Vervloeiende werelden

8 oktober 1984

Vanavond mag ik als inleider fungeren. Ik hoop dat u daar geen bezwaar tegen heeft.

We hebben natuurlijk een gastspreker. We moeten rekening houden met enige omstandigheden, daardoor krijgt u deze keer een Nederlandse gastspreker, althans een Zuid-Nederlandse gastspreker, overgegaan 1850, Achtergrond; enige filosofie, calvinistische opvoeding, protestant uit gewoonte.

Zijn specifieke onderwerp heb ik helaas niet te pakken kunnen krijgen. De man lijkt een filosofische duizendpoot; zijn denken loopt sterk uiteen van directe werkingen, invloeden en krachten tot eigenlijk het onbegrijpelijke van het goddelijke en wat daarbij hoort.

Het is niet aan mij om een dergelijke veelvuldigheid van commentaren hier kort samen te vatten. Ik ben dus ‑ indien u mij dit althans wilt toestaan ‑ eerder bereid om zelf het een en ander te vertellen.

Een van de meest wonderlijke dingen die je als geest kunt beleven is eigenlijk het vervloeien van werelden. Elke wereld heeft zijn eigen krachten; kent zijn eigen structuur en zijn eigen wetten. Maar er zijn ogenblikken dat die werelden door elkaar wazen tot je een ogenblik meent een dubbel beeld te zien. Wat zich daaruit kristalliseert is echter geheel anders dan elke wereld afzonderlijk.

Ik kan u de beleving alleen enigszins en benaderend schetsen, dat is duidelijk. Maar stel u voor, dat u bezig bent te luisteren naar iemand die spreekt en ondertussen kijkt naar een schildersstukje. Op een gegeven ogenblik schijnt de stem a.h.w. uit het schildersstuk te komen en het schildersstuk lijkt te fluctueren met de trillingen van het stemgeluid.

Wat daaruit ontstaat is echter een totaal ander beeld; het is een soort caleidoscopisch Mondriaan‑idee, waarin we dan plotseling eigenlijk geen klank meer horen en zelf, in feite geen kleur meer zien, maar alles ondergaan alsof in onszelf een voortdurende verandering aanwezig is. Deze verandering kristalliseert dan uit in een vast, maar bewegend patroon. Een duet patroon is dan a.h.w. de sleutel waarmee je die twee werelden samengevoegd kunt begrijpen.

Het schijnt voor sommigen nogal duister te zijn. Vergeeft u mij, ik weet geen betere omschrijving.

In het beleven dat je op die manier doormaakt, zijn natuurlijk onbekende waarden. We zouden erover kunnen spreken als een God op de achtergrond. Je zou erover kunnen spreken als een onbekend landschap. Het is iets, waarin je je bevindt, waarbinnen je op grond van je eigen ritme je kunt oriënteren, maar waarbij geen vaste normen bestaan voor datgene wat buiten je is. En die beleving wordt dan in het begin een emotie van aarzeling om niet te zeggen soms van achterdocht.

Daaruit ontstaat langzaam maar zeker een gevoel van bevrijding alsof je opeens in frisse lentelucht kunt ademhalen en van daaruit stijgt het verder. Het wordt een soort gonzen alsof er een bijenkorf in de buurt staat. Dat gonzen zelf ontlaadt zich in een soort vreugde die alleen nog maar wit is.

Het is natuurlijk een krankzinnig gebeuren als je het als mens moet aanhoren. Het geeft echter aan, dat we niet gebonden zijn aan een enkele wereld tenzij we dat zelf willen. Ik denk, dat dat een van de belangrijke punten is waarmee je als mens en ook als geest steeds weer geconfronteerd wordt.

We zijn bang om datgene wat we ons hadden voorgesteld te verliezen. We zijn bang om uit onze wereld te treden en een nieuwe wereld te betreden. Maar die angst op zich maakt het ons onmogelijk om deze vervloeiing van werelden door te maken, om de sleutel te vinden waarmee we meerdere werelden afzonderlijk zouden kunnen beschouwen indien we zouden willen, maar vooral de totale betekenis van al die werelden in onszelf beleven en deels doorgronden.

Waarom zijn wij eigenlijk zo bang voor verandering? Misschien meten wij onszelf een bepaald patroon van mogelijkheden aan. We zeggen: “dat kan ik” en “dat ben ik” en “dat kan ik niet” en “dat ben ik niet”. Dat is maar zelden waar. We kunnen altijd meer dan wij denken. We zijn altijd meer persoonlijkheden dan we onszelf kunnen voorstellen en we hebben over het algemeen meer inzicht in de totaliteit dan we aan onszelf durven toegeven.

