De verwerving van praktische zelfkennis

1960

Wanneer wij over zelfkennis spreken, moeten we in de eerste plaats eerlijk zijn en erkennen dat een al te volledige zelfkennis ons meestal niet aangenaam is. De doorsnee‑mens wil precies zoveel in waarheid omtrent zichzelf weten als past binnen zijn wereldbeeld. Het gevolg is dan, dat men – bewust of onbewust – bepaalde delen van eigen persoonlijkheid bui­ten beschouwing laat. Hieruit ontstaan velerlei verwarringen: de mens komt met innerlijke problemen te zitten en gaat uitwegen zoeken, die voor hemzelf ‑ laat ons zeggen ‑ minder goed en minder juist zijn. Wanneer ik dan ook hier de praktische zelfkennis bespreek, moet ik uit­gaan van een aantal grondslagen. In elk daarvan zult u een dubieus ter­rein ontdekken: iets wat de mens graag omzeilt. Voor deze avond zou ik het erg prettig vinden, indien u de blinddoek even af zou willen doen en zou willen proberen ook die punten onpartijdig te bezien.

In de opbouw van de mens en zijn persoonlijkheid hebben wij natuurlijk, allereerst te maken met temperament, (grondslag dus van het wezen, mede omvattende het karakter voor zover dat in de jeugdjaren is gevormd). In de tweede plaats krijgen wij te maken met het milieu. De omgeving be­paalt voor een groot gedeelte de denkwijze van de mens en dus ook zijn reacties. Indien hij zijn milieu onjuist beoordeelt, kan hij nooit tot juiste zelfkennis komen. Verder heeft hij te maken met zijn geest. De geest is een bewustzijnsvorm, die veel ouder is dan het lichaam. Zij heeft een aantal maatstaven, die stoffelijk moeilijk of niet kunnen worden gebruikt, omdat zij zich op erva­ring en niet op de waardering van het beleven zelf richt. Ten laatste en zeker niet als minst waardevolle factor komt ook nog in het geding wat men pleegt te noemen “karma”, maar wat ik liever zou wil­len noemen “oorzaak en gevolg”, blijkend uit geestelijke hiaten en daardoor inwerkend op de stof.

Nu ik u deze eerste factoren uiteen heb gezet, zullen we met het temperament aan een nadere beschouwing te onderwerpen.

Elke mens denkt, dat hij een zeker temperament heeft, maar slechts weinigen weten precies hoe dit temperament kan worden omschreven. Als je echter van jezelf niet weet, hoe dus het spel van lichamelijke invloeden met inbegrip van hartstochten, begeerten en angsten zich in jezelf afspeelt, kom je niet verder. Het is dus noodzakelijk allereerst, eens vast te stellen, hoe ons temperament dus is.

En dan hebben wij als eerste punt het z.g. flegmatisch, je zou ook kunnen zeggen: afwachtend of koel temperament. Heel veel mensen brengen deze koelheid alleen in verband met bv. de seksualiteit, wat natuurlijk onjuist is. Als u wilt weten, of u een koel temperament hebt, zult u zich het volgende moeten afvragen: Ben ik gauw van mijn stuk te brengen?

Voel ik mij snel geroerd en laat ik mij daardoor ook tot directe handelin­gen bewegen? Vergeet niet, u kunt gemakkelijk ontroerd zijn maar niet tot daden komen. Dan is die ontroering een zuiver psychische kwestie en kan niet worden beschouwd als een directe aanduiding van temperament. Juist de lichamelijke actie en reactie impliceren niet alleen ontroering maar ook het haast instinctief stellen van een daad. Als u in staat bent om snel ontroerd te worden en snel in te grijpen, dan bent u zéker niet flegmatisch. Maar als u de neiging hebt om – al bent u misschien wel geroerd en denkt u er zelfs wel lang over na ‑ de dingen op hun beloop te laten en blijft u over het algemeen zeer nuchter en zeer kalm, dan heeft u wel een zeer koel temperament. Een koel temperament impliceert voor de mens, die naar zelfkennis streeft, dat hij voorzichtig moet zijn met zijn waardering van zijn relatie tot de wereld. Hij komt er niet toe zijn innerlijk beleven te uiten. Hij blijft vaak de rots van kalmte en stilte, waartoe iedereen zich in verwarring zou wenden, maar hij vindt geen werkelijke uitlaat voor zijn innerlijke problemen. Een verkeerde waardering van jezelf maar vooral van je omgeving is hiervan vaak het gevolg. Het contact, dat je hebt met de wereld, is in dergelijke gevallen n.l. erg beperkt. Alleen daar, waar een directe behoefte aan u bestaat en dus een onmiddellijke daad word uitgelokt, reageert u. Is deze uitlokking er niet, dan neemt u van die wereld betrekkelijk weinig kennis en gaat zij voor een groot gedeelte aan u voorbij. De innerlijke roerselen van uw wereld zeggen u weinig. U zult zichzelf in dergelijke gevallen zeer snel bedriegen door een vergelijking te maken met het “ik”, dat u dan als gelijkmoedig beschouwt en de wereld, die voortdurend en schijnbaar zonder altijd gegronde redenen bijzonder opstandig en larmoyant is. Wilt gij uzelf goed leren kennen, dan zult u daarvan dus afstand moeten doen en u zult allereerst moeten trachten de emoties van anderen te begrijpen. Pas dan zult u beseffen wat u ‑ qua temperament ‑ in die wereld bent en voor die wereld betekent.

Nog één opmerking voor ik overga naar een volgend type. Wanneer je n.l. zo flegmatiek bent, meen je heel vaak, dat je toch eigenlijk ontzettend veel doet en dat je eigenlijk aan de wereld heel weinig eisen stelt en wat daar verder bij behoort. Dit is feitelijk niet waar. Maar u rationaliseert uw eigen wezen, omdat u nu eenmaal graag aan die norm van het leven beantwoordt. Laat u daardoor niet misleiden.

