Verschillende beschouwingen

2 februari 1958

Nu wens ik uw aandacht vestigen op enkele punten, die schijnbaar nogal wat verwijderd zijn van de feitelijke wijdingsgedachte.

Wanneer wij leven, onverschillig waar, dan kan er een afmeting worden vastgesteld, die wij tijd noemen Deze afmeting is evenzeer meetbaar als alle andere normale dimensies. Alleen met dit verschil; de mens is niet in staat meer van die tijd te meten dan zijn ogenblikkelijk bewustzijn toelaat. Dit houdt in, dat voor de mens het principe van de tijd eigenlijk ten dele doof en blind wordt. Je ziet er maar één enkel punt van, je hebt enkele flauwe herinneringen omtrent punten, die voorbij zijn gegaan, maar je weet niet waar de werkelijke inhoud van de tijd schuilt. Het is juist aan deze inhoud van de tijd, dat ik vanmorgen vooral mijn aandacht wil besteden. De oplossing op zichzelf zal U duidelijk worden, wanneer ik nog een klein voorbeeld geef.

U hebt hier een tafel van bepaalde afmetingen. Hoogte, diepte, inhoud, enz. Deze tafel heeft een zekere levensduur als tafel, en wel vanaf het ogenblik dat de vervaardiging klaar was, tot het ogenblik dat zij door omstandigheden dan wel ouderdom uiteen zal vallen. Dit is het bestaan; tafel. Maar ik kan natuurlijk veel verdergaan. Want ik vind voor het bestaan tafel aan de ene kant het hout, aan de andere kant echter ook de bekwaamheid der verwerking, dus de kracht der mensen, de ontwikkeling der machines en wat dies meer zij. Ga ik verder in de toekomst, dan zie ik, dat de tafel weer vervalt en zijn vorm teniet gaat; maar de materie, waaruit het bestaat, zij het in andere en lossere vorm, blijft voortbestaan.

Dit geldt precies zo voor al hetgeen de geest zich als voertuig opbouwt. Er mag dus worden gesteld, dat de mens, zoals hij op aarde bestaat, een product is van de grondstof, waarbij het bewustzijn (de geest) de permanente factor is, zoals de kracht die de grondslag is voor alle materie in die tafel,, terwijl daarnaast optreedt het vormend principe. Dan zijn de kleine delen der materie plus de levenskracht en de omstandigheden te zien als de verwerkingsfactor (dus machines, arbeidskracht e.d.). Hieruit volgt, dat elke bevoertuiging voor de geest een omvorming is van eigen wezen door een verrijking van eigen wezen met niet in het eigen wezen bestaande factoren.

Ik hoop, dat U dit een ogenblik in herinnering wilt houden, want wat er ook gebeurt, hoe lang de wereld ook bestaat, deze tafel zal blijven bestaan, niet als tafel maar als materie en kracht; en als zodanig is ze onvernietigbaar. Wanneer de wereld eventueel teniet zou gaan, dan blijft die kracht nog bestaan, maar zal zich vermengen met andere krachten.

Gezien het feit, dat het hier om een uiterlijke vormgeving gaat, kunnen we niet aannemen, dat het wezen en bewustzijn “tafel” in die delen behouden blijft. Maar stel nu, dat om een tafel tot stand te brengen een instabiliteit van de kleinste delen noodzakelijk is. Dan betekent dit, dat die instabiliteit zal blijven voortbestaan, ook wanneer de hele wereld vernietigd wordt. Het betekent, dat die instabiliteit het eigen karakter van deze tafel zal uitdrukken in elke verhouding, ruimte of materie, waarin deze deeltjes voortbestaan. Het zou ook impliceren, dat – aangenomen een gesloten, actief geheel – dit geheel aan de hand van elk kleinste deel weer zou kunnen worden opgebouwd.

Dit principe ligt ten grondslag aan wat bv. de christenen stellen als de herrijzenis der doden, waaraan zij geloven. Het is ook gelijk aan de volmaakte herschepping, waaraan vele Hindoe’s geloven. Het is in feite de toestand, die volgt na het Nirwana, het niet zijnde, in de boeddhistische geloofsovertuiging. Ik heb dus met dit voorbeeld getracht U iets duidelijk te maken, wat wij terugvinden in elke sfeer, waar enig geestelijk streven of bewustzijn aanwezig is. Elk geloof, elke toestand, die het bovennatuurlijke binnen het “ik” tracht te verwerkelijken, is gebaseerd op de eliminatie van de factor tijd uit het bestaan. Een zeer belangrijk punt, Wanneer wij zeggen, dat wij streven naar het licht, wanneer wij zeggen, dat wij zoeken naar de volledige bewustwording, doen wij in feite niets anders dan streven naar een evenwicht in het tijdloze.