We kunnen meer, maar we durven niet. Zoals je in een bepaald lichtend wereldje te midden van landschappen leeft en je er redelijk gelukkig gevoelt en toch weet wanneer je één stap zou kunnen doen, dat je ineens tienduizend werelden binnen je bereik zou hebben. En die stap durf je niet te doen, want je weet wat je hebt maar je weet niet wat je krijgt, een beetje zonderling.

Wanneer we denken over hoge waarden en over God dan zeggen we; is God nu een man of een vrouw? De meeste mensen denken nog steeds dat God een man is. In feite wordt toch duidelijk dat het Alomvattende niet het een noch het ander kan zijn. Het moet meer zijn dan beide. God is een wezen dat ingrijpt. Is God wel een wezen dat ingrijpt? Als dat zo is, dan gebeurt het in ieder geval volgens maatstaven en op een wijze die wij niet kunnen volgen.

Maar als er een God is dan leeft hij in alle dingen, moet hij dan nog ingrijpen? Dan kan zich alleen het ervaren van de delen misschien afsplitsen van zijn wezen en zijn werkelijkheid, maar niet het gebeuren, niet de werkelijke ontwikkeling.

Juist wanneer we bang zijn voor al datgene wat er kan gebeuren, bang zijn voor datgene wat er misschien achter de hoek dreigt, dan trekken we ons terug van de werkelijkheid. Werkelijkheid is niet iets om bang voor te zijn. Oh, ik weet het, atoombommen en zo. Ja ja, goed. Als er bommen vallen en de hele wereld wordt vernietigd dan leeft u nog steeds in een wat andere vorm, maar u leeft nog steeds. U hebt waarschijnlijk nieuwe mogelijkheden, soms meer dan u op aarde ooit hebt gehad. Dus waarom zou u zich nog zorgen maken?

Waarom zou je krampachtig bezig zijn om voortdurend alles te bestrijden? Zou het niet beter zijn om in jezelf de kernwaarde van alle dingen voortdurend te beleven? Als u dan toch zo bezig bent dan vraag ik mij af, waarom we alles voortdurend gestalte en beeld en eigenschap moeten geven.

Zouden we gelukkig kunnen zijn zonder vrienden, zonder vijanden? Er zijn mensen die zeggen: “Als ik vrienden heb, heb ik geen vijanden meer nodig.” Nu, bij sommige vrienden is dat waar. Maar het gaat er eigenlijk om dat je geen vrienden en geen vijanden nodig hebt zolang er maar begrip is voor datgene wat je samenvoegt.

Een vijand is een tegenstelling die je zelf oproept. Het is een gevaar dat je voor jezelf opbouwt. Strijd is niet het grondbeginsel van de kosmos; tegenstelling wel, maar strijd niet.

Je hebt je eigen ik met zijn eigen kwaliteiten. Dat ik dient zich natuurlijk te handhaven in de vorm waarin het leeft, in de wereld waarin het verkeert zo goed als het kan. Dat is de eigenschap die elk ik nu eenmaal meekrijgt en daar kun je je gewoon niet aan onttrekken.

Maar wanneer de feiten er eenmaal zijn, moet je dan net doen of ze er niet zijn? Wanneer er situaties ontstaan waar je niet tegenop kunt, moet je dan toch maar hopeloos verder blijven protesteren? Of moet je je afvragen: “wie ben ik, wat ben ik, hoe moet ik zijn, ongeacht al datgene wat om mij heen is?” Het klinkt een beetje egocentrisch wanneer je zegt: ja, het gaat om jezelf.

Maar het hele leven is toch een deel van jezelf? Er is niets wat je ziet en wat je beleeft, wat niet gekleurd wordt door je eigen denken, door je eigen voorstellingen. Je kunt nog wel een stap verder gaan: er is niets wat je ziet bij anderen, wat je niet in jezelf draagt; want anders zou je het niet herkennen.

Als je je dat gaat realiseren, dan ga je toch zoeken naar datgene wat je gemeen hebt met alle dingen en niet naar datgene wat jou ervan scheidt. Dan ga je niet bestrijden wat volgens jou niet goed is, dan ga je leven met datgene wat volgens jou juist is.

