Vorming van geestelijke centra

image_pdf

10 november 1961

Allereerst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Verder vraag ik uw aandacht voor het onderwerp van deze bijeenkomst: Vorming van geestelijke centra.

In een tijd als de huidige is het onvermijdelijk, dat, juist waar een geestelijke hervorming zich af moet spelen, vele geestelijke groeperingen van diverse pluimage zich gaan vormen. Aan deze groeperingen een bepaalde richting te geven is betrekkelijk moeilijk, zoal niet onmogelijk. Om toch te komen tot een redelijke hernieuwing van het menselijke denken, worden daarom over geheel de wereld zogenaamde geestelijke centra opgericht, die – soms door propaganda naar buiten toe, soms hoofdzakelijk door het uitzenden van gedachten – een grote invloed op hun omgeving kunnen uitoefenen. Dergelijke centra bestaan over het algemeen uit een kleinere groep meer bewuste mensen onder leiding van een ingewijde. Zij worden eventueel omringd door een grotere groep mensen, die een bepaalde gedachtegang aanhangen, doch nog geen voldoende inzicht hebben om aan de taak van het centrum geheel bewust deel te nemen.

De vorm, die een dergelijk centrum aan kan nemen, is niet vast te leggen. Een dergelijke groep kan evengoed gecentreerd zijn in een klooster als in een club. Wij kunnen dergelijke groepen evengoed in een vakvereniging als in een universiteit geborgen vinden. Het is dan ook niet mogelijk – op grond van de uiterlijke vorm of verschijnselen – het aanwezig zijn van een geestelijk centrum vast te stellen. Wel zullen deze centra kenbaar zijn door hun activiteit. Deze omvat onder meer het uitzenden van geconcentreerde gedachten, het strijden voor juiste voorlichting en waarheid, terwijl alles, wat verwarring kan veroorzaken, of tot bedrog kan leiden, direct wordt bestreden. Vooral de groepen, die meer in het openbaar optreden, zullen hierdoor vaak in conflict komen met de autoriteiten. Deze conflicten voeren soms tot vervolgingen, terwijl in vele gevallen in juridisch en sociaal opzicht eigenaardige gebeurtenissen met deze vervolgingen gepaard gaan. Toch is deze strijd noodzakelijk. De poging de mensheid duidelijk te maken, in welke toestand de wereld feitelijk zich bevindt en welke gevaren haar feitelijk bedreigen, wordt van het hoogste belang geacht.

Ten tweede zijn deze groepen herkenbaar door de sfeer van rust en vertrouwen, die zij rond zich weten te scheppen. Dergelijke groepen lijden niet onder angst voor de toekomst. Dit is vooral te danken aan het feit, dat de kring van de meer bewusten en de ingewijde leiders daarvan weten – of aanvoelen – dat alles wat geschiedt, in overeenstemming is met de kosmische orde, zodat daaruit alleen goed kan voortkomen voor hen, die werkelijk het goede zoeken. Hun gedachtegang is hierdoor rustgevend, terwijl om dezelfde reden van grote felheid bij deze groepen nooit sprake is. Wanneer u dus te maken krijgt met groepen, die ijverig trachten proselieten te maken en steeds weer anderen aanvallen, mag u er zeker van zijn, dat zij niet tot dergelijke geestelijke centra en hun omringende organisaties kunnen worden gerekend.

De eigen activiteit van de geestelijke centra valt uiteen in meer ethische, meer esoterische en meer sociale bestrevingen. Sociaal gezien tracht men een mogelijkheid tot scholing te scheppen, waarbij de mens vrijwillig verantwoordelijkheid voor zijn medemensen, voor bepaalde groepen, aanvaardt. Door het volbrengen van deze zelf opgelegde taak wint men niet slechts ervaring, maar is men tevens in staat degenen, die tot de taak behoren, verder te helpen en zich op de meest juiste wijze binnen de nieuwe tijd te doen oriënteren. De sociale taken omvatten evengoed facetten van de sociale verzorging, onderlinge bijstand, en hulp als activiteiten waardoor een bijzondere scholing mogelijk wordt gemaakt.

Daarnaast komt het pogen de menselijke ethiek en moraal te herzien, en verouderde waarden in een nieuw licht te stellen, waardoor een aanpassing aan de nieuwe tijd en mogelijkheden bevorderd wordt. De nadruk wordt hierbij steeds weer gelegd op moderne mogelijkheden en middelen, terwijl men verder uitgaat van de ogenblikkelijk bestaande behoeften en noden. Van daaruit wordt een begrip omtrent moraal en ethiek opgebouwd, dat in vele opzichten strijdig lijkt te zijn met de nu gangbare stellingen. Desondanks vinden deze inzichten en opvattingen vooral bij de massa en in het bijzonder bij de jongeren steeds meer begrip. De pogingen om de mens de werkelijkheid te doen beseffen en ook eigen dwaasheden te doen beseffen, kunnen van buitengewoon groot belang zijn, omdat de mens een ander begrip van de waarden van het menselijk bestaan verwerft en daardoor op een andere wijze mens is. Men zal zich als gevolg hiervan op den duur ten opzichte van de medemensen, zowel als andere medeschepselen, op een meer verantwoorde wijze gaan gedragen.

Het esoterisch inzicht, streven en onderricht binnen deze groepen is op het ogenblik hoofdzakelijk op het verwerven van harmonie gericht. Men gaat daarbij van de stelling uit, dat binnen zo kort mogelijke tijd een zo groot mogelijke harmonie tussen zoveel mogelijk verschillende groepen, entiteiten enz. bereikt moet worden. Hoe groter deze harmonie is, hoe groter ook de mogelijkheden zullen worden tot feitelijke samenwerking, hoe groter ook de mogelijkheid om zonder vernietiging en strijd tot een werkelijke vernieuwing te komen. De nadruk wordt hierbij vooral op de innerlijke ontwikkeling gelegd, omdat de mens slechts in zichzelf kan ontdekken, met welke groepen en waarden hij waarlijk harmonisch kan zijn. Elke mens is beperkt. Door deze beperking kan hij niet op elk terrein eenzelfde mogelijkheid tot harmonische samenwerking vinden. De mens wordt esoterisch geschoold, om daar waarvoor hem inderdaad goede en harmonische mogelijkheden tot ontwikkeling en samenwerking gelegen zijn, actief te zijn, terwijl dezelfde mens vanaf dit ogenblik, krachtens innerlijk erkennen, alle gebieden, waarop geen werkelijke harmonie bereikbaar is, leert terzijde te laten.

Het resultaat is, dat grotere innerlijke kracht wordt bereikt en een grotere en meer intense samenwerking, zelfs van groepen, die elkaar in de stof niet kennen, bereikbaar wordt.

Genoemde geestelijke centra zijn op het ogenblik nog niet bestemd tot verbreiding van de nieuwe leer. De nieuwe leraar en zijn leringen zijn op het ogenblik van het allergrootste belang, dit is inderdaad waar. Maar juist in deze overgangsperiode is het belangrijk, dat de grondslagen van zijn leer tot de mensheid doordringen, dan dat een volledige uitwerking van zijn leer en een verkondiging daarvan plaats vindt. Dit laatste zou immers grotere strijd betekenen en mede daardoor de oorzaak kunnen zijn, dat weer een nieuwe vorm van godsdienst ontstaat. Gezien de omstandigheden, de eigen werken van Aquarius, is dit niet gewenst. Hiermee is dan in het kort het zijn en werken van de geestelijke centra geschetst.

