Vernieuwing

11 juli 1961

Dat vernieuwing noodzakelijk is, zal wel bijna iedereen in deze wereld toegeven. Een vernieuwing mag echter nooit gebaseerd zijn op zuiver materiële inzichten en kan niet van zuiver materiële zijde uit plaatsvinden.

Vanuit ons standpunt is het belangrijkste punt daarbij ongetwijfeld de vernieuwing die in de komende tijd door invloeden van buitenaf optreedt. Om u echter duidelijk te maken waar deze vernieuwing noodzakelijk is en hoe zij onzes inziens bereikt kan worden, zou ik u graag enkele punten willen voorleggen.

Wanneer wij op het ogenblik nagaan hoe deze wereld geregeerd wordt, hoe deze wereld leeft, en hoe deze wereld denkt, worden wij steeds weer getroffen door een bijzonder sterke nadruk op het idee: recht. Wij hebben rechten, zo zegt de mens, en deze rechten wil de mens zien als kosmisch, d.w.z. behorende tot zijn wezen en status van mens. Hij heeft daarbij zeer weinig begrip voor zijn feitelijke toestand.

Een mens, materieel gezien, is niets anders dan een dier. Het is slechts de geest die in die mens leeft, die hem boven een dierlijk niveau kan verheffen en hem op velerlei wijze contact kan geven met hogere krachten en hogere werkingen.

Logischerwijze zou in het menselijke leven de nadruk moeten vallen op de geest, het geestelijk werk, op het contact tussen de mens en het hogere. In plaats echter van zich daarop te baseren, heeft de mens getracht alles materieel uit te leggen, alles in zuiver materiële zin te ontleden. Er ontstaan daardoor toestanden die zeker op den duur moeten leiden tot een algehele omwenteling van de menselijke maatschappij.

Ik wil hier beginnen met een van de problemen die misschien wel het meest treffende is; het probleem van de jeugd vooral van de ontspoorde jeugd.

Wanneer wij de huidige rechtspraak nagaan, dan blijkt dat men in zeer veel, zoniet praktisch alle landen, spreekt van de heroriëntatie van de misdadiger. De jeugdige misdadiger zal voor een vergrijp vaak alleen worden gestraft doordat hij verwijten te horen krijgt; een wat onaangename toestand die echter snel vergeten is. Zelfs wanneer hij tijdens zijn jeugd bij herhaling strafbare feiten pleegt, dan wordt deze jonge mens dus niet openbaar bestraft.

Alles geschiedt besloten en zelfs zijn afzondering in een opvoedingsgesticht bv. heeft eigenlijk meer het karakter van een soort vrijheidsberoving dan een werkelijke straf. Nu wordt deze mens meerderjarig. Op dat ogenblik verwacht men plotseling van hem dat hij nu officieel volwassen zijnde, alle wetten volledig zal volgen en wordt hij voor elk vergrijp met de grootste felheid bestraft.

Dat is een beetje eigenaardig. Wanneer een mens honden heeft, bv. een pup die moet zindelijk worden gemaakt. Hoe doet hij dit? Wanneer het dier iets doet wat niet mag, wordt het daarbij gehaald, er vaak met de neus even op gedrukt en vervolgens met enige gevoelige tikken gestraft. Nu kan men niet zeggen dat dit sadisme is of dat men hier straft omwille van het straffen. Men wil iets leren, en leren kan men klaarblijkelijk alleen wanneer er zo nu en dan slagen vallen. Dit is volkomen logisch. Niemand haalt het in zijn hoofd om te zeggen: “ach, deze jonge hond is zo lief en zo jong en zo onwetend; laat hem eerst maar eens een jaar of een jaar en half oud worden”, om dan vervolgens diezelfde hond te nemen, die dus nooit geleerd heeft zindelijk te zijn en te zeggen: “een grote onzindelijke hond kan niet bestaan” hem mee naar buiten te nemen en hem te doden.

Het vb lijkt u misschien wat ver gezocht. Toch is dit wat geschiedt. De jeugd krijgt een opvoeding die gebaseerd is op de psychologie en dat is goed. Maar deze psychologie wordt hier en daar te zacht. Omdat zij zoveel kan verklaren, begint zij de straf uit te wijken. Zij gaat vergoelijken, maar verwacht wel van datzelfde kind, van diezelfde jonge mens, dat hij later plotseling zich als een volwaardig lid van de maatschappij zal gedragen. Dit is praktisch onmogelijk.

