Verschijnsel en feit

14 januari 1974

De gastspreker van vanavond heeft als achtergrond, de middeleeuwen, alchemie, wat kabbala, een fervent astroloog. Speelde een rol in de hofhouding ergens in het Zuiden.

Zoals gebruikelijk hebben wij hem gevraagd, waar hij over wilde spreken en toen zei hij: “Laat al die dingen maar eens rusten. Want de werkelijkheid is iets waar wij eigenlijk te weinig over nadenken. Waar wij ons mee bezighouden zijn de verschijnselen en niet de feiten.” Ik wil trachten dit in mijn inleiding ook te doen en ik hoop, dat dat vruchten zal afwerpen.

Feit: ik besta. Verschijnsel: ik besta in vorm. Is het verschijnsel bepalend voor het bestaan? Neen.

In vele vormen kan het bestaan zich manifesteren zonder dat het zijn aard of kwaliteit verandert. Ik leef in deze wereld. Is dat een feit? Neen. Ik leef, dat is een feit. Ik besta, ik denk, ik reageer, ik voel, ik ervaar. Maar deze wereld – en dat is een definitie die ik er zelf aan geef – is misschien voor een groot gedeelte een droom. Mogelijkerwijze is ze ook een zeer klein gedeelte van een werkelijkheid die ik door een soort microscoop onder de loep zit te bekijken. Ik weet het niet. Werkelijkheid. Ik heb een band met de eeuwigheid. Akkoord.

Een werkelijkheid omdat het een gevoelsmatige werkelijkheid is? Het is niet bewijsbaar. Maar daardoor heb ik een band met de wereld. Niet bewijsbaar. Wanneer ik de band met de eeuwigheid voel in de materie en in een bepaalde wereld, dan is dit een verschijnsel. Het is niet de zaak zelf.

Ik heb hier maar enkele gegevens aangedragen, want u begrijpt dat je hier een soort oneindige litanie van kunt maken.

Maar wat zijn de feiten? Wel, wij dromen. Wij interpreteren feiten zonder dat ze juist zijn. Wij zien dingen als mogelijk, die niet mogelijk zijn. Wij veronderstellen zekerheden, die niet aanwezig zijn. Wij interpreteren gegevens zonder dat die interpretatie de juiste behoeft te zijn. En dat betekent dat wij eigenlijk, voor zover het leven betreft in de wereld der verschijnselen, niet bepaald zeker zijn. Wij hebben een achtergrond, dat is waar, er zijn feitelijke waarden die onveranderd blijven. Maar het merendeel van de verschijnselen rond ons is dermate relatief, dat je er weinig mee kunt doen.

Nu kunnen wij vragen of er een relatie bestaat tussen feit en verschijnsel. Wanneer een verschijnsel ontstaat, zal dat altijd een uiting zijn van een feit. Ook wanneer het niet de enig mogelijke uiting is. Ook wanneer het als uiting slechts één van vele is. Zoals je een ziekte kunt hebben die bij verschillende patiënten verschillende symptomen veroorzaakt. Een feit kan in verschillende werelden of bij verschillende persoonlijkheden geheel verschillende verschijnselen tot stand brengen.

Toch blijft er een zekere beperktheid. Ik nam nu een patiënt. Die afwijking van symptomen is inderdaad mogelijk, maar binnen bepaalde perken. Iemand met een buikklacht zal er niet altijd een stijve nek aan kunnen overhouden. Dat is geen relatie, dus bestaat dat niet. Er is een relatie tussen feit en verschijnsel. De werkelijkheid waarin wij leven, kunnen wij alleen maar stellen. Bewijzen is erg moeilijk.

Wanneer ik hier dus gegevens aandraag, dan stel ik deze: Wij leven in een werkelijkheid waarin alle dingen mogelijk zijn. Waarin alle mogelijkheden bestaan en waarin geen tijd is. Waarin zelfs geen ruimte is in een definitie zoals wij die thans kennen. Dat is het punt van uitgang. In deze werkelijkheid bestaan relaties tussen wat wij persoonlijkheden noemen: delen van die werkelijkheid. Deze relaties zullen zich steeds herhalen. Hoe ze zich herhalen en op welke wijze ze tot uitdrukking komen, is niet met zekerheid te zeggen. Dat hangt sterk van de persoonlijkheden af, van zeg maar de manier waarop de band in de personen tot uiting komt en ook het moment, waarop dat gebeurt. De band is een werkelijkheid. Het verschijnsel kan eenvoudig een attractie zijn. Het kan zijn een elkaar in strijd of in zaken ontmoeten. Het kan zijn dat je in een bepaalde incarnatie dicht bij elkaar leeft en in andere incarnaties elkaar niet eens treft. Hier is dus geen zekerheid.

Het verschijnsel is niet altijd het bewijs van een bepaalde toestand in de feitelijke wereld. Wanneer ik iemand niet ontmoet, kan ik niet zeggen dat er in de feitelijke wereld geen band bestaat. Wanneer ik iemand ontmoet en er is in mij een relatie gevoeld t.a.v. die ander, dan kan ik niet zeggen dat dit de juiste relatie is. Ik kan ten hoogste zeggen: “Er bestaat tussen mij en die ander een band.” Duidelijk? Wanneer het geheel van alle verschijnselen wordt samengevat, kent het regelmaat. De verschijnselen worden gegroepeerd binnen wetten of beter gezegd lijnen, die stammen uit de werkelijkheid. De kosmische werkelijkheid bepaalt het geheel van de mogelijkheden wel degelijk, ook wanneer de uiting binnen die mogelijkheden niet bepaald wordt.

Conclusie:

  1. Vrije wil bestaat, maar slechts binnen de mogelijkheden die behoren binnen het eigen weten, plus het raamwerk van de werkelijkheid, waarbinnen men zich beweegt.
  2. Wij kunnen nooit een bepaalde verhouding, een bepaalde band of bepaalde begaafdheid beschouwen als een deel van onze persoonlijke werkelijkheid. Zij kunnen er een uiting van zijn, maar ze zullen nooit die werkelijkheid geheel kunnen omschrijven en bepalen.

