Verscheidenheid in spreken

27 juli 1958

Deze bijeenkomst zullen wij dan weer trachten te wijden aan enkele aspecten van het leven en onwillekeurig toch ook wel weer van de esoterie. Er zijn natuurlijk altijd voldoende vraagstukken, die we kunnen gaan bezien. En als je in zo’n grote keuze staat te kijken, vraag je je wel eens af: Waar begin ik mee? Toen heb ik onwillekeurig mijn ogen eerst eens op uw eigen tijd geslagen en eens gekeken, wat er al zo op de wereld gaande is. Daar viel me een enkel verschijnsel wel buitengewoon sterk op n.l. dat er: zo’n veelheid van woorden.

Aan alle kanten wordt gesproken, geschreven, gesproken en het vreemde is, dat de mensen liever hun daden dan hun woorden schijnen te verloochenen. Nu weten we allemaal wel, dat in de esoterie de praktijk erg belangrijk is en dat de theorie eigenlijk pas zin krijgt, wanneer zij door de praktijk wordt bevestigd. Hopelijk verwondert het u dus niet, dat ik de tegenstelling woord en daad als eerste onderwerp voor deze bijeenkomst heb genomen.

We moeten voorop stellen, dat esoterisch gezien de ervaring altijd staat boven het theoretische begrip. Jezus zelf geeft ons in zijn leer menigmaal een kleine richtlijn, een kleine aanwijzing. In de Evangeliën is daar iets van doorgesijpeld, maar de belangrijkste punten liggen toch wel weer in de scholing, die hij aan zijn leerlingen afzonderlijk heeft gegeven. Nu weet ik wel, dat wij daar het laatste jaar niet zo erg veel over hebben gesproken. Toch zou ik deze keer daarmee graag beginnen.

Zoals u weet, was Simon Petrus een man van de daad. Een driftkop, een goede ruwe bonk met niet altijd evenveel verstand. (Deze verklaring is niet voor de Katholieke kerk bestemd.) Petrus nu, als man van de daad, kwam in conflict met Johannes de Denker, en eigenaardig genoeg, met Judas, de man die trachtte om het financiële evenwicht te bewaren. Dus lang voordat de kwestie van verraad en kruisiging op de voorgrond kwam n.l. in het tweede jaar van Jezus optreden.

De gemeenschap van de apostelen plus enkele van de veertig waren op bezoek bij Simeon Arbeth, een partizaan uit die dagen. Petrus verdedigt tegenover Johannes de daad door te zeggen; “Zijn deze (bedoelende de vrijheidsstrijders) niet eerlijker en meer waar dan wij allen? Zijn zij niet belangrijker dan de priesters, die spreken over de vloek van Rome en schatting betalen aan Caesar?” Waarop Johannes antwoordt: “Wat kan het geweld voor goeds baren?” En Judas de opmerking maakt: “Geweld heeft alleen zin, wanneer het zijn rente oplevert.” Dat gesprek met zijn drie standpunten zou waarschijnlijk in een kleine ruzie zoals er wel meer waren onder de apostelen ontaard zijn, wanneer Jezus niet op dat ogenblik ter plaatse was verschenen.

Men heeft hem toen dat probleem voorgelegd, “Wat is belangrijker, Heer, de daad, de gedachte, ofwel is alleen het resultaat bepalend?” Waarop Jezus tegen Judas zegde: “Zij, die streven slechts omwille van het resultaat, zullen datgene, wat zij bereiken, zelf verwerpen.” Een begrijpelijke stelling, want wie streeft is nooit tevreden. Hij wil macht of geld of wat anders hebben en zal op de duur het bereikte steeds weer in gevaar brengen teniet te gaan, alleen omdat hij meer wil hebben.” Tot Johannes zegde hij: “Gij weet, dat de gedachte eerst werkelijkheid wordt, wanneer ons hele wezen haar bevestigt.” En zich toen wendend tot Simon later Petrus zegde hij: “Simon, bedenk wel, wanneer de daad niet uit de gedachte wordt geboren, zal de gedachte het lijden ondergaan, dat de daad heeft gebaard.”

Zijn ik zou haast willen zeggen “broeder” Johannes zegde daarop: “Ja, maar Heer, is het dan niet beter te denken en niet te doen dan te doen en niet te denken?” Het antwoord: “Zij, die denken en niet doen, leven in een droom. Wie droomt, zal ontwaken. En het ontwaken kan verschrikkelijk zijn. Want weet wel, mijn broeder, dat juist door de liefde, die ik u allen toedraag, de daad de bevestiging zal moeten zijn van al, wat ik u leer. Mijn leer heeft geen zin, zolang zij slechts een gedachte blijft. Eerst wanneer de mens de wil des Vaders volvoert met alle middelen, gedachten, woord en daad, kan hij de weg des Vaders gaan en intreden in het Koninkrijk. Wie echter handelt zonder te denken, handelt volgens de wetten der dieren. De dieren des velds nu worden beschermd door de krachten mijns Vaders. Doch tot de mens heeft Hij gezegd: Zoek zelf uw weg, opdat Ik u de hoogste bereiking kan geven. Zo, indien gij handelt als een dier en zijt een mens, zult gij in uw gedachten ontdekken, dat de daad vaak een verwerpen is geweest van veel, wat gij kon bereiken.”

