Vragenavond: 1963-02

image_pdf

08 februari 1963

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Heden is het: Vragenavond

  • In de esoterie komen wij de stelling tegen: “In uzelf ligt een gehele kosmos”. Is dit zo, omdat onze ziel de goddelijke energie en het goddelijk bewustzijn in aanleg bevat en het werkelijke wezen de realisatie daarvan is?

Ik wil beginnen hier iets uit de Bijbel te citeren: “… en God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis.” Dit is een geloofspunt. Wij weten echter allen, dat God er niet uiterlijk zo uitziet als wij. Daaruit volgt, dat het belangrijke punt, waarin beeld en gelijkenis gelegen zijn, elders ligt. De esoterie heeft dit erkend, omdat zij vooral de innerlijke mens doorvorst. De innerlijke mens is niet alleen alles, wat men Ik pleegt te noemen, maar ook alles, wat er aan ervaringen, bewustzijn, realisaties, deel is van dit Ik of daarbinnen bestaat. Elke band, die bestaat tussen dit Ik en een ander deel van de schepping, maakt deel uit van het werkelijke Ik en is daarin vertegenwoordigd.

Wanneer men de kosmos beziet, zal men onmiddellijk beseffen, dat zij voor het Ik bestaat uit werelden. Wij kunnen hieronder de sferen rekenen, maar in zuiver stoffelijk opzicht kan men reeds volstaan met de sterren en hun planeten. Deze werelden staan met elkaar op zekere wijze in een bepaalde verhouding: zij vormen een bepaald patroon en gehoorzamen allen aan dezelfde wetten, elk op zijn wijze. In ons Ik treffen wij ongeveer dezelfde samenhangen aan. Wij zijn deel van een kosmische kracht, van God. Inderdaad.

God leeft in ons. Zover is het gestelde juist. Zonder God zou er dus in ons ook geen kosmos kunnen bestaan. Maar de taak en het deel van het kosmische leven, dat in ons bestaat en het deel, dat wij hebben in het Goddelijke Scheppingsplan, maakt ons tot een wezen, dat in hoofdzaak de wereld buiten het Ik leert absorberen. Ons leven is een voortdurend registeren en opnemen van alles, wat wij ervaren, een voortdurend binnen het Ik opslaan van herinneringen. Pas wanneer de mens de stof achter zich laat, weet hij, hoe rijk het geestelijk geheugen, dat deel is van zijn Ik, in feite wel is. Want eerst buiten de stof zal men kunnen beseffen, hoeveel werelden, tijdperken en sferen het feitelijk bevat. Alles, wat je eenmaal hebt gekend, kun je in jezelf herleven. Door je op je herinneringen te concentreren, kun je het verleden weer levend voor jezelf maken, ook al is dit misschien voor de mens maar gedurende een korte tijd mogelijk. Dit betekent, dat er binnen ons dus ook een wereld bestaat: een wereld, die soms zeer begrensd, soms echter ook zeer veel omvattend, is. Deze wereld nu kan voor ons een afgerond geheel gaan vormen.

Op het ogenblik, dat onze innerlijke wereld of voorstellingswereld een afgerond en evenwichtig geheel is, zal zij daardoor een soort evenbeeld zijn van de Goddelijke Schepping. Want zoals Gods denken en wil, het leven geven aan al het zijnde, zo geven wij door ons denken en willen, leven aan de innerlijke wereld, alles wat daarin bestaat bezielende door onze eigen krachten. Zo scheppen wij in onszelf, aan de hand van vele ervaringen, een evenwichtig beeld van het zijn.

Het is deze innerlijke wereld, waarop wordt gedoeld, wanneer de esotericus spreekt over de kosmos, die in u leeft , wanneer de gelovige spreekt over het Koninkrijk Gods, dat in u is enz. enz. Altijd weer, wanneer het gaat om innerlijke waarden, kunnen deze herleid worden tot deze kosmos, deze eigen wereld, die wij binnen ons Ik bergen. De stelling is dus juist.

Het bestaan van deze innerlijke wereld is echter inherent aan ons wezen: wij zouden geen mens of wezen, dat de menselijke weg gaat, kunnen zijn, wanneer in ons deze persoonlijke kosmos niet zou bestaan. Deze kan bij sommigen nog de chaos zijn, die zich nog moet vormen, terwijl zij in anderen misschien reeds geheel ontwikkeld en erkend is, maar wanneer men mens is, draagt men een kosmos in zich. Op het ogenblik dat deze innerlijke wereld geheel harmonisch en evenwichtig is geworden, alle relaties met de grote kosmos, net God in al Zijn openbaringen erkennende, is de mens aan het einde van zijn ontwikkelingen gekomen en is hij tot een spiegelbeeld Gods geworden. Waar ik hoop, is de vraag hiermede beantwoord.

  • Welke waarde hecht u aan dromen, waarin tot drie maal toe hetzelfde getal van zes cijfers voorkomt?

