Vooruit of terug

uit de cursus ‘De mens in al zijn aspecten’ (hoofdstuk 5) – februari 1972

Vooruit of terug.

Een mens heeft twee verschillende aspecten, die zijn gedrag en zijn reactie voor een groot gedeelte helpen bepalen en die mee aansprakelijk zijn voor een groot gedeelte van de illusies, waarin hij pleegt te leven.
De eerste is de neiging om vooruit te willen zien. Een mens kijkt niet naar de feiten, die er vandaag zijn. Hij kijkt naar de feiten, waarvan hij hoopt of vreest dat ze morgen werkelijkheid zullen zijn. Op dezelfde manier kijkt hij ook terug. Hij houdt geen rekening met wat hij vandaag is maar met datgene wat hij gisteren is geweest. Hij wenst dat de wereld hem waardeert op grond van datgene wat hij is geweest, niet op wat hij nu is, laat staan op wat hij misschien kan worden. Hoe dit precies in elkaar zit, zullen wij proberen duidelijk te maken.
Als je jong bent, wil je ouder worden. Waarom? Omdat je graag wil meetellen. Grote mensen maken zelf uit wanneer ze naar bed gaan; jij wordt naar bed gestuurd. En dan hebben ze allemaal van die praatjes en als je dan vraagt: wat betekent dat? dan is het: ja, je bent er te jong voor. Dat zal ik je later wel eens vertellen. En dan moet je natuurlijk bij schoolvriendjes informeren; dat is ook genant. Gelijktijdig denk je heel vaak aan alles wat je hebt gehad. Gisteren heb ik een ijsje gehad, vandaag krijg ik er geen, dus is vandaag een slechte dag. Of: men heeft mij beloofd dat ik morgen een ijsje zal krijgen. Was het maar alvast morgen! Het kind heeft dit werkelijk in zich zitten. Zeker, er zijn bij het kind, in tegenstelling tot de volwassenen, veel meer momenten van ogenbliksbeleving, waarbij het opgaat in het moment en dan met alle kracht, alle emoties en alle bewustzijn. Bij het kind is dus reeds een teruggrijpen en een vooruit willen lopen.
Het wordt moeilijker, als een mens oud wordt. Als je ouder bent, dan is de periode van je grootste activiteit en de. grootste waardering, die je hij anderen geniet, voorbij. Op het ogenblik dat je tot de oude bokken of geiten gaat behoren, heb je geen behoefte meer om te kijken naar morgen, als je allicht een nog oudere bok of geit zult worden; dus grijp je terug naar je jonge jaren. En dan zijn er zeer waardige en solide heren, die plotseling weer de lichtzinnigheid van hun puberteit imiteren in de hoop daarmee het verleden weer dichterbij te brengen. Dan zijn er dames, die opeens vergeten dat hun rimpels alleen onder plamuur kunnen worden verborgen en die zich een babydoll-achtige jeugdigheid aanmeten. Dat lijkt misschien allemaal een beetje komisch als je het ziet, het is een beetje tragisch als je erover nadenkt.
Dat teruggrijpen naar het verleden, is een poging om het beste vast te houden. Dat wil zeggen dat je, omdat je niet in staat bent te beantwoorden aan de eisen, waaraan je in ’t verleden eens volledig kon beantwoorden, in het heden t.a.v. jezelf en je verwachtingen voortdurend tekort zult schieten en daardoor ook niet in staat zult zijn nu juist te reageren en te handelen. Dit is een heel belangrijk punt. Want daardoor verlies je je betekenis voor een gemeenschap. Je verliest het zelfvertrouwen, dat je nodig hebt en je krijgt vaak een zekere bitterheid tegen een wereld, die je niet meer wilt accepteren zoals je nog meent te zijn.
Soms zijn er ook mensen, die wel vooruit kijken. Die zien zich dan, terwijl ze eigenlijk nog best meekunnen, als mummies, die stamelend per 65+ de dood tegemoet schommelen. Ook dat is natuurlijk dwaasheid. Wat ben ik vandaag? is de belangrijkste vraag, waarop een mens steeds antwoord moet geven. Dat kan hij alleen, indien hij zich vandaag bezig houdt met de problemen van vandaag, indien hij vandaag zo snel mogelijk reageert op de mogelijkheden en de problemen, die er nu zijn. Op het ogenblik, dat je verder wilt gaan in de toekomst, zul je dikwijls de mogelijkheden van vandaag voorbij laten gaan. En als je je eisen wilt stellen of je reacties wilt bepalen naar wat eens voor je mogelijk was, ach, dan is het meestal ook verkeerd en loopt het ook faliekant verkeerd af. Daarom moeten we proberen om wat dat betreft een beetje redelijk te zijn. Je kunt je herinnering niet uitschakelen. Wat je aan herinnering bij je draagt, dat is de wijsheid: het vermogen tot herkennen van dingen.
Een ouder mens zal heel vaak analoge situaties ontdekken. De situaties, die hij al eens heeft doorgemaakt en waardoor hij een redelijke mogelijkheid heeft om ontwikkelingen of karakter daarin te beoordelen. Dat is de grote waarde van zijn geheugen; niet het feit dat hij eens sterk was en nu zwak is of eens erg knap was. Het gaat er doodgewoon om: wat kan ik doen met mijn herinnering?
Als je vooruit wilt lopen op morgen, dan zit je met een grote moeilijkheid. Je kunt nooit alle factoren overzien, die morgen bepalen, en daardoor ben je ook niet in staat om een werkelijk juist plan voor morgen te ontwerpen. Je kunt dat misschien in heel grote lijnen doen, maar je kunt het nooit zo doen dat het werkelijk allemaal uitkomt en dat al je moeiten inderdaad wordt beloond.
Het is ook geestelijk verstandiger om in het heden te leven. Een mens, die nu reageert op iets wat nu bestaat, wat hem op dit moment raakt, zal daar helemaal bij betrokken zijn. Het is het heden. Hij betrekt zichzelf erbij zoals hij nu is, anders kan hij niet zo snel reageren. Hij denkt volgens de inhoud, die hij nu bezit. Zijn gevoelsbelevingen zijn gebaseerd op zijn werkelijke relatie met de wereld zoals ze nu bestaat. Het is een volledige erkenning waarvan het grootste gedeelte aan de geest kan worden overgedragen. Zodra ik mij illusies maak, heb ik nog wel emoties, maar wat dan overgaat naar de geest is hoogstens een ontkenning of een bevestiging, die overigens rijm noch rede heeft. Op het ogenblik dat het een erkenning van werkelijke feiten betreft en van mijn acties daarin, draag ik volledig over wat er werkelijk gebeurt. Geestelijk gezien is het dus een zeer belangrijk punt.
Nu kan ik wel begrijpen dat mensen heel vaak proberen om de tijd, die zij ergens aan besteden, te zien als een geïnvesteerd kapitaal. Ik weet niet of dat nog voorkomt in deze tijd. Maar vroeger werd wel eens door een teleurgestelde vrouw uitgeroepen: “Maar ik heb jou de beste jaren van mijn leven gegeven!” Ik kan die emotionele uitroep wel begrijpen. Zij moet echter één ding niet vergeten: zij zal niet gewaardeerd worden om wat ze eens is geweest, maar om wat ze nu is. En daar kan geen lieve moedertje wat aan doen.
Er zijn heel veel mannen die zeggen: “Maar ik heb zoveel gedaan voor dit of voor dat. Mijn standaard is altijd de juiste geweest, dus moet die vandaag gehandhaafd worden.” Het blijkt dan dat het niet gaat en hij zal toch moeten terugtreden. En dat kan een heel erg pijnlijke kwestie worden.
