Vernieuwing

image_pdf

15 september 1961

Aan het begin van deze bijeenkomst herinner ik u eraan, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. In mijn onderwerp van heden wil ik gaarne met u nagaan, hoe de geestelijke behoefte van dit ogenblik is ontstaan. Wij noemden dit onderwerp: Vernieuwing.

Wanneer wij de ontwikkeling van de mensheid nagaan, kunnen wij haar denken in bepaalde vaste perioden onderverdelen, waarbij het geheel steeds een cyclus vormt, waarin dezelfde verschijnselen zich progressief herhalen. Te ver wil ik niet teruggaan in de geschiedenis en begin daarom met de era van het alomvattend theïsme, die wij de Grieks-romeinse periode kunnen noemen. In deze tijd is alles eigenlijk God en zien wij overal Goden. De personificatie van het goddelijke kan in alle dingen plaats vinden. Daarop volgt de christelijke periode, gaande van ongeveer de 4de eeuw af, waarbij voor een steeds groter deel der wereld sprake is van één enkele, alomvattende God. Deze God doet alle dingen en regeert alles. Het verschil met het algodendom is betrekkelijk groot. In de tijd, dat men alle factoren van het goddelijke als afzonderlijke wezens beschouwde, heeft men – gezien de schijnbare tegenstrijdigheid tussen deze wezens – behoefte aan en tijd tot onderzoek. Bij de Grieken bv. treffen wij vele filosofische speculaties aan omtrent het wezen en de geheimen der natuur.

Wanneer wij eenmaal het ééngodendom bereikt hebben, verandert de nadruk. Wanneer men nu maar bewijzen kan – filosofisch of anderszins – dat de éne God bestaat, is al het andere bijkomstig. Alles, wat geschiedt en in de natuur plaats vindt, is nu eenmaal Gods wil. De mensen kunnen deze wil niet begrijpen en mogen daaraan ook niets veranderen. Opvallend is bv. het feit, dat wij in het christendom geen kosmologie vinden en een betrekkelijk korte – en waarschijnlijk zeer symbolische – kosmogonie: het ontstaan is uit God. Punt. Verdere ontwikkelingen zijn minder belangrijk, daar deze ongetwijfeld door God ten goede zijn geleid en volgens Zijn wil ook verder zullen verlopen. In het begin van de Christelijke periode beseft men nog, dat vele uitspraken van de Bijbel en daarin voorkomende beelden in feite gelijkenissen zijn, maar al snel gaat men dit alles als het Geopenbaarde Woord Gods woordelijk als waar aanvaarden.

In de late middeleeuwen valt de nadruk meer op techniek enz. Ook de opvattingen in het geloof veranderen. Aristoteles wordt herontdekt, de natuurfilosofie hervat aarzelend haar ontwikkeling, terwijl enkelen zelfs verder gaan en komen tot het nemen van proeven op wetenschappelijk gebied. De ontwikkeling is logisch. De mens heeft geen mogelijkheid zich op geestelijk gebied verder te ontwikkelen en over zinloze en vaak denkbeeldige geschillen heeft hij lang genoeg gepraat, zodat hij daarvoor weinig interesse meer heeft. De beheersing van de materie schenkt hem nieuwe mogelijkheden en vervult zijn leven. Het resultaat hiervan is de ontwikkeling van de natuurkunde en later ook het technisch begrip. De technische ontwikkeling brengt de mens weer tot een onderzoek, dat zich langzaamaan ook zal moeten bewegen op de gebieden, die men tot op heden alleen als een onveranderlijk en daarom te aanvaarden deel van de Goddelijke heeft beschouwd.

En daarmee zijn wij in de moderne tijden gekomen. De wetenschappelijke ontdekkingen impliceren, dat men na dient te denken over vele dingen, die men tot op heden eenvoudig als vaststaande heeft aangenomen. Het gevolg is een grote verandering. Tot op heden heeft men eigenlijk geleefd in twee verschillende werelden: de wereld van de geest, waarin Gods wil en het onvoorstelbare Koninkrijk der Hemelen ligt, met daarnaast een tweede rijk: Dat der materie, en in die materie zijn alle vormen en normen op geruststellende wijze bekend en vast. De wetenschap tast echter de vastheid van de materie aan. Op den duur staat men voor een wereld, waarin eigenlijk niets meer vast is. De voorbeelden daarvan kent u bij enig nadenken zelf wel. Bijvoorbeeld het feit, dat licht zich gelijktijdig gedraagt als een straling en een trilling.

Misschien is het wel een straling en trilling gelijktijdig. Maar de menselijke rede kan dit niet verwerken: Iets kan niet twee geheel verschillende dingen gelijktijdig zijn, zo redeneert het menselijk begrip. De mens is gewend om te denken aan vaste materie. Maar de wetenschap bewijst, dat die vaste materie uit een werveling van kleinste delen bestaat. In feite is alles, wat u kent als vaste materie, een werveling van ultrasnelle bewegingen, maar de mens kan dit niet zien in de vaste materie en kan zich dit niet werkelijk voorstellen.

De techniek brengt nog vreemdere dingen aan de dag: Een elektron kan in zijn werking om een atoomkern opeens en gelijktijdig twee banen beschrijven. Dit is onvoorstelbaar, maar binnenkort zal de wetenschap bewijzen, dat dit werkelijk zo is. De mens vraagt zich af, of er misschien nog meer mogelijkheden zijn, die hij als werkelijk moet aanvaarden. De wetenschap heeft een antwoord: Een elektron kan bv. opeens uitwijken uit zijn baan in atoom a en gelijktijdig opduiken in atoom b, zonder dat men vast kan stellen, dat dit elektron bij deze plaatsverandering ook de tussenliggende ruimte overschrijdt. De mens, die deze dingen langzaamaan gaat beseffen, kan zich niet meer redden. Hij vraagt zich af, wat hij moet gaan denken, want niets blijkt te zijn, zoals het hem schijnt, geen enkele waarde is werkelijk vast.

Het is duidelijk, dat deze achtergronden van het onderzoek waarbij de mens alle vaste maatstaven en regels ook voor zijn stoffelijke wereld meer en meer ontvallen, een weerslag zal hebben op de geestelijke instelling van die mens. Ook al wordt het werkelijke probleem nog slechts zelden bewust gerealiseerd, toch zoekt men reeds nu naar wegen om aan deze, voor de mens onduldbare, onzekerheid te ontkomen.

Er zijn meerdere wegen mogelijk. Eén daarvan is de weg, die de existentialist kiest. Deze stelt: Wij hebben alleen te maken met hetgeen er voor ons werkelijk is. Wij kunnen ons met al die andere dingen toch niet bezig houden. Wij moeten al het onbegrijpbare maar geloven en aan de andere kant materieel leven, waarbij wij in de materie volgens de oude normen en onze eigen interpretatie daarvan zien. Deze stelling klinkt misschien wat vreemd in de oren van een mens, die meent, dat men steeds vooruit moet gaan. Deze gedachtegang blijft niet beperkt tot een kleine groep ergens in de Faubourgs van Parijs. Integendeel. Deze gedachtegangen vinden wij ook terug in het protestantse en het R.K. geloof, evenals in andere denk- en geloofsrichtingen.

Deze richting houdt in, dat men alles verstoffelijkt in eigen denken, iets, wat niet goed mogelijk is indien men leeft in een wereld, waarin de maatstaven niet vast zijn en niets – zelfs het meest gewone – in zijn werkelijke gedaante ook maar voorstelbaar is. De mens kan wel trachten zo goed mogelijk mens te zijn, maar enige objectiviteit bij de beschouwing van zijn wereld, is niet meer mogelijk. Alles blijkt subjectief. Zowel de werkelijke stoffelijke toestand als de werkelijke geestelijke wereld is onvoorstelbaar. Wie zal dan nog zeggen, waarin het werkelijke verschil tussen deze beiden is gelegen? De mens kan dit in zijn huidige vorm niet meer bepalen.

Deze onzekerheid bepaalt de behoeften van de mens in deze dagen. Natuurlijk kan hij verschillende wegen gaan in zijn poging om voor dit probleem een hem passende oplossing te vinden.

Men kan natuurlijk stellen, dat men alle zogenaamde geestelijke waarden overboord gooit en alleen materialistisch blijft denken. Men gaat in dit geval meestal verder en gooit de stoffelijke wetenschap en de stoffelijke feiten eveneens overboord, alleen de uitwerking daarvan aanvaardende, maar nimmer toegevende, dat men kan falen, of dat er bepaalde dingen zijn, die voor de mens niet te begrijpen zijn. De mens doet dit, wanneer hij uitgaat van het standpunt, dat hijzelf het eerste verstandige, het beste en machtigste wezen is, dat er in de kosmos bestaat, het enige wezen, dat werkelijk weet, waar het om gaat. Dit voert tot een verstarring van menselijke waarden en maatschappelijke vormen, waardoor de mens zijn menselijke eigenschappen meer en meer zal moeten verliezen, daarbij gebonden aan een reeks van wetten en regels, die – vaak strijdig met werkelijke mogelijkheden en omstandigheden – hem meer en meer in de richting van het niet-denkende dier terugdringen.