Dan kennen wij het sanguinisch type, een temperament dat veel spontaner is. Het is niet een type, dat zich onmiddellijk laat bewegen tot grootse daden. Er is een zekere zelfbeperking, een zekere zelfbeheersing. Er kan ‑ ook bij het sanguinisch type ‑ sprake zijn van enige schuchterheid. Men tracht eigenlijk wel alles innerlijk te verwerken, maar komt er voortvarend toe dit toch wel naar buiten uit te kramen. Een sanguinisch type zal de neiging vaak hebben reëel voor anderen te zijn en te doen maar omgekeerd ook veel van eigen leven aan anderen op te leggen of voor te leggen. Een dergelijk type zoekt het natuurlijk allereerst in de daad. Dat brengt het mee. Dit temperament brengt mee, dat daadkracht en gebeuren, meestal beheerst en overlegd, de hoofdtoon vormen van het eigen leven. Deze typen hebben echter de neiging om alleen te oordelen op grond van hun eigen daden en voor zichzelf het overleg, dat tot de daad leidt, minder nauwkeurig te omschrijven of te realiseren. Het gevolg is, dat zij heel vaak een schuldbewustzijn hebben, omdat zij zich niet kunnen indenken: mijn daden kwamen voort uit een weloverlegd streven en zo de daad daaraan misschien niet volledig heeft beantwoord, heb ik toch eerlijk getracht het beste te doen. Dit leidt tot een vertekening van het karakter. Vooral wanneer wij bij deze typen mensen vinden, die op door de gemeenschap minder gewaardeerde terreinen als seksualiteit en ook politiek zich wat afwijkend van de norm gedragen, worden zij al heel snel ofwel vijanden van de maatschappij, maar dan ook blijvende en hardnekkige vijanden, dan wel mensen met een voortdurend minderwaardigheidsbesef, dat zij trachten te compenseren door handelingen en daden, waarmee zij het eigenlijk zelf niet eens zijn.

U zult begrijpen, dat ‑ wanneer je een dergelijk karakter hebt ‑ je je dat zelf ook niet graag toegeeft. Maar er zijn alweer bepaalde kentekenen te noemen, die toch zeker bijdragen tot een gemakkelijker erkenning van de waarheid. Vraag u af, of u vaak impulsief handelt: of u de impulsiviteit altijd gepaard doet gaan met overleg. Daarop vindt u meestal in de prak­tijk wel een antwoord. Zo ja, dan is uw impulsiviteit zeker aanduiding van een meer sanguinisch type. Vraag u verder af in hoeverre bepaalde hartstochten, begeerten of ideeën u volledig beheersen. Probeer het antwoord niet voor uzelf te verdoeze­len, maar zeg het uzelf zo duidelijk mogelijk: Dat overheerst mij, dat noemt een hoofdplaats in mijn denken in. Wanneer u daarbij tot de ontdekking komt dat seksualiteit, maatschappelijk verkeer en de gebreken van anderen daar­ in een voorname plaats innemen, terwijl u gelijktijdig metterdaad probeert iets aan die dingen te doen, dan hebt u wel zeker vastgesteld, dat uw eigen temperament dus behoort tot de beheersbare, maar toch wel wat meer levendige typen.

Naast andere typen, die we in de psychologie en de medische weten­schap tegenkomen, hebben we dan nog een zeer interessant type, dat wij het cholerische type noemen. Dit is het type, dat ontzettend snel woe­dend wordt. Er is hier sprake van voortdurende protesten tegen de wereld, driftuitbarstingen en innerlijk vaak een gevoel van voortdurend veronge­lijkt te zijn. Het cholerisch type beheerst deze gedachten niet, en gaat on­middellijk tot de daad over. Mensen, die een dergelijk temperament hebben, onderscheiden zich van alle anderen, doordat zij steeds in hatelijke zin en in woede spreken, zonder dat zij overleggen wat zij zeggen: geneigd zijn kostbare bezittingen in een opwelling van woede te vernietigen en om contacten en banden, die lange tijd hebben bestaan, met een slag te verbreken. Elke mens, die wil weten, of hij/zij van aanleg cholerisch is, kan daartoe het volgende afvragen: In hoeverre geef ik onbeheerst uiting aan woede over onbelangrijke dingen? In hoeverre ga ik voortdurend door op aan mij bedreven onrechten en zweep ik mijzelf vaak tot woede op, zonder dat daarvoor een kenbare oorzaak is?

Het is een betrekkelijk gemakkelijke erkenning, want juist de cholericus ervaart telkens een terugval die bijna tot melancholie leidt, ofschoon hij nooit een melancholicus is. Hij is dan berouwvol en erkent zijn fouten, tot de volgende zandkorrel in zijn weg komt en hij opnieuw losbarst. Heb je een en ander in jezelf erkend, dan volgt hieruit onmiddellijk, dat je dus alles zult moeten doen om je woede-uitbarstingen zoveel mogelijk te vertragen, opdat door onderbreking van het denkproces en vertraging van de handeling een juister inzicht in de toestand kan worden verkregen. De drie genoemde typen plus enkele andere zijn zuiver stoffelijk en komen, als ik het zo mag opmerken, wel onmiddellijk voort uit uw stoffe­lijke ontwikkeling, uw lichamelijke aanleg.

Het volgende punt is het milieu.

