Voordracht Gene Zijde voor de SPR in bijzijn van Prof. Tenhaeff.

image_pdf
Voordracht Gene Zijde voor de Studievereniging voor Psychical Reseach in het bijzijn van Prof. Tenhaeff.

9 mei 1963

  • Na een openingswoord door Dr. Berkeljon wordt het woord overgegeven aan de sprekers van Gene Zijde.

Goedenavond, vrienden.

Er wordt mij dan in de mond gelegd om een inleiding te gaan geven.  Dat is betrekkelijk moeilijk, dat zult u begrijpen.  Ik zou graag allereerst willen stellen, dat we hier zijn om met elkaar kennis te maken.  M.a.w. men heeft interesse voor datgene , wat wij doen.

Wat willen wij doen? Nu, in ieder geval niets, wat samenhangt met mogelijkheden van direct occulte verschijnselen. We hebben de mogelijkheid om contact op te nemen met de wereld.  Nu ja, die theorie kent u.

Dat wij daar op onze manier in slagen, ach, dat is iets, wat u voor uzelf zult moeten uitmaken. Daar kunnen wij de theorie van geven, maar wat heeft u eraan? Ik zou het dus graag een klein beetje anders stellen.

Laten we beginnen met vast te stellen, dat u hier komt om eerlijk te zien wat er eigenlijk in steekt.  En dat wij aan onze kant hier zijn om u daarbij zoveel mogelijk van dienst te zijn. Wij willen er geen examen van maken, als u het ons niet kwalijk neemt.  Dan krijgen we al heel snel een sfeer, die een zekere spanning of vijandigheid heeft, en dat zou jammer kunnen zijn voor onze mogelijke resultaten.  Wat we wel kunnen doen, dat is praten. Want alles hier berust op praten.  Dat bij dat spreken in sommige gevallen andere elementen meewerken, ach, dat weten wij net zo goed of misschien beter dan u.  Er zijn waarden bij van suggestieve intonatie.  Daar is het spreken het een z.g. dubbel niveau, waarbij men dus een dubbele hoeveelheid begripswaarden weet te verwerken en de één  a. begrijpt, en ten tweede, die wat verder is   b. begrijpt.

We zullen ons daar zoveel mogelijk vandaag van onthouden.

Verder meen ik, dat het prettig zou zijn voor de aanwezigen, wanneer er dus verschillende entiteiten doorkomen.  Nu, ben ik zo één in de rij.  We hebben dan nog twee sprekers beschikbaar voor wat we toch wel een experiment mogen noemen.

Ik zou het volgende willen voorstellen: (Voel u dus volledig vrij om daar te amenderen of tegen in te gaan.) Laten we proberen om drie onderwerpen aan te snijden, met elk van de sprekers één dus, waarover gepraat, gedebatteerd kan worden, waarover u vragen kunt stellen.

Onderwerpen, die u zelf kiest.

In de tweede plaats: Laten we geen pauze inleggen.  Laten we dit achter elkaar zoveel mogelijk afwerken.  En laten we daarna eens heel rustig afwachten, wat de eigenlijke indrukken zijn aan uw zijde.  Blijkt het noodzakelijk om daarop nog eens terug te komen, ach, dan geloof ik wel, dat we daar altijd ergens een mogelijkheid voor kunnen vinden.

Daar heeft u dan de hele inleiding.  U had misschien wat anders verwacht.  Ik weet zeker, dat sommigen van de bestuursleden hier aanwezig wat ander hadden verwacht.  Maar daarmee heb ik het mijne gezegd.  Heeft u er behoefte aan een bepaald onderwerp aan te snijden dus met mij, gaat uw gang.  Ik zal dan na enige tijd dus het lichaam vrij geven en dan kan een volgende persoonlijkheid het werk overnemen.

Wie van u, mijne heren? Of is het een beetje moeilijk zo? Heeft u het liever anders?

  • Het beste lijkt mij , dat prof. Kistenmaker een vraag stelt uit de fysica.

Voor zover het mij mogelijk is, zal ik daarop ingaan.

  • Wel, het is een vraag van algemeen belang in de wereld van het natuurkundig denken.  De vraag:  Waar komt de materie vandaan en wat is de geaardheid van de materie?  En de vraag: Wat is de samenhang van de materie met straling?  Om de vraag, die ik wil stellen scherp te stellen, zou ik bijzonder graag horen: Weet u aan te geven: Is er verband tussen het zwaartekrachtveld tussen de planeten – in het algemeen het zwaartekrachtveld van de zware materie – met het elektrisch veld, dat in de atoomkern en in de atoommantel aanwezig is?

Nu dan zal ik mijn best maar eens doen.  Kijk eens aan, ik ben natuurlijk geen fysicus of iets dergelijks.  Maar wanneer wij ons dus bezighouden met de structuur van onze eigen wereld – en dat doen we net zo goed als u zich bezighoudt met de structuur van de uwe – dan ontstaat er in ieder geval één heel eigenaardig verschijnsel: wij ontdekken op een gegeven ogenblik, dat wij te maken hebben met niets. D.w.z. energie, maar energie, die we niet meer kunnen binden aan delen; die schijnbaar inherent is aan de ruimte waar zij optreedt.  En dat is dus op zichzelf al een verschijnsel, dat – meen ik – een antwoord kan inhouden op uw vraag.

Want indien wij kunnen aannemen, dat de energie op zichzelf bestaat – dus als eigenschap van ruimte of van ruimtelijke verhoudingen – dan kunnen we ook aannemen, dat er dus delen of kleinste delen gevormd worden, eventueel doordat deze energie zich afzondert van de omringende energie en ten opzichte daarvan als een apart verschijnsel gaat fungeren.

Dat is ongeveer de manier, waarop wij menen, dat bepaalde van onze werelden zijn opgebouwd. En dan blijkt ons verder, dat wij in die energie te maken hebben met een zekere traagheid.  Op het ogenblik nl. dat een deel van die energie een bepaalde vorm heeft aangenomen door een oorzaak, zal zij – ook na het wegvallen van die oorzaak – nog een tijd lang deze vorm blijven behouden.

En nu lijkt het u misschien een grote sprong die ik maak, maar ik wil het proberen. Volgens mij zou elke materiële structuur dus terug te voeren moeten zijn op precies ditzelfde verschijnsel. Op het feit, dat delen van de energie a.h.w. een werveling vormen (of hoe u het noemen wilt), waardoor zij t.o.v. de omringende kracht een kenbaar fenomeen worden. Wanneer dit gebeurt en meerdere van dergelijke wervelingen komen met elkaar in contact – wij zien dat bij gebruik van gedachtekracht a.h.w.; dus het projecteren van een gedachte – dan blijken dus die deeltjes door de vormende gedachte, die daarop wordt gericht, een zekere structuur te vertonen.  En bij die structuur ontstaan verhoudingen, die volgens mij net zo goed elektrische verschijnselen kunnen worden genoemd als – wat mij beter lijkt – de zwaartekracht.  Die zwaartekracht – of dat elektrische verschijnsel – blijkt verder in sterk verband te staan met de massa en de beweging van die massa t.o.v. elkaar.

Hebben wij dus een betrekkelijk homogeen beeld geschapen, dan zien wij dat andere, vagere beelden daaromheen een soort kringloop beginnen. Zij zijn daaraan gebonden.  Een van aanhechting, die op een andere manier misschien ook in de stof wel eens voorkomt, maar die in de astrale wereld bv. wel sterk is.

Dan ontdekken we verder, dat de delen, die in omloop zijn, daarbij hun energie verliezen en dat daarbij op een gegeven ogenblik een zeer snelle wisseling plaats vindt van baan. In sommige gevallen zelfs een verdwijnen van een vorm, die dan  – soms als een geheel, soms als een brokstuk – ergens anders weer opduikt, zonder dat er schijnbaar een tussen lopende ruimte is overschreden.  En dat houdt voor mij dus is, dat de massa op zichzelf bepalend is voor een hoeveelheid energie, die gebonden is.

