Verslag van een ooggetuige

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 38

28 oktober 1956

Het is voor mij lang geleden geweest, dat ik op aarde heb mogen vertoeven in de periode, dat ook Jezus op aarde leefde. Sedert die dagen heb ik meerdere incarnaties moeten doormaken, maar de betekenis van hetgeen ik in die dagen heb geleerd is voor mij voortdurend duidelijker geworden. En waar wij deze ochtend dan toch ook de esoterische zin van Jezus’ leer gezamenlijk willen volgen, zult U met mij als gastspreker genoegen moeten nemen.

De eerste maal dat ik Jezus heb gezien was in een dorp. Het was in de avond en zoals een vreemdeling meestal doet, ging hij naar de dorpsbron toe om zich daar een ogenblik te onderhouden met de mannen, de vrouwen en de kinderen, die daar plegen samen te komen. De invloed van Jezus was iets buitengewoons zelfs in die dagen, ofschoon hij nog niet bekend was als een groot wonderleraar. Wel predikte hij, maar hij was nog niet verdreven uit de scholen, uit de plaatsen van bijeenkomst. Het is dan ook geen wonder, dat ik als eerste impressie U voorleg Jezus’ interpretatie van de Mozaïsche wet. Deze heeft zeer zeker onrust veroorzaakt in onze kleine gemeente en ze heeft misschien ook meegewerkt aan het uitstoten van Jezus uit de eigenlijke Joodse gemeenschap.

Hij sprak ons dan over Mozes en hij zegde: “Toen hij opging tot de Heer op Sinaï en het volk in de vlakte zijn God verloochende, vond hij daar de tafelen der Wet. Maar ik zeg U: Niet nieuw is de Wet en slechts gegeven voor het volk der Joden. Want Israël verloochent de Wet; maar de wereld hoort haar.”

“Gij zult geen vreemd beeld voor de ogen stellen,” zo zegt de Heer. Een vreemd beeld is niet alleen het beeld, dat men houwt in steen of hout, het is niet alleen het schilderwerk, waarmede men mensen en dieren afbeeldt.” (Dit laatste was een zekere steek op sommige wetgeleerden, die ook in onze plaats woonden.) “Gij meent, dat slechts het beeld der stof gevaarlijk is en ons afbrengt van de Vader. Maar ik zeg U: de grootmachtige Heer wordt verdreven door de begeerten, die gij in Uw harten draagt. En indien gij trots staat en zegt: “Ziet, ik ben een belangrijk mens,” dan hebt gij een vreemd beeld voor de Vader gesteld. Dan hebt gij vóór de machtige Heer het beeld van Uw eigen onbetekenendheid gezet en aanbidt gij Uzelf, maar niet Uw God.”

Deze interpretatie was zeer zeker schokkend. Er waren bij ons enkelen, die rijk waren en van edele familie en die zich, als de gebedsriemen waren aangedaan, verheerlijkten omdat zij zo groot waren geworden in het oog van de Heer. Het gemurmel van verzet heeft dan ook vele ongeregeldheden reeds in deze bijeenkomst veroorzaakt. Maar Jezus liet zich zeker daardoor niet hinderen. Zo zei hij o.a. tot hen: “Eert Uw vader en Uw moeder. Maar zijt gij slechts geboren uit de vrouw, die U gedragen heeft en de man, die gij vader noemt? Is het niet de aarde, die U moederlijk behoedt en leven geeft? Is het niet de kracht uit het Al en de stralende kracht van de zon, die U voortdurend de kracht geven, waardoor gij kunt bestaan? Ik zeg U, meer vaders en moeders hebt gij, dan gij U kunt voorstellen. Want alle krachten in het Al, geboren uit de Grootmachtige, werken samen, opdat gij kunt bestaan. En eren zult gij al deze krachten, die voor Uw bestaan noodzakelijk zijn.”