Dromen kunnen vele betekenissen hebben. Het getal kan bv. het nummer van een loterijbriefje zijn. Wanneer u dit getal dus zo tegenkomt, zou ik u de raad geven, dat briefje eens te kopen. Maar zeker bent u daarvan niet. Ook zou u eens kunnen zien, of u misschien hebt vergeten, iemand met dit nummer op te bellen. Wij kunnen namelijk met zekerheid stellen, dat er in uw onderbewustzijn werkelijk iets gaande moet zijn. Anders zou de droom zich niet drie maal herhalen met hetzelfde nummer. Het is echter moeilijk, zo niet onmogelijk, te zeggen, of het hier misschien gaat om een kosmische raad, een inwerkingen van de geest, of een voorzien van de toekomst. Dit is namelijk zeer moeilijk.

De menselijke droomwereld wordt grotendeels bepaald door het onderbewuste. Dit nu omvat alle herinneringen, alle schuldgevoelens, alle boeken, die men ooit heeft gelezen, alle praatjes die men, al is het onbewust, heeft gehoord, dingen die men wel zag, maar niet eens bewust heeft waargenomen enz. enz. Daaruit kan zich een droom opbouwen. Wanneer men nu bv. de hoop koestert iets in de loterij te winnen en toevallig eens een getal droomt – al is het van een auto – zal men daaraan misschien bewust of onbewust de gedachte aan winst verbinden. Al vergeet men de droom ook, zij blijft deel van het onderbewuste. Wanneer men later dus een zelfde hoop koestert, of nadenkt over dezelfde mogelijkheid, zal de kans dan ook groot zijn, dat in de droom de herinnering actief wordt en weerom hetzelfde getal als symbool van de wens optreedt.

Er zijn vele mogelijkheden. Ik geef u een enkele daarvan, om de uitgebreidheid van de mogelijkheden aan te tonen.
Elk getal heeft ook een kosmische betekenis. Volgens de kabbalisten moet men aan getallen kosmische waarden toekennen en kan men daarmee vele goddelijke en menselijke waarden – tot toekomstige mogelijkheden toe – uitdrukken. Daarom kunnen wij een dergelijk getal ook nog beschouwen als een uitdrukking van een geestelijke beleving, die niet in beelden vastgelegd kon worden. Maar dit impliceert, dat de dromer inzicht moet hebben in de kabbala en – desnoods onderbewust – de betekenis van de getallen moet kennen. Anders zou immers een gebruiken van deze getallen als droomsymbool niet mogelijk zijn. Het is mij dan ook niet mogelijk een verantwoord antwoord op deze vraag te geven.

  • De elektronische muziek, die men soms opgedrongen krijgt, is m.i. een projectie van deze vertechniseerde en chaotische wereld. Gaarne uw menig hierover.

Ik vraag mij af, hoe en waar deze elektronische muziek u wordt opgedrongen. Bent u werkelijk verplicht daar naar te luisteren? Kunt u daaraan niet ontkomen? Zo ja, dan is uw afkeer terecht. Zo niet, dan blijft dit alles een kwestie van persoonlijk schoonheidservaring. Of wij deze muziek – niet de gebruikte middelen – moeten zien als een product van de vertechniseerde tijd, is ook een vraag. Wanneer wij er rekening mee houden, dat de muziek die de mens maakt, meestal gebonden is aan en voortkomt uit zijn milieu, is het gestelde beperkt waar. Bovendien heeft de techniek eerst de middelen geschapen, waarmee men deze muziek kan creëren.
De vraag die rijst, is echter, of de elektronische muziek nu werkelijk altijd zozeer verschilt van andere muziek. Er zijn namelijk composities gemaakt, die sterk verwant blijken aan de zeer oude muziek van de Hindoes. Zonder alle andere gelijkenissen aan te voeren, kunnen wij dan ook zeggen, dat de elektronische muziek mogelijkheden heeft geschapen, waarbij een muzikale uiting mogelijk wordt, volgens andere dan de door u gekende regels, en zo een product scheppende, dat u vreemd voorkomt. Ook ontbreekt de eigen toon van de instrumenten, waaraan u gewend bent. Toch zal ook deze muziek wel degelijk schoonheid en harmonie kunnen bezitten – al vindt u deze daarin niet – doordat de elementen ervan u te zeer vreemd zijn.

Muziek, die goed is, bevat drie elementen: Er is een ritme, een melodische opbouw, terwijl deze beiden gezamenlijk een bepaald beeld, een bepaalde emotie, of een bepaalde ervaring, moeten uitdrukken. Waar dit laatste een zeer persoonlijke zaak is, terwijl zowel ritme als melodie voorkomen in de moderne elektronische werken, is het niet redelijk te stellen, dat zij – muzikaal gezien – alleen een product is van deze chaotische tijd. Zij is slechts de weerkaatsing van de oude menselijke behoefte zich in klanken te uiten. Daarom kan ik de veroordeling, die het gestelde inhoudt, niet onderschrijven, al houd ik persoonlijk meer van Chopin, Schubert e.a.