Ik heb voor U in die paar voorgaande zinnen heel wat oude wijsheid gecomprimeerd. Ze is daarom toch de overweging ook zeker waard, want de conclusies, die wij hieruit gaan trekken, zijn conclusies, die op aarde reeds bestaan en zijn vastgelegd in oude werken.

De mens, die zichzelf beschouwt als een begrensd en persoonlijk wezen in zuiver lichamelijke zin, zal alleen door deze aanvaarding zijn bewustzijn van de werkelijkheid afsluiten. Het ogenblik dat men eigen voortbestaan in een vorm belangrijk acht, betekent gelijktijdig, dat men het eigen bewustzijn de mogelijkheid beneemt door te dringen in de tijdloze factoren van eigen wezen en zo te komen tot een realisatie van de waarheid. Wanneer wij de waarheid echter willen zoeken, zal hieruit geen verwerping van de huidige vorm, onverschillig welke, mogen voortspruiten. Het is onze taak om het huidige leven te integreren met alle geloof, met alle bewustzijn en met alle herinnering. Met alle geloof, want ons geloof is in feite een aanvaarden van het tijdloze, dat op het ogenblik niet reëel getoond kan worden aan de beperkingen van het “ik” met het eigen bewustzijn. Het eigen bewustzijn omvat een deel van dit tijdloze, het maakt als zodanig voor ons een zeer belangrijk gedeelte daarvan uit. En ook het heden met zijn vorm. Wij kunnen dit niet verwerpen, want het maakt evenzeer deel uit van het geheel.

Onmiddellijk hierna moet ik een oude tekst citeren, die stamt uit de Atlantische periode. Zij is helaas wat verminkt geworden. Zij staat op het ogenblik in een gewijzigde vorm in het Sanskriet, terwijl weer een variant daarvan in het Grieks ten slotte de slagzin heeft gevormd; panta rhei. Het is alleen maar een variant. Er kan dus volgens de Atlantische wijzen gezegd worden; De mens is een stroom van kracht, die zich beweegt tussen de oevers van de goddelijke wet en de goddelijke wil. De mens is een wezen, dat duizenden vormen kent en toch zichzelf blijft, zoals water een kruik kan vullen. De vorm daarvan beamend en toch verder vloeiend, zodra die kruik breekt. De inhoud van het wezen is niet gebonden aan vorm of aan tijd, het eigen wezen vormt de enige beperking. Het wezen (ziel of geest te noemen door de moderne mens en in de moderne tijd) het wezen dus zal in zichzelf altijd gelijk blijven tot het ogenblik, dat het – in zijn grondbestanddelen uiteenvallende – wordt tot tweeledigheid der schepping,

Dat laatste vraagt natuurlijk weer enige verklaring. De tweeledigheid der schepping, daarmede wordt bedoeld; het positieve en negatieve. U zoudt ook kunnen zeggen; daarmee wordt dus bedoeld; het goddelijk licht en het goddelijk duister. De oude Atlanten begrepen zeer goed, dat elk wezen, dat niet zelve God is, eigenlijk uit deze twee factoren samengesteld moet zijn. Zij gingen zover, dat zij aannamen, dat een werkelijke opname in het Goddelijke ge paard moest gaan met een scheiden van de in het “ik” verbonden waarden. Men maakte daar zelfs de opmerking (ik zal het maar vertalen met goed en kwaad hier, dat is misschien het eenvoudigste); Goed en kwaad tezamen maken de mens. Zonder goed of zonder kwaad kan geen mens bestaan.

Hier is wederom een belangrijk punt. In de tijd kunnen wij niet zeggen, dat van het begin tot het einde van de stroming tijd een waarde goed of een waarde kwaad is blijven bestaan. Integendeel; de waarderingen wisselen, de impulsen wisselen en ook de noodzaken. Zo is er een wisseling van waarden: goed en kwaad. Om te kunnen bestaan moet dus de grondslag van het wezen, de geest, de ziel, beide waarden in zich bevatten in de volledigheid, die voor eigen levensuiting noodzakelijk is. De eenzijdige uiting daarvan ligt eerder in de overeenstemming van het vat zoals de Atlanten het uitdrukten waarin het wezen gegoten is, dan dat zij in direct verband staat net het wezen zelf.

