Verwarringen in de maatschappij

image_pdf

  16 november 1962

Aan het begin van de bijeenkomst wil ik u er allereerst op wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denk dus zelf na over alles, wat naar voren wordt gebracht. Vandaag wil ik met u spreken over: Verwarringen in de maatschappij.

Bij het beschouwen van de hedendaagse wereld en de daarin optredende verschijnselen, valt ons wel in de eerste plaats de veelheid van compromissen op. Juist in de meest belangrijke ontwikkelingen en lichamen blijkt het compromis alle ontwikkelingen te regeren. Zo is bv. de regering van Nederland gebouwd op een compromis, vastgelegd in afspraken tussen in theorie met elkaar strijdige partijen; zo houdt het concilie in Rome zich bezig met het zoeken naar een compromis,  tussen de oude stellingen van de kerk en de nieuwe ontdekkingen van de wetenschap. Het feit, dat men een compromis belangrijker acht, dan eigen stellingen – ook al geeft men dit niet toe – bewijst, dat men steeds weer bereid is, van geloofswaarden, eigen stellingen enz. af te stappen, zolang dit geen onmiddellijk verzet allerwege uitlokt en men het daardoor wat gemakkelijker krijgt. Van trouw aan een idee, van een werkelijks trots, is zelden meer sprake.

Verder overheerst imitatiezucht overal. U meent misschien, dat dit laatste een specifiek verschijnsel bij teenagers naar hun idolen is. Indien wij echter luisteren naar politieke propaganda, naar predicaties, kijken naar films enz., blijkt hetzelfde verschijnsel op te treden. Men imiteert degenen die succes hebben, in de hoop dat men dan zelf ook succes zal hebben. De wereld van heden eert boven alles het succes en begint daarmede een dans om een nieuw gouden kalf, dat echter immaterieel is en van geen enkele werkelijke waarde. In feite werkt men niet om te beantwoorden aan eigen innerlijk waarden, maar vecht men alleen voor applaus en waardering van anderen, zelfs wanneer men daardoor eerder schade lijdt dan dat men nut hieruit kan verwachten.

Uitgaande van deze verschijnselen kunnen wij de verwarringen in de hedendaagse ‘beschaving’ misschien verder ontrafelen. Een eerste uitleg van deze verschijnselen duidt in ieder geval reeds in de richting van onvoldoende zelfvertrouwen en gebrek aan geloof. De meeste mensen geloven in deze dagen aan alles, zolang het geloof voordelig is, of tenminste niet direct in strijd komt met hun belangen. Vertrouwen blijkt men in iedereen en alles te willen stellen, zolang het tegendeel niet bewezen is. Slechts zichzelf schijnt men niet te durven vertrouwen. Misschien kent men zichzelf – naar eigen denken – te goed. De mensen, die wel zelfvertrouwen bezitten, blijken niet zozeer uit te gaan van de eigenschappen, die zij werkelijk bezitten, dan wel van de eigenschappen die zij zich plegen toe te dichten en de schijn, die zij ophouden bij anderen.

Dit geldt zowel voor personen als groepen. Wanneer wij bv. het geloof van vele kerken nagaan, blijkt dit geloof niet zo perfect te zijn als zij voorgeven. Zo komt het voor, dat men in een kerk predikt over de wonderen, die Jezus tijdens zijn leven heeft gedaan en daarbij stelt dat Hij deze wonderen ook heden nog doet, terwijl in dezelfde groep de kosteres door leden van de gemeenschap wordt aangevallen omdat zij magnetiseert en mensen geneest op paranormale wijze. “Zij is”, zo stellen dan de mensen, die geloven in de wonderen van Jezus, die nog steeds met de zijnen is, “door duivelen bezeten!”
Een ander voorbeeld is de gave van profetie, de onfeilbaarheid door inwerking van de H. Geest e.d., die wel worden erkend binnen eigen kerkelijke gemeenschap. Maar wanneer iemand buiten deze gemeenschap profeteert of de inwerking van de geest ondergaat, kan dit, zo stellen deze gelovigen, alleen maar een inwerking van de duivel zijn.
Natuurlijk zal dit officieel niet zo gesteld worden, maar de praktijk wijst uit, dat men er toch zo over denkt. Waarmee men m.i. een grote fout maakt. Of de H. Geest is de inspirerende werking Gods. Dan is Zij, als God zelf, overal en kan zij overal tot uiting komen, omdat God overal is, en voor zijn inwerkingen op de mensen aan geen enkele leider van een kerkelijke groepering verantwoording voor zijn daden verschuldigd is. Nu geeft men dit vaak toe, maar stelt onmiddellijk daarna, dat God dit niet doet. Hoe men dit weet, laat men in het midden. Zo sluit men een compromis tussen de eigen behoefte aan openbaringen vanuit het Goddelijke enerzijds en de behoefte eigen juistheid en macht als een monopolie te handhaven.

De behoefte, een monopolie te hebben en elke concurrentie uit te sluiten, treffen wij ook elders aan. Zowel in politiek als in bedrijf is men geneigd naar een monopoliestelling te streven en wel méér naarmate men zich van eigen tekortkomingen bewust is. Hierbij weigert men steeds meer de noodzaak van een dergelijk monopolie met steekhoudende, ook voor anderen niet aantastbare bewijzen, te staven. Opvallend is hierbij de wijze, waarop men anderen aanvalt, omdat zij, ter handhaving van een bepaald monopolie, bepaalde methoden gebruiken. Indien ik nu bemerk, dat dezen dezelfde methoden goed heten en gaarne zullen gebruiken, zodra het gaat om het handhaven van eigen macht, of het goedpraten van eigen fouten, is er volgens mij van direct bedrog sprake. Dit bedrog is dan een uitvloeisel van de noodzaak een compromis te sluiten tussen de harde werkelijkheid en de idealen, waarvan men droomt. Men ziet daarbij steeds weer over het hoofd, dat men met een compromis nooit zijn idealen zal kunnen verwerkelijken en niets zal kunnen bereiken van blijvende aard.

Vaak blijkt verder een direct gebrek aan werkelijkheidszin. Er is een kleine staat. Deze heeft zelf véle problemen. Ik geef slechts een voorbeeld, waarbij deze staat evengoed in Europa als bv. in Afrika zou kunnen liggen. Nu stelt deze kleine staat niet: wij zullen eerst eens zorgen, dat wij zelf alle problemen oplossen, dat alles in óns land in goede orde verkeert. Men begint te stellen: er zijn buiten ons land zo vele mensen, die gebrek lijden, dat wij deze moeten helpen. Wij zullen dus de gelden, die wij in feite binnenlands goed zouden kunnen gebruiken, in een internationaal fonds storten – ofschoon wij dan niet eens na kunnen gaan, wat er verder mee gebeurt – opdat iedereen zal weten, dat wij zoveel voor anderen doen.
Hoe dwaas dit ook klinkt, in vele gevallen blijkt de dwaasheid uit het feit, dat men dan rustig een beroep op anderen doet, om eigen binnenlandse problemen op te helpen lossen, terwijl men rustig verklaart, dat, door de steun, die men aan anderen verleent, er geen mogelijkheid meer bestaat aan de gerechtvaardigde eisen van hen, die in eigen land leven, tegemoet te komen. Men doet naar buiten toe belangrijk, maar in eigen land leven nog vele mensen in krotten, of hebben misschien geheel geen onderdak.
Menigeen schijnt in deze dagen niet te beseffen, dat het zaaks is eerst eigen huis in orde te maken, voor men bij de buren gaat schrobben. Degene, die dit doet, vergroot slechts de verwarringen in de wereld, ondanks alle verklaringen, dat dit voor eigen aanzien of het internationaal aanzien van volk, land, groep, noodzakelijk is.

