Verwarring in de kunst

image_pdf

20 mei 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u erop, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Ik neem aan dat u zelfstandig zult nadenken over wat zal gebracht worden. Als onderwerp voor heden kies ik: Verwarring in de kunst.

Men zal zich misschien afvragen, wat dit onderwerp te maken kan hebben met geestelijke leringen en lessen. Wanneer u zich de moeite getroost een ogenblik te luisteren, zo zult u ontdekken, dat veel van het heden, maar ook de verwachtingen omtrent de toekomst in dit onderwerp besloten liggen.

Bij het beschouwen van de verwarring richt ik mij dan allereerst tot de beeldende kunst. Hierin bestaan op het ogenblik vele verschillende abstracte scholen. Er zijn schilders die op het ogenblik zelfs zeggen: “Wat wij schilderen is niets, stelt niets voor en betekent niets, maar het is alleen een spel met kleur”. Het is misschien aardig voor een dessin, maar is toch geen werkelijke beeldende kunst meer. Een kunst, die alleen maar bedreven wordt om een effect te bereiken, zonder dat daarbij enige inhoud, of werkelijke betekenis aanwezig is, is geen kunst, maar kinderspel.

Gelukkig bestaan er andere vormen van schilderkunst, die ons wel iets te zeggen hebben, waarbij een poging tot ontvluchten aan denken en aan maatschappij minder naar voren treedt. De neiging van de kunst zich voortdurend te vernieuwen is hierin vaak sterk tot uiting gebracht. In de eerste plaats denk ik aan de grote moeilijkheden die ontstaan voor de kunstenaar, wanneer een mechanische wijze van afbeelden natuurgetrouwer is, evenzeer artistieke mogelijkheden biedt en bovendien sneller en goedkoper is, dan de schilderkunst ooit zal kunnen zijn. In de oude tijd was een schilderstuk wel een kunstwerk, maar ontleende het zijn waarde toch aan de voorstelling of afbeelding. Tegenwoordig koopt u een gekleurde prentbriefkaart van Venetië, Florence, of Madrid, waar men vroeger een schilderstuk placht te kopen, indien men tenminste de prijs daarvan op kon brengen. Het is logisch, dat de moderne kunst dus een andere richting in moet slaan. De mechaniek heeft het haar onmogelijk gemaakt zich verder nog alleen bezig te houden met het afbeelden der dingen. De kunst moet in deze dagen vooral komen tot een uitbeelden, een uitdrukken van niet direct zichtbare eigenschappen en mogelijkheden.

Daarbij heeft zij zich al te vaak verloren in de psychologie. Wij zien voorstellingen van afgronddiepe gedrochten, die zo los schijnen te zijn gebroken uit een helse nachtmerrie. De schilder zegt dan vaak: “Kijk, zo is nu het innerlijk van de mens”. Maar dergelijke kunst kan niet zonder meer aanvaardbaar zijn. Men komt met zeer willekeurige symbolen aandragen en geeft deze dan opzienbarende titels, of volstaat met een volkomen misrepresentatie door de verwarring een titel te geven als “Man in Tuin”, of “Ham op Keukentafel”. Genoemde titels zijn overigens vrijelijk ontleend aan de werken van de heer Huizinga.

Een eerste eis voor de kunst is wel, dat zij menselijk blijft. De kunstenaar kan zich niet ongestraft boven de massa verheffen en stellen. Men moet immers deel blijven van de mensheid. Op het gevaar af sommigen te beledigen zou ik u er op willen wijzen, dat de gebaarde en vuil behemde jongelingen, die zich in afgronddiepe taal van abstractheid trachten te ontworstelen aan de maatschappij en doen, of zij er niet meer bij horen, zeker geen ware kunstenaars zullen zijn. Hun kunst zowel als hun gedrag berust op modezucht.

In alle hedendaagse kunst moet de eerste gedachte een uitbeelden zijn. In deze uitbeelding dienen de karaktereigenschappen der dingen, de innerlijke roerselen evenzeer tot uiting te komen als de uiterlijke vorm, die mede – zij het niet naturalistisch – dient te worden aangeduid.

Men kan hierbij evengoed denken aan de grove lijnen van een Torop, aan de mode van het clair-obscur, als aan het moderne schilderen van licht, waarvan van Gogh een van de eerste uitbeelders was. Er is vaak een vervreemding van werkelijke inhoud en werkelijk wezen te zien.

Hiervan vinden wij voorbeelden in de verwrongen cocottes en society dames van een van Dongen. Onder de modernen zijn ongetwijfeld vele schilders met talent. Hun werken tonen ons voor het merendeel slechts aan, dat ook de moderne schilder en waarachtige kunstenaar niet goed meer weet, waar hij met zijn werken naar toe moet. Hij voelt, dat het huidige niet juist is en zoekt naar een vernieuwing. Men zoekt, hierbij evenzeer naar nieuwe technieken als naar nieuwe zijden van uitbeelding. Hierin is de kunstenaar een duidelijke weerkaatsing van de moderne wereld.

In deze wereld ligt de politiek qua methode immers soms bedenkelijk dicht bij een drama, à la “De Twee Wezen”, terwijl zij op andere ogenblikken onbegrijpelijk en abstract aandoet, om te ontaarden in een vertoning, die een circusclown als een goede entree zou beschouwen. Ook dit is in overeenstemming met de huidige maatschappelijke verhoudingen, waarbij men immers niet meer weet, of hij nu socialistischer of liberaler moet worden, of misschien iets anders moet doen om deze wereld weer wat stabieler en vrediger te maken.

De onrust, die de beeldende kunstenaar onwillekeurig uitbeeldt in zijn maar al te vaak verwrongen en soms ziekelijke werken, is in feite representatief voor de huidige tijd waar men, evenals de kunstenaar, vaak grijpt naar onmogelijke, of niet passende oplossingen. Ik denk hierbij in de kunst aan druipschilderwerken, ander geklodder, waarbij onder meer in de laatste tijd gebruikt werden als middel om een kunstwerk te vervaardigen: fietskogeltjes, autobanden, de staart van een ezel, chimpansee e.d. Het zal een ieder duidelijk zijn, dat hier niet meer van kunst kan worden gesproken. Degene, die dit toch doet, propageert slechts een vlucht voor de werkelijkheid. Men beseffe, dat over dergelijke werken door critici vaak het meeste wordt gezegd en onder het grote publiek voor dergelijke kunstenmakerij de meeste reclame en het meeste lawaai wordt gemaakt. Dit wijst op een verandering van waardering, die naar het abnormale dreigt af te glijden. Een dame met 4 handen en 7 benen is veel gewichtiger dan de eerlijke poging van een kunstenaar zijn visie op een moderne mens weer te geven. Hierin ligt een grote overeenkomst met de wereld van heden. Ook in het dagelijkse leven is men maar al te vaak geneigd naar het absurde te grijpen om zo aan de droevige werkelijkheid te ontkomen.

Men vlucht voor eigen verantwoordelijkheden in de absurditeit en is al evenzeer geneigd zich door een rekenmachine een huwelijkspartner te laten verschaffen – cybernetica – als om zich door onbegrepen statistieken tot daden te laten verleiden, omdat deze aangeven, dat het u mogelijk over 10 jaren wat beter zal gaan.

Irreëel is de mens vaak. Irreëel zijn vele dingen op deze wereld, die volkomen au sérieux. worden genomen. Hierbij denk ik onder meer aan een verklaring van Paus Pius XII, die de hoop uitsprak, dat het systeem van geboortebeperking door periodieke onthouding een betere wetenschappelijke basis zou kunnen verkrijgen, zo geboortebeperking klaarblijkelijk als iets noodzakelijks ziende, maar tevens het gebruik van andere, meer betrouwbare middelen op theologische gronden verwerpende. Ieder is bezorgd over te grote bevolkingsaanwas, maar pleegt tevens elke mogelijke maatregel, die een vrijwillige geboortebeperking wettelijk mogelijk zou maken, tegen te gaan. Er zijn meer van dergelijke vreemde voorbeelden te noemen. Klaarblijkelijk is de verwarring van de wereld met de verwarring van de hedendaagse kunstenaar één. Wanneer u staat te kijken naar een modern abstract werk, dat u aanvoelt als een vloek, een noodkreet, of een onbenullig spelen met niet begrepen waarden, zeg dan niet alleen: “Is dit nu nog kunst?”, maar voeg aan een dergelijke vraag voor u zelf toe: “Hier is een uiting van de mentaliteit, die in deze dagen de wereld schijnt te beheersen”. U ziet duidelijk de parallellen.