Hoe groter die hoeveelheid gebonden energie is, hoe sterker haar eigen inwerking zal zijn op de kleinere massa’s, die dus ook kleinere hoeveelheid energie hebben.

Verder is ons in onze wereld – ik spreek nog steeds van onze wereld – opgevallen, dat zg. actieve vormen, waarin dus beweging, waarin actie is, in verhouding tot hun massa een veel groter invloed hebben op de omringende zg. dode vormen dan andere.  Daaruit zou volgens mij de conclusie getrokken kunnen worden, dat die verhouding van massa t.o.v. elkaar plus de actie (de beweging) gezamenlijk een veld vormen, dat u dan mijnentwege een elektrisch veld kunt noemen, maar dat ook gelijktijdig dezelfde eigenschappen heeft als een zwaartekrachtveld.

En dan geloof ik dus te mogen formuleren – en nu moet ik heel voorzichtig zijn, maar ongeacht het feit dus dat ik geen directe kennis heb van deze fysica, zoals men die op het ogenblik op aarde bedrijft, denk ik toch wel, dat ik het in lekentaal kan uitdrukken – het is nl. dit:  De massa plus de omzettingsverschijnselen in die massa of ontbindingsverschijnselen van die massa gezamenlijk, bepalen haar verhouding tot de haar omringende massa’s. De hoeveelheid energie, die verwerkt wordt is in de eerste mate bepalend voor de verhouding dus van de zwaartekracht t.o.v. andere velden, van andere delen, laat ik het zo zeggen.

In de tweede plaats geloof ik te mogen stellen, dat zwaartekracht, elektriciteit e.d. alle ergens berusten op hetzelfde verschijnsel: nl. op het feit, dat zich een potentieel kan opbouwen – en dan verwijs ik naar hetgeen ik gezegd heb over die satelliet vormen a.h.w., die wij in het astraal kennen – een potentieel opbouwen, waardoor zij zich plotseling verwijderen uit het geheel, waartoe zij behoren.  Dit blijkt niet alleen te gelden voor de delen dus, die in omloop zijn, maar eventueel ook voor de delen, waaruit een kern kan zijn opgebouwd.  Het is dus mogelijk, dat ik een complex geheel heb van, laat ons zeggen, drie of vier vormen van verschillende grootorde, misschien elk op zich ook nog weer complex opgebouwd.  Wanneer dat nu gebeurt, ontdek ik, dat zeker een verspringing plaats vindt aan de buitenkant, dus van hetgeen in omloop is, maar dat daarnaast ook binnen in de kern wijzigingen optreden.  En die wijzigingen treden dan op in de eerste plaats door het veranderen a.h.w. van de verhoudingen van zo’n kerndeel t.o.v. de rest ( een deel kan dood worden of kan zelfs remmend gaan werken) of het verwijdert zich uit die kern.  En dan krijgen we dus te maken met iets, wat je straling zou kunnen noemen, nl. een uitstoting van een bepaald deel.  Dat deel blijkt dus – in tegenstelling met wat bij u het geval schijnt te zijn – betrekkelijk snel te verwazen.  Maar we hebben hier ook te maken met een andere samenstelling – al is ze  enigszins materieel – dan  in uw wereld, volgens mij.  En zo zou ik mij kunnen voorstellen, dat dus de duur van uitblussing van zo’n uitgestoten deeltje in de materie veel groter, veel langer is.

Ja, nu heb ik het nog niet zuiver geformuleerd, ontdek ik.  Maar enfin, daar kunt u misschien dadelijk op terugkomen.

Ik heb dus in het geheel eigenlijk de indruk, dat wanneer wij praten over zwaartekracht e.d., dat we praten over iets, wat er niet feitelijk is.  Dat we praten over een eigenschap van de energie, die in de materie bevat is. En dat die energie op de een of andere manier altijd een aantrekking of een afstoting tot stand kan brengen.   Misschien is dat overdreven.

Nu heb ik hier dus mijn eigen kennis zo’n klein beetje gespuid.  Ik zou zeggen, wanneer u daar commentaar op hebt of wanneer u daar verder op wilt doorgaan, ga rustig uw gang.  Zo nodig kan ik proberen of ik misschien een deskundiger iemand kan bereiken.

  • Wel, als het me toegestaan is, dan zou ik graag als commentaar geven, dat ik uw verdichting van energie bijzonder interessant vind, en dat ik zo graag zou willen horen – maar dat is blijkens uw laatste uitspraak blijkbaar niet zo eenvoudig of niet mogelijk misschien – om van u te horen. U zegt: Zwaartekracht hangt samen met de hoeveelheid energie, die in een massa aanwezig is, in een massa gecreëerd is, zich gemanifesteerd heeft en zwaartekracht bestaat eigenlijk niet echt.  U zegt: het is een eigenschap. Wel als het een eigenschap is, dan zal het zich kenbaar moeten maken in een bepaald medium.  En mijn vraag is: Is het medium zo iets als wat wij mensen proberen te noemen “wereldether”?  En zo ja, is de wereldether, die wij mensen menen te kennen in het gebied van de elektromagnetische trillingen te vergelijken met dat, wat u noemt de astrale trillingen? Of is dat een andere vorm van ether?  Dus is de astrale ether hetzelfde als de elektromagnetische ether.

Ja, nu zou ik haast zeggen: ja dat is – geloof ik – wel het geval.  Ofschoon natuurlijk de kwestie van trillingen, die daar ook wel een rol bij speelt (dus van het verschijnsel eigenlijk) wel heel sterk uiteen loopt.  Maar wat mij persoonlijk nu bijzonder intrigeert in deze kwestie, dat is nl. dit:  Wanneer wij een betrekkelijk kleine massa nemen en wij versnellen haar, dan wordt haar massa schijnbaar groter. Dat is dus geen feitelijk groter worden.  Maar op dat ogenblik wijzigt ook haar zwaartekracht verhouding tegenover haar omgeving.  Ik geloof dat ik het wel goed heb uitgedrukt in stoffelijke termen. En wanneer dit het geval is, dan zou door de beweging op zichzelf het potentieel energie vergroot moeten zijn.  En dat kan alleen – en nu kom ik met een stelling, die misschien wat eigenaardig klinkt – maar dat kan alleen volgens mij, wanneer dus niet alleen maar in een ledige ruimte deze versnelling plaats vindt.  Er moet iets zijn, waardoor dat potentieel van beweging inderdaad als kracht tot uiting komt en daardoor het verschijnsel van aantrekking tot stand kan brengen. Of – in andere gevallen – van afstoting.

En nu rijst er een vraag, die ik – eerlijk – die ik niet volledig durf beantwoorden.  Het is dus een theorie, die ik heb opgebouwd, en het lijkt wel te kloppen met de verschijnselen, maar of dat 100% waar is durf ik ook niet voor in te staan, hoor.  Wij zijn bij ons ook nog niet zo ver, dat we alles weten.  Het is nl. dit:

Ik heb zo het idee soms, dat wat wij God noemen of het Woord, dat we ons dat zouden kunnen voorstellen als een krachtveld met praktisch evenwijdig verlopende lijnen. En dat elk voorwerp, elke massa, die van dit krachtveld tijdelijk is afgezonderd en zich daardoor heen beweegt, bij elk doorkruisen van die krachtlijnen dus de eigen energieverhouding t.o.v. het heelal verandert.

