Verschillende aspecten van de verdraagzaamheid

image_pdf

14 september 1956

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u, zoals gebruikelijk, erop wijzen, dat wij niet onfeilbaar of alwetend zijn. Wij vertrouwen erop, dat u zich de moeite zult getroosten wat door ons wordt gesproken na te gaan op zijn aanvaardbaarheid en juistheid.

Deze avond is de laatste avond, die wordt gegeven met het oude vertrouwde schema van werken. Na deze avond gaat het nieuwe programma, zoals dit in de vergadering werd medegedeeld, beginnen. Voor deze avond zou ik gaarne met u bespreken: Verschillende aspecten van de verdraagzaamheid.

Er wordt in de wereld door verschillende groepen zeer veel over verdraagzaamheid gesproken. Dit brengt met zich, dat het moeilijk wordt op onpartijdige wijze alle aspecten van de verdraagzaamheid te overzien en te begrijpen. Voor een ieder zal er uiteindelijk een ogenblik komen, dat verdraagzaamheid niet meer verantwoord toe te passen is. Onbewust weet een ieder dit. Stellen wij bv., dat alle rechters in Nederland verdraagzaam zouden zijn. Zij zouden dan anderen niet kunnen veroordelen. Dat zou voor de huidige maatschappij een grote ramp gaan betekenen. Een terugval tot de chaos. U zelf zou zo verdraagzaam kunnen zijn, dat u zich door een ieder laat plunderen enz. tot u onder gaat in uw eigen verdraagzaamheid.

Nu kan men tegenover deze punten natuurlijk gaan stellen, dat je indien je bereid bent alles te offeren je ook alles kunt bereiken. Als je dus werkelijk verdraagzaam wilt blijven zul je dit inderdaad kunnen doen ongeacht wat er als resultaat daarvan met jezelf gebeurt. Dit is echter niet helemaal aanvaardbaar. Ook bij ons zult u gemerkt hebben, dat de verdraagzaamheid maar tot een bepaald punt gaat. Wanneer wij te maken hebben met de meningen van anderen zullen wij altijd trachten die te begrijpen en te respecteren ook al zijn wij het er niet mee eens. Lukt ons dit niet, dan zullen wij al heel gauw ons excuus maken want dan weten wij, dat wij een fout hebben gemaakt. Maar wanneer iemand komt en ons zegt: “Ik wil de tendens van werken, die jullie kennen gaan veranderen”, dan accepteren wij dit niet. Dan staan wij vast als een rots. Men kan ons misschien vermorzelen, maar niet veranderen. Daar is dan dus van een lijdzaam verdraagzaam zijn zeker geen sprake meer.

Een vorige maal heeft men u het een en ander reeds belicht in een verhalende, naar voren gebrachte tegenstelling, tussen het geestelijke leven en het rumoerige circus “Europa”. Indien ik in die stijl zou willen spreken, zou ik het kunnen hebben over: “De kermis der menselijke gevoelens”. Ofschoon ik niet zover wil gaan, valt het ons toch wel op, dat het aspect van de openlijk zo aangeprezen verdraagzaamheid wel wat erg rumoerig is. De meeste mensen prediken verdraagzaamheid klaarblijkelijk erg graag, maar op een verkeerde manier. Men roept u toe: “Het is tijd om verdraagzaam te zijn! Het is noodzakelijk, dat u verdraagzaam bent! Wij bedoelen het immers goed? Dan moet u ons verdragen en aanvaarden!” Het enige antwoord, dat op dergelijke betogen kan worden gegeven, is: “Maar wij menen het toch ook goed? Waarom aanvaarden en verdragen jullie ons dan niet?” In deze opvattingen over “verdragen” schuilt voor ons het moeilijke punt. Wanneer is verdraagzaamheid hier op zijn plaats en wanneer is het verdragen niet meer een verdienste, maar een vlucht voor een probleem?

Een aardig voorbeeld van deze onverdraagzame verdraagzaamheid is op het ogenblik in uw eigen politieke leven te zien. Wanneer ik hier een dergelijk voorbeeld neem moet men niet denken, dat ik politiek wil bedrijven. Dat is verre van mij. Ik tracht slechts een voorbeeld te geven, dat u allen bekend is en waarvan de verdere ontwikkelingen u een zelfstandig oordeel over de juistheid van onze stellingen mogelijk maakt. Er is in Nederland een crisis rond het formeren van een kabinet. Wat is het eigenaardige hierbij? Partijen, die de laatste jaren altijd samen zijn gegaan, die steeds hebben verklaard, een groot respect voor elkaar te hebben en de overtuiging van de ander te kunnen verdragen, mits een redelijk bespreken en een redelijk compromis mogelijk blijft, weigeren nu met elkaar samen te werken. Wanneer men nagaat waarom, lijkt het wel, dat de oorzaak is, dat de één een zetel meer in de Kamer heeft dan de ander. De ene zijde zegt: “Wij hebben zetels gewonnen, wij hebben tot nu toe steeds de formateur, de minister-president geleverd, men moet nu toch toegeven, dat wij dan ook nu het recht hebben ons programma aanvaard te zien en het Kabinet te formeren. Jullie moeten dus – gezien onze overwinning – verdraagzaam zijn en een programma aanvaarden, zoals dat ons past”. De tegenpartij zegt – al gebeurt dat niet altijd even openlijk – : “Wij willen graag met jullie mee gaan. Heel graag zelfs. Wij hebben geen reden om verwijten aan jullie adres te uiten. Wanneer dat gebeurt, dan moet je ons daar maar niet voor verantwoordelijk stellen. Het is zo kwaad niet gemeend”.