Ook in de beeldhouwkunst vallen ons verschillen op. Vroeger begon het kunstwerk met het zorgvuldig uitzoeken, zo mogelijk bij de groeve zelf, van de stukken marmer of porfier, waarvan men een kunstwerk hoopte te maken. Met grote zorg werd ook het gieten van bronzen door de kunstenaar zelf mede voorbereid. Tegenwoordig neemt men wat afval, een lasapparaat, of een soldeerbout. Na enig prutsen ontstaat dan een abstract samenstel, dat soms een zekere symmetrie bezit en in een enkel geval zelfs een artistiek verantwoorde schikking benadert. De kunst wordt hiermede zelden werkelijk verrijkt. Vroeger ging het er om materiaal, idee en vakmanschap samen te laten vloeien tot een perfect en harmonisch geheel. Daardoor ontstonden werken van werkelijke grootheid, ofschoon ook daarin menige scherts verborgen kon liggen. Hetgeen ontstond was dan voor eeuwen. Tegenwoordig goochelt men met een paar vlakken, met een stukje ijzerdraad en heeft zo volgens eigen inzicht reeds kunst geschapen.

Dit is een uiting van de op aarde nu heersende mentaliteit. Is men niet al te vaak geneigd te stellen, dat je ook wel veel kunt bereiken zonder er hard voor te werken, of er iets voor te leren?

Per slot van rekening ligt de wereld toch voor ons open, zo meent men. De machines doen het werk wel. Wanneer wij een idee hebben en wij kunnen dat uitvoeren, hoe onbeholpen het ook is, dan is dat grote kunst. Punt.

Wanneer wij deze tendens op een ander vlak bezien, vertonen zich aardige parallellen. Bezie de volgende redenering dan eens. Wij weten, dat er al jaren lang boven ons land gespioneerd wordt. Wij doen dat zelf elders overigens ook. Maar nu hebben wij de methode gevonden om een vliegtuig op het juiste ogenblik naar beneden te krijgen. Daarmee gaan wij spelen, het gebruiken als een soort middel tot afpersing. Wij voelen ons buitengewoon sterk hiermee. Wij zullen alles vergeten, wanneer wij eenmaal al onze bevelen aan de anderen op hebben kunnen leggen. Maar het volk raakt zozeer in woede, dat wij uiteindelijk onze voornemens niet uit kunnen voeren en met een leeg gebaar huiswaarts moeten gaan.

Dit was een opzienbarend gebeuren van de laatste dagen. Hoe vaak gebeuren dergelijke dingen niet in het leven van de mens? Hij maakt een leeg gebaar. Hij heeft alle dingen immers precies berekend. Hij houdt geen rekening met het genie, dat werkelijk belangrijk is: met de mens. Hij houdt rekening met alle dingen, maar vergeet te rekenen met de menselijke gevoelswereld, die, wanneer het er op aankomt, nog steeds grotere machten in beweging kan brengen dan alle machines ter wereld. De mens vergeet dit te veel. Hij vergeet het in de kunst, maar ook in de politiek. Hij meent gebouwen en menselijke gevoelens onder een gelijke noemer te kunnen brengen en door een redelijke pol op een bepaald ogenblik te weten, wie in de komende jaren president kan worden. Hij vergeet steeds weer, dat mensen mensen zijn, dat de gevoelens van de mensen vandaag anders zijn dan morgen. Hij vergeet, dat de mensheid iets is, wat men niet met een maniertje kan blijven benaderen. Men vergeet vooral, dat de mensheid iets is, wat je moet leren begrijpen om er werkelijk iets mee te kunnen doen.

Hetzelfde zien wij in de maatschappij overal. Meubels worden en masse gemaakt. Natuurlijk biedt men u ook wel betere interieurs aan, maar wanneer u werkelijk volgens een bescheiden beurs en voordelig wilt kopen, dan zult u een interieurtje moeten kopen, dat niet verschilt van het interieur, dat 999.000 andere Nederlanders ook al bezitten. Of u het persoonlijk ook anders zou willen, vraagt men niet. Het moet goedkoop, moet degelijk zijn. Zo maakt men de dingen, u hebt het maar te nemen. Alleen wanneer er andere producten opeens bereikbaar worden, verandert men zijn methoden wel. Denk eens aan de Amerikaanse automobielindustrie. Het achteruit gaan van de goede waardering voor het huis en de huiselijke omgeving neemt men bij de massale productie op de koop toe, of men tracht de binding van het eigen milieu te vervangen door een tv-kastje, waarin beurtelings zalvende en hinnikende heren cultuur spreiden met plechtige of vrolijke gebaren. Redelijk is een dergelijke oplossing niet. De mens heeft immers niet alleen behoefte aan en recht op een eigen huis? Hij heeft behoefte aan een kleine eigen wereld, die geheel op hem is afgestemd, een kleine wereld, waarin hij gelukkig kan zijn.

Wanneer de kunstenaar deze behoeften van de mens, evenals zovele andere in deze wereld, vergeet en zo komt tot abstracte constructies van ijzer en platen, die voor niemand betekenis hebben, verliest hij evenzeer het contact met de mensheid als de heren die menen, dat je alles kunt normaliseren. Zijn werk wordt dan tot een verschrikking. Niet omdat het kunstwerk niet kan worden begrepen, of misschien niet de juiste plaats heeft gevonden, maar de verschrikking van een normalisatie, die de mensheid langzaam wurgt en ook de kunstenaar tot slachtoffer wist te maken. Het protest tegen eenvormigheid, dat wij bij vele kunstenaars vinden, blijft leeg, wanneer het niet gedragen wordt door een eigen gevoelswereld en niet tot anderen kan spreken. Voor de dichter kan het aardig zijn zoetelijke gedichtjes te maken zoals: “Van diredomdiredomdiredaine, ach kindje, lach mij eens toe….” Maar wanneer dit de mensen niets zegt en niets leert, is het conventionele maniertje niets waard.

Evenmin heeft het waarde, wanneer je je eigen verdrongen complexen op voor andere haast niet aanvaardbare wijze uit, spreekt op rauwe manier van rode lichten, lokkende ogen, zuipen en overvolle kroegen. Zelfs niet, wanneer je het kunstwerk bij voorkeur laat begeleiden door een even abstracte combo. Want ook daar beroer je niemand mee. Je maakt de wereld niet wijzer, niet beter en niet slechter. Daarom is ook dit iets, wat geen feitelijke betekenis heeft, een vlucht voor de werkelijkheid. Betekenis krijgen de dingen niet in een existentialistisch vertekende wereld, niet in een vertekende kunst. Werkelijke betekenis heeft alleen dát, wat werkelijk leeft voor en spreekt tot de gevoelens van de mens.

U mag het rustig betreuren, dat voor vele mensen een limerick meer inhoud kan bezitten, dan een schoon gedicht van Vondel. Maar als de limerick tot de mens van heden spreekt en Vondel niets meer te zeggen heeft, dan zal men zich daar toch bij neer moeten leggen. Dan is de limerick voor deze tijd belangrijker en zuiverder kunst, want het is de taak van de kunst de inhoud van het leven weer te geven. Dat er in deze dagen dichters komen, die met hun zoeken en tasten naar een nieuwe weg, grotere delen van de massa weten te beroeren, is – menselijk en literair gezien – een gunstig verschijnsel. Laten wij hopen, dat het niet alleen bij de mooie woorden zal blijven, of een vaktaaltje, dat dan wel dichterlijk heet te zijn, maar uiteindelijk dezelfde conventies kent als de interdepartementale taal, die vele instanties plegen te gebruiken. Voor de kunstenaar gaat het er steeds weer om het innerlijke en uiterlijke leven vast te leggen en weer te geven. Het gaat er om bij het denken, leven en handelen van de mens, ja, bij al, wat hem innerlijk beroert, steeds weer zijn beste inhoud tot werkelijkheid te helpen maken in de wereld. De mens, die dit niet bereikt, of uitvluchten zoekt om het zich gemakkelijker te kunnen maken, beheerst slechts één kunst werkelijk: Die van het zelfbedrog.

Wij kunnen niet volstaan met het aangeven van fouten en verwarringen in de conventionele kunst en als kunst beschouwde waarden. Heeft niet een wijsgeer eens gezegd: “De schoonste, maar ook de moeilijkste kunst is te leven.”? Mij dunkt, dat ik dit aan mag halen en dus onder het onderwerp wel degelijk ook enige dingen over de levenskunst mag zeggen. Hebt u wel eens opgemerkt, hoe weinig mensen de kunst van werkelijk leven nog verstaan? De conversatie is vaak ontaard geworden tot een herhalen van gemeenplaatsen, die zo aan de hoofdartikelen der dagbladen zijn ontnomen. Hebt u wel eens opgemerkt, hoe in deze dagen geest en geestigheid wordt ontleend uit kleine blaadjes, die opgewarmde humor uit het verleden onder het bereik van de massa brengen? Hebt u opgemerkt, hoe eenvormig en bedroefd de mens zijn leven draagt?