U moet begrijpen dat elke tijd en elke reeks omstandigheden een eigen antwoord vergt. De mens, die dat beseft en die daaraan kan beantwoorden ‑ al is het misschien niet voor 100 %, dan toch voor 90% – leeft inderdaad bewust, maar hij heeft ook in het leven zelf een veel grotere betekenis.
Ik zou met voorbeelden kunnen doorgaan. Voorbeelden van b.v. iemand, die te water is geraakt. Honderd mensen, die zich afvragen hoe ze hem kunnen redden en de ene man die zegt: “Ik kan het op dit moment, ik denk verder aan niets, ik spring erin, ik haal hem eruit” tot misschien politieke en heel grote economische problemen toe.
Je moet reageren volgens de conditie die nu bestaat. In het leven van een mens spelen al deze facetten natuurlijk voortdurend een rol. Het is misschien wel eens aardig om te kijken in welke perioden van het leven bepaalde dingen naar voren komen.
Als we te maken hebben met een schoolkind van 12 jaar (dat zijn tegenwoordig schoolkinderen), dan zult u zien dat het kind al teruggrijpt naar het verleden om zich te rechtvaardigen tegenover anderen. Met andere woorden, de herinnering is een middel om een zekere pressie uit te oefenen op het heden. Gelijktijdig droomt het kind ‑ in zeer weinig realistische termen overigens ‑ over de toekomst. Het heden wordt nog wel spontaan beleefd, maar het wordt steeds meer aangepast aan de droom omtrent morgen en het hele verleden wordt gebruikt als achtergrond. Het verleden is niet reëel meer. De verhouding, die b.v. met de ouders heeft bestaan, is niet werkelijk meer zoals ze eens was. Ze wordt nu gehanteerd dankzij bepaalde herinneringen als een soort middel om de ouders te bewijzen dat zij altijd al te dictatoriaal zijn geweest. Dat zijn de meeste ouders. Ik weet niet of u het weet: ouders zijn dictatoriaal.
Een jongeman van 18 à 19 jaar kijkt erg veel naar de toekomst want die ziet hij als zijn medium; datgene waarin hij zal leven. Dat geldt voor de jonge vrouw eveneens. Het verleden wordt wel degelijk bekeken. Het wordt bekeken om daarin de fouten te erkennen, die men in de toekomst dan wel even zal verbeteren. Er is weinig sprake van realisme omdat de toestand van het heden in de overwegingen van dergelijke jongelieden slechts zelden een rol speelt, en als ze een rol speelt, dan ligt dat meestal wel op financieel vlak.
Laten wij weer een stap verdergaan en een man of een vrouw van 30 jaar nemen. Ze zijn een beetje gevestigd. Ze hebben al iets van het leven gehad. Ze hebben hun herinneringen. Die herinneringen bepalen de eisen, die ze nu stellen. Gelijktijdig hebben zij het gevoel dat ze nog veel meer rechten hebben en nog veel meer kunnen. Rond de 30‑jarige leeftijd zien we de sterkste projectie van rechten en verwachtingen in de toekomst en gelijktijdig de scherpste kritiek op de buitenwereld en de scherpste erkenningen van mogelijkheden en rechten in het verleden. De fout van deze leeftijd is over het algemeen dat ze geneigd zijn een ontwikkeling van het verleden zonder meer en ook zonder overweging van de huidige omstandigheden verder rechtlijnig in de toekomst te projecteren.
Op 40‑jarige leeftijd krijgt men al iets meer bezinning. De herinnering gaat hier inderdaad langzaam maar zeker de functie van analoge erkenning vervullen. Men ziet gebeurtenissen uit het verleden, vergelijkt die met toestanden die nu bestaan of waarvan men verwacht dat ze morgen zullen bestaan en bepaalt op grond daarvan zijn eigen handelwijze. Er zijn juist rond de 40‑jarige leeftijd een aantal facetten, waarvoor we toch voorzichtig moeten zijn. Enerzijds is men nog niet gekomen tot de erkenning dat een rechtlijnige projectie, zoals die op 30‑jarige leeftijd bestond, in feite niet houdbaar is; anderzijds is men wel geneigd het verleden voortdurend op het heden toe te passen, maar alleen volgens bepaalde plannen. Je zou het misschien ook zo kunnen zeggen: Op 19- à 20‑jarige leeftijd beginnen de idealen zeer krachtig te worden. Op 30‑jarige leeftijd wordt het idealisme een gericht idealisme, dat een doel nastreeft; dus niet alleen een algemene of abstracte toestand of bereiking maar een concrete. Op 40‑jarige leeftijd worden de idealen tot een systeem, waaraan al het andere wordt onderworpen. Op 50‑jarige leeftijd hebben we alleen nog maar te maken met een steeds groter wordende neiging om gevreesde conflicten te vermijden en gelijktijdig daarvoor in de plaats de ervaring uit het verleden te gebruiken als middel om de toekomst rustig te laten verlopen. Dit is heel vreemd. Oudere beroepsrevolutionairen rond de 50‑jarige leeftijd zijn niet meer de mensen, die voorop lopen in de optocht, als het even vermeden kan worden. Wel zijn ze degenen, die met vele kreten, aan het verleden ontleend, anderen ertoe brengen actiever te zijn dan ze zelf ooit geweest zijn. De 60‑jarige leeftijd is in uw periode nog een leeftijd, waarop je nog kunt zeggen”: Nou, ik heb nog wel enkele jaren tegoed.” Toch is het een periode, waarin je afscheid neemt. De vele dingen, die je hebt opgebouwd, zou je nog zolang willen handhaven, totdat het niet meer gaat. U bent niet geneigd om veel nieuwe ideeën op te nemen. En als u het doet, dan doet u dat eerder mentaal dan door een reële verandering van uw gedragspatroon.
Op deze leeftijd wordt het terugblikken veel sterker en daardoor ontgaat u meestal de mogelijkheid om met het heden contact te hebben. Ik zou u hiervan graag een voorbeeld geven.
Iemand komt bij een 60‑jarige met een probleem. De 60‑jarige knikt eens nadenkend en zegt: “Ja, toen ik een jongen was …, en dan volgt er een heel verhaal. Maar dat verhaal heeft zo weinig betrekking op het probleem, zoals het nu bestaat, dat daardoor al een verwerping bij zijn luisteraar is gewekt. Toch heeft de man wel degelijk de mogelijkheid raad te geven maar dan moet hij zichzelf buiten beschouwing laten en vooral zijn vroeger leven; en dat valt hem heel erg zwaar. Als hij naar de toekomst kijkt, dan ziet hij op deze leeftijd over het algemeen alleen nog maar verwording en verval. Dat is begrijpelijk. Voor hem is deze leeftijd de bevestiging van het bestaan. Wat hij heeft bereikt, is van hem. “Dat heb ik nu opgebouwd en laat niemand daar alsjeblieft aan komen want dat is zo kostbaar, dat heeft zoveel gekost.” Het is eigenlijk een gewoontepatroon, dat moeilijk te verbreken is. Zelfs de meest progressieve mens van 60 jaar is in wezen conservatief, ook al zal hij dat zelf niet altijd erkennen.
De 60‑jarige leeftijd is de leeftijd, waarop het verleden al zeer sterk spreekt en het heden voornamelijk wordt gebruikt om het kritisch te vergelijken met de betere tijden van vroeger.
De 80‑jarige leeftijd geeft een bewustzijnsverenging te zien, waarbij we een zeer scherpe reactie kunnen verwachten op zeer beperkte gebieden en een absolute lusteloosheid, om niet te zeggen levenloosheid t.a.v. vele andere problemen.