Is uw klacht het resultaat van een staking door toonkunstenaars,  waardoor u met elektronische muziek genoegen moest nemen, of alle muziek moest ontberen, zo kan ik alleen nog opmerken, dat dit m.i. het verdiende loon is voor een wereld, waarin – ook bij de kunstenaar klaarblijkelijk – niet meer het werk, maar de beloning bovenal gaat. Dan heeft uw klacht echter niets te maken met kunst, maar is zij een zuiver maatschappelijke kwestie en anders niet.

En wanneer u meent, dat elektronische muziek niet mooi is, breng ik u in herinnering, dat Bach in zijn tijd moest horen, dat zijn muziek niet leefde, maar alleen een cerebrale constructie was, terwijl van Beethoven in zijn tijd wel werd opgemerkt, dat je van iemand, die zo doof geworden was, niets beters mocht verwachten. Behoudt u een eigen mening voor, maar veroordeel niet, omdat alle vormen van muziek – ook deze door zeer ingewikkelde technische middelen tot stand komende muziek – een uitdrukking kan zijn van het innerlijk leven van de mens en zo kosmische schoonheid kan weergeven. Besef a.u.b., dat geen algemeen oordeel over deze vorm van kunst, want dat is het wel degelijk, kan worden gegeven.

  • Waren genieën als Chopin en Schubert helderhorend? Ik meen, dat zij alleen zo tot hun werken konden komen.

Een werkelijke kunstenaar heeft in zich natuurlijk een contact met een andere wereld, een wereld, die verschilt van de normale wereld. Dit kan een sfeer zijn, maar zal evengoed een zuiver persoonlijke wereld kunnen zijn. Nu is er een legende, welke stelt, dat alle muziek in de mens wordt geboren als gevolg van het in zich horen van een flard van de kosmische harmonie. Iets daarvan is waar. Want een hogere ervaring uitdrukkend in klanken, is de meest bezielde vorm van componeren. Te stellen, dat die melodieën eerst in een andere sfeer moeten worden gemaakt en door de mens afgeluisterd, is echter wel wat dwaas en een miskenning van de geniale eigenschappen van vele grote componisten. Eigen scheppen uit te schakelen, omdat alle mogelijkheden reeds in God bestaan, is nog dwazer. Dan kan men evengoed zeggen, dat alle beelden reeds van het begin der tijden in de steen zitten en de beeldhouwer geen eigen scheppen mogelijk maken, doch hem slechts in staat stellen om het beeld – dat hij helderziende in de steen waarneemt – er met de beitel uit te halen.

Bovendien, indien alle muziek in de geest eerst zou moeten ontstaan, rijst de vraag, of men in de hemel dan ook de Madison speelt en misschien in de hel zielen martelt met een Cha cha cha. Erken, dat de componist een ervaring, emotie enz. uitdrukt in muziek op zijn wijze, waarvan de bron in een andere sfeer kan liggen, maar de uitdrukkingswijze en structuur van de compositie geheel zijn eigen werk zijn. Bovendien, helderhorend zijn en dan menselijke muziek horen, is een onmogelijkheid. Wat wij klank noemen is voor u geen klank. Wat wij de melodie van de sferen noemen, is voor u een reeks onbestemde gevoelens, het waarnemen van een kosmische grootheid, die eerder verpletterend werkt op de waarnemer in de stof, maar voor hem geen muziek betekenen kan. Toch is dit voor sommigen sferen, melodie, muziek. Dus: men ontvangt misschien een idee, ondergaat een ogenblik van gevoel zuivere inwerking, wat een begenadigd kunstenaar dan met zijn middelen weet om te zetten in muziek, waarin ook anderen iets van de oorspronkelijke gedachte kunnen terugvinden.

  • Zijn de gebeurtenissen in het boek “Winged Pharaoh” herinneringen van de    schrijfster aan een vroeger leven, of is een deel fantasie, ontstaan uit een studie over het  leven in het oude Egypte?

Een groot gedeelte is fantasie. Deze fantasie is verder niet alleen op innerlijke waarden gebaseerd – zoals wel wordt gezegd – maar vindt haar basis in vergelijkende studies over Egypte. Er werd bij de samenstelling van dit boek dan ook gebruik gemaakt van referentie werken, zelfs uit de bibliotheek van het British Museum. Ik wil hiermede niet stellen, dat het boek geen geïnspireerde waarheden bevat, maar wijs er uitdrukkelijk op, dat het werk niet kan worden beschouwd als een volkomen getrouw en uit ervaringen in vroegere incarnaties voortkomende beschrijving van de werkelijke toestanden in het oude Egypte van duizenden jaren geleden. De inhoud is echter een, gezien de kennis van deze tijd, zelfs zeer redelijke, benadering van het leven en werken in de oudheid. Wat wordt beschreven, is echter nooit zo en aan de in het boek opgevoerde personen overkomen.