De leringen gaan natuurlijk nog veel verder, Maar het punt, dat voor mij belangrijk was, heb ik hier naar ik meen al naar voren gebracht. Op het ogenblik dat wij iets denken, is dat voor ons een werkelijkheid. Een werkelijkheid, die we dan nog wel niet hebben omgezet in een tastbare, maar een mogelijkheid, die toch ergens moet bestaan. Hoe meer wij over iets nadenken, hoe scherper het gestalte krijgt, hoe meer het rebel wordt. Wanneer zo’n gedachte echter blijft bestaan zonder ooit werkelijkheid te worden, gaat de gedachte ons beheersen. Dit betekent, dat geen enkele andere gedachte meer volledig zuiver kan zijn. Ze wordt steeds vertekend door het dwingende denkbeeld. Het wordt een soort van voortdurend zelfbedrog. En dit zelfbedrog maakt het onmogelijk om ook maar een daad werkelijk geheel eerlijk en oprecht te stellen.

Wanneer wij woorden gebruiken om die gedachten te uiten, maken wij die gedachten tot een deel van onze wereld, onze sfeer van bestaan. En nu is het misschien heel prettig en heel leuk om te praten, maar wanneer dit woord zichzelf niet bevestigen kan in een daad; wanneer de conclusie, waartoe je gekomen bent, toch niet in de praktijk wordt omgezet, dan heb je daarmede voor jezelf en de wereld valse daden geschapen. En dat kan heel erg bezwaarlijk zijn. Want door niet het woord te doen volgen door de daad, heb je elke daad, die geschiedt, wederom een valse inhoud gegeven.

Om nog even terug te keren tot een uitspraak van Jezus, die hij overigens heeft gegeven in het huis van een Arimatheer aan een klein groepje: “Bedenk wel, wie handelt zonder in zijn handelen te weten, waarom hij handelt, is een dwaas. Wie echter handelt en niet zijn totale weten in de daad uitdrukt, is dwazer. Want de blinde, die struikelt, zal men niet verwijten. Doch de ziende, die struikelt, wetend dat de hindernis bestaat, verdient al wat hij ondergaat aan kwetsuur en meer. Zieken te genezen is een goede daad. De gezonde echter die de ziekte zoekt te genezen is een dwaasheid. Zo zal hij, die struikelt zonder te weten, de hulp vinden van alle dienaren mijns Vaders. Doch hij, die wetend struikelt, zal het slachtoffer zijn van al hetgeen hij zichzelf heeft aangedaan.”

Een typische zienswijze. Maar een zienswijze, die we elders in de leerstellingen toch wel bevestigd vinden. Om terug te grijpen naar de oude boeken: “De instincten worden beheerst door de grote krachten. (We zouden hier spreken van groeps- of natuurgeesten.) De instincten vallen dus ook onder de verantwoording van dezen. Het heeft geen zin ze te ontkennen, tenzij wij vrij zijn en ze beheersen. Indien wij echter onze instincten beheersen en ons bevrijden van de krachten, die de grote geest – de groepsgeest dus – ons oplegt, zullen wij de gevolgen in veelvoud ondergaan, want het evenwicht der natuur is in ons verstoord.”

Ja, ik kan wel verder gaan citeren, maar de zin is belangrijker. Bezie het nu eens voor uzelf. Wanneer we een gedachte hebben, dan behoeft dat nog lang niet altijd een weten te zijn. Op het ogenblik dat je de gedachte gaat omzetten in woorden, dus formuleren in begrippen van je eigen wereld en daar werkelijk in geloven kunt, heb je de noodzaak tot de daad ook geschapen. Het woord is hier veel belangrijker dan de mens zich schijnt te realiseren.

Wanneer men spreekt over vrede op deze wereld en men meent dat toch wel oprecht, dan is het zich onthouden van het in de praktijk brengen van alle beschikbare middelen tot de vrede een vergroten van het gevaar voor onvrede, Wanneer men spreekt over de noodzaak eerlijk te zijn en gelijktijdig dit erkennende, zichzelf een masker voorhangt, zichzelf a.h.w. wil beschermen tegen de consequenties van eigen weten en halve waarheden of zelfs leugens spreekt, dan heeft men daarmede het gevaar, dat uit het weten kan ontstaan, geïntensifieerd tot het onontkoombaar is.

Elk woord, dat je spreekt, is een uiting. Een uiting, die in de wereld vastlegt, wat in je leeft. En dat woord bestaat niet alleen uit de klankenreeksen of zelfs uit de begrippen, die in het woord gebonden zijn. Er liggen meningen aan ten grondslag, die de intonatie en de klankvorm bepalen. In sommige van de oudere talen vinden we dat nog terug, waar de toonzetting, de melodie van het woord heel vaak ook de betekenis bepaalt. Onbewust doet een ieder, die spreekt datzelfde. Hij legt zijn werkelijke wezen en denken in het woord vast, zij het niet in het woord als begrip, maar in het geheel van de weergave.