Het is niet gebruikelijk U te vragen of U hebt kunnen volgen, wat ik heb gezegd, maar ik wil voor vandaag graag een uitzondering maken. Heeft U mij kunnen volgen?…….Het is dus volledig duidelijk, wat ik gezegd heb? Dat is aangenaam, want het volgende geldt dus voor Uw eigen leven en uw eigen bestaan in even grote mate als voor alle bestaan in de wereld.

Men kan geen begrenzing maken van het beleven in momenten, die elkaars tegenstelling zijn. Alle beleven is een vaste stroom en lijn. De schijnbaarheid van tegenstelling, zoals wij die vaak kennen in een stoffelijk of geestelijk bestaan, kan nooit voortkomen uit de werkelijkheid. Daarin bestaat geen tegen strijdigheid, Slechts ons bewustzijn kan weigeren eenheid van de in ons leven de factoren als feit te aanvaarden. In ons leven goed en kwaad, licht en duister, vanuit ons huidig standpunt, en hoe wij ook zullen veranderen, het zelfde oordeel over wat in ons bestaat blijven we behouden, ook wanneer de placering der waarden een andere wordt. Wij moeten dus voor onszelf altijd weer proberen om een dergelijk oordeel te beperken.

Nu wordt er heel vaak geleerd, dat wij toch over onszelf moeten oordelen. Elk oordeel, dat wij over onszelf uitspreken, definieert de relatie, waarin wij staan tot het moment tijd, waarin wij leven, dus tot het heden. Elk oordeel door ons gesproken is niet de uiting van een feitelijke toestand maar alleen van een realisatie. Dus een vastleggen van de verhouding tussen het wezen “ik”, eeuwig, dus tijdloon, en het totaal der factoren, die even zeer tijdloos naast ons tot uiting komen. Op grond hiervan kan worden gezegd; Het oordeel is gelijk aan de begrenzing van het wezen. Door niet te oordelen zal dus de begrenzing van het wezen verflauwen en zal een grotere integratie mogelijk zijn met de factoren der werkelijkheid, die ons toch omringen.

Wanneer wij geloven in kwaad, dan zal dit geloof ongetwijfeld voor ons betekenen een te scherpe begrenzing, waardoor verwerping ontstaat. Verwerping van een deel van het leven in gelijk aan een onevenwichtigheid in eigen ontwikkeling. Onevenwichtigheid in eigen ontwikkeling betekent onvoldoende realisatie van eigen kwaliteiten. Aan het wezen zelf echter kunnen wij niets veranderen.

Atlantische wijsheden, zoals ik die geciteerd heb, zeggen ons nog meer; “De kracht van het leven zelve is één, de kracht van het beleven is echter onze uiting van de Oerkracht in onszelf.” Ons stoffelijk en geestelijk bestaan met zijn vormen in wereld is dus het product van onze eigen vervorming der goddelijke Kracht. Ik zou ook dit vandaag nog gaarne voor U toelichten.

Op het ogenblik dat wij leven, hebben wij in ons de volmaakte kracht van het Goddelijke. Oerkracht is alomvattend. Zonder de Oerkracht kan niets bestaan. Deze kracht is in ons zo is in ons dezelfde volmaaktheid, die schuilt in de kracht als totaal, God leeft in ons, Zijn volmaaktheid bestaat in ons. Wanneer wij denken en reageren, dan zullen wij daarmee over het algemeen niet het totaal van die goddelijke Kracht kunnen omvatten. Door de eenzijdigheid van ons concept, ons levensconcept, zullen wij dus de volmaaktheid, die in ons ligt, ten dele uit ons leven bannen, voor zover het ons leven betreft. Zoeken wij echter in het beleven een evenwicht te vinden, dan zullen wij door dit evenwichtige juist steeds groter volmaaktheid en steeds grotere krachten uit onszelf kunnen putten.