Het blijkt, dat veel van wat de mensheid op het ogenblik beheerst, niet direct redelijk is en zelfs in vele gevallen niet tot aanwijsbare en stoffelijke oorzaken herleid kan worden. Een zeer groot aantal mensen is, bewust of halfbewust, op het ogenblik het slachtoffer van een drijven , dat hen vanuit astraal gebied, of soms zelfs vanuit bepaalde hogere en lagere geestelijke sferen, bereikt. Hierdoor zal een groot deel van het menselijke handelen bij nadere beschouwing, volgens stoffelijke normen, irrationeel lijken. Een mens die deze drang in zich niet erkent en zich blijft baseren op redelijke normen voor zich en anderen, zou daardoor grote fouten kunnen maken en zich steeds weer misrekenen. Een geestelijk centrum moet daarom trachten mensen, die zo denken, te heroriënteren en hen tot een groter begrip en groter innerlijke perfectie weten te brengen. Daarbij is het belangrijk, dat de mensen een aanpassing en begrip vinden voor de bestaande drijfveren. Gezien het feit, dat een groot deel van deze geestelijke centra op het ogenblik – hetzij in opbouw, hetzij eerst in kleinere vorm – voltooid is, moet er rekening mee worden gehouden, dat zeer vele mensen op het ogenblik langs hoofdzakelijk geestelijke weg benaderd worden en langs geestelijke weg contact opnemen met deze groepen. Dit heeft niets te maken met eventueel stoffelijke bindingen of stoffelijke bestaande vrijheden. Het is vaak zelfs stoffelijk niet geheel omschrijfbaar of realiseerbaar.

Degenen, die dit contact ervaren, zullen zich in vele gevallen voelen als een spin in een web. Het is, alsof van alle kanten ongekende – of in bron niet na te gane – signalen hen bereiken, zo hun eigen richting van denken en eigen wijze van handelen mede beïnvloedende. Degenen, die dit gevoel ondergaan, zullen zich op het ogenblik hoofdzakelijk in zichzelf moeten keren. De motiveringen, die vanuit een dergelijk geestelijk centrum gegeven worden, zijn voor de doorsnee mens inderdaad wel aanvaardbaar. Maar om ten volle één te kunnen zijn met een dergelijke groep, zal men ook in zichzelf bewust moeten zijn van Lichtende krachten en alles, wat daarmee in verband staat.

De zending, die op een dergelijke wijze vervuld kan worden, brengt wederom enkele eigenaardige aspecten met zich. In de eerste plaats zullen degenen, die bewust, halfbewust, of zelfs in feite onbewust, onder de invloed van een dergelijk geestelijk centrum staan, op hun weg mensen, leerstof, boeken en belevingen ontmoeten, die het hen mogelijk maken zich juister in deze tijd te oriënteren en aan anderen een steeds doelmatiger hulp te verlenen. In vele gevallen zullen zij zich geïnspireerd voelen en in staat zijn daden te volbrengen, die volgens de redelijke norm buiten hun bereik zouden liggen. Hun lichamelijke kracht, verstandelijk vermogen, zowel als de geestelijke kracht, de uitstraling van fluïde enz. wordt – zij het soms wel zeer beperkt en tijdelijk – verhoogd, en maakt het hen mogelijk effectief in te grijpen, waar dit werkelijk noodzakelijk is.

Degenen, die zich niet, of slechts half, bewust zijn van alles, wat plaats vindt, zullen deel hebben aan de taakvervulling van het geestelijk centrum, zonder de consequenties van hun daden of het doel van hun schijnbaar impulsief optreden te kunnen overzien. Het is mogelijk om, door een enkele mens een nieuw inzicht te geven, de levensloop van een groot aantal mensen aanmerkelijk te veranderen. Eén gebeurtenis, die slechts een enkele persoon lijkt te treffen, kan zelfs uitwerkingen hebben, die internationaal zijn en dus in meerdere landen bepaalde wijzigingen veroorzaken. Door deel te hebben aan het werk van een geestelijk centrum kun je – vooral wanneer je je hiervan niet geheel bewust bent – vaak allerhande onverwachte dingen tot stand brengen. Je zegt iets wat je helemaal niet zo meent. Dit wordt, volgens je eigen inzicht, geheel verkeerd begrepen. Toch wordt juist op deze wijze daardoor een begerenswaardige en belangrijke reactie bij anderen veroorzaakt. Je begint met een eenvoudige opmerking te maken en voor je het weet, zit je leringen te geven over mogelijkheden en omstandigheden waarvan je zelf weinig of niets meende te weten. Maar zo zeg of doe je iets, dat toch wel zeer noodzakelijk was. Je meent bijvoorbeeld, dat je een beetje kunt magnetiseren. Opeens lijkt het haast, of je wonderen kunt verrichten. Dit duurt misschien maar kort, maar maakt het mogelijk belangrijke en noodzakelijke impulsen te geven aan anderen.

Dit zijn slechts enkele van de mogelijke verschijnselen. Daarnaast zal men zich aangetrokken voelen – niet tot het geestelijke centrum, zoals u misschien verwacht – tot groepen, die behoefte hebben aan geestelijke hulp, bijstand, enz.. Daardoor komt men in contact met personen, die voor het ik buitengewoon belangrijk schijnen. Na korte tijd blijkt, dat deze personen weer uit eigen bereik verdwijnen. Men meent dan, dat er sprake is van een mislukking, of van een te kort schieten. In feite heeft men het belangrijkste volbracht, dat maar te volbrengen is: Men heeft de richting van een mensenleven zo gewijzigd, dat het meer harmonisch wordt met de nieuwe tijd. In maatschappelijk opzicht zal men daardoor ook vaak voor vreemde situaties komen te staan. Voorbeeld: Men is gewend om regelmatig te werken. Op een bepaalde dag kan of wil men opeens niet meer werken. Men breekt voor een ogenblik uit de bestaande sleur uit en komt via iets, wat ontspanning moest zijn, tot het brengen van Licht en inzicht aan een ander. Degene, die tot deze werkzaamheid met een geestelijk centrum komt, bemerkt vanzelf wel, welke mogelijkheden en consequenties daarmee verbonden zijn.

Een ander aspect van de vorming van deze geestelijke centra is het feit, dat men, wanneer dit voor geestelijke arbeid noodzakelijk is, steeds weer hulp zal krijgen van de meest onverwachte zijde. Een mens die vertrouwen heeft en voldoende juist is ingesteld, zal deze hulp verwerven, zelfs wanneer hij niet onmiddellijk met een geestelijk centrum op bewuste of minder bewuste wijze in contact staat. Deze hulp komt niet altijd op ogenblikken, dat men meent deze te mogen verwachten, maar is altijd aanwezig, wanneer het om werkelijk belangrijke zaken gaat.

Wanneer men innerlijk streeft naar geestelijke harmonie, is de mogelijkheid zeer groot, dat men zich in toenemende mate sterk gebonden zal voelen met allerhande machten en krachten buiten het ik. Men heeft opeens het gevoel, dat men bij bepaalde mensen of groepen behoort, dat bepaalde handelingen een noodzakelijk deel van eigen leven en werken vormen. Men kan dit gevoel niet verklaren, doch voelt ergens op de achtergrond, dat het nu noodzakelijk is, dat het nu de juiste tijd daarvoor is. Wanneer zo iets opkomt, is dit eveneens het bewijs, dat geestelijke krachten werkzaam zijn.