Menigeen beseft niet, hoe sterk zijn milieu en vooral wel de omgeving, waarin hij tijdens zijn opvoeding heeft verkeerd, een stempel drukt op zijn wezen en zijn opvattingen. Wanneer het milieu voor ons een beperking, kent van onze natuurlijke aanleg (dus van het temperament), in staat zijn deze beperking op enigerlei wijze te compenseren, ontstaat een volkomen vertekende mens. Een voorbeeld: De koele mens gaat zich, wanneer hij in een streng orthodox­ religieus milieu opgroeit, heel snel voelen als een uitverkorene Gods. Hij is geneigd zichzelf te richten op hogere geestelijke waarden en ziet van uit zijn ivoren toren op de arme zondige mensheid neer, zonder veel meer te doen dan een enkel vermaan uit te spreken. Het meer sanguinisch type wordt dan zeer ijverig en is geneigd anderen zijn wil op te leggen. Dit zijn de typen, die onder dezelfde condities zullen trachten hun medemensen hun eigen leefwijze op te dringen: daarvoor hun hele leven desnoods willen inzetten, al hun daadkracht eraan spenderen en toch nimmer geheel tevreden zijn. De cholericus is de mens, die in een dergelijk geval bij elke voor hem niet aanvaardbare handeling of toestand uitbarst in klachten en profetieën omtrent de verdoemenis, die de wereld bedreigt en daarbij soms zeer abrupt ingrijpt om zich dan in zichzelve terug te trekken en voor zichzelf heen te stamelen, dat ook hij wel een zondaar is maar toch nog niet zo erg als die anderen daar. Hieruit blijkt al dat het milieu een zeer grote invloed kan hebben.

Er zijn natuurlijk zeer veel soorten van omgeving mogelijk in de jeugdjaren, terwijl ook de maatschappelijke plaats, die men later inneemt, ongetwijfeld op het leven en dus op het “ik” zelve een bepaalde invloed heeft. Het is mij onmogelijk deze alle op te sommen, maar ik zou u ook hiervan een paar aanwijzingen willen geven. Vraag u af:

Ben ik soms in mijn leven in verzet gekomen tegen iets, wat ik in mijn jeugdjaren heb ondervonden?

Hoe waren mijn ouders?

Hoe was de omgeving, waarin ik opgroeide?

Hoe heb ik mijn houding daartegenover nu bepaald? Uit de verschillen die u vaststelt zult u heel vaak zien, dat u in feite strijdt tegen bepaalde delen van uw milieu: en wel vooral tegen het vroegere milieu. U tracht dit te ontkennen, u tracht u daarvan los te maken, maar in feite gelooft u er nog aan. In feite bent u nog gebonden aan uw voorstelling. Een dergelijke tegenstrijdigheid voert tot onoverlegd handelen en denken. Je komt eigenlijk tot een reeks reacties, die niet meer redelijk genoemd kunnen worden. Het erkennen van de binding, die je hebt met het milieu, waarin je vertoefde – zeg van de vroegste jeugd af tot maximaal het 18e – 20e jaar ‑ kan zeer veel bijdragen tot de erkenning van je eigen standpunt in de wereld.

Vraag je verder af: Wat meen ik verplicht te zijn tegenover de mensen? Over het algemeen zal het u gemakkelijk vallen een aantal van dergelijke verplichtingen op te sommen. Wanneer u dat hebt gedaan, vraag u dan af, welke van die verplichtingen in feite redelijk zijn en zin hebben buiten de algemene politesse en dergelijke om. Wat u van het lijstje schrapt, bestudeert u nader. Het feit n.l., dat u zich daaraan houdt en u het dus in feite toch wel belangrijk acht, is het gevolg van een te sterke binding aan het huidige milieu. U kunt dan door deze binding te beseffen wederom begrijpen wat uw eigen wezen eigenlijk is en wil. De uitschakeling van de invloeden van de omgeving is in een dergelijk geval belangrijk. In de derde plaats: Ga jezelf eens een keertje heel rustig afvragen: Waarvan droom ik? En doe dan natuurlijk ook de blinddoek af. Wat voor dromen hebt u? Als u graag droomt en dagdroomt b.v. van reizen naar vreemde landen, dan is het wel zeker, dat u aan uw huidig milieu wilt ontkomen: het is een belasting voor u. Vraag u dan af: Waarom? Misschien is er dan wel iets aan te doen. In ieder geval verklaart het u dan weer de spanning, waaronder u leeft en maakt het u eenvoudiger uzelf dus te realiseren: dit zijn mijn mogelijkheden, dit ben ik. Speelt ‑ neem me niet kwalijk dat ik het weer in het geding moet brengen – de sekse in uw dromen een grote rol? Is dit voortdurend op een bepaalde persoon gericht of wisselt dat steeds? Probeer eens een keer ook hier het masker af te doen en een eerlijk antwoord te geven op die vraag. Vraag u af, in hoeverre symbolen in uw dromen maar ook b.v. in uw meubilair een bepaalde seksuele betekenis kunnen hebben. Ga daarbij niet al te veel af op Freud, maar op datgene wat uzelf associatief eigenlijk zegt: Ja, dat zou ik eigenlijk toch moeten zijn. Dan ontdekt u waar u tekortkomingen hebt. Denk niet, dat die tekortkomingen vaak stoffelijk zijn. We weten vooral bij de sekse en de seksualiteit dat het mentale (dus de gedachtewereld), de behoefte iets te betekenen, geliefd te zijn, functioneel te zijn in de wereld, dikwijls een grotere rol speelt dan het temperament zelve. Dit betekent dus, dat u ‑ omdat u toevallig geen sanguinisch temperament hebt ‑ dit niet terzijde kunt leggen. Integendeel. Juist wanneer u hebt uitgemaakt: ik bezit dit niet, dan is het bijzonder interessant. U kunt daaruit dan concluderen in hoeverre u de aandacht zoekt van de mensen en waarschijnlijk ook waarom. Want als u eenmaal toegeeft dat u die aandacht zoekt, zult u ook wel beseffen wat daarvan de achtergrond is. Bedenk daarbij verder, dat zowel mannen als vrouwen een oudercomplex kunnen hebben, zodat men ‑ bv. op rijpere leeftijd geen kinderen meer hebbende ‑ vaak jongere mensen schijnbaar seksueel zoekt maar in feite, omdat men de banden met de jongere mens, die men een tijd heeft gekend, zou willen voortzetten. Er is een aansprakelijkheid weggevallen die we graag weer zouden willen opnemen. Hiervoor begrip te hebben is belangrijk, want het geeft je de mogelijkheid jezelf te oriënteren.