Indien u dit niet beseft, zou u eens een dag de straat op moeten gaan. Daar kunt u duidelijk gedemonstreerd zien, hoe de kunst te leven teloor is gegaan. Het is vroeg, de mensen staan bij de haltes van de trams met suffe, verslapen gezichten en wachten. Als zij al denken, dan is het hoogstens een bede aan God, dat zij eerder te laat dan te vroeg op hun werk zullen komen…

Anderen praten over de voetbaltoto, of over het meisje, waarmee zij gisteren hebben gedanst. Ook in hen ziet men kenbaar de vrees voor “het-weer-aan-de-slag-moeten”. Slechts een enkeling zien wij werkelijk opgewekt naar het werk gaan, met lust en vreugde om een nieuwe dag, een nieuwe taak.

Dan moet u eens wat wachten, tot het later is geworden en neem dan eens een kijkje in de winkels. Zie de huisvrouwen daar vol nijd in de drukte staan, hatelijk speurend, opdat toch niemand ook maar even voor zijn beurt geholpen zou worden. Dat zou verschrikkelijk zijn, nietwaar? Zij hebben haast, haast, haast, zoveel haast, dat zij – let u op – urenlang het trottoir staan te versperren met een buurvrouw, die ook haast heeft, pratende over een derde buurvrouw, waaraan niets deugt. Kijk in de middaguren en zie de meisjes met begerige ogen langs de etalages slenteren, hun begerigheid zo nu en dan afwisselend met een giegeltje, dat in hoofdzaak bestemd is voor de jongelui, die met nog begeriger ogen naar de meisjes lopen te kijken. Zo drentelt, dreint en drenst men langs de straten en langzaam en met weerwil weer naar het werk toe. Maar als zij ’s avonds naar huis gaan, hebben zij opeens enkel weer haast. Niemand heeft tijd voor egards, niemand denkt aan anderen. Haasten, rennen, vliegen, thuis komen en zich neersmakken op een stoel, even zitten om weer weg te vliegen naar afleiding; vooral niet denken. Dan liever de tv, of de film. Amusement, opdat men niet zou hoeven te denken.

Is dit alles nog werkelijk leven? Heeft men nog begrip van de kunst om gelukkig en evenwichtig te leven? Laat een knap klein kind eens door de drukke straten lopen en zie toe, hoevelen daar op letten. Vraag u af, hoevelen zich de tijd gunnen om zich te zeggen: zo was eens ook jij? Wat is er nog over van het werkelijke leven, wanneer wij voor Gods zon vluchten, tenzij wij ons met flesjes Cola en hola-ho-la-lol bruin kunnen laten branden om anderen in de waan te brengen, dat wij naar de Riviera zijn geweest? Al deze dingen zijn waar. Wanneer je rond je kijkt, ontbreekt er kennelijk veel aan de kunst te leven. Dit is niet alles. Hoeveel mensen lopen niet voortdurend met lange gezichten, omdat zij iets, wat zij niet nodig hebben maar wel prettig vinden, eens voor een ogenblik moeten missen? Hoeveel zijn niet ongenietbaar, wanneer hun lievelingsfauteuil eens in de reparatie is, of het kleedje, dat zij zo graag hadden willen kopen, uitverkocht is?

Waarom dit alles? Er moet voor deze mentaliteit een reden zijn. De kunst geeft ons ook hier een antwoord. Heeft u zich wel eens bezig gehouden met de zogenaamde goede romans van de laatste jaren? Dan hebt u alvast uitgebreid vernomen, hoe de drensdruilerige dood langs de afgetrapte achtertrap naar boven sluipt om een onbegeerd einde te brengen aan hen, die in een roes leven, helemaal verkankerd zijn? Dan heeft u ongetwijfeld gelezen, hoe alle mensen niet deugen, terwijl de eeuwige driehoek overal bestaat en toch niet in staat is de mens van zijn eigen dwaasheden te overtuigen? Of heeft u een ander soort literatuur genoten, waarin de vrome pionier en de harde boer niet weten, wat vloeken is, maar steeds weer bidden en in diepste benauwdheid niets anders zuchten dan: “Heer, sta mij bij”. Waar is hier de werkelijkheid gebleven? Is dit niet precies hetzelfde als het ontvluchten van de zomerzon in een duister theater? Ontvlucht men ook hierin niet de werkelijkheid, zoals de mens maar al te graag de stille natuur met eigen geluiden en lawaai tracht te ontvluchten?

Klaarblijkelijk is de kunst van heden onder meer een onbewust geuite verklaring. Wij, mensen van heden, weten niet meer hoe te leven en willen toch niet sterven. Waar de zaken zo staan, lijkt het mij goed eens enkele punten op te sommen, die in de kunst van leven thuis horen.

  1. Elke mens, die klaagt, vervreemdt zich van de wereld, tenzij hij klaagt om het lijden van anderen.
  2. Elke mens, die zich de meerdere of de mindere van anderen acht, maakt het in de wereld zichzelf onmogelijk die wereld juist te aanvaarden, of door de wereld juist aanvaard te worden.  Men zal daardoor niet in staat zijn in het leven de contacten te winnen, die in feite het leven juist het leven waard maken. De mensen zijn over het algemeen bang voor het plechtige woord. Zij vluchten weg, wanneer het woord God valt, ofwel zijn zozeer gesteld op de grote woorden, waarin de werkelijkheid kan worden verborgen, dat zij geen normaal en realistisch woord willen horen.  Daarvan hebben wij ook hier wel last. Wanneer wij eens reëel spreken over de wereld en de toestanden daarop, zeggen er vele mensen: van die politiek moet ik niets hebben… . Wanneer wij spreken over de wijsheid van het verleden zijn er ook steeds weer mensen te vinden, die uitroepen: wat hebben wij daar nu aan…?
  3. Men dient in handelen en denken reëel te blijven, maar zich ook de geestelijke werkelijkheid voor ogen durven stellen, ook binnen het ik.
  4. Elke mens heeft zijn eigen weg te gaan, zijn eigen doel te bereiken.
  5. Men hoeft zich niet te veel aan te trekken over wat anderen zeggen.

U hebt uw eigen weg te gaan, zij hebben ook een eigen pad. De kunst van leven is hoofdzakelijk gelegen in het vermogen het goede, dat het leven eenieder biedt, ook werkelijk te aanvaarden en te genieten. Alles op zijn tijd natuurlijk en alles in zijn eigen waarde. Vandaag kan het een pastoor zijn, die ons roert door zijn vertellingen uit het evangelie van Lucas, of zijn diepgaande beschouwingen over de Openbaringen van Johannes. Morgen gaan wij misschien naar een circus, lachen om de clowns en huiveren bij het optreden van de trapezewerkers. Overmorgen ligt onze vreugde misschien in een thuisblijven en gezamenlijk met enkele anderen een potje kienen. Het is misschien wel kinderachtig, maar wanneer het ons vreugde geeft, is er geen enkele reden om het niet te doen. De dag daarop is het misschien een concert, dat ons beweegt.

Vandaag treft ons van Beethoven, morgen voelen wij wat voor Stan Kenton. Wat wij ook doen of laten, wij moeten zeer zeker leren ons leven niet door allerhande schotjes van vooroordeel te laten breken, tot voor onze persoonlijkheid geen werkelijke uiting meer mogelijk is. Dat geldt voor elke mens, als een zeer belangrijk deel van de levenskunst. De mens moet nu eenmaal in het leven een zekere vrijheid kunnen bezitten. Ook geestelijk dient deze vrijheid gehandhaafd te blijven.

Mensen, die zich aan een bepaalde geestelijke voorstelling binden, daarbij vaak geleid door een angst, maken zich daardoor vaak zó onvrij, dat zij de waarheid niet meer durven aanvaarden en het leven niet meer durven te beleven. Ook dienen wij ons niet aan vroegere uitingen of gedachten te zeer te binden. Er zijn mensen die al jaren lang hopen, dat de wereld nu eindelijk eens een keer ten onder zal gaan, want zij hebben immers gezegd, dat de wereld naar de haaien ging? Hun levensvreugde offeren zij dan aan een dergelijke voorstelling op. Dwaas.

Natuurlijk is er ellende genoeg in de wereld, is er voldoende dreiging, maar er zijn toch ook goede dingen? Is er naast de geestelijke kracht, die omwentelingen brengt en zo hier en daar misschien zelfs met ondergang dreigt, niet ook de Lichtende Kracht die in de mensen zelf werkt, die hen veilig stelt? Veilig en zeker in vele levens; levens wel te verstaan, en niet slechts in één enkel stoffelijk bestaan. Is het belangrijk, dat wij ons houden aan bepaalde dogma’s? Wanneer wij die kunnen aanvaarden, of dit gaarne doen, is er geen bezwaar tegen. Maar bovenal moeten wij toch weten het eigen denken en eigen leven op de voorgrond te stellen, want dat is de kenbare waarheid.