Dit gaat verder naar 90 en 100 jaar. De verenging van de belangstelling neemt toe. Tegen de 100‑jarige leeftijd kunnen we mensen aantreffen, die buitengewoon scherp kunnen denken en reageren op bepaalde punten. Maar gaat men het gehele gebied van denken onderzoeken, dan blijkt daartussen vaak een groot terrein te liggen, dat alleen nog maar herinnering is en met de werkelijkheid niets te maken heeft en ook geen enkele reactie op de werkelijkheid meer verdraagt.
Hiermee krijgt u een beeld van een doorsnee‑leven. Ik heb hier leeftijden genoemd, maar u zult begrijpen dat wat bij de een op 60‑jarige leeftijd optreedt, bij een ander al op 40‑jarige leeftijd zich reeds kan openbaren en bij een ander misschien pas op 70‑jarige leeftijd komt. Men moet nu eenmaal een maatstaf hebben. Maar het proces, zoals het is aangeduid, is juist.
Geestelijk gezien betekent het het volgende: Als je pas bent geïncarneerd op aarde, dan begin je de aardse feiten te absorberen. Je probeert je daarin uit te leven, zoals je uit vroegere incarnaties en eventueel geestelijke lering je keuze hebt gemaakt. Onbewust zul je dat tot ongeveer het 30e levensjaar wel voortzetten. Na die tijd zijn er reeds zoveel correcties in je bestaan geweest en dus ook in je denken en neigingen, dat je vanaf dat ogenblik geacht kunt worden ‑ alweer gemiddeld ‑ te leven volgens de inhoudswaarden van je huidig bestaan. Gaat het om de hantering van de realiteit, dan zouden we moeten zeggen dat, gemiddeld, mensen van de leeftijd tussen de 30 en 40 jaar het dichtst bij de feiten plegen te staan. U zult misschien geneigd zijn dat te ontkennen, vooral omdat de meeste van de mensen in een eigen terminologie spreken omdat ze hun eigen geheimtaal hebben, zo goed als elke generatie die bezit. Zij reageren echter het meest direct op de feiten zoals ze nu aanwezig zijn omdat zij zich bevinden op een punt van evenwicht tussen verleden en toekomstverwachtingen.
Er zijn natuurlijk problemen gelegen in deze ontwikkeling. Iemand van b.v. 20 jaar, die kinderen heeft, zal ‑ omdat hij tussen de 20 en 30 jaar van zijn leven de ontwikkeling van een kind tussen de 0 en 10 jaar meemaakt ‑ over het algemeen het opgroeien van het kind heel behoorlijk kunnen begrijpen. Gelijktijdig is er een zekere onverschilligheid, een minder zorgzaam zijn t.a.v. het kind dan bij ouderen. Maar als we ouders hebben, die b.v. op 40‑jarige leeftijd een kind krijgen, dan zijn ze al 50, dus leven zij reeds in het verleden op het ogenblik dat hun kind pas begint de toekomst te zien. En dat betekent dan noodgedwongen dat er ergens een contact‑hiaat tussen ouders en kind zal ontstaan.
Datzelfde is misschien ook voor vele verschijnselen op de wereld van belang. De grootste conflicten in deze tijd zijn in feite vooral generatie‑conflicten. En dan moet u niet denken dat het in Ierland anders is. Het is in Ierland niet het totaal van de Rooms Katholieken, die zich verzetten tegen het geheel van de Protestanten. Er is in feite sprake van een revolte van de jonge Katholieken, die zich als minderheid gediscrimineerd menen te weten, tegen de oudere, hun eigen wijze van leven met alle geweld verdedigende Protestanten.
In de politiek zien we steeds weer oudere staatslieden, die zich krampachtig verdedigen tegen een jongere generatie, die een andere taal, andere toekomstbeelden heeft. Het grootste conflict zal dan altijd liggen bij staatslieden, die rond de 60 jaar oud zijn én de jongelieden, die rond de 20 jaar oud zijn. De jongelui van 20 jaar kennen dat lijnrechte denken. Zij vragen niet naar de feiten, naar de mogelijkheden, zij vragen alleen naar de wenselijkheden. Aan de andere kant is de 60‑jarige zozeer verknoopt met wat hij ziet als vaste waarden en onveranderlijke toestanden, dat hij eenvoudig niet kan reageren. Op de hele wereld bestaat er een groot hiaat juist tussen gouvernementen en jongeren omdat de leiding van de gouvernementen in handen is van ouderen, die een totaal andere manier van reageren hebben, wier denkleven zich op heel andere wijze beweegt dan dat van de jongeren.
Het is b.v. typerend dat een jongere zegt: We moeten wat doen tegen de werkloosheid opdat met een sociale verandering dat ongedaan kan worden gemaakt. Terwijl de oudere zegt: Wij moeten steeds strengere maatregelen nemen om een herhaling van een crisis, zoals ik heb doorgemaakt, te voorkomen. Ik geloof dat dat boekdelen spreekt met betrekking tot dit onderwerp.
Een interessant punt is hier ook wel de kwestie van leeftijdsverschillen in mentaal opzicht.
In een arme gemeenschap zal de mentale leeftijd van 20 jaar vaak worden bereikt door kinderen, die 10 à 11 jaar oud zijn. Zij hebben dan nog niet de lichamelijke rijpheid, maar door hun ervaringen is hun wereldbenadering a.h.w. tien jaar op hun lichamelijke leeftijd vooruit.
In een maatschappij met grote zekerheden (een z.g. welvaartsmaatschappij) zien we heel vaak dat het puberteitspatroon, dat je normaal aan de 10‑ tot 20‑jarige toekent, zich voortzet in denken en gedrag bij menen zelfs tot het 35e, tot het 40e jaar. Dat brengt ons tot de conclusie dat het milieu – en daarbij de zekerheid die het milieu biedt ‑ in sterke mate bepalend is voor de mentale rijpheid.
Die mentale rijpheid heeft niets met kennis te maken. Iemand kan een excellent wetenschapsman zijn, een groot jurist, een fantastisch kundig econoom en toch gelijktijdig in zijn mentaliteit nog blijven steken in de puberteitsjaren.
Dat is natuurlijk ook weer een groot probleem want we zijn op aarde geneigd gezag toe te kennen aan degenen, die kennis bezitten. Maar we vergeten één ding: dat de toepassing van die kennis lang niet altijd op basis van voldoende geestelijke rijpheid geschiedt. Dit is een heel belangrijk probleem. Want als ik aanneem dat iemand, die kennis heeft, ook weet hoe het werkelijk zal moeten en dus niet alleen maar technisch de zaak kan omlijnen maar ook het gehele ideaal, de zin van het menselijk leven kan aangeven, dan ben ik ook geneigd om mijzelf te binden aan denkbeelden, die buiten de werkelijkheid liggen. En dan ontstaat er een verdubbeling van werkelijkheidswaarden waardoor we niet meer verder kunnen.
In het boek van George Orwell ‘1984’ komt iets voor, dat heet: doublethink. Dat betekent: aan de ene kant de feiten zien en aan de andere kant alleen de wenselijke interpretatie. Ik geloof dat doublethink iets is wat je op het ogenblik overal op de wereld in grote mate kunt aantreffen. Hier wil de mens enerzijds wel reageren op de feiten van vandaag, maar anderzijds blijft hij verder redeneren in een tendens, die geheel past bij zijn doctrine. En als de doctrine van iemand wegenbouw is, dan zal hij misschien weten dat het onmogelijk is om op een areaal als van Nederland voldoende wegen aan te leggen om tegemoet te komen aan de verkeerseisen, die de Nederlanders graag zouden stellen, maar gelijktijdig kan hij niet erkennen dat het openbaar vervoer beter is, ongeacht zijn fouten, want daarmee zou zijn denkbeeld van het bouwen van wegen als het belangrijkste, ongedaan worden gemaakt. En dat zien we heel sterk in bepaalde landen waar men uitgaat van een zeker stelsel.