Over de echtelijke trouw sprak Jezus het volgende; “Gij zult geen ontucht plegen. En zo zegt de Wet ge zult geen ontuchtig begeren in U dragen. Maar gij, die begeert, zijt ontuchtig achter de gezichten, die vol vroomheid ons aanstaren. Want gij begeert en dit begeren verwerpende in gedachten, meent gij goed te zijn. Gij verlustigt U in dromen als de ouderlingen, toen Suzanha in het bad door hen werd beloerd. Ik zeg U: wanneer gij niet leert deze gedachten te beheersen, zijt gij niet beter dan de dieren des velds.”

Ook dat is zeker een pijnlijk onderwerp. Want hoeveel mannen zitten niet gaarne in de avonduren, wanneer de vrouwen naar de bron gaan om water te halen en aanschouwen de sierlijkheid van hun ledematen met een verkapt begeren.

Ook over goederen had hij wat te zeggen. “Gij zegt: “Ik ben goed. Want wanneer het jaar is gekomen, geef ik alles vrij, wat ik verworven heb. Geen slaaf blijft in mijn huis, geen schuld gebondene. Geen schuld meer draag ik.” Maar ik zeg U: “Gij zult niets begeren van hetgeen Uw naaste behoort. Noch zijn goed, noch zijn leven, noch zijn gade.” En gij begeert. En omdat gij aan dit begeren ritueel afstand doet, om onmiddellijk daarna Uw begeren weer te versterken denkt gij, dat gij gehoorzaamt.”

Ik hoop, dat ik in deze kleine fragmenten van deze eerste lezing, die ik van hem hoorde, deze eerste voorlezing van de Thora en verklaring, een beeld heb gegeven van de opstandige Jezus. De Jezus, die niet tevreden was met de mensheid en die de Wet aanvaardde.

Maar al te vaak hoor ik zeggen, dat de Tien Geboden, door Mozes eens ontvangen, niet meer van kracht zijn in de moderne wereld, want dat Jezus daarvoor in de plaats één gebod heeft gesteld: Heb Uw naasten lief gelijk Uzelf. Maar hij aanvaardde al deze wetten, want zij zijn de vervanging van zijn groot gebod. Dit kwam nog duidelijker naar voren toen ik hem enige tijd later hoorde spreken bij het meer van Tiberias, waar ik toen vertoefde in mijn kleine zwervende nederzetting, waarmee vele ververs en wevers gingen van plaats tot plaats om hun diensten aan te bieden. Ik heb niet alles, wat Jezus tot de menigte zegde, gehoord. Ik was laat. Maar ik weet, dat hij mij toestond met hem en zijn leerlingen te vertoeven gedurende de nacht, toen ze zich legerden rond een klein vuur. En toen hoorde ik hem het volgende verklaren:

“Wanneer ik U zeg: “De wet is liefde,” dan verklaar ik U hiermede de eenheid aller dingen. Er kan geen grens bestaan. Wanneer ik zeg: “De Vader is buiten mij en ik sta buiten de Vader,” dan kan ik smeken om Zijn gunst, maar Hij kan mij niet horen. Wanneer wij echter zeggen; “Vader, “ik aanvaard U in alle dingen, Uw raadsbesluit en Uw wet,” dan zijn wij in de Vader. En wanneer wij in de Vader leven, zo hoort Hij niet slechts, zo kent Hij al ons wezen en al ons begeren. En Zijn wil zal alles voor ons voeren, zoals het door Hem wordt beschikt en bestemd.”

Iemand, ik weet niet, of het een van de leerlingen was meende daarop Jezus te moeten vragen, of de mens dan nog vrij was. Jezus antwoordde: “Vrij zijt gij om God te aanvaarden of te verwerpen. Maar wie zich tot de Vader bekent, hij bezit zijn vrijheid en offert ze op. Ge zult altijd vrij zijn om heen te gaan vanuit Zijn huis, vanuit Zijn kracht en Zijn liefde. Maar de wijze begeert dit niet. Want wat deert het ons, als een wereld ondergaat, als het lijden ons slaat, en wij zijn één met de Vader? Doch indien wij niet één zijn met Hem, wat baat het ons, of alle bezittingen der wereld ons toebehoren?”