U ziet, dat het belang van deze centra niet mag worden onderschat. Denk nu niet, dat deze centra direct leiding geven aan het wereldgebeuren. Eerder doen zij dienst als richtinggevende factoren voor de individuele mens, waardoor niet alleen de eenling maar ook het strijdelement in de maatschappij in een bepaalde richting gedreven wordt. Omwentelingen, die direct kenbaar zijn, kunnen in het leven van een privé persoon alleen verwacht worden aan de hand van de activiteiten van een dergelijk centrum, wanneer zij een sterk geestelijke, of zelfs geheel geestelijke achtergrond hebben. Zuiver stoffelijke omwentelingen worden door deze centra niet veroorzaakt. Zij zijn niet revolutionair. De leden van een dergelijk centrum zijn dan ook niet geneigd te gaan staken, op de Laan van Meerdervoort te gaan liggen, of andere meer spectaculaire ingrepen te verrichten. De leden van deze groepen zijn in hun gedrag tegenover de buitenwereld altijd rustig en stil. Zij werken haast onopgemerkt. Hetgeen zij volbrengen is ook stoffelijk van buitengewoon groot belang.

  • Is het mogelijk, dat men door een dergelijke werking juist beïnvloed wordt om van mensen weg te blijven?

Ook dit is mogelijk. Wanneer u in het leven van een ander een storende invloed vormt en zo diens juiste aanpassing aan de nieuwe tijd zou kunnen schaden, is het zeer wel mogelijk, dat men gedreven wordt tot een wegblijven en er niet meer toe komt met de betrokken personen contact op te nemen, zelfs al is daarvoor geen stoffelijke aanleiding of verontschuldiging te vinden.

  • U stelt, dat het vormen van een nieuwe godsdienst niet in overeenstemming is met de geest van Aquarius. Waarom niet?

Wanneer een mens, zijn God dient doet hij dit door te leven, te denken en te streven op de juiste manier. Zodra een mens een godsdienst sticht, gaat hij anderen ertoe brengen zijn eigen zienswijzen, wijze van leven en denken als alleen juist te aanvaarden. Hij is dan al snel zo druk bezig met het ten goede leiden van anderen dat hij zelf niet meer tot het juiste streven komt. Zo ontstaat een sterke vertekening. In de godsdienst blijft dan maar zeer weinig van de geestelijke inhoud, leer en levenswijze in de praktijk over.

Vergelijkend voorbeeld: Jezus brengt een leer van naastenliefde, verdraagzaamheid enz. De christenen hebben als gemeenschap vele honderden jaren niets anders gedaan als onderling strijden, vechten met de heidenen, of heidenen gedwongen om christen te worden, of zij nu kunnen en willen of niet. Dit gaat tegen de leer van Jezus in. Het zal u duidelijk zijn, dat er geen enkele behoefte bestaat aan een dergelijke verminking en vermenselijking van alles wat in deze dagen wordt gebracht. Denk niet, dat ik iets tegen de christelijke leer en het christendom heb. In vele kerken vinden wij veel goeds en veel moois; de leer zelf is schitterend, maar het geheel beantwoordt niet meer aan Jezus leer. Het is niet waarlijk christelijk meer, maar menselijk in opzet en opvatting. Wanneer het menselijke aspect en de leer met elkaar verward worden, iets wat vaak gebeurt, ontstaan er wantoestanden.

In Aquarius, die zich tegen alle schotjesgeest en tegen elke binding richt die niet geheel bewust en vrijwillig door de mens aanvaard wordt, zou een nieuwe godsdienst alleen een onnut en schadelijk iets kunnen zijn, iets dat veel meer verwarring en veel meer geestelijke en zelfs stoffelijke bindingen tegen de eigen wil van de mens in zou veroorzaken, dan aanvaardbaar is.

  • Is er geen weg terug naar de sfeer van de Bergrede?

Er is geen weg terug naar de sfeer van de Bergrede, omdat de sfeer van de Bergrede, zowel hetgeen toen geuit is als de achtergronden ervan, een eeuwige en eeuwig werkelijke waarde inhoudt, die niet van tijdsverschijnselen afhankelijk is. Binnen alle tijd kan de Bergrede met haar inhoud en leringen door elke goedwillende mens, in haar geheel erkend worden en beleefd worden. Dit zal altijd weer het geval zijn voor degenen, die daar voor rijp zijn. Geen weg terug dus. Wat in de Bergrede werd gesteld, is ook in deze dagen nog volledig van kracht.

  • Hoe moeten wij deze geestelijke centra zien?

Als punten van geestelijke kracht, waarin een hoger bewustzijn bestaat, of mogelijk wordt. Vanuit deze punten tracht men de mensheid de aanpassing aan de nieuwe tijd eenvoudiger en gemakkelijker te maken. Er zijn, juist in dagen als deze, zeer verreikende bindingen met andere sferen mogelijk. Dit betekent, dat contact met zeer hoge sferen voor mensen op uw wereld niet uitgesloten is en geen uitzondering meer hoeft te vormen. Dat is natuurlijk ten dele afhankelijk van de wijze, waarop de mensheid denkt, en de sfeer, die er rond de aarde hangt. Grotendeels is de mogelijkheid om contact met een hogere sfeer te verkrijgen van de mens zelf afhankelijk. In het verder schrijden van de tijd wordt de mogelijkheid, dat ook de hoogste krachten zich binnen een bepaalde mens uitstorten en deze mens bezielen, hem nieuwe mogelijkheden gevende, steeds groter. Het verwerven van een eenheid met het hogere is in de eerste plaats weer van de mens zelf afhankelijk. Er is een bepaalde hoeveelheid zelfstandigheid in het denken voor noodzakelijk. Meer nog is het noodzakelijk, dat men het vermogen bezit tot aanvoelen en ondergaan.

Wij zouden misschien menen, dat een contact met de hoogste geestelijke sferen alleen binnen genoemde geestelijke centra mogelijk is. Dit punt moet ik echter bestrijden. Wanneer lichtende krachten en wezens uit hogere lichtende sferen in een periode als de huidige de aarde benaderen, zal elke mens, die voldoende met deze hogere krachten en sferen harmonisch is en zal zijn, ook in staat zijn daarvan iets zelf te ervaren, iets daarvan in zichzelf op te nemen en kenbaar vanuit zich in de wereld te doen blijken. Wij kunnen verwachten, dat zeer vele mensen, die in zich voldoende vrij, rustig, besloten en sterk zijn, dankzij hun bidden, mediteren, werken en streven, een directe openbaring van lichtende waarheid zullen mogen ondergaan. Wanneer dit binnen hen plaats vindt, is het zeer waarschijnlijk, dat zij – mede daardoor – deel zullen gaan hebben aan het werk van een geestelijk centrum. Wij mogen deze dingen niet met elkaar verwarren.

Het werken met een geestelijk centrum is geen voorwaarde voor het ontvangen van de lichtende krachten. De vraag, hoe een voldoende instelling en innerlijke harmonie bereikt kan worden, is in menselijke woorden zeer moeilijk te beantwoorden. Evengoed zou u een boom kunnen vragen, hoe het komt, dat de traag stromende sappen reeds nu, terwijl de bladeren nog vallen, reeds het ontstaan van nieuwe bladeren voorbereiden. De boom, zo zij al zou kunnen spreken, zou u daarover weinig kunnen meedelen. Het is nu eenmaal een deel van haar wezen.

Wel zal zij u kunnen meedelen, dat er tijden zijn van sapdrift. Er is een periode, dat alles binnen de boom werkt, klopt en groeit; een tijd, dat de boom innerlijk een nieuw gebeuren ondergaat.