Jullie zullen echter moeten kunnen aanvaarden en verdragen, dat wij een ander inzicht hebben dan jullie. Aanvaard dus onze inzichten en ons programma”. Hier zien wij dan een aardige illustratie van wat verdraagzaamheid voor de meeste mensen schijnbaar betekent. Zolang het in het eigen belang werd geacht, werd hier door twee groepen met een geheel tegengestelde interesse, een verdraagzame samenwerking mogelijk bevonden, maar in werkelijkheid was dit geen verdraagzaamheid, doch slechts een niet al te prettige uiting van zelfzucht.

Wanneer een dominee en een communist samen gaan werken, omdat de communist hierdoor een beter gehoor krijgt en de dominee een beter inkomen, terwijl de ideële gedachten door beiden zolang op de achtergrond worden geschoven, zal een ieder zeggen: “Dit hebben wij in de politiek ook gezien. Deze soort van verdraagzaamheid was helemaal niet aanvaardbaar. Het is een schandaal. Wie dat verdraagzaamheid blijft noemen, is dwaas”. Wanneer wij de economische gevolgen zien voor Nederland dan kunnen degenen, die op dit gebied onderlegd zijn met reden twijfelen aan het nut van een dergelijke “verdraagzaamheid”, een dergelijke samenwerking.

De vraag wordt: Was dit wel verantwoord? Is de verdraagzaamheid niet bij beide partijen verworden tot een verloochenen van eigen beginselen? Wat dan ontstaat, heeft niet de eigenschappen van de een of de ander, maar meestal de slechtere eigenschappen van beiden. Het resultaat is een leeuw, die voor de helft het lichaam van een ezel vertoont. De vraag is nu maar, waar zit de kop en waar zit de staart?

Deze tweeslachtigheid is fout, evenals de verdraagzaamheid, die hiertoe zou leiden. Is het redelijk aan te nemen, dat deze beide partijen wederom tot een overeenkomst komen? Politiek gezien: ja. Langzaam maar zeker begint de publieke opinie te veel pressie uit te oefenen. Het gescharrel heeft te lang geduurd. Één van de partijen tenminste zal de verantwoording op zich moeten nemen. Maar de oppositiepartij zal het moeilijk hebben, daar zij uiteindelijk voor een groot gedeelte van de problemen die optreden, nog zelf mee aansprakelijk kan worden gesteld. Zo zal het veel meer komen tot een samenwerking in een verkeerde geest van verdraagzaamheid. Wij kunnen ons nu af gaan vragen, in hoeverre kan de P.v.d.A. (socialistische politieke partij in Nederland – Red.) verdraagzaam zijn ten opzichte van punten als bezitsvorming? Dit punt is overigens als veel belangrijker op de voorgrond geschoven dan het werkelijk is. Maar goed… . Aannemende, dat zij zich geheel akkoord zou verklaren met de wensen van de tegenpartij, zou zij dan tegenover zichzelf verantwoord zijn? Eigenlijk niet, want zij is een socialistische partij. Zij beveelt dus als een van haar principes een bezitsspreiding aan door middel van staatsbezitsvorming, ofwel socialisatie. Gezien haar idealen en geheel haar programma moet haar streven voortdurend juist hierop gericht zijn. Elk toegeven aan een verlangen de particuliere bezitsvorming te bevorderen betekent een verloochenen van haar eigen beginselen en daarmee zichzelf als ideëel vehikel voor de mensen uitschakelen.

Wanneer wij naar de andere kant kijken, vinden wij daar als grondstelling de leer, dat men tevreden moet zijn met wat God geeft, dat men binnen Gods wetten moet streven en met wat God geeft zo goed mogelijk te handelen.

U hebt persoonlijk verantwoording voor bezit en het gebruik hiervan. Men moet zelf werken met de gaven, die God gegeven heeft. De kerk zal daarbij leiding geven in geestelijk opzicht, de partij zal aan de geestelijke inzichten gaarne stoffelijk verdere uiting geven. Zo staan dus de zaken. Indien de K.V.P. (Kristelijke Volkspartij – Red.) zou zeggen: “Dan maar staatsbezitsvorming, of socialisatie”, dan zou zij hiermee de grondstelling van de vrije wil en de door God gegeven taak verloochenen en dus als voertuig voor een bepaalde levenshouding onbelangrijk worden. Een verdraagzaam zijn zou hier – indien ver doorgevoerd – betekenen, dat geen van de beide partijen nog het eigen wezen bezit. Nu zal men mij dit misschien bestrijden door op te merken, dat je toch wel een goed katholiek en een socialist tegelijk kunt zijn. Dat is niet waar. Wel kan men een goed Christen zijn en tevens een socialist. Inderdaad. Doch de opvattingen van Rome over Jezus’ leer, evenals de opvattingen van een dogmatisch protestant, maken het nu eenmaal onmogelijk een goed socialist te zijn.