Er is een tweede weg. Men kan namelijk ook stellen, dat men toch te klein en te onbelangrijk is om deze dingen te begrijpen of te hanteren. De gevolgen hiervan zijn al evenzeer pijnlijk.

Wanneer ik niets werkelijk kan beheersen of begrijpen, heb ik geen reden meer tot handelen. Het heeft geen zin meer zelf iets te doen. Men houdt zich alleen nog aan het voor het ik eenvoudigste en meest begeerlijke. Wat vandaag goed is, kan immers morgen reeds verkeerd zijn en omgekeerd. Men begint alles aan anderen over te laten en elke verantwoordelijkheid te ontwijken. Op den duur gaat men geheel zijn eigen lusten na onder het motto: Ik ben zo klein en zonder invloed, dat alles wat ik doe, van geen enkel belang is… . Het gevolg is een steeds sterker wordende belangenstrijd, die het leven op aarde meer en meer ondragelijk maakt. Laat ons hierbij niet over het hoofd zien, dat de doorsnee mens het maar moeilijk kan verdragen iets onbelangrijks te zijn, iets dat nooit beter kan worden.

Misschien lijkt u deze stelling overdreven, maar zij is toch wel degelijk waar. De behoefte meer te worden, dan men op aarde kan worden, desnoods door het ingrijpen van een God of Goden, is lange tijd de werkelijke strekking geweest van het menselijk geloof en alle kerken, die daaruit zijn voortgekomen. De gedachte, dat men – zelfs al is men een slaaf op een laag geboren en misdadig mens – toch door middel van het geloof iets hogers kan bereiken, zelfs al ligt dit in een andere wereld, heeft voor velen een onnoemelijke aantrekkingskracht. Bij een bezien van de menselijke geschiedenis lijkt het wel, dat dit streven naar hoger en beter de mensheid aangeboren is. De mens kan verder niet gelukkig leven zonder een bepaald doel, maar dit doel kan hij alleen werkelijk zien in direct verband met eigen wezen; zelfs indien hij voor anderen werkt en leeft, moet hij nog daaraan het denkbeeld kunnen koppelen, dat hijzelf daardoor rijker, groter, meer geëerd enz. zal kunnen worden. Materieel heeft de mens weinig redenen om zich nog een doel te kiezen. Hij kan zich de werkelijke toestand toch niet voorstellen en is volgens zijn eigen denken te zeer van anderen afhankelijk.

Nu kan de mens voor zich zeggen: Ik aanvaard de subjectiviteit van alle dingen wel. Ik ga een reeks stellingen bouwen, die beantwoorden aan mijn verlangen naar verbetering, naar meer invloed, bezit, eer, heiligheid enz., zodat ik daarin een doel kan vinden… . Deze weg schijnt vele mensen de meest eenvoudige. Wanneer men haar enige tijd volgt, loopt men wederom vast, omdat elke willekeurige stelling dan even aanvaardbaar moet worden geacht. Zelfs indien men dit niet openlijk toegeeft, beseft men dit wel degelijk. De belangrijkheid, die de mens aan eigen willekeurige stellingen en het daaruit voortkomend streven ontleent, voert hem tot de noodzaak zijn bereiking, zijn gelijk, zijn voorkeurspositie ten opzichte van anderen te bewijzen. Daaruit komt moord en doodslag voort, terwijl een zich realiseren van die ontwikkeling steeds moeilijker wordt. Deze laatste weg is er één, waarbij de mens een verschil maakt tussen het begrijpbare en het niet-begrijpbare. Misschien kan ik dit duidelijk maken door hier enkele symbolen bij te pas te brengen.

De oude wereld omschrijft zijn verhouding tot God als volgt: De weg “mens-God” is de opgaande lijn van een gelijkarmig kruis, zijn uiteindelijk erkennen van de wereld is de horizontale balk. Het geheel wordt omsloten door een cirkel, die aangeeft, dat de wereld zich rond de mens overal gelijkwaardig openbaart. Stof en geest zijn in feite één en beiden geheel te begrijpen. Deze voorstelling kan in deze dagen niet meer als juist worden aanvaard. De mens leeft in de materie en wordt door zijn ogenblikkelijke vorm gedwongen aan die wereld meer aandacht te besteden op een zeer bepaalde wijze, dan aan alle andere waarden van het leven. Gezien de ontwikkelingen, die op het ogenblik nog aan de gang zijn, kan de mens zijn stoffelijke wereld niet meer beschouwen als iets, wat zich logisch in een geestelijke wereld voortzet. De ongrijpbaarheid van de werkelijke vormen en omstandigheden in de stof stellen hem voor het feit, dat geestelijke en stoffelijke werkelijkheid beiden onbegrijpelijk zijn en buiten zijn begrip liggen, slechts een zeer klein en beperkt deel van deze waarden is voorstelbaar, al het andere kan zelfs in de gedachtewereld niet juist worden voorgesteld.

Wanneer wij nu een symbool willen tekenen voor deze tijd, dienen wij een Christelijk kruis te tekenen, waarbij de onderste arm twee maal zo lang is als de andere armen. Dit kruis denken wij ons omsloten door een ovaal. Het ik wordt hier – evenals in de eerste voorstelling – gezien als het punt, waarop de balken elkaar kruisen. De onderste balk staat nu voor alle voorstelbare waarden in het leven. Deze zijn uit het verleden gegroeid. Wij kunnen bv. de gedachte aan een God – of een gelijksoortige waarde in het leven – niet meer overboord gooien. De mens beseft verder, dat hij met de gehele kosmos moet leven, ook al zal hij slechts enkele delen daarvan zich voor kunnen stellen of werkelijk kunnen erkennen. De aanvulling van de rede en het voorstellingsvermogen wordt dan gezocht in de gevoelswereld. In deze gevoelswereld kunnen alle dingen volgens hun werkelijke betekenis voor de mens tot uiting komen, ook al liggen zij buiten het materiële, of het materieel voorstelbare. Om een aanvaardbare en redelijke basis te verkrijgen voor de gevoelswereld zal men zijn interesse voor de materiële wereld aanmerkelijk moeten vergroten. Dit zijn de achtergronden van vele stemmingen, gebeurtenissen en stromingen in deze dagen.

Laat ons nu de mens verder bezien:  Wanneer de mens zich in deze dagen van de materie en het redelijke verder los gaat maken, zal hij hieraan ten gronde gaan. Hij komt dan in een imaginaire wereld te leven, waarin hij steeds minder van zijn stellingen en geloof werkelijk waar kan maken. Hij zal dit falen niet toe willen geven, maar kan stoffelijk niet voortbestaan in de daardoor ontstane condities. Wordt men zozeer materialist, dat men zich alleen nog op de zuiver materiële waarden baseert, dan gaat de reden om menselijk te blijven denken en handelen teloor. De mens zal dan langzaam terug vallen tot een dierlijk peil. Ook dit kan niet aanvaardbaar worden geacht. Toch moet de mens ergens een weg vinden om het bovenzinnelijke en bovennatuurlijke – alles wat met de rede niet kan worden bevat – te verenigen met het redelijk vatbare en materieel voorstelbare en bepaalbare. Dat kan alleen, indien men de reeks van ervaringen, die men materieel opdoet, tracht te verdubbelen en zo de mogelijkheden binnen het redelijke te verveelvoudigen. Deze mogelijkheid heeft men, wanneer men naast de zuiver stoffelijke werkelijkheid en de redelijke verklaring ervan ook kan komen tot een redelijke en bewijsbare geestelijke wereld. Zelfs dan dient men deze beiden nog tot één geheel samen te voegen, voor een oplossing van de huidige problemen ook maar denkbaar wordt.