Daaruit komen dan bloei en nieuwe groei voort. “Ik ben een boom, daarom is het zo: Daarom breng ik bepaalde bloesems en bepaalde bladeren voort”, zal de boom er aan toevoegen. Voor de mens is het ongeveer gelijk. De innerlijke harmonie komt in de eerste plaats wel voort uit zijn levensaanvaarding. Men moet de wereld aanvaarden, zoals zij is, zonder verwerpen, zonder angst, zonder haat.

Men dient in de wereld, die zo aanvaard wordt, altijd weer te trachten het lichtende en het goede naar voren te brengen. Dit gaat vaak moeilijk. Soms is het zelfs zeer moeilijk om rechtstreeks, volgens eigen bewustzijn, te handelen. Wanneer men dit doet, zelfs indien dit alles traag gaat en zonder op het ogenblik reeds kenbare resultaten, zal er een ogenblik zijn, dat – zonder dat men precies weet hoe – al deze waarden binnen het ik actief worden. Daardoor behaalt men opeens buiten zich meer resultaten, men beschikt over meer levenslust en veerkracht. Het schijnt alles op een natuurlijke weg te geschieden en een bijzondere reden is daarvoor vaak niet te geven.

Toch zijn het deze ogenblikken van plotselinge veerkracht en innerlijke zowel als uiterlijke activiteit, waarin het contact met hogere sferen tot stand kan komen en zelfs bewust beleefd kan worden. Let wel: Bewust beleefd kan worden. Dit is belangrijk. Wanneer je geen verzet hebt tegen de kosmos en dus komt tot een absolute en onvoorwaardelijke aanvaarding, kun je al zeer veel van het Goddelijke ondergaan.

Om het bewust te kunnen ondergaan – en zelfs enigszins te kunnen omschrijven – heeft men kennis nodig. Deze kennis wordt alleen verkregen door belevingen, door wat de mens vaak in zijn verzet tegen zijn wezen en wereld, strijd en worsteling noemt. Wanneer er een voldoende kennis is verkregen, terwijl een voldoende overgave aan de wereld bestaat, gepaard gaande met een voldoende eigen activiteit, is men in overeenstemming met de inwerkingen van de huidige kosmische heerser. Deze heerser draagt in zich op het ogenblik een zeer grote eenheid en samenwerking van in wezen zeer differente sferen, invloedgebieden en zelfs kosmische krachten en heersers, wier hoofdinvloeden op geheel andere terreinen dan de wereld van de mensen liggen.

Deze eenheid komt op deze wijze zelden voor: Ongeveer eens in de 10.000 jaar. Op het ogenblik is deze eenheid komende; zij is ten dele reeds nu werkelijk geworden, andere harmonieën zullen binnen korte tijd bereikt worden. De heerser Aquarius eist activiteiten. Niet actief zijn in deze dagen, niet zelfstandig willen besluiten en handelen, niet het goede zoeken door zelf iets te doen, betekent voor Aquarius negatief zijn. Ongeacht het terrein, waarop men positief streeft, handelt en werkt, zal Aquarius dit positief ervaren en als zodanig ook positief beïnvloeden, zolang het niet alleen op eigen wezen, genoegen, voldoening e.d. gericht is. Altruïsme is tot op zekere hoogte een voorwaarde voor het bereiken van harmonie in deze dagen.

Het contact met de hoge sferen zou de mens een soort schok kunnen geven, een zeer grote verandering, innerlijk en ook in het stof-leven. Het is dan, of men opeens anders geworden is en ook de wereld geheel anders ziet. Wanneer dit gebeurt – niet “als”, geen voorwaardelijke bepaling, maar “wanneer”, de tijd waarop dit gebeurt – betekent dit voor de mensen, die dit bereiken, de mogelijkheid direct deel te hebben in de taak, die ook door de centra op aarde vervuld wordt, terwijl zij daarbij bovendien de mogelijkheid hebben een directe inwijding te ondergaan. Een dergelijke inwijding zal veel omvatten, wat op het ogenblik magisch of occult wordt genoemd. Zij betekent een vergroting van eigen mogelijkheden t.o.v. alle materie en een bepaald deel van de geest. Daarnaast betekent een dergelijke inwijding een aanmerkelijke vergroting van kennis omtrent de werelden van de geest en het verwerven van gezag over een deel van de geest, dat in bewustzijn beneden het door de ingewijde bereikte punt ligt.

Daarnaast vloeit hieruit voort, dat men een juister besef heeft van eigen verantwoordelijkheden en eigen aansprakelijkheid, zowel tegenover lager leven als ten overstaan van gelijken.

Degenen, die deze inwijding doormaken, moeten niet denken dat dit alles eenvoudig en gemakkelijk zal zijn. In vele gevallen zal het hen lijken, alsof zij zich in een doolhof bevinden en geen uitweg meer zien; in andere gevallen lijkt het eerder, of men tegenover een blinde muur komt te staan, waarin geen poort is, zodat alle mogelijkheid tot verdergaan is afgesneden. Voor wie niet aarzelt, maar handelt, zal blijken, dat dit alleen een drogbeeld is. De doolhof is geen werkelijke doolhof en de muur is geen werkelijke muur. Zij komen uit eigen denken voort. Eén van de taken, die door de geestelijke centra wordt aanvaard, is wel de mensen te wijzen op deze schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden. Veel van het onaanvaardbare, veel van de moeilijkheden, die op dit ogenblik in de wereld der mensen bestaan, ook ten aanzien van de geestelijke bewustwording, komen immers niet uit feitelijke omstandigheden voort, maar zijn het gevolg van menselijk denken, menselijk vooroordeel en menselijke eenzijdigheid.

Kortom: veel van wat in deze wereld onaanvaardbaar en verkeerd lijkt, is alleen het gevolg van de weigering bij de doorsnee mens de werkelijke omstandigheden als feiten te aanvaarden. In vele gevallen blijkt, dat de muur, die men niet meent te kunnen doorbreken, slechts een rookgordijn is, dat men zelf heeft gelegd. De doolhof, waarin de mens zoekt naar geestelijke waarheid en besef omtrent de werkelijkheid, evenals magisch vermogen e.d., is niets anders dan een verdoold zijn in eigen denken. Want de mens weigert nu eenmaal meestal voor waar of belangrijk aanvaarde totems en taboe’s terzijde te stellen.

Ten laatste nog het volgende: men dient wel te beseffen, dat men zelf geen beroep kan doen op een geestelijk centrum. Het zal vaak zeer moeilijk, zoal onmogelijk zijn, om te constateren, of er zich een in de nabijheid bevindt. U moet niet verwachten, dat u van buitenaf hulp zal worden gegeven. Men dient uit te gaan van de stelling, dat men zelf zichzelf moet behelpen. Wanneer men dit op een harmonische wijze doet, zal men alle noodzakelijke hulp en bijstand verkrijgen.

Dit is afhankelijk van eigen instelling. Slechts de mens, die de juiste instelling heeft gevonden in het leven en vanuit zichzelf tracht te handelen, volgens hetgeen hij als waar ziet, zal de hulp verkrijgen, het bestaan van geestelijke centra kunnen ervaren en zelfs mee kunnen maken, dat deze groepen actief in zijn leven ingrijpen.