Een belangrijk punt in het leven is ook steeds weer het weten te offeren voor anderen. Niet omdat het offer voor die anderen zo belangrijk is, maar omdat slechts zo het ik de voldoening kan hebben iets voor anderen te betekenen. Alleen zo kan men zich één met de wereld gevoelen. De kunst van leven vergt ook, dat wij onze eigen belangrijkheid een beetje weten te bevorderen. Maar wat men met dit alles moet doen? De kunst geeft ook hier een oplossing. Er zijn mensen geweest, die menselijkheid, politiek en kritiek onder wisten te brengen in hun werken op aanvaardbare wijze. Dante wist op de ommegangen van de Louteringsberg heel wat politieke vijanden aan de kaak te stellen. Swift wist in zijn schilderingen van Brobdingnag en de andere vreemde landen, waar hij zijn held doet belanden, een vermakelijke, maar daarom niet minder juiste karikatuur te tekenen van de werkelijkheid. Opvallend is dat in deze werken nooit sprake is van hopeloosheid of van resignatie. Voor Dante ligt de bekroning van het werk in de Hemelweide, waar hij Beatrijs ontmoet. Voor Gulliver ligt het geluk niet zozeer in de terugkeer naar huis, enkel, als in de mogelijkheid ook weer nieuwe avonturen te gaan beleven. Zo geven de werkelijk belangrijke schrijvers niet alleen een beeld van hun heden, maar ook van een hoop voor de toekomst. Men geeft altijd weer de idee van een nieuw leven, een nieuw gebeuren. Ik doel hiermede niet op het hopeloze einde, dat ook wel “happy end” wordt genoemd.

Dit is slechts een conventioneel ontduiken van werkelijke problemen. Vandaar, dat zo menig gelukkig einde wordt gevormd door de beschrijving van een huwelijksplechtigheid. De ruzies en problemen, die daarna ontstaan, laat men dan maar liever buiten beschouwing. Zoiets is niet reëel. In het leven heeft men niet alleen een behoefte aan het kennen van wat er nu gebeurt, maar ook aan een innerlijke zekerheid, de overtuiging, dat ons verhaal verder zal gaan. Deze hoop wordt op het ogenblik zwaar bedreigd door topconferenties, H-bommen en dergelijke onaangename tijdsverschijnselen. Er dient in de wereld iets te bestaan, dat verder gaat dan deze stoffelijke zorgen. Het leven kan toch niet in stof en geest zozeer beperkt zijn, dat de dreigingen van één enkel ogenblik, of de dwaasheid van één enkel geslacht, het leven geheel waardeloos zou maken.

Hopeloosheid schijnt ook het hoofdthema van menig kunstenaar te vormen en menige kunstenaar heeft de wijsheid en kunst van het leven klaarblijkelijk vergeten in een hopeloos “laat ons nog even genieten vóór de wereld ondergaat”. De kunst van het leven is boven alles intens deel weten te nemen in alle dingen van het leven. Voor de kunstenaar geldt dit ook. Onverschillig, of hij een schlager, een concertino, een schilderstuk, of een reclametekst schrijft, of een roman in drie delen, hij dient als leidraad daarbij steeds weer in het oog te houden, dat voor mens en geest iets beters is weggelegd. Er ligt voor de mens een betere toekomst te wachten. Deze zekerheid moet zelfs doorademen in het werk van schrijver, schilder en musicus.

Want wanneer zij geschapen hebben, dienen ook zij te zeggen: ik heb het werk voltooid en ben er niet ontevreden over, maar nu pas komt mijn opus magnus, nu pas komt het grootste werk… Alleen op deze wijze kun je bouwen voor de eeuwigheid. Alleen op deze wijze kan de mens beantwoorden aan de eisen, die het kosmische leven stelt, ook aan de mens, die nog op aarde leeft.

Daarnaast hebben wij werkelijkheid nodig. De eerlijkheid van de kunstenaar, die toe weet te geven dat hij maar wat geknoeid heeft, de eerlijkheid van de mens, die toe weet te geven dat hij in zijn leven vele dingen verkeerd heeft gedaan. Ik wil mijn betoog besluiten met een raad, die voor de mens zowel als voor de kunstenaar geldt. Wanneer je fouten maakt, erken ze, maar treur er niet te veel over. Maak ja niet druk over het feit, dat die fout gemaakt is, maar leer er uit en zorg er voor het een volgende maal beter te doen. Op deze wijze ligt er voor iedereen altijd een beter en volmaakter bestaan achter de horizon en brengt het leven buiten alle andere goede dingen ook de bevrediging van een steeds wijzer worden, reeds in het heden. Grijp nooit terug naar het verleden, tenzij om er uit te leren. Grijp nooit vooruit naar de toekomst, tenzij om datgene te doen, wat het heden reeds in relatie daarmee mogelijk maakt. Ga zonder berouw en zonder luchtkastelen zo reëel mogelijk door de wereld. Erken in die wereld wel steeds de waarden van stof en geest als gelijk en voortdurend aanwezig. Dan zal men werkelijk kunnen bereiken, wat belangrijk en noodzakelijk is op het pad: bewustwording, inwijding, éénwording met de kosmos.

  • Bij uw laatste raad dacht ik aan de “Unvollendete” van Schubert. Ik denk, dat hij bij het geven van deze titel ongeveer hetzelfde moet hebben gedacht.

De oplossing is mooi gevonden. Het is jammer genoeg zo, dat Franz zelf er niet toe is gekomen dit werk deze titel te geven, dit hebben zijn vrienden gedaan, want zelf heeft hij dit werk niet kunnen voltooien. Toch is uw opmerking niet geheel zonder zin. Bij geheel het werk, dat wij van Schubert kennen, mag wel gesteld worden, dat juist in deze “Unvollendete” de meeste belofte ligt. Mogelijkerwijze bevat zij juist deze belofte, omdat zij niet voleind is. De mens is ook geen voltooid wezen, daarom kan hem juist dit niet-af-zijn-van-het-werk misschien meer dan normaal lokken en sterker tot hem spreken.

Verantwoordelijkheid bij vrijheid en gebondenheid

Vrijheid en gebondenheid zijn in feite beiden identiek met verantwoordelijkheid. Ben je vrij, dan ben je geheel verantwoordelijk voor alles, wat je doet ten overstaan van anderen. Ben je gebonden, dan ben je aan de meester, aan wie je gebonden bent, ook verantwoording schuldig voor alles, wat je volbrengt. Het verschil is erin gelegen, dat de vrije mens alleen de verantwoordelijkheid draagt, maar dan ook geheel, voor zijn eigen besluiten. De gebondenheid draagt een gedeeltelijke verantwoordelijkheid voor besluiten, die door anderen zijn genomen.

Nu is het in het leven voor velen eenvoudiger anderen de moeite van het besluiten nemen op te leggen. Het is prettig, wanneer de sterke man, de wijze meester, of de Goden ons voorgaan en zeggen, wat wij moeten doen. Wanneer wij dit alles zonder kritiek aannemen, moeten wij daarvoor een groot deel van ons eigen wezen verloochenen. Hierdoor komen we tot fouten in verband met de macht, die wij volgen. Wij zullen dus falen. Hierin zullen wij voor onszelf vele onaangenaamheden ervaren en gelijktijdig anderen onrecht doen, anderen die overtuigd waren dat wij alles zouden volbrengen volgens het woord, dat wij gegeven hebben, volgens de binding, die wij hebben aanvaard. Dit blijft bestaan, of wij nu tegen eigen wil slaaf zijn, of wel uit vrije wil dienstbaar.

Wanneer wij werkelijk vrij zijn, komt voor ons de grootste verantwoordelijkheid die bestaan  kan: De verantwoordelijkheid tegenover onszelf. Is de mens die gebonden is, verantwoordelijk tegenover anderen, zo kan hij altijd de grootste verantwoording afschuiven op de meester, de massa, de leiding. Degene, die werkelijk vrij is, is niet alleen verantwoordelijk voor een taak, die hij op zich heeft genomen, maar ook voor het feit, dat hij deze taak op zich nam. Vrijheid is dan ook in feite de vrijwillige, maar ook de grootste gebondenheid, die er maar kan bestaan. Een mens die werkelijk geheel vrij is en toch een besef heeft van het leven, de Goddelijke wetten en de eeuwige krachten, zal dan ook de verplichting rijzen meer te doen dan iemand, die alleen maar een beperkte weg gaat onder het gezag van anderen.

Wij kunnen het dan ook wel met elkaar eens zijn, dat vrijheid niet datgene is, waarvoor de meeste mensen het houden. Vrijheid is het dragen van verantwoording voor elke binding, die je aanvaardt; zonder bindingen leven blijkt onmogelijk. In vele opzichten is de slaaf, of gebondene, daarom gelukkiger. Hij wordt wel gedwongen vele taken te volbrengen, of wetten in te houden die niet zijn eigen keuze zijn. Hij kan echter nooit voor het al of niet slagen van zijn leven, of taak, helemaal verantwoordelijk geacht worden, daar de directe verantwoordelijkheid dan ligt bij degene, die hem zijn bevelen geeft.