Kijk b.v. naar de Oostblok‑landen. Wij hebben daar te maken met een partijtheorie en als zodanig dus ook met een bepaalde propagandaweergave van de werkelijkheid, die vaak geheel in strijd is met de feiten, die eenieder zou kunnen zien. Maar men ziet ze alleen, indien men persoonlijk ermee wordt geconfronteerd en is blind voor alle verdere verschijnselen.
Kijk eens naar Zuid‑Afrika. Dat is precies hetzelfde. Daar zijn mensen, die eerlijk menen dat hun opvatting van apartheid de meest juiste, de meest edelmoedige oplossing is van alle daar bestaande problemen. Gelijktijdig weten ze echter dat er daardoor grote moeilijkheden ontstaan. En terwijl ze met de ene hand een ontduiking van hun eigen ideaal mogelijk maken, propageren ze aan de andere kant met harde hand de voortzetting van dit ideaal tegen iedereen, die zou zeggen: Dit is minder juist.
Ik geef dit als grote voorbeelden in de wereld. Maar hoe vaak gebeurt dit ook niet in het persoonlijke leven? Je hebt bepaalde denkbeelden, bepaalde opvattingen. Dat is best. Je kunt b.v. zeggen: Ik ben een goed chauffeur, ik kan veel riskeren. Dit is dan inderdaad waar. Maar als je ziet dat er rond je een aantal chauffeurs zijn, die niet bekwaam zijn, dan moet je geen risico nemen. Dat is dan een reële conclusie. Dan kun je niet zeggen: Maar ik ben zo goed, dat die anderen zich naar mij hebben te schikken. Er zijn mensen, die dat schijnen te denken. En dit is in een fabriek zo, dit is in de vakbond zo. En is dat in een gezin eigenlijk ook niet zo? Je kunt zeggen: Ik heb die kinderen grootgebracht. Ik, als moeder of als vader, weet toch wel wat goed is voor mijn kinderen. Je weet wat jij er goed voor vindt, inderdaad. Maar als je die maatstaven aanlegt, vergeet je heel vaak dat die jongeren een eigen leven hebben, dat ze een eigen ontwikkeling hebben, dat ze leven in een wereld waarin de maatstaven en de mate van belangrijkheid wel degelijk aanmerkelijk gewijzigd zijn. Dan kun je hen niet meer vangen.
Een groot gedeelte van de conflicten en moeilijkheden komt inderdaad voort uit  de neiging terug te grijpen naar het verleden: “toen ik klein was, zei mijn vader of moeder altijd tegen mij….” Daarmee moet je vandaag niet aankomen. Het kan wel waar zijn, maar je moet niet zeggen dat het vandaag klopt. Niet een herinnering geven aan het verleden. Je kunt ook niet zeggen: Toen ik zo oud was, verwachtte ik dit of dat en het is niet waar geworden. Dat gelooft ook niemand. De herinnering kan dienen om situaties te erkennen. Maar met de erkenning van de mogelijkheden, die je dan hebt, moet je reageren, niet volgens wat eens werkelijkheid was, maar volgens dat wat op dit moment aan de orde is en dan pas kun je verdergaan.
Het is b.v. typerend dat we met het huwelijk zoveel moeilijkheden hebben op aarde. Toch is eigenlijk het huwelijk op zichzelf een nutsgemeenschap; iets wat de meeste mensen over het hoofd zien. Zij schrijven liefde met een hoofdletter en ze vergeten dat liefde in vele gevallen niet bestand is tegen economische en andere moeilijkheden. Laten wij het eens zo stellen:
Als we te maken hebben met een groot areaal met een geringe bevolking, dan is polygamie een zeer waarschijnlijk verschijnsel. Ook in gemeenschappen waar het sterftecijfer, vooral van jongeren, buitengewoon hoog ligt, is polygamie een van de meest normale vormen van huwelijkssamenleving.
Als we leven in een zeer arm gebied waar er moeilijkheden zijn om het levensonderhoud te vinden, ook waar wij te beperkt zijn, is polygamie eerder waarschijnlijk. Dan heeft een vrouw meer dan één man omdat er meer mankracht nodig is om de gemeenschap in stand te houden.
Monogamie krijgen we in een burgerlijke maatschappij, waarin erfrecht een grote rol speelt. Zodra het nageslacht wordt gezien als beheerder of misschien zelfs als naamgever van eigendommen, als de continuering van een verworven of bereikte welvaart, is het monogame huwelijk erg belangrijk. Op het ogenblik dat het bezit ophoudt, is de monogamie eigenlijk niet meer noodzakelijk en ontstaan er als vanzelf afwijkende vormen.
Als we kijken naar uw eigen tijd waarin men met partnerruil experimenteert, met groepshuwelijk zou willen experimenteren, waarin andere dan heteroseksuele relaties vaak toch een belangrijke rol beginnen te spelen, dan kunt u zien: hier is het nageslacht in wezen niet meer zo voornaam. De huwelijksgemeenschap heeft een andere rol gekregen. Ze is in de eerste plaats, ik wil niet zeggen een gezelligheidsvereniging maar toch werkelijk wel een nutsgemeenschap, waarbij zowel de genoegens als de gezamenlijke mogelijkheden naar buiten toe een heel voorname plaats innemen. En daardoor wordt dan als vanzelf ook een.andere moraal geschapen.
Nu kunnen we natuurlijk protesteren dat het monogame huwelijk tegenwoordig nog erg belangrijk is. Maar die belangrijkheid is een emotionele en niet een sociale. Men kijkt terug naar het verleden. De vrouw, die zich nu enigszins begint te ontworstelen aan het haar opgelegde keurslijf van huiselijke minderwaardigheid, is nog niet in staat te begrijpen dat de emotionele binding aan de partner bij de vrouw vooral ontstaat door het feit, dat er een bevruchtingsmogelijkheid is. Het is het kind en de mogelijkheid het kind te krijgen waardoor bij de vrouw de emotionele aanhankelijkheid voor een groot gedeelte wordt bepaald. Het heeft niets te maken met kameraadschappelijkheid; die kan ook zonder seks bestaan. Maar de z.g. liefde en hartstocht zijn een biochemisch proces. Dit biochemisch proces bepaalt voor de vrouwelijke partner ook de afhankelijkheid in de periode dat bevruchting en dracht mogelijk zijn.
Nu heeft men dit ontdaan van zijn natuurlijkheid. Men heeft daaraan allerlei hoogdravende theorieën verbonden. Men heeft het gemaakt tot een door God gezegende instelling (wat het huwelijk ongetwijfeld kan zijn) en men heeft zelfs geprobeerd alle geestelijke elementen opzij te schuiven. Ik kan mij inderdaad een monogaam huwelijk voorstellen dat volkomen reëel is, dat volledig is gebaseerd op, wat men kan noemen, de goddelijke wet. Maar dan hebben we toch in de eerste plaats te maken met een geestelijke twee‑eenheid, waarvan de lichamelijke aspecten hoogstens een verdere uitdrukking daarvan zijn en vreemd genoeg de partners t.a.v. elkaar geen grote bezitslust tonen. Er is in dergelijke gevallen weinig of geen sprake van jaloezie. Maatschappelijk heeft men echter gezegd: Wij grijpen terug naar het oude, de stabiliteit van de monogamie. Want dat is het niet revolutionaire, het is het bezit‑handhavende en daarom is deze vorm de enige voor ons aanvaardbare. Emotioneel gelooft men dit omdat alle begrippen van zekerheid, die vroeger in de eerste plaats aan bezit werden geweten, nu voornamelijk worden gezien in het exclusieve bezit van de partner. Het is natuurlijk niet leuk, als je het zo hoort zeggen. Maar het is een waarheid als eer. koe en wat de heren betreft als een stier.