Anders is het met de Vrijzinnigen. God is volgens de Christenen de meester over deze wereld. Wanneer men zich (daar aan) vasthoudt zonder meer, heeft men dus niet het recht in het leven en de vrijheid van anderen in te grijpen.

Wanneer men de verschillende groepen en partijen of kerken ook zo tegenover elkaar ziet staan, doet het geheel een beetje kermisachtig aan. Het gaat maar steeds tegen elkaar op. “Hier is het mooier! Hier is het beter! Wij doen het verstandiger dan alle anderen !” Dan gaat de voorstelling van nummer één beginnen en nummer twee begint ook gelijk. Het is, alsof zij het hebben afgesproken. Het wordt een eigenaardige toestand. Laten wij ons nu eens voorstellen, dat wij in de plaats staan van een Kerk of een politieke partij als geest of als mens. Zouden wij tegen de anderen in de geest van de verdraagzaamheid ja kunnen zeggen? Zouden wij tot een compromis kunnen komen? Neen. Wij mogen niet verdraagzaam zijn als de grondslagen van ons geloof, ons leven of ons wezen worden aangetast.

Laten wij de zaak voor de duidelijkheid eens wat overdrijven en de zaak heel scherp stellen: U gelooft in de vrije rechten van de mens, zijn recht om zelf te sterven, te werken, te verdienen en te leven. Nu komt er hier morgen een absolutistisch regime, dat zegt: “Ieder moet gelijk zijn!” Is het dan nog verdraagzaam om dit te aanvaarden? Zeker, maar in een verkeerde zin. Werkelijke verdraagzaamheid zou hier betekenen het voeren van een onpersoonlijk verzet, een strijd, die niet tegen personen is gericht. Strijden tegen de beginselen, die de waarden van ons eigen wezen, ons eigen denken aantasten, kan soms ook verdraagzaamheid in zich dragen. Want wij strijden dan zonder haat, zonder onze tegenstander te verwerpen.

Begint u te begrijpen, waar het bv. hier in Nederland heeft gewrongen? Waar het elders zo vaak nog wringt? Aan de ene kant is men zoetelijk verdraagzaam in het openbaar, aan de andere kant haat men elkaar bitter achter de schermen. Die haat was misschien niet zo heel persoonlijk hier in Nederland. Ook elders kan dat zo zijn. Wij weten allen, dat, wanneer de verkiezingsstrijd is afgelopen de leiders van bv. de P.v.d.A en K.V.P. rustig en vriendschappelijk aan een tafel zitten te dineren. Maar daarachter schuilt de haat, geboren uit de drang zichzelf in het politieke spel te handhaven. Dit heeft geleid tot onverdraagzaamheid. Denk maar eens aan de overal voorkomende verkiezingsincidenten, aan de niet gerechtvaardigde verwijten en verdachtmakingen van alle kanten in de dagbladen. Denk aan de hier in Nederland zelfs niet altijd geheel van verdekte  persoonlijke aanvallen, vrije redevoeringen, enz… .

Natuurlijk, het werd alles goed gecamoufleerd, maar een goed verstaander… . Kort en goed, al geeft men dit niet toe, het is zo. De haat, die hieraan ten grondslag ligt, is de eigenlijke fout. Indien men hier niet met deze persoonlijke elementen zou worstelen, dan zou de P.v.d.A. niet zeggen: “Het gaat ons eigenlijk hier in de eerste plaats om onze lijstaanvoerder Drees of om de persoonlijke overwinning van enkelen van de onzen”. Op het ogenblik gaat het daar wel om. Men wenst o.a. als minister-president de man te zien, die in het verleden zoveel als lijstaanvoerder voor de partij betekend heeft. Dan zou men zeggen, eerlijk en rechtuit: “Het gaat hier om beginselen, dus wij willen en kunnen hier niet meer met anderen gaan accorderen”. Omgekeerd zou men ook niet zo zeer strijden voor een overwinning van persoonlijkheden. Men zou dan ook kunnen zeggen: “Wij willen alles aanvaarden, wat ons streven, onze levensbeschouwing niet aantast, wat uiteindelijk niet leidt tot een onrecht volgens onze levensbeschouwing in de wereld”.

In het recht geldt hetzelfde. Wanneer er een wet is, moeten wij kunnen straffen volgens die wet. Als een wet niet aanvaardbaar is, dan is het niet voldoende haar niet toe te passen of laks toe te passen. Dan moet zij worden verwijderd uit het Wetboek. Wanneer er bv. staat: “de straf voor dit misdrijf loopt van 3 weken als minimum straf tot een maximum van 3 jaren”, dan zal een rechter, overtuigd van de strafbaarheid van het feit als zodanig, geheel onafhankelijk van persoonlijk inzicht en persoonlijke gevoelens zich af dienen te vragen: “In hoeverre is deze mens gevaarlijk voor de maatschappij?” Is hij dit niet, geef een minimum straf. Is hij dit wel, 3 jaren, het maximum. De rechter mag echter geen persoonlijke haatgevoelens hebben tegen degene, die het misdrijf heeft volvoerd, noch tegen het misdrijf persoonlijk bevooroordeeld zijn.