Het is maar een manier van denken, natuurlijk. Ik zeg nogmaals: ik pretendeer hier niet de grote leraar uit te hangen. Trouwens, iemand die een grote leraar probeert uit te hangen is over het algemeen iemand, die een uithangbord heeft als een kermistent; daarachter is niet veel, maar ervoor op de parade is het erg mooi.

Wanneer ik kijk naar de mens, naar de geest, dan vraag ik mij toch af: zijn het niet onze angsten; onze behoefte aan een zekerheid waardoor de werelden, die wij als geest en als mens kennen, voortdurend van elkaar gescheiden blijven. Soms vraag ik mij af of het niet mijn angst is om teloor te gaan, ten onder te gaan aan een hogere wereld, waardoor ik haar niet kan betreden.

0 ja, ik geef het toe: ik heb die angst. Het is een voorbehoud, het werpt mij voortdurend terug aan de grens. Maar is die angst nu iets wat mij is ingelegd, zoals men graag verkondigt, of is het eerder mijn onvermogen om mijzelf te aanvaarden zoals ik werkelijk ben?

Het is gemakkelijk genoeg om te zeggen: ik kijk diep in mijzelf en ik zie God. Ja goed, als je diep in jezelf ziet, ziet geen mens hem verder. Dan heb je er ook geen last van dat er iemand kritiek op heeft. Maar als je nu zegt in mij leeft een God, dan moet je die God rond je zien. Zonder die God kan er niets bestaan. Waarom leef je dan niet met die God zoals hij buiten je en in je is? Waarom maak je van jezelf een wezen, dat alleen moet staan, eventueel voor de spiegel van de werkelijkheid en tussen de zuilen van wijsheid en erkenning, en zeg je niet: ik ben toch deel van de hele structuur.

Ik ben niet iets bijzonders, ik ben deel van alles. Het enige bijzondere aan mij is, dat ik dat nog niet volledig kan beseffen. Dat ik gewoon niet kan aanvaarden dat ik deel ben van alle dingen. Dat ik voortdurend word geplaagd door mijn voorbehoud, door mijn verwerping, door alles wat je maar denken kunt.

Ik weet niet of het bij u zo is. Ik zou niet durven zeggen dat het bij u zo is, maar u bent toch eigenlijk ook voortdurend bezig met een strijd die eigenlijk geen strijd is. Maar je kunt deelhebben aan een gebeuren dat in zich onvermijdelijk is, natuurlijk. Maar als je dat nu ziet als het meest belangrijke, maak je dan niet de fout dat je het geheel van het leven én jezelf verwerpt en daarmee de essentie van het zijnde, om je bezig te houden met een paar verschijnselen waarin je misschien denkt belangrijk te zijn, maar die ook zonder jou zich zouden voltrekken, wanneer zij behoren tot het totaal dat de werkelijkheid heet.

Het is zo gemakkelijk om langzaam weg te dromen in allerlei fantasieën en filosofieën. Maar je leeft met de werkelijkheid. Je leeft met feiten, alleen die feiten zijn de uiterlijke vorm van iets wat je nog niet ziet. Is het niet veel belangrijker om met het geheel te leven, die feiten dan maar te nemen zoals zij zijn en te proberen te doorgronden wat erachter steekt? Dan kom je pas waar je moet wezen.

Ik zeg helemaal niet dat een mens niet moet bidden of wel moet bidden. Ik zeg niet dat je wel of niet tot een kerk moet behoren; dat je wel of niet een meester moet volgen. Ik zeg alleen wel een ding: jouw bidden, die kerk, die meester en al wat je verder wilt, is toch alleen maar een uiterlijke vorm van iets.

Maar als u – gezien uw aanwezigheid hier – toch u wil bezighouden met esoterie, dan moet u zich ook afvragen wat er achter zit. Wat is datgene, waardoor al die dingen bij elkaar blijven? Waardoor blijft die wereld van mij toch een enigszins samenhangend beeld? Vraag je dat eens af. Ik denk, dat je dan op een gegeven ogenblik datgene buiten je vindt, wat je alleen in jezelf vermoedde.

Afgrondwerelden die je op duistere trips een keer hebt gevonden, bestaan ook buiten je. Hemelwerelden, die je innerlijk een ogenblik hebt betreden, zijn een werkelijkheid die ook buiten je bestaan. Er is geen binnen en geen buiten. Er is één werkelijkheid en daartoe behoren alle dingen.