Dan ga ik verder denken en dan zeg ik: Dat is allemaal heel aardig, maar hoe moet dat dan wanneer wij leven in deze wereld van verschijnselen? Het antwoord is eenvoudiger dan u denkt: Daar de wereld der verschijnselen geen vaste norm bezit die behoort tot de feitelijke werkelijkheid waaruit wij allen stammen, kan elk verschijnsel als zodanig worden gewaardeerd en beleefd. Maar het kan nimmer worden gezien als bepalend voor een verder leven, een verder bestaan of de eeuwigdurendheid van een relatie. Ik moet dus werken op dit ogenblik. Ik kan mijzelf daarin uiten en uiting geven aan mijn eigen persoonlijkheid en krachten. Ik kan nooit de ander of het andere bepalen of bestemmen.

Maar hoe zit dat dan met de astrologie? De astrologie geeft eveneens mogelijkheden aan. Is die astrologie een uitdrukking van het onontkoombare? De ervaring wijst uit, dat dit niet het geval is. Er worden in de astrologie geen feiten uitgedrukt, maar neigingen of bewegingen. Voor de persoon zou dus kunnen worden gezegd dat zijn relatie met de kosmos binnen de verschijnselen gebonden is aan een bepaalde stroming of invloed. Maar nooit kan worden gezegd dat hij daaraan gebonden is, dat dit zijn werkelijkheid is of dat dit zijn verdere mogelijkheden zal bepalen.

Dan zeg ik verder: onder de mensen bestaan bepaalde magische mogelijkheden, magische contacten en relaties. Wat is kenmerkend voor de magie? Kennelijk niet het feit dat aan bepaalde riten of aan bepaalde materiële voorwaarden wordt voldaan. Belangrijk in de magie is altijd weer de instelling. D.w.z. dat men uit het verschijnsel teruggrijpt op zijn feitelijke wezen en zijn feitelijke mogelijkheden. Zolang dat niet of niet volledig het geval is, zal het geen magisch resultaat geven of een resultaat dat sterk afwijkt van hetgeen wij ons hebben voorgesteld. Hieruit zou geconcludeerd worden dat de magie alleen werkzaam kan zijn vanuit de werkelijkheid, de feitelijke werkelijkheid, waarin wij allen bestaan. En zal de magie in elke verschijnselenwereld slechts kunnen optreden in overeenstemming met datgene wat wij feitelijk zijn en de krachten, mogelijkheden en relaties, die wij feitelijk bezitten. Dit laatste zal ik wat uitwerken.

Vroeger kende men magiërs die een bepaald element in het bijzonder beheersten. Sommige mensen beheersten de aardgeest, anderen de water- of vuurgeesten, terwijl er ook mensen waren die bepaalde diersoorten konden beheersen. Hun magie had dus een zeer specifiek karakter. Nu zou je zo moeten redeneren:

Wanneer er iemand b.v. een bijzondere relatie heeft met wolven of met water, dan is dat een relatie die in hem altijd bestaat. Niet t.a.v. het verschijnsel dier of het verschijnsel element, maar t.a.v. het wezen ervan. Ik kan niets doen wat niet met mijn wezen in overeenstemming is. Wanneer ik dat wil gaan toepassen op magische – en of paranormale principes, dan zal ik heel goed moeten nadenken. Datgene wat anderen mij zeggen dat werkelijk is, behoeft niet mijn werkelijkheid te zijn. Alleen vanuit mijn feitelijke wezen, zoals dat bestaat in het tijdloze, de in feite ruimteloze kosmos, kan bepaald worden wat ik werkelijk doe en wat er werkelijk gebeurt.

Dit houdt in dat niets in de wereld en ook niets in de wereld van de geest mij kan dwingen tot iets anders dan wat ik in wezen ben. Dat is een heel belangrijk punt. Dit houdt omgekeerd ook in dat ik geen invloed of werking tot stand kan brengen buiten die invloeden en werkingen die reeds behoren tot mijn eeuwigheid, tot mijn kosmische werkelijkheid en die niet alleen maar in de verschijnselenwereld worden gesteld en bestaan.

Wanneer ik uitga van deze werkelijkheid waarin het feit van het bestaan en de feitelijke relaties daar bepalend zijn voor alle verschijnselen, dan moet ik uit de verschijnselen de relaties kunnen aflezen. Nu is niet – en dat moeten wij er nadrukkelijk bij zeggen – één relatie bepalend voor iets wat in die werkelijkheid bestaat. Het is een aanduiding van een relatiemogelijkheid. Maar wij kunnen de relaties pas bepalen, wanneer wij een groot aantal ervaringen hebben opgedaan. Op grond daarvan kan worden gesteld: wanneer een groot aantal ervaringen voortdurend dezelfde elementen bevat, duidt dit erop, dat deze elementen ons werkelijke wezen mede uitmaken en kan een beroep op die elementen onze juiste plaats en harmonie in de verschijnselenwereld bevorderen.

Een situatie waarbij je jezelf weleens afvraagt: Ben ik dan soms niet gek? Natuurlijk. Wanneer wij mens zijn, zijn we allemaal een beetje gek. Dat is de mens eigen. Want gek is: niet reageren volgens de werkelijkheid. Een mens leeft niet in de werkelijkheid. Een mens leeft in de droom die hij bouwt op enkele bouwstenen uit de z.g. werkelijkheid van een verschijnselenwereld. En daarom reageert hij nooit helemaal op de feiten. De feiten van zichzelf en de feiten van de eeuwigheid. Wat de zin ervan is, zou je misschien het best als volgt kunnen omschrijven:

Door de veelheid van ervaringen kom ik tot een bewust erkennen, maar ook tot een bewust beheersen van de relaties die in de feitelijke werkelijkheid bestaan tussen mij en andere delen van die werkelijkheid. De juiste erkenning van deze relatie is het enig belangrijke. Alle andere verschijnselen kunnen wij als ervaring terzijde schuiven.

Nu heb ik geprobeerd om een groot aantal van die denkwijzen over de werkelijkheid samen te vatten. Ik zal trachten om het iets eenvoudiger en misschien ook iets menselijker te stellen. Er bestaat in de mensenwereld een hele reeks begrippen als “goed, kwaad, aanvaardbaar, niet aanvaardbaar, licht, duister, enz.” Maar al die verschijnselen worden bepaald door wat wij zelf zijn. Wanneer in mijn leven onvermijdelijk voortdurend hetzelfde verschijnsel zich manifesteert dat door eenieder kwaad, zondig, duister, demonisch, licht, goddelijk enz. wordt genoemd, dan zegt dit niets omtrent de waarde van het verschijnsel. Het zegt alleen iets omtrent een harmonie die voor mij in de werkelijkheid bestaat. En wanneer wij dat gaan begrijpen, dan is het duidelijk dat je niet voor eenieder dezelfde normen kunt gebruiken.