Dit is nu een moeilijke theorie natuurlijk, want ik heb niet alleen te maken – als ik zo ga redeneren aan de hand van de verschijnselen, die wij dus hoofdzakelijk astraal bezien, maar die naar ik meen toch ook parallel lopen met uw stoffelijke verschijnselen – met één veld. Er schijnt nog een tweede veld te zijn.  Althans een tweede kracht, die ik ermee zou durven vergelijken. En nu blijkt mij nog iets vreemds.  Dat is nl. dit: Wanneer we proberen om een vorm te scheppen, dan begint het altijd “ we moeten ergens een beginpunt hebben”.  Op aarde nemen we daarvoor dus meestal het zg. ectoplasma, dat eigenlijk ook niets ander is dan wat levensenergie.

Maar enfin, wanneer we dat astraal doen dus, dan ontstaat er over het algemeen iets, wat je het beste kunt vergelijken met een draaikolkje. Het is een soort woeling, een onrust, die langzaam maar zeker trechtervormig wordt, en dan dus zichtbaar is, maar eigenaardig genoeg in het begin alleen aan de binnenkant.  En vandaar dan bij een toenemend geven van energie daaraan, vormen kan aannemen.  En die werveling schijnt noodzakelijk te  zijn voor het opbouwen van een astrale vorm, die houdbaar is: die dus niet onmiddellijk teloor gaat.

Mijn idee is nu, dat wij daar eigenlijk iets reproduceren, wat dus ook op kosmische schaal gebeurt.  Nl. dat zich dus ons gedachtegebied, onze uitstraling – als ik het die naam mag geven – dat die a.h.w. de normale krachtverhouding doorsnijdt en dat daaruit die werveling ontstaat.

Is dat volledig waar – ja, aan de hand van de verschijnselen in ieder geval lijkt het er veel op – en wanneer dat het geval is, dan komen we aan het tweede grote raadsel: Waar komen al die krachten vandaan?  En hoe komt het, dat we die krachtvelden dus niet kunnen zien of vaststellen of op de een of andere manier constateren als verschijnsel, maar alleen aan de hand van datgene, wat zich erin beweegt? U ziet dus, wij zitten ook met onze problemen.

Nu is dus het idee van een wereldether wel aardig. Maar dan zouden de verschijnselen, die daarmee gepaard gaan, dus aan een wereld gebonden moeten zijn.  Of desnoods zou u kunnen zeggen: het is een soort nevel, die een zonnestelsel omgeeft. Maar de verschijnselen die u hier kent, komen op praktisch gelijke wijze voor niet alleen in deze sterrennevel maar in alle nebula.  En zelfs daartussen – naar ik meen – ofschoon we nog nooit voorwerpen hebben gezien, die zich buiten hun sterrennevel nu werkelijk heel ver verwijderen.  Er zijn dus wel excentrisch lopende stukjes materie, die een aardig deel buiten een uitloper komen en daar weer toe terugkeren, maar dat is niet zo’n….

  • Het Licht.

Ja. En nu kom ik dus tot de conclusie eigenlijk, dat …. ja, laat ik het goed formuleren, nu eens even goed nadenken …. dat op het ogenblik dus, dat er zo’n veld bestaat, dat dat ergens kosmisch bestaat. Dat door materie, die zich daarin beweegt, een soort vervorming ontstaat. Wanneer die vervorming rond een massa zou bestaan, dan zou dit ook aansprakelijk kunnen zijn bv. voor de buiging in het Licht.  U haalde Licht aan.  Want uiteindelijk is Licht ook een straling.  Een straling die bij het optrekken in een tussenstof, in een medium dus, zich omzet in een vaak complexe reeks van trillingen.  Maar wanneer dat veld dus overal aanwezig is, dan zou mijn theorie zijn, dat de geaardheid plus de eigen bewegingssnelheid t.o.v. een andere massa, de binding met die andere massa, deze totale twee velden t.o.v. elkaar dus wijzigt (de verhouding wijzigt) en daardoor een omgeving schept, waarin het fenomeen gemakkelijker kenbaar is, maar waar het dus niet noodzakelijkerwijze – volgens mij – aan gebonden is.

En als ik nog even verder denk, dan …. ja, het zijn vragen hoor, misschien weet u de antwoorden beter dan ik, maar …. nee, dat weet u ook niet.   Het is nl. dit: Wanneer wij nu twee velden, die ik als hypothese heb gesteld, eens een keer aannemen en er is een kracht, die één van deze velden t.o.v. het andere zou bewegen of in beweging brengen, zou dan daardoor misschien – het is maar een vraag – materie ontstaan? Maar ook die eigenaardige …. ja, ik zou haast zeggen die half-materiële en zelfs zuiver in energie en trilling uit te drukken toestanden, die wij werelden of sferen noemen, waarin dus een bewustzijn kan bestaan?  Maar kom, ik zit hier niet om vragen te poneren tegenover u. Integendeel het is uw taak.

  • O, ik vind uw opmerking zeer interessant. Maar ik herhaal mijn vraag: Ziet u voor ons een aanwijsbare expressie van de wereld van de astrale verschijnselen t.o.v. de wereld in de ether?   Is het u mogelijk om ons uiteen te zetten, wat de wereld van de ether is, waaruit ik meen, dat alle energetische manifestaties plaats hebben door dat, wat wij menen te noemen of aan te duiden als materie en waarin ook alle lichttrillingen plaats hebben, voor zover wij dat menen te weten?  Maar het astrale is buiten ons begripsvermogen.  En is het u mogelijk om daar iets van te zeggen? Is er een ijlere stof dan dat, wat wij menen dat ether is?

Nu, ik geloof niet, dat je die ether – volgens mij – als stof kunt kwalificeren.  Dus daar zit de eerste moeilijkheid al.  Dat heeft ook daarnet misschien tot mijn breedsprakigheid geleid. Neen. Wanneer u dus de astrale wereld wilt vergelijken met uw eigen wereld, dan is het wat eenvoudiger.  De astrale wereld bestaat nl. voor een groot gedeelte uit wat u zou kunnen noemen “kleinste delen”, die niet gebonden zijn, maar die dus wel t.o.v. elkaar een binding kunnen verkrijgen, waarbij de gemiddelde spreiding van die kleinste delen veel groter is dan die in de materie gebruikelijke. Verder blijkt dus, dat de gedachte ….ja, hoe moet je het noemen …. een trilling? Dat is het eigenlijk ook niet …. dat de gedachte dus in staat is om evenwichten zodanig te verstoren daar, dat er vorm ontstaat.   En dan lijkt mij hier dus een zekere parallel wel aanwezig te zijn.  Want wanneer u een in verhouding tot de materie  grote hoeveelheid energie op die materie richt, dan kan zij door die beroering dus haar materiële structuur wijzigen, en zelfs haar moleculair – en atomair – structuur, als ik me niet vergis. En deze overeenstemming is er dus in ieder geval.

Wanneer u spreekt van wereldether, ja, dan spreekt u van iets, wat materieel zou moeten zijn, maar wat ik dus vanuit mijn standpunt niet als materieel kan zien.  Misschien een fout mijnerzijds, maar ik kan het niet.   Want wanneer het nog materieel zou zijn, dan zou het toch ergens kenbaar moeten zijn.  Maar het is op zichzelf nooit kenbaar.  Het is alleen maar kenbaar, omdat er zich binnen deze hypothetische wereldether fenomenen vertonen, en verder niet.  Dus daarom is het voor mij erg lastig om te zeggen: is dat nu materieel? Ik geloof van niet.