Wat later op de avond, nadat nog veel was gesproken over vrijheid van wil, gaf Jezus een kleine gelijkenis, die niet is opgetekend door de velen, die zijn leven later beschreven hebben. Het was misschien een eenvoudig beeld.

Hij zei: “Ziet ge dit vuur? Toch is het hout dood, het leeft niet meer. Maar ziet, (en hij nam een dood stuk hout) als ik het hier werp in de vlammen, dan zal dit kostbare branden en in de vlam leeft het. Wanneer het dooft, blijft er een weinig as en de as is de vruchtbaarheid van de akker. De vlam zelf is opgegaan in de lucht. Zo zijn ook wij. Zonder God, zonder aanvaarden van God, zijn wij dood. Wij leven even zo weinig als het hout, dat ge daar hebt verzameld. Het zijn een paar armzalige brokstukken van een leven, dat onderging. Maar indien wij het in contact brengen met het vuur, zo leeft het opnieuw, schoner en edeler, krachtiger. Het gaat op in het grote Al en niemand zal het terugvinden. Maar het zal nooit ondergaan.

Gij zult sterven. Maar indien ge sterft en gij zijt één met de Vader, zijt ge als het hout, dat op het vuur geworpen wordt. Gij wordt gereinigd en verteerd. Wat van U achterblijft op de wereld is geluk en vruchtbaarheid voor al, wat op de wereld leeft. Maar Uw geest na een vlammend opgaan in het Al is één met de Vader, Die het Al doordesemt.”

Hieruit heb ik toen begrepen, hoe Jezus de wereld beschouwde. Maar ik kon het toen nog niet onder woorden brengen. Nu enkele levens verder durf ik het althans te proberen.

In Jezus ogen zijn wij wel degelijk vrij om ons eigen bestaan te voeren, onze eigen weg te gaan. Maar naarmate wij meer onze eigen weg gaan zijn wij sterker afgezonderd van God, van het Grote, het Allerhoogste. Het resultaat is dan ook, dat wij “dood” zijn. Ons leven is geen werkelijk leven in het kosmisch bestel. Het is de nauwe beperking van ons eigen bestaan. En alle leerstellingen van Jezus, zoals ik die heb leren kennen, voeren ons steeds weer terug hiervan. Steeds weer terug uit de nauwe beperking van het eigen wezen naar de grote vrijheid, die wij kunnen bereiken, indien wij één zijn met God.

Misschien is het goed, dat ik van de filosoof Comenius, die ik in een later leven heb gekend, hier een kleine spreuk weergeef. Hij zegde ons; “Zij, die vrij willen zijn, strijden zozeer voor de vrijheid, dat zij hierin zichzelf verliezen en vergeten. Zo blijft hen geen enkele vrijheid over dan voor de vrijheid te streven. Maar wie zich buigt als een halm voor de wind, zal zich oprichten wanneer de wind ophoudt. Hij blijft zichzelf, één en geheel. Zij, die voor de vrijheid strijden, gaan aan de vrijheid onder. Zij, die de onvrijheid ondergaan en de vrijheid in hun hart bewaren, zullen altijd vrij zijn.”

Ik heb hierin een echo teruggevonden van Jezus eigen leven. Het gaat ons niet om wat wij kunnen verwerven. Het is er niet om te doen, wat ge in de wereld bent of worden kunt; zelfs misschien niet om wat ge in de wereld veranderen kunt. Het gaat om de heilige voorstellingen, die je in jezelf draagt. De grote begrippen en krachten, die je eigen wezen voortdurend in stand houden. Die je in staat stellen alle geweld te ondergaan zonder gebroken te worden.