Het uitspreken van een gedachte, zelfs ten halve, is dus een fixeren van je innerlijk in de wereld buiten je. Wanneer je dat nu begrijpt, zul je ook begrijpen, dat we hiermede een oorzaak hebben geschapen.

Als we een Griekse filosoof even mogen citeren. In de stoa uitziende over de laaggelegen stad, zei die filosoof eens tegen een paar van zijn leerlingen: “Kijk, wanneer ik sta en ik spring naar beneden, dan verpletter ik mijzelf. Om de doodeenvoudige reden, dat ik mij verheven heb boven de stad. Maar wanneer ik een woord spreek, dat onwaar is, dan verhef ik mij boven de werkelijkheid. Ik heb mijzelf ook elke weg afgesneden om in die werkelijkheid anders te komen dan door ten dele de waarde van het woord te verlaten. Het is goed te denken; het is beter de gedachte om te zetten in de daad. Waar gedachte en daad tezamen komen (hij wees op de wijde havenbekkens) daar ligt de rijkdom van alle werelden. Waar het woord echter tussen de daad (en hij wees weer naar beneden, naar de stad) en de gedachte (toen wees hij op de hemel) blijft liggen, daar kunnen wij niet stijgen tot de hemelen. En gaande tot de daad dreigen wij te vallen.”

Ik weet niet, of u die gedachtegangen kunt volgen. Ik heb ze allemaal heel vrij vertaald. Maar als u nu zelf eens in deze wereld staat en u hoort, hoeveel er wordt gesproken, wat valt u dan onmiddellijk op? Laat ons dan een paar aspecten nemen van hetgeen ik op uw wereld heb gezien.

Men spreekt over de noodzaak bv. in Nederland om de huisvesting te verbeteren, de woningbouw te bevorderen. Men heeft comités, commissies, instanties. Overal wordt geschreven, gesproken zonder einde. Maar geen van hen komt tot het nemen van een beslissing in het nu, in het heden. Alle beslissingen moeten eerst nogmaals overwogen, besproken en bepraat worden. Met het gevolg, dat men misschien over tien jaar de oplossing weet voor de huidige toestand. Maar de toestand is dan anders. Dat is nu in het algemeen genomen.

Maar hoe vaak gaat het in uw eigen leven niet precies hetzelfde? U spreekt over hetgeen u over een aantal jaren zult gaan doen of bereiken. Maar dan bent u een ander mens. En dan is die wereld anders. Wat u nu mogelijk lijkt over een paar jaren, zal over een paar jaar niet zo mogelijk zijn. Wat u echter vandaag kunt doen, vandaag zelfstandig kunt bereiken, verwerkelijken, dat zal altijd zo blijven. Wanneer u vandaag spreekt over hetgeen u over vijf weken zult doen zoals toch heel vaak voorkomt en u maakt daar geen voorbehoud in, dat u zich dit slechts als doel stelt zonder verder te bepalen hoe dan gaat u beloften geven. Wanneer u maar weinig middelen heeft, kunt U zeggen: “Ik”zal je over een maand f. 100.– geven.” Maar weet u, of u die f. 100,– zult hebben? Neen. Integendeel, de mogelijkheid is zeer groot, dat u juist op het ogenblik, dat u moet betalen het eigenlijk niet kunt missen. Gevolg: ellende. Toch zoudt u op het ogenblik misschien f. 50.– zonder last kunnen betalen. En in het betalen van die f. 50,– zou uw schuld in de toekomst verminderd zijn en tevens zou de verbintenis in de toekomst lichter blijken. Men zou u dan niet fixeren op een vaste termijn. U zoudt dus beter en verstandiger doen om heden reeds een klein deel van ‘s levens schuld te betalen.

De doorsneemens droomt van wat er morgen of overmorgen zal gebeuren, zelden van wat er vandaag gebeurt. Hij spreekt van die dromen ontzettend veel. Ik heb het nu niet over de praatjes, de gewone praatjes, de roddelarijtjes, de haast speelse en onbenullige verklaringen, waarbij je niet nadenkt. Ik spreek eerder over die dingen, waar je toch werkelijk wel belang bij hebt. Dingen, die je soms alleen tegen jezelf durft fluisteren. Wanneer u dat nu eens goed bekijkt, dan blijkt, dat er vandaag niet zoveel mogelijk is als u misschien morgen zoudt willen hebben. En laten we niet vergeten, dat wat vandaag is, vandaag inhoud heeft. Of het morgen inhoud heeft, weet u niet.