Ik geloof, dat we, wat u wereldether noemt, ook moeten zien als een vorm van kracht, potentiële kracht misschien, die alleen tot uiting komt bij een bepaalde verstoring, of de aanwezigheid van bepaalde invloeden, maar die dus niet materieel is.  En daarmee wordt het heel erg moeilijk.  Wanneer u de astrale wereld t.o.v. uw wereld verder wilt vergelijken, dan zou ik zeggen, dan kunt u ze misschien heel simpel vergelijken met damp.  Damp die zich dus op kan lossen, onzichtbaar is, die bij een verminderde bewegingssnelheid een zekere neerslag vormt, waardoor ze zichtbaar wordt en bij wederom stijgen van de temperatuur weer verdwijnt.  Wanneer u dus op een gegeven ogenblik de aanwezige energie (rond u a.h.w.), die in materiedelen bestaat – of wanneer het een astrale vorm is – deze kunt afremmen, d.w.z. haar eigen beweging vertragen en haar onderlinge afstand daarmee ook verminderen (van kerndeel t.o.v. kerndeel), dan ontstaat voor u de meer zichtbare en vaak ook fotografisch waarneembare (vooral infra-rood waarneembare) astrale manifestatie.   En dan blijkt voor mij dus hieruit, dat het een kwestie is van een meer of minder grote spreiding, die eigenlijk weer in verband staat met de onderlinge beweging der delen t.o.v. elkaar, want die wisselen voortdurend.

En dan heb ik u op uw vragen nog steeds niet geantwoord, wat jammer is.

  • Wel, ik dank u voor uw…..eerlijke pogingen om een zo moeilijk onderwerp te beantwoorden. Ik zou nog wel meer vragen hebben, maar ik zou graag eerst het woord eens aan iemand anders willen geven.

Ja, wat zou u ervan zeggen, als ik dan ook aan iemand anders het woord gaf?  Heeft u daar bezwaar tegen?

  • Ik niet, hoor.

Nu, niemand, tenminste niemand die het zegt. En ik geloof, dat het op de wereld nog zo is: wie zwijgt, stemt toe.

Dan hoop ik dus, dat ik u met mijn – zoals uzelf toegeeft – eerlijke pogingen niet teveel verward heb.  Ik ben ervan overtuigd, dat veel ervan hier en daar verward klinkt. De kern van ons geschil mag ik dan nog even dus stellen.

Punt 1 is de kwestie: wereldether, een soort materieel iets of alleen energie.

Punt 2 is voor ons de grote moeilijkheid. Mijn waarnemingen zijn hoofdzakelijk gebaseerd op mijn eigen wereld en sferen plus astraal gebied. De uwe op uw eigen wereld. Ik heb tussen beide parallellen getrokken, die hier en daar ongetwijfeld wat zullen hinken, omdat je de ene wereld nu eenmaal niet straffeloos en zonder meer met de andere kunt vergelijken.

De grondidee van een goddelijke kracht, die vergeleken kan worden met een soort van krachtveld, lijkt mij toch een van de kernpunten van hetgeen we besproken hebben.  En dan behoeven we dat geen God te noemen natuurlijk.

We kunnen het noemen zoals we willen, want het is maar een naam. Maar er is ergens een beginsel. En van dat beginsel uit schijnen voor mij alle verschijnselen te stammen.

Dit wil ik daar nog aan toevoegen, dat de verschijnselen m.i. meestal beginnen als een verstoring, die zich meestal tot een kolking, een soort cycloon, een soort tornado eigenlijk ontwikkelt, waarin dan de verschijnselen pas hun vorm krijgen.

Ik hoop dat u mij niet kwalijk neemt, dat ik nog even dit zo vastleg, dat is ook voor mijzelf prettiger.  En nu dank ik u allemaal voor uw aandacht.  Dan zullen we eens kijken of onze volgende vriend misschien met u prettig kan verder praten.

Goedenavond.

********************

Tweede spreker.

Ik sta als nummer twee op de lijst om te proberen een vraag te beantwoorden of iets met u te bespreken.

  • Ik zit met een probleem van kennis-verwerving.  Nu heeft onlangs in de krant gestaan, dat men langs hypnotische weg de kennis sneller kon verwerven.  Wanneer dit mogelijk zou zijn, dan zouden wij met versneld opgedane kennis waarschijnlijk ook een versneld inzicht en wijsheid kunnen verwerven.  Is dit langs deze weg mogelijk gebleken of zal het in de toekomst blijken.

Mag ik één opmerking maken?  Ik persoonlijk ben niet geneigd om kennis en wijsheid als één geheel te beschouwen.  Ik ben ervan overtuigd dat een teveel aan kennis soms tot een gebrek aan wijsheid voert.  Maar …. ieder voor zich.

Wanneer wij iemand hypnotiseren, dan kunnen we hem misschien op de een of andere manier een aantal tegenstanden (remmingen) ontnemen, die hij heeft.  Normaal zal een mens bepaalde gewoonten hebben, vooroordelen, inzichten, die – bewust of onbewust – zijn verkrijgen van kennis, het opnemen van nieuwe feiten zelfs, belemmeren.  Je zou desnoods kunnen bewijzen, dat er mensen zijn, die voor een bepaalde vorm van kennis blind zijn.  En dat is niet alleen leesblindheid of zo, maar dat tref je net zo goed aan bv. met het vallen van hiaten in bepaalde kennis, die je wilt opdoen.

Bepaalde delen kun je eenvoudig niet begrijpen of je vergeet ze steeds weer.  Ik geloof dat de hypnose, waarbij de eigen waarde, de wereldwaarden tijdelijk vervangen worden door opgelegde, imaginaire waarden, zolang ze niet in volledige strijd zijn natuurlijk met de eigen persoonlijkheid – want in dat geval krijgen we weer een innerlijke strijd, die soms tot heel gevaarlijke consequenties voert – maar dat wij dan toch werkelijk te rekenen hebben met een methode van uitschakeling van remmingen, waardoor een hoeveelheid feitenmateriaal aanmerkelijk sneller door het geheugen kan worden geabsorbeerd.  En nu ben ik er verder van overtuigd, dat je met de hypnose zeker niet te ver moet gaan.  Want zou je iemand dus een te grote hoeveelheid van kennis willen doen toekomen, gelijktijdig a.h.w. of in een korte zitting, dan zou volgens mij in de hersenen ergens een oververmoeidheid ontstaan, waarschijnlijk gepaard gaande met vaatkrampen, zuurstofgebrek, mogelijkerwijze verder nog met een niet gewenste beïnvloeding, waardoor we monomanie krijgen, zodat bepaalde denksporen ontstaan, waar we niet meer kunnen uitkomen.

Maar wanneer u dus in een korte periode iemand onder hypnose een kennis bijbrengt, die niet bestaat uit begripswaarden, maar alleen uit herinneringswaarden, dan geloof ik inderdaad dat u daarmede – zelfs op het ogenblik – nog verder zult komen. En dan heb ik verder zo ergens gehoord – ik weet niet of het volledig waar is – dat men daar op het ogenblik al proeven mee neemt.  En dat deze proeven o.m. inhouden het doen herhalen van woorden, van vreemde talen, dergelijke gegevens, in een hypnotische slaap.  De absorptie daarbij is nu niet alleen afhankelijk – dat moeten wij daarbij heel goed begrijpen – van het sujet.  De patiënt is onderhevig aan de suggestie van de hypnotiseur. En hoe sterker de hypnotiseur zelf overtuigd is dat die opname plaats zal vinden, hoe gemakkelijker hij het voor het sujet maakt om een maximum op te nemen.  Maar op deze wijze is dus het verwerven van kennis – zolang het gaat om feitelijke kennis – inderdaad te vereenvoudigen.