Dat heeft U al meer gehoord. Dat impliceert echter ook dat het optreden van elke angst, het optreden van elke begeerte, een directe verstoring is van het goddelijk evenwicht, van de volmaaktheid in onszelf. En nu bedoel ik hier niet angst en begeerte niet de eenvoudige impuls, zoals het terugschrikken wanneer er een steen of bal naar je hoofd vliegt (als angst dus), en als begeerte bv. de opkomende eetlust, wanneer je een aangenaam gedekte tafel met geurige gerechten ziet. Maar eerder in de zin van angst, ontkenning van het leven als geheel; begeerte; een poging voor jezelf meer te verwerven uit dat leven, dan je een ander zoudt toestaan te verwerven. Beide waarden zijn dus verhoudingswaarden en kunnen alleen bepaald worden t.o.v. de omgeving, in verband met het bewustzijn van de omgeving en de werking van eigen bewustzijn op de omgeving.

Indien wij consequent willen zijn, moeten wij dus verdergaan dan dat en zeggen; Op het ogenblik dat wij volledig vertrouwen in de goddelijke Kracht, Die in ons leeft, in haar volmaaktheid, en voor onszelf niet oordelen omtrent de punten, die voor ons onbegrijpelijk of niet aanvaardbaar zijn, zal de volmaaktheid van deze Kracht te onzer beschikking staan. Zolang wij echter aarzelen in onszelf om te komen tot een vervullen van onze taak volgens stoffelijk bewustzijn, hebben wij gelijktijdig een zekere angst. Want een niet vervullen van de stoffelijk redelijke en logische levensvoorwaarden betekent een poging daaraan te ontkomen, ze te ontwijken en als zodanig een beperking van de krachten, die in ons leven. Hoe groter die beperking is, hoe eenzijdiger ons leven wordt en hoe meer het element kwaad dus het ons onevenwichtig schijnende sterker in verschijning treedt.

Om te komen tot een werkelijk goed en bewust leven met een uitschakeling van het tijdselement – zover het ons mogelijk is althans voor ons geestelijk leven – zullen wij moeten komen tot een absolute aanvaarding van het leven, een absoluut vertrouwen op het leven en het levende met een gelijktijdige vervulling van onze plichten en onze taak volgens de beperking, waarin het leven zich thans bevindt. Het gaat er niet om, dat dit voor ons leven noodzakelijk is, maar wij moeten beantwoorden aan de vorm, waarin ons leven zich gegoten zal gevoelen in bepaalde werelden. Beantwoorden aan de eisen van Uw wereld is dus een uiterlijke functie, die noodzakelijk is, maar slechts waarde bezit, wanneer ze gedragen wordt door een volledig innerlijk geloof en een volledig innerlijk vertrouwen. Hoe meer de uiterlijkheid slechts gevolgd wordt, omdat zij behoort tot het huidig bestaand patroon, hoe sterker de kracht van het innerlijk zich zal openbaren en uiten.

Deze openbaring en uiting kan in het begin betekenen een uitbreiding van herinnering, waarbij zowel het verleden als de toekomst in zeer grote afmetingen overzien wordt. Maar op de duur zal het meer zijn dan dat. Het ware weten is een verzonken zijn in eigen kracht en door eigen kracht in harmonie zijn met alle kosmische waarden. Of zoals de Atlantische wit-magiër het uitdrukt; “Uit de zelfkennis groeit het zelfvergeten. Uit het zelfvergeten komt de Kracht (dus het God kennen). En uit het God kennen komt de werkelijke aanvaarding van het bestaan.” En dan mag ik daaraan toevoegen; “Dit bestaan is tijdloos en grensloos, ofschoon er een begrenzing kan optreden als gevolg van de eigenschappen van het Goddelijke. Die begrenzing is echter alleen reëel voor een klein deel der Kracht, die daardoor de harmonie met alle krachten deze begrenzing voor Zichzelf niet als werkelijk ervaart.”

o-o-o-o-o

Het is soms noodzakelijk om uit het ingewikkelde het eenvoudige te distilleren; om uit het totaal der kennis een enkel feit naar voren te halen. En nu heb ik zo gedacht; dat kan ik misschien wel doen. Weet U, wanneer ik het gehele betoog overzie, dan komt voor mij ineens een praktisch punt naar voren. En dat is; Je mag niet oordelen en moet toch beantwoorden aan de redelijke eisen van de vorm, waarin je leeft. Nu is dat natuurlijk erg lastig, want soms lijkt het wel, of het oordeel de enige redelijke functie is van de vorm, waarin je leeft. Dit nu is volledig onwaar, en ik wil proberen U aan te tonen waarom.