Een norm zou voor u persoonlijk kunnen voortvloeien uit uw reactie – bij herhaling dan – op een bepaalde persoonlijkheid, op een bepaalde toestand, een bepaalde situatie. Maar dan hebt u niets gezegd over de ander. Dan zeg je iets over jezelf.

De mens heeft zo vaak het gevoel: ik sta midden in de wereld. Hij voelt zich in wezen toch wel het centrum van de wereld, want hij ziet het allemaal vanuit zichzelf en beoordeelt het van daaruit. Maar hij zegt nooit: wat die wereld zegt, dat is wat ik ben. Hij zegt: ik weet wat ik ben en ik zeg wat de wereld is. En daar zit de grote fout.

Wanneer ik met een bepaald systeem kom aandragen om b.v. te berekenen wat de werkelijkheid is – in de kabbala bestaat die mogelijkheid – dan geef ik toe, dat er achter de uiterlijkheden een andere waarde verborgen ligt. Maar ik probeer die waarde weer aan te passen aan mijn opinie. De kabbalistische berekeningen en de daaruit volgende duiding van b.v. de bijbel zegt dus niets omtrent het waar gebeurde. Het zegt slechts iets omtrent mijn behoefte aan een bepaald gebeuren en een bepaalde interpretatie. Wij hebben de behoefte om een wereld te scheppen die harmonisch is met een werkelijkheid, waarin wij bestaan, maar die wij niet eens bewust erkennen. Wat wij waarmaken – door te streven b.v. – dat is niet zoals menigeen denkt een verbetering van ons wezen. Het is gewoon een elimineren van bepaalde factoren die voor ons wezen niet belangrijk en niet waar zijn, die bijkomstige verschijnselen zijn en die in een ander leven misschien bekeken kunnen worden, maar die voor onze uiting op dit moment te onbelangrijk zijn. Omdat wij juist uit de herhaling van belevingen nu iets omtrent ons wezen, onze kracht, uit die werkelijkheid leren. Dat weten wij misschien niet eens.

De mens behoeft niet bewust te weten wat hem beweegt, maar een mens wordt altijd in beweging gebracht door het geheel van hetgeen hij is. Hij erkent natuurlijk allerlei complexen, verdringingsverschijnselen, afwijkingen van normbesef, noem maar op. Maar al die dingen zijn verschijnsel. Ze zijn geen feit. Ze duiden niet aan wat die mens is. Ze duiden slechts aan wat de relatie is tussen zijn werkelijkheid – in de niet-tijdruimtelijke werkelijkheid – en datgene wat hij nu manifesteert.

Dood is een verschijnsel, dat op deze wereld bestaat. Maar wat is deze dood? Het is een verschijnsel, volgens mij, dat duidelijk maakt dat de energie die materieel bestaat niet onuitputtelijk is en dat het voorstellingsvermogen niet in staat is de levensprocessen dermate te dirigeren dat slijtage met fatale gevolgen in een lichaam uitgesloten is. Dan zou dit impliceren, dat wanneer wij de werkelijkheid aanboren van ons wezen en de daarin bestaande krachten, wij de dood niet meer zullen ervaren als een verschijnsel, dat over ons komt. Dan wordt de dood de bewuste actie van een ego dat ook daarin zichzelf bevestigt en zijn eigen relaties met de kosmos duidelijk maakt. En dat is voor de mensen meestal een harde knoop als je daarmee komt aandragen. De meeste mensen zeggen: “Ach, dood, wij moeten er ons bij neerleggen, want dat komt allemaal. Dat is Gods wijs besluit.” En dan zeg ik ineens: “Neen, dat is niet Gods wijs besluit”. Het is een verschijnsel, dat voortkomt uit de onvolkomen erkenning van ons wezen en de daarin schuilende krachten, plus het onvolkomen gebruik van onze mogelijkheid om – laten we zeggen – de geest over de stof te laten regeren.

Dat lijkt misschien een klein beetje ver gezocht. Maar wanneer ik nu aan de alchemie denk, dan kom ik tot de conclusie dat in de alchemie de kracht van de eigen geest wordt gebruikt als een soort chemisch bestanddeel, als iets wat direct mede betrekking heeft op b.v. veredelingsprocessen, op het tot stand komen van levenswater enz. Voor de bezieling van b.v. een homunculus, zo goed als voor het bereiken van de juiste steen der wijzen. In die alchemie staat dat ik, met zijn kracht, met zijn innerlijke kracht, ontleend aan de werkelijkheid, centraal. En de materie dient zich daaraan te onderwerpen. Maar wanneer wij die stelling aannemen voor een soort alchemistisch of chemisch proces. Wanneer wij dat aannemen t.a.v. de mogelijkheid om leven te scheppen, het bereiken van de steen der wijzen, datgene waarmee wij alle dingen waar kunnen maken en eventueel beheersen, dan moeten wij toch ook zeggen dat de dood daar ook bij behoort. De dood is dan niet uit te sluiten. In de alchemie klinkt op de achtergrond door, dat de innerlijke waarden van de mens – aangeduid meestal door een bepaald soort sulfer – beslissend is voor al datgene wat hij tot stand brengt, maar ook voor zijn meesterschap over de verschijnselen.

Ga ik nu een andere kant uit, dan kom ik b.v. bij de yoga terecht. Wat zegt yoga? Mens, leer je lichaam beheersen, je ademhaling, je levensstromen te gebruiken totdat je precies weet hoe je functioneert. En als je het “hoe” eenmaal begrijpt, dan kun je je geestelijke ritme daaraan aanpassen en dan kun je dat gehele organisme met al zijn functies eenvoudig beheersen. Daarmee gaan ze tamelijk ver. Waarom zouden wij nu zeggen, dat dat te ver gezocht is? Een mens vindt het niet vreemd om aan te nemen, dat over zoveel tijd de mensen niet alleen naar Mars zullen vliegen of nog verder en dat ze de gehele kosmos zullen omzwermen. Dat neemt hij wel aan. Dat zijn dingen die in wezen onwaarschijnlijker zijn dan de beheersing van het lichaam, dan het vermogen om in dit lichaam een groot gedeelte van de processen met zuiver geestelijke kracht te stimuleren of af te remmen. Precies wat je zelf wilt.