Daar mankeert het overigens nog wel eens aan. Wij zien ook soms een officier van justitie een aanval op een beklaagde plegen alsof hij alleen weet wat recht is en elk mens, die tegen zijn persoonlijke opvattingen daarvan heeft gezondigd, zijn persoonlijke vijand is. Deze mens heeft gelijk wanneer hij tracht het recht te handhaven. Ongelijk heeft hij zodra hij de pleger van het misdrijf als zijn tegenstander, ja, zelfs als vijand beschouwt.

Wij kunnen alles nu wel heel mooi gaan zeggen. Wij kunnen u bv. gaan zeggen: “U moet altijd, ook in het dagelijks leven, voortdurend verdraagzaam zijn”. Het is uiteindelijk zo eenvoudig om steeds maar weer te zeggen: “Vrienden, zonder verdraagzaamheid gaat de wereld kapot, ten onder”. Maar heeft dat zo zonder meer wel zin? Is verdraagzaamheid dan zo noodzakelijk, dat je jezelf daarvoor prijs moet geven? Neen! Moet je je principes dan offeren? Neen! Is het misschien een prijsgeven van je leven, van de dingen, die deel uitmaken van je persoonlijkheid? Neen! Het is een aanvaarden van je tegenstander zonder enig persoonlijk haten, zonder een verzet tegen een bepaalde persoon. Ware verdraagzaamheid wil zeggen: “Staan waar je staat volgens je bewustzijn en je recht, jezelf en je recht verdedigend zonder ooit een ander aan te vallen”.

Gerechtvaardigde verdediging zonder aanval. Dat is eigenlijk de positieve vorm van verdraagzaamheid. Het is wel eens nodig, dat wij, evenals een veldheer vroeger neerschreef, dat de aanval de beste verdediging is. Maar dan mag die aanval, ofschoon zij in zichzelf gerechtvaardigd is, niet ten allen koste worden doorgevoerd tot de glorieuze overwinning, want daarom gaat het niet. Verdraagzaamheid wil eigenlijk zeggen: in staat zijn het standpunt van een ander zien, ook al ben je het er niet mee eens. Maar als je ziet op welke wijze op aarde sommigen de verdraagzaamheid willen interpreteren, dan wordt je ziek als een kermisbezoeker in een luchtschommel, die al zwaaiende te lang in de hoogte blijft staan.

Wanneer je de ‘filosofische’ gedachten hoort, die over de verdraagzaamheid de ronde soms doen, dan wordt je zó duizelig, wordt je zo groen en geel van ellende als een mens in een defecte zweefmolen die steeds maar zonder ophouden blijft doordraaien. Ondanks alle woorden over verdraagzaamheid is de toestand bij deze denkers ongeveer als bij het publiek van een vlooientheater wanneer de artiesten in staking zijn gegaan en een heenkomen hebben gezocht onder het publiek. Met dit verschil, dat deze denkers altijd bij voorkeur proberen andermans jeuk te krabben. Als je dit alles moet aanzien en aanneemt, dat dit alles zo gemeend wordt, als het wordt voorgesteld, word je er door verward. Ontdek je de werkelijke achtergronden, dan gaat het bij je van binnen gisten en ben ook jij je verdraagzaamheid kwijt. Daarom is het wel degelijk nodig, dat je ten opzichte van het verdraagzaam zijn weet waar je moet beginnen en ook waar je moet ophouden.

Voor alles moet men wel degelijk in staat zijn zichzelf te zeggen: “Hier houdt alle verdraagzaam zijn op, en treedt daarvoor in de plaats een zelfontkenning, die uiteindelijk tot zelfvernietiging voert”. Jammer genoeg weten degenen, die dit begrip, ook de laatste tijd dit woord zo ijverig hebben gebruikt dit schijnbaar niet. Het klinkt u misschien vreemd wanneer ik u zeg, dat ik vóór alles respect heb voor de koppigaards, die op hun standpunt durven blijven staan.

Ik kan bv. – de figuur zelf verder buiten beschouwing latende – voelen voor een Nasser, die nu eenmaal Egyptes recht heeft vastgesteld op heel het Suezkanaal en daar nu ook geen ogenblik van afwijkt. Hij wil geen stap opzij doen. Indien hijzelf meent, dat dit alles rechtvaardig is – een punt waar ik niet zeker van ben – dan mag hij niet handelen en marchanderen. Dan mag hij ook niet toegeven. Zou hij toch verdraagzaam zijn, dan zou hij zeker moeten trachten zijn beslissing voor anderen aannemelijk te maken en elke hardheid van deze maatregel voor hen weg moeten nemen. Dit zou men op alle politiek toe kunnen passen. Niet zijn recht opgeven, maar het recht van anderen respecteren en hen de aanvaarding van dat recht mogelijk maken door de consequenties ervan zo aangenaam mogelijk te maken. Onverdraagzaamheid is nooit aanvaardbaar.

Ik denk aan een dominee, die kort geleden uitbarstte in verwijten aan de mensen, die in kroegen, op sportvelden en theaters de zondagochtenden doorbrengen, terwijl toch heel de zondag aan God gewijd moet zijn.  Ik zou willen zeggen: “Ik kan akkoord gaan met veel van wat u daar zegt, maar u zou het anders moeten zeggen. Het is niet erg verdraagzaam. U had moeten zeggen: “een waar gelovige gaat op zondag naar de kerk en niet ergens anders heen. Hij wijdt zijn dag aan God. Indien hij aan zijn plichten tegenover God voldaan heeft en niet eerder, zal hij een ontspanning zoeken en kunnen vinden”. Indien dit betrekking heeft op degenen, die uw gezag aanvaarden, is het geheel als lering wel acceptabel, maar het is dit zeker niet mee wanneer dit een aanval wordt op zeden en gebruiken ook van niet-gelovigen. Dan wordt het op de manier, waarop u het zegt een aanval op personen, i.p.v. op gebruiken, een poging alle mensen te dwingen te denken zoals u, in plaats van een vaststellen van wat u zelf gelooft.”