In de eerste plaats; Het oordeel is een ontkenning van het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods in ons is immers de band, die ons onmiddellijk met de Schepper verbindende ons gelijktijdig in evenwicht brengt, in harmonie t.o.v. de gehele wereld. Op het ogenblik dat wij een oordeel uit spreken, stellen wij onszelf boven de goddelijke Kracht in ons en verwerpen zo dus het Koninkrijk Gods. Wanneer wij het Koninkrijk Gods verwerpen, dan zal uit dat Koninkrijk Gods een correctieve kracht op ons toekomen. Hoe? Laten wij het zo zeggen; Wanneer de schooljongen denkt, dat hij het beter weet dan de meester, dan krijgt hij met de plak. Dat is precies hetzelfde met wat er gebeurt, wanneer wij menen dat ons oordeel juister is en verder gaat dan de Kracht, Die in ons leeft. Op dat ogenblik stellen wij n.l. onszelf tegenover het Goddelijke en zal deze goddelijke Kracht ons moeten corrigeren. Want God kan niet toe staan dat wij door ons onbegrip Zijn volmaaktheid verstoren. Wij zijn dan de mensen, die de klappen krijgen zonder te begrijpen waarom.

Dat laatste is een zeer onaangename toestand. Wanneer je een pak slaag krijgt en je weet wel waarom, dan kun je het meestal nog wel verkroppen. Maar wat zoudt U doen, als er een vreemde hier midden op straat naar U toe kwam en zei; “Voor het welzijn van je ziel zal ik je even opknappen.” en hij begint je af te drogen, totdat je bewusteloos in elkaar zakt. Ik denk, dat U op zijn minst zou denken, dat die vent krankzinnig was of onmiddellijk hele tirades zoudt gaan afsteken omtrent de onveiligheid hier in de stad e.d. Nu is echter al datgene, wat in feite in ons leeft als goddelijke Kracht, voor ons een vreemdeling op het ogenblik dat wij de zaak gaan beoordelen naar ons eigen stoffelijk en menselijk verstand, ja, zelfs wanneer we dat doen aan de hand, van een beperkt geestelijk inzicht, dat maar een enkele sfeer kent. Wij krijgen dan dus te maken met dat beroerde toeval, dat ons niet alleen maar een enkele keer afdroogt, maar ons blijft afdrogen, totdat wij menen geen huid meer over te hebben. En zelfs dan in die pijnlijke toestand is het nog niet genoeg. Want elk deel van de schepping, onverschillig hoe je het noemt, kan t.o.v. ons een correctie worden van ons eigen gedrag. In die zin zou ik dus kunnen zeggen, dat mijn eigen vroegere geestelijke onzekerheden mijn gestalte vormden tot een haagt spottende weergave van iets, dat bijna een vraagteken had kunnen zijn. Maar op diezelfde manier kan ik ook zeggen, dat de kwaal, die U teistert, dat de zakelijke onaangenaamheid, die U buiten schuld van iemand anders voortdurend tegemoet treedt, in feite niets anders is dan een antwoord op een onvolmaaktheid in Uw eigen aanvaarding van het leven in het Goddelijke. Maar hoe komen wij tot die aanvaarding, die noodzakelijk en volmaakt schijnt te moeten zijn?

In de eerste plaats hebben we altijd wel een stoffelijk of geestelijk besef, dat gekoppeld is aan onze eigen wereld. Die wereld is onvolmaakt en onvolledig. Degene, die het niet gelooft, wacht maar tot hij een belastingbiljet thuis krijgt, dan ziet hij wel hoe onvolmaakt die wereld nog is. Die onvolmaakte en onvolledige wereld beantwoordt echter op enigerlei wijze toch aan de volmaaktheid, want zonder dat zou ze niet kunnen bestaan. Dus is het onze taak om in dit deel der volmaaktheid, dat zich aan ons toont als wereld, zo volmaakt mogelijk te zorgen dat wij beantwoorden aan alle regels, die wij in die wereld erkennen. Dat is vaak moeilijker dan je denkt. Maar ik zeg er uitdrukkelijk bij; die wij in die wereld erkennen, Dus dat houdt in, dat in die wereld regels kunnen bestaan, die voor ons persoonlijk niet van invloed zijn, omdat zij ons niet schijnen te behoren tot het redelijk deel van de schepping, die wij kennen.