Denk niet, dat het nu eenvoudig is geworden om goed te zijn, dat men alleen maar een paar daden heeft te stellen om onmiddellijk de juiste en gewenste gevolgen te zien als resultaat van een ingrijpen door anderen. U moet overlegd handelen. Daarbij dient u rekening te houden met de mensen, die rond u zijn. Alles, wat een directe schade voor anderen betekent, dan wel een vergroting van aansprakelijkheid of levensmoeilijkheden voor anderen inhoudt, kan slechts volbracht worden, wanneer men in staat is daarvoor een meer dan voldoende compensatie te bieden vanuit huidige middelen en mogelijkheden. Alles, wat ingaat tegen algemeen aanvaarde, dus heersende, begrippen, doch innerlijk noodzakelijk lijkt, mag worden volbracht, mits men zelf daarbij geen enkel gevoel van schuld ervaart en anderen geen schade berokkent, of anderen een voorbeeld geeft, waardoor zij in verwarring zouden kunnen geraken.

Dus, vrienden, wij moeten altijd weer zelfstandig handelen, juist in deze dagen. Alleen vanuit uzelf is het mogelijk een begin te vinden, een eerste harmonische werking te bereiken. De groot kosmische krachten, zoals geuit in het werken van verschillende kosmische heersers, zijn op het ogenblik de aarde nabij. Wanneer zij zich – waarschijnlijk binnen de geestelijke centra gemakkelijker en eerder dan door anderen – manifesteren, is er geen enkele mens op den duur uitgezonderd van een contact met hen. Ieder kan tot een verinnerlijking komen en tot het bereiken van de juiste instelling in het leven. Deze instelling houdt ook op het ogenblik in, dat u zich geen zorgen maakt over de radioactiviteit, omdat deze buiten uw beheersing valt, u op het ogenblik niet werkelijk bedreigt, terwijl zelfs een inwerking van deze straling voor u op het ogenblik van betrekkelijk weinig belang is in vergelijking tot alle andere mogelijkheden. Wel is belangrijk, dat u beseft, dat hierdoor een lijden van anderen ontstaat, dat u zult moeten helpen bestrijden en delgen. Deze verplichting hebt u ook, wanneer u aan het ontstaan van het lijden geen enkele schuld hebt.

Het is belangrijk, dat u beseft, dat er op het ogenblik in de wereld een mentaliteit heerst, die niet aanvaardbaar is, zodat u deze zult moeten bestrijden met woord en daad, waar dit mogelijk is.

Verder is het uw plicht deze mentaliteit te bestrijden door concentratie van gedachten en het uitzenden van gedachtekracht. Belangrijk is verder, dat u tracht tussen alle tegenstelling de brug van uw gedachten te slaan en met een steeds grotere intensiteit tracht die rond u te scheppen metterdaad, terwijl u door uw gedachten hetzelfde tracht te bereiken, wáár uw gedachten ook maar enige harmonie vinden.

Het scheppen van harmonie is een van de belangrijkste factoren in deze dagen. Ook de geestelijke centra houden zich daarmee bezig. Degene, die op eigen krachten hetzelfde tracht te doen, zal daardoor de juiste leiding, de juiste inspiratie ook wel degelijk kunnen ontvangen.

Aarzel niet, wees niet terughoudend in deze dagen. Er is daarvoor geen tijd meer. Handel beslist. Wanneer u meent, dat het verantwoord is en het blijkt later, dat uw handelen een fout was, is dit niet zo erg als daadloos te blijven. Een van de meest negatieve werkingen van deze tijd komt voort uit het feit, dat menigeen wel meent te moeten handelen, maar uit angst een fout te begaan, werkeloos blijft toezien. In al uw activiteiten, stoffelijk zowel als geestelijk, dient u zich steeds weer te beroepen op de geest van deze tijd en de invloeden, die de aarde nabij komen. U zult niet altijd kunnen slagen. In vele gevallen zult u menen te mislukken. Troost u. In vele gevallen zullen uw mislukkingen even belangrijk en goed zijn als de pogingen, die uzelf wel geslaagd acht.

Het gaat er op het ogenblik niet om, wat u bent, wat u beleeft, wat u doormaakt, het gaat er alleen om, wat in deze dagen van de wereld gemaakt kan worden. Het contact met de Hoogste Sferen, dat steeds dichterbij komt, de medewerking en steun ook, die vanuit de geestelijke centra en zelfs vanuit de grote Broederschap wordt gegeven, waar dit maar mogelijk is, maken het voor ieder van u en met u voor bijna alle mensen, reeds heden mogelijk een nieuwe wijze van leven, denken en handelen, te vinden en te aanvaarden. Ik hoop, dat u uit het voorgaande niet alleen lering, maar ook consequenties zult trekken.

In het tweede gedeelte kunt u luisteren naar een verhandeling, die eveneens met het ogenblikkelijke gebeuren op aarde in verband staat, terwijl daarbij mede geput zal worden uit de nieuwe openbaringen en leer op aarde.

De Nieuwe Leer

In de tijd, die op het ogenblik tot zijn ontwikkeling komt, is een nieuwe leer gebracht, en wordt – zelfs op dit ogenblik nog – voor de mensheid verder ontwikkeld en in woorden omgezet. In dit tweede deel van uw bijeenkomst zou ik gaarne een ogenblik uw aandacht hiervoor vragen.

Een nieuwe leer kan op aarde eigenlijk niet bestaan. Werkelijk nieuw is geen enkele gedachte, geen enkele daad, geen enkele gebeurtenis. In het groot-Goddelijke, de scheppende Kracht en de scheppende Wil zelf, is alles immers al aanwezig en is alles reeds geschiedt. Waar in het begin van de mensheid Lichtende krachten de eerste mensen geleid hebben tot bewustzijn, tot het begin van een zelfstandig leven, zijn de leringen, die in deze dagen worden gebracht, zowel als vele leringen der oudheid, in wezen reeds in den beginne aan de mens gegeven. Het verschil ligt hoofdzakelijk in de formulering en de wijze, waarop eeuwige waarheden worden aangepast aan een bepaalde tijd, de mentaliteit en de beperkte ontwikkeling van de mens in de dagen van de verkondiging. Daarom is de leer, die in deze dagen wordt gebracht, gebaseerd op oude waarden. Zij is in haar wijze van verkondiging gebaseerd op een mens, die in een geïndustrialiseerde maatschappij leeft. Er moet ook binnen een leer wel gesproken worden over een fabriek en een machine, in dagen dat deze voor de doorsnee mens zo belangrijk zijn. Om dezelfde reden moet er gesproken worden over kerk en politiek. Want de doorsnee mens houdt zich op zijn wijze daarmee bezig. Deze dingen tekenen de maatschappij waarin u leeft.

De kern van de nieuwe leer is eenvoudig: Alles berust ook hierin op de aanvaarding van een kosmische liefde. Wie deze kosmische liefde in zich ervaart en door zich tot uiting brengt, is in harmonie met de scheppende Kracht Zelf en zal, zowel ín als rond zich, de manifestaties van deze kracht waar kunnen nemen. De bijkomstigheden van de nieuwe leer, de nieuwe openbaring, zijn – ongeacht de daarin vervatte oude waarden – belangwekkend genoeg om ze u hier voor te leggen. Het is niet mijn bedoeling u hier woordelijk weer te geven, wat door de nieuwe meester is gezegd, of wat hem door zijn leerlingen voor vragen werden gesteld. Ik tracht een geheel te bouwen uit uitspraken, die op verschillende dagen werden gedaan, er zorg voor dragende, dat deze uitspraken niet uit hun verband gerukt worden en zo hun feitelijke inhoud en betekenis zouden verliezen.

