de eisen en rechten van de wereld – zover hem dit volgens eigen persoonlijkheid is toegelaten – zeer zeker tot grote vrijheid komen voor een geestelijk streven, De raadselachtige gedichten, waarin de grootmeesters hun leer hebben neergelegd, wil ik voor u niet alle citeren. Zoals mijn voorganger wil ik mij houden bij een vertaling: “De mens die rechten kent, zal eerst deze rechten uit kunnen oefenen door het herkennen en erkennen van de rechten van anderen”. Men heeft geen recht voor zich te eisen, indien men niet bereid is om te geven. Men mag dit in de wereld nooit uit het oog verliezen. Iemand die de weg wil gaan van geestelijke rijping en bewustwording, zal zowel moeten geven als ontvangen. Alleen in deze wisselwerking is het hem mogelijk op de wereld redelijk te bestaan en met zijn begrip en bewustzijn naar hogere regionen te stijgen. De wet is de regel van het spel. De speler gebruikt de wet om zijn doel te bereiken, wanneer u leeft in de wereld, dan zijn er voor u beperkingen. In vele gevallen worden dit haast klassieke gebruiken. Engeland heeft daar nog enkele van in Europa en tot voor kort was in China de traditie een van de meest heilige dingen. Wanneer je die wet hebt, kun je ze hanteren. Het is niet aan ons om door de wet gedwongen te worden. De wet is voor ons een werktuig. Ik vrees dat, buiten misschien vele advocaten die dit in de praktijk brengen in het Westen, menigeen mij boos zal aanzien, wanneer ik deze stelling au serieux wil nemen. En toch is het waar. Alle wetten die er bestaan, menselijke, maar ook evengoed wetten der natuur, zijn voor ons een middel, iets wat wij hanteren kunnen, wij kunnen, dank zij deze wet, voor onszelf het begeerde bereiken, wij kunnen, dank zij deze wet, onze juiste verhouding steeds in het oog houden en zorgen dat wij op een harmonische wijze zoveel mogelijk bereiken van hetgeen wij begeren. Hij, die begeert zonder reden, doodt zijn geest. “Wie begeert met reden, maakt zich het bereiken mogelijk”. In vele gevallen zien wij dat de mens eigenlijk mentaal begeert, – als men mij het voorbeeld wil vergeven – als de seniliteit die de jonge mens met begerige ogen beziet. Dit komt voort uit het denken, het is ziekelijk en daardoor onredelijk. Het kan voor de mens geen enkel bereiken, geen enkel voordeel brengen. Indien de mens echter redelijk begeert, d.w.z. zijn begeren ziet als een doelstelling zonder meer, en elke keer zijn begeren toetst aan zijn mogelijkheden, dan zal hij het ver kunnen brengen. Dit geldt met alleen voor de stof, maar ook voor de geest. Een mens die een gave begeert, waarvan hij geen glimp bezit, zal door dit begeren in vele gevallen met ontwikkelen wat hij wel als begaafdheid bezit.

Het is noodzakelijk voor de mens om in zijn geestelijke zowel als in zijn stoffelijke wordingsgang, waar het denken mee betrokken is, de rede primair te stellen. Daarnaast echter geldt: in de mens leeft de kringloop van werelden en de kringloop van werelden is een openbaring. Zo in u geopenbaard is, aanvaardt en brengt dat tot uiting, tenzij, – en dan komt er een heel eigenaardige zin – tenzij de klassieken, dat is dus het weten dat je hebt opgenomen uit alle tijden, zich verzetten. De mogelijkheid om in ons iets te erkennen als goed, als begeerlijk of zelfs als noodzakelijk, bestaat in geestelijk en stoffelijk opzicht gelijkelijk. In vele gevallen is het hier een zuivere gevoelsreactie, die niet zonder meer met redelijke feiten kan worden belegd. Op zichzelf is zoiets van het allergrootste en allerhoogste belang voor ons, mits wij dus weer de redelijke mogelijkheden hebben om inderdaad het begeren na te streven. Maar wij moeten ons hier toch wel houden aan de wetten en de regels van het spel op aarde, want door slechts daarvan gebruik te maken, kunnen wij datgene vervullen, wat wij wensen, K’oeng-foe-tse brengt ons het beeld van de ideale staat en bij deze ideale staat gaat hij uit van het feit, dat ieder zijn eigen verantwoordelijkheid vreugdig draagt, een typische overeenkomst met hetgeen zo-even werd gezegd. Een keizer kan alleen een goed keizer zijn, wanneer hij vol vreugde zich inzet voor zijn volk, gedurende alle dagen en alle tijd, Zoals een arbeider alleen een goed arbeider kan zijn, wanneer hij in vreugde zijn arbeid volbrengt en met streeft naar datgene wat voor hem onbereikbaar is. Een dergelijke staat is een rechtvaardige en liefdevolle. We mogen echter niet vergeten, dat anderen, zoals meester Lao-tse, hierop correcties hebben aangebracht. Zij hebben getracht het meer geestelijke, dat K’oeng-foe-tse op den duur uit het oog dreigde te verliezen, een nadruk te geven, die ook praktisch is en in een praktisch rijk tot uiting komt. En zo staat er, dat wij de ziel van een edelman kunnen hebben en het lichaam van een slaaf. Dat dan de ziel van de edelman moet leren het lichaam van de slaaf te veredelen. Er zijn voor ons vele mogelijkheden om verder te gaan, maar elke mogelijkheid wordt bepaald door en beperkt door de twee delen waaruit wij bestaan, het geestelijk deel en het stoffelijk deel. Een algehele anarchie is niet aanvaardbaar, omdat de doorsnee-mens zichzelf niet kent. Indien hij zichzelf geestelijk zou kennen en de stoffelijke mogelijkheden zou overzien, ja, dan zou de stalling van anarchie, zoals die als deel van het christendom werd geïnterpreteerd door mijn voorganger, geheel redelijk en zuiver zijn. Indien hij echter daaraan alleen de beperking van de liefde voor het geschapene toevoegt, zo moet ik zeggen dat ik deze wantrouw.

Deze beperking lijkt mij te zwak. Er moet zelfkennis bij zijn, opdat men weet waar men falen en slagen zal. Deze dingen lijken mij zelfs belangrijker dan al het andere. Een ieder heeft recht om volgens wet en rede zijn weg te gaan. Ik neem gaarne aan, dat een ieder verplicht is, om daarbij in de eerste plaats de innerlijke en geestelijke waarheid tot uiting te brengen. Ik weet dat een vreugdige vervulling van aardse en geestelijke plicht noodzakelijk is om deze vruchtdragend te maken. Maar al tesaam wil ik toch zeggen: Mens, besef wel, dat je slechts door te weten wat je kunt en niet kunt, door aan te voelen wat  geestelijk wel en niet wilt, een juiste houding kunt aannemen. Dit geldt zowel in de vervulling van de grote christelijke leer, waarvan u een deel zo-even werd gebracht, als in de eenvoudige menselijke wetgeving, de menselijke rede en filosofie. Vergeet dit niet. Ook de rede is de mens gegeven en het vermogen tot zelfkennis. Gebruik de gaven die je hebt, zo goed je kunt, maar honger niet naar gaven, die je niet bezit. Bouw op hetgeen je bezit, bouw geen droompaleis, dat mogelijk eens werkelijkheid wordt. Alleen zó kom je tot een waar bereiken,

Dit is mijn visie, vrienden, aan de hand van hetgeen de vorige spreker heeft gezegd en ik hoop dat u deze, dit klein amendement, mede zult willen beschouwen, wanneer u zich met de eerste stellingen bezighoudt.