Verder dient u te beseffen, dat de herinnering aan een leven, dat zolang geleden is, nooit zuiver zal zijn. Het kan nooit een herinnering nalaten, die een volledig beeld geeft van de sociale structuur en de heersende gebruiken. Ten hoogste blijven in het bewustzijn enkele fragmenten van het vroegere bestaan zo bewaard, dat men zich deze ook in de stof weer te binnen kan brengen, maar dan is alle werkelijke samenhang daartussen toch teloor gegaan. Hieruit volgt, dat pogingen iets van het verre verleden te reconstrueren, steeds een resultaat opleveren, dat doorzaaid is met vergissingen, aanvullingen vanuit het onderbewustzijn enz. Verder treedt vaak een verwarring op, waardoor aan het vroegere leven ervaringen of mogelijkheden worden toegeschreven, die in feite uit het huidige leven of een tussenliggende incarnatie stammen.
Tracht men, zoals schrijfster, hiaten op te heffen en beelden aan te vullen door middel van studie, zo zal men sneller leren en gemakkelijker begrijpen, maar blijft het resultaat altijd een fantasie die geheel of in hoofdzaak gebaseerd blijft op alles, wat omtrent het verleden in eigen tijd bekend is.

  • Verschillende geleerden hebben met mescaline geëxperimenteerd. Zij hadden hierbij wonderlijke, niet te omschrijven belevingen.
  1. Komen deze uit een andere wereld, of uit het onderbewustzijn?
  2. Welke waarde hebben dergelijke belevingen voor de bewustwording van de mens?
  3. Acht u het verantwoord als leek dergelijke experimenten te doen?
  4. Zijn deze belevingen te vergelijken met die, welke men heeft gedurende een narcose?

Op de laatste vraag is geen direct antwoord mogelijk. Dit alles is afhankelijk van het gebruikte narcosemiddel, de diepte en duur van deze toestand en de innerlijke gesteldheid van de persoon die onder narcose wordt gebracht.

Wat betreft het zelf experimenteren met mescaline en andere dergelijke stoffen: wanneer men niet deskundig is én geen hulp of leiding van een deskundige heeft, acht ik deze experimenten te gevaarlijk en daarom niet verantwoord.

Wat het beleven betreft: mescaline heeft een eigenaardige werking op de mens. Het maakt namelijk tijdelijk het onderbewustzijn gelijkelijk toegankelijk met het waakbewustzijn, terwijl daarna een toestand intreedt, waarbij waakbewustzijn en onderbewustzijn beiden vermengd worden, maar geen bewuste beheersing van gedachte en ervaren mogelijk is. Tijdens een mescalinetrance put men dus in de eerste plaats en vaak zelfs hoofdzakelijk uit het totaal van eigen bewustzijn en wensleven. Het lieert deze werking gemeenlijk met de meeste roes veroorzakende alkaloïden. Nu blijkt bij al deze middelen de mens door zijn instelling op het ogenblik, dat de roes begint – zijn verwachtingen ook – de inhoud van de in de roes optredende beelden, hallucinaties e.d. voor een groot deel te kunnen bepalen. Er is op basis hiervan kennelijk sprake van een selectie uit de in het bewustzijn aanwezige waarden.

Het lichaam ondergaat de inwerking van het middel eveneens sterk, er is geen sprake van een alleen mentaal daardoor beïnvloed worden. Vandaar dat ook de reactie van het lichaam op het middel medebepalend is voor de resultaten van de roes.
Bij belevingen en visioenen is dus in dit geval zeker niet noodzakelijkerwijze sprake van astrale belevingen, waarnemingen in de sferen e.d. Wel heeft mescaline, evenals sommige andere middelen, de eigenschap sommige delen van het waarnemingsvermogen sterk te beïnvloeden, waarbij het waarnemingsvermogen op bepaalde en zeer begrensde gebieden aanmerkelijk boven normaal vergroot wordt. Heeft iemand nu een instelling, waardoor een contact met een sfeer mogelijk is, dan zal het beginbeeld tijdens een dergelijke roes nog steeds uit hem zelf voortkomen. De verdere ontwikkeling van de visioenen en belevingen kan dan echter voortkomen uit een bepaalde sfeer en dus ook kunnen berusten op ervaringen en waarnemingen in de astrale wereld.

Eigen gevoelens en reacties, evenals eigen innerlijke waarde – ook de niet besefte – zullen ook hierbij beslissend zijn voor het verdere verloop van een dergelijk contact. Wanneer een mens de werkelijkheid van een andere wereld niet aanvaarden kan, zal hij namelijk terug vluchten uit het onderbewustzijn voortkomende dromen, waarin de beleving wel een rol speelt, maar het geheel toch weer wordt aangepast aan de eigen aanvaardingsmogelijkheid, angsten en begeerten.

Het is verder zeer moeilijk de visioenen te duiden. Er is namelijk, ook wanneer kosmische waarden of begrippen zouden worden ontvangen, of belevingen in andere sferen plaats vinden, sprake van een vertaling van het geheel in menselijke beelden. Juist in deze interpretaties van waarden uit andere sferen, komt het eigen karakter en de eigen kennis weer zeer sterk op de voorgrond. Wij kunnen daarom wel stellen, dat mescaline mogelijkheden biedt voor hen, die een zekere geestelijke training hebben meegemaakt en voldoende zelfkennis bezitten. In dit geval zal dit middel, evenals andere middelen, de weg naar de sferen inderdaad kunnen openen.