Leven wil zeggen: Vrij zijn, vrijelijk denken. De mens is gebonden aan de stof. De behoeften van zijn lichaam zijn in vele gevallen althans, ten dele zijn meesters. Daarom moet de mens vrij zijn in zijn denken. De mens, die vrijwillig zijn gedachten beperkt en zo zijn wereld kleiner maakt dan noodzakelijk is, zondigt daarmee tegenover zichzelf, tegenover zijn Schepper en zijn omgeving. Er is slechts één waarheid. Deze waarheid zal door iedere mens erkend worden, omdat hij in iedere mens leeft. Menigeen verwerpt deze waarheid, zelfs indien hij ze innerlijk bezit en erkent, omdat hij de consequenties, die uit een aanvaarding van deze waarheid zouden kunnen voortspruiten, schuwt, en zo liever verwerpende en een beperkte en menselijke waarheid stellende in de plaats van de Goddelijke.

Er moet gesteld worden: elke mens is in zijn kern van wezen van volkomen gelijke waarde. Niemand is dus de werkelijke meerdere van een ander. Elke mens heeft een eigen ontwikkeling en daardoor een hem geheel eigene reeks van eigenschappen en gaven. Door samenwerking kunnen mensen, die verschillende eigenschappen en kwaliteiten bezitten, elkaar aanvullen en zo gezamenlijk een hoge graad van volmaaktheid, ook in het menselijke bestaan, bereiken. Zij, die zich slechts tot het ik wenden en slechts willen aanvaarden, wat aan dit ik gelijk is, zullen beperkt blijven en daardoor geen toegang vinden tot de grotere waarheden, die in hen leven.

Het richten van medemensen, volgens bepaalde denkbeelden, is helaas onvermijdelijk. Zo het geloof de grote kracht van de mens is en hem veilig kan stellen voor elke werkelijke innerlijke schade, is het zwaard nog steeds de macht, waarmee de sterke de zwakke regeert. Zolang de geest beperkt is, is de strijd vaak het enige middel om het ik te uiten. Elke strijd baart nieuwe strijd, alle geweld baart nieuw geweld. Wie ondergang brengt, vindt ondergang. Men beseffe, dat alle strijd voortkomt uit eigen beperkingen, nimmer uit een kosmische noodzaak. Geweld kan nimmer de Goddelijke wil verwerkelijken. De strijd om het bestaan, die ook bij de dieren een zo grote rol speelt, vloeit voort uit de natuur. Zij is een uiting van onbewust zijn. Daar, waar werkelijke harmonie bestaat, is het niet noodzakelijk een prooi te maken, of prooien te vinden.

Daar is men vrijwillig en gezamenlijk één geheel. Coöperatie is een belangrijk aspect in de nieuwe tijd. Zij kan alleen waarlijk resultaten boeken, wanneer zij niet gebaseerd is op alleen stoffelijke samenwerking en belangengemeenschap, doch in de eerste plaats het gevolg is van een geestelijk samenspel. Slechts, waar een geestelijke band bestaat, kan een stoffelijke samenwerking goede vruchten blijvend baren.

De tijd, dat de mens zich volgens dierlijke regels kon en mocht gedragen, is voorbij. De mens zelf is tot de regerende, de heersende vorm op zijn wereld geworden. Indien de mens verder wil strijden, kan hij slechts de mensheid bestrijden. De mensheid, die zichzelf bestrijdt, of een deel daarvan, bestrijdt in feite tevens zichzelf. Daarom moet de mens van heden menselijk denken, in elke mens het goede zien en in elke mens het goede bevorderen. Door altijd weer het goede te bevorderen en alle negatieve aspecten zover mogelijk te verwaarlozen, wordt door de mensheid het beste resultaat bereikt.

U zult begrijpen, dat dit een samenvoeging is van vele langere redevoeringen en verhandelingen. Ondanks de verkorting kan het voorgaande dienen als een beginselverklaring van de nieuwe leer.

Er zijn vele aanvallen gedaan door de nieuwe Meester op nu bestaande toestanden, zelfs op instanties e.d. Want de nieuwe meester zal, zij het vaak door middel van gelijkenissen, alles wat op aarde onjuist is, terugwijzen en als zodanig kenbaar maken. Hij doet daarmee hetzelfde, wat voor hem andere gezondenen in hun dagen hebben gedaan.

In heldere taal, zonder daarbij de gelijkenissen te citeren, wil ik u voorbeelden geven van de dingen, die de nieuwe Meester onjuist acht. Wanneer men aan anderen gezag overdraagt, meent men in deze dagen vaak zelf voor hun handelingen geen verantwoording meer te dragen. Men is echter verantwoordelijk voor alles, dat tot stand wordt gebracht door anderen, aan wie men macht heeft gegeven, of gezag heeft gedelegeerd. Slechts, wie dit beseft, zal op de juiste wijze kunnen leven en ook binnen de maatschappij op de juiste wijze aan de vorming van een gezonde maatschappij meewerken. Het onderwerpen van het ik aan bepaalde invloeden, machten enz., alleen omdat door zich te onderwerpen voor dit ik, onaangename of onaanvaardbare toestanden zouden ontstaan, is misdadig en slecht. Wie meent, dat men allereerst, de taak heeft voor zichzelf te zorgen en enkel voor eigen behoud en welzijn aansprakelijk te zijn, geeft daarmee aan een ieder, die geweld wil gebruiken, dan wel onrechtmatige daden wil stellen, daarmee de macht hem te dwingen en krachtens zijn stilzwijgende dulding, anderen veel aan te doen, dat anders niet mogelijk zou zijn.

Daarom mag men in het leven niets eisen. Nimmer mag men iets verlangen met uitsluiting van al het andere. Men mag dit geestelijk noch stoffelijk doen. Alles, wat de mens tot stand brengt, dient ook het stempel van de menselijke geest te dragen. Op het ogenblik, dat de verwantschap van het gebruiksvoorwerp met de mens wegvalt, is de werkelijke waarde daarvan teniet gegaan. Het voorwerp zal in de meeste gevallen dan de mens niet meer in de eerste plaats dienen, maar eerder hem beheersen. Besef, dat het goed is weinig te bezitten, indien het weinige maar voortkomt uit eigen werken, of een direct product is van het persoonlijk denken en werken van anderen, met wie men een geestelijke verwantschap heeft.

Dit laats zal ik even verduidelijken. De Meester richt zich hier o.m. tegen het gebruik van massaproducten. Hij stelt, dat de waarde van een voorwerp nimmer alleen bepaald kan worden door zijn zuiver materiële gebruiks- of luxe waarde, maar alleen door de bevrediging en de mogelijkheden, die het de mens geeft. Naarmate producten meer eenvormig, goedkoper en meer algemeen worden, zo stelt hij, zullen zij voor de mens een andere betekenis krijgen. Ofwel beschouwt hij ze als een logisch deel van eigen wezen en omgeving, onmisbaar en onvervangbaar, dan wel maakt hij de voorwerpen tot een statussymbool. In deze gevallen wordt de mens geregeerd door zijn bezit, waaraan geen onmiddellijke persoonlijke herinneringen en waarderingen zijn verbonden.

In uw deel van de wereld en uw dagen betekent dit, dat de mens in vele gevallen wordt beheerst door zijn auto, ijskast en wasmachine. Natuurlijk stelt de Meester dit niet zelf precies zo. Hij gebruikt gelijkenissen, die aangepast zijn aan de landen, waarin hij spreekt. De betekenis van deze uitspraak zal u duidelijk zijn. Alleen het product, dat van de mens zelf stamt, of om andere redenen een unieke waarde voor hem heeft, kan werkelijk een betekenis hebben die verder gaat dan een statusbepaling. Verder zal het u duidelijk zijn, dat, wat heden nog luxe heet, morgen reeds tot levensnorm is geworden, waardoor toenemende luxe een mens steeds meer aan de materie bindt en steeds meer daarvan afhankelijk maakt.