Om dit tot stand te brengen is weer een grote verandering in de nu aanvaarde concepten omtrent wereld, werken en geest noodzakelijk. Op het ogenblik, dat men aan de geest en de verschijnselen uit en van de geest een gelijke waarde toe gaat kennen als aan de stoffelijk reële feiten, dient men ook aan te nemen, dat in sommige gevallen de geest en haar werkingen belangrijker zal kunnen zijn, dan alle stoffelijke werkingen en regels, terwijl ook het omgekeerde voor kan komen, zodat in enkele gevallen zeker ook de geest en al haar werken door de stoffelijke regels en mogelijkheden beheerst zal moeten worden. Vanuit de huidige opvatting is het resultaat hiervan een denken, dat gelijk komt aan de wereld van de martelaren en kluizenaars. Dezen maakten namelijk de stof ondergeschikt aan de geest en de waarheid, die zij daarin meenden te kennen. De moderne mens zal verder moeten gaan dan dit. Hij zal moeten komen tot een evenwicht tussen de voorstelbare stoffelijke waarden én geestelijke waarden op een zodanige manier, dat een samenwerking van beide factoren mogelijk wordt, zonder dat hierdoor een der beide delen geschaad kan worden. Daarbij zal men af moeten wijken van de tot nu toe vaak gangbare voorstelling, dat er ergens een geestelijke wereld is, waarin het geestelijk goede ervaren kan worden, terwijl men in de stof gelijktijdig het stoffelijk goede zoveel mogelijk moet ervaren en zich deze geestelijke wereld moet verdienen. In feite zou men het hiernamaals van vroeger onder moeten brengen in de nu voor de mens beleefbare wereld, een deel van zijn ogenblikkelijk bestaan.

Wij weten, dat er buiten de voorstelbare waarden nog andere waarden zullen zijn. Er zal ondanks alles nog een soort hemel overblijven. Deze zal ons doel kunnen zijn. Deze hemelwereld mag men zich niet meer in redelijk vatbare beelden voorstellen. Ook heeft het geen zin deze hemelwereld te omschrijven, of zelfs maar aan te duiden op een redelijke wijze. Het scheppen van een aanvaardbare voorstelling impliceert nu, dat men deze voorstelling ook reeds in de stof tot werkelijkheid moet trachten te maken. De mens zal in feite moeten volstaan met een kenbare wereld van stof en geest, die één en hetzelfde voor hem is, met daarnaast een wereld, die niet redelijk of voorstelbaar is, maar alleen gevoelsmatig ervaren kan worden. Deze wereld is dan de bovenste tak van het kruis, het verlengstuk van de levensboom, die de mens zich bouwt. Hiermede is de verticale balk van het door mij omschreven symbool nu volledig.

Er blijven nog de zijbalken. Dezen kunnen evenmin redelijk zijn. Het brandpunt van het stoffelijk leven ligt nu, zonder dat zijbalken de kenbaarheid van het Al suggereren, in het middelpunt van de onderste balk. Hier vindt voor de mens de ontmoeting van de kenbare geest en stof plaats op het punt, waar materie en niet-materie zich mentaal verenigen in hem. Dit houdt in, dat de dwarsbalk twee gebieden of richtingen aangeeft, die vanuit menselijk standpunt niet redelijk zijn en in het menselijk begrip niet redelijk kunnen worden opgenomen. Toch zullen ook deze gebieden een zeer grote invloed op het menselijk beleven en denken kunnen hebben. Deze gebieden omvatten dan afmetingen, toestanden en situaties, die niet redelijk voorstelbaar zijn.

Stel, dat de linkerkant van de dwarsbalk de onvoorstelbare, maar bewijsbare fenomenen van de materie weergeeft, en de rechterarm de niet redelijk omschrijfbare of verklaarbare fenomenen van de geest. Wij verkrijgen dan een structurele voorstelling van het werkelijke menselijke wezen op een wijze, die in ongeveer 70.000 jaren op deze wereld niet is voorgekomen in de praktijk. Het met de verwerkelijking van deze voorstelling verbonden ontwikkelingen voeren tot grote omwentelingen op allerlei gebied.

De godsdienst kan niet geheel terzijde worden geschoven. Dit is in de praktijk niet mogelijk, omdat de doorsnee mens de behoefte in zich draagt met anderen tezamen het hogere te beleven. Ook al weet hij, dat zijn God en alles, wat daarmee samenhangt, geheel buiten het redelijk vermogen van de mens ligt, zo zal hij toch de juiste gevoelskant en inwerking van dit Goddelijke gemakkelijker kunnen ondergaan door middel van een ritueel, een samenkomst met anderen. De eisen, die hij aan de kerkgemeenschap zal gaan stellen veranderen. In de eerste plaats verlangt hij van haar niet meer een geestelijke leiding, maar het scheppen van omstandigheden, waardoor de beleving van het Goddelijke in de gevoelswereld mogelijk wordt, zonder dat daardoor zijn geestelijke – of materieel redelijke – wereld beperkt of geschaad wordt. De functie van de kerk zal dan ook een andere worden. Zij zal niet meer fungeren als de al beheersende leermeesteres, de draagster van de enige waarheid, maar eerder als een platform, vanwaar een persoonlijk opstijgen naar de werelden van het niet-redelijk hogere leven mogelijk wordt.

De maatschappij zal ook aanmerkelijke wijzigingen ondergaan. Zolang de maatschappij alleen op materiële bereikingen en de handhaving van materiële omstandigheden gebaseerd wordt, zal er een belangrijk strijdpunt overblijven, waardoor de materiële regelingen onredelijke punten en stellingen zullen gaan bevatten, die niet aanvaardbaar zijn en misschien tot ondergang van de maatschappelijke vorm, of een te sterke binding van haar leden aan de materie zou kunnen leiden. Men zal van de maatschappij dan ook in steeds grotere mate eisen, dat zij de mogelijkheid biedt om in zo groot mogelijke vrijheid een perfect evenwicht tussen stoffelijk redelijke en geestelijk redelijke waarden te bereiken. Alleen op deze wijze zal de mensheid immers verder kunnen gaan en een besef kunnen verwerven omtrent de niet redelijke voorstelbare processen in de materie. Dit zal bereikt kunnen worden door een steeds verder gaande wetenschappelijke ontwikkeling, waarbij theoretisch of mathematische uitdrukbare, maar niet denkbare waarden kunnen worden gevonden, die praktische resultaten mogelijk maken. Gelijktijdig zal deze wereld een soortgelijke ontwikkeling op geestelijk gebied door moeten maken. Deze beide doeleinden kunnen alleen gediend worden door een maatschappij, die geheel hieraan is aangepast en een samenwerking in volle vrede, gepaard gaande met zo groot mogelijke vrijheid van handelen, bewegen en denken, mogelijk maakt.

Ook mogen wij niet vergeten, dat de mensheid door alle tijden heen in de mens de neiging en zelfs de noodzaak heeft geschapen zichzelf in de huidige vorm te beschouwen als middelpunt van de wereld, als centrum, waarin alle beleven samenkomt. Mentaal kan dit wel ontkend worden, maar feitelijk zal men altijd weer naar dit inzicht blijven handelen. Want ook de mens, die zegt zichzelf niet te achten en alleen te leven voor anderen, of voor bepaalde waarden buiten zijn ik, zal daarbij nog steeds van eigen inzichten en eigen beleving uit blijven gaan. Ook in deze dagen geldt dat ten overstaan van de wereld, zowel als van de geest, voor de mens alleen de eigen reacties bepalend zijn en verder niets door hem als waar, als belangrijk beschouwd zal worden.

Ook dit kan men alleen veranderen door aan de top van het redelijke alles bepalende factor het sentiment te zetten. De rede dient dan beschouwd te worden als een werktuig, waardoor het gevoel kan worden uitgedrukt en eventueel verwerkt. Maar een belangrijker betekenis mag men aan de rede niet toekennen. Dit leven uit het gevoel zal vooral in de eerste tijd voor vele mensen conflicten met zich brengen, waarbij door de maatschappij en opvoeding ingelegde waarden in strijd komen met de werkelijke gevoelswereld. Toch is een steeds meer naar eigen gevoel leven de enige uitweg, want alleen op deze wijze kan men zichzelf als middelpunt zien van de totale kosmos en toch zich één weten met anderen, zodat het Ik niet beperkt blijft tot een zeer klein stukje van de werkelijkheid, dat men verder niet begrijpen kan.