Maar de dominee ziet het anders. Zijn aanval is steeds weer gericht op heel de wereld, niet op die paar gelovigen van hem. Wanneer elders iemand de brutaliteit heeft van de kansel te spreken over – ook dit is in Nederland gebeurd – “deze zondige wereld, die de ondergang over zich afroept, die de toorn des Heren op zich doet neerdalen. Deze wereld, die de dag des Heren ontheiligt door te reizen, te fietsen, te vissen. De verdoemenis is deel van de meisjes die op zondag langs kaden en dijken tegen de jongens glimlachen in plaats zich thuis te verdiepen in Gods woord en na te denken over het wonderdadige van des Heren wil… .” Of – even authentiek – “De vrouwen dezer wereld, die als ontuchtige schaamtelozen, hun ontklede ledematen aan de wereld tonen, zijn werktuigen des duivels…”

Ach, dan zou ik als een psychiater naar die ijveraars toe willen gaan en vragen: “Meneer, wat mankeert u eigenlijk? Wat hebt u nu eigenlijk tegen de wereld, tegen de Schepping? Waarom bevalt u dit alles niet? U hoeft deze dingen toch niet te doen of te gaan aanschouwen? Is het niet in overeenstemming met wat uw gemeente doet? Ja, maar al geeft u nu leiding aan uw gemeente, daarom kunt u dit nog niet aan heel de wereld doen. Wanneer u die gemeente uw standpunt duidelijk maakt, hebt u groot gelijk. Maar wat geeft u eigenlijk het recht de wereld aan te vallen?”

Tegen al die mensen, politiek of geestelijk, zou ik willen zeggen: “Vergeten jullie niet iets? Vergeten jullie niet, dat het beginsel, dat Jezus heeft gepredikt, het beginsel, dat ligt achter elke ware democratie, dat de grondslag is van alle ware naastenliefde, niet ligt in de richting van de wereldoverheersing, tot dat die wereld handelt zoals wij dit goed achten?” Wij mogen wel degelijk ons eigen leven leven, onze eigen idealen nastreven. Maar wij mogen dit zeker niet doen door voor anderen hun wijze van leven onmogelijk te maken. U vergeet, naar ik meen, dat er een groot verschil is tussen de naastenliefde en verdraagzaamheid, die ú predikt, u baserende op het verwerpen van de wereld of een deel daarvan en de ware naastenliefde en verdraagzaamheid, die een aanvaarding van de wereld inhouden.

Dan hebben wij ook nog de mensen, die verdraagzaam zijn juist omdat zij de wereld verwerpen. Die zeggen:” er is aan de wereld toch geen eer te behalen, laten wij maar botje bij botje doen”. Dat is ook geen methode, ook voor u hier niet. Laat ik het eens even in het meer persoonlijke overbrengen: u hebt misschien geen inwoning of u woont niet in. Ik heb echter horen vertellen, dat er mensen zijn, die zo gelukkig leven. Maar stel nu eens, dat u wel inwoont of inwoning hebt. Dan kun je niet eenvoudig alles maar laten gaan. Dat is niet mogelijk. Neem aan, dat u hoofdbewoner of eigenaar van een huis bent. U hebt in dat huis uw eigen gebruiken en leefwijzen. Nu trekken er andere mensen bij u in. Hebt u nu het recht die andere aan te passen aan wat ú normaal vindt en bv. te zeggen: “om zo laat bezoek en later niet.” Tenzij hier de goede zeden en dus de roep van uw huis, of uw eigen moraal ermee worden aangetast, hebt u daarmee niets te maken. Hebt u het recht te bepalen hoe laat uw huurders op moeten staan? Om de drommel niet. U kunt al evenmin gaan bepalen, dat zij op zondag bv. geen jazzmuziek mogen spelen. Wel kunt u van hen eisen, dat zij dit alles zo doen, dat het u niet stoort. Omgekeerd heb je, wanneer je ergens inwoont de rechten van de eigenaar of hoofdbewoner te respecteren. Of men dit nu aangenaam vindt of niet, deze heeft de oudste en grootste rechten. De inwonende moet zich dus altijd enigszins als gast in huis beschouwen.

De ware verdraagzaamheid vraagt van u, dat u de minder prettige eigenschappen van een hoofdbewoner tolereert en dus niet alles kwalijk gaat nemen wat eigenlijk niet helemaal in uw straatje past. Omgekeerd geldt natuurlijk weer hetzelfde. Mensen passen nu eenmaal niet altijd mooi bij elkaar. Maar zolang je in staat bent de ander zijn eigen leven te laten leven en je er niet mee te bemoeien, doe je in de zin van verdraagzaamheid al heel veel. Indien het verdraagzaam zijn bij u nog verder gaat, dan zult u trachten en leren te begrijpen, waarom een ander tracht uw rechten aan te tasten. Men moet consequent durven zijn.