Laten we zeggen; U gaat naar Japan. U hebt pech in zaken en U gaat failliet. En er bestaat daar een regel, die zegt, dat U harakiri moet plegen. Dan is dat voor U niet aanvaardbaar en U zou stom zijn, wanneer U zich aan die regel zou houden. Begrijpt U? Maar zolang een regel of wet overeenstemt met Uw opvatting van redelijkheid in de wereld, zult U zich eraan moeten houden. Alleen U moogt nooit denken, dat die regels de werkelijke garantie betekenen voor Uw leven en bestaan. U moogt nooit denken, dat alleen de stoffelijke correctheid invloed kan hebben op Uw innerlijke toestand. De uiterlijke wijze van leven mag slechts een weerkaatsing zijn van de innerlijke toestand. Dan is het pas goed. En dat houdt dus in, dat de wereld ons voortdurend corrigeert, wanneer een te groot verschil bestaat tussen ons geestelijk, innerlijk “ik” en de uiterlijke dingen, waaraan we vastzitten. Het is voor ons dus wel zaak, dat we een zo groot mogelijke eenheid tussen wereldopvatting en geestelijk beleven tot stand brengen en het geestelijk beleven uitbreiden boven de actieve beleving van stoffelijke of laag geestelijke waarden.

Dan komt het in de praktijk dus hierop neer; Probeer geestelijk zo intens mogelijk je één te voelen met al het zijnde. Probeer gelijktijdig stoffelijk als deel van het zijnde te beantwoorden aan alles, wat door je stoffelijke vorm en toestand gedicteerd wordt. Overtuig jezelf er voortdurend van, dat al hetgeen schijnbaar onaanvaardbaar is in je beperkte vorm of toestand, een aanvulling betekent van hetgeen elders noodzakelijk of belangrijk is. Er is geen willekeur. Er bestaat geen straf. Er bestaat geen achtervolging door kosmische krachten of stoffelijke machten. Er bestaat slechts de weerkaatsing van onze innerlijke toestand in uiterlijke waarden op een zodanige wijze, dat ons uiterlijk bestaan een aanvulling vormt voor de volledige realisatie van de innerlijke volmaaktheid door al het zijnde,

Nu word ik geloof ik ingewikkelder, dan ik had bedoeld. Toch is het volledig waar. Laat ik het dan nog even vereenvoudigen, voor ik het woord geef aan de laatste spreker. Zo zou ik het willen zeggen; Wanneer je denkt, dat iets stoffelijk onvolmaakt is, vergeet je, dat die onvolmaaktheid zijn invloed heeft op het leven en bewustzijn van vele anderen. Om een voorbeeld te geven; U hebt kiespijn. Nu kan die kiespijn natuurlijk het product zijn van onjuistheden in het verleden, bv. een aarzeling om naar de tandarts te gaan. Het is dan een verwijt aan jezelf, dat je niet redelijk hebt gehandeld, maar je door angsten hebt laten beperken. Gelijktijdig zal die kiespijn ertoe leiden, dat U op enigerlei wijze onredelijk handelt tegenover anderen. Die onredelijkheid ligt niet in U maar is een beperking van Uw normaal optreden. Voor die anderen betekent dan deze wijziging weer een stimulans tot een zelfstandig denken, een grotere zelfbeheersing, maar ook een groter begrip voor al hetgeen rond hen is.

Op het ogenblik dat U op straat wordt doodgereden, is het niet alleen iets wat U betreft, maar het is ook een verandering van omstandigheden in de wereld, die niet slechts Uw naaste omgeving beroert, maar mogelijkerwijze zelfs een groter gedeelte van de wereld een kleine verandering in het lot doet ondergaan. Denk nu niet, wat ben ik toch belangrijk. Als ik doodgereden word, dan merkt de halve wereld het. Maar realiseer je; Ik ben deel van een geheel. Als ik ontbreek, gewijzigd word of al is het nog maar zo klein een verandering onderga, dan is dit een weerkaatsing, die in die wereld zijn weerslag vindt en dus voor de bewustwording plus de uiting van de geestelijke volmaaktheid in de andere delen zeker van belang is. Wat ik onderga, zal soms nog belangrijker zijn voor de wereld dan voor mijzelf, naarmate ik intenser de eenheid ga voelen met het Goddelijke.