De priesters in de Inca tijd maakten, evenals sommige indianengemeenschappen nu nog doen, gebruik van mescaline, omdat zij dit geheim kennen. Zij gaan dus niet alleen van de roes uit, maar tevens van een bepaalde sfeer. Zij gebruiken de mescaline, zoals zij voorkomt in bepaalde vruchten. Vooral sommige cacteeën zijn daarbij geliefd. Aan het gezamenlijk eten van dergelijke vruchten, gaat echter altijd een bijeenkomst vooraf, waarop gesproken en gezongen wordt. Met dit geheel zijn bepaalde religieuze concepten verbonden. De oudsten, die leiding geven aan de bijeenkomsten, zijn getraind in het wekken van de juiste sfeer en kennen alle mogelijkheden, die het gebruik van het bedwelmende middel met zich brengt. Zij weten dan ook een sfeer te scheppen, waarbij voor alle gelijkgestemden een contact met de voorouders mogelijk is en bepaalde waarden uit andere sferen door het bewustzijn mede naar het stoffelijk bewustzijn kunnen worden overgebracht. Tevens zijn de oudsten bekwaam in het duiden van de visioenen, ofschoon deze bekwaamheid alleen voor hun stamgenoten geheel zuiver zal werken.
Men kan dit gebruik van mescaline dan ook vergelijken met het bewuste en beheerste gebruik van hennep en opiaten door mystici in Zuid-Azië. Maar het gebruik van dergelijke middelen moet aan de doorsnee mens ten sterkste ontraden worden.

Wanneer je weet, wat je doet, heeft het gebruik van dergelijke middelen voor de bewustwording positieve mogelijkheden. Maar om die mogelijkheden te kunnen realiseren, dient men geheel meester over zichzelf te zijn. Men moet een grote zelfkennis hebben en precies de juiste sfeer weten te vinden, waardoor men iets kan bereiken. Bovenal zal men, ook voor de bewustwording, nimmer afhankelijk of slaaf mogen zijn van het middel, dat men gebruikt of datgene, wat dankzij dit middel bereikt kan worden. De gewone mens is daartoe mijn inziens niet bekwaam of sterk genoeg. Voor hen mag dan ook wel worden gesteld, dat zij in het gebruik van dergelijke middelen geen werkelijke mogelijkheid tot verdere bewustwording zullen kunnen vinden.

Voor degenen, die reeds het noodzakelijke bewustzijn en de noodzakelijke beheersing hebben verworven, kunnen middelen als mescaline hulpmiddelen zijn, waardoor men zich beter bewust wordt van eigen werkelijkheid en daarmede zijn eigen bewustzijn van alle sferen tijdens een leven in de stof kan uitbreiden.

  • Wat is uw mening over de ideeën van Bellamy?

De ideeën en stellingen van Bellamy zijn op zich goed en gezond. Wij kunnen voor zijn theorieën een zekere bewondering hebben. Wanneer wij deze theorie echter horen verkondigen en ook de werken lezen, die Bellamy heeft geschreven – bij voorkeur zowel de meer technische als de gedramatiseerde – komen wij al snel tot de conclusie, dat het systeem aardig in elkaar zit, maar dat hij de eigenschappen en mogelijkheden van de werkelijke mensen heeft vergeten of over het hoofd heeft gezien. Dit is overigens de fout, die haast allen maken, die een sociaal systeem ontwerpen. Elk systeem is op zich goed en bruikbaar, wanneer de mensen dit systeem aanvaarden – geheel vrijwillig – en binnen het kader van dit systeem zodanig passen, dat zij het inderdaad verwerkelijken.
Het christendom werd reeds door de eerste christenen niet alleen als een godsdienst, maar ook als een sociaal systeem beschouwd. De eerste christengemeenschap blijkt echter reeds snel een mislukking te zijn. Nu, 2000 jaren verder, spreken de mensen nog steeds van Jezus en zijn leer, maar van een waarlijk christelijke gemeenschap is nog even weinig sprake als in het begin.

Wanneer Bellamy stelt, dat koopkracht van de munt en niet het aantal munten bepalend is voor de waarde van een loon, heeft hij volkomen gelijk. Hij beseft echter onvoldoende, dat de kinderlijke mentaliteit van de mens dit wel beseft, maar voor zich innerlijk niet kan aanvaarden. Zolang een kind nog liever 10 centen heeft dan een dubbeltje, zal het getal voor velen bepalend blijven. Dit betekent tevens, dat de maatschappij beheerst zal worden door de mogelijkheid van manipulaties, die op de traagheid van reactie in samenhang met lonen en prijzen gebaseerd zijn, zonder dat hierbij werkelijke behoefte of waarde een rol hoeven te spelen.
De mensheid wordt niet beheerst door haar noodzaken, maar door haar behoefte aan meer. Aan deze behoefte dient tegemoet gekomen te worden, zelfs indien het z.g. meerdere in feite imaginair is. In een van de werken van Mark Twain komt een debat voor over dit probleem. Een Yankee maakt duidelijk, dat men in zijn land 1 cent per uur verdient, maar daarvoor bijna driemaal zoveel kan kopen als degene, tot wie hij spreekt, voor 2 centen. De ander aanvaardt dit en geeft alles toe.
Maar aan het einde van het gesprek zegt hij: Maar jullie verdienen maar 1 cent per uur en wij twee dus verdienen wij meer. Daar kom je niet omheen.