Hier ligt een eerste fout: de fout van opvoeding. Zolang er geen vaste, korte en pijnlijke strafmaatregelen zijn, zowel voor de jongeren als voor de ouderen, zal er van een feitelijke lering en aanpassing aan het maatschappelijk geheel geen sprake zijn. En toch moeten wij de maatschappij in zekere zin als een hoger wezen zien en aanvaarden, want die maatschappij bereikt iets door zijn samenwerking, wat de mens alleen niet kan bereiken.

Op dezelfde wijze tracht men in de moderne tijd vaak om godsdienst, geloof, geestelijk weten, innerlijke oprechtheid bij jongeren te beschouwen als iets wat minder belangrijk is. Later, wanneer ze rijp zijn, dan kan men daarop ingaan. Of men kent een ander en misschien nog gevaarlijker zinsnede: Ik weet wat goed is, ik doe de keuze en mijn kinderen moeten zich daarnaar voegen. In beide gevallen wordt de mens eigenlijk het contact met het hogere ontnomen. Wij kunnen daar de conclusie uit trekken dat de zaak opvoedkundig dus verkeerd in elkaar zit en zo een generatie opgroeit van steeds minder beheerste mensen die, ook wanneer zij hun plaats in de gemeenschap moeten innemen, in feite innerlijk nog kinderen zijn.

Er zijn meer van die stelregels. Wat zou u zeggen van het volgende? Wij moeten een beroep doen op het goede in de mens. Heeft die mens dan het goede? Wordt een mens materieel geboren met iets goeds? Heeft hij een moraal, stoffelijk gezien, of niet? Ik meen te mogen zeggen dat hij instinctieve gedragregels kent maar zeker geen moraal. Een moraal kan alleen tot stand komen, indien men geestelijk en innerlijk werkt met hogere krachten, indien men zich dus voortdurend beroept op waarden die boven het materiële liggen. Wanneer men dit terzijde laat, komt men voor hetzelfde euvel te staan zoals ik u zo-even reeds omschreef. Een beroep doen op iets wat in feite niet bestaat, is een aanmoediging van huichelarij zonder dat er werkelijk iets geschiedt.

Een ander vb. Een mens heeft recht op leven, op werk, op geluk. Deze zinsnede wordt gesteld, maar nergens staat erbij dat u ervoor moet betalen. En toch betaalt u voor alles.

Wanneer u als stoffelijke mens in de wereld komt dan betaalt u het eerste ogenblik al reeds voor uw adem, terwijl u misschien meent dat de lucht vrij is, met de pijnen van de geboorte en de pijnen en het offer van de moeder.

Op het ogenblik dat u meent dat u recht hebt om te leven, dat dit aan uw mens–zijn is gebonden, zou ik u willen verzoeken om eens midden in de oceaan te springen en kijken of deze uw leven respecteert. Zij doet dit zeker niet. Slechts door uw strijd en uw bekwaamheid kunt u zich het recht om te leven verwerven. Het recht op geluk heeft niemand, hoogstens het recht op het zoeken daarnaar. Dit is elke mens ingeboren; maar of men het bereikt is wederom een persoonlijke kwestie. En de ervaring leert ons dat de zuivere materie alleen niet in staat is om de mens het begeerde geluk volledig en blijvend te verschaffen. Ook in deze gevallen moeten wij dus afstand doen van de materiele beschouwing en ons instellen op hogere waarden en krachten. Nu kunnen wij dit op zeer vele wijzen doen. We kunnen beginnen met eenvoudig te stellen: “Wij hebben een geest, wij staan boven een dier en desnoods ergens is een God die ons met voorkeur behandelt”. Maar heeft u daar iets aan? Zoals in de materie alles met strijd gekocht wordt, zo is het ook in de geest. Het is een wet. Noem haar de wet van oorzaak en gevolg zo u wilt, de wet van compensatie. Deze wet zegt dat u niets hebt, innerlijk noch geestelijk, tenzij u geestelijk en innerlijk strijdt en offert. Zonder offer is niets te bereiken. Geen enkel ogenblik van stoffelijk beleven krijgt u voor niets. En toch wordt steeds meer beweerd dat de mens rechten heeft. Ik vraag u welke? Welke, buiten rechten die hij zichzelf aanmatigend maar die hijzelf niet eens kan handhaven?

Een ander vb. Men heeft ideeën over prijs, prijsvorming, valuta. De economische theorieën van uw tijd zijn zeer ver ontwikkeld. Maar wat is nu eigenlijk een prijs? Is een prijs geld? Neen. Een prijs is datgene wat men wil verwerven. M.a.w. een evenwicht tussen bereikt begeren en offer. Men spreekt over marktprijzen, wereldmarktprijzen en dergelijke. Maar in feite zijn dat illusies. Illusies die tot stand worden gebracht en in stand worden gehouden door offers die men zelf brengt of door anderen worden gebracht. Want voor elke mens is waarde en waardering verschillend. De marktwaarde is een fixatie, een illusie. En toch baseert men daarop het economische evenwicht van uw wereld.