Wanneer, mijne vrienden, U in deze wereld iets ondergaat, dan moet U niet denken, dat het Uzelf alleen betreft. Bent U in Uzelf harmonisch geworden met grotere geestelijke waarden, dan zult U die uiterlijke toestanden kunnen dragen en ondergaan, zonder dat ze voor U een feitelijke ondergang of iets dergelijks ook maar kunnen betekenen of benaderen. Maar wat er ook geschiedt, is, gelijktijdig een lering voor anderen en dus een impuls om die anderen dichter tot de volmaaktheid te brengen. Daarom is geen enkel lijden, geen enkel ongemak, geen enkele onvolledigheid of onvolmaaktheid in feite nutteloos. Integendeel, ze is altijd een noodzakelijk bestanddeel van elke bewustwording voor iedereen.

0-0-0-0-0-0-0

VREDE

Wat is vrede eigenlijk? Innerlijk evenwicht, innerlijke rust benadert dit begrip wel, maar is er nog helemaal niet een volledige weergave van. Vrede is ook nog een zekere mate van harmonie. Harmonie met de wereld, met de omgeving is noodzakelijk voor het ervaren van vrede.

Eigenaardig genoeg meent men soms, dat die vrede kan worden gezien als een uiterlijke toestand. Je denkt, dat vrede bv. zou kunnen liggen in het feit, dat staten geen oorlog voeren. Maar dat is geen feitelijke vrede. Dit is alleen een evenwichtsverplaatsing in de wereld, waarbij elk vredesverdrag, elke verhouding van vrede automatisch elders energieën vrijmaakt, die dan weer onvrede impliceren. Vrede moet dus worden gezocht eigenlijk in de mens en zo mogelijk innerlijk in de mensheid. Dan wordt vrede iets, waar je met een korte omschrijving niet van af bent. Om nu een paar voorbeelden te geven van vrede, dan kun je bv. zeggen;

Mijn ziele rust. Ze heeft volbracht haar taak en kent niet meer de lust, de angst, of wordt benauwd door wraak van al wat leeft en voortbestaat. Het is mijn ziele of ze vredig in het leven ondergaat en ondergaat het leven. Zo wordt de vrede mij gegeven.

Maar dat is een vredesconcept, dat de mens meestal nog niet helemaal kan vatten. Daarom zeg je het misschien nog simpeler op deze manier;

De hoge, ijle avondlucht, gevangen in een ban van kleur; de wind, die zachtkens nog wat zucht en draagt de zoete geur van bloemen ons nabij; een kerkklok, die een bede zingt, een vredig lied, dat verre klinkt, en ’t weten; “’k Ben van zorgen vrij,” dat is vrede.

Maar dat is alleen maar het symbool van vrede. Want in alle twee die begrippen heb ik U wel iets gegeven en getoond van het begrip vrede, maar ik heb in een opzicht gefaald. Ik heb een sfeer en een stemming misschien kunnen weergeven zij het dan ook, dat de onvrede der moderne tijd daar even storend tussenbeide dreigde te komen maar vrede moet meer zijn dan beide dingen, die ik heb omschreven. En dan ben ik bang, dat ik toch onduidelijk moet worden.

Want vrede, dat is een eenheid met God, vergeten van eigen bestaan, omdat weten en denken en streven en zijn in die God zijn ondergegaan.

Vrede, dat is hebben volbracht alle taak, hebben verdiend alle rust, zodat je zelf aan het leven ontglijdt en vindt het rustpunt der eeuwigheid, het Licht, dat je wakker kust.

Dan leef je in licht en bent lichtende kracht, doordringend al wat er leeft, en daar gevend de vrede, daar gevend de rust, omdat je niet verder meer streeft, doch slechts bent; deel van God.

Dat is de culminatie van vrede. Dat is het werkelijke begrip vrede en het is daarom zo belangrijk voor ons allen. Het is daarom, dat wij eigenlijk elkaar steeds weer zouden moeten wensen; Pax vobiscum, vrede zij U, Want vrede is de eenheid met de Vader, het kennen van de krachten van de Zoon, dragend in je het weten van de Geest en toch zijn ongebonden door al in Al, begrensd slechts door het wezen van de Schepper.