In hoeverre ik daarin gelijk heb weet ik nog niet. Daarom begin ik hier nederig te verklaren, dat voor mij meer dan de helft van hetgeen ik heb gezegd, nog theorie is. Want het is niet zo gemakkelijk om het voor jezelf waar te maken. Aan de andere kant zeg ik: wanneer een deel hiervan voor mij werkelijk is geworden, dan geeft het toch wel aan, dat ook andere delen waar kunnen worden voor mij. Dat betekent in ieder geval dat ik op weg ben.

Misschien is dat voor ons allemaal altijd weer het meest belangrijke. We kunnen zeggen: ik ben op weg. Zelfs als we niet helemaal weten waarheen. Want wat er ook gebeurt, een ding is zeker: wij zullen eens precies weten wat we zijn, waarom we zijn en waarvan we deel zijn. Tot die tijd moeten we dan maar de uitvoerders zijn van het onbekende; moeten we spreken zoals u hier spreekt, moeten we werken zoals u ongetwijfeld werkt en gewerkt hebt. Moeten we afwachten wat er gebeurt, omdat dit een deel is van de weg.

Misschien dat ik daarmee deze inleiding het beste kan besluiten. Filosofie of niet, we zijn op weg. Het einddoel kennen we nog niet precies, maar een ding weten we wel: we zullen het einddoel bereiken. We zullen waarmaken wat we nu alleen maar vaag in onszelf gevoelen.

En we zullen vanuit deze vaagheid komen tot de zekerheid; de zekerheid van een deel‑zijn van de totaliteit.

Tot die tijd moeten we dan maar leven zoals we doen. Steeds weer leven op de grens van twee werelden. Leven op de grens van de droom en de feiten. We zullen uit dit alles dan voor onszelf de kracht en de zekerheid kunnen puren om voort te gaan zonder vijandschap, zonder haat, zonder angst, maar met die ene zekerheid: ik leef niet voor niets. Niets wat ik ben niets wat ik heb gedaan, niets wat ik zal doen gaat ten einde, zoals ik zelf niet ten einde zal gaan maar zal voortbestaan tot aan het einde van de tijden en misschien verder.

Met deze gedachte wil ik mijn bijdrage afsluiten en wens ik u verder een zegenrijke bijeenkomst toe.

De Gastspreker

Ik ben als gast in uw midden op uitnodiging van de leiding van uw genootschap. Men heeft mij gevraagd om het een en ander te vertellen. De vraag is altijd: waarover?

De moeilijkheid van een mens is, dat hij denkt dat hij denkt, terwijl hij in feite niet denkt, maar denkt dat hij denkt wat een ander gedacht heeft. Dit is al een zeer oude woordspeling, dat zal u ook wel bekend zijn. Maar zij is tot op heden toe steeds niet onjuist gebleken.

Het ontbreekt ons kennelijk aan een zekere mate van originaliteit en wanneer zij soms doorbreekt komen wij in duizend conflicten. Conflicten met ons geloof, met degene die menen dat zij weten wat wij moeten geloven. Conflicten met degenen die niet willen geloven, dat je gelooft wat je gelooft en toch zegt wat je zegt. En op deze wijze heb ik dus ook zelf moeten ervaren, dat enige originaliteit op zijn minst genomen op weerstanden pleegt te stuiten.

En toch: zo ver ik kan nagaan is de mens ‑ en wat dat betreft het werkelijk ik ‑ uniek. Er bestaat geen tweede deel in de schepping met precies dezelfde mogelijkheden, met precies dezelfde capaciteiten, met precies dezelfde waanvoorstellingen. Deze uniciteit van ons eigen wezen proberen wij op elke denkbare wijze te onderdrukken.

Ik weet dat een ouderling mij eens een licht en broederlijk verwijt gaf omdat ik een das droeg, die ik niet volgens het albekende principe, naar volgens het wat vrijere Franse principe had gestrikt. Misschien is dit kentekenend. Wij moeten conformeren. En zelfs het non‑conformisme is alleen toegankelijk voor hen, die zich conformeren aan de non‑conformistische stellingen. Het geestelijk leven brengt hierin ‑ voor zover ik althans kan nagaan betrekkelijk weinig verandering.