Geld. Wat is geld? Geld is een middel waardoor u uw arbeid kunt opsparen en iets kopen zonder tegenover de verkoper daarvoor direct een tegenprestatie te moeten leveren, meer niet.

Al werken wij allemaal zo hard als wij kunnen, wij zullen nooit bereiken wat wij willen. In dit opzicht is bv. het Marxisme fout. Arbeid alleen is voldoende. Er moet steeds een verhouding bestaan tussen doel of verwerving en prestatie. Alleen dan kan worden gesproken van een gezonde, een logische maatschappij.

Dat deze maatstaven in deze dagen zoek zijn, kunt u zelf vaststellen. Wij spreken over vernieuwing. Maar welke vernieuwing kunnen wij verwachten? Een vernieuwing vanuit de materie waarin u leeft en uit de materiële toestanden alleen? Zelfs wanneer u zou proberen met al uw kracht deze vernieuwing materieel tot stand te brengen, u zou er niet in slagen. Want geweldloosheid is een geestelijke waarde. Maar geweld, bereiking door geweld, is een stoffelijke. Er zijn mensen die zeggen dat u met geweld niets bereikt. Ongetwijfeld hebben ze er nooit over nagedacht hoe steden als Rome, Carthago of Troje daarover hebben gedacht. Daar was geweld wel een uitblussing en vernietiging, materieel. Geweld is het middel van de materie. En indien de materie wordt aangetast door een vernieuwing in haar diepste waarden dan zal ze naar het geweld grijpen. Dit is volkomen logisch naar ik meen.

Nu gaan wij in de richting van de geest verder. Indien dus stoffelijk geen vernieuwing bereikbaar is, ongeacht van buiten optredende invloeden, een wonderdadige en miraculeuze verandering van hemel en aarde misschien uitgesloten, zo mogen wij stellen dat de enige kracht waaruit de verandering kan voortkomen wederom de geest is. Maar als een dergelijke geest, de kern van het eigen wezen, aansprakelijk moet worden gesteld voor de vernieuwing, voor de juiste aanpassing aan de wereld en de kosmos, dan volgt hier logischerwijze uit dat deze geest ook wel in staat zal moeten zijn om haar werkelijke gaven te gebruiken, dat zij niet door materieel bijgeloof gehinderd mag worden in het verwerven van haar volle bevoegdheid en invloed binnen het menselijke zijn.

Hier volgen enkele gaven die de geest klaarblijkelijk bezit, of onder omstandigheden bezitten kan.

Genezen van zieken, het verrichten van wonderen als bv. levitatie en dergelijke, communicatie over lange afstand of telepathie, contact met andere werelden, uitdrijven van duivelen of demonen wanneer men in harmonie is met de goddelijke waarde, begrip voor hogere kracht, beheersing van de geaardheid der materie. Al deze krachten schuilen in de geest. De geest is dus wel het perfecte werktuig om een ware vernieuwing tot stand te brengen. Maar dit werktuig kan alleen gebruikt worden wanneer het vrij is. Een mens die stoffelijk slaaf is van zijn gewoonten, van zijn maatschappij en zijn geest zich daarbij tracht aan te passen, staat al onmiddellijk in de ban van de materie. En al wil hij nog zo goed, hij kan daar geestelijk niet onderuit. Dan kennen wij een volgende vorm van binding die, voor de geest gunstiger zijnde, toch ook zo veel beperking met zich brengt dat er geen directe activering van het geestelijk vermogen mogelijk is. Hier wil ik in het bijzonder wijzen op het menselijk dogma. Ik zeg uitdrukkelijk menselijk dogma. Want de mens die zich een vaste voorstelling maakt van waarden die hij niet kent, de mens die zich op grond van redeneringen en uitleggingen die voor hem misschien volledig aanvaardbaar zijn, een vast en wereldomvattend beeld wil maken en dit aan anderen opleggen, maakt zich slaaf van de taak anderen te bedwingen. Zijn eigen geest zal daarbij een verdere ontwikkeling ondergaan dan iemand die in de materie gebonden is, verwachten kan. Maar hij blijft gebonden aan zijn eigen beperktheid en uiteindelijk aan de onvolkomenheid van zijn eigen aanvaarden van het goddelijke.