Maar vergeet u één ding niet. Er is geen enkele techniek op dit ogenblik, die voor een bemand ruimteschip een reis mogelijk maakt, die langer zal duren dan ongeveer 3 maanden. Maar er zijn reeds nu mensen, die bewezen hebben dat je via bepaalde technieken of bepaalde vormen van suggestie en zelfsuggestie wonden kunt dwingen zich onmiddellijk te sluiten. Dat je in staat bent om lange tijd zonder de gebruikelijke warmte, zelfs de gebruikelijke ademhalingsmogelijkheid, in leven te blijven. Dat voedsel in zeer minimale hoeveelheden voldoende kan zijn om het organisme te doen voortgaan, ook al zou theoretisch volgens de bestaande normen iemand na enkele weken daaraan moeten bezwijken.

Die feiten zijn er. Mogen we dan niet een klein beetje verder gaan? En zeggen: de feitelijke werkelijkheid, waaruit wij stammen en waartoe wij allen behoren, is in staat om elke verschijnselenwereld te beheersen. Waar die beheersing niet plaatsvindt, is dat geen kwestie van toeval of van falen, het is doodgewoon een kwestie van nog niet deze werkelijkheid zover beseffen, dat wij de kracht van de werkelijkheid dominerend kunnen stellen boven de verschijnselen, waarin ze zich manifesteert. Dit brengt natuurlijk nog heel veel andere vragen teweeg. Want dat is mooi gezegd, maar wat doe je ermee?

Niemand van u – erg veel jongeren zijn er niet bij – zullen in staat zijn om alle gewoonten overboord te gooien en helemaal te veranderen. En niemand van u is op het ogenblik nog in staat om de feitelijke erkenning uit het tijdloze nauwkeurig en juist in tijd en verschijnsel uit te drukken als tendens of gebeurtenis, zelfs in uw wereld. U kunt het ten hoogste benaderen. Maar dat neemt niet weg, dat wij met de feiten te maken hebben en die feiten zijn niet de feiten van de wereld die u kent, het zijn de feiten van die innerlijke wereld zegt men dan, de wereld die bestaat buiten de uitingen. En wat moet je dan constateren?

In het leven van elke mens zullen bepaalde gebeurtenissen en verschijnselen zich blijven herhalen. Ze komen 2, 3, 4, 5 keer voor wanneer het belangrijke zijn. Ze komen ontelbare keren voor wanneer ze als invloed op het ego betrekkelijk klein zijn. Wat moeten wij daaruit leren?

  1. De herhaling van de verschijnselen geeft aan, dat wij hier te maken hebben met een kwaliteit of eigenschap, die tot ons werkelijke ik behoort. Zowel de onaangename als de aangename gevolgen daarvan behoren tot datgene, wat ik ben.

Ga na in hoeverre die verschijnselen zijn voorgekomen. Probeer ze niet te verklaren of te verontschuldigen. Zeg doodgewoon: dat is gebeurd, dat heeft zich herhaald. Dit is dus iets, wat behoort tot mijn werkelijkheid. Welke hoofdeigenschap zit er in deze verschijnselen? Dan is dit een hoofdeigenschap van mijzelf Zeker zoals ik mij in deze wereld van verschijnselen, in dit beperkte leven als uiting, bevind.

En zo kom je tot een paar eigenschappen.

  1. Wanneer ik de kwaliteit of eigenschap erkend heb, kan ik deze kwaliteit of eigenschap richten op alle ontwikkelingen en verschijnselen. Ik behoef ze niet te beperkten tot datgene waarin ze spontaan naar voren zijn gekomen.

Ik kan dan vanaf dit ogenblik een kracht gebruiken waarvan ik in verschijnsel de uitwerking heb gezien. En ik kan deze dirigeren op alle dingen en alle persoonlijkheden of wezens waarmee voor mij een relatie bestaat. Dit geldt voor geesten, hoge, lage, demonen, als voor mensen, dieren, planten, ja zelfs voor eenvoudige materiële vormen die z.g. dood zijn.

Uitgaande van een kwaliteit die zich in mijn leven steeds weer manifesteert, kom ik tot de erkenning van een eigenschap in mijzelf. Deze eigenschap drukt mede een vermogen uit, een kracht. Deze kracht kan ik gebruiken – niet om de wereld te veranderen – maar wel om in mijn eigen relatie met de wereld bepaalde krachten sterker tot uiting te brengen, andere minder sterk. Alles wat als innerlijke beleving in de mens bestaat, wordt geformuleerd aan de hand van de verschijnselenwereld en de wijze waarop hij zich daarin oriënteert. Dan zullen niet de innerlijke belevingen zelf waarde hebben, maar slechts de tendens van die belevingen. De tendens geeft n.l. de eigenschap aan, die ik in de feitelijke werkelijkheid bezit. De verschijnselen zijn mijn interpretaties daarvan.

Bij elk innerlijk erkennen, innerlijk streven, elk in mijzelf tot bewustzijn komen, zal ik mij de moeite moeten getroosten om niet bij de verschijnselen stil te blijven staan, niet bij de droombeelden die ik eraan verbind, maar bij de tendens. Heb ik die tendens erkend in mijzelf, dan heb ik wederom een kanaal gevonden, waardoor de krachten uit die feitelijke of Goddelijke wereld door mij gemanifesteerd kunnen worden in mijn eigen wereld en wel volgens mijn eigen karakter, mijn eigen aard, in die verschijnselenwereld.

Nu heb ik getracht duidelijk te maken, dat werkelijkheid en verschijnsel een relatie hebben en dat wij aan de hand van de verschijnselen iets omtrent de werkelijkheid kunnen beseffen. Maar kunnen wij nu die werkelijkheid reëel beseffen? Zeggen: zó is het nu in die Goddelijke wereld? Neen. Wij kunnen alleen zeggen: deze eigenschappen bezitten wij ook in die Goddelijke wereld. En hoe komt dat? Wat u nu ziet als uw leven, is maar een heel klein fragment van alle verschijnselen die uit uw bestaan voortkomen. U kunt nooit aan de hand van een klein fragment het geheel kennen. U kunt ten hoogste conclusies trekken t.a.v. het geheel. Goddelijke werkelijkheid en feitelijke werkelijkheid zijn identiek. God is datgene wat ik veronderstel als alomvattende kracht t.a.v. deze onveranderlijke werkelijkheid.