Volgens mij komen dan ook vele verwarringen voort uit het feit, dat men steeds meer naar aanzien, naar applaus en waardering streeft, zonder zich in de eerste plaats met de werkelijke resultaten van eigen daden bezig te houden. Men zoekt niet de werkelijkheid te kennen, maar schept een illusie en offert alles, om deze te kunnen behouden. Stel, dat iemand zou uitroepen: ik kan u bewijzen, dat in dat en dat gebied door radioactiviteit meer dan 100.000 misgeboorten zijn ontstaan – ik geef dit als voorbeeld en stel dit dus niet als feit -. De reactie, zal niet zijn: dit moeten wij onderzoeken. Eerder stelt men: dit is onmogelijk. Wij bewijzen dan theoretisch, zonder verder onderzoek, dat dit onmogelijk is. Want dit mág niet waar zijn. Wat niet waar mág zijn, kán niet waar zijn. Bovendien wanneer dit waar zou zijn, zouden wij ons vergist hebben en onze houding moeten wijzigen. En dat is zeker onmogelijk.

Een groot deel van de verwarringen in de wereld wordt veroorzaakt door de neiging, eigen illusies en dromen boven de werkelijkheid te stellen. Wij zien in dit opzicht grotere groepen en staten dezelfde fouten maken, die de eenling in eigen omgeving al evenzeer begaat: men wil zijn koek eten en behouden tegelijkertijd. Het resultaat is meestal, dat men zijn koekje kwijt raakt en zelfs de voldoening van het eten niet meer heeft.

Men moet op feiten af gaan. Bij gebrek aan feiten dient men uit te gaan van een geloof, dat door de feiten voortdurend aannemelijk wordt gemaakt. U gelooft bv. aan de geest. Stel dan nooit: “ik zou het prettig vinden, wanneer de geest en het leven na de dood zó zouden bestaan, dus zal ik daaraan maar zó geloven”. De geest weet alles en kent alles, maar wanneer zij mij iets zegt dat mij niet past, trek ik mij daarvan niets aan, want ik heb uiteindelijk mijn eigen verstand. Indien u gelooft in de geest op de wijze, die wij u hier duidelijk trachten te maken, zult u steeds bereid zijn naar de geest te luisteren en toch, in het besef, dat zij niet alwetend of alvermogend is, zelf denken en handelen.
Het is echter dwaas om, zoals velen, te stellen: “God kan alles”, en toch onmiddellijk uit te roepen: “Maar gebedsgenezing is dwaasheid, dat bestaat niet”. Daaraan verandert de uitvlucht, dat God ons voor genezing de medici gegeven heeft, niets. God kan genezen, “aan wie vraagt zal gegeven worden”, dus kan men ook zonder medische bijstand genezen. Indien de feiten dit niet bevestigen, is het geloof niet juist. Overigens, wanneer God de mens ter genezing van zijn kwalen de medici heeft gegeven, lijkt het mij toe, dat de duivel hier en daar zijn eigen medisch product daar tussen heeft gemengd.

Mijn stelling in deze is: wanneer je iets gelooft, moet je ook leven en handelen, alsof dit geloof volledig waar is, zonder enig voorbehoud, zonder enig zoeken naar verdere zekerheid. Daarnaast dient men de gevolgen, die het in de praktijk brengen van zijn geloof met zich brengt, zonder uitvluchten of nalatigheden en verdoezelingen, onder de ogen te zien. Daarmee alleen al zouden vele verwarringen worden voorkomen. Wanneer iemand gelooft, dat alle leven heilig is, zij het op religieuze of sociale gronden, dan heeft deze het recht niet ook maar het kleinste stukje leven weg te nemen – ook niet, wanneer dit leven op zich waardeloos zou zijn, een ramp en een drama. Wanneer men echter dit geloof niet deelt of delen kan, dient men zich ook niet aan te sluiten bij een gemeenschap, die als geloofswaarde stelt, dat alle leven heilig is. Dan heeft het geen zin, verder te praten over de psychologische problemen, die uit een dergelijk leven voort zouden komen.

De psychologie is in deze dagen de gemakkelijke uitvlucht van menige mens, die vast is gelopen in de compromis die hij met de wereld en het leven heeft willen sluiten. Want het leven zelf is – ook al weigert men dit in deze dagen vaak in te zien – in wezen hard. Niet ongelukkig of zonder vreugden, maar eenvoudig hard. Uw wereld stelt rustig, dat de natuur geen rekening houdt met de mens, of de andere schepselen. In de natuur is bv. het risico van meerdere slechte seizoenen het normale risico van elke landbouwer. In het Westen betekent dit misschien minder inkomen. In het Verre Oosten betekent zoiets eenvoudig hongersnood. Want de natuur wijzigt haar wetten niet, omdat de mens dit toevallig verlangen zal. Wanneer een landbouwer deze risico’s niet zelf wil dragen, is hij geen echte boer meer, maar eerder een producent, die zoveel mogelijk winsten en voordelen verlangt, maar de risico’s van zijn bedrijf op de gemeenschap af wil wentelen. Een lafaard, die zich boer noemt, maar in feite tracht op te treden als belastingambtenaar voor eigen voordeel.

Wanneer ik hierop wijs, zullen velen mij voorhouden, dat de mensen dan toch verplicht zijn om te zorgen, dat het zus of zo zal gaan. Maar ook dit is een compromis: men wil niet aanvaarden, dat de staat, die de rekening betaalt, dan ook als eigenaar en exploitant moet optreden, maar wil, met behoeden van alle voorrechten van bezit en zelfstandigheid, de facto deze toestand wel, zolang zij voordeel brengt. M.i. is het zeker niet de plicht van de mens om steeds maar weer een compromis te zoeken, dat de verwarringen op aarde vergroot onder de schijn van regelingen. Dit geldt zowel voor stoffelijke als geestelijke belangen. Deze weg voert tot de ondergang. Een voorbeeld: men vreest de ondergang van de wereld door atoomwapens. Men wenst deze atoomoorlog dus niet, maar weigert toch vrolijk, althans op dit gebied te ontwapenen. Zo wenst men een staat zo absoluut mogelijk te regeren en gelijktijdig een democratie te zijn. Zo iets is echter niet mogelijk.

Deze tweeslachtigheid komt ook bij het individu tot uiting: velen werken alleen maar, omdat zij daarmede de middelen verwerven om eigen, vaak onbereikbare dromen na te jagen. Zij vergeten, dat de arbeid een onontbeerlijk deel van menselijk leven en levensvreugde is. Wanneer zij er niet in slagen hun dromen op gemakkelijke wijze te verwerkelijken, blijken bovenal en velen psychisch geschokt en begaan onder de inwerking van dit psychische defect, misdaden, stelen auto’s voor plezierritjes of stelen eenvoudig 20 mille uit de kas. Een verkeerde instelling, die leidt tot steeds groter sociale verwarringen. Mens zowel als groep zullen opnieuw moeten leren, de consequenties van eigen dromen en wensen te aanvaarden.