Dan neemt Bellamy aan, dat vrijwillige dienstbaarheid en eer in de plaats kunnen treden van beloning en bezit. Zodra de mens eer inderdaad belangrijker acht dan bezit en de diensten van de gemeenschap belangrijker gaat achten dan eigen inzichten of genoegens, is het door hem geschetste systeem ideaal. Maar de moderne mensen verlangen steeds meer voor zich van de gemeenschap, en wensen de gemeenschap daarvoor steeds minder terug te geven. Een groot deel van de massa acht eigen verplichtingen aan medemens en maatschappij in feite bijkomstig, maar acht de verplichtingen van de maatschappij tegenover hem en anderen van het hoogste belang, zonder te beseffen, dat hij en die anderen gezamenlijk de maatschappij vormen.

Zolang deze mentaliteit bestaat, zal men een systeem als dat van Bellamy alleen met behulp van een zeer grote politiemacht kunnen doorvoeren, iets waaraan zowel het systeem als de maatschappij ten onder zouden gaan. Wanneer wij de idee, dat bezit niet kan worden opeengehoopt en een volkomen gelijke verdeling van bezit – als doel van de productie van goederen – aanvaarden, valt de verwervingsprikkel weg, die de mensen tot inspanningen brengt. Wanneer men iets ‘overhoudt’ van zijn inkomen, maar dit na een jaar waardeloos zou worden, valt niet alleen de drang om te sparen weg, maar ook de drang om meer dan het hoogst noodzakelijke te verwerven. Hierdoor valt voor de minderbegaafden de droom weg, dat zij eens meer zullen kunnen verwerven en dankzij dit bezit meer zijn dan een ander. Ik vrees, dat zij dan ook niet meer zullen willen werken.
Nu vrees ik dat, gezien de vaak kinderlijke mentaliteit van de doorsnee mens, de gedachte “ik ben meer” of “ik ben meer dan een ander” moeilijk vervangen zal kunnen worden door de gedachte: “ik doe meer goed dan een ander”. Ook zullen er maar weinigen zijn, die, in ruil voor de waardering van hun producten, deze graag aan anderen af zullen staan.

Zelfs zekerheid heeft voor de meest mensen alleen waarde, zolang er elders onzekerheid bestaat, bij voorkeur daar, waar men er regelmatig kennis van kunnen nemen. Daarom meen ik te moeten stellen, dat het systeem van Bellamy een mooie droom is, die voorlopig geen werkelijkheid zal kunnen worden, omdat zij gebaseerd is op verkeerde premissen. Deze al te vaak gemaakte fout stelt in beginsel, dat de mens zich binnen een systeem aan zal passen, terwijl in feite de mensen het systeem steeds zullen dwingen zich aan de behoeften van de mensen en hun – misschien onjuiste – begeerten en inzichten aan te passen. Ook communisten, socialisten e.d. maken dezelfde fout. Steeds weer vergeten zij, dat de mens het systeem maakt, maar dat het systeem nooit de mensheid kan veranderen, tenzij het zich op misleidingen baseert,  die de ondergang van het systeem in zich dragen.

Naar ik meen heb ik hiermede mijn oordeel duidelijk genoeg gegeven. Ik bewonder Bellamy zijn denken en het door hem ontworpen systeem, maar zie er voorlopig geen enkele praktische waarde in, omdat de mensheid voor een dergelijk systeem geestelijk niet rijp is.

Verder verwacht ik niet, dat de mensheid binnen afzienbare tijd voor een dergelijk systeem rijp zal zijn. Ten laatste meen ik, dat de ontwikkelingen in de wereld de massa – die voor het al dan niet slagen van een dergelijk project bepalend is – voorlopig zelfs in tegenovergestelde richting voert. In plaats van een leven voor en in de gemeenschap richt men zich hoofdzakelijk op een leven van en uit de gemeenschap.

  • Kunt u iets zeggen over het leven van geesten aan gene zijde? Kunnen geesten met elkander spreken, kunnen zij ons in de stof waarnemen? Bestaat er een ijl stoffelijk lichaam?

Wanneer ik u een sfeer moet beschrijven, wordt het een soort sprookje. De werkelijke verhoudingen en mogelijkheden zijn namelijk in woorden niet of zeer moeilijk weer te geven. Neemt u maar aan, dat de geesten aan gene zijde ongeveer leven als de mensen in uw wereld, maar onder condities, die grotendeels door eigen bewustzijn of denken bepaald worden.