De moraliteit op dit terrein zal zich dus moeten wijzigen omdat de omstandigheden gewijzigd zijn. Op het ogenblik dat wij die verandering proberen tegen te houden, ontstaan er spanningen. Deze spanningen hebben enerzijds invloed op de huwelijkspartners in de monogamie ‑ althans de samenleving in het ideaal van een monogaam bestaan ‑ en worden anderzijds uitgewerkt op de nakomelingen, die dan worden gezien als het blok aan het been in plaats van te zijn wat ze vroeger waren: de God-gegeven voortzetting van je leven op aarde.
Als je vooruit gaat kijken, dan zeg je: Als de’ vrouw onafhankelijk wordt (ze krijgt haar eigen beroepsmogelijkheden, haar sociale gelijkheid), dan zal ze wel degelijk haar biologische functie nog verder blijven vervullen, daar is voor mij geen twijfel aan. En in die biologische functie zal ze inderdaad de partner‑gebondenheid (biologisch‑emotioneel) kennen. Deze zal echter bepaald zijn tot de periode, waarin die binding ook voor haarzelf een noodzaak is, dat zij dus de steun nodig heeft. Over het algemeen zal dat ongeveer drie jaar vergen; vanaf de bevruchting tot het ogenblik dat ze zegt: Nu is het afgelopen, nu kan ik weer voor mijzelf uitkijken. Dan zullen we m.i. te maken krijgen met veel minder permanente bindingen. Maar daarop kun je je nu niet baseren; je moet je baseren op de mogelijkheid, die nu bestaat.
Die mogelijkheid wordt bepaald ‑ of je het wilt of niet ‑ door:
a. je eigen emotionele instelling tegenover de huwelijksband,
b. de waarde, die je hecht aan de partner; anders gezegd: het bezitsrecht dat tegenwoordig in het huwelijk voor velen nog een buitengewoon grote rol speelt;
c. de sociale betekenis van het huwelijk, zoals het op het ogenblik bestaat.
Ik kan niet te ver in de toekomst gaan want dan kan ik in het heden niet leven. Maar ik kan beseffen dat die toenemende vrijheid, die verandering van moraliteit rond mij steeds kenbaarder wordt. En kan ik mijzelf niet veranderen, dan kan ik toch een groter begrip krijgen voor de feitelijke verandering in de maatschappij en zal ik, ongeacht mijn gedrag en gedragsregels, kunnen reageren op anderen met begrip voor hun ontplooiing. Dat is erg belangrijk.
Geestelijk betekent dit dat je enerzijds beantwoordt aan je eigen normen van goed. Wat erg belangrijk is omdat je daarmee een gevoel van tevredenheid in je draagt en elke emotie dus een bevestiging is van de ‘ik’‑belevingen, niet zoals een slecht geweten soms aanduidt, de negatie ervan, waardoor het geheel als ervaring naar de duistere kant wordt getrokken, ook vaak voor de geest.
Dit voorbeeld omtrent het huwelijk kan op elk ander terrein worden gebruikt. De vormen van samenleving, de normen ten aanzien van bezit, kennis, status en al die andere dingen zijn gebaseerd op maatschappelijke normen, niet op ingeschapen normen of op aan de mens inherente eigenschappen. Verandert de maatschappij, dan zal de mens zich gemakkelijk daaraan kunnen aanpassen zolang hij niet, teruggrijpend naar het verleden, de toekomst bestrijdt omdat zijn moeite in het verleden ligt.
Ik kan begrijpen dat de paus zeg: “Celibaat voor priesters is voor mij belangrijk”, indien hij daarvoor een in deze tijd en wereld passende reden geeft. Op het ogenblik dat hij teruggrijpt naar de hogere gaven en lasten, denkt hij in feite terug aan zijn eigen verleden en citeert hij alleen de redenen, die hij zichzelf eens heeft voorgehouden voor het toch wel moeilijke leven in het celibaat voor de persoon in kwestie. En dan is zijn teruggrijpen naar het verleden een ontkenning van de toestand in het heden, op elk terrein.
Wij hebben het verleden als basis. Het heeft ons iets geleerd. Wij hebben in dat verleden bovendien heel vaak een deel van ons geestelijk behoeven kunnen uitdrukken. We hebben onze geestelijke noodzaken a.h.w. gebruikt om in deze incarnatie voor ons een gerichtheid te krijgen. Maar met wat we zijn, moeten wij reageren op wat nu is. Al onze dromen en verwachtingen voor morgen zijn hoogstens goed om ons duidelijk te maken wat onze persoonlijke eigenschappen op dit ogenblik zijn. Onze toekomstbeelden en zelfs onze plannen voor de toekomst verraden iets. over de werkelijke ontwikkelingen op de wereld evenals over onze persoonlijkheid. Onze droom voor morgen is in feite den projectie van ons verlangen in het heden. En dat betekent heel vaak een poging om eigen onvolkomenheid in het heden weg te vagen.
In de gehele maatschappij rond u kunt u datgene wat ik heb besproken voortdurend terugvinden. U kunt het zien in de relatie tussen werkgever en werknemer. U kunt het terugvinden in de broodprijs. U kunt het overal terugvinden, indien u zich de moeite getroost. En dan moet u niet uitgaan van wat er eens was. U moet dus niet zeggen: het brood is in zoveel jaren zoveel duurder geworden. Ik meen dat een heel brood van 800 gram in 1930 zoiets kostte van 23 cent; nu zal dat ongeveer het viervoudige bedragen. Maar u kunt zich ook gaan afvragen: Hoe is de relatie tussen inkomen en broodprijs veranderd? En: Was datgene wat ik in het verleden kón kopen aan brood gelijkwaardig aan mijn mogelijkheden om het nu te kopen? Dus niet: wat koop ik, maar wat kan ik kopen. En dan zie je ineens de zaak heel anders. Zo zou u uw vergelijkingen met het verleden dus moeten staken op het ogenblik dat u met het heden te maken heeft. U kunt hoogstens de waarde van het heden concreet berekenen en dan is uw vergelijking met het verleden voor u voldoende om analoge ontwikkelingen te zien. Verder komt u niet.
Een ander aspect dat u ook steeds zult aantreffen, zijn de mensen die aan morgen denken. Dat zijn de mensen, die vandaag de twaalfbaanswegen aanleggen, waarover morgen niemand meer rijdt omdat de benzine b.v. op is of omdat iedereen een hopperkopter heeft. De plannen, die men vandaag maakt voor een verre toekomst, zijn irreëel; ze zijn niet aangepast aan de werkelijkheid. Ook dat moet u begrijpen. En als u dat in de wereld rond u ziet, kijk dan naar uzelf en vraag u af: In hoeverre projecteer ik mijn verlangens en verwachtingen buiten de mogelijkheden van vandaag om? In hoeverre stel ik eisen op grond van iets wat in het verleden zo was, zonder eerst een reële vergelijking te maken met mijzelf en de mogelijkheden in het heden? U zult dan niet alleen tevredener kunnen leven, maar u zult de feiten duidelijker kunnen zien en u zult ‑ juist door uw ogenblikkelijke reactie ‑ ook geestelijk belangrijkere waarden voor uzelf gewinnen.