Nu geef ik toe, dat ik met dit onderwerp ver grijp. Het is een vorm van filosofie. Ik zal trachten vooral het laatste op een voor u begrijpelijker wijze te herhalen. Het normale middelpunt van de mens is – volgens eigen denken – in alle werelden steeds het ik. Vanuit dit Ik benadert hij zowel zijn God als zijn wereld. Hij doet dit bij voorkeur redelijk volgens eigen voorstellingen. Voor elke benadering van God en wereld heeft de mens dan ook zijn eigen redenen, ook al meent hij misschien, dat dit niet het geval is. Daarbij vergeet hij steeds weer zijn onderbewustzijn, dat hem redenen verschaft, die hij verstandelijk niet wil aanvaarden, of niet kan beseffen. Wanneer de mens beseft, dat elk contact met een hogere werkelijkheid – zelfs met zijn God – alleen door middel van het gevoel kan plaats vinden, zal hij zijn stoffelijk standpunt niet verder kunnen handhaven en in de plaats van zijn begrips- en voorstellingsvermogen zijn gevoelswereld tot middelpunt van alle leven en handelen maken. Hierdoor is het Ik minder omschreven en kan het meer van het werkelijke Al omvatten. Hieruit volgt, dat men reeds in deze dagen het belangrijkste deel van zijn wezen niet meer dient te zoeken in zijn redelijke vermogens, maar in zijn gevoelens. Doet men dit, dan zal het gehele standpunt van de mens tegenover de wereld zich wijzigen, wanneer dit gebeurt bij een voldoende aantal mensen, zullen zich wereld en instellingen op de wereld eveneens moeten wijzigen, om zo aan de behoeften van de mensen tegemoet te komen. Weigert de wereld rekening te houden met deze verandering in de mens, dan zal een conflict tussen de mens en de wereld, plus al haar structuren – menselijk zowel als natuurlijk – niet te vermijden zijn. Voor de eenling, die allereerst tot deze nieuwe belevingswijze overgaat, zal dit dan ook in zekere mate het geval zijn.

De conclusie van het geheel luidt dan: De mensen moeten veranderen, indien zij niet ten onder willen gaan. Daarbij zullen zij aan het gevoelsleven een veel belangrijker functie toe moeten kennen en een hogere waarde, dan tot op heden gebruikelijk is. Het voorstellingsvermogen van de mens kan – gezien het voorgaande – niet meer als bepalend voor de werkelijkheid worden beschouwd. Dit alles zal gepaard, gaan met omwentelingen op maatschappelijk en wetenschappelijk terrein.

Naar ik hoop, is hiermee mijn misschien wat zwaar betoog in zijn gevolgtrekking duidelijker tot uiting gebracht. Let wel: Mijn onderwerp is zeker niet zwaar op de hand en geeft geen aanleiding tot droevige overpeinzingen. Ik heb mij echter gebaseerd op ontwikkelingen uit het verleden en getracht via een beschouwen van de huidige toestanden de noodzakelijke vernieuwingen op aarde te schetsen. Ik mag m.i. rustig stellen – zonder daarmee de waarheid ook maar enigszins geweld aan te doen – dat de mens van heden niet meer weet, waar hij precies aan toe is. Dit geldt voor alle gebieden van menselijk denken en werken.

Verder stel ik, dat de mens, door zijn rede gedreven, zal weigeren om nadrukkelijk zijn gevoel en spontane reacties in de plaats van de rede te laten treden. Belemmerd door zijn weten, dat hij de feiten en zelfs de dingen niet juist kan zien en beseffen, geremd hierdoor in zijn daden en zelfs in het aanvaarden van consequenties, zal de mens dan niets meer tot stand kunnen brengen. De mens van heden zal dan ook bij voortduring trachten een soort status quo te handhaven. In de status quo vinden wij een voortdurende elkaar bestrijden van partijen en fracties, zonder dat men de uiteindelijke consequenties van zijn dreigen en bluffen wil aanvaarden. Het gevolg is bij de doorsnee mens een steeds grotere minachting voor het gezag en een neiging slechts aan eigen ogenblikkelijke belangen en lusten te denken. Vooruitgang is onder deze condities in de goede zin van het woord onmogelijk. Slechts negatieve resultaten, waarvan men weigert de consequenties te aanvaarden, of zelfs maar te erkennen, kunnen nog een tijdlang voorkomen. Het gevolg is, dat er geen werkelijke vooruitgang meer mogelijk is en alle veranderingen zoveel mogelijk geneutraliseerd worden. Zonder vooruitgang in positieve zin – ook moreel dus – en verandering kan de mensheid niet blijven voortbestaan. Het is nu eenmaal onmogelijk uiterlijk een situatie steeds gelijkblijvend te handhaven, zonder dat geestelijk een moreel verval daarvan het gevolg is. De veranderingen, die men meent te zien, zijn in feite van geen belang. De situatie oost – west kan bv. overgaan in een conflict op dezelfde basis tussen Euro-Amerika en Eurazië, zonder dat er feitelijk iets verandert. Slechts een doorbreken van de grenzen der huidige logica en redelijkheid – of zo u dit liever hoort: het ontstaan van een nieuw begrip van redelijkheid – kan een oplossing geven voor alle nu bestaande problemen en een werkelijk menselijke ontwikkeling ook verder waarborgen.

In deze wereld is het natuurlijk gevaarlijk een dergelijke stelling te verkondigen, want wanneer er geen redelijkheid meer bestaat in de huidige vorm, zal de mens onmiddellijk vragen: Waarop moeten wij ons in leven en menselijk verkeer dan baseren? Indien ik dit volgens de huidige normen duidelijk wil maken, dien ik terug te grijpen op een vorm van geloof, die in de genoemde omstandigheden tot een onzekerheid wordt, maar nu alleen aan de hand van geloofsstellingen gedefinieerd kan worden. Dit “geloof” geeft de mens een verklaring van een mogelijk zelfs redelijke rationalisatie van zijn wijze van leven en streven. De mens kan zeggen: “Zolang ik leef, is er een God. Deze God is niet alleen mijn God, maar de God van geheel de kosmos. Alles, wat van deze God uitgaat, zal voor mij kenbaar kunnen zijn, evenals deze uitingen voor het geheel van de kosmos merkbaar zijn. Ik kan deze kracht en zijn werkingen niet altijd begrijpen. Ik zal deze kracht en vele van zijn werkingen in de eerste plaats moeten ondergaan, zonder mij met de redelijke aspecten daarvan onnodig bezig te houden. Dit ondergaan van de Schepper en Zijn wil zal in mij bepaalde gevoelens wekken. Deze gevoelswaarde dient – indien ik haar als behorende tot het hogere wil erkennen – in overeenstemming te zijn met de voorstelling, die ik mij van mijn God maak. Indien ik een bepaalde gevoelswaarde volgens mijn eerlijk en oprecht geloof kan associëren met God, mag ik aannemen, dat deze onredelijke impulsen en werkingen, de Goddelijke kracht in mij vertegenwoordigen”.

M.i. is dit voor de hedendaagse mens de essence van de vernieuwing. Men moet naar een Godsgeloof toegroeien, waarbij God niet meer aan een vaste voorstelling of definitie gebonden is, maar toch beleefd kan worden. Men mag zijn God qua eigenschappen en wezen niet meer trachten vast te leggen en moet Hem toch als het Algoede erkennen. Dit Algoede zal men volgens eigen redelijk besef dienen te gebruiken om het eigen leven in menselijke vorm, zowel als in de geest, tot de juiste inhoud en vorm te brengen.

Zoals ik al opmerkte, zullen de omwentelingen, die hiervan op aarde het gevolg moeten zijn, nogal ver gaan. Op het ogenblik, dat eigen gevoel bepalend is voor eigen handelingen, zal men zich niet meer aan een reeks van strakke regels kunnen binden zoals bv. binnen een industriële onderneming heden het geval is. Ook zal men zich niet meer zo sterk aan wetten gebonden achten als voor het behoud van de huidige sociale samenhangen noodzakelijk is. Men kan zich zelfs niet meer sterk gebonden achten aan de strenge voorschriften en dogma’s, die binnen een kerkelijk verband en soortgelijke groepen noodzakelijk zijn volgens de nu geldende normen. Het eerste verschijnsel van deze omwentelingen zal dan ook een ongericht verzet tegen de huidige verhoudingen moeten zijn. Hierbij kunnen wij misschien het volgende voorbeeld gebruiken.

Heroriëntatie van misdadigers is heel moeilijk. Men kent verschillende soorten van misdadigers. De dommen worden “amateurs'” genoemd. Degene, die misdaad als een directe uiting van het eigen ik zien en daar niet alleen door toeval toe zijn gekomen – of uit zwakte – zullen wij de professionele misdadigers noemen. Deze laatsten kiezen de misdaad vaak als een middel om zich tegen een maatschappij te verzetten, die hen op de een of andere wijze onaanvaardbaar is.

De eerste soort kan gerehabiliteerd worden, de tweede soort niet, want deze tweede soort stelt: Wat ik in het klein doe, doet een ander in het groot. Deze heeft vele miljoenen en kan zich permitteren dingen te doen, waarvoor ik gestraft ben en gestraft zal worden. Indien ik arm ben en geen goede advocaat kan betalen, of geen goede relaties heb, zal ik gevangenisstraf krijgen voor iets, waar een ander, die deze dingen wel heeft, zich met een boete van af kan maken… .