“Leer”, zo zegt de Meester, “steeds uzelf te zijn.” “Alles, wat u in het leven aan mogelijkheden is gegeven, wordt u geschonken om het te gebruiken, niet om het te verwerpen. Verwerp steeds datgene, wat u schadelijk lijkt voor uw wezen of bewustzijn.” “Gijzelf zijt degene, die oordelen moet over wat voor u goed of kwaad is, niemand anders kan of mag dit doen. In uzelf draagt u een reeks van richtlijnen, die men wel geweten noemt. Hierdoor zal het u mogelijk zijn volgens uw bewustzijn en de waarden van uw tijd op de juiste wijze te kiezen. Alleen uw eigen keuze is van belang. De mening van anderen is geheel onbelangrijk in geestelijke zin.”

De Meester geeft hiermee aan, dat veel van wat op het ogenblik maatschappelijk bestaat, onjuist, of zelfs dwaas is, daar het niet aan de werkelijke behoeften en mogelijkheden van de mens tegemoet komt. Er kan bijvoorbeeld geen verschil zijn in ras en stand, of aanzien, alleen aan de hand van opvoeding, geboorte, of bezit. Alleen de innerlijke rijpheid, de innerlijke veredeling van de mens kan een onderscheid tussen mensen mogelijk maken en rechtvaardigen. Alleen deze wijze van onderscheid maken tussen mensen kan voor mensen verantwoord worden geacht en kan verder gehanteerd worden.

Verder stelt hij, dat de mens in vele gevallen de slaaf is van zijn bezittingen, ofschoon hij dit niet pleegt te beseffen. Daarom moet men nadenken over de consequenties die aan de gevolgde wijze van leven verbonden zijn. Eerst wanneer men dit heeft gedaan, en geheel beseft welke beperkingen men zich op moet leggen, om verder te leven zoals men doet, kan men zeggen, dat deze wijze van leven goed of kwaad is; dat zij aanvaardbaar is, dan wel onaanvaardbaar is geworden. Realisatie van eigen maatschappelijke status en al wat daarbij behoort, is noodzakelijk.

Over de godsdienst zegt de Meester o.m.: Het is dwaas aan te nemen, dat een ware God alleen bestaan kan voor een klein deel van de mensheid. Het is dwaas aan te nemen, dat er wel een verlossing mogelijk is, doch dat deze voorwaardelijk zou zijn en alleen voor een bepaalde groep, of desnoods alleen voor de aarde zou gelden. Het is dwaas aan te nemen, dat binnen één enkel boek, of één enkele leer, een kosmische waarheid volledig geopenbaard kan worden.

Besef, zo spreekt hij, dat, hoe groot een meester of profeet is, hij nimmer de mensheid meer kan geven, dan zij op het ogenblik van zijn leven en werken kan begrijpen, aanvaarden en bevatten. Steeds kan en mag de mensheid alleen dat deel van de waarheid gegeven worden, dat zij in zich kan verwerken. Daarom zijn alle grote godsdiensten en leringen slechts één enkel facet van dezelfde waarheid. Wie deze facetten met elkaar verenigt, ziet reeds meer van het fonkelende juweel der Goddelijke Openbaring. Wie zegt, dat zijn waarheid de enige is, verwerpt daarmee het grootste deel van de Schepping, de scheppende Krachten, de Schepper en de waarheid, die zij manifesteren.

Hij wijst nog op andere fouten en valt volgens de huidige opvattingen daarmee de godsdienst nog meer direct aan: Waar de Schepper alle dingen heeft geschapen en alle dingen in welbehagen en liefde heeft voortgebracht, is het onmogelijk, dat Hij daarvan delen zal verwerpen, of delen daarvan buiten het scheppingsplan om, boven andere delen verheft. Voor Hem zijn deze dingen gelijk en gelijkwaardig.

Wanneer u stelt, dat alleen uw wijze om God te dienen juist is, bent u een dwaas. Elke mens vindt in zich een wijze van leven en dienen, waardoor God voor hem/haar het meest werkelijk wordt. Zoek uw God in uzelf en beleef Hem in de zekerheid, dat Hij liefde en kracht is, een voor u niet te kennen kracht en wezen. Denk u uw God niet als een mens, met onmetelijke kracht en vermogens. De gedachtegang van de Meester is hier duidelijk. Hij verwerpt de godsdienst niet, omdat zij de mens weg zou houden van God, maar omdat zij de mens te zeer in zijn beleven van die God beperkt. Hij neemt onmiddellijk aan, dat de godsdienstige gebruiken nuttig kunnen zijn, maar wijst er tevens op, dat het aanvaarden van deze gebruiken niet gebonden kan zijn aan de kosmische liefde of noodzakelijkheid daarvan. De enige maatstaf voor het aanvaarden van godsdienstige gebruiken is gelegen in de mogelijkheid van de mens juist hierdoor beter en juister zijn God te erkennen en te beleven.

De nieuwe meester stelt nog meerdere punten, die m.i. wel enige verduidelijking nodig hebben. Ik zal de stellingen eerst zoveel mogelijk weergeven, zoals zij uitgesproken werden.

Indien ik u zeg: “Er is één God”, zo spreek ik waarheid. Indien ik u zeg: “Er zijn 10.000 Goden”, zo spreek ik waarheid, want de mens kan niet onderscheiden tussen het Allerhoogste en de Hogen, de Allergrootste en de Groten. Deze zijn immers voor de mens door hun grootheid en hoogheid onkenbaar. Daarom zeg ik u: “Ziet, er is één Kracht en uit deze kracht zijn vele krachten. Deze vele krachten zelf spreken tot de Schepping”.

Luister naar de stem, die u kunt verstaan. Dien de God, die u kunt beseffen, zeggende: “Dit is mijn weg en mijn leven, doch daarboven erken ik het Grote, het Ongekende, dat de bron is van alle waarheid.”

Ik tracht dit duidelijker te stellen: Kosmisch zijn er natuurlijk vele krachten en heersers. Wij allen weten dit. Volgens de Meester is het niet belangrijk, welke naam wij aan deze krachten geven, onbelangrijk ook is het, of wij deze krachten al dan niet als Goddelijk erkennen en aanbidden. Hoe wij ons ook tegenover deze krachten gedragen en instellen, zij blijven voor ons steeds weer de manifestatie van het Grote, dat onkenbaar blijft. Wij moeten daarom trachten tot een zo intens en juist mogelijk samenwerken met, en dienen van, die krachten te komen, die wij kunnen beleven en beseffen. Hier breekt de Meester met het gebruikelijke beeld, waarin alleen plaats is voor één enkele en onmiddellijke God met zijn dienaren, die tegenover zich het rijk der demonen kennen.