Men wenst geen kolonialisme. Dus geeft men elk volk zijn vrijheid – het mooie woord hier is: zelfstandigheid. Daarmede echter zijn de vrij gewordenen verder voor hun eigen leven en werken aansprakelijk. Het is redelijk hen op aanvraag enige hulp te verlenen. Maar men dient geen aansprakelijkheid meer voor de verdere ontwikkelingen binnenlands te erkennen, of op te eisen. Het is niet mogelijk enerzijds een koloniale ontwikkeling af te breken, en anderzijds de opvoeding, ontwikkeling enz. van een dergelijk zelfstandig geworden gebied blijven beïnvloeden op beslissende wijze, terwijl men evenmin zeggingschap meer kan hebben over de houding en verbindingen van dit volk naar buiten toe. De resultaten van de pogingen, die men doet, om enerzijds het koloniale systeem af te schaffen en anderzijds zijn invloed te behouden, blijken in vele jonge staten.
Eén daarvan werd zo christelijk beïnvloed, dat het huidige staatshoofd zich heeft laten uitroepen tot verlosser. Men kan klaarblijkelijk niet beseffen dat de begrippen van primitievere volkeren, als totemisme, tabu, clan-superioriteit enz. op deze wijze alleen worden omgezet in termen van de moderne beschaving, om zo dadelijk te worden gehandhaafd met moderne wapens en straaljagers, zonder dat de barbaarse invloeden daarom verdwijnen. Een wilde met een geweer blijft een wilde. Het grote gevaar voor de beschaafdere landen is wel, dat zij deze wapens haast wel moeten leveren, omdat anders de primitieve staten naar de tegenpartij overlopen. Kolonisatie en dekolonisatie blijken vele aspecten gemeen te hebben, je weigert dit te beseffen, en vergroot de bronnen van geschil en strijd in geheel de wereld.

De tweeslachtigheid van streven en werken heeft de vraag doen rijzen, waaraan zich de Westelijke wereld dan wél vast kan houden, wat de voor allen gelijkelijk geldende waarden zijn. Bij nader onderzoek blijkt een dergelijke vaste maatstaf geheel te ontbreken. De enige maal, dat de U.S.A. positief hebben ingegrepen in de laatste paar jaren, geschiedde dit tegen alle verdragen en afspraken in. Er was geen andere mogelijkheid, dat is waar. Maar het Westen heeft zijn vertrouwen gesteld in verdragen en statenbonden, in internationale wetten. Er zijn ongetwijfeld vele staten, die dergelijke verdragen en wetten aanvaard en ondertekend hebben. De meesten van hen echter schenden deze wetten en verdragen onmiddellijk, wanneer hen dit past.
Er bestaat geen algemeen geldende wet, geen zekerheid van samenwerking enz. Wanneer men alle dromen en idealen even terzijde stelt en naar de werkelijkheid ziet, zal men toe moeten geven, dat er op aarde in feite nog steeds de koude en harde wetten van de jungle regeren. Hoe meer de mensheid materiële welvaart, macht en bereiking hanteert als enige maatstaf van bereiking, van succes, hoe zekerder de wetten van de jungle zullen gelden voor de menselijke samenleving.

U meent misschien, dat in Nederland bv. alles sociaal zo goed is geregeld, dat daaraan toch werkelijk niet veel meer te doen is. Ik heb ook die ontwikkeling gevolgd en durf te wedden, dat voor men vijf jaren verder is, de verhoudingen tussen werkgever en werknemer geheel anders zullen liggen, terwijl vele rechten, die men nu meent te hebben, niet werkelijk houdbaar zijn gebleken. De droom van een zonder eigen werk en moeite, geheel zeker zijn in het leven, zal moeten stranden op de harde werkelijkheid. De huidige ontwikkelingen kunnen namelijk niet veel verder meer gaan. Het is nu eenmaal vooral in een afnemende economie niet mogelijk steeds meer mensen te subsidiëren door het heffen van steeds hogere belastingen – ook al noemt men deze misschien sociale heffingen. De verminderde koopkracht van de munt zal vele reserves eveneens aantasten, vooral die, welke bij de staat zijn ondergebracht, dan wel door toekomstige heffingen gedekt moeten worden. Dit zijn de harde feiten.

De beheersing van een prijspeil is al evenzeer tijdelijk en niet blijvend te handhaven. Wanneer een producent geen winsten meer kan maken, zal hij op de duur ophouden te produceren. U meent misschien, dat de staat dan de bedrijven over zal kunnen nemen. Maar de ervaring leert, dat staatsbedrijven zich minder beperkingen opleggen, dan de particuliere producent nog aanvaardbaar acht. Ook de staat zal winsten eisen. Dit geldt niet alleen voor Nederland, maar voor alle staten met een soortgelijke ontwikkeling, een soortgelijke staatsvorm.

Ik kan hierop natuurlijk nog verder ingaan. Maar ik meen mijn punt reeds gemaakt te hebben: ongeacht de dromen, waarmee men zich nog heden bezig houdt, groeit allerwege verwarring en is de feitelijke toestand strijdig met het streven en handelen van de mensen. Ongeacht de idealen van de mensen zullen op kortere termijn veranderingen noodzakelijk zijn. Als mijn persoonlijke mening wil ik hierbij nog bemerken, dat dergelijke veranderingen lang niet overal geleidelijk zullen zijn en in vele gevallen conflicten en crisisverschijnselen met zich zullen brengen.

Alles, wat ik materieel stel, is in mijn betoog slechts een weergave van tegenstrijdigheden en verwarringen, die ook geestelijk bestaan. Dit is moeilijk geheel uit te drukken in woorden. Het best kan misschien nog gezegd worden, dat de vervalsing van werkelijke waarden in de menselijke geest even ver is doorgedrongen, als in de meer materiële verhoudingen. Zo gelooft het christendom bv. wel in Jezus, doch weigert Hem allereerst te zien als een weg, zijn leer als een leefwijze, die een ieder ook letterlijk kan volgen. Men geeft er de voorkeur aan Hem tot een godheid te maken, die boven allen staat, het werk voor anderen doet en nimmer geheel gevolgd kan worden.
Dit is in strijd met de lering die Jezus zelf tijdens zijn leven op aarde gaf. Hij stelt, dat Hij de Weg is. Een weg is geen genade, maar een mogelijkheid om verder te gaan. Zien wij de verdeeldheid en strijd, die in het christendom bestaat, dan blijkt de verdeeldheid en strijd niet te gaan over het enig belangrijke: de wijze waarop men als christen leven en streven moet, maar over de wijze, waarop men het geloof aan de “godheid” Jezus moet uitleggen. Ook dit komt mij voor als een bedroevende ontwijking van de werkelijkheid.

In vele gevallen blijkt men geen gebruik te willen maken van de gaven en mogelijkheden, die men heeft. Dit geldt niet alleen voor geloofswaarden, maar ook bv. voor het gebruiken van paranormale begaafdheden. Het is algemeen bekend dat er mensen bestaan, die net qua geheugen of qua rekensnelheid tegen een moderne rekenmachine wel op zouden kunnen nemen, zij kunnen zich aan andere werkcondities en eisen gemakkelijker aanpassen dan machines, terwijl het oplossen van problemen voor hen niet afhankelijk is van een ingewikkelde en langdurige voorbereiding.
Zoals u misschien weet, dient men vragen aan een cybernetisch brein eerst om te zetten in een twee-teken-systeem, omdat elektronisch steeds weer een beslissing ja-neen genomen kan worden, maar een beredeneerd erkennen van cijfers niet zonder meer de mogelijkheid geeft aan de machine, daarmede ook zijn eigen problemen uit te zetten. Als gevolg is een tamelijk ingewikkelde wiskundige voorbereiding van elke vraag noodzakelijk. Ik vraag mij af, waarom mensen met voornoemde begaafdheden niet meer worden gebruikt, ook wanneer zij geen verdere wetenschappelijke scholing hebben gehad in hun jeugd. De meesten, die deze gaven bezitten zijn een fenomeen in eigen beperkte omgeving, of, wanneer zij het verder brengen, attracties in een variété.