In sommige landen komt omkoping zo vaak voor, dat men ook dit als een voorrecht van de rijken beschouwt, waardoor zij misdaden ongestraft kunnen begaan, of de bepalingen van de  wet kunnen ontgaan.

Voor de beroepsmisdadiger is vaak geld het enige belangrijke, omdat hij meent, dat alles, wat hij in de maatschappij begeert, daarmee te kunnen kopen: Eer en aanzien, evengoed als bezit.

Hij ziet in een maatschappij, die hem geen gelijke kansen geeft, dan ook een vijand en stelt zich buiten elke gemeenschap. Het conflict hierbij is niet, zoals u misschien meent, hoofdzakelijk gelegen in het feit, dat de misdadiger iets voor niets wil hebben. Dat doen alleen de “amateurs”.

Een beroepsmisdadiger geeft zich vaak zoveel moeite om een inbraak, beroving, oplichting, voor te bereiden, dat hij met dezelfde inspanning binnen de maatschappij méér zou kunnen verdienen. Het is vooral het onafhankelijk zijn van anderen, het in verzet zijn tegen de maatschappij, dat hem zijn wijze van leven en werken als de enig juiste doet beschouwen. De achtergrond is dan ook, dat de beroepsmisdadiger de maatschappij niet in haar huidige vorm wil aanvaarden en zich daarom tot vijand van die maatschappij heeft verklaard. Om deze misdadiger te rehabiliteren zou men allereerst alle onrecht binnen de maatschappij moeten wegnemen en het recht tot een werkelijk voor allen gelijk dienend recht moeten maken. Eerst dan zou hij geen reden meer hebben om zich tegen de maatschappij te verweren en zich genoopt te zien zich in de maatschappij alle luxe, aanzien enz. te verwerven, die hij nu daarbuiten tracht te bereiken. Ik wil hierbij opmerken, dat de meeste werkelijke beroepsmisdadigers dan waarschijnlijk tot de meest nuttige en vooraanstaande burgers der maatschappij zouden behoren, omdat zij wel amoreel zijn volgens de opvattingen van de maatschappij, maar slechts zelden van intellect en inzicht ontbloot zijn.

Nu komen de meeste misstanden in de wereld voort uit een gevoel van meerwaardigheid, evenals de beroepsmisdadiger zich veelal meerwaardig acht. Indien men zich nu op de gevoelswereld gaat baseren en daarbij de door mij omschreven vooruitgang op elk terrein bereikt, zal de noodzaak zich de meerdere te tonen van anderen aanmerkelijk afnemen. Er zal dus minder strijd zijn. Een strijd tussen standen is onder deze omstandigheden haast niet denkbaar, terwijl nationalistische misdaad en zelfs strijdvaardige zending niet meer van belang zullen zijn en langzaamaan zullen verdwijnen. Belangrijk in deze vernieuwing is verder, dat er maar heel weinig mogelijkheden blijven voor de doorsnee mens om eigen kleine leugens, onrechtvaardigheden enz. te rechtvaardigen. Waar geen zelfrechtvaardiging meer mogelijk is, zal men een verkeerde handeling niet meer kunnen verontschuldigen door de stelling, dat anderen evenzo handelen, maar alleen door er iets goeds van tenminste gelijke waarde en betekenis tegenover te stellen.

Stel, dat de gevoelswereld overheerst, waarbij de wil tot het goede sterk tot uiting komt. Men zal dan in stoffelijk opzicht minder geneigd zijn zich alleen op eigen theorieën te baseren en deze aan anderen op te willen leggen. Er zal geen sprake meer zijn van een Amerikaanse opvatting van vrede en een Russische opvatting van hetzelfde begrip. Er ís dan alleen nog maar vrede. Deze vrede wordt dan onafhankelijk gezien van de wijze, waarop zij bereikt wordt. Een ieder, die door zijn streven, die vrede bedreigt of verstoort, zou in de ogen der gehele mensheid – zichzelf inbegrepen – schuldig zijn en deze schuld alleen kunnen delgen door iets extra’s voor de vrede te doen. Dit houdt in, dat het nemen van atoomproeven – als in Rusland en de USA – niet meer aanvaardbaar en dus ook niet meer mogelijk is. Conflicten als bv. het conflict om Berlijn, zouden niet meer voor kunnen komen. Ook conflicten tussen mensen van verschillend ras of verschillende kerken en partijen zouden niet meer voorkomen. Door de inschakeling van het gevoel als monitor boven de rede, en het onmogelijk worden van het afschuiven van de verantwoordelijkheid, zal een ieder zich voor zijn beslissingen geheel aansprakelijk – en zo deze voor de mensheid nadelig zouden zijn – schuldig gevoelen. Het gebruiken van het argument: “Ik weet, dat het niet juist is, maar ik moet het wel doen, want zou ik het niet doen, dan zou een ander het zeker doen”, valt weg.

Een mens, die in de huidige onzuivere verhoudingen is opgegroeid, kan zich moeilijk voorstellen, wat alleen dit laatste reeds aan veranderingen op de wereld zou betekenen. Waar de uiterlijke omstandigheden op aarde veranderen, zullen ook de verhoudingen in de menselijke geest zich wijzigen. Deze wijziging betreft niet alleen het innerlijk van de mens, maar ook zijn contact met de geest rond hem, vooral wanneer hij zich van die geest een redelijke en van de werkelijkheid niet te zeer verschillende voorstelling kan maken. Het contact tussen de mens en de geest zal daardoor ontdaan worden van veel franjes en vele misvattingen, die meestal voorkomen uit het menselijk begrip van onvermogen en zijn behoefte dit te compenseren door naast of boven zich een onfeilbare en alwetende Helper te zien. Men zal zelfs in gaan zien, dat er niet enkel knappe, maar eveneens domme geesten zijn. Het wegvallen van een dergelijke instelling en het onmogelijk worden van een tegen beter weten in ontkennen van de wereld van de geest, maakt het mogelijk, dat tussen mensen en geesten een meer normale relatie ontstaat. Dit omvat niet alleen de relaties tussen de mensen in de stof, en de geesten, die eens mens in de stof geweest zijn, maar eveneens alle andere geestelijke krachten.

Dit contact zal door de doorsnee mens normaal aanvaard worden. Hierdoor kunnen krachten, die worden afgeweerd, doordat de mens weigert ze te aanvaarden, of er aan te geloven, op aarde een grotere en belangrijkere invloed uitoefenen. Deze invloed zal niet beperkt blijven tot bv. de morele ontwikkeling van de mens, maar zich evenzeer richten op de technische ontwikkelingen in de stof, de mogelijkheid tot genezing enz. Ook de kennis omtrent de menselijke psyche kan hierdoor aanmerkelijk worden vergroot. De mens, die de hulp van de geest aanvaardt, zal redelijk denkende en handelende, vele feiten verzamelen op gebieden, die nu als onaanvaardbaar of onwetenschappelijk gelden en daardoor leren, hoe hij vele dingen, die tot op heden het voorrecht van de geest leken te zijn, eveneens tot stand kan brengen en gebruiken. De noodzaak tot vernieuwing op aarde voert zo tot een nieuwe mensheid, die voor het eerst in ongetelde eeuwen weer een vaste en onveranderlijke waardemeter bezit, welke niet meer van zijn eigen wezen afhankelijk zal zijn. Deze maatstaf zal zeker niet bovenmenselijk zijn en de mens tot een soort superman verheffen. Maar zij zal voorkomen dat de gehanteerde maatstaven op aarde ver onder de werkelijk menselijke waarden blijven, zoals op het ogenblik helaas al te vaak nog het geval is.

Wij moeten wel beseffen, dat een mens altijd graag onder zich een ander wezen ziet. De angst voor de vernieuwing, die bij velen tot uiting komt, is het gevolg van de angst, dat er wezens zouden kunnen zijn met alle menselijke mogelijkheden, die gelijktijdig meer zijn dan een mens en meer kunnen en beseffen, dan voor een mens mogelijk is. Nu zal er op aarde soms een bovenmenselijk element tot uiting komen. Dit geschiedt hoofdzakelijk in perioden van verandering en dient te vermijden, dat de mensheid een geheel verkeerde weg kiest. De mensheid komt in dat geval te staan tegenover soortgenoten, die de goede weg hebben gekozen en door hun innerlijke harmonie – omvattende alle redelijke elementen van stof en geest, plus de gevoelsfactor, waarover ik sprak – vele dingen tot stand kunnen brengen en die buiten de vermogens van de doorsnee mens liggen. De geschiedenis leert ons, dat de mensheid in deze gevallen begint met deze supermensen te bestrijden en in vele gevallen er in slaagt hen te doden. De mensheid zelf staat dan voor de noodzaak een deel van wat zij verworpen heeft, over te nemen, of onder te gaan aan haar minachting voor het bovenmenselijke. Deze vrees komt hoofdzakelijk in kleine overgangsperioden voor. Wanneer de hele mensheid, daarbij gestimuleerd door van buiten komende invloeden, ongeveer hetzelfde doormaakt, blijft hetgeen in een ander geval bovenmenselijk en angstaanjagend geweest zou zijn, immers menselijk.