Minderheden

In deze wereld wordt de mensheid steeds meer gekweld door minderheden. Niemand weet precies wat een minderheid is, behalve dan dat bekend is dat minderheden snel gekwetst zijn. Het is natuurlijk zo dat deze minderheden over het algemeen alleen zichzelf gekwetst achten. Het is voorgekomen dat een neger zich beklaagde en zei: Die rotjood heeft rotneger tegen mij gezegd. Ik zou zeggen dat ze dan allebei even ver waren.
Wat is de functie van een minderheid in de samenleving? Wel, er zijn altijd groepen mensen, die zich qua gedrag, huidskleur, geloof, overtuiging van anderen onderscheiden. Als ze nu in aantal, en meestal ook in invloed, minder zijn dan anderen, dan voelen zij hun eigenwaarde bedreigd. De mens heeft nl. de neiging om zijn eigen overtuiging aan anderen op te leggen. Met dergelijke opleggers reed de beschaving dan meestal ook naar de haaien. Want: ik geloof, dus is het waar, dus moeten anderen deze waarheid aanvaarden. En indien zij dit niet aanvaarden, moet ik hen dwingen dit te aanvaarden want het is de waarheid.
Als je dat in je eentje doet, ben je idioot; dan kom je in het gekkenhuis. Doe je dat met een paar mensen, dan ben je een groepje vreemde lieden. Maar ben je met een redelijk aantal, dan word je een minderheid. En vanaf het ogenblik dat je een minderheid bent, heb je het gevoel dat je wat betekent en wil je je eigen maatstaven aan anderen opleggen. Hoe ver dit gaat, kunt u misschien nog nagaan ais u denkt aan Nederland.
De Katholieken zijn in Nederland niet een absolute meerderheid. Toch hebben deze groepen vaak getracht om t.a.v. zondagsrust, gemengd baden, ja zelfs het gebruik van bepaalde woorden de gemeenschap aan hun denkbeelden te onderwerpen. Ik meen dat we datzelfde kunnen zeggen voor alle andere groepen.
De problematiek van deze minderheden is op het ogenblik langzaam maar zeker internationaal geworden en men heeft niet in de gaten waar ze vandaan komt.
Vroeger waren er stammen. Een stam had zijn eigen gebruiken, zijn eigen gezag en meestal ook nog zijn eigen stamhoofd. Deze groep beschouwde zich als zijnde beter dan ieder andere groep. Men wilde anderen eventueel nog aanvaarden, mits zij zich aan alle gebruiken van de stam wilden onderwerpen en zich de minderen van alle stamgenoten wilden beschouwen.
Toen de stammen langzamerhand plaatsmaakten voor gemeenschappen, zagen we dezelfde mentaliteit komen in dorpen en steden. Een Athener b.v. haalde de neus op voor een Spartaan. En een Spartaan was geneigd om zijn misnoegen over het gedrag van de Athener op Spartaanse wijze te uiten; en dat was meestal tamelijk slagvaardig.
In dorpen ziet u ook hetzelfde. U heeft zelfs nu nog in uw eigen land verschillende dorpsgemeenschappen, die zich van de omgeving proberen af te sluiten, die een volkomen eigen denkwijze, eigen gebruiken hanteren en de buitenstaander met achterdocht beschouwen, om niet te zeggen hem vijandig tegemoet treden. Hier gaat het dus om minderheden die, doordat zij elkaar kennen en een gemeenschappelijke denkwijze en leefwijze hebben, zich bedreigd achten door de rest van de wereld.
Als je te maken krijgt met groepen jongeren, die een eigen denkwijze hebben, dan voelen zij zich al heel snel vervolgd door de rest van de wereld omdat die rest maar niet wil erkennen dat zij het juist weten. En zij weten het evenmin juist als ieder ander. Hierdoor is dit probleem van minderheden steeds sterker geworden. Als ik dat vandaag aansnijd, dan is dat misschien wel omdat we te maken hebben met het optreden van minderheden in heel veel landen.
Zo zien wij het minderheidsprobleem ook optreden in de Ver. Staten. Het is natuurlijk heel aardig om te zeggen dat je daar te maken hebt met een zwarte minderheid, die wordt gediscrimineerd. Dat is volkomen waar. Maar deze minderheid begint zich steeds meer af te sluiten voor de meerderheid. En dat wil zeggen dat er steeds minder begrip komt voor datgene wat voor de gehele gemeenschap nuttig en belangrijk is. Dat impliceert dus ook dat de zwarte minderheden geneigd zijn hun visie ‑ of die juist is of niet ‑ met alle middelen aan anderen op te leggen. En dan krijgen we te maken met die vreemde oproeren.
U denkt misschien dat dit alles is. Wist u dat er in Japan ook minderheden zijn? Er zijn daar boerenminderheden, die zich vaak ‑ tamelijk handtastelijk zelfs ‑ verzetten tegen de industrie en tegen de steden. Er zijn studentengroeperingen, die zich op grond van wat zij ‘als juist’ zien, voortdurend verzetten tegen de bestaande orde of tegen een maatregel daarvan. Elk van die minderheden is ervan overtuigd dat hij gelijk heeft. Wij zijn al heel gauw geneigd te zeggen: Die lui zijn gek. Dat kunt u vanuit uw standpunt denken, maar zij denken dat van zichzelf niet; mogelijk van u maar niet van zichzelf. Zo gaat men dus elkaar benaderen op een manier, die geen blijk geeft van enig begrip of enig respect. Ik geloof dat daar de grote fout ligt.
Je hebt natuurlijk ook gemeenschappen, waarin dat contact wel mogelijk is. Maar in de meeste gevallen vervangt men dit contact door een schijn‑aanvaarding. Er is zo’n staatje in Afrika waar men ook een blanke overheersing heeft en gelijktijdig een blanke minderheid die, juist omdat zij minderheid is, heel erg bang is voor de denkbeelden van een zwarte meerderheid. Daardoor zullen er onvermijdelijk conflicten ontstaan, die voortvloeien uit isolement.
We moeten in de menselijke geschiedenis steeds weer erkennen dat, zodra één groep zich om welke reden dan ook isoleert van andere groepen, zij daardoor gelijktijdig agressiever en meer kwetsbaar worden.
De moeilijkheid in deze tijd is vooral dat nu geen zuiver fysieke kenmerken of omstandigheden de minderheid bijeenhouden. Het zijn meestal geloofsvormen of ideologieën. Indien men maar zou begrijpen dat elk geloof op zichzelf een persoonlijke zekerheid kan zijn, maar dat het gelijktijdig onbewijsbare waarheid is en als zodanig niet aan anderen kan worden opgelegd, dan zou men al veel verder zijn. En indien men zou begrijpen dat alle macht, die men probeert te ontlenen aan het groepsoptreden, zich keert tegen de groep zelf, dan zou men misschien ook wat voorzichtiger zijn.