In een andere redevoering breekt hij ook met de gangbare opvattingen omtrent de sferen van Licht en duister. Hij aanvaardt alle dingen, maar zegt, dat wij zelf daarin de weg moeten vinden. Wij moeten zelf in de kosmos de kracht vinden, die voor ons duidelijk en sterk spreekt. Over de sferen, door de mensen in de streken waarin hij optreedt, hoofdzakelijk gezien als hemel en hellewerelden, spreekt hij als volgt: “Er zijn werelden vol van kilte, waarin u huivert…” Men vergete hierbij niet, dat hij spreekt in de tropen… . “De koude is u een kwelling. Besef, dat er wezens zijn, voor wie uw verschrikkelijke koude als een zachte koelte is, die zij genieten, zoals u de komende koelte geniet, wanneer de avond valt. De wereld, die voor u lichtend, heerlijk en warm is, zal voor hem een hellevuur betekenen. Bedenk, dat de oase, die u een paradijs noemt, door haar begrenzingen, voor een ander misschien een gevangenis kan zijn, waaruit hij gaarne zou willen ontsnappen, terwijl de wijde vlakten, die u hellewerelden noemt, voor hem juist de enig juiste wijze van leven vormen. Er zijn vele werelden. Al deze werelden zijn geheel gelijkwaardig. De Schepper geeft aan een ieder het zijne, tot hij geheel afhankelijk is geworden van alle werelden rond hem.”

Het betoog gaat verder. Sta mij toe het volgende in mijn eigen woorden samen te vatten: Wat voor u een hemel is, kan voor een ander een hel zijn. Het zijn niet zozeer de omstandigheden, waaronder u leeft, of meent te leven, dan wel uw eigen instellingen ten opzichte daarvan, die uit zullen maken, wat deze werelden voor u betekenen.

De Meester spreekt verder over de begrippen en voorstellingen, waaraan de mens zich pleegt te binden en komt dan tot de conclusie, dat het hiernamaals een reeks van werelden behelst, waarin men – om gelukkig te zijn – zichzelf dient te verliezen. Wie zichzelf verliest en slechts de God, die in hem leeft, kent – zo spreekt hij – is niet volgens het wezen der mensen. Voor hen is hij als niet, doch hij is, volgens het wezen Gods en bestaat voor God. Het bestaan houdt op, op het ogenblik, dat ons wezen niet meer met zijn wezen gereleerd is en het persoonlijk bestaan voor dit ik niet meer van een erkennen van die wereld en een erkend worden door die wereld afhankelijk is. Wij zijn dan vanuit een beperkt menselijk standpunt – en dit geldt voor vele geestelijke sferen eveneens – tot “niet” geworden. Wij bestaan voor hen niet meer. Wanneer wij God kennen in onszelf, zijn wij deel van God en in die God een werkelijkheid. Een werkelijkheid, die voor en met ons niet heeft kunnen bestaan, zolang wij aan één enkele wereld en de erkenning daarvan gebonden waren.

De gedachtegang van de nieuwe leer is oud. Dit zei ik reeds. Het is een leer, waarin onthechting een zeer grote rol speelt. Het is een vorm van onthechting, die geen verwerping inhoudt. Het is niet een afstand doen van alle wereld en alle leven, dat hier als einddoel van het bestaan wordt geschetst. Het is eerder een onafhankelijk zijn van elke wereld, geheel vrij en naar eigen keuze, al dan niet binnen een wereld bestaande, zonder daardoor ooit de band met de Schepper te verliezen. Een vrijelijk in jezelf zoeken naar het hoogste is voor de Meester de enig aanvaardbare wijze van godsdienst en Godsbeleven.

Het is begrijpelijk, dat vele oude stellingen ook in deze leer steeds weerkeren. Zo is daar de stelling, dat alle heilige boeken van de mensen vol waarden zijn en naast elkaar moeten worden bezien. Hij gaat verder. Niet de boeken zelf, doch de innerlijke synthese daaruit, brengt de mens verder. Dit is strijdig met menige stelling in deze dagen, maar is toch ook reeds de basis van een niet onbelangrijke godsdienstige groep.

Strijdig met vele opvattingen is ook de stelling, dat de mens zelf dient te leven, daarbij zelf, zover het hem mogelijk is de gebeurtenissen zelf te kiezen en zelfs zelf veroorzakende, omdat hij alleen zo zelfstandig kan leven en streven. Geen voorbeschikking, maar zelf doen. Geen Goddelijke leiding, maar de hulp vanuit het Goddelijke, indien men zelf streeft. Geen overgave aan een wrede en onbegrijpelijke God, geen “wat de Heer doet, is welgedaan”, maar zelfstandig en streven, steeds weer zoekende zelf de meest juiste en volgens het ik de stoffelijk en geestelijk goede mogelijkheden te verwerkelijken.

In het wonder gelooft onze Meester wel degelijk. Indien u in uzelf zeker bent, zo zal deze zekerheid ook buiten u bestaan. Zij zal voor u een werkelijkheid en vanuit u kenbaar zijn voor eenieder. Daarom zeg ik u: “Geloof in het goede en wees sterk hierin, opdat u het goede zelf kennende en aan anderen kenbaar makende, vanuit uw wezen en streven deel doet hebben aan het Zijn der mensheid”.

Misschien klinkt dit wat gemaakt. Maar dit zijn stellingen, die moeilijk in het nuchtere Nederlands te vertalen zijn, stellingen, waarvan de geest moeilijk geheel weer is te geven. Toch ben ik van mening, dat deze nieuwe leer de huidige tijd op de beste wijze kentekent en de mogelijkheden daarvan op de duidelijkste wijze weergeeft. Daarbij is zij evenzeer praktisch, als geestelijk en esoterisch. Deze leer is onmiddellijk bruikbaar, ook indien er stoffelijke beslissingen genomen moeten worden.

De mens, die in deze dagen zijn eigen weg gaat en steeds weer zoekt deze weg zo bewust mogelijk te gaan, daarbij zoeken naar hetgeen het beste is voor anderen, zowel als voor hemzelf, gelovende, dat het goede zal geschieden, geloven, dat wat hij/zij is en doet, goed is, en inderdaad zinvol is, maakt de wereld rond zich beter en Lichtender. Daardoor maakt men zichzelf tot een belangrijke factor in de bewustwording van anderen, zowel als in het ik de grootste beleving verwerkelijkt wordt, die maar bestaat. De mens wordt zo eerst waarlijk bewust.

Het proces van de bewustwording bij de mens van heden kan het beste worden uitgedrukt in de vele protesten. Het protest bv. tegen het atoomgeweld, het protest tegen maatschappelijk onrecht, machtsmisbruik, geheimzinnigdoenerij en misleiding. Al deze protesten zijn m.i. het begin van een manifestatie, waarbij men zichzelf mede aansprakelijk acht voor het wereldgebeuren en zich ook als aansprakelijk voor de handelingen van anderen wil zien, althans naar eigen middelen en mogelijkheden ertoe wil bijdragen, dat ook de handelingen en zienswijzen van anderen voor geheel de mensheid een weg naar een beter bestaan openen.

Uit de leer van de nieuwe meester volgt, dat het niet voldoende is op de wereld alleen maar alles te doen, wat goed heet, of alleen maar een bepaalde leer te volgen met uitsluiting van alle andere leringen en mogelijkheden. Steeds weer dient men zelfstandig te leven en te zoeken. In deze dagen doen steeds meer mensen dit. Helaas kiezen zij daarbij vaak een pad, dat hen tot vreemde verwarringen en vele verwikkelingen voert. Zij erkennen alleen het kwade in anderen, doch niet in zichzelf. Zij trachten aansprakelijkheid ten aanzien van daden, die door anderen worden gesteld, maar weigeren vaak diezelfde aansprakelijkheid op zich te nemen, wanneer het hun eigen daden betreft. Laat ons daarom niet vergeten, dat een van de grootste wijsheden op deze wereld, onderschreven door onze Meester, luidt: Het begin van alle Licht en alle waarheid is – zover het u betreft – in uzelf gelegen. Ga daarom van uzelf uit, maar wees nooit anders, dan gij zijt. Wie in leugen leeft, miskent zichzelf en misleidt de wereld.

image_pdf