Wanneer ik kom tot iets wat ik Goddelijke werkelijkheid noem, zal dat nooit het geheel zijn. Het zal alleen een kleine erkenning zijn van mijzelf, waardoor ik een relatie met de kosmos, met het geheel vaststel en dat noem ik dan God of Goddelijk. Maar ik kom niet tot een reële erkenning. Kan een mens God ontmoeten in zichzelf? Hij kan iets ontmoeten in zichzelf, dat hij God noemt; maar niet God werkelijk zelf. Kan een mens teruggrijpen in al datgene wat hij is geweest? Een mens zal misschien bepaalde fasen van vroegere incarnaties kennen, maar nooit het geheel van de verschijnselen herkennen. Hij zal ten hoogste uit de tendens ervan iets kunnen erkennen omtrent zijn eigen behoeften tot uiting. Maar ook dan is dit een interpretatie.

Het kennen van vroegere incarnaties is een verschijnsel, want er bestaat geen vroegere incarnatie in de feitelijke wereld. In de feitelijke wereld zijn al die incarnaties aaneengeregen steentjes aan het halssnoer dat je werkelijk bent. Nu kunt u nooit zeggen: wanneer ik drie parels ken, weet ik wat het snoer is. U kunt hoogstens zeggen: ik veronderstel dat het zus of zo zal zijn. En u moet al een behoorlijk aantal parels kennen om iets te kunnen zeggen over het verloop van het snoer. De parels kunnen b.v. op grootte zijn gesorteerd, op kleur of op kwaliteit en met een paar parels kan ik wel een vermoeden uitspreken, maar geen feit kennen. Wanneer ik nu zeg: dit is een kostbaar snoer omdat ik drie kostbare parels heb – 3 incarnaties ken – dus moet ook dit leven een kostbare parel zijn. Dan kunt u het weleens net mis hebben. Het kan dat er tussen de imitatieparels net een paar goede terecht zijn gekomen.

U moet dus goed begrijpen dat vroegere incarnaties weinig te zeggen hebben over datgene wat u in werkelijkheid bent. Het feit dat u ze meent te herinneren, zegt iets over uw ogenblikkelijke toestand. Zodra u die herinnering en de invloeden die daarvan op u uitgaan, beschouwt als deel van dit leven – als uiting – dan zult u op grond daarvan meer kunnen begrijpen omtrent uw werkelijke wezen, kwaliteiten en mogelijkheden.

Er bestond volgens de oude overlevering een paar papyri. Twee rollen, het eerste en het tweede blad. De papyrus van Toth. Men zei: “Wie het eerste blad heeft gelezen beheerst alle verschijnselen op de wereld. Die kan de dieren, de planten, de mensen, bevelen. Hij kan de elementen bevelen. Maar hij, die het tweede blad heeft gelezen, kan de aarde vernietigen of doen ontstaan.” (Heel kort samengevat)

In zekere zin is dat voor ons persoonlijk waar. Wij zijn bezig om het eerste blad te leren kennen. Het blad der relaties. Die relaties zijn voor ons de meest belangrijke. De werkelijkheidsrelatie uit die Goddelijke wereld moeten wij in de verschijnselenwereld terugvinden. Maar op het ogenblik, dat wij die kennen, zullen wij de samenhang van ons wezen met de kosmos gaan beseffen. Op dat ogenblik kunnen wij vanuit onszelf en voor onszelf werelden doen vergaan en doen ontstaan, omdat het verschijnsel dan bewust bepaald wordt door de veroorzaker, in casu het werkelijke en feitelijke ego.

En dat gaat heel erg ver en het is fijn te weten, dat je zo ver kunt komen. Maar wanneer je op reis wilt gaan, dan zal je toch moeten beginnen met het zetten van de eerste schrede. Wanneer u weet dat die mogelijkheden er zijn, zult u eerst zover moeten gaan dat die mogelijkheden bruikbaar worden. En ik geloof dat hier de werkelijkheid waarvan wij deel zijn, een grote rol speelt. Wanneer wij namelijk juist beseffen wat in ons als werkzame kracht en factor aanwezig is, kunnen wij de kleine feiten scheppen. De kleine feiten die achtereenvolgens worden opgebouwd, waardoor het voertuig ontstaat, de reeks verschijnselen, waarmee wij zodanig harmonisch zijn, dat wij vanuit die harmonie onze bestemming kunnen bereiken.

En dan wil ik besluiten met deze opmerking:

De feitelijke werkelijkheid, die geen tijd en ruimte kent, zoals u die beseft, bevat in zich alle mogelijkheden die ooit voor u bereikbaar zullen zijn. Maar ook alle mogelijkheden, die ooit voor u als harmonisch te ervaren zijn. Daarom kunt u niet tegen uw eigen wezen in handelen, indien u maar beseft wat er van uw werkelijkheid in dit leven tot uiting komt. U moogt geen beroep doen op de wereld van de verschijnselen; deze verschijnselen worden immers beheerst.

U moet de verschijnselen trachten te beheersen en te manipuleren, zodat voor u een optimale vorm van harmonie, van harmonisch leven en ervaren is ontstaan. Zodra u die vrede en die kracht in uzelf vindt, hebt u daarmee het voertuig gevonden waardoor uw werkelijke ego de delen, die het nu manifesteert, ook als kracht kenbaar kan maken in het voertuig dat u nu bezit. En dan is de mogelijkheid niet uitgesloten dat je op den duur alle dingen beheerst. Zelfs uw eigen lichaam, zelfs uw eigen dood.

De Gastspreker

Het is altijd een beetje moeilijk om te praten over de belangrijke zaken van het leven. Een mens leeft eigenlijk uit de trivia naar de erkenning toe, die hij meestal niet bereikt. Ik heb mij beziggehouden met allerlei interessante dingen. Ik heb het buskruit niet uitgevonden, maar aan de andere kant heb ik toch wel enige mogelijkheden gevonden om door verschillende soluties enz. eigenaardige verschijnselen tot stand te brengen.