Daarom moet de geest dus ook leren vrij te zijn. En deze vrijheid moet zeker worden gezocht in de vrijheid om innerlijk en zelfs tot God te gaan ongeacht wat anderen daarover menen te weten of vernemen te mogen stellen. Verder de vrijheid om uw god te eren stoffelijk maar vooral innerlijk zoals uzelf voelt dat het voor uw God aanvaardbaar is; niet volgens de rituelen en vormen die anderen u opleggen. De vrijheid ten laatste, misschien de grootste vrijheid voor de geest, om zichzelf te leren kennen en te beseffen wat zijzelf is.

Alleen daarmee kan de mens een vernieuwing bereiken. Laat ons de kosmische structuur bezien en u mag daarover zelf een afwijkende mening hebben, het is niet belangrijk. Beschouwt u desnoods het gegeven als voorbeeld ofschoon het, zover ik weet, de waarheid is.

Wij hebben te maken met het centrale punt, God. Wat deze God is, wie Hij is, hoe Hij is, weten we niet. Wij kunnen er onze gedachten over hebben, maar weten doen wij het niet. Dit is een punt waarop onze behoefte zich vaak concentreert, het punt waaruit wij krachten putten, het punt dat wij eens hopen te kennen. Rond deze God concentreren zich scherpere uitingen. Men heeft dit in de oudheid o.m. gedaan door aan engelen en aartsengelen een bepaalde taak toe te kennen, alsof zij de leden waren van een soort koninklijk kabinet, een soort koninklijke hofhouding. Men heeft dit voorgesteld alsof bepaalde grootse waarden van de kosmos in een bepaalde volgorde de levensweg vormden als in de kabbalistische levensboom. Er zijn meerdere facetten die niet gelijktijdig, maar achtereenvolgend erkend kunnen worden. Elk van deze facetten heeft een eigen invloed, wanneer wij onder invloed van facet A zijn dan heeft facet B niets te zeggen.

Het lijkt ons misschien een leugen. Wanneer wij B kennen zal A ons misschien niets zeggen tenzij wij A reeds doorleefd hebben en het zien als iets wat met B samenvloeit.

Er zijn natuurlijk ontelbare facetten te noemen, maar ik geloof niet dat het nodig is. Want elk van ons heeft een eigen beleving die hij tot uiting brengt in zijn eigen status, zijn innerlijk aanvaarden van waarheid, zijn innerlijk geloven, zijn handelen uit een geestelijke beweegreden boven alle stoffelijke gedachten of voordeel uit.

Dan mag ik als resultaat van het voorgaande misschien het volgende stellen onder bepaalde voorwaarden. Het is niet belangrijk wie of wat uw ogenblikkelijke waarheid is. Belangrijk is slechts dat gij geestelijk streeft naar hetgeen gij juist en goed erkent. Belangrijk is bovenal wel dat gij in dit streven volkomen eerlijk zijt en geestelijk zowel als materieel tot uiting brengt datgene wat ge innerlijk gelooft, aanvaardt of weet. Het is niet belangrijk dat ge van de ene leer tot de andere overgaat, of van de ene vorm van God-aanvaarding tot de andere. Het kan een normaal verschijnsel zijn in uw bestaan. Maar de eerlijkheid, de offerbereidheid en de daadkracht zijn noodzakelijk.

Vanuit een menselijk standpunt lijkt het mij nu zeer belangrijk, dat men ook doordringt in de kern van de zaak. Die kern van de zaak is voor de mens, geestelijk zowel als materieel, naar ik meen, vooral de behoefte aan zelfbehoud, behoefte aan zekerheid en geborgenheid.

Wij kunnen echter nooit vernieuwing krijgen als wij op zekerheid en geborgenheid blijven staan. Want dan weigeren wij om verder te gaan en dan roesten wij vast in een bepaald facet van het goddelijke. Dat is niet de bedoeling. Wij moeten de kern van ons wezen dus allereerst vernieuwen voor wij tot een verdere vernieuwing kunnen overgaan. Nu weet ik wel dat er vele termen zijn. Sommigen noemen het “herboren worden”, anderen “gaan van het juiste pad”, anderen “de overwinning van het rad des levens” en “het aanvaarden van de toestand van niet-zijn”. Dit zijn alleen maar termen. De hoofdzaak is dat men zichzelf overwinnende, de behoefte tot zekerheid tot zelfbehoud tot geborgenheid prijs leert geven voor het doel.

Een geestelijke vernieuwing kan alleen voortkomen uit een offer. Waar deze vernieuwing in de geest plaats vindt, zal het offer in de eerste plaats een geestelijk offer moeten zijn. Dit offer betekent, ongeacht hetgeen men voor eigen geest het prettigst, het meest juist of zekerste acht, te trachten de in u geopenbaarde wil, zo u wilt, de inspiratie in u geopenbaard, te volgen. Alleen, dan kunt u tot een resultaat komen.