Verder heeft men vastgesteld, dat er een vorm van training bestaat, waardoor haast iedereen in staat is, buitengewone geheugenprestaties te leveren, terwijl eveneens een training bestaat, waardoor rekenkundig begaafden in staat zijn, grotere prestaties te verrichten.
Je zou menen, dat deze training van groot belang is voor geheel de mensheid. Men zou dus dergelijke mogelijkheden steeds verder dienen te onderzoeken. De training zelf behoort thuis op de scholen, niet in boekwerkjes, die slechts ten dele de training kunnen weergeven onder de titel: “Hoe verbeter ik mijn geheugenprestatie?” e.d. De geheugentraining is voor het onderwijs zeer belangrijk m.i., omdat alleen op deze wijze de kinderen de mogelijkheid hebben alles te weten en te onthouden, wat de moderne maatschappij aan kennis van hen vraagt.
Afzonderlijke training van meetkundig en rekenkundig begaafde kinderen zou voor de maatschappij van het grootste belang zijn, omdat zij op deze wijze over snelle en betrouwbare rekenaars zou kunnen beschikken, die – de mens is mobieler dan de rekenmachine – ter plaatse alle berekeningen uit kunnen voeren die in een maatschappij met vele fluctuaties en steeds ingewikkelder problemen overal noodzakelijk zijn.

Men traint de kinderen echter niet. Velen gaan zelf zover, dat zij deze mogelijkheid, evenals de andere mogelijkheden van z.g. paranormaal begaafden, liever ontkennen. Men gaat dus niet uit van de feiten. Men wil deze echter ook niet zonder meer afwijzen of ontkennen. Vandaar dat dergelijke nalatigheden al te vaak worden gerechtvaardigd met argumenten als het volgende “Gezien het peil van onze huidige wetenschap en de huidige controlemogelijkheden kunnen wij ons niet veroorloven met deze gaven en mogelijkheden rekening te houden”. Na deze woorden de meesten rustig verder gaan zonder enig onderzoek in deze richtingen te doen en bij het optreden van verschijnselen hetzelfde blijft herhalen. Dit geldt ook voor paranormale geneeswijzen, helderziendheid in tijd en ruimte, mediamieke verschijnselen en vele andere prestaties, die niet zonder meer door een ieder geleerd kunnen worden. Zelfs de toch stoffelijke geneesmiddelen van inlandse toverdokters werden met spot terzijde geschoven en het heeft lang geduurd, voor men aan hun resultaten ook maar enige aandacht wilde wijden. Hoopgevend is echter, dat tegenwoordig meerdere van dergelijke middelen zijn onderzocht en hun werkzame bestanddelen opgenomen in de moderne farmacopoea.

Ik haal deze punten naar voren, om te wijzen op een eigenaardige afwijking in het menselijke denken. Deze wordt nog sterker kenbaar op geestelijk terrein. Daar kunnen wij zelfs stellen:

Vele mensen zijn geneigd alles op geestelijk terrein theoretisch als mogelijk te verklaren – ongeacht de verschijnselen – en gelijktijdig elk ingrijpen vanuit de geest, elk optreden van geestelijke werkingen en eigenschappen in de stof, elke directe manifestatie dus, te ontkennen, te verwerpen of zelfs, als in de tijden van de heksenwaan, te vuur en te zwaard te vervolgen.

Is de reden van dit alles misschien, dat de mensheid niet zo zeker van zichzelf is, als zij voor- geeft te zijn? Is men zich er misschien van bewust, dat men slechts moeilijk en moeizaam voort balanceert op een lijn van redelijk, aanvaardbare en uit de huidige kennis verklaarbare verschijnselen, terwijl rondom de afgronden en kloven van het onbekende dreigend gapen? Vreest de moderne mens misschien het onbekende zozeer, dat hij het in geen geval wil zien?

Zeker is, dat deze houding bijdraagt tot verwarringen op geestelijk en ander terrein. Zeker kan de angst voor het onbekende worden gezien als de oorzaak van de vreemde houding, die de mens t.a.v. God inneemt? Hij geeft ons alle Licht, alle waarheid, alle kracht, Hij is alle dingen en het leven. Hij openbaart dit in zijn geschriften en door zijn kerk. Maar wanneer hij buiten de kerk blijk geeft van zijn macht, is dit niet aanvaardbaar. Dan is dit duivels en verboden. Het doet mij denken aan iemand, die vroom zegt: “God zorgt voor mij in al mijn noden. Ik weet, dat Hij mij nooit zal falen. Zeg buurman, kunt u mij misschien tien gulden lenen?”

Tegenover dit beeld van huidige verwardheid wil ik enkele beelden stellen uit vroegere dagen, zonder daarmede te willen beweren, dat in de vergane tijden geen verwarringen hebben bestaan.

Vroeger had een handwerksman een grote trots. Hij zou zijn handwerk niet voor een ander verwisselen, zelfs al betekende dit, dat hij een tijd van armoede door moest maken. Kentekenend voor de vroegere ambachtsman is wel, dat hij altijd trachtte iets moois te scheppen, zelfs al had hij daarvoor eigenlijk de middelen niet. Er zijn vele gevallen bekend van ambachtslieden, die zelfstandig bleven werken om op hun eigen wijze te kunnen scheppen en weigerden zich in de rijk beloonde dienst van anderen te begeven, zolang de vrijheid van scheppen hen niet werd gelaten. Voor hen was het scheppen, de scheppende arbeid, een deel van het leven. Men geloofde in zichzelf, zijn prestaties, zijn handwerk. De poorters van vele steden waren overtuigd van de rechten, die zij verworven hadden en weigerden de willekeur van vorsten te aanvaarden. Slecht bewapende burgers, soms alleen uitgerust met pieken, zwaarden en dorsvlegels streden tegen de door paarden, wapens en aantal vaak overwegende strijdkrachten van vorsten en ridders, liever de levens van vrouwen en kinderen, hun bezit en welvaart riskerende, dan onrecht te aanvaarden.

Nederland geloofde eens aan de vrijheid van de reformatie en was bereid, meer dan een eeuw te strijden voor deze vrijheid, daarbij de offers niet tellende. Want men geloofde, dat de reformatie de goddelijke waarheid was en kon daarom, zo graag men dit misschien wilde, er niet toe komen een compromis te sluiten, ofschoon compromisregelingen meerdere malen werden aangeboden.

Er is een tijd geweest, dat mensen, die stemmen hoorden, deze vertaalden in een kerkelijk beeld: engelen. Dan werden zij heiligen. Anderen vertaalden de stemmen in de geest van de oude natuurverering. Zij werden dan heksen en tovenaars. Maar zij deden iets. Zij gehoorzaamden. Denk aan Jeanne d’Arc. Dit meisje, gehoorzamende aan haar “stemmen”, was in staat een machtig rijk zoals Engeland in die dagen was, tijdelijk schaakmat te zetten en een zwak vorst te doen kronen. Zoveel volbrengt één enkele mens, die van een compromis niets wil weten, omdat zij gelooft in haar zending. Maar daarvoor is dan ook een werkelijk geloof noodzakelijk, dat zozeer het gehele leven beheerst, dat niets buiten dit geloof méér telt in het leven.

Wanneer ik vraag: wat komt van dit alles in uw dagen nog terecht, zo hoor ik onmiddellijk van vele zijden: “Maar in die dagen kon dat alles nog. Maar nu… ” Dan komt men met voorbeelden van geestelijken, die de moed hadden, op te staan tegen Hitlers waanzin en stierven in concentratiekampen. Die stierven dan toch maar, nietwaar? Maar zij waren trouw aan zichzelf. Indien meer mensen trouw aan zichzelf waren geweest, hadden de kampen niet eens kunnen bestaan, dus waren niet deze geestelijken dwaas, maar faalden de anderen. Daarover spreekt men echter liever niet. Er zijn meer dergelijke voorbeelden te geven. Zo bestaan in Rusland nog heden verschillende seminaria, ondanks alle tegenwerkingen. Spiritisme is streng verboden en toch zijn er in Rusland meer belangrijke spiritistische groepen, dan u zou durven denken.