Een volgende vraag, die ik nog graag zou willen stellen juist in verband met het milieu is deze: Hoeveel van wat ik aan mijn kleding, mijn huishouding en mijn persoon doe, doe ik alleen om anders gezien te worden dan ik ben? Bijvoorbeeld: in feite zou ik het niet erg vinden om in een rom­meltje te leven, maar ik wil niet dat iemand dat ziet: ik schaam mij voor mijn slordigheid. Ik ben mij bewust, dat ik niet bijzonder knap ben, maar ik tracht mij ten koste van alles te verfraaien, want ik wil graag dat men mij een bijzonder knap persoon vindt. Ik ben wel oud, maar ik verf bv. mijn haren, omdat ik er niet voor wil uitkomen dat ik een bepaalde leeftijd heb. Ik hunker naar een jeugdiger leeftijd, naar een jonger zijn. Het erkennen van deze dingen maakt het ons weer mogelijk in te zien hoe verkeerd wij ons dus in ons milieu hebben geplaatst. Want dergelijke gebre­ken ‑ neemt u me niet kwalijk dat ik het gebreken noem, maar m.i. zijn ze het ‑ voeren werkelijk wel tot een voortdurend zinloos handelen. Het is m.i. heel goed, als je jezelf toegeeft: Nu ja, ik heb last van zinnelijkheid. Ik heb last hiervan. Ik heb last dáárvan. Eerlijk toegeven kan geen kwaad. Maar wij moeten wel trachten om de stoffelijke achter­ grond daarvan (het temperament) te scheiden van de omgeving en de suggestie, welke deze op ons legt en bovendien ‑ wat zeer belangrijk is ‑ de inwerkingen, die eventueel uit de geest zouden kunnen komen of die deel zouden kunnen zijn van een noodlot, dat wij beleven. Er is natuurlijk ook hiervan onmetelijk veel meer te vertellen, maar sta mij toe verder te gaan en ook even de geest te bespreken. Zoals ik reeds opmerkte is de geest een wezen ‑ of moet ik zeggen: een orgaan, een organisme ‑ dat veel ouder is dan de stof. Uit een menselijk standpunt gezien is de geest in feite amoreel. Zij kent en erkent n.l. geen menselijke mores, maar alleen evenwichtigheid of onevenwichtigheid, wat voor haar betekent: geluk en vooruitgang of ongeluk, stilstand en vlucht voor de werkelijkheid. Wanneer de geest in de stof komt, brengt zij haar eigen problemen mee. Wat zij in de stof afdrukt en dus bij voorkeur aan de stof oplegt, is zeker niet haar toestand van evenwichtigheid en geluk. Daarvoor behoeft zij niet in de stof af te dalen. Zij gebruikt de stof bij voorkeur om haar onevenwichtigheden uit te drukken en deze dus zo mogelijk tijdens het stoffelijk bestaan door ervaring en beleving te corrigeren. U kunt moeilijk uitmaken wat uw geest precies aan feilen heeft. Een mens, die dat in de stof zou willen trachten vast te stellen, zou zich ongetwijfeld verwarren in allerhande abstracties en niet veel verder komen. Maar besef, dat uw geest in u legt wat voor haar een onevenwichtigheid betekent ofwel duister is. In zoverre, zou je kunnen zeggen, is de wereld feitelijk een tranendal. Want datgene, wat de geest tot tranen zou kunnen bewegen, reageert zij in de stof aft brengt het daar tot harmonie en evenwicht, maakt uit de traan een lach om dan die lach in zich terug te nemen. Altijd weer wanneer u door de geest wordt beïnvloed, moeten wij dus het volgende stellen:

Ten eerste: Wij zijn niet in staat precies te bepalen waar onze eigen geest ingrijpt en waar andere factoren in het geding zijn.

In de tweede plaats: Wanneer onze geest, ons tot handelingen en daden drijft, zullen dit zeker daden zijn, die zich verzetten tegen de gelijk­matigheid en de gewone gang van ons leven.

In de derde plaats: Waar onze geest deze dadendrang niet beperkt tot of richt volgens de stoffelijke begrippen van goed en kwaad, mag en kan deze drang stoffelijk niet zonder meer worden opgevolgd, maar moet ter­dege worden overwogen en in een stoffelijk aanvaardbaar patroon worden ingepast. Anders zouden wij toch door het aanvullen van een bepaalde on­evenwichtigheid voor onze geest nieuwe ervaringen scheppen, die grotere onevenwichtigheid ten gevolge zou kunnen hebben.

Ten laatste: De geest in ons wordt kenbaar in belevingen. Wij kunnen in­nerlijk zeer veel beleven, ook wanneer wij in de stof vertoeven, dat ons geestelijk wezen weerspiegelt. Het is de mens in de stof reeds mogelijk om een groot gedeelte van zijn innerlijke persoonlijkheid te erkennen. Maar deze erkenning is nimmer redelijk en kan nimmer gebaseerd worden op stoffelijke waarden, wetten, mores, noch op stoffelijke begrippen van goed en kwaad of andere gebruikelijke maatstaven. Zij kan alleen aan de hand van het gevoel worden gedefinieerd.

En dan komen wij aan het laatste punt, dat voor ons van belang is n.l.: karma, noodlot, zo u wilt. In verband hiermede heeft een mijner collega’s de voorgaande vrijdag reeds een klein betoog gehouden. Indien u dus aanvulling behoeft op wat ik ga zeggen, zou ik u willen aanraden om het tweede of esoterische deel van voorgaande vrijdag te raadplegen. Ik wil en moet hier kort zijn.