Ik heb een persoon ontmoet aan onze kant, die hier in de oorlog heeft gewoond, in Nederland. Deze mens had gehamsterd. En hij was zo bang om datgene, wat hij vergaard had, aan te tasten, dat hij gestorven is aan hongeroedeem, hoewel in zijn kast nog zakken met rijst en met bonen stonden, zelfs bussen met vlees. Deze mens vreesde voor de nood en de mogelijkheden van morgen. Hij vergat daardoor aan de behoeften van heden tegemoet te komen. Nu is dit alleen in de daad uitgedrukt.

Maar in het woord zien wij precies hetzelfde. Zet in plaats van de kast met haar rijst en haar vlees en haar bonen van dit voorbeeldje, dat ik u geef, nu eens even al datgene, wat u vandaag zult gaan doen. “Ja, ik zou eigenlijk vandaag uit willen gaan.” Ja, zijn er redenen om het niet te doen? Zo ja, spreek ze uit. Zeg erachter: “Maar ik kan niet, want ik heb een belangrijker iets te doen, een belangrijker taak.” Is het niet zo, ga dan ook. Zeg dan niet: “Ik zou wel willen.,..,” wanneer er geen werkelijk “maar” achter komt. Zeg niet: “Ik spaar voor een vakantie in het volgende jaar, dan kan ik tenminste een goede vakantie hebben, want dat zal waarschijnlijk nu wel mislopen.” U gaat dromen over veel meer dan u kunt bereiken en zelfs wanneer alles goed gaat, wordt die rijkere vakantie toch nog een teleurstelling. Vraag uzelf af: “Wat kan ik dit jaar doen?” U begrijpt wel, wat ik bedoel. Trek geen wissels op de toekomst. Praat niet over iets, wat in de verre toekomst ligt, maar probeer je steeds weer te bepalen bij hetgeen je heden kunt doen, wat je heden kunt bereiken. En wanneer je eenmaal iets gezegd hebt na rijp overleg ernstig en gemeend houd je eraan. Deze wereld gaat niet ten onder, geloof mij, aan de daden van de mensen, maar aan hun woorden. Het zijn woorden, die op het ogenblik staan tussen twee grote blokken in deze wereld. De één zegt: “Wij verdedigen de vrijheid.” De ander zegt: “Wij hebben alleen de waarheid.” Wat is het gevolg? Eenmaal verklaard hebbende, dat de ander niet deugt, kunnen zij eigenlijk niet goed meer tot een overeenkomst. Komen. Zij kunnen niet zeggen; “Wij willen je voor een keer vertrouwen.” Uit het wantrouwen van die woorden en die verklaringen bloeit zo dadelijk een wereldoorlog op. Of de mens zou zichzelf moeten vergeten….en dat is moeilijk. Kijk naar de mensen, die hier op het ogenblik in Den Haag of in Amsterdam of in Rotterdam beslissen wat er gaat gebeuren. Ze zeggen; “Ja, we moeten natuurlijk onze stad aanpassen aan de behoeften van de tijd. En we zullen het zo inrichten, dat wij over vijf of tien of twintig jaar dat en dat bereikt hebben.” Ze sparen alles voor die plannen. Wat is het gevolg? Dat vele dingen, die eigenlijk wel een behoefte zijn in hun stad, niet tot stand komen. En dat, wanneer men ze eenmaal wil gaan produceren, ze niet meer aan de behoefte kunnen beantwoorden, zodat er veel arbeid voor niets is verzet. Toch zal men het dan doorzetten, want men heeft eenmaal gesproken. Of wilt u een ander voorbeeld?

Kijk naar uw wegennet. Er is op deze wereld en ook in dit land, de laatste tijd enorm veel van doen over allerhande verkeersvraagstukken. “Het wegennet moet worden uitgebreid,” zo zegt men. “We moeten grote snelwegen aanleggen. En omdat we dat in de toekomst toch gaan, doen, zullen we vandaag aan de dag die weg maar niet verbeteren.” En heeft men dat eenmaal gezegd, dan houdt men zich er krampachtig aan vast. Wat kost dat aan doden, aan materiaal, aan lijden. En wanneer men dan eenmaal het plan van heden gaat uitvoeren, dan blijkt, dat het niet meer voldoende is; dat men tekort schiet.

En wanneer ik dat zo in algemene voorbeelden zeg, moet u goed begrijpen, dat het niet alleen de instanties zijn, die zo redeneren. Het zijn niet alleen de gemeenschappen, die dergelijke dwaasheden uithalen. Er zijn mensen, die zeggen; “Ik zal mijn leven hard zwoegen en ik neem geen vakantie. Want later, als ik oud ben, ga ik het leven genieten.” En dan zitten ze daar schuddebollend en verbitterd in hun rolstoel, gekweld door allerhande ziekten. Ze kunnen niet meer. Waar blijft dan hun vreugde? Ze hebben geen vreugde gekend. Daardoor zijn ze hard en onrechtvaardig tegen hun medemensen. Daardoor zijn ze, onbewust misschien, wreed. Ze worden gehaat. Hun leven heeft geen inhoud meer.