Voorbeeld: Wanneer, u zichzelf rijk voelt, zult u al snel teveel uitgeven. Wanneer wij onszelf rijk voelen, zijn wij rijk. Eigen bewustzijn is dus een zeer grote mate beslissend voor de sfeer, waarin je leeft en de eigenschappen, die deze wereld en alles, wat daarin voorkomt, zal tonen. Kentekenend voor dit feit is wel de lagere Zomerland sfeer, waarin zeer vele herinneringsbeelden voorkomen en zo het ‘landschap’ bepalen. Alles is echter geïdealiseerd. U zou dus dergelijke dingen op aarde aan kunnen treffen, maar het onaangename ontbreekt er aan. Het schilderachtige slootje is er, maar het is welriekend geworden. Dit is dan een klein beeld van onze wereld, zo goed als ik u dit kan geven zonder verhaaltjes te gaan vertellen, of te ingewikkelde stellingen te ontwikkelen.

De vraag, of wij met elkaar kunnen spreken, kan op gelijke wijze beantwoord worden. Wij spreken met elkaar, maar gebruiken daarvoor geen geluidstrillingen, doch een vorm van gedachteoverdracht. Vanuit menselijk standpunt gezien is het dus meer telepathie dan gewoon spreken, maar wordt het op dezelfde wijze gehanteerd. In feite kunnen wij allen met elkaar spreken. Een geest uit een hogere sfeer kan daarbij met geesten in een lagere sfeer spreken, mits er rekening mee wordt gehouden, dat de begrippen in de lagere sfeer anders zijn, dat de lagere geest dus a.h.w. een beperktere en andere woordenschat heeft, zoals een volwassene tegen een kind, of een academisch gevormde tegen iemand met alleen lager onderwijs of een analfabeet moet spreken, om begrepen te worden. Contact tussen verschillende sferen kan van boven naar beneden altijd gelegd worden. Het kost soms moeite, maar vanuit een hogere sfeer kun je altijd een lagere sfeer bereiken. Het omgekeerde is echter niet waar, dit in verband met de kracht en het bewustzijn, dat voor het bereiken van een hogere sfeer noodzakelijk is.

Lagere werelden kun je altijd, wel waarnemen, maar ook dit kost moeite. Wij nemen bv. mensen meestal geestelijk waar, d.w.z. op een niveau, waarop wel de aura, maar niet de stoffelijke vorm zichtbaar wordt. Dit geeft, vooral bij mensen, beter inzicht en kost minder moeite.

Een fijnstoffelijk lichaam bestaat in wezen wel. Het is een voertuig van fijne materie, evenals het menselijke lichaam een voertuig is. Een fijnstoffelijk lichaam kan door middel van gedachtekracht worden opgebouwd uit de kleinste materiedeeltjes, maar ook als gevolg van een grofstoffelijk levensproces worden gevormd. Het kan, evenals uw lichaam onbezield worden achter gelaten. Wanneer niemand er voor zorgt, zal het evenals een stoffelijk lichaam, zich op gaan lossen in zijn bestanddelen. Er is dus wel een fijnstoffelijk lichaam, maar – en dit is belangrijk – het is geen deel van de geest of van de sferen. In de werkelijke sferen bestaan mogelijkheden als op aarde, waarbij echter moet worden uitgegaan van de behoeften en het oordeel van een bewoner van die sfeer. De middelen, die daar gebruikt worden, hebben voor de bewoners van een sfeer dus ongeveer gelijke betekenis als op aarde.

Betreffende het spreken in de sferen nog het volgende: in de sferen is denken gelijk aan spreken. Je kunt dus niet, zoals velen op aarde, het ene zeggen en het andere denken. Het is waarschijnlijk dat men in de sferen geen functies als bv. politicus kent. Ten laatste wijs ik er op, dat sferen zoveel van de mensenwereld verschillen, omdat zij andere wetten, toepassingen van wetten enz. kennen, dat het de mens op aarde zeer moeilijk zal zijn, zich een concreet beeld te maken van een sfeer. Dit is o.m. te wijten aan het feit, dat een mens geneigd is een bepaald landschap, of een bepaalde toestand als een blijvend feit te beschouwen, terwijl in een sfeer dit gelijk kan komen met zonlicht dat toevallig even door een wolk wordt tegen gehouden even door een gaatje in een dik wolkendek valt. Want in de sferen kunnen alle waarden te allen tijde en onmiddellijk wisselen.

  • Heeft het heelal een begrenzing? Heeft de Al stof een vast gewicht? Is heelal en eeuwigheid een eenheid? Is Gods wezen een eenheid of een gespletenheid?

Wanneer wij aannemen, dat God gespleten kan zijn, dan moeten wij ook aannemen, dat er iets is, waarin die gespletenheid kan bestaan. Daarom mogen wij rustig zeggen: “De Ware God is één Geheel”. Voor de beschouwer vallen de krachten van die God weliswaar in 2 delen uiteen, maar dit wordt niet veroorzaakt door een gespletenheid van God, maar door het standpunt, dat de beschouwer tegenover Gods onmetelijkheid inneemt. Dit is het oordeel. Hierdoor eerst ontstaan licht én duister, goed en kwaad.