Het feit, dat ons wezen een eigen trillingsgetal heeft, dat harmonieert en correspondeert met verschillende sferen en werelden maar ook met levensvormen in het verleden en in een mogelijke toekomst, impliceert dat alles wat met ons harmonisch is op ons inwerkt. Naar de mate dat het eigen “ik” in een dergelijke harmonie was geuit (bv. in een voorgaand leven dus), zal al hetgeen dat als een tekort in het “ik” in dat leven bestond in dit leven worden geprojecteerd. Wij zullen in dit leven dus heel vaak de noodzaak ervaren om iets te herstellen, b.v. een fout die niet in dit leven ontstond, maar uit een voorgaand leven stamde. Wij zullen ontdekken, dat wij bepaalde dingen zullen moeten doen (bv. iets moeten opbouwen), omdat wij in een voorgaand leven iets hadden afgebroken, wat voor ons noodzakelijk was. Hierbij gaat het altijd om het “ik” en nimmer om de wereld. De schepping is onaantastbaar, het kosmisch patroon kan door ons niet worden gewijzigd. Wij kunnen slechts ons eigen aandeel binnen dit kosmisch patroon zo wijzi­gen, dat het in harmonie is met de schepping.

Wanneer wij dit nu hebben vooropgesteld, dan kunnen wij over karma het volgende opmerken: Het heeft weinig zin karma in het geding te brengen als een verklaring bv. voor ons leed, onze zorgen, onze tegenvallers of ons geluk. Deze dingen behoren steeds tot onze huidige fase van leven, ook als zij daarin voorkomen als gevolg van een harmonie met bv. een voorgaand bestaan. Beroep op karma als een onveranderlijk en onontkoombaar feit is niet redelijk. Naarmate wij ons eigen wezen en bewustzijn wijzigen, zullen wij ook de noodzaken, die ons uit het verleden kunnen bereiken, kunnen veranderen en kunnen aanpassen aan onze moeilijkheden. Degenen, die menen onder een zwaar karma te lijden, doen dan ook goed allereerst de gedachte, dat dit een gevolg van een vroeger falen was, terzijde te stellen en in de plaats daarvan zich af te vragen in hoeverre zij in het heden onevenwichtig zijn. in hoeverre zij in het heden onjuiste besluiten nemen in hoeverre zij in deze beproevingen, die dan uit het karma zouden voortkomen, nu een onjuiste houding innemen. Slechts wat in dit leven wordt volbracht, kan nieuwe harmonie ten gevolge hebben. En als wij onszelf willen kennen, heeft het geen zin op het verleden terug te vallen. Wij zijn n.l. het product van alle belevingen, die wij hebben meegemaakt in alle werelden en sferen en het huidig moment van beleven impliceert, dat het gehele verleden in onze eigenschappen, zoals zij nu bestaan is verdisconteerd.

Ik hoop niet, dat men mij kwalijk neemt, dat ik hierop heb gewezen. Als u een van diegenen bent, die vast in karma geloven, dan zou ik u de raad willen geven u het volgende af te vragen.

In de eerste plaats: Wat schrijf ik in het bijzonder aan karma toe in dit leven? Hebt u dit eenmaal neergeschreven of geconstateerd, vraag u dan in de tweede plaats af: Had ik door anders te reageren of te handelen deze dingen kunnen voorkomen? Zo ja, waar en op welke wijze heb ik dan gefaald? In de derde plaats: Vraag u af, of u door de verantwoordelijkheid voor eventuele verkeerde reacties te aanvaarden niet de mogelijkheid verkrijgt om zelfs nu nog veel van hetgeen als karma beschouwd werd teniet te doen door zelf positiever te handelen en te denken.

Daarmee, vrienden, ben ik dan aan het einde van het eerste deel van mijn inleidend overzicht en gaan we nu terug naar de verwerving van praktische zelfkennis.

We vragen ons in de eerste plaats af: Wanneer is zelfkennis praktisch? Antwoord: Wanneer zij nu op dit ogenblik bruikbaar is om ons eigen leven ten opzichte van de wereld zowel als ten opzichte van het innerlijk, juister en harmonischer te oriënteren. Een praktische zelfkennis kan nooit uitgaan van een volkomen zelferkenning. De mens heeft er meestal de tijd niet voor zo ver in zichzelf door te dringen, en zelfs dan nog blijft de vraag, of dit zou voeren tot een feitelijke verbetering van zijn stoffelijk en natuurlijk ook geestelijk leven. Op het ogenblik, dat wij praktisch willen zijn en onszelf beter willen kennen, zullen wij dus niet mogen streven naar een volledig kennen van het “ik”, voor wij alle factoren, die met het huidig bestaan samenhangen (dus met ons denken, ons geloof, onze hoop, onze afkeer), hebben kunnen verklaren. In de praktijk begin je altijd daar, waar de eerste behoefte bestaat. Zo begint iemand, die naar praktische zelfkennis streeft, zich allereerst af te vragen: Waar faal ik volgens mijn eigen inzichten in mijn leven het meest? Waar schiet ik het meest tekort? Als je deze tekortkoming eenmaal hebt vastgesteld, dan wordt het tijd om haar aan de hand van de reeds verstrekte gegevens na te gaan en naar haar oorzaak te zoeken. Heb ik deze gevonden, dan is daardoor een deel van mijn eigen wezen a.h.w. gedefinieerd. Deze definitie gebruik ik dan als een wapen tegenover al die onevenwichtigheden, die mij zozeer storen. Daar waar ik iets begrijp, wordt het gemakkelijk te beheersen, kan ik mijzelf en de wereld veel meer vergeven: daar kan ik ongetwijfeld ook veel gemakkelijker mijn doel bereiken. Zelfrealisatie is dus wel erg noodzakelijk. Heb ik nu dat eerste punt gehad, heb ik mijn zwaarste zorg, mijn zwaarste probleem, mijn grootste tweestrijd vastgesteld, dan blijkt echter dat ik in de praktijk nog wel enkele bezwaren heb.

In de tweede plaats: Ik heb begeerten. Wat begeer ik? Waarom begeer ik dit? Hierbij is het belangrijk, dat je die begeerten zo nauwkeurig mogelijk omschrijft en dat je probeert ook de wijze, waarop je hebt getracht die begeerte in het verleden of zelfs nu te vervullen, nader in ogenschouw te nemen. Praat niets goed, keur niets af. Wees zo objectief als je kunt, Schrijf het neer als een soort feitenrapport, een proces‑verbaal aan jezelf. Heb je dit gedaan, ga dan jezelf afvragen.