Kijk naar die mensen, die menen, dat ze woorden kunnen stellen in plaats van daden. Ze spreken over al, wat zo zouden kunnen doen. “Wanneer ik zou willen,” zo zeggen ze, “o, dan zou ik dit hele bureau door elkaar kunnen gooien en een nieuwe instantie opbouwen. Dan zou ik dit huis kunnen veranderen, totdat het een glorieuze, harmonische eenheid is.” Maar,” zeggen ze dan, “het is me de moeite niet waard.” Wat is het gevolg? Die woorden zijn gehoord. Of wel je krijgt het honende verwijt: “Als je het kunt, waarom doe je het dan niet?” Ofwel wat nog bitterder is: men verwacht, dat je het zult doen. En je kunt niet aan de verwachting beantwoorden. Je raakt verstrikt in een voortdurend groter wordend web van leugens en bedrog om je schijngrootheid te handhaven, totdat je geen rustig ogenblik meer hebt, geen ogenblik meer rustig kunt leven of denken.

Denk niet, dat ik deze dingen overdrijf. Misschien dat het voor u nog niet zo is. Wees er dankbaar voor. Want er zijn velen in deze wereld, wier gedachten niet gerealiseerd, niet tot een concrete waarde gemaakt hen gedreven hebben uit het rijk der werkelijkheid. Dat zijn de krankzinnigen en die zitten lang niet altijd achter muren. Ze lopen midden in uw wereld rond. En soms worden ze zoiets als de gejaagde en gedreven Kleine Korporaal, die later Napoleon werd en de ondergang betekende van een groot gedeelte van Europa. Van de Gefreiter, de huisschilder, die juist omdat hij nooit zichzelf durfde en wilde zijn, omdat hij dacht en droomde, maar niet rekende met de werkelijkheid, ten slotte zijn droom heeft zien ondergaan in de rook van de crematieovens, in tot puin geworden steden, in de wanhoop van een volk.

Dat zijn de grote voorbeelden. Maar hoeveel mensen zijn niet in hun eigen omgeving precies zo? Hoeveel vernietigen ook niet hun eigen leven en dat van hun omgeving, omdat hun droombeelden ver van de werkelijkheid afstaan en zij zich niet willen realiseren, wat die werkelijkheid is?

Ik geloof, dat ik hier een regel aan toe mag voegen, die eigenlijk behoort tot de hogere yoga’s: “Wanneer je denkt, denk goed. Wanneer denken tot weten wordt, geef het weten vorm (m.a.w; druk het uit, zet het in woorden of op schrift). En indien het weten vorm heeft gekregen, bevestig het met de daad, opdat ge in uzelf een eenheid moogt zijn en voortdurend een moogt zijn met de krachten van de kosmos rond u.” Het is maar een spreuk. Maar geloof me, het is een spreuk, die inhoud heeft. Je kunt niet denken en spreken en doen op drie verschillende vlakken. Je kunt jezelf niet in stukken scheuren. Een huis, dat verdeeld is tegen zichzelf gaat ten onder. Een mens, die verdeeld is tegen zichzelf gaat onder in waanzin en duisternis; zal zelfs na de overgang misschien niet in staat zijn om de lichtende waarheid te aanvaarden en zich verbergen in het duister, in een onnoemelijk lijden. Het gaat met deze dingen niet alleen over een wereld, het gaat over vele werelden. Het gaat niet over één leven maar over hele ketens van levens.

Wat je vandaag doet, wat je vandaag beleeft, dat is a.h.w. gelijktijdig het embryo, waaruit je morgen geboren wordt. Met eigen mogelijkheden en ontwikkelingen, zeker. Maar toch, in het heden vorm je de toekomst. Als je in het heden jezelf verloochent op een verkeerde manier niet omdat de verloochening een noodzaak is, die uit je groeit en die bevestigd moet worden in de wereld, maar alleen omdat het gemakkelijker is vermink je je leven van morgen. Begrijp dat goed. Woord en daad zijn twee dingen, die elkaar moeten aanvullen. Het woord kan nooit staan in de plaats van de daad. En de daad krijgt pas haar volle betekenis, wanneer zij geheel begrepen is, dus in woord kan worden uitgedrukt. Beide worden geboren uit de gedachte. Gedachte ontleent haar inhoud aan de grote Waarheid, waarin het “ik” zichzelf tracht te kennen, waarin men God aanvaardt.