Voortdurend worden mensen gedood, gevangen gezet of afgevoerd naar strafkampen, omdat zij deel zijn van de sekte die men Jehova’s Getuigen noemt. Zij kennen allen de consequenties van hun geloof. Maar zij gaan, zij weigeren hun geloof op te geven. Zo zijn er ook in deze dagen nog mensen, die weigeren slechtere producten te maken, zowel in Rusland als elders. Zij weten, dat zij daardoor misschien schade zullen lijden, of zelf minder zullen kunnen eten. Maar zij weigeren iets slechts te maken, ondanks alle pressie, die op hen wordt uitgeoefend. Slechte arbeid verrichten is voor hen een zichzelf verloochenen… Ook nu nog zijn er mensen, die trouw blijven aan zichzelf, aan hun geloof, mensen die weigeren een compromis te sluiten.

Het is verkeerd altijd maar weer uit te gaan van de wenselijkheid. Steeds weer moet je uitgaan van alles, wat er in jezelf leeft, alles waarin je gelooft. Deze integriteit is zo belangrijk, dat het leven, het behoud van de mensheid, hiervan af kan hangen. Alleen mensen, die integer zijn, kunnen de heersende verwarringen oplossen. Daarom heeft het weinig zin te praten over dingen, waar men eigenlijk niets aan kan doen. Ik zou bv. wel weer over de mogelijkheid van rampen kunnen praten, de mogelijke oorzaken daarvan aangeven enz. Maar daaraan kun je maar weinig doen. Bovendien, sommigen onder u zouden misschien weer met angstige rillingen en boze dromen verder gaan.
Neen. Laat ons liever vragen, of u werkelijk een compromis wilt. Niet? Dan moet u zich realiseren, wat de gevolgen van uw houding kunnen zijn. U wilt ten koste van alles de vrede op aarde gehandhaafd weten? Goed. Maar dan ook niet zeggen: “vrede tot elke prijs”, wanneer de communisten toch niet hier komen. Vrede is vrede.
Zonder compromis denken en leven wil zeggen, dat u allereerst beseft, wat de gevolgen van uw houding zijn. Wilt u Nederland ten koste van alles rijk, belangrijk en groot zien? Goed. Maar aanvaard dan ook, dat dit kan inhouden, dat heel Nederland wordt opgeofferd, dat allen in dit land sterven in een poging die stelling tot werkelijkheid te maken. Erken dit en, zo u meent dat het doel toch gesteld moet worden, aanvaard de gevolgen van uw wensen. Dus niet de bij velen gangbare halfzachte betoogtrant, die zo een opgang maakt, volgen. Zo in de stijl:” Wij willen vrede, wij moeten dus eenzijdig ontwapenen, want de Russen zullen toch wel niet hier komen”.

Dat is namelijk kolder. Wanneer u eenzijdig ontwapent, moet u wel beseffen, dat andere staten, die ideologisch hiertoe niet in staat zijn – omdat wereldmacht deel uitmaakt van hun stellingen en principes – hiervan geen gebruik willen maken. Wanneer u te maken hebt met een staat, die gezien de feiten, niet oprecht is, mag u op haar beloften niet vertrouwen. Wanneer u te maken heeft met een staat die volkomen oprecht is, zal deze daarmede misschien ook veel kunnen bereiken. Juist door haar eerlijkheid zal zij misschien anderen kunnen overtuigen. Want een eerlijk toegeven, wat men wil, en eerlijk zeggen, wat men gaat doen, heeft de mensen en de wereld nog steeds geïmponeerd.

U beseft echter dat een staat of mens, die steeds voorgeeft eerlijk te zijn, maar steeds weer een bedrieger blijkt te zijn, omdat hij een compromis tracht te vinden tussen eerlijkheid en doelmatigheid of gemak, geen respect en geen vertrouwen zal wekken. Wanneer grote mogendheden redenen te over hebben om elkanders verklaringen te wantrouwen, zal daaruit een wereldoorlog voort kunnen komen, die bij meer oprechtheid zeker vermeden had kunnen worden.

Een ander voorbeeld van een niet logisch compromis tussen angsten en begeerten is de stelling, dat door een steeds verder voortgaande bewapening een oorlog vermeden kan worden. Denkt men nu werkelijk, dat er een ogenblik zal komen, dat iemand zegt: “nu hebben wij zóveel wapens, laat ons nu maar met die waanzin ophouden”? Naarmate de bewapening meer perfect wordt, worden de moeilijkheden groter. Want er is altijd de mogelijkheid, dat men een nieuw wapen vindt. Degene, die een klein overwicht heeft behaald, zal weten, dat dit zeer tijdelijk is, en dus sneller er toe overgaan, om bij optredende geschillen aan te vallen, vóór de tegenpartij dit voordeel weer teniet heeft gedaan. Hoe perfecter de bewapening, hoe groter het gevaar. Vooral omdat geheimhouding in feite niet goed mogelijk is, ook al zal men dit ontkennen. Ik ben geen pessimist, maar tracht alleen de dwaasheid van verschillende gangbare stellingen aan te tonen.

Een compromis dan, een gedeeltelijke ontwapening, een gedeeltelijk zich verder bewapenen dan? Een compromis? Waardeloos. Want zolang iemand wapens heeft, zal hij zoeken naar betere wapens, naar overwicht door middel van wapens.

Een wereldpolitie dan? Dit klinkt aanvaardbaar. Vooral, wanneer zij de enige is, die over grotere wapens kan beschikken. Maar dan zal deze politie de wereldmacht ook aan zich willen trekken.

Gebeurtenissen in Israël en Congo hebben reeds aangetoond, dat sommige leiders er eerder toe geneigd zijn een conflict te vergroten en zo eigen belangrijkheid of promotiemogelijkheden te vergroten, dan werkelijk zonder meer de vrede te handhaven. Natuurlijk is niet iedereen zo. Maar het is duidelijk geworden, zowel in Israël als in Congo, dat er personen zijn die, alleen om eigen belangrijkheid en beloning te vergroten, conflicten hebben gestimuleerd en zelfs het ontstaan daarvan veroorzaakt hebben. Deze feiten zijn ook op aarde bekend. Over de gevaren en mogelijkheden van een wereldpolitie kunt u zich nu misschien zelfs wel verder een beeld vormen.

De conclusie is duidelijk: Wanneer men aan de nu heersende verwarring wil ontworstelen, zal men dit alleen kunnen doen, door zich bewust een doel te stellen en de consequenties daarvan te beseffen, deze daarbij zonder verder voorbehoud te aanvaarden. Nu blijkt uw huidige wereld wel bereid te zijn om zich een doel te stellen en te kiezen. Behalve wanneer het op de consequenties aankomt. Die vergeet men liever, daaraan denkt men niet, die wil men uiteindelijk niet aanvaarden.

In het geestelijke, leven van de mens houdt dit in, dat men geneigd is geestelijk zeer hoog te gaan, maar anderzijds de werkelijkheid uit het oog verliest, omdat men de gevolgen van zijn geestelijke instelling eenvoudig niet wil aanvaarden. In andere gevallen blijkt men wel hoog- geestelijk te willen denken, maar daarnaast zijn stoffelijk leven gescheiden van dit bewustzijn te willen voeren, daarin strevend in zuiver materiële zin. Dit betekent dat menige mens innerlijke waarden, geloofswaarden, gaven van God zelf, niet meer kan aanvaarden of durft te zien als iets, wat normaal deel van eigen persoonlijkheid is, maar wil beschouwen als iets dat men misschien ten toon kan stellen, maar niet mag gebruiken omdat men uiteindelijk als mens moet leven.
Zo trekt de mens een scheidsmuur op tussen de stof en de geest, een Berlijnse muur tussen geestelijke mogelijkheden en gaven én de stoffelijke noodzaken. Is dit wel redelijk? Let wel: iedereen heeft het volste recht om, binnen de mogelijkheden van zijn Ik, een keuze te doen. Maak zelf uit, wat u wilt zijn en wat u wilt geloven. Maar u hebt niet het recht, hetgeen u innerlijk als juist, als enig belangrijk doel van het leven beschouwt, van betekenis te doen veranderen of weg te praten, te verloochenen, omdat dit eenvoudiger of gemakkelijk is. Evenmin hebt u het recht uzelf aan de gevolgen van een bereikt bewustzijn, een gedane keuze te onttrekken. Wat u bent, wat u gelooft, moet u beleven. Doet men dit niet, dan verslinden waan en verwarring alle mogelijkheden van stof en geest.