Om duidelijker te zijn wil ik nog twee voorbeelden geven in de tijd en twee verschillende toestanden in het heden. In de oudheid was men als ridder vaak aan een landheer of baron gebonden. Men was als zeeman gebonden aan de kapitein. Men was niet vrij. Wanneer in het eerste geval de landheer het in zijn hoofd kreeg een oorlog te gaan voeren – ook wanneer daarvoor geen reden bestond, zodat dit op zich een onrecht was – moest de ridder mee optrekken. Dit was zijn plicht. Hij diende hier desnoods zijn leven voor te geven. Voor hem was niet belangrijk in hoeverre de strijd recht of onrecht was. Hij was alleen verantwoordelijk voor dat deel van de strijd, dat hem door zijn heer werd opgedragen. Dit is natuurlijk betrekkelijk gemakkelijk.

Daarnaast vinden wij in het verleden perioden van betrekkelijke vrijheid. Rond 1900 was het een arbeider geheel vrij te besluiten, of hij, en zo ja, hoe hij zou gaan werken, dan wel verhongeren. Een beperkte vrijheid, maar iets, waarin voor hem toch bepaalde mogelijkheden gelegen waren.

Deze mensen namen geheel vrijwillig verplichtingen op zich, bv. in bepaalde organisaties. Men deed deze keus, omdat men verlangde te verwerkelijken, wat de organisatie voorstond en verkoos deze taak geheel uit zich. De arbeider was dan ook niet alleen verantwoordelijk voor het volbrengen van hetgeen de organisatie hem oplegde, maar ook voor het voortbestaan van de geest van de organisatie. In vele gevallen bracht hij ook veel grotere offers, dan enige organisatie ooit van iemand zou durven eisen. Door het juiste gebruik van de vrijheid die men hem liet, hervormde hij een groot deel van de samenleving en bracht voor zich en zijn nageslacht een toestand in aanzijn, die beter en meer in overeenstemming met zijn denken was. De dienaar van de roofzuchtige baron bracht hoogstens dood, vernietiging en leed door het volbrengen van hetgeen hij in zijn gebondenheid als plicht aanvaardde. Er kan een groot verschil van verantwoordelijkheden bestaan, ofschoon in beide gevallen van een persoonlijk verantwoordelijk zijn sprake is. De vrije heeft het moeilijker, maar bereikt over het algemeen meer.

Nu zullen wij de kwestie van verantwoordelijkheid eens bezien in de verhoudingen van heden. Ik stel hier, dat ik te maken heb met een regeringsfunctionaris in een absolutistische staat. Deze man heeft alleen maar te doen, wat hem gezegd wordt. Wanneer vandaag een ieder, die aan Lenin heeft geloofd, om hals moet worden gebracht, dan is dit – het geweten buiten beschouwing latende – zijn plicht. Wanneer hij morgen opdracht krijgt een ieder te doden, die aan Stalin heeft geloofd, dan zal hij dit even vrolijk doen. Hij belet daarmee de mensen een werkelijke mening te hebben. Ook belet hij de mensen in het leven werkelijke vreugde te vinden. Wanneer hij zonder gevoelens of inzicht is, zal hij het volbrengen van de orders zien als zijn enige verantwoordelijkheid. Overigens mag ik hieraan toevoegen, dat alleen daar, waar de mensen werkelijke vrijheden bezitten, zij ook werkelijke interesse zullen tonen. Voor hetgeen de functionaris doet, kan hij alleen indirect verantwoordelijk worden gesteld.

Daar tegenover stel ik een vrije staatsman. Deze kan zich niet beroepen op de besluiten van zijn voorgangers. Hij is op dit ogenblik zelf aansprakelijk en heeft vrijwillig deze aansprakelijkheid op zich genomen. Hij zal de problemen van het heden op moeten lossen, niet zoals men deze ziet, maar zoals hij deze ziet. Hij zal daarbij handelen en ingrijpen, zo goed hij kan en ten voordele van anderen. Maakt hij hierbij fouten, zo moet men hem voor deze ook persoonlijk aansprakelijk stellen, want hij is het, die de fouten gemaakt heeft en is ook daarvoor geheel aansprakelijk.

Slaagt hij, dan is dit ook alleen zijn verdienste en zal men dit openlijk moeten erkennen.

Wanneer een dergelijk vrij staatsman inzicht heeft in de behoeften van de staat en begrip voor de waarden, die in de mensen leven, kan hij onsterfelijk worden als bv. Abe Lincoln. Het is daarbij niet belangrijk, dat hij ook altijd gelijk heeft. Het integer dragen van de verantwoordelijkheden, die hij op zich genomen heeft, het vrijwillig dienen van volk of staat, kan hem soms zelfs maken tot een levende legende als bv. Winston Churchill. Deze laatste was zeker geen kundig staatsman in de zin van kundig op politiek en economisch terrein, en degelijke. Hij is een vrij mens die zich verdienstelijk maakte en zo geheel zich dienstbaar maakte aan hetgeen hij als het hoogste belang zag, zodat hij hieruit een overtuigings- en zeggingskracht won, die zijn fouten in het niet deden verdwijnen. Zijn vasthoudende dienstbaarheid en vrije aanvaarding van verantwoordelijkheid maakte het hem mogelijk dingen tot stand te brengen, die voor haast iedere andere staatsman onder dergelijke omstandigheden onmogelijk zouden geweest zijn.

In tegenstelling tot de staatsbeambte, die gebonden is, heeft dus de vrije staatsman een zeer grote verantwoordelijkheid en is de mogelijkheid van een persoonlijk falen groot. Maar als een vrij mens die de gemeenschap dient, uit eigen wil en naar eigen overtuiging, maakt dit hem ook tot een mens, die als enige de wereld verder kan brengen en de mensheid groter maken. Dit geldt natuurlijk niet voor degenen, die wel zeggen vrije staatslieden te zijn, maar voortdurend problemen trachten te omzeilen, in de doofpot te duwen, of buiten eigen verantwoording te plaatsen. Dezen zijn immers slaven van hun eigen angst. De verantwoording, die zij de wereld zouden moeten geven, wordt dan ook pas na tientallen, soms zelfs honderden jaren voor anderen duidelijk. De gevolgen van een falen is bij de laatsten vooral voor de anderen, de mensen, die in hen vertrouwden, zeer groot.

Vrij zijn betekent voor onszelf en vanuit onszelf besluiten nemen. Zelf de dienstbaarheid aanvaarden, waar wij ons één gevoelen met de mensen, zelf offeren en niet slechts offers van anderen vergen, op eigen verantwoording handelen en vooral eerst jezelf offeren, voor je een offer van anderen vergt. Zo te leven is tevens bereiken, wat het grootste op aarde is: een vrij verlicht mens te zijn, die open kan staan voor geestelijke krachten, die groter zijn dan een gebondene zich ook maar voor kan stellen. Vrij zijn betekent ook inzicht en wijsheid verwerven, die ver gaan boven hetgeen men in bepaalde situaties zou kunnen, of mogen verwachten.

De vrije mens draagt een grote verantwoordelijkheid, maar kan anderen veiligheid, vrijheid, geluk en vrede geven. Gebonden zijn betekent ook een verantwoordelijkheid dragen. Immers, het aanvaarden van gebondenheid uit gemakzucht maakt ons reeds schuldig, doordat wij vele daden zullen stellen tegen onze eigen inzichten en overtuiging, vele handelingen zullen verrichten, zonder dat wij daarvoor een werkelijke reden hebben.

Daarnaast zullen wij steeds schuldig blijven, omdat wij nooit helemaal in staat zullen zijn de ons opgelegde taak met de juiste intentie en helemaal te volvoeren. Voor alle mislukkingen hierdoor zullen wij aansprakelijk zijn. Het ergste is, dat wij in ons niet beseffen van de werkelijkheid, ons opvolgen van bevelen zonder nadenken, vooral anderen ongelukkig maken en doemen. Ook hiervoor zullen wij dan geestelijk de aansprakelijkheid dragen. In een dergelijk geval zal het Licht, dat wij even kunnen aanschouwen, voor ons al heel snel doven, zodat wij in een halfduister vertwijfeld terug trachten te grijpen naar het enkele moment van persoonlijke waarheid, dat wij in ons leven misschien gekend hebben. Dat moment is dan een ogenblik, waarin wij onze gebondenheid geloochend hebben, om buiten die binding voor een kort ogenblik te trachten tot een bereiken te komen.

Moderne inwijding

Gezien de ontwikkelingen van ons werk in de laatste tijd zou ik gaarne willen spreken over: Moderne inwijding.