U zult in de materie verder precies hetzelfde moeten doen. Alle behoefte aan geborgenheid, zekerheid, zelfbehoud, wordt op een bepaald ogenblik strijdig niet alleen met de vernieuwing maar bovendien met het belang van uw eigen wezen.

Dit alles brengt mij dan tot een punt dat ik vandaag bijzonder wilde aansnijden:

Er zijn op aarde onnoemelijk veel richtingen, sekten en godsdiensten die alle menen de juiste weg gevonden te hebben. Het is hun goed recht, en zo zij leven naar hun geloof zal het voor hen zeker een grote opgang betekenen. Maar er is iets meer. Zij zoeken niet hetgeen hen verenigt maar slechts hetgeen hen scheidt. Zij zoeken naar zelfzekerheid, zelfbehoud, behoud van hun afzondering, behoud van voorrechten, van hun bijzondere sacramenten, rituelen en wat erbij hoort, uit angst, al geven ze dit niet toe. Het is in feite niet de angst voor een hellevuur. Het is de angst om eenzaam te staan tegenover uw God. Dit wordt door velen niet beseft. Wanneer wij alle grote godsdiensten in de wereld samen nemen, wanneer wij alle grote denkers in de wereld samenvoegen, dan blijkt dat zij bepaalde waarheden gemeenschappelijk bezitten; misschien van verschillende kanten belicht, maar dezelfde waarheid. Indien men ertoe zou kunnen komen in plaats van zijn eigen heiligheid of zelfverzekerdheid, de noodzaak van eigen uitverkiezing desnoods uit te dragen, en in plaats daarvan elkander zou willen steunen om eigen pad te gaan, hoe zou dan niet de geest vrij kunnen zijn. Want in feite is het hier weer materieel denken, materieel opzicht, materieel geloof dat de kern van de vraag, van de geest op verkeerde wijze uitdrukt in een poging voor zich een veilig hoekje af te zonderen in een eeuwige kosmos waarin u voor altijd geborgen zou zijn.

Strijd in dit opzicht is niet juist. Zeker, een strijd hebben wij voortdurend te voeren. Er is een kracht in ons die zich verzet tegen innerlijke onzekerheid, tegen een offer, tegen het aanvaarden van vrijheid of aansprakelijkheid wanneer het niet noodzakelijk is, wanneer wij er consequenties voor vrezen.

De mens hanteert wel degelijk het zwaard, niet om de wereld te overwinnen, maar om zichzelf te zuiveren. Hij die zichzelf overwint is machtiger dan een die een stad onderwerpt.

Ik zeg dit om duidelijk te maken dat deze vernieuwing niet stil kan staan bij één dogma, één godsdienst, één vorm van geloof. Zij kan niet het een bewaren en het ander te niet doen. Zij kan slechts het totaal der mensheid dat de goede, de innig juiste waarde nastreeft zo goed als het kan, in zichzelf en vanuit zichzelf voor anderen, zonder hen te dwingen, maken tot een goede, maar vooral nieuwe wereld.

Vernieuwing houdt in dat al wat de geest kent, en dat is heel veel aan weten, aan kracht en vermogen, een direct deel moet worden van de wereld waarin u leeft, ook als dat de materiele werd is. Vernieuwing betekent dat u het totaal van uw eigen ziens- en denkwijzen moet durven veranderen wanneer blijkt dat u alleen daardoor het juiste bereikt. In zekere zin betekent voor velen vernieuwing, schaamteloosheid. Want het is beter uw falen toe te geven, uw eigen feilen en onvermogen te erkennen, dan duizendmaal uw eigen zelf te rechtvaardigen in de ogen van anderen.

Het heeft weinig zin om te spreken wat God op de wereld zal doen, of wat de geest op de wereld zal doen, wanneer u niet zelf bereid bent allereerst dit te verwerkelijken.

De mens is een instrument Gods, zo zegt men. Ik zou willen zeggen: in elke mens, in elk wezen dat leeft, komt een deel van het goddelijke tot uitdrukking, een bepaald deel van de schepping door het scheppingsplan, een bepaald deel van het ware leven.