Hier moeten we proberen wat geestelijke zaken bijeen te brengen. Zoals er minderheden in de stof bestaan, zo blijken die zelfs in de lagere lichtende sferen eveneens aanwezig te zijn. Er zijn bij ons bepaalde delen van Zomerland, waarin vooral heilsoldaten, dominees e.d. plegen samen te komen. Van daaruit wordt ook een soort zending naar de aarde bedreven. Maar dit is in feite een soort spiritistische evangelisatie. Op het ogenblik dat een geest zegt: “Dit is overdreven,” is hij automatisch uit den duivel, uit den boze. Dan moet hij duister zijn, dat kan niet anders. Want deze minderheden ontlenen hun zelfrespect, hun gevoel dat zij die lichtende wereld en sfeer werkelijk hebben verdiend, aan het feit ‑ volgens hun denken dan altijd ‑ dat zij op deze manier geloven en dat zij deze boodschap als de ware zien. Wij zitten dus wat dat betreft nogal eens in het verdomhoekje, want wij proberen te overkoepelen.
Als je bij vele minderheden probeert te overkoepelen, dan is het ongeveer als een ingrijpen in de strijd tussen huisgenoten. Ik heb dat in mijn tijd eens meegemaakt. Er was een feestelijke bijeenkomst ‑ ik meen een doopfeest ‑ bij een boerenfamilie. Ik had daar wat potten en pannen en ander gerief kunnen leveren en genoot mijn brandewijntje met suiker ergens achterop de deel, toen het geschil uitbrak. Ik was toen wijs. Ik zei: Dit is een onderling geschil, waarin niemand zich heeft te mengen en ging weg. Maar de postbode, die tezamen met een landarbeider van een an­dere hoeve langs kwam, zag het anders. Zij probeerden de een of andere achtertante van de een of andere grootvader af te trekken, met het gevolg dat beiden weken nodig hebben gehad om van hun bemiddelingspoging bij te komen.
Als je probeert te bemiddelen, dan heb je ‑ juist als het om minderheden gaat ‑ te maken met een standpunt, waarbij enige edelmoedigheid of erkenning van goede bedoeling praktisch is uitgesloten. Natuurlijk totdat het afgelopen is, want als de slachtoffers geborgen zijn, dan wil men nog wel zeggen: Nu ja, ze hebben het goed bedoeld, maar ze hadden er niet tussen moeten komen.
Dat zien we in de politiek, dat zien we overal. Waarom? Omdat elke minderheid, door het feit dat zij niet in staat is haar zienswijze en wil aan anderen op te leggen, zich buitengewoon kwetsbaar acht en daardoor zeer agressief is. Zij zal proberen eenieder te verdelgen, die probeert haar standpunt, hoe dan ook, iets milder te doen worden. Dit is overigens ook de verklaring voor de wat wonderlijke houding, die in het geschil Israël‑Arabische staten zowel Israël als Egypte voortdurend innemen. Een zeker minderwaardigheidsgevoel maakt het de tegenstanders onmogelijk om tot een vergelijk te komen. Ik geloof dat we daarmee rekening moeten houden.
Indien u hieruit praktische lessen wilt trekken, dan betekent dat in de eerste plaats: Als de familie vecht, bel wel de ambulance, maar kom er niet tussen. In de tweede plaats: Wanneer een minderheid optreedt, argumenteer niet. Blokkeer al datgene wat uw persoonlijke vrijheid zal aantasten, zo goed mogelijk, maar probeer niet hen tot een milder standpunt over te halen. Wilt u zelfmoord plegen, bewijs dan dat zij ongelijk hebben. In de derde plaats: Stoor u niet teveel aan de kreten van de verontwaardigde minderheden. Het is natuurlijk vervelend dat men zegt: ‘een Surinaamse pooier’. Maar er zijn Surinamers, die dit niet zeer eerzame beroep uitoefenen. Het betekent niet dat iedere Surinamer er dergelijke liefhebberijen op na houdt.
Men kan natuurlijk zeggen dat het vervelend is als iemand het heeft over een rotjood. Dat is volkomen waar. Maar laten we eerlijk zijn: er zijn rotjoden. Er zijn rotchristenen ook. Het is geen reden om je daarover zo druk te maken. Janken de gekwetste minderheden, dan zeg je eenvoudig: dat trekt wel bij. Hoe meer aandacht je geeft aan dergelijke protesten, hoe scherper de eisen voortaan zullen worden geformuleerd. Vergeet u dat niet. Het is met elke minderheid als met kinderen, Geef hun het topje van één vinger en voor je het weet hebben ze je al bij allebei de ellebogen. En dan hebben zij het achter uw ellebogen, maar u wordt ervoor aansprakelijk gesteld. Kijk uit!
Het is heel aardig om te beweren dat er goede Duitsers zijn. Maar eigenlijk vind ik het erg gemeen want als je zegt dat er goede Duitsers zijn, bedoel je in feite dat het merendeel niet deugt. Het zo verheffen van een minderheid is echter minder gevaarlijk omdat in een dergelijk geval elke Duitser zich tot deze minderheid pleegt té rekenen.
Wij moeten ons toch even voor ogen stellen hoe het toen is geweest met dat Duitse conflict. We weten dat ook in Duitsland de Partij (N.S.D.A.P.) een minderheid vormde. Binnen deze minderheid was een afgesplitste minderheid, die S.S. werd genoemd. Deze S.S. ging uit van een rassentheorie waarbij de Duitser, en nog wel de Germaan van een bepaald type, het enig werkelijk waardevolle ras was. Omdat deze typen zelfs in het Duitse volk in de minderheid waren, waren ze buitengewoon agressief. Zij waren in staat om hun visie aan eenieder op te leggen omdat de meeste mensen graag horen dat zij beter zijn dan een ander en men daardoor vaak op de koop toe neemt dat enkelen zich dan ook boven hen stellen. Nu je je dat realiseert, kun je begrijpen hoe het mogelijk is geweest dat volk van miljoenen als het Duitse, in feite werd geregeerd door minder dan 50.000 man. Pas in de oorlog werden die aantallen anders. En dat waren geen aantallen, die uit overtuiging ontstonden maar die eigenlijk uit een soort sociale noodzaak voortkwamen.
Minderheden zijn gevaarlijk zodra wij ze respecteren op het ogenblik dat zij zich gekrenkt voelen. Ze. zijn eveneens gevaarlijk, als wij ze onnodig krenken. Indien Hitlers partij de kans had gehad onmiddellijk mee te doen in een parlementair spel, was ze nooit gevaarlijk geworden. Het feit, dat ze deze mogelijkheid niet kreeg en aan alle kanten werd bestreden, bracht haar ertoe zichzelf tot de enige partij te verheffen.
In Nederland is het al precies hetzelfde. We kunnen zeggen dat bepaalde minderheden proberen te domineren. Soms zeggen we: dat zijn ultra linkse of ultra rechtse elementen. Er zijn zelfs weer mensen, die spreken over een joodse hegemonie in bepaalde bedrijven, terwijl anderen het hebben over: het domineren in bepaalde takken van onderneming door kleurlingen en vreemdelingen. Ze hebben allen waarschijnlijk wel enigszins gelijk. Maar op het ogenblik dat wij dergelijke groepen als afzonderlijke groep (dus minderheid) gaan beschouwen, brengen wij hen niet alleen in het defensief, maar tot een heviger agressiviteit tegenover iedereen, die dit onderscheid maakt. Op het ogenblik dat wij als grotere groep of grotere macht in staat zijn een minderheid vrij te laten functioneren, zal ze niet gevaarlijk worden. Ze kan dan voldoende zichzelf zijn en zal ‑ gezien de tolerantie zonder toegeeflijkheid ‑ zichzelf uiten en zich gelijktijdig aanpassen aan het grote patroon.