Vragen.

  • Wat u zegt, zou duidelijk zijn, wanneer het niet zo onbereikbaar was.

Het door mij gestelde is niet onbereikbaar. Het is een logisch proces, waarbij de mens weinig mogelijkheid blijft om de ontwikkeling geheel te voorkomen. Vergeet niet, dat alles, wat ik u vanavond heb gezegd, niet berust op iets, wat persoonlijk bereikt moet worden door u alleen, iets, wat u alleen en persoonlijk tot stand moet brengen. Het is … een historisch proces, een logisch en normaal gevolg van alles, wat in de mens bestaat en zich in de mensheid ontwikkelt. Vandaar ook, dat ik ben begonnen met een afleiding van de huidige situatie uit het verleden. Alle vaststellingen zijn naar mijn inzicht redelijk. De gevolgtrekkingen daaruit zijn, gezien mijn weten omtrent het heden en de werkzame invloeden, eveneens geheel logisch en niets bijzonders.

  • Wij groeien hier dus naar toe, en zouden dit voor de wereld niet meer tegen kunnen houden?

Neen, de enige mogelijkheid om de door mij geschetste ontwikkelingen geheel te voorkomen, zou een uitroeien der mensheid zijn, waarbij het wel zeker is, dat een groot deel daarvan in onze sferen toch deze ontwikkeling voort zou zetten. Deze mogelijkheid bestaat natuurlijk wel. Waarschijnlijk is het niet, maar voorstelbaar is het, en uiteindelijk daarom ook mogelijk. Hetgeen ik besproken heb, is een normaal proces, dat zich met vele variaties steeds weer binnen het menselijke ras heeft afgespeeld. Ik heb dit onderwerp dan ook niet aangesneden met de bedoeling u aan te moedigen nu opeens iets in deze richting te gaan doen. Het was eerder om u duidelijk te maken, waarom vele mensen op de wereld op het ogenblik met bepaalde problemen te worstelen hebben en waarom bepaalde stemmingen en gebeurtenissen op het ogenblik het meest voorkomen, of meer aandacht vragen dan in het verleden.

Natuurlijk bestaan de invloeden, die ik schetste, voor ieder van u en kan elk van u op zijn eigen wijze deel hebben aan dit gebeuren. Voor uzelf zou dit misschien veel kunnen veranderen. Voor het geheel der mensheid zal dit uiteindelijk weinig verschil uitmaken. Begrijp mij goed. Dit alles is in zekere zin normaal. Het is niet iets voor u alleen. Het is een invloed, die op geheel de wereld werkzaam is en even sterk werkzaam is bij de analfabeten als bij de professoren. De problemen en spanningen kunnen voor alle mensen tot dezelfde grondwaarden herleid worden, ongeacht hun nog vaak sterk verschillende reacties. Daarbij zal een van de belangrijkste invloeden wel tegen de geldende regels ingaan en daarom veel strijd veroorzaken. Want het gaat tegen de conventies in, en kan daarom door de mensen niet aanvaard worden, zelfs indien zij eigenlijk in willen gaan op de hen bereikende impulsen uit de kosmos. Er zullen in toenemende mate ogenblikken komen in het leven van elke mens, waarin alleen een niet conventioneel leven en beleven in gedachten, zowel als in stoffelijke handelingen dus, een werkelijke uitweg uit de moeilijkheden kan vormen.

De invloeden, die jullie bereiken, zijn maar een begin. De conventies, zowel als de gangbare uitvluchten, zijn nog gewoon. Maar dit alles zal zich sneller veranderen dan de meesten onder u durven verwachten, want deze ontwikkelingen zijn sterk progressief en kunnen door de mens niet meer worden tegengehouden. Dit is de voltooiing van een proces, dat twee heersers lang geleden begonnen, of – uitgedrukt in jaren – tussen de 40.000 en 50.000 jaren geleden. Reeds toen is dit proces begonnen. De mensheid heeft zich steeds verder ontwikkeld en met zich en de omstandigheden geworsteld, tot zij dit punt van geestelijke en stoffelijke mogelijkheden bereikte. Daarbij is zij zover gegaan, dat haar alleen de mogelijkheid overblijft een nieuwe weg en een nieuwe maatschappelijke vorm te kiezen. Bij deze keuze heeft zij alleen de mogelijkheid de bestaande toestand te aanvaarden, voor wat zij is, en vandaar verder te gaan. De enige weg, die een oplossing van alle huidige problemen geeft, bestaat uit het als volkomen gelijkwaardig beschouwen van alle stoffelijke en geestelijke waarden en krachten. Zeker is, dat de mensheid – indien zij zich hardnekkig zou blijven verzetten tegen deze vernieuwing – als onder een Juggernout zal worden vernietigd door de krachten, die zijzelf eerst heeft opgeroepen.

De nieuwe leer, waarover later door ons meer zal worden gezegd, is in feite niets anders dan de poging om de mensheid reeds nu de geestelijke achtergronden te verschaffen, die noodzakelijk zijn om waarlijk werelden van geest en stof te verenigen en tot één wereld te maken. Het is een leer, waarin de gevoelswaarde belangrijk is en in vele gevallen in de plaats treedt van stoffelijk omschreven waarden als bv. naastenliefde volgens de geldende interpretatie. In deze leer wordt God Zelf gemaakt tot een Wezen van hoogheid en Licht, een werkelijk beleven van het Oneindige en Onbegrepene, in plaats van een vermomde mens met almacht te zijn. In dit Licht, in deze Oneindigheid, zal de mens volgens deze leer steeds weer zichzelf kunnen ontmoeten en erkennen.

  • U gaat uit van het standpunt, dat de mensen alleen de consequenties van de nieuwe ontdekkingen en denkwijzen zullen ondergaan. Ik meen, dat de grote massa dit zeker niet zal doen en zich als altijd zal houden bij de stelling, dat het vlees beter is dan de beentjes.

Deze stelling horen wij wel meer. Indien u stelt, dat men bewust tracht de consequenties van de nieuwe tijd niet te beseffen en de consequenties van de wetenschappelijke ontdekkingen te vergeten, heeft u gelijk. Indien u stelt, dat de grote massa deze dingen niet beseffen kan en niet beseffen zal, omdat zij zich daarvoor niet interesseert en nooit op de hoogte daarvan zou zijn, hebt u ongelijk. De tendens op deze wereld wijst ons steeds weer op de mogelijkheden tot voorlichting op allerhand terrein. Populaire voorlichting weliswaar en niet altijd geheel juiste voorlichting, maar voldoende om de doorsnee mens iets te doen beseffen van alles, wat zich achter het uiterlijk van zijn schijnbaar rustig wereldje verbergt. Wanneer u zich de moeite getroost zich hier eens mee bezig te houden, zal u blijken, dat een moppenblaadje er niet tegenop ziet – ook tussen alle kolder door – belangrijke gegevens over radioactiviteit, of zelfs de bouw van een cyclotron te vermelden. In tijdschriften, die zich hoofdzakelijk wijden aan arme maagden en heldhaftige mannen, vinden wij opeens een artikel, dat de mensen duidelijk tracht te maken, hoe de menselijke geest werkt, wat een atoombom eigenlijk is en hoe kanker – naar men meent – ontstaat… Zelfs over licht, de lichtsnelheid als absolute waarde, vinden wij in een zeer populair blad een korte uiteenzetting. Alles natuurlijk in eenvoudige termen. Dergelijke publicaties zullen zeker niet geschieden, als men zich er niet ergens voor interesseert. Via radio, tv en pers worden u steeds nieuwe gegevens omtrent de wereldtoestand, maar ook over de wetenschappelijke ontwikkelingen en zelfs omtrent bepaalde denkwijzen en filosofieën ingetrechterd op een zo doordringende wijze, dat men hieraan haast niet kan ontkomen. Nu zijn er mensen, die zo dom zijn, dat zij zelfs niet weten, dat een tv toestel een knop bezit, waarmee je het af kunt zetten. Gekluisterd aan dit kleine blauwstralende vlak worden ook dezen verder binnengeleid in de wereld van wetenschap, godsdienst en filosofie.

De voorlichting op aarde ontwikkelt zich in de richting der massa, maar beschouwt het tevens als haar taak alle facetten van het moderne leven zoveel mogelijk tot uiting te brengen.