Door uzelf te zijn, juist, op harmonische wijze, en voortdurend het ware, innerlijk weten te laten prevaleren over alle andere denkwijzen; het ware innerlijk weten te gebruiken om metterdaad zo goed mogelijke condities te scheppen voor uzelf en voor anderen, geestelijk en stoffelijk, zult u iets kunnen bereiken. Zo zult u waarlijk kunnen beantwoorden aan hetgeen u bent.
Wat voor zin heeft het leven achter een vergulde façade? Men bouwt zo soms voor een schouwspel een stad op, maar wie door de deuren gaat, ziet daarachter slechts haveloosheid, woestenij. Vele mensen zijn als dit: een façade van menselijkheid, van beschaving, van cultuur, van godsdienst, van geloven, van geestelijk weten, esoterisch bewustzijn en daarachter ligt leegte. Het heeft geen zin achter een façade te leven wanneer het enige wat belangrijk is juist datgene is wat erachter verborgen ligt. Wat geeft het hoe de wereld u ziet. Wat geeft het hoe u bent in de ogen van anderen, wanneer u waar bent, nietwaar? Soms lijkt het mij of de schepper van de huidige regels van moraal, van zedelijkheid, sociaal verkeer, beleefdheid, niets anders is geweest dan een psychologische Potjenkin, een bouwer van schijndorpen, die breekt en weer bouwt zodat het oog van degene die hij wil strelen voortdurend volmaaktheid voorgetoverd ziet, wat in feite niet bestaat.

U zult begrijpen dat waar zijn, maar dan ook volledig waar zijn, volgens uw beste weten, volgens uw hoogste innerlijk beseffen, noodzaak is.

Wanneer u dit bent dan worden er allerhande krachten in u wakker die u niet vermoed hebt.

Een mens die eerlijk is, die gelooft, die niet leeft voor zichzelf, heeft een uitstraling. Een uitstraling die intens waargenomen kan worden, die bv. alle hier aanwezigen zou kunnen beroeren. Niet omdat die mens dat wil of als een wapen ziet, maar omdat die mens is. Misschien klinkt het u vreemd wanneer ik u zeg dat alleen reeds de uitstraling van een dergelijk mens, die werkelijk eerlijk en oprecht is, werkelijk innerlijk harmonisch zijn God zoekt te beleven op aarde, alleen reeds door die aura, die uitstraling zieken geneest e.d. dit is echter waar.

Al hetgeen magie heet, al hetgeen zolang werd verworpen als dwaasheid, bedrog en bijgeloof, of als een psychologisch foefje, of misschien als duivelswerk, is het normaal erfdeel van de mens, het geestelijk erfdeel, dat hij echter alleen bereikt indien hij eerlijk is tegenover anderen en voor zich, waar, wanneer hij offeren wil, wanneer hij de prijs wil betalen die gevergd wordt voor dit volbrengen.

Zijn niet alle verhalen der oudheid gevuld met steeds dezelfde argumenten. En dan maak ik geen uitzondering voor de bijbel. Ik maak geen uitzondering voor de Griekse mythologie of voor een ander. Wanneer ik zeg alle verhalen, dan bedoel ik alle verhalen van het eenvoudig, vanuit oude tijden overgeleverd sprookje af tot datgene wat als een openbaring werd neergeschreven. Wat zijn die dingen dan?

Eenieder die licht zoekt, betreedt het duister. Hellewerelden zijn niet gescheiden van hemelwerelden. Het is alleen ons eigen wezen dat uitmaakt of wij erin gevangen worden of niet, een deel van onze weg. Licht en duister zijn een noodzaak. En juist omdat wij deze dingen niet kunnen vermijden, geestelijk noch stoffelijk moeten wij waar en sterk zijn, opdat wij dat innerlijk licht, die uitstraling bezitten waardoor wij in kunnen gaan tot het diepste duister, afdalen tot de diepste hellekracht en stijgen ongedeerd ten hoogste uit het licht, een ander misschien enig licht of verlichting gevend. Het is niet voor niets dat de onderwereld steeds weer wordt afgebeeld, dat steeds weer de nadruk ligt op het feit: “Hij daalde af ter helle”: hij worstelde met de duivel of met Mars of met de goden of met Loki of wie dan ook.

Al deze dingen tonen aan dat het volgens het weten en het geloof, niet van enkelen, maar van allen, onmogelijk is om te ontkomen aan wat men duister noemt.

Misschien dat het goed is hier te wijzen op het feit dat het duister geborgenheid biedt. Wanneer het zonlicht is vertrokken op aarde en er overal diepe schaduwen zijn, dan durven mensen dingen doen waar ze anders nooit aan zouden denken. Dan voelen ze zich veilig en geborgen. Duisternis geeft de illusie van geborgenheid maar ze ontneemt u alle licht. Daarom juist is het duister gevaarlijk. Dus daarom is het daar, om te leren, als een briesende leeuw die rondgaat, zoekende wie hij zal verslinden. Daarom is dit duister, zoals de verlichtte Boeddha zei: als de nevel van Mara die de zon versluiert en hen doet dolen en dwalen die hun doel reeds nabij zijn.