Wat dat betreft kan ik zeggen, dat ik toch wel een redelijk werkzaam leven heb gehad. Alleen veel later. U weet wel, dat kleine rot-acteurtje heeft het in zijn Hamlet gezegd – to be or not to be. Ik vind het echt Engels: te zijn of niet te zijn. Ik geloof dat het eerder een kwestie is van: hoe wij zijn. Hoe wij zijn hangt voor een groot gedeelte – dacht ik – af van hetgeen wij zijn. En de meeste mensen weten niet wat ze zijn en daarom verbazen ze zich, dat ze zijn zoals ze zijn.

De werkelijkheid van het leven kan je volgens mij als volgt omschrijven:

In de mens zijn bepaalde elementen aanwezig. Je kunt zeggen: hij heeft een bepaald element dat hem domineert. In hem is een evenwicht van de elementen, dat zowel zijn levenskracht als ook zijn uitingen naar buiten toe beheerst. En met al deze dingen samen komt hij tot een levensuiting. Het evenwicht dat in ons bestaat, is bepalend voor onze gezondheid. Het is bepalend voor onze levenskracht, maar ook voor ons denken. Het is daarnaast bepalend voor datgene wat wij in onszelf als mogelijkheden – noem ze desnoods inspiratief – kunnen krijgen.

Er zijn een paar dingen die de mens blijkbaar enorm belemmeren in zijn bewustwording. Ik zou de situaties het best kunnen omschrijven met: wij zijn in wezen pure kracht. Die kracht kan allerlei vormen aannemen. De vorm die ze aanneemt, bevalt ons zelden. Dat komt omdat wij niet harmonisch zijn. Ik heb mij ook met de latere techniek beziggehouden en ik heb ontdekt dat jullie zo’n kijkgeval hebt, waarop het geheel van de beeldaftasting wordt geregeld door een paar spoelen die er omheen zitten. Nu zouden wij kunnen zeggen: in onszelf zitten die spoelen en die bepalen de afwijkingen die ontstaan. Vandaar dat praktisch ieder mens afwijkingen heeft.

De ergste belemmering voor een mens is altijd een schuldgevoel. Een schuldgevoel is een onevenwichtigheid. Op het ogenblik, dat je denkt: Dat had ik niet mogen doen, begin je onmiddellijk jezelf a.h.w. in een toestand van labiliteit te verplaatsen. En dankzij deze labiliteit kunnen de krachten die door je ontstaan en door jou tot uiting komen, niet meer op de juiste wijze reageren. Maar nu komt er ook een ogenblik dat je tegen jezelf zegt: Ach, laat ze allemaal!

Het was bij ons ook heel vaak zo. Ik ben lange tijd bij een hertog geweest. En deze goeie man had de gewoonte om ons allen tezamen te laten komen in een grote en nogal protserig uitgedoste zaal en dan maakte ieder zijn compliment en dan werden de stomste spelletjes gespeeld en hij moest winnen. Dat betekende dat wij verstandiger moesten zijn dan hij, want anders kon hij niet winnen. En daardoor ontstond een onevenwichtigheid. Want niemand deed wat hij werkelijk kon doen, omdat hij die man wilde laten winnen. Als je een schuldbewustzijn hebt, doe je tegenover de werkelijkheid precies hetzelfde. Je zegt: Die moet winnen. Maar dat betekent dat je je eigen capaciteiten niet werkelijk gebruikt.

Nu heb ik mij afgevraagd in hoeverre dat invloed kan hebben op onze relatie met de werkelijkheid. De conclusie is als volgt:

Op het ogenblik dat ik een schuldbewustzijn heb, verwerp ik een deel van mijzelf. D.w.z. dat ik een deel van mijzelf op non-actief stel en buiten mij iets projecteer dat ik niet ben, als het enig juiste. Dat wil zeggen alle goede energieën gaan naar de illusie die ik heb over wat ik zou moeten zijn. Terwijl de energieën, die ik nodig heb om te zijn wat ik ben, mij gaan ontbreken.

Schuldbewustzijn is de tegenstelling van verwaandheid. Ofwel mensen die hun geur voor de geur van heiligheid verslijten. Die heb ik ook meegemaakt. Er was bij ons iemand – hij is naar ik meen nog kardinaal geworden; was uit een goede familie, dus dat zal wel – die leefde volgens zijn eigen besef in een geur van heiligheid. Als heiligheid zo stinkt, ben ik blij dat er geen hemel is. Overschatting van onszelf, het denken dat wij een beheersing hebben over alles wat juist is, betekent dat wij de wereld weer niet juist zien. De krachten die door ons gaan worden niet gericht op de werkelijkheid van de wereld, maar op illusies. En als dat gebeurt hebben wij weer niet de kracht om te zijn, die wij moeten zijn.

Dus als u nu met de Engelsman wilt zeggen: “te zijn of niet te zijn”, dan is het eigenlijk een kwestie van te zijn. Wat betekent: met jezelf in evenwicht zijn doordat je je schuldbewustzijn opzij hebt geschoven. Niet denken dat je meer bent dan een ander. Maar de capaciteiten die je hebt, harmonisch naar die wereld toe laat werken en zo je zelf waarmaakt in de wereld, waarin je bestaat. Dus… waarom, vraag ik mij dan af, zijn de mensen dan voortdurend bezig met het verbeteren van de wereld?

Wanneer wij werkelijkheid willen zien, dan moeten wij beginnen onszelf werkelijk te maken. Het meest krankzinnige is dat de mens voortdurend bezig is de wereld buiten zich te beïnvloeden. Terwijl hij niet tot de conclusie komt, dat hij zelf onevenwichtig is. Er zijn veel mensen die trachten de wereld te bekeren omdat ze zichzelf zondig voelen. En omdat ze dan denken dat ze de wereld bekeren, voelen ze zich heilig en dan zijn ze onevenwichtig in de tegenovergestelde richting. Dat moeten wij gewoon voorkomen. Wat wij moeten doen is, in onszelf die kracht vinden en dan zeggen natuurlijk veel mensen: “Dan kom je nergens terecht.” Maar dat is nu volkomen verkeerd. Dat is helemaal uit de lucht gegrepen. Wanneer u namelijk waarmaakt wat u bent en eindelijk een klein beetje tot evenwicht komt – niet meer geforceerd de ene kant of de andere kant uitgaat – maar leeft in een harmonie van het heden, waartoe uw taak deel is van het heden, uw persoonlijkheid deel is van het heden, dan ontstaat de binding met de kracht, die u bent in de werkelijkheid van Gods wereld of hoe u het noemt, en de wereld waarop u op dit moment bestaat.