Daardoor zal de massa, zelfs al is zij zich dit slechts ten dele bewust, alle door mij genoemde factoren kennen en alle door mij gestelde beïnvloedingen ondergaan. Dit is zelfs waar, wanneer de mensen, zoals bij het optreden van onaangename verschijnselen de menselijke gewoonte is, zich gedragen, alsof deze waarden niet werkelijk bestaan, in de hoop, dat zij dan misschien wel weer weg zullen gaan. Naarmate de onrust in de massa groter wordt, zal men zich ook het bestaan van onevenwichtigheid, wetenschappelijke ontwikkelingen e.d. steeds meer gaan realiseren.

Voorbeeld? In de gehele beschaafde wereld en in vele delen der wereld, die u misschien als primitief beschouwt, weten haast alle mensen precies, wat radioactieve uitval betekent. Er zijn zelfs vele mensen op de hoogte van alles, wat een bepaalde verhoging van radioactiviteit in de atmosfeer, of radioactieve neerslag, voor de mensen kan betekenen. Vaak is deze kennis het gevolg van een op zich niet altijd gerechtvaardigde propaganda. Maar dit heeft onder meer ten gevolge, dat bijna de helft der inwoners van de USA hebben vernomen en onderbewust weten, dat de hervatting van de atoomproeven, zoals de Russen dit hebben gedaan, de gezondheid van 12 tot 14 miljoenen mensen op de wereld op zeer ingrijpende wijze zal beïnvloeden, terwijl daarnaast mogelijkerwijze een kleine 20 miljoen, nu nog niet geboren wezens, deze invloed eveneens zullen ondergaan en daardoor bepaalde fouten of zwakten zullen vertonen, die anders niet opgetreden zouden zijn volgens alle menselijk denken. De massa weet zeer veel hierover.

Zij zal nog moeten leren dit weten in daden om te zetten. Aan deze noodzaak kan de massa op den duur niet ontkomen. Wij bevinden ons in een overgangsperiode, waarin nog niet alle reacties van de massa duidelijk kenbaar zijn. Maar ook in dit opzicht is de ontwikkeling niet tegen te houden, zelfs niet door te verkondigen dat de massa dit niet beseft. Overigens beseft de massa op velerlei gebied meer, dan de leiders van de massa zich wel wensen te realiseren.

  • Is dit zelfs ook van toepassing t.a.v. het geestelijke leven? Ik bemerk, dat er in vele kringen een directe aversie bestaat tegen het aannemen van een geestenwereld en het ingrijpen van de geest in de stof.

Dat is heel begrijpelijk. Het aannemen van de geestenwereld en haar invloed op de aarde zou vele, als vaststaand aanvaarde waarden en zekerheden aantasten. Dat zou de mens kleiner maken, zijn persoonlijke meningen, studies en bereikingen minder belangrijk maken.

Een ontkennen van de werkingen en krachten der geest is dan in vele gevallen ook eerder te zien als een niet willen aanvaarden uit overwegingen van zelfbehoud – al dan niet geheel bewust – dan als een werkelijk van het niet bestaan daarvan overtuigd zijn. Het vreemde is hierbij, dat juist degenen, die zich in hun streven en denken vooral op de oude richting baseren, alles wat in de nieuwe richting gaat, zullen bestrijden. Vooral in het begin van deze overgangsperiode zal dit steeds duidelijker naar voren komen. Men vreest immers zichzelf in eigen ogen te degraderen, zijn besef van bereiking en eigenwaarde te verliezen, wanneer men het nieuwe aanvaardt.

Natuurlijk is men wel bereid het bestaan van een superieure kracht aan te nemen, maar dit dan bij een God-zijn, die vooral ver weg is. Tussen die God en het ik moet zich a.u.b. niet teveel stellen, zeker geen geest, die eens een gewoon mens is geweest.

In het verweer vraagt men om bewijzen, maar men maakt zelf het geven van dergelijke bewijzen onmogelijk en zal – zo zij al gegeven worden – liever elke andere verklaring, hoe ver gezocht ook, aanvaarden, dan toe te geven, dat inderdaad een overtuigend bewijs word gegeven. Vooral in het openbaar grijpt men dan naar drogredenen. Ik kan u bewijzen, dat Nederland eigenlijk geen staat is, terwijl van een Nederlands volk in de werkelijke zin van het woord ook geen sprake is. Maar dit alles zou berusten op drogredenen. Daarvoor kan men gebruik maken van bestaande en feitelijke waarden, mits men deze op de juiste wijze samenvoegt. Zo kan ik ook bewijzen, dat Nederland geen eigen wetgeving heeft. De wetten zijn gebaseerd op het Romeinse recht, aangevuld met Franse inzichten en wetten uit het Napoleontische tijdperk – Koning Lodewijk.

De huidige en modernere wetgeving komt er al niet veel beter af. Vele wetten zijn overblijfselen uit de Duitse tijd. Daarnaast werden vooral in de sociale wetgeving vele in Engeland bestaande opvattingen en wetten gebruikt enz. Wanneer ik dit alles op zou noemen, zou u aan het einde zeggen: Van een werkelijk Nederlandse wetgeving is geen sprake… . Juist is dit niet, want de samenhang van al deze wetten en maatregelen is wel degelijk typisch Nederlands en aan de Nederlandse behoeften aangepast. Ik kan stellen, dat Nederland geen eigen bestuur heeft en wijzen op de invloed van andere staten op de Nederlandse politiek in binnen- en buitenland. Ik kan wijzen op supra-nationale lichamen als Benelux, Europese Unie, Nato e.d. Mijn stelling maak ik nog meer aanvaardbaar door erop te wijzen, dat een groot gedeelte van de Nederlandse ministers bij herhaling in het buitenland vertoeft, terwijl men steeds weer, wanneer belangrijke beslissingen genomen moeten worden, commissies van Kamerleden naar het buitenland zendt.

Al is mijn betoog aannemelijk, het is daarom nog niet helemaal juist. Ik laat alleen alles, wat ik liever niet wil erkennen, buiten beschouwing en leg daarop – zo dit al noodzakelijk is – zo weinig nadruk, dat de toehoorders of lezer deze voorbij ziet. Daarin is het bedrog gelegen.

Een soortgelijke methode wordt gebruikt om aan te tonen, dat het bestaan van de geest en haar ingrijpen op aarde niet waarschijnlijk of zelfs mogelijk is. Men gaat uit van het standpunt, dat eerst een wetenschappelijk bewijs geleverd moet worden. Dit bewijs kan alleen geleverd worden, indien men de feiten bestudeert en alle fenomenen rangschikt. Degene, die dit doet of tracht te doen, handelt niet wetenschappelijk en dient dus als dwaas, of arme misleide beschouwd te worden.

Angst voor het nieuwe en vreemde is in deze dagen kenbaar en maakt deel uit van de overheersende mentaliteit. Zelfs indien iets bewezen wordt, zal men gaarne dit alles desavoueren, alleen maar omdat het gemakkelijk is aan te nemen dat de ongewenste vernieuwingen niet bestaan.

Dergelijke verwerpingen komen vooral vaak voor, wanneer bv. onrust zou ontstaan door het erkennen van een nieuwe waarheid, wanneer eigen wijze van leven of eigen grondslagen er door aangetast zouden worden. Vandaar, dat – juist dit verweer – een duidelijk kenteken is van de belangrijkheid van de geest in de nieuwe tijd. Onbelangrijke dingen bestrijdt men niet en ontkent men niet met zoveel hartstocht. In vele gevallen wordt de eerlijke mens later toch gedwongen, ook zonder de bewijzen die hij eens meende te moeten eisen, de vernieuwing te accepteren.

  • Kunt u zeggen, op welke wijze de mens van heden verschilt van de mens ten tijde van Jezus leven, in stoffelijk zowel als in geestelijk opzicht?

Onder meer: Grotere gestalte, andere pigmentatie, minder snelle zenuwreacties en aanmerkelijk lagere zenuwspanningen in het verleden. In het verleden: Verziendheid, terwijl in het heden bijziendheid meer voorkomt.

  • Jezus zei: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. Wat bedoelde Jezus hier met “de Vader”?

De Vader is voor Jezus de Oerbron, God. Jezus is Zich bewust van God. Zijn wezen gevoelt Zich één met God. Wie zijn ware wezen beseft, heeft dus in Hem God gezien. Dezelfde gedachtegang komt naar voren in de uitspraak: “Ik en de Vader zijn één”.

  • Niet iedereen was helderziende. Zouden de uiterlijke verschijnselen hier niet bedoeld zijn?