Aardig is het misschien ook nog om uit mijn laatste leven een gezegde van de oude Isaac Newton aan te halen. Hij zegde n.l. tot enkelen van zijn leerlingen (en ik, als kleine jongen, mocht daarbij staan): “Wanneer wij zoeken naar sterkte en naar kracht, kunnen wij dat nooit vinden in het onbuigzame. Want al hetgeen star is, breekt, hoe sterk het ook is. Doch dat, wat mee kan geven, wat souplesse heeft, kan veel groter druk verdragen en terugkeren tot zijn oorspronkelijke staat. Wanneer een wet in onze ogen onveranderlijk is,” voegde hij daaraan toe, “kunnen wij deze wet breken. Maar wanneer een wet zich voortdurend blijft aanpassen aan al ons streven, is zij voor ons ook onoverwinnelijk.”

Ik haal het daarom aan, omdat dit juist voor Uw eigen leven en in de moderne tijd toepasselijk blijkt. Wij kunnen niet verwachten, dat alle wetten eeuwig zijn. Er zijn echter wetten, die voor ons een zeer groot belang hebben. Wetten, die wij niet durven breken of waarvan wij niet geloven, dat zij ooit kunnen worden opgeheven. Toch zijn deze wetten, die zo voortdurend onveranderlijk lijken, geen echte wetten. Het zijn eenvoudig toestanden, die tijdelijk zich als statisch op onze weg voordoen. Op het ogenblik, dat wij deze toestand van statisch zijn doorbreken, bestaat de wet niet meer.

Elke kosmische wet moet dynamisch zijn en dus voortdurend zich aanpassen aan het totaal van gebeuren, het totaal van mogelijkheden en toestanden. Wat voor ons schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden zijn, wat voor ons schijnbaar onoverkomelijke perken en palen zijn, kunnen wij overwinnen. Dat zijn geen werkelijke hinderpalen. Slechts datgene, wat ons steeds ontvliedt, wij niet kunnen bereiken, kunnen wij beter met rust laten. Hetgeen steeds voor ons wegvlucht, is een wet, die wij niet kunnen overschrijden. Een wet, die wij niet kunnen bereiken, maar misschien uiteindelijk eens kunnen begrijpen. En ik meende, dat ik dit de laatste keer, dat ik Jezus zag, heb teruggevonden.

Hij was toen al een groot man geworden en had o.a. enkele zieken genezen in een kleine plaats, waar de zieken samenkwamen om genezen te worden. Hij zei toen op een vraag: “Heer, hoe geneest gij hen?” het volgende:

“Waar men in zichzelf bewust is van schuld en zonde, daar kan ik dit bewustzijn verbrijzelen. Want deze kracht heeft de Vader mij gegeven. En waar de zonde niet meer leeft in de mens, zal zijn lichaam gezond zijn.”

Toch had hij er enkelen zonder genezing laten heengaan. Toen word hem gevraagd: “Maar waarom hebt gij dan deze laten heengaan, Heer?” En toen zegde hij tot ons: “Ziet, dezen erkennen hun zonden niet en rechtvaardigen zich in eigen ogen. Deze leugen kan ik niet overwinnen. Deze kracht heeft de Vader mij niet gegeven. Maar in Zijn naam kan ik alles overwinnen, wat erkend wordt. Het niet-erkende ontvlucht mij. Zo zullen dezen eerst het bewustzijn van hun schuld moeten vinden, voor zij de verlossing kunnen vinden in de Heer in ons.”

Jezus geloofde werkelijk en oprecht (daar ben ik van overtuigd), dat hij één was met de Vader. Zijn hele leven heeft hij altijd weer aan de Vader opgedragen. In de Vader is hij steeds opgegaan. Maar hij wist, er krachten zijn, die alleen kunnen werken in onszelf en die wel met Gods kracht versterkt kunnen worden, maar die niemand behalve de Vader Zelf misschien kan veranderen. Dat is ons eigen bewustzijn.

Het bewustzijn in ons acht Jezus als het belangrijkste, dat er bestaat. Het is beter, dat wij zondig zijn en ons van onze zonden bewust, dan dat wij in onze onschuld of beter gezegd in ons zelfbedrog ons voorhouden goed te zijn, terwijl het kwaad in ons woont. Het eerste is te vergeven, is te veranderen en te verbeteren. Het tweede is onvergeeflijk, omdat hij die de waarheid niet aanvaardt, in leugen zichzelf verdringt.