Een andere vraag is of dit een gewenste manier is van het verwerven van kennis.  Want wanneer u door hypnotische middelen iemand bv. bijbrengt hoe hij moet autorijden, hoe hij een motor kan repareren, zolang dit bestaat uit feitelijke aanwijzingen, kan dit tot een soort instinct worden, het kan zelfs ten dele onderbewust zijn en op de noodzakelijke momenten naar voren treden.  Maar dan ontstaat gelijktijdig geen behoefte meer aan leren, aan begrip en dan vervangen wij volgens mij een heel groot gedeelte van datgene, wat wijsheid baart: nl. – het vechten met het begrip, het vechten en de kennis, nemen wij weg.  En daarom zou ik als antwoord hier onmiddellijk moeten geven:  Zeker, het verwerven van kennis langs hypnotische weg is m.i. mogelijk en ik geloof ook, dat dit in de toekomst in vele gevallen zal worden toegepast.  Maar ik vrees, dat gelijktijdig de eigen geestelijke activiteit van de mens daardoor achteruit zal gaan en dat deze mens juist daardoor komt te staan voor een gebrek aan wijsheid, het leven uit gewoonte en een gebrek aan oorspronkelijkheid.   En dan zouden de enkelingen, die die oorspronkelijkheid blijven behouden, een soort elite worden, die dus de doodgehypnotiseerde, overigens zeer bekwame massa, kunnen regeren, omdat zij de enigen zijn, die ergens een nieuw element in zien en niet blijven staan bij het eenvoudig ingetrechterd hypnotisch weten.  Commentaar?

  • Dus u ziet niet de mogelijkheid van de tijds bekorting, waardoor er tijd vrij komt om werkelijk nieuwe problemen aan te kunnen vatten?  Dat is dus het kennisprobleem.  De kennis om het probleem op te lossen moet nu na jaren………….(onverstaanbaar).  We zouden in onze maatschappelijke verhoudingen dus sneller kunnen voortgaan.  Deze maatschappelijke evolutie zouden we dus kunnen verbeteren.  Maar u geeft alleen daarnaast een waarschuwing.

Ja. Als ik een voorbeeld mag geven.  Het zou bv. heel erg prettig zijn wanneer men de kinderen langs deze weg – en dan zou dit onnoemelijk veel sneller en waarschijnlijk ook veel accurater gaan – zou kunnen leren lezen en schrijven. Maar men zou hen niet de inhoud van de leerboeken mogen leren.  Je mag langs deze weg de mens volgens mij dus wel instrumenten geven en dat is volgens mij mogelijk, maar wat je niet mag doen is hen een vaste methode geven om die werktuigen verder te gebruiken. Je zou iemand dus een grondlaag kunnen geven van willekeurig welke wetenschap – of dat nu geneeskunde is of elektronica, enz. – maar je zou de mens alleen de grondbestanddelen, de zuiver procedure-bestanddelen desnoods, kunnen leren die noodzakelijk zijn, maar nooit de manier, waarop ze met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht, waarop ze gereleerd worden, zodat ieder mens een persoonlijke uiting behoudt.   Wanneer u nl. uitgaat van het standpunt van een zuiver hypnotisch leren – en nogmaals, ik meen dat dat op den duur te verwerkelijken zal zijn – dan geloof ik van mijn kant uit dat daarmede gelijktijdig voor de mens een individueel bestaan wegvalt.  En wat is de mens wanneer hij geen individu meer is? Waar moet zijn geestelijke bewustwording vandaan komen? Waar moet zijn creatief vermogen naartoe?  Waar moet zijn levensvreugde vandaan komen, wanneer die mens niet iets heeft om te overwinnen, om mee te worstelen?  De hypnose zou, juist doordat de behoefte aan strijd blijft bestaan, maar gelijktijdig de noodzaak tot strijd wordt weggenomen, in de eerste plaats een enorme hoop innerlijk oproer kunnen veroorzaken, gepaard gaande met ontvluchtingsverschijnselen, drangverschijnselen (manie dus), met …. noemt u maar op, tot schizofrenie toe.

Misschien zelfs als een methode om nog wat aan het leven te hebben: een schijnleven naast je werkelijke leven. Zover zou dat kunnen gaan. En die mens houdt dus niet over de behoefte om zichzelf te vormen.  Ik geloof dat er te weinig nadruk wordt gelegd op het zelf-vormen van de mens in uw tijd. Misschien een fout van mijn kant, maar ik geloof niet in een al te groot collectiviteits-principe.

Zeker, een gemeenschap bestaat er. Maar in die gemeenschap moet een ieder voor zichzelf zijn plaats vinden, moet een ieder voor zichzelf bereiken, voor zichzelf zoeken naar datgene, wat hij of zij werkelijk wil en kan.  Neemt u de hypnose en geeft u die kennis in te sterke mate (en die verleiding is groot, geef hem bv. een hypnotische cursus in kraakprocessen, want dan kunnen we hem direct in de industrie gebruiken)   dan zal die mens daardoor nooit komen tot een vernieuwing van het een of ander chemisch proces of een nieuwe chemische wijze van analyseren of wat dan ook, dat anders potentieel voor hem mogelijk geweest zou zijn.   Door teveel vast te leggen in vaste regels neem je het drijvende motief van het leven, het bereiken, weg en geef je daarvoor in de plaats een zekere ontevredenheid, die volgens mij met geen enkele hypnose kan worden opgevuld, hoogstens met het schenken van illusies.  En wat is een mens, die alleen leeft uit gewoonte en uit illusies? Ik geloof niet dat dit juist is.

  • Kunt u nog even ingaan op het begrip wijsheid?

Wijsheid is eigenlijk een heel eigenaardig iets.  Wijsheid is nl. niet het weten, maar het is het vermogen om het weten zodanig samen te voegen, dat het – passend bij de emotionele toestand van de mens en de als zodanig erkende emotionele mogelijkheden van anderen – een passend geheel vormt. Zo voerende niet tot één van de vele handelwijzen, maar tot de emotioneel plus uit de kennis meest juiste wijze van handelen.  Het is dus in feite een vereenvoudiging van eigen motiveringen, van eigen leven en van eigen denken, vanuit een begrip voor samenhangen.

Wijsheid houdt ongetwijfeld een vergroting van selectiviteit in.  En hoe groter wijsgeer men wordt – niet voor andere mensen maar voor zichzelf – dus wijsgeriger wordt, zal men ook meer gaan selecteren en meer gaan vereenvoudigen.

De grootste wijsheid is voor mij de kunst om het geheel terug te brengen tot één enkel begrip, dat dan zo verschillend gehanteerd kan worden, dat het bij elke situatie, bij elke mogelijkheid en bij elke noodzaak past.

Nu kan er een mens zijn, die zegt: “Neen, de wijsgerigheid moet een logische structuur hebben.” Ik voor mij, ik geloof dat die logica zal voortvloeien uit de vereenvoudiging van het logisch erkende en geleerde, maar door de toepassing langs de onlogische weg – dus de emotionele weg of de sentimentsweg – een veel grotere doelmatigheid zal verkrijgen.  We kunnen de logica wel gebruiken maar we kunnen de mens daarbij niet uitschakelen. En de mens is niet logisch.

  • …. vraag onverstaanbaar.

Ik geloof niet dat dat een kwestie van wijsheid is, dat is een kwestie van innerlijk beleven. Daar kan wijsheid uit voortkomen. Maar de identificatie met het Hogere, dat betekent niet alleen dat je jezelf één moet voelen met het Hogere, maar dat dat Hogere voor jou een kenbare waarde moet krijgen in dat ik.  En wanneer die kenbare waarde dan de juiste is, dan ontstaat aan de hand daarvan wijsheid.

Maar is die identificatie met het Hogere – wat ook vaak gebeurt – een proberen je één te voelen met een God, zoals je hem hebt opgebouwd zonder meer, dan kan het heel vaak zijn, dat je daardoor je eigen fouten misvattingen versterkt.

  • Welk beroep had u in de stof?

Ik ben een tijd student geweest en dat heb ik niet erg lang volgehouden….

  • Aan welke faculteit?