Laten wij daarvoor nu eens een voorbeeld nemen uit de onwerkelijke wereld van de film. De bekende driehoeksverhouding bereikt een hoogtepunt. De bedrogene stormt binnen met een pistool en schiet de ander neer. Laten wij dit nu eens gaan beschouwen vanuit het standpunt van de verdraagzaamheid. Wat het ermee te maken heeft? Meer dan u denkt. Nemen wij aan, dat degene, die aangevallen wordt de schuldige is en dit ook weet. Dan is hij de beledigde wel degelijk een voldoening schuldig. Hij kan zich echter niet zo maar laten vernietigen. Logisch is het dus wanneer hij tracht zich te verdedigen. Hij zou dit echter moeten doen zonder de ander meer dan noodzakelijk tot slachtoffer van zijn verdediging te maken. De aanvaller verdedigt wel zijn rechten, maar benadert de zaak toch wel heel verkeerd. Hij zou moeten stellen: “Goed. Men heeft een andere keuze schijnbaar gemaakt. Dit is voor mij pijnlijk. Laat de zondaar en de andere gaan en ik verwijder ze uit mijn leven.” Hard? Misschien. Maar verdraagzaam en logischer dan de andere oplossing. Logischer dan het zo vaak voorkomende drama van de geweigerde scheiding.

Men mag verdraagzaamheid niet zien als iets zachtzinnig, als een maar hobbezakkerig meesjouwen met iedereen. Het is geen je dood laten slaan zonder terug te slaan tot het bittere einde. Een slag, een tweede slag kunt u zonder verweer nog incasseren, maar zodra men uw eigen wezen bedreigt, heeft men wel degelijk het recht maatregelen te treffen, opdat dit eindigt. Verdraagzaam zijn wil zeggen: zo nodig ook hard tegenover jezelf en het zo nodig tegenover anderen kunnen zijn.

Een vervelend onderwerp, hè? O, ik kan mij dat best voorstellen. Uiteindelijk, wat is er vervelender dan voor jezelf te ontdekken, dat je streven naar verdraagzaamheid zo vaak faalt. Maar zo is het voor ons ook. Dat wij falen is zeker. Maar ons streven om onszelf te blijven en desondanks anderen vrij te laten in hun handelen, hen te laten zoeken naar hun eigen levensoplossing, zolang zij ons leven en bewustzijn niet bedreigen, is toch iets dat wij allen zullen moeten leren, of wij willen of niet. Op dit onderwerp zou men door moeten hameren tot in het oneindige. Ik wil dit niet doen.

Ik sprak zo even over de kermis van de menselijke gevoelens. Dit is een deel ervan. Tegenzin! Verveling! Wanneer van het goede teveel wordt gebracht, dan krijgt men zelfs van het goede een afkeer. Wat je hebt waardeer je niet. Mensen, die een auto hebben gekocht met een speciale vering, omdat het schokken zo hinderlijk is, laten zich met genoegen op een kermis dooreen schudden en betalen daarvoor dan nog graag hun goede geld. Mensen, die niet kaarten, omdat dit gokken is, doen mee aan loterijen en zullen op de kermis bv. zich te buiten gaan aan kansspelen. “Ach, dit is maar één keer per jaar”. Werkelijk een kermis ook van menselijke gevoelens en reacties. Menigeen leeft een heel leven goed en rein en verkiest dan opeens, soms zelfs onverschillig of de afloop ook fataal kan zijn, tot uiterst schokkende dingen.

Men scheldt op het verkeer, maar laat zich graag door wagentjes op een hoge stellage 2, 3 hartverlammingen bezorgen à 50, 75 cent per keer. Men vecht in het dagelijkse leven om elke cent, maar laat zich bij uitzondering met waar genoegen afzetten, bedriegen, enz. vanwege de afwisseling.

Zo gaat het ook met de onderwerpen. Wanneer u werkelijk streeft naar verdraagzaamheid, is elk ander onderwerp dan juist verdraagzaamheid voor u interessant. Overigens is het onderwerp ook niet sensationeel genoeg. Wanneer ik u ga vertellen over vliegende schotels, die over enige jaren op aarde zouden landen, vindt u dat veel mooier. Daardoor wordt u geboeid. Wanneer ik alleen maar zeg, dat je in het leven de kunst moet verstaan een ander vrijheid te geven, een ander te begrijpen en toch jezelf te blijven, dan wordt het vervelend. Wanneer u wordt verteld, dat er een oorlog dreigt, dan is dat vervelend. Dat hebt u uiteindelijk al zo vaak gehoord en er zal toch wel niets van komen. Maar wanneer die oorlog dan werkelijk komt, is het natuurlijk verschrikkelijk. Wanneer je hoort, dat er in de politiek teveel geknoeid wordt en men eigenlijk geheel niet weet, waar men aan toe is, dan hindert u dat niet zo veel. U ergert zich er misschien een paar keer over. Maar dan? Je hebt het al zo vaak gehoord. Het wordt vervelend.