En om dit betoog, dat u hopelijk niet te veel heeft verveeld, te besluiten, wil ik dan evenals in het begin teruggrijpen naar een paar leringen van Jezus. Ik kan u hier helaas niet afzonderlijk gaan vermelden waar ze alle gegeven zijn, dan zou ik de eenheid verbreken. Zie het als een bloemlezing, waarin ik de essentiële punten heb samengebracht. Ik heb ook de vragen van de apostelen weggelaten. Dit zijn de woorden van Jezus, zoals hij ze gesproken heeft tijdens zijn leven, lerarende tot de zeven, de twaalf en de veertig: “Indien gij verlangt, zo is het verlangen zelf reeds de mogelijkheid tot bereiken. Indien gij vraagt, is de vraag zelf de vervulling. Indien gij begeert in te gaan in een wereld, zo treedt gij door uw begeren zelf in deze wereld. Want wie zichzelf is, kennende zichzelf en zoekende in zichzelf de wereld en de Vader, die vindt in zijn eigen wezen de sleutel, die alle werelden opent. Het is noodzakelijk, mijne broeders, dat wij één zijn met de Vader in ons denken en streven. En de Vader is in ons en rond ons. Hij vervult ons alle dingen. Doch zo wij, erkennende de wet en de wil des Vaders, weigeren Zijn weg te gaan, ontstaat rond ons de verwarring, die wordt tot duisternis. Wie niet keert van dat pad, doolt in de buitenste duisternis, waarin is wanhoop; wanhoop en geween, knarsing der tanden, verworpenheid. Ook de verworpenen keren terug. En zij zullen moeten bevestigen de wil des Vaders in al hun daden, al hun gedachten en woorden, voor zij het licht kunnen aanvaarden en ingaan tot het Koninkrijk. Indien gij verlangt naar de kracht van Hem, Die mijn Vader is, de Vader, Die is in mij, zoals ik ben in Hem: Zo wees één met Hem zo goed gij kunt. Want al rond u spreekt Zijn wil. Al, wat bestaat rond u, toont. U Zijn wet. Erken dan Zijn wil en Zijn wet boven uwe wil en uwe wet. Stel Zijn wezen en kracht boven uw wezen en kracht. En vervul dat, wat Hij u geeft, zijnde het ware doel van uw leven, niet vragende: Is dit goed volgens de wet (bedoeld wordt de tempelwet)? Is dit in overeenstemming met Caesars macht? Of: Is dit het welzijn, zoals ik het ken? Want geen groter vreugde bestaat er dan de vreugde te gaan in de woningen, die de Vader ons bereid houdt. Geen kracht is groter dan Zijn kracht, die ons in staat stelt al te dragen, zelfs indien het heel een wereld ware. Niets is machtiger, want het is Zijn weten, dat in ons weten ontwakend ons doet erkennen Hem in Zijn grootheid en glorie, verheven boven alle dingen.”

o-o-o-o-o

Ik geloof, dat ik me van commentaar op de vorige spreker kan onthouden. Per slot van rekening, dat spreekt alles voor zichzelf. Laat mij dan eens een keertje naar wat anders gaan kijken.

We zeggen zo, dat God rond ons is in alle dingen. Maar beseffen wij eigenlijk wel hoe? Erken je God wel als je Hem tegen komt in de wereld? Ik denk, dat de meeste mensen en heel veel van onze geesten ook, er eenvoudig aan voorbijgaan. Daarom zou ik eigenlijk een ogenblikje willen praten over God, zoals Hij rond ons is. O, ik weet wel, ik kan het u niet allemaal precies vertellen, want ik ben zelf ook niet volmaakt. En het resultaat is dus, dat, nu ja, ook wel eens van wat God is, aan mij voorbij zal gaan. Maar zelfs in de beperkte dingen, die je zo rond je ziet, krijg je toch soms een indruk: “Ja, hier werkt God. Dat is Gods werk, dat is Gods wil, dat is Gods kracht. Als ik dat nu eens alleen voor u teken, zo kort weg, dan heeft u misschien toch ook daaraan weer een klein beetje houvast. Nu moet u niet denken, dat ik dichterlijk ga worden.

Zeker, God spreekt in de zon. Maar net zo goed in de wolken en de regen. God spreekt in het ruisen van de zee, van de bomen, van de korenvelden. Dichterlijk allemaal heel mooi. Maar God spreekt vaak veel intenser tot ons. Heeft U wel eens gedroomd in de nacht? Heb je jezelf gezien te midden van vele vreemde beelden, gedreven naar een of andere oneindigheid? Heb je gestaan voor een noodlot met een angst voor een val zonder einde? Denk niet, dat het alleen maar een nachtmare is. Want je hebt zelf een ogenblik jezelf uitgesproken en je hebt erkend, hoe God is, want God is het eindeloze Niet zowel als de lichtende vreugde. Hij is in de kleine dingen, die rond je zijn. Wanneer je langs de straten gaat en je ziet plotseling een bloem en een ogenblik verwondert het je, dan spreekt God. Wanneer je loopt te peinzen en een vriendschappelijk geluid doet je ineens opschrikken en zeggen; “He, een vriend, een bekende, hoe goed om een ogenblik hier weer een band te hebben met het leven, met de wereld.” Dan is het God, Die tot je spreekt.