Ik heb theologie gestudeerd, maar in een tijd dat die theologie nog niet zo uitgewerkt was als tegenwoordig. Toen hielden wij ons veel met kleine strijdvragen bezig.  En wanneer het u verder interesseert: ik was geen Nederlander in die tijd.  Ik leefde in Frankrijk.

  • Hoe is het mogelijk dat u uw gedachten in het Nederlands kunt formuleren?

Dat is toch heel eenvoudig.  Wanneer u piano speelt en u hebt een piano, een Bechstein bv. en u slaat daarop aan en hij heeft een ander merk – Steinway bv. – dan zult u toch wel begrijpen dat ik, wanneer ik één piano kan spelen, ik ze allemaal kan bespelen.  Een menselijk wezen ….

  • Maar als u Nederlands spreekt, kunt u niet alle talen spreken.

Toch…. Ik kan alle talen spreken, zodra ik een instrument heb, waarin die taal bekent is. Zoals ik elk klavier kan bespelen, maar afhankelijk ben van de klank, die de snaren naar voren brengen om een juiste uitdrukking te krijgen van het stuk, dat ik speel.  Misschien een gelijkenis. Maar een mens is tenslotte niets anders dan een – overigens een zeer ingewikkelde – claviatuur, waarbij wij gebruik moeten maken – wanneer wij het eenvoudig doen zoals vandaag – dus hoofdzakelijk van woord herinneringen, woord associaties. Een beeldgedachte wordt nu eenmaal door een mens over het algemeen omgezet in woorden, omdat hij ook gewend is voor zichzelf te vocaliseren wat hij denkt.  En van die eigenschap maken wij doodgewoon gebruik.  En als wij nu maar de juiste beelden weten te vinden – en die vinden wij weer in de geheugencentra van de hersenen hier en daar – dan kunnen wij (vooral omdat wij de beschikking hebben over een zeer groot gedeelte van het onderbewustzijn en verder de combinaties kunnen maken, zoals die in de persoon zelf niet bestaan)  dus een maximum aan uitdrukkingsmogelijkheden krijgen in elke willekeurige taal.  Het is dus een bespelen van een lichaam vanuit de geest.  En wanneer ik zo dadelijk een Chinees te pakken heb, dan kan ik dus Chinees spreken.  En binnen de beperkingen van die Chinees (dus met zijn hersenen en zijn mogelijkheden en eventueel de weerstanden, die in die persoonlijkheid bestaan, want die tellen natuurlijk ook mee) kan ik dus een uitdrukking geven in het Chinees van precies deze zelfde begrippen. Dat wil nog niet zeggen, dat ik Chinees kan spreken door dit medium. Om dat te doen zou ik eerst de klankcentra moeten nagaan.  Ik zou elk klankherinneringscentrum dus zodanig moeten bezien, dat ik daarin elke klank afzonderlijk isoleer.  Dan moet ik met een eigen kennis van het Chinees – die ik dus eerst moet bezitten – klank na klank gaan activeren. En dan krijg ik een heel langzaam, stamelend en voor een Chinees zeker op toonhoogte niet geheel juiste weergave van Chinese woorden.

Dat is dus wel een mogelijkheid, die erin zit.  Maar die mogelijkheid is dus niet zo groot als u misschien zou denken.  Wat wel weer mogelijk is – bv. er zijn mensen, die in hun jeugd Latijn of Grieks hebben gehoord. Zij hebben het niet begrepen. Wanneer ze dat gehoord hebben en die invloeden zijn dus ergens vastgelegd – al is het maar in het onderbewustzijn – dan kunnen diezelfde beelden naar voren worden gebracht.  Dan is de associatie in de hersenen wel een heel andere dan het idee dat wij uitdrukken. Maar wanneer ze dus die woorden maar op de juiste manier naar voren brengen, dan spreekt zo iemand Latijn of Grieks.  En ze kan dat praktisch met elke bekende taal.  Met talen die men niet meer hoort, wordt het heel erg moeilijk. Die moeten inderdaad klank voor klank worden opgebouwd.

Voor de rest heb je hier of daar nog wel eens een meevallertje van een onderbewustzijn.  Dat ergens een herinnering inhoudt, die je kunt gebruiken.

  • Ik zou graag een spreker willen horen, die van professie fysicus is.

Ik ben bang dat ik u daar niet zo gemakkelijk mee kan helpen. We hebben nl. ook nog wel andere activiteiten dan deze. Voor vanavond zijn drie vaste sprekers geprogrammeerd a.h.w.

Ik hoop niet dat u dat erg vervelend vindt.  Men denkt wel eens dat wij aan onze kant niets te doen hebben, weet u.  Dat is nu ook weer niet waar.  Het is in vele opzichten een beter leven dan het stoffelijke.  Maar er zijn altijd activiteiten en die kan ik u niet eens zo gemakkelijk uitleggen. Dat is soms het werk van bv. het helpen van iemand.  Dat kan in de stof zijn, maar het kan ook in één van de werelden zijn.  Er is het opnemen van wat wij weer nodig hebben aan onderricht om verder te komen.  En zo zijn er vele dingen.  En voor deze avond – dat hebben wij van tevoren ook te kennen gegeven – hebben wij een aantal sprekers geselecteerd in de hoop dat dit voor deze bijeenkomst voldoende zou zijn.

Vrienden, ik maak plaats voor de laatste spreker.  Die kunt u zo lang of zo kort bezighouden als uzelf wilt of de toestand van het medium toelaat.  Dan kan ik volstaan met u allemaal goedenavond te wensen.

********************

Derde spreker.

Goedenavond vrienden.

Wij hebben op het ogenblik twee sprekers gehad en d.w.z. dat ik de sprekers van deze avond afrond en afsluit.  Wanneer u nog vragen hebt die u wilt stellen, gaat uw gang.

  • Ik heb een vraag over het menselijk bewustzijn, die ik eigenlijk in vieren gesplitst heb.
  1.  Op welke wijze wordt door u van de vermogens van het medium gebruik gemaakt om uw gedachten in onze wereld tot uitdrukking te brengen?
  2.  Zo er sprake is van een beheersen van bewustzijnscentra van het medium, betreft het dan één centrum of meerdere?
  3.   Waar grijpen deze in de hersenen aan?
  4.  Kunt u in het algemeen iets mededelen omtrent de betrekkingen, die er bestaan tussen bewustzijn en hersenen?

De beheersing, zoals wij die dus gebruiken, is wel in de eerste plaats een methode, die wij oversluiering noemen.  De aanzet vindt daarbij meestal plaats in de omgeving van de atlas, waar dus een groot gedeelte van het motorische zenuwstelsel beheerst kan worden, en gelijktijdig zijn wij dan in staat om een zeer betrekkelijk aantal van de centra in de hersenen afwisselend of gelijktijdig te stimuleren.  Vergelijkend dus alsof men met zeer lichte elektrische impulsen de verschillende delen van de hersenschors hoofdzakelijk zou kunnen prikkelen en als gevolg daarvan een aantal illusies zou kunnen doen ontstaan, die dan door m.v. het medium worden weergegeven.  Er bestaan daarnaast ook andere methoden als een volledige inbeslagneming, die kan echter zowel voor het medium als voor de gebruikmakende geest onaangename consequenties hebben, omdat een te sterke verweving van geestelijke kracht en zenuwstelsel ontstaat met als gevolg de mogelijkheid (een sterke mogelijkheid) tot het optreden van storingen.  Wij hebben dan verder in deze methode van werken gebruik gemaakt van het feit, dat het eigen bewustzijn van het medium anders kan worden gericht. Dat is dus niet het denken, maar het is het persoonlijkheidsbewustzijn.