Hierbij heeft Jezus een verdeling gemaakt tussen goed en kwaad. Niet zoals de mens dit doet. Maar in de zin van, Goed is al datgene, wat erkend is; kwaad is alles, wat men niet erkennen wil. Ik geloof, dat voor een begrip van zijn leerstellingen en zijn leven, ook deze regelen noodzakelijk zijn. En daarom ben ik blij van mijn kant uit voor U dit korte betoog te mogen houden, hopende dat het voor U een grotere bewustwording en verbetering zal zijn.

0-0-0-0-0

VRIJHEIDSSTRIJD

Strijd voor de vrijheid. Maar wat is vrijheid eigenlijk? Is vrijheid een waan? Waar je ook leeft en hoe je ook leeft, van de hoogste sfeer tot de laagste, van de grofste stof tot de ijlste materie, blijft vrijheid beperkt. Strijden we dan werkelijk voor vrijheid, of strijden we voor iets, dat in ons leeft?

We dromen allemaal van vrijheid. Vrijheid van zorgen, vrijheid van leed, vrijheid om te gaan waar we willen, vrijheid om te doen wat we willen. Daar strijden we voor. De dagelijkse strijd om het bestaan is in werkelijkheid een strijd om vrijheid. We geven ons hole wezen in ruil voor een vrij zijn van de dingen, die we niet begeren.

En wanneer dat nu niet gaat? Wanneer je nu alles offert en alles geeft en wat je terugkrijgt zijn slechts de lege schelpen, terwijl de volheid van het begeerde je steeds blijft ontgaan, wat heeft het dan nog voor nut om voort te strijden op vreedzame wijze? Wat heb je dan nog om te leven? Elke stap, die je zet, sleep je onzichtbare ketenen achter je aan. Elk woord, dat je spreekt, moet gekneveld en geblinddoekt zijn, opdat het niet de zwaarte van je strijd en je lijden vergroot. De strijd in het leven tegen de honger. Maar hoe hard je ook strijdt, de honger blijft voor jou. Je strijdt om wat liefde, wat vertrouwen en wat genegenheid. Maar hoe meer je geeft, hoe meer men je berooft. Dan word je bitter.

Dan word je egoïst, dan ga je haten i.p.v. alleen te zoeken naar vrijheid. Dan zeg je: “Dit belemmert mijn vrijheid en dat,” en je begrijpt niet, dat je het zelf bent. Dan grijp je naar wapens, dan kom je in het duister samen, met gefluisterde wachtwoorden, met angstig kloppende harten. Dan spreek je over opstand, over moord. En je meent, dat je zo de vrijheid wint.

Dan komen er dagen, dat het gloeiende lood vliegt, dagen dat het ratelen van de machinegeweren en het dreunend geronk van tanks en zware motoren tot een soort van heksensymfonie wordt. Je gaat verder, je wordt voortgejaagd. “Vrijheid,” schreeuw je en je doodt een medemens. “Vrijheid,” en je slaat een ruit in. “Vrijheid!” je rooft, je steelt, je plundert. En je bent niet vrij. Het is een roes, die je meesleept. Het is een wanhopig verzet. Het is een wreken op een wereld, die je niet aan kunt.

Zeker. Het geweld doet het geweld misschien een ogenblik zwijgen. Maar wat bereik je dan nog? Op een ogenblik komt dan die kogel en met een plotselinge schrik en een zucht val je neer. Een laatste vurige gedachte zegt: “Als ze de vrijheid maar winnen.”

Dan is het voorbij en je bent niet vrij. Je hebt gehaat, je bent vol van drift, van verwarring, je zoudt nog een geweer in je handen willen nemen en voortgaan. Je ziet de vijand, die zo dadelijk een van je medestrijders zal ombrengen en je zoudt het willen verhinderen en je kunt het niet. Wanhoop, pijn, onbegrip van werkelijke vrijheid.