God spreekt even goed in het schijnbaar zinloos liefdes gestamel van jonge paartjes als in de zegenende gebaren van een oud mens, dat afscheid neemt van zijn kinderen, dat sterven gaat. God spreekt net zo goed uit de dood zelf, met soms al zijn verzet en zijn bitterheid en zijn lijden als in de geboorte, God spreekt zo uit alle dingen, wanneer je het begrijpen kunt. Loop door de wereld heen en kijk eens een ogenblik rond je. Al wat je ziet, is Zijn schepping, zijn Zijn schepselen. Of het nu die schone mens is daar, die een ogenblik je aandacht boeit en je even doet denken: Wat kunnen mensen toch mooi zijn. Ja, ook dat. Of, dat het misschien is een kind, dat speelt met een vlieger in de lucht en je een ogenblik doet vragen, hoe zo’n kleurige plek daar zo tegen de wind kan blijven hangen, staart kwispelend, worstelend met het touw om los te komen. Dan is het ook God.

God, dat is een steentje, waar je overheen loopt,dat je misschien zelfs kwelt, wanneer het in je schoenen komt. En God is net zo goed de vreugde van een ogenblik als je moe bent, neer te zitten en even te rusten. In alle dingen, God, dat is het werk, dat je eigenlijk dwars zit, omdat het veel en veel te lastig is en veel te veel tijd neemt. En God is dat ogenblik van vrijheid, waarin nog net de verveling niet komt aansluipen. God is het leven. Wanneer je het leven maar rond je begrijpt, dan zie je God in alle dingen. Weet u waar God niet is? God is er niet, wanneer je in de verveling een ogenblik die hele wereld van je afgooit. God is er niet, wanneer je in verzet tegen het lot gaat zeggen; Ja, maar wat betekent dat hele leven nu hier? God is er alleen niet voor ons, wanneer we het leven niet aanvaarden. Maar zolang we beseffen, dat God in al die dingen is, kunnen we er mee klaar komen, kunnen we er onze weg mee gaan. Het is alleen, wanneer we erkennen, dat we zelf bestaan en God niet meer zien, dat iets ondraaglijk zwaar wordt, dat iets voor ons pijnlijk wordt, dat we erdoor lijden,

Weet u, God geeft ons soms wel eens een paar kwetsuren te dragen, natuurlijk. We moeten wel eens eventjes gebracht worden tot een nieuw geestelijk peil, tot een andere manier van leven en denken. Maar wat God je geeft, is altijd vreugde. Daarom kun je ook zeggen; “Alle kleine vreugden in de wereld zijn God.” Het klinkt misschien vreemd, als je het zo zegt. Voor de meeste mensen, denk ik, zelfs belachelijk. Maar het aroma van een kopje koffie in de morgen, of de geur van de thee in de middaguren, zullen die niet God zijn? Onder ons gezegd en gezwegen: De geur van een stevige biefstuk, die gebraden wordt, het gezicht van een mooi gedekte tafel, is dat ook niet God? Is dat niet het leven? Is ‘t je dan niet gegeven? God spreekt tegen je in het licht, dat fonkelt in een glas wijn, zo goed als Hij tegen je spreekt uit de zee en het onweer en de grote stilte van de woestijn.

God is niet alleen maar de storm en het geweld en het grootse, God is ‘t kleine net zo goed. Soms kan voor een vrouw God liggen in een flesje parfum. Het klinkt gek, maar het is zo. Want dat ogenblik is er een vreugde, een levensaanvaarding.

Het aanvaarde leven is de aanvaarding van God, de uiting van God in de mensen en in het leven zelf. En als je het nu zo bekijkt, dan sta je zo ontzettend dicht bij God. Wie weet, nietwaar, staat er al zo’n ogenblik van genieting zo dadelijk klaar in de vorm van een kop koffie of zo iets. Dan zegt u natuurlijk: “O, onze gastvrouw is goed voor ons.” Maar denkt u wel aan de natuur? Hoe het gegroeid is, hoe de mens het heeft moeten ontdekken, hoe het bereid is, voordat het hier komt? Dan moet er wel iets meer achter zitten dan alleen de gastvrouw en de mensheid. Daar zit het hele leven achter, de essence van het leven. Haalt u zo dadelijk buiten eens diep adem. Zeef eens je longen vol met frisse lucht en vertel me dan; wat is dat? Wat kan dat anders zijn dan God, het Goddelijke, dat Zich uit en Zich openbaart. We vergeten het meestal. Weet u, wat het is? Juist omdat we te dicht leven bij God en met God, vergeten we waar Hij is en denken we dat Hij heel ver weg ligt. De mensen, die God zoeken, nemen een geestelijke verrekijker en kijken daarin naar een heel verre hemel en die zien een lichte schim en dan zeggen ze: “Ja, daar zit God.” En dat, terwijl diezelfde God hier kloppend met het hart, door hun aderen heen gaat, terwijl die God hun voedsel is, de lucht, die ze ademen. Alles rond hen. Heel de schepping is God, Realiseer je dat. Begrijp, dat je deel bent van God, van binnen uit. Dan hoef je niet ver te zoeken. En dan, zeker, dan is de totale God een abstractie, dat ben ik direct met u eens. Iets, wat we niet kunnen overzien. Maar aan de andere kant wat we ervan kennen, is zo dicht in de buurt.