En dat impliceert dat de kracht die u werkelijk bent door wat u nu manifesteert a.h.w. naar voren komt. Datgene wat u tot stand brengt, wordt in die wereld gebracht. Als u schuldbewustzijn hebt, brengt u iets in de wereld, maar dan loopt u dood. Denkt u dat u heilig bent, dan gaat u alle mensen heilig maken. Schijnheiligheid lukt misschien. Je zit ernaast, boem. Maar als je jezelf bent, dan gaat dat naar buiten toe naar die wereld en dan kan die wereld heel veel absorberen, maar het is een zich spreidend geheel. En dat wil zeggen dat u in het begin denkt: ik bereik niets. Iemand die b.v. begint met een alchemistische proef – ik heb het zelf gedaan – ontdekt het eigenaardige dat wanneer hij het geheel in de kruik had, dan moest dat een tijdlang warmte hebben. En pas daarna ontstond het eindeffect.

En zo is het ook in de wereld. Wanneer je vanuit je eigen werkelijkheid in de wereld werkzaam bent, dan moet je niet denken dat dat meteen voor elkaar is. Die wereld is een potje dat staat te koken en voordat de energie erin is opgenomen en gaat uitwerken, kan het een tijd duren. Maar zolang je de warmtetoevoer constant houdt, is het zeker dat er een verandering tot stand komt.

De mens die zichzelf tot evenwichtigheid weet te brengen, uit deze evenwichtigheid, zijn weten, zijn besef, zijn streven in de wereld kenbaar maakt, vindt daarmede een kracht waardoor hij in wezen de wereld verandert. Terwijl hij die de wereld verandert, alles in brand steekt, behalve de vlam die de ketel warm moet maken. D.w.z. dat zijn laboratorium afbrandt, terwijl zijn proef niet slaagt.

Ik geloof dat je daar een soort filosofie uit kunt putten. Mijn filosofie is altijd geweest: laat ik dwaas zijn met de dwazen, opdat ik mij kan verheugen over de wijsheid die ik buitendien soms bezit. Dat is geen verwaandheid. Ik heb gezegd: de anderen zijn waarschijnlijk ook wijzen, die dwazen spelen. Maar daar zij tegenover mij als dwazen optraden, behandel ik ze als zodanig. Zijn ze het niet, dan zullen ze mij dankbaar zijn dat ik meespeel. Zijn ze het wel, dan verdienen ze niet beter.

Ik zou u diezelfde houding in de wereld willen aanbevelen. Behandel de wereld zoals ze is, zoals ze handelt, zoals ze doet. Zoek er niet wat moois achter. Zijn het wijzen, dan zullen ze door hun wijsheid in staat zijn te begrijpen, waarom u ze zo benadert en willen ze het anders, dan veranderen ze het wel. En als het werkelijk dwazen zijn, waarom zou u ze dan anders behandelen dan ze zijn? Is er iemand die van de wereld de idee heeft dat hij vol met wijzen loopt, dan vraag je je af: als die wereld dwaas is dan moet je ze als zodanig beschouwen.

Ik waag het niet te zeggen: minister-president Den Uyl zou in mijn tijd een uitstekend hofnar geweest zijn. Hij zou alleen zijn figuur niet mee hebben. Wanneer ik dat zo zeg, dan is het alsof ik de man veroordeel. Dat doe ik helemaal niet. Ik zeg alleen: deze man bevindt zich op een plaats, waar hij niet harmonisch is en daardoor zal hetgeen hij probeert te doen, verkeerd uit moeten draaien. En op die manier kunt u naar uw buren kijken. Een hoge boom vangt toch wind, daarover kunt u praten.

De situatie, waarin een mens zich op aarde bevindt, is die van iemand die een spelletje blindeman speelt. Je moet aan de hand van gegevens zien wat je te pakken krijgt, wanneer je het te pakken krijgt. Doe dan niet of je kunt zien. Realiseer je dat alles afzonderlijk geconstateerd moet worden. Wanneer je dat namelijk doet, dan zit je weer bij de werkelijkheid.

De hertog had indertijd ook van die vreemde ideeën. Eenmaal hebben wij bijna zijn humeur verpest. Toen dacht hij dat hij de schoonste te pakken had. Het was de hofdame van zijn moeder. Als er ooit een serpent is geweest, dan was zij dat wel. Achteraf heb ik begrepen, dat het innerlijk niet altijd door het uiterlijk weerspiegeld wordt. Maar op grond van het uiterlijk had ik toen allerlei verwachtingen van haar die – laten we zeggen – zeer somber waren.

U zit hier in een wereld. U hebt met mij te maken. Weet u wat ik ben? Dat weet u niet. Er is iets verteld wat ik ben en zou zijn. Maar wat ik geweest ben, ben ik al lang niet meer. U weet niet wat ik ben, zelfs als u weet wat ik geweest ben. Maar u kunt het aanvoelen en het is het aanvoelen dat bepalend is voor de betekenis die ik heb. Niet dat wat ik pretendeer te zijn. En dat is nu altijd het geval.

U leeft in deze wereld. De dingen lijken iets, maar ze behoeven het niet te zijn. Maar je kunt aanvoelen wat ze zouden kunnen zijn. En als u dat aanvoelt en reageert op grond van wat u denkt dat ze zijn, dan ontstaat er iets vreemds. Namelijk de relatie tussen uzelf – uw werkelijke ikje – en de wereld met zijn beperktheid, waarin u leeft. Wanneer je aanvoelt en op grond van het aanvoelen een harmonie tot stand brengt, dan is die harmonie juist daardoor een kanaal geworden van krachten. Dat wil niet zeggen dat die harmonie beantwoordt aan alles wat u denkt.

Ik heb eens een ring laten maken door een vent, die ik uitermate sympathiek vond. Maar als goudsmid was hij een knoeier. Maar toch heb ik van die ring veel plezier gehad. Ik heb er later gunsten mee kunnen kopen, die ik misschien met een andere ring niet had kunnen kopen. Want degene die ik daarmee overhaalde, had nu eenmaal een slechte smaak.