Soms komt er een ogenblik van licht, een enkel ogenblik, dat je je bewust wordt van een nieuwe werkelijkheid, van een nieuw bestaan. Maar je bent nog steeds bang voor die band.

En daarmede is je vrijheidsstrijd een voortdurende opstand tegen alle dingen.

Het mag niet zo zijn. Ware vrijheid is alles aanvaarden en jezelf blijven. Wanneer al deze vrijheidsstrijders zichzelf gebleven zouden zijn, gehoorzaam aan elke regel, aan elke wet, behalve aan de wet, die niet past voor hun wezen, dan zouden ze zonder bloed hoogstens ten koste van hun eigen bloed hun wereld veranderd hebben. Nu smoort de wereld in hun eigen bloed en het bloed van anderen, en de haat regeert.

Dat is de tragedie van een vrijheidsstrijd. Een vrijheidsstrijd met wapens en met geweld. Dat is de tragedie van de mens, die zelve bang is voor het geweld van anderen en daarom naar het geweld grijpt.

Wat is dan de ware strijd om vrijheid? Wat is het werkelijke vrij zijn? Niet vrezen.

Er bestaat geen dood. Dood is een waan. Een ogenblik van duisternis, een wijle van rust en een ontwaken, jonger, schoner, edeler en beter, dan je ooit geweest bent, wanneer je alleen het licht van het leven maar wilt aanvaarden. Er bestaat geen werkelijk lijden. Er bestaat alleen maar de angst in je, waardoor je niet kunt verdragen.

Vrij zijn door altijd te gehoorzamen aan wat je weet, dat de ware wet is: gehoorzamen aan de kracht, die in jou werkelijk leeft en bestaat. Dat is vrijheid. Niet het verzet tegen anderen, maar het gehoorzamen aan je hogere Ik. Dat is de ware vrijheidsstrijd.

Degenen, die zich thans vrijheidsstrijders noemen op de vele plaatsen van de wereld, de wrede offerpriesters van mis begrepen nationalisme, de ongelukkige slaven in het verzet tegen hun meesters, zullen dit moeten leren. In dit leven of in een volgend leven, in duister of in licht. Zonder de ware vrijheid kunnen ze niet verder gaan. En ook wij kunnen hen niet helpen. Ook wij kunnen niet verder gaan, voordat die vrijheid in ons allen bestaat.

Werkelijk vrij zijn. Niet gebonden aan wat de wereld je zegt, maar aan wat je zelf als goed voelt. Niet gehoorzamen aan de sociale noodzaak of aan de eis van je lichaam, maar aan hetgeen je weet, dat juist is. Jezelf overwinnend overwin je de wereld. De strijd om vrijheid betekent; jezelf bevrijden van waan, en zo vrij staan in alle wereld, in alle tijd.

En dan komt er een ogenblik van onze grootste strijd: het ogenblik, dat wij onze moeizaam verworven vrijheid moeten leren zien als wat ze werkelijk is. Niet een einddoel, maar een middel. Want onze grootste vrijheid is; het recht om met eigen wil op eigen tijd de vrijheid prijs te geven. De vrijheidsstrijders, die dat leren, bevrijden zichzelf en de wereld. De vrijheidsstrijders, die in geweld trachten te verwerven, gaan onder of zij worden zelf tot knevelaars der vrijheid. Wanneer er in ons dan een ogenblik is, dat wij denkend aan die vrijheidsstrijd willen bidden, laten wij het dan zo zeggen: “God, laat de werkelijke vrijheid, het bewustzijn, leven in de harten van alle mensen; en hun de moed geven zelve vrij te zijn, zonder de vrijheid van anderen te nemen.”

Ik hoop, dat ik daarmede aan de door U gestelde eisen heb voldaan. Ik wens U allen een aangename zondag. Wij danken U natuurlijk voor Uw aandacht. En wij verzoeken U in de komende week Uw gedachten te richten op de zielen, die lijden en in het duister zijn; vooral op de zielen, die pas in verwarring zijn overgegaan en die nog niet het bewustzijn hebben, dat nodig is om het licht te aanvaarden.