En daar is nog iets bij, dat we ook wel eens vergeten. God schuilt in al het geschapene, in hetgeen we mooi en wat we lelijk vinden, in alle dingen. God is in datgene, wat de wereld slecht noemt zowel als in datgene, wat de wereld goed noemt. Wanneer we God weten te vinden in die dingen, dan komt de rest vanzelf wel. Zodra wij God kunnen zien in een voorwerp, een dier, een wezen, een handeling, een gedachte, kunnen begrijpen voor onszelf, dat dit deel van God kan zijn, hebben we God gevonden. En ik geloof niet, dat we dan veel meer nodig hebben. Het foutieve van de mens is altijd, dat hij probeert om God ver weg te zien als een rechter, terwijl God geen rechter is, God is leven. U moet me niet kwalijk nemen, misschien vindt u wel, dat ik heel erg zit te oreren.  Maar is dat nu niet waar? Probeer het nu eens.

Nu moet ik het woord langzamerhand gaan overgeven aan de laatste spreker. Probeer het eens. Als je een kopje koffie krijgt, zeg dan niet alleen: “God dank”. Maar denk er eens over na. Het is uit God gegroeid, gekomen. Hier, dit wat wij gegeven wordt, wat mij vreugde geeft, is deel van God. Ik hoef het alleen maar te accepteren. Ik denk, dat als de mens leert zijn God zo te zien, dat er heel wat meer wonderen gaan gebeuren; dat er heel wat meer bevestiging is van het leven. En bovendien….dat de mens, zijn God erkennende, misschien uiterlijk wat rustiger en wat minder geëxalteerd, maar innerlijk veel vreugdiger, vrediger en eeuwiger leeft, dan anders wel mogelijk is. Enfin, u denkt er maar eens over na.

0-0-0-0-0-0-0-0

MENSENLIEFDE

Kun je de mensen minnen, omdat ze mensen zijn? Uit de onvolmaaktheid voortgekomen is ’t de onvolmaaktheid, die je stoort en soms doet mensen, dat de mensen weer worden gevangen in de ban van dood.

Kun je mensen minnen om de dromen, die ze scheppen? Terwijl ze je gedachten breken en ‘t schoon verwachten in hun daden wreken? Terwijl ze je droom van genade doen ondergaan in de barre kilte van een dood en leeg bestaan, waarvan je niet eens weet: is dit nu werkelijkheid?

Kun je mensen minnen, omdat ze lijden en zelf lijdende aan de wereld lijden geven?

Kun je mensen minnen, omdat ze streven en in hun streven vernietigen van anderen het streven? Kun je mensen minnen om wat ze schijnen te zijn?

Mensenliefde wordt niet geboren uit dat wat is, wat er bestaat in eigen werkelijkheid, wat het oog gadeslaat in het leven. Want als je zo de mensen lief moet hebben, dan moet te veel beschreven worden, wat vals is en is de leugen als een lens, die ‘t oog bedriegt.

Maar in de mensen schuilt een kracht, die nimmer liegt. In de mensen schuilt een licht, dat nooit gedoofd is van ‘t begin van ‘t albestaan. In de mensen en hun leven en hun streven zie je goddelijke gedachten gaan en uitdrukken de volmaaktheid van het eigen Zijn.

Mensenliefde. Mensen minnen en dienen, niet om ‘t “ik”, niet om een eeuwigheid, maar om de goddelijke kracht, die geschapen heeft. Om een goddelijke liefde, die ternauwernood bevroed reeds ergens in ons leeft en die we in anderen erkennen.

Heb mensen lief als delen van God, uit het licht geboren, als adem Gods, eens op de wereld uitgegaan. Dan vind je God als nooit tevoren, helder, duidelijk, begrijpelijk zelfs reeds in een menselijk bestaan je uitgedrukt. Dan word je dank zij mensenliefde door ‘t leven aanvaarden ontrukt aan wat je nu noemt de werkelijkheid. Dan leer je zien de waarheid van een lichtend bestaan.

Mensenliefde is ‘t erkennen van God achter waan van verdeeldheid, achter schijn van lijden en vreugde, achter het gebroken bestaan, waarin we ons thans nog spiegelen.

Op deze manier heb ik dus geprobeerd om mensenliefde te omschrijven, zoals ze moet zijn. Zolang de liefde alleen van mens tot mens gaat, heeft ze geen zin. Want dan is mensenliefde zo vergankelijk. Je kent elkaars fouten. En wanneer de liefde nog in stand blijft, is het slechts, omdat je je oorspronkelijk oordeel en je eigen zekerheid meer mint dan de waarheid, die zich voor je oog ontvouwt. Maar als je het Goddelijke in de mensen liefhebt, dan zul je er ondanks de persoonlijke relaties, die er altijd zullen blijven bestaan in menselijk en geestelijk zijn iets eeuwigers vinden. Iets, dat nooit je liefde kan verspelen. Iets, dat nooit de genegenheid kan doen verbleken. Dan vind je de eeuwigheid in het tijdelijk bestaan van elk wezen uitgedrukt. En ik geloof, dat dat de werkelijke inhoud moet zijn van alle mensenliefde.