Het bewustzijn “ik” is nl. niet gebonden aan het denken, ofschoon men dat over het algemeen veronderstelt.  De gevoelens van zijn, van bestaan en het erkennen van beperkingen van dit bestaan (dus het egobegrip) is nl. gebonden aan de levens-essentie zelf.  En wanneer het denken ontstaat, dan geeft dit die begrenzingen weer.  Het begrip “ik” wordt dus gebonden aan een aantal redelijke ervaringen. Maar wanneer u zich de moeite getroost om de primitief denkende mens, wiens redelijkheid niet zo ver ontwikkeld is, na te gaan, zo zult u ontdekken dat deze ertoe komt bepaalde dode voorwerpen zelfs als delen van het “ik” te beschouwen en – wat meer is – bij een verwonding of een beschadiging van dit dode deel, dat hij als het “ik” erkent, ook zuiver fysieke trauma’s kan vertonen. Dat houdt dus wel in, dat het ik-begrip niet gebonden is aan het denken.

Nu lijkt mij, dat het bewustzijn moet worden geformuleerd als: het begrip van eigen bestaan plus de erkenning van de verhouding “ik” tot de omwereld.

Het denken echter formuleert dit geheel en wel aan de hand van zuiver materiële ervaringen, bij deze materiële ervaringen inbegrepen die stoffelijke emoties, die in het lichaam veranderingen van toestand tijdelijk of blijvend tot stand kunnen brengen.

Dan hebben we dus te maken met het denken als zuivere hersenactiviteit, gebaseerd op registratie van feitelijke toestanden en als feitelijk door de stof aanvaarde toestanden.  Men kan zich dus verdiepen in een roman en deze voor zich – doordat de emoties gaan meespelen – als feitelijk zien.  En dan zal dit van het bewustzijn geen deel uitmaken, maar wel van het denken.

Wanneer het ik echter zich tracht uit te drukken in de stoffelijke vorm, dan ontstaat als resultaat onmiddellijk ook een rekening houden met de roman, met de verschillende ervaringen, die daardoor werden opgedaan, onverschillig of zij deze al dan niet tot het waakbewustzijn behoren.

Ik meen hiermede al uw vragen eigenlijk te hebben beantwoord en zou dus alleen nog moeten vertellen hoe de relatie geest-mens en eigen geest van de mens tot zijn lichaam is, want dit is hiermede onverbrekelijk verbonden.

Een geest als zodanig kan in een mens een deel van zijn eigen wezen of mogelijkheden erkennen.  Wanneer deze overeenstemming groot genoeg is, kan de geest dus de ervaringen van de mens delen en omgekeerd van zijn kant uit ervaringen op de mens afdrukken.

De intensiteit waarmee dit gebeurt bepaalt dan of er sprake is van een lichte inspiratieve werking, een lichte of zware trance, enz.  De eigen geest van de mens is normalerwijze gebonden aan het lichaam,  zolang het waakbewustzijn actief is.  Waar nl. de associatie “ik” met het gebeuren in de wereld rond dat “ik” zo groot is geworden , kan de geest zich daarvan niet uitsluiten. Op het ogenblik echter dat  in het waakbewustzijn dus minder directe impulsen komen of de drempel van het bewustzijn aanmerkelijk verhoogd is, kan de geest zich voor een gedeelte terugtrekken.  Gelijktijdig krijgen de bewustzijnswaarden een meer gelijke invloed op wat men nog denken zou kunnen noemen.

En bij een werkelijk volledig verhogen van de bewustzijnsdrempel tegen elke aanwezige prikkel ontstaat een toestand van isolement, waarbij de geest, die ook haar eigen waarnemingsvermogen heeft, dan haar waarnemingen boven de stoffelijke kan stellen en zo zichzelf als “ik” kan beleven.

In zekere mate is dus de verhouding geest tot stof er één van gebonden zijn aan een voertuig. De vrijheid die de geest zich nemen kan, is het zich even ontspannen.  De behoefte om voort te gaan, d.w.z. meer te beleven echter, brengt er haar steeds toe om terug te keren tot dit voertuig en de identificatie met dit voertuig als haar belangrijkste factor van leven te beschouwen.

Hiermede heb ik, als ik mij niet vergis, alle door u aangesneden punten beantwoord.  Zou dit niet het geval zijn, zo verzoek ik u deze thans aan te vullen.

  • Zou ik u in aansluiting op deze uiteenzetting, waarvoor ik u zeer dankbaar ben, nog dit te mogen vragen?  De z.g. uittreding, die wij in de parapsychologie ook wel als astrale projectie aanduiden, wordt door tal van personen beschreven als een ervaring, waarbij zij eerst het  stoffelijke lichaam zien liggen en dan vervolgens zich vaak verplaatsen over zeer grote afstanden.  Wat treedt hier eigenlijk uit? Is dat een stoffelijk iets? En in hoeverre treedt het volledige bewustzijn uit en blijft een deel van het bewustzijn wellicht nog verbonden aan het stoffelijk lichaam?

Wat u uitreding noemt kan zijn wat u noemt astrale projectie.  En in dat geval is er sprake van een sterke voorstelling binnen het lichaam wel te verstaan (dus niet buiten het lichaam, maar binnen het lichaam en de lichamelijke denkprocessen), dat het beeld van het “ik” elders kan worden opgebouwd en dat – zonder dat de geest in feite het lichaam verlaat – een mogelijkheid van waarneming of mededeling elders ontstaat.   Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit, dat het optreden van het verschijnsel binnen het ik niet gelijktijdig behoeft te zijn met het ontstaan van deze echo-figuur elders en de eventuele handelingen daarvan, terwijl deze ook niet volledig eensluidend behoeven te zijn met hetgeen in het voorstellingsleven van de persoon bestaat.  Wij kennen deze vorm van projectie dus voornamelijk daar, waar zeer sterke emoties de mens beheersen of waar hij in een absolute toestand van ontspanning verkeert en gelijktijdig binnen zijn denkvermogen een bepaald droom opbouwt.

Een tweede vorm, die wij dan wel uittreding plegen te noemen en dus niet beschouwen als precies gelijk, is dit.  Op het ogenblik dat de mens leeft is hij niet alleen maar een lichaam. Er is ergens een onvatbaar iets.  En dat onvatbaar iets kunt u geest noemen, maar het is in feite meer. Het kan vergeleken worden met een soort antenne, die dus gevoelig is voor verschillende sferen en hetgeen daarin geschiedt of mogelijk is. Wanneer een feitelijke uittreding plaatsvindt, wordt de gevoeligheid voor het lichaam afgesloten en gelijktijdig krijgen wij te maken met het opnemen van indrukken, die buiten het lichaam bestaan.

De meeste gevallen, die u in de parapsychologie interessant zult vinden, houden zich daarbij bezig met waarnemingen op eigen wereld.  Dat wil dus zeggen dat dit ligt binnen het bereik van het leven, het menselijk leven, de levenssfeer. Dan zal echter de waarneming niet zonder meer aanvaardbaar zijn.  En nu ontstaat een eigenaardig verschijnsel.

Achteraf (en niet tijdens de gebeurtenis!) wordt gerationaliseerd.  En deze rationalisatie vergt, dat het feit dat het lichaam aanwezig bleef erkend wordt, terwijl gelijktijdig het weggaan van eigen ik wordt erkend.  Vandaar het: ik stond op en liet mezelf liggen.  Deze dingen zijn dus voor die mens wel reëel, maar ze zijn niet feitelijk.  Wanneer wij nl. iemand onder hypnotische trance brengen en die als geschikt persoon daarvoor uitzenden voor waarnemingen, terwijl wij een beschrijving vragen, dan zullen wij nooit horen dat die geest het lichaam achterlaat of dit lichaam en de situatie daarrond beschrijft, tenzij dit uitdrukkelijk wordt bevolen.  Wel zien wij waarnemingen op grotere afstand.  Ik weet dat wij bij alle mensen, die geestelijke ervaringen hebben, te maken hebben met de noodzaak om die ervaring om te zetten in termen, die materieel aanvaardbaar zijn om een samenhang te geven aan het geheel, die het in feite niet bezit, maar zonder welke samenhang het geheel niet als een redelijke beleving beschouwd zou kunnen worden.  Een aanpassing dus aan de verstandelijke eisen, de begripseisen.  En dit betekent, dat het uittreden op zichzelf heel vaak gepaard gaat in de terugkeer en beschrijving met een zekere mate van fabuleren. Ik hoop dat ik daarmede uw vraag beantwoord heb.