Zonder te veel over mijzelf te willen spreken moet ik zeggen, dat ik veel filosofieën die ik tijdens mijn aards bestaan heb geabsorbeerd, aan de tand heb gevoeld. (En het bleek bij de meesten een kunstgebit te zijn, er zat geen wortel aan). Een filosofie heeft dan pas betekenis, wanneer zij niet alleen een aantal feiten samenvoegt en verklaart, maar bovendien uit deze theorie het hanteren van feiten mogelijk maakt.

Mijn onderzoek heeft mij tot op heden niet kunnen bewijzen dat er theorieën bestaan, die niet door feiten behoeven te worden onderbouwd. Gelijktijdig heb ik echter erkend dat er theorieën bestaan, die vooruitlopen op de mogelijkheid deze feitelijk te bewijzen. In de wetenschap worden dergelijke dingen wel aanvaard. Waarom zouden wij het dan ontkennen in het zuiver menselijk bestaan, in het proces van onze geestelijke bewustwording?

U leeft. U hebt bepaalde krachten en mogelijkheden in uw leven. In hoeverre gebruikt u die? Een theorie dat je met krachten kunt genezen is bijzonder fraai. Maar zij is zinloos totdat je iemand geneest. Zelfs dan is de genezing geen bewijs dat jouw theorie de juiste is.

Het is niet zo moeilijk om met enige suggestieve middelen u allen een kracht te doen ervaren; maar is die kracht reëel? En zo zij reëel is en inwerkingen vertoont, dan blijft nog altijd de vraag of de voorstelling die men zich gemaakt heeft in overeenstemming is met de gevolgen of dat die gevolgen alleen maar voortkomen uit iets, wat geactiveerd werd door een waanvoorstelling en dus niet concreet erkend.

Ik hoop niet dat u het gevoel krijgt dat ik uw tijd nodeloos in beslag neem. Mijn eigen theorie ‑ ten dele bewezen door feiten ‑ is de volgende: Op het ogenblik, dat wij ons begrip van mogelijk en onmogelijk terzijde zetten, ontstaat voor ons door feiten een grens. Buiten die grens ligt voor ons het onmogelijke. Dit is echter dan een feit en niet een veronderstelling.

Wanneer wij verder in onszelf en in ons innerlijk denken, wezen en werken, geestelijk dus zowel als stoffelijk, de kracht meten aan het mogelijke en niet meer aan de veronderstelde grens, dan zal niet alleen een uitbreiding van onze mogelijkheid ontstaan, maar een aanmerkelijke verschuiving in ons bewustzijn.

Dit laatste is iets waarvoor vele mensen naar ik meen bevreesd zijn. Je geloof wordt plotseling minder zeker. Het innerlijk weten wordt een innerlijk hopen. De positiebepaling in de wereld is niet meer een zekerheid van waaruit je leeft, maar het is een aarzelende, zoekende gang waarbij geen vast doel zonder meer in het oog gehouden kan worden.

Toch leven wij allen binnen de werkelijke grens van onze mogelijkheden met een geheel aan krachten, die men vaak bij gebrek aan beter als goddelijk of kosmisch omschrijft. Indien ik zeg dat in u licht is, dan is dat in zekere zin waar. Wanneer ik zeg dat uw drijfveren en gedachten, hoezeer u die misschien zelf probeert te veranderen of te verminken, voortvloeien uit uw werkelijk wezen en uw werkelijk doel met dit stoffelijk bestaan, zult u misschien ook aarzelend de schouders ophalen, maar het kan niet anders.

Wanneer niets zinloos is kan ook ons innerlijk leven niet zinloos zijn.

Wanneer niets zonder kracht is, dan kan niets uit ons leven innerlijk, uiterlijk, geestelijk of anderszins zonder kracht zijn. Dat wij niet weten hoe die kracht te activeren ligt voor een groot gedeelte in ons onbegrip voor ons werkelijke wezen.

Het volgende vloeit voort uit mijn theorie, die ik voor mijzelf en aan enkele anderen heb kunnen bewijzen. Of zij voor u geldig is zult u zelf moeten nagaan. Er is geen grens. Er is niets buiten het zuiver beseffen, het zuiver willen. Er is de kracht die behoort tot ons wezen. Al wat wij werkelijk zuiver willen, zuiver erkennen, valt daardoor binnen het bereik van deze kracht. Of we haar licht noemen of een andere naam geven is daarbij niet bepalend. Al wat noodzakelijk is door ons als zodanig en volledig beseft wordt kan worden waargemaakt.