Mag ik u daarom verzoeken, er eens over na te denken, wat u feitelijk bent, wat u feitelijk ge- looft, wat u feitelijk weet? Zelf. Het is gemakkelijk u in een massabijeenkomst mee te laten slepen, te menen dat men nu de oplossing gevonden heeft. Maar daar speelt de suggestie een rol. De massa van een vol stadion, de gezamenlijke zang, de prediking, uitroepen als: “God zoekt u, komt en belijdt”, vormen een roes. Wat blijft daarvan echter over? Als de roes voorbij is, meestal weinig.

Wanneer je een geestelijk pad wilt kiezen, een geestelijke taak wilt aanvaarden, zal men in stilte hiertoe moeten komen. Voor zichzelf alleen. Eerst dan is er sprake van een blijvende waarde. Zelfs dan zal men zich moeten realiseren, dat dit alles ook een stoffelijke betekenis heeft. Het is verkeerd om te stellen: “God, hier ben ik, een zondaar en dronkenlap. Ik werp mij rouwmoedig neer aan uw voeten. Doet u de rest”, om later te zeggen: “Die God deugt niet. Want ik heb nog steeds trek in een glaasje.” U lacht hierom? Dit is werkelijk gebeurd op een evangelisatie- bijeenkomst in Glasgow. En als wij enige afwijking van het gestelde toelaten, mogen wij zelfs stellen, dat er steeds weer vele mensen zijn, die zo redeneren en handelen. Door de weigering de stoffelijke consequenties van een verworven geestelijk inzicht te aanvaarden, ontstond niet alleen bij velen een dergelijke situatie, maar door hun verwarring, waarbij zij inzicht en goddelijk dienstbetoon met elkaar verwarden, zijn er nog schandaliger dingen gebeurd. Ook dit punt is hiermede naar ik meen duidelijk.

Dus vrienden, wanneer u zegt: “Ik beken mij tot God” of “Ik geloof in de geest” of “Ik geloof in de Lichtende Kracht, die vanuit mij werkt en vanuit mij ook de wereld zal beroeren”, dan mag je niet volstaan met een aanvaarden op een wijze, die in feite betekent: “Ik aanvaard dit alles, maar doen jullie nu de rest maar.” Alles wat u gelooft, ontdekt, aanvaardt, in geest of stof, heeft voor u persoonlijke en stoffelijke consequenties. Aan deze gevolgen kan men zich niet onttrekken. Door een compromis kan men misschien de kenbare uitwerkingen wat vertragen, maar men dient er zich van bewust te zijn, dat de gevolgen dan voor het Ik al snel rampzalig worden.

In het Westen pleegt men zich, bij een inschatten van gevolgen, zich te bedienen van cijfers: de statistiek. Maar statistiek is in de meeste gevallen slechts een misleidend hanteren van getallen, waarmee men aan de consequenties van zijn eigen daden tracht te ontkomen.

Ik geef een voorbeeld: Er is een vereniging als bijvoorbeeld de onze. Daarbij zouden in wezen alle leden tegenwoordig moeten zijn. Stel 350 leden. Het vorige jaar zijn er op een dergelijke vergadering 30 leden opgekomen. Nu kwamen er 45. Dan kan ik stellen: het vorige jaar bedroeg de opkomst nog geen 10%, dit jaar rond 13%. Ik kan echter ook zeggen in vergelijk met het vorige jaar nam de opkomst bij deze vergadering toe met 50%. Vermeld ik het laatste, zonder het eerste te noemen, dan ontstaat een geheel verkeerd beeld van de situatie.

Tot mijn spijt moet ik vaststellen, dat men op deze wijze de statistiek al te vaak gebruikt om de waarheid te verbergen. Bijvoorbeeld, wanneer men het heeft over vooruitgang. Men stelt dat het salaris van een normaal arbeider over een periode van een jaar – dit is maar een voorbeeld – met 10% werd verhoogd. Wat aarzelend geeft men daarbij toe, dat de koopkracht van de munt in dat jaar met 2,2% is afgenomen. Men spreekt dan trots over de verbeteringen in het inkomen van de arbeider. Eerlijker zou het zijn toe te geven, dat de extra lasten – als belastingen, ontstaan door de loonsverhoging van 10% – alleen reeds meer dan 50% daarvan verslinden.

Verder kan worden opgemerkt, dat het werkelijke kostenpeil vaak sterk afwijkt van de in de statistiek berekende waarde. De dingen, die men dagelijks voor zich begeert of van node heeft, blijken namelijk gemiddeld meer te stijgen, dan het werkelijke inkomen. Daarnaast blijkt, dat bij vele artikelen wel over een gelijk blijven van de prijs kan worden gesproken, maar dat hier – in de statistiek niet verwerkte – verminderingen van kwaliteit of kwantiteit voorkomen.

Misschien vindt u het gestelde hier niet passen. Het is echter m.i. een treffend staaltje van zelfmisleiding. De gemiddelde arbeider in vaste loondienst verdient, gerekend in koopkracht, op het ogenblik nog iets minder dan een arbeider in vaste dienst in 1939. Men kan zichzelf wijsmaken, dat er een voortdurend stijgende welvaart heerst, dat alles goed gaat.

Geestelijk gezien kan men zeggen, dat alles mogelijk is: men weet zich omringd door de geest, nietwaar, men heeft zijn inspiraties, zijn boodschappen enz. Men voelt zich geestelijk groot en beweert, dat alles altijd maar goed gaat. Maar ook hier vergeet men al te vaak de keerzijde van de medaille te bezien: Men sluit een compromis met zichzelf, tracht eigen leven en werken te rationaliseren, maar vergeet alle waarden, waaruit het tegendeel van het verlangde zou kunnen blijken. Hoe vaak zegt men niet tegen anderen – en zichzelf – op overtuigde toon: “de geest is steeds met mij, ik voel de krachten steeds rond mij, ik ben gelukkig”. Men vergeet de ogenblikken van verlatenheid, eenzaamheid, waarin men niet weet waarheen zich te wenden. Men spreekt over de hoge geestelijke krachten, waardoor men boven de materie is verheven, maar vergeet de ogenblikken, dat de stof haar rechten opeist, de ogenblikken, dat men niet meer geestelijk, ja, zelfs niet meer redelijk kan handelen.
Vele mensen spreken over God en het Goddelijke Licht, dat zij steeds rond zich weten, maar vergeten erbij te zeggen, dat zij steeds weer ogenblikken kennen, waarin zij zelfs blij zouden zijn, een reële duivel te ontmoeten, waaraan zij hun ziel zouden kunnen verkopen, dan hadden zij tenminste enige zekerheid, dan had men toch nog iets.

De ogen sluiten hiervoor, doet het leven aangenamer schijnen, dat is waar. Maar toch moet men, indien men alle verwarringen, alle waan wil vermijden, ook deze dingen erkennen en er rekening mee houden. Alleen in het aanvaarden van de waarheid ligt de ware erkenning van het leven. En waarlijk leven kunnen alleen zij, die niet aarzelen ook onaangename feiten en mogelijkheden zonder angst, maar eerlijk, onder ogen te zien.