Wanneer er ongelukken komen in die politiek, dan is het wat anders. Dan wordt het opeens verschrikkelijk. Wanneer je over verdraagzaamheid spreekt, is het vervelend. Maar wanneer u zelf en de wereld dreigen onder te gaan door het gebrek aan verdraagzaamheid, is dat natuurlijk ook verschrikkelijk. Wat meer aandacht voor de vervelende onderwerpen van het leven, zou in veel gevallen het verschrikkelijke grotendeels kunnen voorkomen. Maar als je naar een avond als deze gaat, dan verwacht je toch wat anders. Dan verwacht je interessante onderwerpen. U misschien niet? Gelukkig dan maar. Interessante onderwerpen zult u overigens in de toekomst voldoende krijgen. Maar laten wij door het interessante nu toch niet het werkelijk belangrijke gaan vergeten. Wanneer wij ons zonder verdraagzaamheid bezig gaan houden met alle geheimen van de kosmos, met alle esoterische waarden, wanneer wij alle magische geheimen en diagrammen zouden openbaren en u leren, wat er nodig is om deze te gebruiken, dan zou het misschien interessant zijn. Maar zonder naastenliefde en verdraagzaamheid zouden deze dingen u hoogstens naar uw verderf voeren. Verdraagzaamheid is dus wel heel belangrijk.

Niet omdat je daar nu eens heerlijk groot mee kunt doen, mee kunt pronken, of iets nieuws mee kunt ontdekken. Daarvoor is zij te nuchter en te simpel. Zij is eigenlijk, wanneer je het goed bekijkt, in veler ogen een beetje laag bij de grond. Je hoort er immers zoveel van. Vandaag zingen zij er u een liedje over en morgen spreekt er een staatsman over, de dag daarop zal het van de kansel worden besproken en nu staat er hier waarachtig ook nog eens één over te praten. Ja, iets bijzonders is dit niet. Maar die vervelende verdraagzaamheid is in zijn zuivere vorm noodzakelijk voor stoffelijk geluk en geestelijke bewustwording. Of die vliegende schotels nu komen of niet is niet zo erg belangrijk. Dat merk je uiteindelijk nog wel wanneer het zover is. Wat er in de Oudheid heeft bestaan, kan interessant zijn, kan een lering voor ons betekenen. Maar wanneer het er op aankomt, zijn al deze dingen alleen maar belangrijk, in zover zij op dit ogenblik in ons leven iets kunnen betekenen. Of u demonen kunt bezweren, is eigenlijk onbelangrijk. Het kan uw ondergang betekenen of u enkele voordelen bezorgen.

Maar wat wordt u er uiteindelijk wijzer of beter van? Ook in de verdraagzaamheid gaat het niet om de mooie theorieën, de aardige woorden en de mooie voorbeelden. Wie dat denkt, denkt wel heel erg verkeerd. Het gaat in de eerste plaats om de nuchtere, grauwe praktijk. De grauwe werkelijkheid, die gelijk is aan de heilgymnastiek, die sommige mensen nodig hebben om de fouten in hun lichaam te verbeteren. Soms is zo’n oefening pijnlijk en vervelend tot het bittere einde toe, maar nodig.

Verdraagzaamheid is gelijk aan de training van een yogi, die naar een hogere bewustwording zoekt en daarvoor zichzelf jaren lang moet bedwingen in ademhaling, lichaamshouding en meditatieoefeningen. Het klinkt alles zo mooi, wanneer je dat van een afstand beziet. De theorie is aardig, maar als je het moet doen, jaar in, jaar uit; wanneer je elke kleine spiertrekking voortdurend moet kunnen beheersen, wanneer elke ademhaling afgepast en precies juist moet zijn, wanneer je je gedachten voortdurend moet beletten af te dwalen, dan wordt ook dat suf, saai en doods. Toch moet je daar doorheen, indien je iets bereiken wilt.

Verdraagzaamheid heeft praktijk nodig. Deze is voor ons het belangrijkste, dat wij ons kunnen denken. Het moeilijkste van deze praktijk en de vervelendste factor ervan is steeds maar weer anderen hun eigen weg te laten gaan, terwijl jij je eigen weg gaat. Maar verdraagzaamheid heeft ook een praktische waarde. Dat leert u de kleine dingen van u af te zetten en slechts acht te slaan op het gebeuren, waar het uw eigen leven en uw eigen geestelijke ontwikkeling betreft. Verdraagzaamheid, die wordt beoefend, betekent uiteindelijk, dat u alleen nog daar ingrijpt, waar het u mogelijk is en alle andere rumoer eenvoudig langs u weg laat gaan.

Het betekent een steeds groter begrip, niet alleen voor de paden van eigen geest, maar ook voor degenen, die u helpen wilt. Je verkrijgt een steeds groter besef van eenheid met het Zijnde, dat zelfs je vijanden niet uitsluit. Denk nu niet, dat dit laatste onpraktisch, of onmogelijk, is. Ook Jezus leert ons: “Heb uw vijanden lief!” Liefhebben betekent aanvaarden, begrijpen en in je opnemen. Dus ook verdraagzaam zijn tegenover vijanden, ook hen helpen, wanneer en waar dit mogelijk is. Je mag ze alleen niet helpen jezelf te vernietigen. Ook dient men te allen tijde voor het recht te vechten op een verdraagzame manier. Hoe dat kan? Door een ieder, slachtoffer van eigen fouten, of van het misdrijf van anderen steeds weer te helpen een toestand te vinden, waarin menselijkheid en recht beide ook weer voor dezen aanvaardbaar worden.