Het is noodzakelijk dat wij sterk zijn in het duister, maar wij mogen het nooit ontkennen. Er is geen goed en geen kwaad zoals een mens dat bekijkt, maar er is innerlijke sterkte die lichtend is, of er is innerlijke zwakte die vlucht. Er is niet, zoals men misschien zegt, een plotselinge vrijwording of vrijmaking, maar er is een weg die u moet gaan. Er is niet het heerlijk en gezellig zeggen: kom wij werken samen met de geest, laat ons genezen of laat ons spreken, maar er is voortdurend weer de noodzaak tot het offer, de noodzaak om zelfs dan sterk te zijn.

Zovele mensen zouden willen spreken met tongen, maar ze begrijpen niet wat het is, ze begrijpen niet dat het ik zelf bekwaamheden in zich heeft die, mits het in harmonie komt met een hogere kracht en deze aanvaardt ondanks alles, zijn zekerheid verwerpende, vanuit zich kan geven in woorden van waarheid misschien aan een mens, in kracht, in innerlijk licht, in visioen. Toch is dit mogelijk.

Deze vernieuwing waar ik over spreek, vergt misschien ten laatste een kleine schets van wat zou moeten zijn. En deze schets zal ik trachten u te geven, al moet ik ze uit aard der zaak hoofdzakelijk materieel uitbeelden.

Een wereld waarin geen enkele staat het recht zou hebben een burger tegen zijn wil te dwingen, maar waarin iedere burger verplicht is de consequenties van zijn daden te dragen. Een samenwerking omdat eenieder zelf geheel verantwoordelijk is voor al wat hij doet – ook de staatsman – zich nimmer kan beroepen op een ander gezag. Een wereld waarin godsdiensten rustig naast mekaar bestaan. Maar niet zeggen: “gij deugt niet, of gij zijt minder dan ik”. Doch slechts zeggen: “wij zoeken gezamenlijk dezelfde kracht of dezelfde waarde, laat ons samengaan”.

Een wereld waarin de machine niet meer is geworden een middel tot waan van verdienste, waan van gewin, van weelde en heersen, maar slechts is geworden de door de mens beheerste aanvulling van zijn wezen, voorzien in de behoeften die hij erkent.

Mensen die niet meer onbeheerst mensen ter wereld brengen, maar in een begrip van hun aansprakelijkheid daartegenover de moed hebben zelf te stellen: deze verantwoordelijkheid wil en kan ik wel, gene niet, dragen.

Een wereld waarin een mens niet meer spreekt over zijn recht, alleen over zijn plicht misschien, bovenal echter een wereld waarin de mensen elkaar willen begrijpen en niemand op grond van zijn weten, zijn geleerdheid of anderszins voorrecht geniet boven anderen.

Geen wereld van absolute gelijkheid, dat is onmogelijk. Maar een wereld waarin alleen de geestelijke status, hetgeen men van uit zichzelf als het ware afdwingt bij anderen, nog als gezag zal mogen gelden.

Een wereld die niet meer in vakjes is verdeeld. Maar die eindelijk reeds als een organisch geheel kan gaan werken.

Misschien is het goed hier iets tussen te voegen. Wij hebben naast dit duister (er wordt zoveel over gesproken in alle verhalen), ook steeds weer te maken met het wandelen van Goden op aarde, het wandelen met God, of het betreden van hemelwerelden.

Typisch is daarbij het feit, dat in 9 van de 10 verhalen geen enkele verdienste berust bij diegene die dit bereikt, het wordt hem gegeven. Eveneens eigenaardig is het dat dit contact eerst later wordt erkend en dat een vrijwillig gegeven offer, een vrijwillige zelfbeperking vaak fantastisch wordt beloond.

Nu kan de mensheid in de komende tijd waarlijk wandelen met God – ik gebruik maar weer de Christelijke termen. De Goden kunnen op aarde zijn, want op het ogenblik dat de mens zelf de innerlijke vernieuwing volbrengt, niet meer zoekt naar eigen zekerheid, eigen heil; maar zoekt naar de praktische verwerkelijking van hetgeen hij erkent als het hoogste, zal hij in zich immers harmonisch zijn met andere en hogere krachten. Men zegt dat door de profeten God sprak, we mogen daarover van mening verschillen, maar zeker is één ding, er zijn ogenblikken dat God kan spreken door de mens.

Wanneer de mens boven zichzelf verheven wordt door zijn volledige ware en eerlijke overgave aan het hoogste wat hij kent. Een mens kan inderdaad en niet alleen in visioenen, Goddelijke kracht als werkelijkheid rond zich zien, wat meer is ze geopenbaard zien, of ze zelfs in de naam van Allerhoogste hanteren, niet ritueel, maar gewoon – ge kunt wandelen met God. Want God is waarheid en waarheid is niet iets beperkts. Waarheid is alomvattend.