Ten eerste: Wat is de oorzaak, van mijn begeerten? Let daarbij goed op uw temperament. Let daarbij dus ook op de rol, die dit begeren eventueel in het verleden heeft gespeeld en in de toekomst zal spelen­

Ten tweede: Let erop in hoeverre dit begeren in strijd is met uw omge­ving of de meningen, gedachten, geloofswetten e.d. die u aan uw milieu hebt ontleend. Vraag u af, of deze in overeenstemming te brengen zijn. Zo ja, doe dit.

Ten derde: Realiseer u goed, dat niet elke begeerte, zoals ze nu aan de oppervlakte komt, ten slotte moet worden vervuld. Vraag u af: Wat zou er gebeuren, als mijn begeren werd vervuld? En denk ook daar over na.

Aan de hand van de voorstelling, die u dan krijgt, zult u waarschijnlijk in staat zijn uw begeren juister te omschrijven maar ook zodanig te wijzi­gen, dat u veel ellende voor uzelf voorkomt. Tevens begrijpt u, dat uw gedachtewereldje niet volledig juist was, en dan hebt u weer een deeltje van uw onderliggende persoonlijkheid erkend.

In de derde plaats heb je te maken met angsten. Nu zijn angsten en vrezen over het algemeen universeel in deze tijd. Ze vervullen de hele wereld en er zijn dingen, waar iedereen wel bang voor is. Wij laten, zover het ons mogelijk is, dan ook bv. de vrees voor de dood buiten beschouwing, tenzij we bv. op zeer rijpe leeftijd zijn. We trachten zoveel mogelijk te definiëren: Wat vrees ik nu het meest? Het kan voor de gen een spin zijn: voor de ander een onverwachte situatie: voor een derde een onaangename verplichting. Omschrijf dit voor uzelf. Vraag u dan af: Waarom vrees ik dit? U zult ontdekken, dat de verklaring soms ligt in de kinderjaren: dus datgene wat men u in uw milieu heeft verteld. Soms echter ook in een vereenzelviging, b.v. een spin wordt vaak vereenzelvigd met ongeluk, ongeluksbrenger. Een dergelijk bijgeloof heeft meer te maken met de houding van de doorsnee‑mens tegenover spinnen, dan u zou denken. De verplichting kunnen wij vrezen omdat we in feite lui zijn. Maar ook omdat wij tot de ontdekking komen, dat wij door de vervulling van een dergelijke verplichting tegen ons eigen wezen in moeten gaan. Vraag u af: Waar is dan het verschil? Waar ligt de oorzaak? U zult on­getwijfeld 20 á 30 oorzaken opgeven. De uitlegging hebt u te over. Wanneer u ze allemaal hebt opgeschreven of goed hebt overdacht, vraag u dan af: Wat is voor mij nu de belangrijkste reden? Hebt u het belang­rijkste argument daaruit gehaald, dan kunt u ervan verzekerd zijn, dat dit tevens de grootste verontschuldiging van uw angst inhoudt. Vraag    u af: Wat is het excuus, dat ik hier maak? Heeft u het excuus gevonden, dan weet u ook tevens, waarop uw angst is gebaseerd, wat daar­ van de feitelijke oorzaak is. Als resultaat: vergroting van praktische zelfkennis maar ook de mogelijkheid om uw angsten zozeer te beheersen, uw verplichtingen en angsten zozeer te richten, dat zij in uw leven een minder belangrijke rol spelen.

Het is duidelijk, dat wij ‑ door op deze manier heel nuchter na te denken ‑ een vergroting krijgen van praktische, dus bruikbare zelfkennis. Bovendien bouwen wij ongetwijfeld aan een grotere innerlijke harmonie en zullen wij dus geestelijk wat sneller kunnen vorderen. Die geestelijke vor­dering brengt nu met zich mee, dat we wat vrijer komen te staan tegenover vele stoffelijke dingen: de gedachtewereld wordt over het algemeen wat ruimer en wat minder eng. Het resultaat is, dat ook de stoffelijke impul­sen en de milieu‑invloeden, die eens doorslaggevend waren, langzaam maar zeker in belangrijkheid afnemen en dat daarvoor in de plaats komt het zoeken naar innerlijke harmonie. Ben je zo ver, dan kun je verdergaan en zoeken naar een absolute zelfkennis. Tot dan is het beter om in de eerste plaats praktisch te blijven en evenwicht te zoeken in je huidige toestand.

Nu is ook dit alles voor u waarschijnlijk duidelijk, begrijpelijk en zelfs enigermate eenvoudig, omdat het slechts vergt een uitpluizen en zoveel mogelijk vaststellen van deze dingen. Maar ik had u eigenlijk beloofd u een weg te tonen in de richting van die praktische zelfkennis. En dat houdt in, dat ik met mijn inleiding niet kan volstaan, indien juist het idee van “de weg”, dus de geleidelijke ontwikkeling daarvan, niet mede wordt behandeld.

Zo zullen wij dit derde en laatste bedrijfje van mijn inleiding dan beginnen met de opmerking. Elke mens heeft in de praktijk wel zelfken­nis, maar hij ontvlucht daaraan maar al te gaarne. Wij willen heel graag als mens en ook als geest in een vormsfeer beantwoorden aan hetgeen men van ons verwacht. Het feit, dat de verwachtingen die de buitenwe­reld t.o.v. ons koesteren, het oordeel dat die buitenwereld over ons zou vellen, meer invloed heeft op ons wezen dan ons eigen innerlijk, is natuurlijk een heel bedenkelijke zaak. Het gaat er ten slotte niet om, wat die buitenwereld doet of niet doet. Het gaat erom wat wij zijn of niet zijn. Zo kun je altijd het best beginnen bij je streven naar zelf­ kennis met te stellen:

Niet wat de wereld van mij dénkt is belangrijk, maar wel wat ik voor die wereld betéken. We draaien dus de verhouding o.a. wat ik voor die wereld kan doen of kan zijn is belangrijk. Daarbij speelt geen tijdselement of iets anders verder een rol. Als ik één ogenblik geluk kan betekenen voor een ander mens, dan is dat voor mij veel belangrijker dan alles wat de wereld daarover zou zeggen. Ik ben n.l. niet in staat de consequenties van mijn daden voldoende te overzien. Ik ben ook niet in staat de consequenties van mijn houding verder te overzien dan het “ik” betreft. Maar ik weet verduveld goed dat ik met mijzelf tevreden kan zijn op het ogenblik, dat ik mijzelf goed vind. Vandaar dat de eerste stap op de weg naar zelfken­nis altijd weer is: tracht goed te zijn. Maar volgens uzelf en niet vol­gens de maatstaven van anderen.