Wij horen dat er in vroegere tijd steeds wonderen gebeurden. Wij kunnen het grootste deel daarvan zonder meer en redelijk verklaren. Zijn die verklaringen geheel juist? In deze dagen gebeuren er nog wonderen in bedevaartplaatsen als Lourdes. Wonderbaarlijke genezingen komen ook nu nog voor, zowel bij gebedsdiensten door dominees als bij spiritistische genezers. Wij mogen deze dingen niet zonder meer weg verklaren door te stellen, dat er een redelijke verklaring voor is. De verklaring neemt de feiten niet weg. Men dient zich af te vragen, waarom deze wonderen gebeuren en wat er de oorzaak van is.
Het antwoord blijkt te luiden: omdat er hier nog geloof is. Waar nog een volledige aanvaarding en er een volledig geloof bestaat, waar men nog de consequenties durft trekken uit zijn eigen geloof zonder enig voorbehoud, kunnen wonderen nog gebeuren. Waar men zich inzet voor de dingen waarin men stoffelijk gelooft, of waarnaar men stoffelijk verlangt, zal men slagen, indien men geen enkel voorbehoud maakt.

Mijn conclusie is hier, dat de wereld, dat de mens, eerst weer zal moeten leren vertrouwen in zichzelf. De mens moet zozeer van de waarde van wat hij goed acht overtuigd zijn dat hij zichzelf daarvoor geheel wil geven, niet alleen theoretisch, maar ook werkelijk. Dan zal de mensheid weer alle dingen mogelijk zien worden, dan kan alles bereikt worden. Men kan stellen, dat de westelijke wereld exoterisch denkt, terwijl de oosterling meer esoterisch van aanleg is. Hoezeer dit verschil ook elders moge tellen, in beiden vind ik dezelfde fout, de fout die de verwarringen van deze tijd veroorzaakt: het compromis, dat men steeds weer met zich en zijn principes sluit, omdat men de gevolgen van zijn eigen stellingen niet durft aanvaarden.

Geestelijk kan men dit als volgt formuleren: men durft de Geest, waarin men gelooft en die men rond zich erkent, niet in zich aanvaarden en de invloed daarvan voor zich verwerkelijken, ongeacht alles, wat er rond het Ik verder gebeurt.

Hiermede heb ik getracht, het betoog van de eerste spreker die de voorgaande week aan het woord was, vanuit mijn eigen standpunt aan te vullen en verder te belichten.

Esoterische beschouwing

In het eerste gedeelte van deze avond zijn er nog al wat politieke en andere noten gekraakt.

Al deze feiten hebben echter op zich weinig waarde voor ons, wanneer wij niet tevens, een synthese weten te vinden, een samenvloeien van weten, krachten en gedachten in verband  daarmee, zoals zij in ons zelf bestaan, waardoor het geheel een deel van onze bewustwording kan worden.

Dit zal natuurlijk niet zonder enige moeite mogelijk zijn. Indien wij echter uitgaan van de gedachte dat elke mens op aarde leeft met een bepaalde taak en een bepaalde reeks van mogelijkheden, wordt het toch wel duidelijk hoe een reeks van op zich grotendeels uiterlijke omstandigheden bepalend kan zijn voor de innerlijke bewustwording.

Wat je beleeft, wat je denkt, ja, zelfs wat je zou willen doen – dus niet alleen wat je doet – zal bepalen in hoeverre je leven conform is met het doel, dat de geest zich heeft gesteld, toen zij de aarde betrad.

Dit betekent dus ook, dat elke afwijking van een juist levenspatroon van de juiste manier van denken en handelen, de mens in moeilijkheden zal brengen. Wanneer de geest haar eigen voornemens verwerkelijken kan en zo haar ogenblikkelijke taak op aarde kan volvoeren, zal zij ook in de stof onmiddellijk kunnen spreken. Er is a.h.w. een directe verbinding geschapen, waarbij innerlijk en daad tot één enkel geheel worden. De gehele wereld en alle gebeuren daarop voert dan niet alleen tot een juister erkennen van God en de waarden van het werkelijke leven, maar ook tot een steeds juister beseffen van de grenzen en mogelijkheden van eigen wezen. Zo gezien lijkt de synthese van alles wat de eerste spreker heeft gebracht te liggen binnen de volgende regels:

Elk compromis, dat je sluit omdat het gemakkelijker is of meer aanvaardbaar lijkt, betekent tevens een schaden van de eigen persoonlijkheid.

Elk beleven van alles, wat geestelijk voor jou tot doel en taak in het leven behoort, betekent een direct contact met het Hogere en daardoor een bewustwording.

Een groot gedeelte van het stoffelijke leven is niet gebaseerd op weten, maar op niet-weten, op geloof, op aanvaarding. Dit betreft zowel materiële stellingen en ideeën als de verbindingen die men vindt tussen God, de geest, de kosmos, en het eigen ik.

Waar een geloof bestaat, wat slechts ten dele beleefd wordt, is dit een leugen. Men handelt dan op grond van onjuiste gegevens, of zelfs strijdig met eigen taak en zal hierdoor aan mogelijkheden tot bewustwording inboeten, terwijl gelijktijdig de mogelijkheid tot het ontstaan van lijden enz. voor het eigen Ik groter wordt.

Ik bouw nu enkele ideeën op, die uit deze regels voortvloeien en dus mede in verband staan met de beschouwingen van de vorige week, zowel als het betoog van de eerste spreker van heden.

Als een wereld alleen gebaseerd is op zoetsappigheid, zal zij door haar eenzijdigheid nimmer werkelijk kunnen bestaan. Wanneer ik mijn eigen bestaan en leven alleen wil baseren op goedheid, zonder dat in deze goedheid gelijktijdig een hardheid wordt erkend, zal ik dus tot niets kunnen komen, omdat mijn wijze van leven en denken binnen de werkelijke wereld niet past.

Een mens die een inwijding door wil maken, wordt geconfronteerd – tijdens deze inwijding – met alle facetten van het leven, die de mens lijden noemt, ja, zelfs met de dood. Dit gaat zover, dat de stoffelijke inwijdingsscholen als voorwaarde voor de inwijding een sterven stelden – zij het – dat dit een symbolische, niet een werkelijke dood betrof. Nu is zelfs de gedachte aan het sterven voor de mens niet aangenaam. Maar in vele gevallen zal hij, om tot een nieuwe bereiking, een nieuw bewustzijn te kunnen komen, eerst de dood van alles, wat achter hem ligt, moeten leren aanvaarden. Later blijkt dan een deel van het leven, dat men heeft afgelegd, voort te bestaan als een soort ritme. Wanneer inwijdingen dus zover gaan, dat zij het meest gevreesde in het menselijke bestaan vergen als eerste begin van de werkelijke inwijding – de dood, het symbool van de dood – zo blijkt hieruit alleen reeds, dat alle esoterie, alle innerlijke bewustwording een staalharde kern moet hebben.

God is Liefde. Zeker. Maar God is niet een Liefde, die alles zonder meer verzoet en mooi maakt. Gods liefde schept soms een wrede winter, opdat daarna een mooi voorjaar mogelijk zal zijn.

Nu stelde de eerste spreker, dat men dit begrip van noodzakelijke evenwichtigheid uit het oog heeft verloren. Ik acht dit juist, want men is zover van de natuurlijke wetten en de werkelijkheid verwijderd geraakt, dat men meent alleen maar het goede te moeten zoeken en beleven. Maar het goede bestaat nimmer als afzonderlijke waarde. Het bestaat in zekere zin, maar dan moeten wij spreken van “het juiste” en niet van het goede. Want het juiste is volgens de mens niet altijd goed, terwijl het goede, dat de mens zoekt, niet altijd juist is. Laat ons dit niet vergeten.