Begrijpt u wat ik bedoel? Het gaat er dus niet om wat het is, het gaat erom wat de relatie is tussen u en dat andere. Dat is de kracht waaruit de zaak voortkomt. En heel veel dingen waarvan je denkt: dat valt mij tegen, zijn gelijktijdig het middel om toch iets te doen wat waarlijk bij je past; de kracht, die in je is, vrij te maken.

Ik had een hele lezing kunnen houden over alle verbindingen die er bestaan tussen astrologie, de kabbalistiek en de alchemie. Toen heb ik gezegd: daar begin ik niet aan. Want als je in symbooltaal gaat spreken, dan kom je tot een vervreemding van de werkelijkheid, waarin je denkt te leven. En die vervreemding is alleen aanvaardbaar wanneer ze intuïtief onderstreept wordt. M.a.w. wanneer je innerlijke wezen, de krachten die in jou zijn, een betekenis geven aan datgene, wat je in een systeem ontmoet.

Dat geldt voor de astrologie, maar dat geldt net zo goed voor de alchemie als voor die andere dingen. Het is je innerlijke weg die bepalend is. Datgene wat je bent, datgene wat je uit en datgene wat je tot uiting brengt. En wat je tot uiting brengt is op zichzelf weer de ketel waarin de versmelting van leven, feiten en krachten ontstaat. En waaruit het eindproduct komt dat zowel in de werkelijkheid als in de schijnwerkelijkheid van het leven zich dan verder laat verwerkelijken, en ook laat gebruiken.

De pogingen die ik doe om de eenvoudige waarheid te zeggen, komen er eigenlijk op neer dat een mens die krachtens zijn intuïtie reageert, dan met die intuïtie wel verstandelijk mag werken, maar dat hij niet zijn verstand mag laten prevaleren boven de intuïtie. Niet omdat hij daarmede misschien een menselijke werkelijkheid weet te benaderen, maar omdat hij daardoor een juistere harmonie schept tussen zichzelf en die menselijke werkelijkheid. Wanneer hij dan gelijktijdig zijn vervreemding, schuldgevoel, heiligheid buiten beschouwing laat, dan ontstaat een redelijke, feitelijke relatie tussen kosmisch zijn en ik-manifestatie in welke wereld dan ook.

Ik herinner mij nog dat ik pas was overgegaan. Een krankzinnige situatie. Eerlijk gezegd had ik een laboratorium met ontzettend veel vuur verwacht en veel amour. Het viel dus wel een beetje mee. Ik kwam echter tot de vreemde conclusie dat wat ik geleerd had t.a.v. die wereld – er zijn dwazen, behandel ze als dwazen, zijn het wijzen, behandel ze als wijzen, maar blijf jezelf – dat dat voor mij bepalend was voor al mijn contacten in de sferen. Er waren rare bij. Ik heb zelfs contact gehad met een paus. Niet lang, maar wel zeer intens. Daarna heb ik hem onder de dwazen gerangschikt, maar dat is waarschijnlijk mijn fout. Deze man geloofde niet in pauselijke onfeilbaarheid, maar hij gedroeg zich wel alsof het waar was. Daardoor ging alles de mist in.

Wanneer ik tracht u duidelijk te maken wat ik in de sferen heb meegemaakt, dan is het ook weer een kwestie van ik, vanuit mijzelf. Vanuit mijn werkelijkheid bepaal ik de contacten. Ik verander niet mijn uiting om datgene wat rond mij is, maar ik pas mij aan in mijn reactie op datgene wat rond mij is en blijf in mijn uiting zo reëel mogelijk. En tot mijn eigen grote verbazing heb ik het inderdaad redelijk ver gebracht. U moet niet denken dat ik zuiver lichtend omstraald ben. Ik heb nog wel mijn bezigheden onder de mensen een enkele keer. Daarnaast in een paar sferen, waar ik doceer. Maar doordat ik probeerde de harmonie met mijzelf altijd in stand te houden, ontstond er een harmonie met alles wat werkelijkheid is. En daar waar de werkelijkheid werkzaam is, verandert lood in goud. Daar wordt het dode levend. Daar wordt het niet kostbare kostbaar. Wanneer ik dat op aarde had geweten, was ik waarschijnlijk … ach ja, ik heb mijn tijd toch wel aangenaam besteed. Maar ik had ze beter kunnen besteden. Te veel illusies, te weinig werkelijkheid.

U zit in eenzelfde situatie als waarin ik verkeerd heb. Uw omgeving is natuurlijk anders. En bij u is het niet de laatste affaire van de hertog, maar bij u is het de laatste affaire tussen de minister-president en de één of andere sjeik. Maar in wezen verandert er niet veel. U kunt daar nu moeilijkheden over maken, denken hoe het zou moeten zijn. U zou kunnen zeggen: ik zou zó moeten zijn en ik zou dit moeten doen; maar blijf liever uzelf.

De mens, die zichzelf blijft, vindt uit zijn innerlijke werkelijkheid en zijn harmonie de kracht waardoor hij al wat als werkelijkheid in hem bestaat in die wereld vorm geeft. Zodat het met zijn werkelijke wezen harmonisch blijft. Terwijl het geheel van zijn ervaring, harmonisch zijnde, hem beter doet erkennen wat hij is. En dat is het belangrijkste punt, dat ik u kan voorleggen.

Er was bij ons eens een troep komedianten. En die komedianten speelden iets waar een koning bij te pas kwam. Ik heb nog nooit zo’n heerlijke parodistische koninklijke gestalte gezien als van die komediant. Als u komedie speelt, bent u veel koninklijker en veel vorstelijker dan in de werkelijkheid. Maar het betekent wel, dat u met een paar penningen fooi weggaat, terwijl de echte vorst (misschien met moord en doodslag) toch altijd op een troon zit.

Speel geen komedie omdat komedie op den duur vervelend is. Als je probeert iets te zijn wat je niet bent, kun je het nooit lang volhouden. Maar als je gewoon de kracht die in je is door je laat werken, dan heb je geen komedie nodig, want de wereld zal dan aan je wezen wel de illusies verbinden, die onvermijdelijk zijn.

Ken jezelf is een schitterend woord. In mijn tijd was het anders. Dan was het: zorg dat je vrienden je niet kennen. Maar de raad die ik u zou willen geven, is: Wees harmonisch met uzelf en laat de anderen denken dat ze u kennen. Dat is de beste oplossing.