Er is een groot verschil tussen het kennen van een mens en helderziendheid. De uiterlijke werken van Jezus, als Zijn wonderen, konden de mens naar mijn mening de Vader niet doen zien, indien deze uitspraak speciaal op Jezus Zelf betrekking heeft en dus het erkennen van de Vader in vele anderen, die terzelfdertijd leven niet insluit. M.i. is dit laatste niet de bedoeling.

Zij, die de nadruk op Jezus werken leggen, vergeten daarbij, dat ten tijde van Jezus’ leven vele andere wonderdoeners door het land trokken. Gegevens daarover kunt u vinden bij Flavius Josephus en de Griek, ik meen Plutarchus. Velen deden – althans uiterlijk – dezelfde tekenen als Jezus deed. Dit blijkt in de evangeliën uit de klacht van de Apostelen: “Meester, er zijn anderen, die genezen in Uw naam en de naam des Vaders”.

Ik blijf dus bij mijn uitleg: Jezus bedoelde eigenlijk: “Wie Mijn wezen ziet, ziet de Vader in Mij”.

Daarbij mag u niet vergeten, dat de mensen van die tijd eerder geneigd waren God in alles rond hen te zien en gevoeliger waren voor het bovennatuurlijke, dan de meeste mensen in uw dagen zijn. Gezien de verschillen tussen de mensen van vroeger en nu, meen ik verder, dat men bij zijn interpretatie van Bijbelteksten enz. uit moet gaan van de mentaliteit en de kennis, ja, zelfs de wijze van uitdrukking, die ten tijde van de optekening van het verhaal gold en er goed aan doet niet alles alleen volgens het huidige besef te willen verklaren.

  • God is Alzijdig en Jezus vertegenwoordigde de Christusgeest, Die alleen maar één aspect van dit veelzijdige is?

Jezus heeft het niet over de Christus. Hij stelt alleen, dat, wie Hem gezien heeft, ook de Vader heeft gezien. Dit impliceert m.i., dat hij niet wijst op zijn taak of werk, maar op zijn innerlijke waarde, waarin Hij, krachtens Zijn bewustzijn, alle aspecten van de Vader kent en deze voor de beschouwer ook vertegenwoordigt. Dit is niet zo vreemd, als u bedenkt, dat u in de esoterie altijd weer voor wordt gehouden, dat u in uzelf het volmaakte Al kunt reproduceren, ofschoon uzelf nog niet volmaakt bent. Ik wijs er nogmaals op, dat Jezus sprak uit Zijn groot bewustzijn, maar in de taal en voor het begripsvermogen van de mensen uit die tijd, volgens de gebruiken en opvattingen van die tijd. Hij hield er m.i. steeds rekening mee, wat Hij kon zeggen, zonder daardoor de mensen rond Hem tot valse voorstellingen te verleiden, of hen een begrijpen van Zijn woorden onmogelijk te maken. Wanneer Jezus in deze dagen op aarde zou leven, zou Hij dezelfde boodschap brengen, maar deze geheel anders formuleren. Het is gevaarlijk een leer woordgetrouw te bewaren, maar de interpretatie daarvan steeds aan eigen wereld en voorstelling aan te passen.

  • Bestaat er werkelijk plaatsvervangend lijden? Is dit niet in strijd met de wet van karma?

Men moet het begrip “plaatsvervangend lijden” definiëren. In de zin, dat iemand in de plaats van een ander kan lijden en dus alle lijden en alle zorgen geheel op zich kan nemen, is plaatsvervangend lijden binnen de mij bekende kosmos niet mogelijk. Er is een andere mogelijkheid. Wanneer iemand anders uw lijden met u deelt, u bijstaat in uw lijden, kan uw lijden daardoor veel dragelijker worden. Het is zelfs mogelijk, dat daardoor een beter begrip van het werkelijke lijden bij degene, die dit moet ondergaan, ontstaat, waardoor het lijden zelf geheel van waarde verandert en in sommige gevallen zelfs als een zekere vreugde ervaren wordt. In deze zin zouden wij misschien toch van een plaatsvervangend lijden kunnen spreken, omdat hierbij het onnodige in het door lot en leven bepaalde lijden wordt veranderd, vervangen, of zelfs geheel tot andere waarde omgevormd door het vrijwillig met en voor u lijden van een ander. Begrip voor en aanvaarden van lijden maken dit reeds minder intens, terwijl dit lijden vanuit geestelijk standpunt op deze wijze snellere en betere resultaten afwerpt.

  • Is het mogelijk, dat iemand slechts één keer met paranormale gaven op aarde incarneert en de verdere evolutie van de geest in de sferen beleeft?

Het is niet onmogelijk. Wij stellen dus: Eénmaal met paranormale gaven. Dan kunnen wij het aantal incarnaties zonder deze gaven buiten beschouwing laten. Dat is de praktijk. Theoretisch is het mogelijk, dat een mens, met of zonder paranormale begaafdheid, slechts éénmaal op aarde leeft en in deze periode alle belangrijke waarden van het mens-zijn zozeer in zich op neemt, dat hij zonder meer het geestelijke pad verder kan gaan. Wat ons allen, die hier aanwezig zijn, betreft, is dit helaas theorie en geen praktijk.

  • Hoe komt het, dat de Isis-Osirismythe zoveel overeenstemming vertoont met de mythe van de Rode Adam, zover het de symboliek betreft?

De mythe van de Rode Adam stamt uit de kabbala en is als zodanig een deel van de joodse overleveringen. De Joden hebben vele malen in ballingschap vertoeft en werden gedurende deze perioden vaak als volwaardige burgers in het vreemde land aanvaard; onder meer Egypte, Syrië en Babylon hebben vaak langere tijd de Joden als gelijkwaardige burgers in hun midden laten leven. Al hielden de Joden ook vast aan hun eigen geloof, toch hebben zij op deze wijze vele beelden en overleveringen van deze volkeren overgenomen. De invloed van de Perzen was heel sterk, terwijl van Egypte gezegd kan worden, dat het waarschijnlijk reeds bij de optekening van de Pentateuch grote invloed heeft gehad. In de kabbala treffen wij dan ook duidelijk blijken van Perzische, Egyptische, Syrisch-Indisch en later ook Griekse invloeden aan.

Hierdoor wordt de door u bedoelde eensluidendheid en eenheid van symboliek reeds voldoende verklaard.

Daarnaast wil ik erop wijzen, dat Mozes, de wetgever van het joodse volk, in Egypte werd opgevoed als een vorstenzoon. Dit hield in, dat hij een Egyptisch priesterlijke opleiding moet hebben gehad en waarschijnlijk ook een priesterlijke rang daar heeft bekleed. Allen, die in de omgeving van de farao leefden en ieder, die deel uitmaakte van het bestuursapparaat van Egypte, diende in die dagen tenminste de laagste priesterlijke rang te bekleden. Dit betekende natuurlijk niet, dat al deze mensen nu ook als priesters leefden, maar wel, dat zij een priesterlijke rang moesten bekleden om in de omgeving van de Goddelijke farao te mogen vertoeven.

Gezien de mentaliteit van Mozes – die uit het Oude Testament enigszins blijkt – is het redelijk te veronderstellen, dat hij veel van de Egyptenaren heeft geleerd. Opvallend is het feit, dat hij zijn optreden voor farao als leider van de gevangen Joden begint met dezelfde wonderen, die ook de Egyptische hofpriesters plachten te doen. Zijn broeder Aaron was een priester. Het woord “broeder” impliceert in die dagen geen familierelatie, maar wordt in vele andere betekenissen gebruikt. Toch blijkt ook Aaron eveneens de wonderen van de Egyptische priesters te kunnen verrichten en te overtreffen. Het is redelijk te stellen, dat ook deze dus ingewijd was in de Egyptische eredienst en magie, of tenminste daarvan op de hoogte was. En dit houdt weer in, dat hij iets van de Egyptische esoterie en Godenleer geweten moet hebben.

Op grond hiervan is het niet onredelijk aan te nemen, dat de stam van Levi, de stam der schrijvers en later der tempeldienaren, een groot deel van deze kennis heeft overgenomen, of tenminste reeds kende. Dit zou inhouden, dat via de mondelinge overleveringen vooral, veel van de Egyptische mystiek in het joodse geloof en in de commentaren op de wetten van het geloof verwerkt werden. Er zijn later bepaalde joodse sekten waarbij een verwantschap met het geloof van een van de Joden tijdelijk overheersende volkeren duidelijk naar voren komt. Zo vinden wij bij de Farizeeën bepaalde invloeden van de Zoroaster leer, terwijl de Sadduceeën Griekse invloeden vertonen. Wie de sekten der Joden nagaat in de tijd rond Jezus’ leven, vindt daarin vele vreemde elementen terug en daarmee ook een verklaring voor het feit, dat de kabbala eveneens vreemde elementen en gelijkenissen in zich draagt.

image_pdf