  • Het zg. zilveren koord, dat door tal van uitgetredenen beschreven wordt, zou dus ook op inbeelding of een soort fabel moeten berusten?

De beschrijving daarvan ongetwijfeld. Het feit echter niet. Want zolang een lichaam leeft, heeft het een verbinding nodig met de geest.  De geest is nl. een coördinerend element. Wanneer die geest weg is, dan kan dat lichaam nog een lange tijd bestaan en onder de nodige voorzorgen een zeer lange tijd zelfs, meerdere jaren.  Maar er is dus geen directe levensuiting en de levensfuncties vallen terug op een minimum, waarbij dat lichaam zichzelf niet volledig kan blijven handhaven.  Er is dan dus een wegvloeien van energie.  Wanneer dit wegvloeien van energie volledig abrupt gaat, heeft het verder een shock-werking.  Een abrupte verbreking van contact tussen geest en stof betekent een zodanig sterke shock voor een lichaam, dat daaruit veelal een hartcollaps volgt. We kunnen dan verder stellen, dat de z.g. zilveren koord (ook wel gouden koord, over de kleur is nog wel eens een verschil van mening) dus is: het eigen gevoel van verbonden zijn met het stoffelijk voertuig.  Op het ogenblik dat dit gevoel (het is dus een gericht – zijn) ontbreekt, is er ook geen directe mogelijkheid tot terugkeer meer. Men verdoolt.  Daarbij treedt verder het verschijnsel op, dat de geest dus, die zich op het aardse niveau beweegt om daar waar te nemen, zeer snel wordt betrokken in de emoties van anderen. Deze doen zich voor als een enorme aanzuiging, waardoor men voordat men het weet in de dan vaak wat kleffig aandoende gevoelswereld van een ander verdoold is en zichzelf niet eens direct kan realiseren wat “ik” is, wat tot het eigen wezen behoort en wat die ander is.  Het resultaat zal u duidelijk zijn.

Wanneer dus dat de koord verbroken is, is er over het algemeen groot gevaar voor overlijden. Maar ook hier moet weer het idee van die binding worden gerationaliseerd.  En de kracht van het leven wordt door velen ervaren als wit licht (ongetwijfeld een associatie, in wit zijn alle bekende kleuren vervat, alle verschijnselen) of een gouden koord, waarbij goud ongetwijfeld gebruikt wordt als symbool van het edelste, het leven.  En zo ziet u dus, dat – al is de ervaring op zichzelf volkomen reëel – de beschrijving daarvan gegeven in feite weer ten dele een fabuleren is, waarbij opvalt dat een uitdrukking als het zilveren koord bij degenen, die die ervaring hebben, zeer sterk aanspreekt, zodat wij op den duur een uitdrukking krijgen, die zelfs geen eigen beleven behoeft in te houden.  Maar die voldoende rationalisatie is voor het gevoel van verbonden zijn met het eigen lichaam, zelfs terwijl men elders waarneemt. Ik hoop dat dit voldoende is.

  • Ik meende dat u daarnet zei, dat de mens denkt met zijn hersenen. Heb ik dat juist?

Inderdaad.

  • Mag ik dan eens van u weten waarmee u denkt?

Ik denk niet volgens uw voorstellingen.  Maat ik realiseer, ik weet dus.  Een denken – en dat is als wij terugkomen naar de stof – heel vaak één van de moeilijkheden, waarmee wij te worstelen hebben, betekent het achtereenvolgens a.h.w. beschrijven van processen, taferelen e.d.  Ik realiseer. Wanneer ik denk, neem ik dus een complex geheel waar. Een mens beschrijft een veldslag en schrijft een roman.  Een geest ziet een veldslag en draagt in zich een schilderwerk. Dit is het grote verschil.  En de grote moeilijkheid voor ons wordt dus om – en daar hebben we absoluut de stoffelijke medewerking voor nodig ergens – de verschillende factoren van ons beeld om te zetten in een voor de mens redelijk samenhangend geheel. Ik denk dus niet zoals u, waarbij a.h.w. circuit na circuit wordt gesloten en daardoor bepaalde herinneringen en associaties samen worden gevoegd tot een mogelijk zelfs nieuw beeld, maar ik zie het in mijzelf ontstaan.  En dat, wat in mij ontstaat, in mijn reactie op een buitenwereld of op een prikkeling, die mij bereikt.  Dat kan dus ook innerlijk ergens zijn, een gevoel van onrust bv. en dat voert tot een visualisering.  Daarin heb ik het totale beeld van die onrust. En niet meer van alleen de oorzaak nu, maar ook de oorzaken uit het verleden.  En daarbij – ofschoon niet altijd juist – tot op zekere hoogte een beeld van de toekomstige mogelijkheden ervan.  Het is dus een veel complexer manier van denken eigenlijk. Ik denk verder met geheel mijn wezen en dus niet met een enkel deel ervan.  Een gedachte vervult mij geheel en een gedachte kan in elk deel van mijn wezen a.h.w. ontstaan.  Mijn wezen is niet gebonden aan een bepaalde omvang.  Ik kan dus in een zeer klein gebied beperkt zijn en in mezelf toch volledig realiseren. En ik kan uitgespreid zijn, zodat mijn wezen meer omvat dan een hele stad, vergelijkend gesproken natuurlijk, en toch in mijzelf datzelfde beeld bewaren. Daardoor wordt het vaak heel erg moeilijk voor ons om afmetingen, tijdsduur e.d. zoals die bij de mensen bestaan voldoende af te schatten.

  • Kunt u ons zien zitten?

Neen.  Om dat te doen zou ik gebruik moeten maken van een stoffelijk gezichtsvermogen. Ik kan mij u voorstellen.  En die voorstelling ontleen ik dus niet aan uw persoonlijkheid, zoals ze thans is, maar a.h.w. aan uw gedachten. Ofschoon men wel zegt, de aura of de uitstraling.  En deze loopt dan van de lichaamswarmte af tot de gedachten, de emoties en de reacties in u toe. Maar het is weer altijd gevaarlijk daarop volledig te reageren, want een reactie daarop brengt in u veranderingen tot stand. Wij zien u dus allemaal als geest wel, wanneer dat noodzakelijk is, maar niet als mens.

Een vergelijking hiervoor zou misschien zijn, dat u een aantal kleuren hebt, die voor het karakter van persoonlijkheden kunnen worden gesteld. Wanneer u nu dus alle aanwezigen met een aantal kleuren aanduidt, een soort kokarde, dan kunt u zonder de mensen te zien toch weten wie en wat zij zijn.  En op die manier zien wij u.  Het spijt mij, dat ik het niet duidelijker kan maken.

Ik hoop dat u mij zult toestaan mij thans terug te trekken en het medium vrij te geven.  Ik hoop dat de wederzijdse kennismaking althans interessant is geweest. Er is zeker heel wat bij uit te zoeken. En de achtergronden ervan zullen voor u niet zo gemakkelijk verklaarbaar zijn, omdat er naast het vele wat verklaard kan worden, ergens vluchtig element is, waar men op zal struikelen.

Ik dank u in ieder geval zeer voor uw prettige aandacht en aanwezigheid en wens u verder een zeer aangename en voor uw arbeid vruchtbare avond toe.

Goedenavond.

image_pdf