Wanneer je van de ene wereld naar de andere wilt gaan en je voelt dit als een volledige noodzaak, dan kun je zonder ooit je eigen wereld daarbij voorgoed achter te laten, die andere wereld betreden. En voor over je haar begrijpen kunt kun je met haar werken, kun je vanuit haar krachten putten, kun je daarin ook zelfs je eigen krachten manifesteren.

We worden steeds geconfronteerd met het onbekende. We zeggen dan meestal: dat is de Heer. We weten niet wat het is, maar het moet een naam hebben. In elke wereld waarin ik ben geweest, in elk beleven dat voor mij mogelijk is geweest heb ik deze kracht ontmoet.

Zodra ik mijzelf op deze kracht richtte was zij voor mij duidelijk beleefbaar en kenbaar. Ik neem aan dat dit voor anderen precies zo geldt. Ik neem aan dat het voor u ook waar is. De grote moeilijkheid is, dat wij aarzelen om die kracht als zekerheid te erkennen. Want zij is voor ons op het ogenblik dat wij ermee beginnen te werken een theorie. Maar het is een theorie die op de proef gesteld kan worden.

Ik heb geen respect voor degenen die hun handen heffen en luidkeels verkonden dat de zegen des Heren op u daalt, tenzij zij bereid zijn om te kijken of die zegen wat uithaalt. Mijn dwaasheid is geweest dat ik mij op aarde daardoor steeds weer heb laten overbluffen.

Het gaat er niet om wat gezegd wordt het gaat er om wat eruit voortkomt.

Het gaat er niet om of het past in een systeem; het gaat erom of het voor je waar wordt.

Het gaat er niet om of een ander zegt dat hij krachten heeft; het gaat erom of jij die krachten ervaart, of jij daarop kunt antwoorden.

Uw wegen des lichts ‑ want zo noemt men ze ‑ zijn soms moeilijk te gaan. Telkenmale wanneer je denkt bereikt te hebben blijkt alleen maar een nieuw doel zich aan te kondigen

Leven is een voortdurend proces van veranderen; niet het vinden van een steeds grotere zekerheid, maar het vinden van voortdurend intensere en andere wegen, waarin een nieuwe belevingsmogelijkheid ontstaat waar je verder in op kunt gaan. Dit baseer ik eveneens op ervaringen die ik zelf heb doorgemaakt.

Wanneer u waarheid zoekt, begin dan in uzelf, maar begin ook in de wereld om u heen. Luister niet naar de woorden, kijk naar de resultaten. Vraag u niet af hoe de bron zou zijn. Wanneer je dorstig bent is het belangrijk dat het water gedronken kan worden, niet vanwaar het komt.

Wanneer u wilt is er altijd kracht te vinden. Er is rond u, in u en voor u altijd weer kracht, ervaren, beleven en werkelijkheid. Maar u moet er zelf mee werken. De grote machtwoorden, de meest bekende sleutels tot eeuwige en lichte krachten zijn niets vergeleken met het innerlijk besef.

Waarheid is de vrede die je in jezelf draagt. Wie verdeeld is tegen zichzelf is verdeeld in en tegen de wereld. Wie één is in zichzelf kan niet anders dan de eenheid rond zich voortdurend bevestigd zien.

Leven is niet slechts ondergaan, het is waarnemen, het is begrijpen het is zelf zoeken te verklaren Dat betekent elk ogenblik van bestaan waar en hoe dan ook. Het is een voortdurende vernieuwing in jezelf. Vraag je af wie je bent. Niet in de zin van: waar ben ik vandaan gekomen? Maar: wat ben ik werkelijk, wat doe ik, wat kan ik tot stand brengen, wat is de kracht die in mij leeft?

Laat ons dan niet zoeken naar een andere vorm van macht of kracht daarnaast. Laat ons datgene zijn en ten volle wat wij innerlijk voelen te zijn en rond ons waar kunnen maken. Van daaruit zal ons bewustzijn zich kunnen uitbreiden.

Maar vrees degene, die zijn onvolkomen streven op het ene vlak compenseert door fantasiebelevingen op een ander vlak, hij komt met zichzelf in strijd; hij weet geen verschil meer tussen waarheid en verlangen. Hij weet geen weg meer die werkelijk begaanbaar is.

Diep in jezelf draag je de waarheid; niet de algemene waarheid, maar de waarheid van je eigen wezen. Aan die waarheid moet je eerst volledig beantwoorden voor je iets kunt beseffen van de waarheid die buiten je bestaat. Dat houdt in dat een mens de moed moet vinden om vanuit zichzelf te leven. Dat hij de kracht moet vinden om zichzelf te zijn zonder de wereld tot zijn evenbeeld te willen maken.