Wanneer wij streven binnen een wereld als de uwe, zullen er vele ogenblikken zijn, waarbij wij moeten kiezen. Wij zullen moeten zeggen, of wij de harde werkelijkheid inderdaad willen aanvaarden. Indien wij geestelijk en stoffelijk verder willen komen, zullen wij deze niet mogen verdoezelen. Wanneer wij in de geest voor een soortgelijke verwarring komen te staan, betekent dit voor ons, dat wij de duizeling die daarbij pleegt op te treden, zullen moeten aanvaarden, omdat alleen daardoor een stijgen in bewustzijn en sfeer mogelijk wordt. Niet zonder redenen wordt op deze noodzaak tot hardheid op het ogenblik de nadruk gelegd.
Want ergens zal de mens dan toch moeten leren, om zich aan zijn woord te houden, zich aan zijn geloof te houden en trouw te blijven aan datgene, wat men in zichzelf als zekerheid kent. Wanneer de “goedheid” de hardheid niet tracht te verdrijven, zullen deze waarden niet meer aangetast kunnen worden door wat mensen doen of denken. Men heeft dan een zekerheid. Wanneer deze zekerheid steeds weer innerlijk bevestig wordt, is daarbij – zeker voor een mens in uw wereld – tevens een sterke en blijvende band geschapen tussen de hogere voertuigen van het Ik en de stof.

Dan kan de mens, juist door deze hardheid, leren erkennen, wat hij of zij in werkelijkheid is. Het is vaak moeilijk, je eigen grenzen te erkennen. Ook wanneer wij geestelijk streven, dromen wij graag van alle dingen, die wij zouden kunnen doen. Maar laat ons dan ook hard voor onszelf zijn, zien welke dromen onmogelijk zijn, toegeven dat wij daar waar mogelijkheden zijn, vaak te kort schieten. Laat ons vooral erkennen, dat wij bepaalde dingen niet zouden kunnen doen, ook al zouden wij dit 1000 malen wensen, omdat zij niet tot de taak en mogelijkheden van ons huidig bestaan behoren. Alleen wanneer wij zo eerlijk, scherp en zo rechtlijnig mogelijk de grenzen trekken van ons eigen wezen, kunnen wij ontkomen aan de heilloze verwarring, die de wereld rond ons soms schijnt te omvatten en de krachten vinden, onze werkelijke taak te vervullen.

Ik kan mij zo voorstellen, dat er mensen zijn, die nu denken: “Nou, is me dat wat moois? Daar hebben wij een liefdevolle God en als het er op aan komt, blijkt zijn liefde niet in te houden, dat Hij ons behoedt voor het onaangename, maar dat Hij ons de kans alleen geeft, om daarmee op onze eigen manier te worstelen”. Inderdaad. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo aangenaam. Maar indien wij tot het ware bewustzijn willen komen – waarbij een eindig leven maar een klein en onbelangrijk deel is in het totale bestaan – moeten wij ons toch werkelijk durven afvragen, wat er eigenlijk in ons leeft. Wanneer wij eerlijk zijn, zal elke worsteling ons meer kracht, meer mogelijkheden geven. Maar dan moeten wij werkelijk eerlijk zijn. Laat ons dan niet van liefde spreken, wanneer het in werkelijkheid slechts gaat om hartstocht. Spreek niet van trots, wanneer het in feite alleen maar koppigheid is, of over een noodzakelijk streven, wanneer de kern daarvan alleen een begeren naar eigendom is. Probeer niet te spreken over je heilige rechten, wanneer je alleen bedoelt, dat een ander van jou of hetgeen je als het jouwe beschouwt, af moet blijven. Laat ons vooral, niet van een door God gegeven taak spreken, wanneer wij in wezen slechts doen, wat het toeval noodzakelijk maakt voor ons. Eerlijk zijn. Maar dan in die eerlijkheid ook erkennen, dat het eigen wezen binnen al die mooie en minder mooie benamingen die wij voor onze daden gevonden hebben, gedreven wordt.

Stel ook niet dat wij door God gedreven worden. Want wij worden altijd weer voortgedreven door de wereld waarin wij leven, door dat, wat wij werkelijk zijn, door de banden, die wij hebben gelegd met de geest, met de schepping, met de mensen, met alle dingen. Het doel, waarmee de geest op aarde komt, drijft ook de stof voort, of zij dit nu aanvaarden wil of niet. Durft de stof dit erkennen, heeft zij de moed daaruit de consequenties te trekken en te stellen: zó kan ik dus het voor mij goede bereiken, zonder ooit een ander aansprakelijk te stellen voor mijn nalatigheden of mijn daden, dan vindt de mens in zich de kracht van het ware leven.

Er is gesproken over banden, die over geheel de wereld bestaan. Er zijn inderdaad geestelijke netten gespannen, om zo de mensheid te kunnen helpen. Maar binnen een dergelijk net kan men alleen iets betekenen, wanneer men zich bewust is van zijn ware Zijn. Voor mens en geest is het marionet-spelen voor hogere krachten niet werkelijk nuttig. Daarmede wordt voor eigen bewustwording weinig of niets bereikt, zelfs indien het nuttig is voor anderen. Een bewust deel hebben aan het streven naar Licht, een bewust deel hebben aan de broederschap van mens en geest – niet omdat het zo mooi is, maar omdat men in zich aanvoelt, dat men anders niet kan geloven en leven – is voor mens en geest beiden goed. Dit brengt innerlijk zowel als kosmisch resultaat.

U ziet, dat, wanneer ik een synthese wil geven van de gegevens van de eerste spreker, ik uiteindelijk op het punt terecht kom, dat u in de laatste tijd haast tot verveling toe is gepredikt:

“Mens, leer jezelf kennen. Leer jezelf te zijn, eerlijk, zonder komedie tegenover jezelf of tegenover anderen. Leer te streven naar alles, wat je innerlijk als goed erkent.”

Indien men zich aan deze eenvoudige regels leert te houden, is daarmede de oplossing gegeven van elk probleem, onverschillig of dit uw probleem is, of een probleem van de wereld.

Op het gevaar af dat sommigen onder u zeggen: “Nu worden ze nog vroom ook” – enkelen hebben daar bezwaar tegen – wil ik het ten laatste nog eens als volgt stellen:

Wanneer je als mens in de wereld leeft en in jezelf kunt geloven, zowel als in de kracht, die in je leeft, ben je niet de mens, die de wereld kan veranderen. Maar je bent wel de mens, die vanuit zichzelf, door zichzelf en in zichzelf, de wereld haar juiste aanzijn helpt geven. Want alleen ben je niets. Elk van ons is alleen maar een deel van een groot geheel. Dit dient men te beseffen.

Van dit geheel kan men echter alleen werkelijk bewust deel uitmaken, wanneer men voor zichzelf eerlijk en oprecht kan zeggen: “Dit is voor mij God, dit is voor mij werkelijkheid, dit is voor mij het werkelijke leven.” Beantwoordende aan deze innerlijke waarden mag men niet vragen: wat zal de toekomst er van zeggen, wat zullen anderen denken, hoe hebben onze voorouders dit gedaan, maar zal men slechts mogen stellen: “Zo erken ík mijn God in mijzelf, zo beleef ík mijn God in mijn wereld, zo vervul ík het doel, waarmee ik in de stof ben afgedaald.”

Als deel van het geheel zal men, uitgaande van de gestelde punten, binnen het Ik dat ene Lichtpunt weten te vinden, dat over alle moeilijkheden heen helpt, het Licht, dat zelfs doordringt in de wanhoop, die elke mens soms zal ondervinden en ondanks alles het leven levenswaard maakt. Dan zal men altijd erkennen, dat er iets in eigen wezen schuilt, dat tijdloos en werkelijk goed is, dat voert tot een persoonlijke ontmoeting met God.

Leef alles, wat u in uzelf erkent als Lichtend en waar. Dan zijn alle andere dingen onbelangrijk.

image_pdf