Ware verdraagzaamheid betekent bovendien een eerlijkheid tegenover anderen, dus niet mopperen wanneer de groenteboer vijf centen teveel heeft gerekend, maar ook niet de centen in je zak steken, die de melkboer toevallig te weinig afhield. Zelf moet je weten een ieder te geven, wat hem toekomt, terwijl je moet trachten te begrijpen waarom, wanneer een ander u tekort tracht te doen. Is ingrijpen daarbij noodzakelijk, dan moet men steeds trachten na overleg de enige weg te kiezen, die voor alle partijen evenzeer redelijk, juist en aanvaardbaar is. Voor u zelf moet u dit alles voortdurend weten te handhaven, zonder van anderen te vergen, dat zij evengoed of beter zijn dan u.

Wat een onderwerp eigenlijk, hè? En toch is het zo. Het komt eigenlijk vaak voor, dat je de mensen een beetje moet vervelen, want wanneer je ze de waarheid vertelt, vinden zij dit niet leuk. Wanneer ik zou gaan zeggen, dat wat men op aarde idealisme noemt, voor een groot gedeelte niets anders dan boerenbedrog is, dan zou men hier verontwaardigd zijn. Ik zou in veel gevallen gelijk hebben en u zou het interessant vinden. Boos zou u slechts worden, wanneer u dit ook op u zelf van toepassing denkt te zijn. Toch is het niet zo, dat het altijd een bewust bedrog is. Maar laten wij nu eens een werkelijk gedegen instantie nemen. Het “Rode Kruis” bv.

U offert. U geeft misschien veel. Maar laten wij het nu eens simpel stellen. Hoeveel blijft er daarvan nu, zonder dat men dit misschien bedoelt, aan de strijkstok hangen? Hoeveel gaat er verloren en wordt besteed voor dingen, waarvoor u zeker niet hebt gegeven? Bij een collecte of inzameling kunnen wij zeggen, dat 30 tot 60% verloren gaat aan bijkomende kosten. U geeft daar niet voor, maar u betaalt dit uiteindelijk wel. Daarover kunt u zich gaan opwinden; u kunt mij verwijten, dat ik dit hier zeg. Of u kunt gaan zeggen: dit is fout. Maar het opwinden helpt u weinig. Als een verdraagzaam mens kun je toch ook niet gaan zeggen: er gaat te veel verloren dus ik geef niets meer, ik doe er nu niet meer aan mee. Integendeel, men zal dan zeggen, dit verlies is wel niet prettig, maar verklaarbaar. Zelfs indien slechts – verondersteld – 40% van wat ik geef wordt besteed voor het doel, dat ik wens te steunen, zal ik nog geven. Want ik heb pas het recht hier te oordelen en te veroordelen, wanneer ik het zelf beter kan doen. Laat ik overigens uitdrukkelijk even opmerken, dat het helemaal niet in mijn bedoeling ligt het ‘Rode Kruis’ zwart te maken. Ik heb het juist als voorbeeld genomen, omdat het een van de instellingen is, waarbij in verhouding het minst verdwijnt. Verder ben ik ervan overtuigd, dat deze verliezen zonder opzet ontstaan. Bij de meeste andere instellingen gaat het waarschijnlijk ook wel meestal onopzettelijk.

Ik zal hier niet verder op ingaan, dat heeft weinig nut. Maar ik wilde maar even erop wijzen, hoeveel er in de wereld eigenlijk niet goed is, hoeveel van het beste er vaak nog in puin gaat. Zelfs de beste en de heiligste dingen zitten vol fouten.

Hierdoor is het zo begrijpelijk, dat een mens zo nu en dan in opstand komt. Maar dat mag juist niet. Zelfs indien je meent, dat je het beter kunt en je zegt tegen de anderen: doe het nu zo, of helemaal niet, dan mag dat niet. Juist dit maakt dit tot een moeilijk onderwerp, want het is haast niet doenlijk al deze dingen acceptabel, aannemelijk te maken. Weest u gerust. Ik zal heus niet langer meer over deze dingen blijven doorzagen. Ik wil alleen nog even vaststellen, dat wij de verdraagzaamheid hard nodig hebben. Heel hard zelfs. Want alleen door altijd weer verdraagzaam te blijven, kunnen wij tot een werkelijke verbetering van de wereld komen. Verder heeft het verdragen van alle dingen, terwijl wij alleen verdedigen wat voor ons van groot nut en belang is, een steeds grotere bewustwording en beheersing ten gevolge. Gelijktijdig betekent dit voor de wereld een verbetering door ons optreden, dat de harmonie daar vergroot.

Verdraagzaamheid is zeker geen lege leuze. Ook is het niet iets, waar je gezellig filosofisch een beetje over kunt gaan vechten. Dit verdraagt geen lege leuzen, of een verwerpen door een zeggen: “Het is wel aardig, maar hoe ver gaat dat nu eigenlijk? Als je mij dat niet eerst vertelt, kunnen wij er beter alleen maar over praten”.

Ik heb vanavond van de gelegenheid gebruik gemaakt om bepaalde aspecten van deze verdraagzaamheid naar voren te brengen. Ik hoop althans, dat ik daarin geslaagd ben.

image_pdf