Door ons slagen evenals door onze mislukkingen naderen wij de waarheid die in ons leeft. Wanneer wij bang zijn voor het mislukken zullen wij slechts zelden slagen en de waarheid zal ons verre blijven.

De weg, de waarheid, dat is jezelf zijn in een volledig beantwoorden aan datgene wat je innerlijk beseft te zijn, jezelf metend aan gebeuren en tijd, sfeer en wereld tot je kunt zeggen: dit ben ik. Als je dan naar buiten kijkt zie je plotseling hoe dat ik weerkaatst wordt door de gehele wereld. Dan kun je naar een ster kijken en beseffen dat het beeld van die ster deel is van je innerlijke werkelijkheid. Dan kun je zeggen: “Dit ben ik.”

Wanneer je kijkt naar de God die je aanbidt ga je beseffen, dat dit een beeld is dat in jou bestaat, jouw uitbeelding van een deel van jouw waarheid en dan kun je waarlijk zeggen: “Dit ben ik.” Als je daar bang voor bent, hoe kun je dan weten wie je bent? Hoe kun je waarmaken wat je bent?

Misschien is dit alles niet zo esoterisch als u zou begeren. Maar ik zeg u dat esoterie alleen dan zin heeft, wanneer je door in jezelf te zien leert beter buiten je te zien. Mogelijk denkt u dat ik geloven aantast of onzeker maak. Maar kan ik iets onzeker maken wat in u een zekerheid is? Ik kan u hoogstens wijzen op de onzekerheden die u voor uzelf verbergt.

Zelfs als ik spreek over het leven na de dood, het leven dat ik thans voor mijzelf onderga, dan heeft het weinig zin u daarmee te confronteren als een zekerheid of een toekomst. Als u in uzelf voelt oneindig te zijn zult u weten voort te bestaan. En niets kan u dwingen dit voortbestaan in waarheid te beleven, wanneer u weigert het te erkennen.

Het is vervelend dat je niet kunt rekenen op genadeboden, reddende engelen, lichtende verkondigers die uw verantwoordelijkheden van u wegnemen. Anderen kunnen uw schuld voor u dragen, maar zij kunnen uw ervaren niet ongedaan maken.

Daarom is het belangrijk dat je keert tot de waarheid die in je leeft.

Daarom is het belangrijk dat je de waarheid die in je bestaat voortdurend toetst aan de feiten om je heen.

Daarom is het belangrijk dat je meer en meer in alle waarden in de kosmos datgene gaat erkennen wat in jezelf leeft. Alleen dan kun je waarlijk zeggen: “Ik ben bewust.”

Op aarde was het voor mij zeer belangrijk dat men ons Jezus’ woorden leerde: In het huis mijns vaders zijn vele woningen. Maar ik wil niet een woning zoeken. Ik wil één zijn met het huis des vaders. Ik wil niet in begrenzing en beperking een schijnzaligheid beleven; ik wil opgaand in het geheel deel hebben aan de werkelijkheid van de waarheid.

Het is geen trots, het is geen verwerpen. Het is een innerlijke erkenning die door de ervaring zich mij voortdurend sterker als een noodzakelijk leven en beleven oplegt.

Daarom zeg ik tot u: Wees zeker wat je gelooft; wees zeker wat je wilt. Spreek dan niet over mogelijk en onmogelijk, maar gebruik je krachten en je mogelijkheden, je hele wezen om waar te maken wat je als een noodzaak hebt ervaren.

Aan de gevolgen zal je jezelf beter leren kennen, dan zal je dichter zijn gekomen tot de lichtende werkelijkheid die voor zover ik dit op dit moment weet, onze eenheid voor ons betekent met het onbekende dat wij God noemen, ons opgaan in het geheel dat we nog niet beseffen.

Meer heb ik u niet te zeggen. Vergeef mij als ik als gast tegenover u tekort ben geschoten. Meent u dat ik iets heb gezegd wat althans voor u mogelijk waar is, geloof mij niet, maar stel het op de proef. Ik ben ervan overtuigd, dat u dan vele schijnbare grenzen zult zien wegvallen en daarvoor in de plaats een kracht en een vermogen ontdekt, dat niet alleen uzelf maar eenieder die u daarin erkent tot zegen zal zijn.