Dit onderwerp is in zekere zin esoterisch, daarnaast heeft het ook exoterische betekenis en waarde. De gedachte aan inwijding is zeer oud. Zij bestaat hoofdzakelijk in het doorgronden van geheimen. De grootste geheimen, die wij kunnen doorgronden, zijn de geheimen van ons eigen wezen, want in ons is de Goddelijke werkelijkheid geopenbaard. In elke tijd wordt de inwijding in een nieuw gewaad gestoken en met nieuwe mogelijkheden. Was in de verre Oudheid de inwijding in de eerste plaats het contact met hogere geesten, zo werd zij later een reeks van verborgen wetenschappen, die voor een groot deel op stoffelijk terrein bleven.

In de middeleeuwen vormde zich de inwijding opnieuw en met nieuw gewaad. Zij bestond toen hoofdzakelijk uit reeksen van symbolische handelingen en daarmede verbonden werkingen.

Hierbij ging men eerst zoeken naar zelfkennis, terwijl daarnaast werd gezocht naar het systeem in de kosmos. De huidige tijd bracht opnieuw de noodzaak de inwijding een nieuwe gestalte te geven.

Allereerst dienen wij ons te realiseren, dat een inwijding op het ogenblik niet meer op een uitsluitend materieel terrein plaats kan vinden. Daarnaast zal het een ieder duidelijk zijn, dat werkelijk en innerlijk weten afhankelijk zullen zijn van de grote verschillen tussen goed en kwaad. De uitersten van goed en kwaad zijn – gezien de steeds grotere bevolkingsdichtheid van de wereld, de technische ontwikkelingen der laatste jaren en de problemen, die op menigerlei terrein ontstonden – juist nu zeer belangrijk. In de magie van het oude China sprak men over de twee draken: de witte en de zwarte draak. Ook in deze tijd kan men nog spreken over witte en zwarte krachten. Heden kan men zich verder energie en energieverbruik voorstellen als de belangrijkste esoterische uitingen van de Goddelijke krachten, die zowel in de geopenbaarde schepping als in de mens schuilgaan.

Zo zal de moderne inwijding in de eerste plaats een innerlijke ontwikkeling dienen te eisen, gepaard gaande met een steeds sterker aanvoelen van krachten. Was in de Oudheid een goed verstand als begin voor een inwijding vaak al voldoende, in deze dagen zal de mens moeten kunnen beschikken over een zekere mate van sensitiviteit, dan wel een zekere mate van sensitiviteit dienen te ontwikkelen, voor hij verder kan gaan op het pad, dat voert naar de absolute waarheid. De gebruiken van de Oudheid brachten het besloten zijn van de inwijding sterk op de voorgrond. Hierbij bracht men de mens in contact met de verleiding en hetgeen men wel zonde noemt. Door het overwinnen van deze beproevingen en het overwinnen van eigenschappen als angst en lafheid kon men dan komen tot een rijpheid en aanvaarden, waarbij de onmiddellijke Goddelijke krachten – zonder dat deze overigens geheel verwerkt of begrepen werden – konden indringen in het wezen om zo de ingewijde te maken tot voertuig van een veel grotere kosmische kracht.

In deze dagen kan een inwijding niet meer op deze wijze plaats vinden. Wel hebben oude inwijdingstechnieken in deze dagen nog enige betekenis behouden, doch zij werden deel van organisaties, die – ofschoon esoterisch ingesteld – de grote geheimen niet onmiddellijk kunnen of mogen openbaren. Waar het inwijdingsritueel vaak reeds voor de lagere graden van dergelijke groepen gebruikt wordt, kan een dergelijke symboliek niet meer als voldoende gelden voor degene, die geestelijk verder trekt. Gezien de sociale structuur is het maken van grote reizen, de afzondering etc., die vroeger als belangrijk deel van de inwijding golden, haast niet meer mogelijk en is ook de waarde daarvan dubieus geworden. Het is op het ogenblik haast niet mogelijk je 40 dagen geheel in retraite terug te trekken, eenzaam met de natuur. Dit zou reizen vergen naar zeer verre landen, waarbij de vreemdheid van de omgeving een te grote afleiding zou scheppen om een intens geestelijk beleven hiermede zonder meer te verbinden. Daarom gelden in deze dagen voor de inwijding onder meer de volgende fasen:

  1. De beproeving.

Deze is niet meer een proeve van stoffelijke beheersing, maar gaat eerder in de richting van een onderzoeken, hoever de belangstelling van iemand in een bepaalde richting zou kunnen reiken, hoe consequent deze mens zich aan de opgedane ervaringen en kennis weet te houden. Daarnaast dient voor alles wel na te worden gegaan, waarvoor de persoon in kwestie zijn gaven zou willen gebruiken. De persoon, die op deze wijze wordt beproefd, zal in geen enkel direct contact met de werkelijke inwijders worden gebracht. Degenen, die hem beproeven, helpen, of vergezellen, zijn verder ook niet kenbaar als leden van een bepaalde groep of groepering. Eerst wanneer deze eerste fase op voldoende wijze doorstaan is en ook proeven zijn afgelegd binnen het kader van de denkwijze of godsdienst, die de persoon oorspronkelijk aanhing, gaat men verder.

  1. Persoonlijke ervaringen.

Hier vinden wij ervaringen van de meest uiteenlopende soorten, die allen tezamen tot doel hebben de mens meer beheerst en vrijer te doen staan in het leven. Zij omvatten onder meer drie perioden van betrekkelijk rijkdom en betrekkelijke armoede. Seksuele contacten en mislukkingen daarvan. Het vormen en verbreken van vriendschapsbanden. Daarnaast zien wij in vele gevallen de mogelijkheid tot reizen of ervaringen, die als avonturen kunnen worden omschreven. In deze fase dient de mens zich te ontwikkelen. Hij moet, gezien de kennis die hij reeds heeft opgedaan en de levensinhoud, die hij langzaamaan wist te verwerven, nu komen tot een toepassing onder buitengewone omstandigheden van het geleerde. Ook dan zal hij nog geen direct contact hebben met inwijders. Wel zal men hem in vele gevallen een steun geven, waardoor hij geestelijk wat actiever wordt.

  1. Deze fase brengt ons dichter bij de oude wijze van inwijding. Hierbij worden namelijk de zogenaamde sleutelproeven afgenomen. Een sleutelproef bestaat uit het verschaffen van een bepaald woord, dat indruk maakt, maar vaak niet eens geheel begrepen wordt. Soms is er sprake van klanken, melodieën, boekwerken, die in het wezen een eigenaardige beroering tot stand brengen. Heeft men de proeven ondergaan en blijkt, dat men mede hierdoor geestelijke rijpheid weet te verwerven, dan krijgt men eindelijk voor het eerst een beter contact met personen, die behoren tot de adepten, of ingewijden. Meestal zijn dezen nog niet vol ingewijden. In enkele gevallen zullen het eerder leerlingen zijn, die het contact opnemen.

Nu breekt een periode van discussies aan. De mens moet door spreken over en vechten met anderen op esoterisch terrein, zijn innerlijke overtuiging voor zich juister groeperen. Het wordt hem daarbij vaak erg lastig gemaakt, daar men in vele gevallen de esoterie nog weer weet te kruiden met stoffelijke elementen. In deze periode treden ook droombelevingen op, die voor een deel bewust zijn. Wordt ook deze proef op redelijke wijze doorstaan, dan volgt een eerste inwijding. Deze is niet, zoals in het verleden, een grootste plechtigheid. Zij wordt ook niet onmiddellijk stoffelijk geleid of veroorzaakt. Wel zal men over het algemeen, kort voor een dergelijke ervaring plaats vindt, contact hebben met personen, die – in de stof levende – deel uitmaken van een esoterische groepering en die daarin een inwijding gehad hebben.

De belevingen zijn een confrontatie met het Goddelijke Licht, het verwerven van een overzicht omtrent eigen leven en de doelloosheid daarin. In de meeste gevallen is er verder sprake van een sterke confrontatie met bepaalde delen van het ik. Vergroting van zelfkennis, maar ook een verheffen van het bewustzijn boven het beperkte ik, zijn in deze fase voor een slagen beslissend.

De mens heeft het gevoel van kracht. Hierin wordt hij vaak op onopvallende manier gebracht tot hetgeen men in deze dagen wel geestelijk werk pleegt te noemen. Men geeft zo iemand de kans anderen te troosten, te helpen in hun verwarring, hen waarheden te zeggen, mensen te genezen en al wat dies meer zij. In sommige gevallen wordt in deze periode ook degene, die de inwijding ondergaat, uitgekozen voor werkzaamheden, die dan vaak nauw omschreven worden.