Je zou kunnen zeggen dat dorpen als Spakenburg wel degelijk deel zijn van de Nederlandse samenleving. Ze zijn ergens wel minderheden met afwijkende gebruiken, zoals ook de Scheveningers. Maar dezen zijn eigenlijk onbelangrijk omdat de grote gemeenschap hen desondanks aanvaardt. Dat is een vreemd verschijnsel. Ik had het over Scheveningers. Wist u dat de Scheveningers tegenover buitenstaanders in het verleden zeer agressief plachten te reageren, tenzij zij kwamen van het Koninklijk Huis? Dat is tegenwoordig veel minder. Waarom? Omdat deze minderheid, die toch wel een eigen instelling heeft, eigen gebruiken zelfs, als deel van een grotere eenheid kan functioneren zonder zichzelf te verliezen. Dit is geen les in sociaal‑politiek. Het gaat om de waarden van de mens.
Geestelijk kunnen wij alleen tot een werkelijke bewustwording komen, indien wij een maximum aan harmonie vanuit onszelf voortdurend mogelijk maken. Voor onze ervaringen is het nodig dat wij een onderscheid kennen tussen onszelf en anderen. Het is tevens nodig dat wij ‑ ongeacht het bestaande onderscheid ‑ een maximum aan harmonie met deze anderen trachten te bereiken zonder ons daarbij aan die anderen volledig prijs te geven. Op deze wijze krijgen wij een zo ruim mogelijk scala van ervaringen, die zowel materieel waardevol als ook geestelijk bijzonder nuttig zijn. Het bepalen van een harmonie in onze sferen t.a.v. wezens, vooral wezens met verschillen en t.a.v. uzelf, betekent het uitbreiden van de bewustwordingsmogelijkheid, het vermogen om uw sfeer a.h.w. groter te maken of, zoals u zegt, hoger te stijgen. Een krampachtig verdedigen van uzelf en uw standpunt tegen alle anderen, waarbij u tevens tracht die anderen aan uw maatstaven te onderwerpen, betekent een verenging van uw mogelijkheden. Dan komt u bij dat groepje in de geest, waarover ik het zo-even had. Dergelijke groepen zijn over het algemeen niet erg gelukkig; ze zijn te beperkt. Zij zullen vaak sneller moeten incarneren en hun geestelijk bestaan zal over het geheel genomen minder bewustwording en lering opleveren dan van de entiteiten, die zeer algemene harmonieën kunnen aanvaarden.
Wij hebben hier een spreker, die pas zeer kort over is. Dat is iemand met zeer specifieke eigenschappen, kwaliteiten en waarderingen. Hij is echter gelijktijdig bereid, zonder zijn eigen maatstaven prijs te geven, die van anderen als mogelijk gelijkwaardig te accepteren. En het is vooral deze eigenschap, geloof ik, die hem in contact heeft gebracht met zeer veel geesten en hem na zeer korte tijd ook de mogelijkheid heeft gegeven tot communicatie met de materie; en misschien mede dank zij die werkzaamheden, naar ik meen, ook reeds tot communicatie met hogere sferen. Toch is die mens, want dat was hij eens, deel geweest van minderheden. Hij is als deel van die minderheid agressief geweest, zodra men zijn rechten aantastte. Maar hij heeft begrepen dat het geen zin heeft van anderen te verlangen dat zij, buiten bewezen feiten, om op grond van veronderstellingen of geloof aanvaarden dat, wat jij zegt, belangrijker is dan wat zij denken.
Ik meen, dat ik daarmee ook duidelijk heb gemaakt dat de minderheid op zichzelf vaak schade kan betekenen voor de bewustwording van allen, die daarvan deel zijn. Kàn, want op het ogenblik dat de minderheid, zichzelf blijvende, kan functioneren als deel van een grotere gemeenschap, blijkt ze vele waarden voor zichzelf te winnen en gelijktijdig aan die gemeenschap bij te dragen.
Ik wil hier herinneren aan de joodse gemeenschap, zoals die vóór de Tweede Wereldoorlog in Nederland heeft bestaan. Een groep, die in zekere zin toch wel enigszins apart bleef. Een groep met eigenschappen en gebruiken, die vaak afweken van de grote gemeenschap. Een minderheid, die echter gelijktijdig bereid was te functioneren samen met de meerderheid, zonder daarbij zichzelf prijs te geven, maar ook zonder zichzelf op te leggen aan anderen. Dat is een van de redenen geweest dat de invloed van de Nederlandse joden op de Nederlandse cultuur zo groot is geweest. Het is, naar ik meen, ook een van de redenen voor het nog steeds bestaan van zeer belangrijke impulsen van Nederland, die uit de joodse minderheid voortkomen.
Op het ogenblik dat de joodse minderheid steeds agressiever wil worden (er is een tijd geweest dat zij daardoor zichzelf reeds geschaad heeft), verbreekt ze gelijktijdig haar verbondenheid, haar harmonie met de meerderheid wat, zowel voor haar als voor die meerderheid, schadelijk zou zijn.
Deze dingen moet u eens overwegen. U zult in uw dagelijks leven steeds weer met minderheden worden geconfronteerd. Zelfs in een gezin zijn er soms kinderen, die zich als een minderheid van één tegenover anderen opstellen. Begrijp dan dat de minderheid recht heeft op zijn eigen wezen, zijn eigen denken en dat met de erkenning van dit wezen en dit denken samenwerking en harmonie zeker niet onmogelijk zijn.
Probeer jezelf niet aan anderen op te leggen. Blijf jezelf en erken het recht van eenieder om zichzelf te zijn.

Fantasie

In mij leeft een rijke wereld, waarin alle erkende mogelijkheden en gedachten worden saamgevlochten tot verhalen, die ondenkbaar schijnen te zijn en waarin uit onbewezen feiten soms opeens zekerheden worden geboren. Fantasie.
Fantasie, niet als een ontwijken van de werkelijkheid, maar als een synthese van de vele niet samenhangende factoren, die de werkelijkheid uitmaken. De ware fantasie brengt het schijnbaar onverenigbare samen en ziet zo nieuwe samenhangen en nieuwe mogelijkheden. Ze is het niet‑redelijke en onbewezen begin van een bewijsvoering, een streven en een bereiking. Daarom is fantasie belangrijk.
Niet wat men te boven gaat, daar hebben wij het heel erg moeilijk om wat te leren. Maar op het ogenblik dat wij die fantasie kennen en gelijktijdig beseffen dat zij op zichzelf geen waarde bezit maar dat haar waarde zit in de nieuwe visie, die zij ons geeft op de werkelijkheid, de bewezen mogelijkheden en feiten, dan brengt zij ons een rijke oogst van mogelijkheden.
Een oogst is niet, zoals men denkt, een proces dat tijdens een ononderbroken groei kan voortgaan. Er is altijd een tijd waarin we oogsten en er is een tijd waarin we zaaien. Als onze fantasie heeft gewerkt en een nieuw besef, een nieuwe waardering in ons is ontstaan, dan komt er een tijd dat we alles hebben uitgewerkt en dan moeten we de resultaten verwerken: oogsten.
Dat betekent niet dat de zaak is afgelopen. Dat betekent: rustpoos. Dat betekent: rijkdom. Maar een rijkdom, die niet kan voortbestaan, als we gelijktijdig weer verder willen gaan met groei. Er moet rust zijn. Een korte of een lange rust. En na die rust, als de feiten in ons bezonken zijn, als we al onze erkenningen en ontdekkingen opnieuw hebben gerangschikt, komt het ogenblik dat we weer dromen van een samenhang tussen de dingen, die we nog niet kennen als een eenheid.
Dan komt het ogenblik, dat onze fantasie eenheden opbouwt en uit deze droom een synthese van werkelijke mogelijkheden voor ons bereikbaar maakt.