Dit is echter lang niet voldoende. Want alleen goed te zijn geeft wel een prettig gevoel, maar het laat ons nog steeds de vraag: Waar ligt ergens een doel? Nu is het doel, dat wij kiezen, altijd in onszelf gelegen. Onthoudt u dat goed. Ook wanneer wij dat doel noemen “wereldvrede of een heilstaat, het bereiken van Mars of een reis naar de maan”, in feite ligt het in ons zelf verankerd. Het is een uitdrukking voor een eigen behoefte. Als voorbeeld: Het is waarschijnlijk, dat de eerste grote ruimtereizen ge­makkelijker door Rusland ondernomen kunnen worden dan door Amerika, omdat er meer Russen zijn die in feite weg willen van deze wereld dan Amerika­nen. Begrijpt u de associaties? Zo ligt het voor uzelf dus ook. Ergens in jezelf ligt een doel. Dit doel is niet direct de uiterlijke bereiking, die je nastreeft, maar het is de verhouding, waarin dit doel je stelt tot de wereld waarin je leeft. Heb je eenmaal het gevoel dat je zo goed mogelijk, zo verantwoord mogelijk handelt, dan moet je je dus ook nog gaan afvragen: dat voor doel stel ik mij? Probeer dat doel dan te herleiden tot een eigen doel, een doel dat in het “ik” ligt. U zult tot de conclusie komen dat het eenvoudiger gaat dan u denkt. Kent u dit doel, dan weet u dus waar uw goedheid heen streeft, waarop het is gericht. Een volgende fase is ongetwijfeld, rechtvaardigheid. Neemt u mij niet kwalijk, dat ik hier een tot nu toe niet genoemde waarde in het geding breng, maar ze is belangrijk. Wij hebben in onszelf een rechtszin. Deze rechtszin is weer niet afhanke­lijk van het milieu. We kunnen het soms rechtaardig vinden dat een arme van een rijke steelt. Maar als een rijke van een arme steelt, dan wordt onze rechtszin ten zeerste gekwetst. Wij kennen nooit een overkoepelende factor in die rechtszin. Onze rechtvaardigheid is nimmer gebaseerd op al­gemeen geldende regels, maar betekent de verwerping van relaties en ver­houdingen, zoals wij deze in onszelf kennen. Ons begrip van die rechtszin maakt het ons mogelijk vast te stellen wat wij zien als doel in de wereld, Wat wij als doel in de wereld zien, zien we als doel in onszelf. We kunnen dit verwerkelijken en daardoor neer onszelf zijn. Het zal u ook duidelijk zijn, dat wij met een doel alleen niet kunnen volstaan. Wij hebben n.l. ook nog behoefte aan vooruitgang. Het idee vooruit te komen is de meest belangrijke instigator van het streven. Het is altijd goed om stil te staan en zonder opschepperij maar ook zonder schijnnederigheid, die in feite een vorm van trots is, te zeggen. Zo was ik ‑ laat ons zeggen ‑ vijf jaar geleden, zo ben ik nu. Ben ik volgens mijn huidig inzicht vooruit gegaan? Uw eerste antwoord is “Ja”, uw tweede is “Misschien”, uw derde is “Wanneer ik niet zus of zo deed, dan zou dat waar zijn”. Houd die laatste factor vast. U geeft daardoor aan, welk tekort u in uw vooruitgang aanvoelt. Maar door een bepaalde factor te definiëren stelt u tevens vast dat u vooruit ben gekomen. Werp u op de erkende onvolledigheid en u zult ontdekken dat u wederom tot een juister en harmonischer “ik” komt, maar ook tot een groter besef van uzelf. De kennis van de vorderingen, die u stoffelijk hebt gemaakt, zo ook mentaal en geestelijk, is belangrijk. Het helpt om een beeld van het eigen “ik” te tekenen, zoals het in uw eigen wereld bestaat.

Wanneer u verder gaat dan dit, komt er een ogenblik dat u met abstracte waarden moet gaan rekenen: althans met voor de stof abstracte waarden. U gaat spreken over geest, geestelijke bewustwording, inwijding en wat er verder bij behoort. U doet dat wederom in de termen van uw milieu. Het is niet belangrijk, hoe u dit verder omschrijft. Wel echter, dat u ‑ op het ogenblik dat u spreekt over inwijding, over geestelijke leiding en al wat erbij komt ‑ u afvraagt: In hoeverre is dit alleen een antwoord op een begeerte? Heeft u dit voor uzelf zo goed mogelijk vastgelegd en heel vaak is het bijna een volledig antwoord op een begeerte, dan gaat u zich afvragen van waar die begeerte komt. Het helpt u bepaalde tekortkomingen in uzelf te definiëren en ongeacht het al of niet redelijk en werkelijk zijn van geestelijke leiders en inwijdingen, helpt het u uzelf te verstaan, uzelf dus te begrijpen en daardoor ook weer u juister te gedragen. Want wat u van die geestelijke meesters, leiders en van deze inwijdingen en dergelijke verwacht, moet reeds binnen de mogelijkheden van uw bestaande wezen liggen. Begrijp dat wel. Op het ogenblik, dat u het onmogelijke verwacht, zal uw inwijding, uw geestelijke meester een droombeeld zijn en niet tot blijvende en werkelijke resultaten voeren. Bent u echter in staat te beseffen in hoeverre deze beantwoorden aan een begeerte, in hoeverre deze een zending inhouden, die strijdt ook met uw eigen inzichten, dan zult U kunnen definiëren: In zoverre ben ik dus een met die meester, ben ik een met die inwijding, ben ik deel van die geestelijke kracht. Dit helpt u om de invloed van uw geest op de stof nader te leren kennen, ook al is deze, ‑ zoals ik reeds opmerkte ‑ nooit volledig van uit de stof te omschrijven.