Zij kunnen vele verschillende vormen aannemen. Onder deze taken kan evengoed sprake zijn van sociaal werk, priesterschap, werkzaam zijn als medium, esoterisch leraar, als van andere minder opvallende taken. Dit alles vindt plaats in betrekkelijk exoterische groepen. Van hieraf gaat de ontwikkeling versneld voort. Men wordt voortdurend geconfronteerd met de beperkte betekenis van eigen werkzaamheden. Men ervaart ook steeds weer eigen krachten als groot in verhouding tot de omgeving, terwijl men zichzelf daarentegen juist hulpeloos en machteloos gevoelt, daar, waar men gaarne zou willen helpen. Hieruit dient een aanvaarden van de hogere krachten voort te komen. Deze fase, vooral wanneer de voltooiing nadert, brengt vreemde contacten met zich. Wij zien in deze gevallen de mensen bijeenkomen in kleine groepjes, die seanceren, discussiëren, of experimenteren op geestelijk, maar ook op ander terrein. Hier ontmoet men enkele ingewijden. Wie die ingewijden zijn, weet men over het algemeen niet. Dat beseft men pas veel later. Binnen deze kleine groepen, die nooit openbaar zijn en weinig leden tellen, komt men dan tot een juister begrip van eigen leven en een nauwkeuriger definitie van eigen instelling en taak.

Is dit alles bereikt, dan volgt de eerste grote inwijding, welke de mens in een direct blijvend contact met niet stoffelijke machten brengt, als ook met in de stof werkende ingewijden. Deze contacten zijn zeer interessant. De mens zal vooral in zijn rust- en slaapperioden, maar ook tijdens kleine meditaties zichzelf innerlijk onnoemelijk verrijkt gevoelen. Contacten met figuren, die gelijksoortige inwijdingen doormaken, of juist doorgemaakt hebben, komen nu veelvuldiger voor. De activiteit wordt nu omgeschakeld van direct stoffelijke bezigheden als genezing en dergelijke naar, althans voor een deel, zuiver geestelijk werken. De gedachteconcentratie speelt hierbij een grote rol.

Tijdens deze periode zien wij ook ontmoetingen, met wat ik de zwarte draak zou noemen. Men wordt dan met zijn mogelijkheden geconfronteerd, die voor de mens een mogelijkheid tot het verwerven van grote macht inhouden, het verwerven van veel bezit. Maar daartoe dient men dan de grote waarde te verloochenen, die men zich tot dan toe verworven heeft. In deze periode valt ongeveer één derde tot de helft van het aantal inwijding zoekenden af. Ofwel zij falen en komen niet verder, of wel – een kleiner percentage – kiest de weg van het duister en gaat dus voor zichzelf werken. Men gaat dan eigen gaven ook helemaal ten eigen bate exploiteren en alles, wat daarbij behoort. Degene, die overblijft, krijgt één van de vaste taken.

Voor het eerst wordt de taak niet meer opgelegd zonder meer, maar heeft men het recht een taak te aanvaarden, of te verwerpen. In vele gevallen wordt een keuze mogelijk tussen meerdere taken. In de meeste gevallen hebben deze taken tevens het karakter van een soort contract. Men verplicht zich deze taak als een roeping te volgen voor een bepaalde periode. Stel, dat iemand een bepaalde missietaak heeft gekozen. Men verplicht zich dan tenminste 3, 5, 7, of 9 jaren in deze missie werkzaam te blijven. Vaak heeft men daarbij een zekere optie, zodat men na rijping van eigen inzichten, desgewenst hetzelfde werk nog voor langere tijd zal kunnen ondernemen.

In deze periode vindt de ingewijde verder een contact met hogere krachten. Er is met u gesproken over de Witte Broederschap. Het is in deze fase van ontwikkeling, dat een geheel bewust werken met, of voor deze Broederschap, evenals een kennen van leden daarvan, optreden kan. Eventuele verlenging van contract en taak houden niet in, dat de geestelijke vooruitgang op een bepaald peil blijft staan. Men zal in vele gevallen belangrijke beproevingen moeten ondergaan. Elke reeks van beproevingen is er dan op gericht om de mens te toetsen en te zien, of hij in staat is een grotere verantwoording te dragen. Is het antwoord bevestigend, dan krijgt hij een direct contact met hogere ingewijden en zal voor het eerst in mondelinge leringen verdere lessen ontvangen. Tot op dat ogenblik heeft men niet geweten, wie de werkelijke meester of leraar is. Evenmin heeft men geweten, wie degenen zijn, die inleiden in dit werk.

Zijn de beproevingen doorstaan, dan maakt de ingewijde ook met hen kennis. Hij leert hen van mens tot mens kennen. Verder leert hij ook degenen, die hem in het bijzonder geestelijk bij zullen staan, kennen. Hij wordt ingeleid in een bepaalde afdeling. Hierbij geeft men hem de beschikking over juistere werktuigen. Dit kunnen gaven van de geest zijn, maar soms ook stoffelijke middelen. Men kan hem ook rijkdommen geven, of een bepaalde zuiver stoffelijke bekwaamheid. Hiermede zal hij nu verder gaan werken. De uiterlijke werking van de moderne inwijding is soms vreemd. De ingewijde kan evengoed een voetbalheld, een autorenner zijn, als een belangrijk priester, of een schijnbaar onbelangrijke filosoof. Toch zal de ingewijde in deze fase in de ogen van anderen een zeker belang bezitten.

Pas wanneer hij in het verdere verloop van de inwijding ook geheel in zichzelf doordringt en voor het eerst zichzelf volledig leert kennen, kan hij zich bewust uit de openbaarheid terugtrekken. Hij blijft dan als mens leven, maar doet niemand meer vermoeden, dat hij op enigerlei wijze met geestelijke richtingen of werkingen verbonden is. Slechts zij, die een zeer bijzondere taak hebben aanvaard, maken hierop nog een uitzondering.

Dan, door de verdieping van beleving en de grote zelfkennis, wordt het leven langzaam tot een actief leven in meerdere sferen, waarbij de activiteiten in boven de stof gelegen sferen toe zullen nemen, naarmate de eigen inwijding verder zijn laatste voltooiing nadert. Op den duur leert men te zien – te lezen – in de harten der mensen. Heeft men dit eenmaal bereikt, dan volgt de laatste fase van de inwijding. Deze bestaat uit een volledig bewuste ontmoeting met het Witte Licht, of, zoals wij het zeggen, de Witte Draak. Hierin voelt hij voor het eerst bewust, waar hij tegenover staat. Dan kan hij ook voor het eerst overzien, waarvoor hij werkelijk werkt. Daarbij kan hij voor het eerst bewust bepalen en kiezen, hoe en welke krachten hij uit dit Licht zal gaan gebruiken of ontvangen. Van daaruit zijn er nog slechts enkele schreden tot het einde der inwijdingen, waarin men alle werelden en sferen samenbrengt tot één levensbereik. Van hieruit zien wij onder meer de grote adepten, die tot de stof terugkeren, daar tot leraar worden, of in de geest blijvende, de beschermers worden van bepaalde mensenrassen. In de beste gevallen kunnen dergelijke adepten worden tot de beschermers van nieuw ontstane planeten, dan wel tot de bezielende kracht van een nieuw geboren ster.

U zult begrijpen, dat deze moderne inwijding in zeer vele gevallen zal moeten verschillen van de Oudheid. In de eerste plaats al: Het geheim is niet meer buiten u gelegen en dus is het ook niet meer de tempel, of de sombere crypte onder de tempel, waarin het eerste geheim verborgen ligt. De gehele wereld zelf wordt voor de moderne mens tot tempel. Het gewelf van de huidige tempel is het hemeldak, de crypte is geworden tot de verborgenheid van het menselijke denken. Hierin zal de ingewijde zijn ervaringen door moeten maken. Ik hoop u met deze korte beschouwing iets meer te hebben verteld over een proces, dat zich in toenemende mate afspeelt op deze wereld, de selectie en inwijding van personen, die rijp zijn voor een rijker en beter geestelijk leven.

Elke mens voor zich zal begeren dit alles te bereiken, maar deze begeerte op zich kan nooit bepalend zijn. U wordt niet door uw begeerte tot ingewijde, noch is uw begeren belangrijk bij een keuze. Het evenwicht, dat bestaat tussen uw uiterlijk en innerlijk leven, de wijze, waarop u de beproevingen van het leven weet te dragen, zijn hier van een veel groter belang dan een bepaalde, denkrichting, filosofie, of verlangen. Er bestaan over de inwijding vele verhalen. Sommigen beschrijven ons, hoe een vlinder naar de zon gaat en terugkeert om te sterven op de aarde, om daar te sterven in de laatste zonnestralen. De ingewijde zal beseffen, dat het niet altijd zijn taak kan zijn om het Licht te bereiken, maar juist zijn, in eigen ogen zo onbelangrijk, levensdoel helemaal te vervullen, opdat het geheel van de kosmos niet verstoord worden. Andere verhalen over ingewijden verhalen ons over mensenzielen, die inkeren in bomen, wonen in bergen, of met de adelaar zwerven door de hogere luchten, wetende en ziende als mensen, maar zijnde in een andere vorm. Ook hier horen wij steeds weer, hoe zij terugkeren naar de menselijke vorm en het menselijke probleem, omdat voor de inwijding het mens-zijn de meest belangrijke fase is.