Daarom mogen we stellen vrienden, dat het voornaamste van alle vernieuwingen zeker zal zijn, waarheid. Waarheid voor uzelf, maar ook waarheid die je erkent in je streven. Waarheid in je leven. Indien u nooit krachten begeerd hebt, dan heb je hier de weg om ze te bereiken. Betaal met uw zelfnegatie, verwerf door dit offer het contact dat u bij het besloten houden van het eigen ik nimmer mogelijk zal zijn.

En nu moet ik weer terugkomen op een oud refrein, dat ik u al vele malen heb moeten herhalen:

Alleen kunt gij niets doen, alleen zijt gij machteloos.

Maar indien gij waarlijk gelooft in datgene wat het Hoogste is, niet in haat of in verwijt of om een andere wijze. Maar in een innerlijk aanvaarden, ongeacht hetgeen het voor u betekent, dan beschikt ge over elke macht die ge ooit begeren kunt. Alleen zult ge ze uitoefenen volgens andere inzichten dan uw huidige. Hoe meer ge offert, hoe eerlijker en oprechter gij de princiepen die gij erkent tot uiting brengt om verder te komen. Dit is magie. Dit is het betalen van de prijs. De prijs van jezelf. Het offer dat misschien zelfs je leven vergt of meer.

Dat je daardoor in de plaats de verwerving geeft van het Eeuwige. Het wandelen met God en alle Krachten die daaruit voortkomen.

Dit is de ware regel waardoor wonderen geschieden. Niet vreemd of zelfs wreed en zinloos, maar als een natuurlijk voortkomen uit de wetten die de kosmos omgrenzen en uit de Kracht die in uw wezen schuilt. Let wel ik heb u deze vernieuwing getekend en ik ben begonnen om op mistoestanden te wijzen. Want men zegt wel: “Wie God liefheeft spaart de roede niet.” Wanneer wij niet zelfstandig offeren worden wij tot offeren gedwongen. Dit geldt voor u allen, al datgene wat in uw leven onjuist was, zal breken of u wilt of niet. En al oordeelt gij misschien over anderen vanuit het standpunt, waarom hij wel en ik niet? In feite is het voor uw leven belangrijk dat op bepaalde ogenblikken voor u lijden komt. Maar indien gij aanvaardt, kan er geen lijden zijn.

De aanvaarding zelf kan misschien nog een ogenblik de terugkeer tot het menselijke geven; “een mijn God kan het nu niet anders”, maar gelijktijdig is in de aanvaarding de verwerkelijking van éénheid met het Licht.

Lijden op aarde zowel als in de geest is een afdaling tot het duister, waarover ik sprak, de onderwereld. Daarom moet er een tucht zijn, die ge zowel uzelf oplegt, als diegenen waarvoor ge nu verantwoordelijk zijt. In deze tucht moet begrip zitten voor hun wezen; opdat ge niet uw wil, maar het goede en het ware als wet stelt.

Ge moet eerlijk en waar zijn en ge moogt u dus niet door een groepsoordeel laten misleiden. Daarom zult ge u misschien gescheiden voelen van al degenen die militant willen verdedigen wat het hunne is.

Maar slechts indien ge bestaat als een band tussen alle dingen, niet als een scheiding, zult ge waarlijk aan de vernieuwing deel kunnen hebben, en ge zult betekenis hebben daarin.

Ik heb u gewezen op de vele dwaasheden der economie, van bezit en wat erbij hoort. Al was het beeld misschien onvolledig. Al wat ge nu wilt bezitten, verliest gij immers. Wat kunt ge meer bezitten dan dat wat ge juist NU van node hebt, en niet meer dan ge Nu van node hebt. Al het andere is een illusie, een zorg, een gevangenschap.

Leer om alleen dat ene te nemen, wat ge nu nodig hebt. En doet dit ook waar en waardig. En ge zult de vrijheid vinden in de stof en de geest, waardoor ge innerlijk kunt opgaan.

Ten laatste: Vrees niet uzelf te erkennen zoals u bent. Ge zijt natuurlijk niet volmaakt, maar erken uzelf voor wat ge zijt. Want slechts wie zichzelf erkennen durft voor wat hij is, kan het licht, kan de waarheid aanvaarden en in zich verdragen en verwerken.

Begeer ten laatste nimmer enige macht of gave, om de macht of de gave, of om hetgeen deze macht of gave voor u betekent. Maar tracht, kracht en gave te verwerven om anderen te dienen en waarheid te vinden.