Ga dan nog een schrede verder en zeg tot uzelf: Wanneer ik een geestelijk onderwerp overdenk, mij bezig houd met een filosofie, in de bijbel lees, kortom mij bezig houd met iets, wat ik bewust bestem tot mijn geestelijke verheffing, is er iets wat mij speciaal treft, waarop leg ik daar de nadruk? Alles waarop u n.l. de nadruk legt in een dergelijk verband is wederom een uiting van een begeerte en kan als zodanig worden verklaard. Datgene waar u voortdurend overheen leest, dat u over het hoofd ziet en verwaarloost, is altijd iets, wat met een angst in verband staat. Omschrijf deze begeerten en angsten aan de hand van hetgeen u stoffelijk omtrent uzelf hebt geleerd. U zult ontdekken, dat u ‑ na dit enkele malen te hebben gedaan ‑ plotseling veel vrijer tegenover de wereld staat en de geestelijke lering evenwichtiger en juister kunt verwerken.

En nu loopt de tijd mij toegemeten langzaam ten einde en haast ik mij om nog het laatste punt te berde te brengen, dat m.i. onvermijdelijk bij deze inleiding behoort.

Onze gevoelswereld kan zich soms verheven gevoelen boven alle dingen. U kunt los zijn van uzelf, een ogenblik het idee hebben, dat u klaar staat om a.h.w. op reis te gaan, dat de wereld en de materie niets heb­ben te betekenen, een schoonheidsgevoel ervaren dat een soort lichtende zon in uzelf lijkt te zijn. Het is natuurlijk aardig om dan te spreken van een direct contact met het hoger‑zelf of zelfs met het Goddelijke. Maar voor onze zelfkennis is het niet voldoende. Deze dingen hebben een bepaalde oorzaak. Er is wat men noemt een trigger‑reactie (katalysator), d.w.z. dat bij het optreden van een bepaald punt van beschouwing, bij een bepaald schoonheidservaren, bij een bepaalde stoffelijke prikkel enz. deze gevoelens plegen op te treden. Vraag u af in de eerste plaats: Wanneer ik deze gevoelens en emoties ken, aan de hand van welke lichamelijke en mentale condities treden zij dan op? Vraag u in de tweede plaats af: Hoe reageer ik daarop? Dus hoe gevoel ik mij, wanneer dat is afgelopen? Is er sprake van een teleurstelling, dan is dit als geheel voor u negatief en moet worden vermeden. Voelt u zich daardoor sterk, dan zult u door het bepalen van die trigger‑reactie voor uzelf niet alleen de ervaring misschien gemakkelijker kunnen opwekken ‑ zij het dat de verschijnselen meestal zullen verschillen ‑ maar u zult ook begrijpen dat u juist in deze reacties, deze handelingen, deze gedachten, waarnemingen en ervaringen, aan de behoefte van uw eigen geest tegemoet komt en daardoor een onevenwichtigheid van die geest herstelt. Deze onevenwichtigheid kan gebonden zijn aan een leven in het verleden, zij kan voortkomen uit een pas ontstane behoefte van de geest. Dit behoeft u niet te interesseren. Wanneer wij n.l. een dergelijke krachtbron kunnen aanboren, die voert tot steeds grotere blijmoedigheid, steeds grotere kracht, zijn we natuurlijk uitermate gezegend, als wij in staat zijn dat steeds meer te doen. Het voert tot een vergroting van de mogelijkheid tot zelferkenning, een vergroting van onze mogelijkheden om voor de wereld iets te betekenen en maakt ons gelijktijdig vrijer ten opzichte van de om­geving en zelfs van ons temperament.

Het is duidelijk dat over al deze punten, mijne vrienden, veel en veel meer zou zijn te zeggen. Maar ik heb het u al verteld: in een uurtje kun je niet veel vertellen over al deze bijzondere werkingen in de mens. Wat ik heb gegeven is ‑ soms zelfs in betrekkelijk vage termen, vrees ik ‑ een weg, langs welke u kunt komen tot grotere zelfkennis. Een weg ook, waardoor het u mogelijk wordt die zelfkennis praktisch in dit leven en haast onmiddellijk te gaan gebruiken. Waar vaagheid optreedt vraag ik u dan ook, zover u mij na de pauze niet om een uitleg zult vragen, te trachten deze vaagheid op uw eigen wijze op te helderen en te verklaren. Neem daarvoor die uitleg, die het eerst in u opkomt. Het is wederom een onthulling van uw eigen reacties en denken en door deze te volgen, zult u ongetwijfeld uw eigen wezen gemakkelijker benaderen.

Ten laatste nog één raad, vrienden: Wanneer je jezelf wilt zijn, dan stoot je altijd op de grote moeilijkheid: maar ik leef in een wereld. Vandaar dat u het zelf‑zijn nooit moogt zien als een zijn buiten die wereld, maar als een benadering van die wereld uit uzelf met zoveel mogelijk nut, zo groot mogelijke vreugde en zo groot mogelijk genoegen voor beide factoren: het “ik” en de wereld. Uit uzelf de wereld benaderen in een deelgenootschap, dat men dienend zou kunnen noemen, betekent uw “ik” steeds beter kennen, u steeds verder onttrekken aan de invloeden, die dit “ik” zouden kunnen terugvoeren tot duisternis, het aanvullen van de geest tot een steeds grotere harmonie en – wat ook wel heel belangrijk is ‑ het geven van een goede, stoffelijke impuls aan de wereld, waarin u leeft.