Er was eens een land vol rijkdom. Wanneer de grote rivier zich traag naar de zee spoedde, zo bracht zij uit de bergen kostbare mineralen aan en vruchtbare grond. Aan de oever werden deze gaven tot voedsel voor planten, zo schoon, als men zo nog nergens ter wereld had gezien. Het volk, dat er woonde, bouwde zich porseleinen steden en had tronen van goud gemaakt voor zijn vorsten. In de tempels baden de geel geklede monniken en spraken de wijsheden der Oudheid, wierpen de orakelstokken en verkondigden alles, wat er in de toekomst zou gaan gebeuren. Nu zou men denken, dat de mensen van dit volk zeer gelukkig waren, maar wanneer de tempelbel zijn porseleinen klanken liet horen, of het zware brons van de gong zinderde door de paleizen, werd er in deze mensen een weemoed wakker.

Zij besloten verder te gaan, zij wachtten op elk voorteken en door tekenen lieten zij hun weg bepalen. Zij dwaalden door de woeste streken, waar rovers huisden, zij betraden de vreemde landen aan de bronnen der rivieren, waar de geesten rondgaan als mensen, en dieren in mensengestalte als spoken met de levenden hun spel drijven. Overal zochten zij, maar wat zij zochten, konden zij niet vinden. Zo keerden zij naar hun land terug, en besloten een poging te doen om het hoogste te bereiken. Zij bundelden hun geestelijke krachten tezamen en verzamelden hun verlangen en zoeken. Dit alles wierpen zij uit naar de zon. Zoals de legende zegt: De zon werd beroerd door hun pogen en uit zich wierp zij een felle straal. Daarop versmolt het porselein der steden en werd tot steen, het goud van de tronen smolt en werd teruggedreven in de bodem. De grote rivier verdroogde, bracht geen water meer, geen schatten en geen vruchtbaarheid. Ook de oogst was geheel verschroeid.

Toen klaagden de mensen, die daar woonden en vroegen zich af: Wat zal er met ons geschieden? Sommigen vluchtten naar de verre bergen terug. Daar werden zij tot een volk, dat mens noch dier meer is. Anderen trokken naar het zuiden en verkondigden daar de leer van hun profeten. Zij werden vaak de stichters van godsdiensten en meesters van tempels en kloosters, maar een vernieuwing brachten ook zij niet. Eén enkeling bleef ter plaatse. Deze was wijs en sprak tot zich: “Er moet voor dit alles een reden zijn, dat één poging is mislukt, kan niet liggen aan de zon, aan de geesten en de Goden…”. Daarom hurkte hij neer te midden van de verdroogde en verbrande wereld, en zocht naar de waarheid. Toen de dorst hem dreigde te doden, borrelde er uit het droge zand naast hem een kleine bron op. Klein was die bron, zo klein, dat één enkele mens met al het vocht, dat er op welde, ternauwernood in leven kon blijven. De mens dacht na. Toen hij hongerig werd, zo werd hem ook voedsel gegeven. Kleine gewassen groeiden rond de bron. Veel was het niet, maar tezamen waren zij genoeg om een mens niet van honger te laten sterven.

De mens zocht verder naar de fout. Hij zocht in zichzelf. Men zegt, dat hij 160 dagen neerhurkte daar bij de kleine bron, denkende en zoekende. Toen werd zijn geest verlicht en kende hij het geheim. Zij, die woonden in het rijke land met de porseleinen steden en de gouden tronen, hadden niet aanvaard, wat tot hen kwam, maar wilden gaan tot het hogere, zonder geroepen te zijn. Daarom werden zij vernietigd. Dit beseffende, vernederde de mens zich, wierp zich plat op de aarde en sprak: “Grote Goden en machtigen, ik ken u niet en ik ken uw namen niet. Vergeef mij, wanneer ik met mijn gedachten door ben gedrongen tot uw geheiligd gebied. Zend mij uw boden en ik zal uw wil vervullen”. Toen zonden de Goden hem een gezel. Deze was hem gelijk in al, tot het verwaarloosde kleed, de uitgemergelde gestalte en het scherp getekende gelaat.

Tezamen gingen zij nu in de wereld. Overal, waar zij kwamen, leerde hij, die nadacht, veel. Hij zag ook veel, wat hij niet begreep. De ander verklaarde hem dit. Gezamenlijk werden zij zeer beroemd. Maar zij spraken niet tot de mensen. De denker zette zich neder. Zijn gezel hurkte naast hem. Beiden staarden zij naar de sterren. De denker dacht na over alles, wat hij geleerd had. Toen sprak hij: “Onvolkomen ben ik, maar in mijn onvolkomenheid aanvaard ik het grote en machtige, dat verborgen ligt in de wereld boven mij”. Daarop scheen het, of de twee gestalten versmolten en langzaam werden tot één.

De ingewijde stond op, de mens, die zichzelf ontmoet had, zoals hij leefde in eeuwigheid en de eeuwigheid had aanvaard, tot zij versmolten was met zijn stoffelijk wezen. Daarop leraarde hij en hij legde vele grondslagen van leerstellingen, die nu nog belangrijk zijn. Hij leerde de wet van Tao, hij leraarde omtrent het verborgen zijn der wegen en de juiste verhoudingen tussen mensen. Hij leerde de mensen het geheim van de afzondering, maar ook de plichten der samenleving. Daarop is hij heengegaan. Sommigen zeggen, dat hij tot een vogel werd, die zich omhoog in de hemelen heeft geworpen, anderen zeggen, dat hij zo lichtend werd, dat de aarde hem niet meer dragen kon, waarop hij ten hemel rees en nu nog neerziet als ster op de aarde.

Zij, die geloofd hadden in het land van de porseleinen steden en trachtten door te dringen tot in de zon, vluchtten en zijn daarom nog de dwazen van weleer. Slechts één van een heel volk zocht ook in zich naar de oorzaak van het falen van zijn wereld. Hij alleen kon het geheim doorgronden. Het verhaal is klassiek; ik heb het kort verteld, maar deze klassieke verhalen hebben een basis van waarheid. Er heeft zo een held geleefd, er is een dergelijk land geweest en er heeft een ramp plaats gevonden, waardoor dit land in korte tijd verdorde. Voor ons bevat het een lering, die in de moderne inwijding zeer belangrijk schijnt te zijn: De mens moet leren met zichzelf te gaan, als een stoffelijk wezen samen te gaan met het oneindige Wezen, dat hij ook is. Kennende zichzelf als kosmos dient hij te gaan, maar zichzelf moet hij ook kennen als bekrompenheid en beperking. Wanneer deze beide waarden in een mens samensmelten, is er een nieuw Licht op de wereld. Het lijkt, of deze wereld duister is. Verwarring van geesten, strijd over het onbelangrijke en het steeds weer voorbij gaan van de werkelijkheid komen zo vaak voor, dat sommigen uitroepen: “Er is nacht op de wereld en de nacht behoort de duisternis”. Maar wie kent de oude waarheid niet, die zegt: “Wanneer de nacht haar diepste duister op aarde werpt, verkondigt zij daarmede reeds de komst van de zon”?

Ondanks het wanbegrip zal in het denken en weten van de vele mensen, die nu nog aan waan gebonden zijn, een nieuw Licht opgaan. Een nieuwe en moderne inwijding zal zich op deze wereld uitbreiden en steeds meer mensenzielen bevrijden, tot men de vrije keuze heeft, of men terug zal keren tot de wereld en daar een taak vervullen, dan wel op zal gaan in de vrijheid van het geestelijk bestaan. Ik hoop, mijne vrienden, dat mijn onbeholpen woorden een kleine indruk hebben kunnen geven van hetgeen inwijding in deze dagen eigenlijk betekent.

Slot

Menigeen denkt, dat alleen het ingewikkelde wijs of mooi is. Dat is niet waar. In een woord, dat een klein jongetje u achterna roept, kan evenveel wijsheid en waarheid verborgen liggen, als in alle dingen, die wij u op een avond als deze kunnen geven. Wanneer u dan ook zoiets krijgt, dient u het te aanvaarden, te verwerken. Tracht niet over deze dingen weg te zien, of ze te vergeten. Denk ook niet, dat je alleen in groeperingen waarin de broeders en zusters onder elkaar naar meesters en inwijdingen zoeken, Licht kunt vinden. Ook daar is mogelijk Licht, maar dit Licht kunt u net zo goed op een avond als deze vinden, of op een variétéavond van een amateurclub.

God is overal en God werkt overal. Daarom zijn Zijn licht en wijsheid ook overal. Degene, die werkelijk inwijding begeert, zal dan ook dienen te beginnen naar de Goddelijke waarden in al die dingen te zoeken, volgens eigen aard en wezen, maar vooral wel in de zin van het geestelijk ware, dan komt men verder.

image_pdf