Het heelal is niet oneindig. Er is dus ergens een grens. Uw heelal kent een innerlijke gebogenheid en vormt zo een soort ademende bal, soms uitzettend, soms krimpende. Het Al pulseert dus. Een terugkeer tot het middelpunt, die niet geremd is, betekent het snelle einde van het bestaande Al. Buiten uw heelal, dat dus door zijn bewoners niet verlaten, kan worden, is toch nog een soort ruimte. Stel dat deze vierdimensionaal is, waar zij gelijktijdig in en buiten dit heelal bestaat. Men stelt wel, dat in deze ruimte nog 63 gelijksoortige heelallen zouden bestaan, gegroepeerd rond een centraal punt. Ik heb dit echter zelf nooit waar genomen en durf dus niet met zekerheid stellen, dat dit inderdaad zo is en niet anders.

De vraag, of Al stof een vast gewicht heeft, kunnen wij ontkennend beantwoorden, omdat er geen ‘Al stof’ in materiële zin bestaat. Er bestaat alleen energie. Energie ontwikkelt zich overal, waar het evenwicht verstoord wordt. Wanneer deze energie tot een in zich plaatselijk besloten werveling komt, kan worden gesteld, dat een dergelijke werveling een zeker gewicht heeft. Uit vele van dergelijke wervelingen kan materie ontstaan. Energie heeft echter geen eigen gewicht en is dus niet weegbaar, ofschoon delen van deze energie meetbaar zijn. Zelfs dan is er geen vaste maatstaf mogelijk, omdat door een zich voortdurend herstellen van het evenwicht een steeds fluctuerende energiestroom bestaat.
Vanuit menselijk standpunt moet hierbij bovendien nog rekening worden gehouden met het feit, dat het Al verdeeld kan worden in materie en anti materie, waarbij de spanningsverhouding in de kleinste delen en de werveling, waarin zij onderling gebonden zijn, de gevormde waarden van de éne soort voor de andere soort onmeetbaar maken.

Alles, wat bestaat, vormt het grote Al, dat omgeven is door een ruimte, die men niet ruimtelijk kan omschrijven volgens de op aarde kenbare punten en termen. Vandaar dat alle door de mens gekende verschijnselen in feite moeten worden beschouwd als behorende tot zijn eigen Al. Kosmisch bezien is alles eeuwig, oneindig en toch ruimtelijk zo samen te brengen, dat in dit Al alle zijn, inclusief eigen Al, kan worden samengebracht op een ruimte kleiner dan een speldenpunt. Uw eigen Al is een gesloten geheel, dankzij de buiging van licht, stralingen en krachtvelden. Daarmede zijn uw vragen naar ik meen beantwoord.

  • Waaruit bestaat de drie-eenheid? Kan een deel van deze drie-eenheid los van de andere delen opereren? Is bij het overgaan de geest geheel los van de stof?

Wanneer ik een prisma bezie, heb ik één lichaam met drie geslepen zijden. Dit is het beste beeld van een drie-eenheid. Men kan niet een van de vlakken wegnemen en toch een prisma overhouden. Zo kan men niet een van de personen van de drie-eenheid wegnemen of zelfstandig maken en gelijktijdig stellen, dat God hetzelfde blijft, of dat er een drie-eenheid blijft bestaan. Het is dus niet redelijk aan te nemen, dat een deel van de drie-eenheid afzonderlijk en los van de andere delen handelend op kan treden.
Maar bij het prisma kan ik mij wel voorstellen, dat slechts één van de 3 vlakken voor mij zichtbaar is. De twee andere vlakken zullen dus niet zichtbaar zijn. Een weerspiegelende of lichtbrekende werkingen worden echter voor mij kenbaar in het ene vlak, dat ik beschouw. Eén persoon van de drie-eenheid kan, indien wij deze kunnen waarnemen, dus voor ons de tijdelijke vertegenwoordiging zijn van de totale drie-eenheid, die door dit deel daarvan voor ons als geheel kenbaar wordt. Indien wij dit deel echter als losstaande van het geheel, als zelfstandige eenheid zien, hebben wij wel het verschijnsel, maar niet het wezen erkend. De drie-eenheid is dus niet in delen te scheiden. Zij is niet te definiëren. De benoeming van de personen is dus afhankelijk van de beschouwer.

Wanneer men bv. spreekt over de Vader, de Zoon en de Geest, verdeelt men de Goddelijke uiting – niet God zelve – in het originerende, het openbarende en het bewustzijn dragende. Een dergelijke verdeling kan men echter ook maken in het menselijke bestaan, precies zoals men de Goddelijke Waarheid deelt. Daardoor zijn vele verschillende formuleringen in omloop. Zo spreekt men over de drie-eenheid van leven, dood en zijn, de drie-eenheid als schoonheid, rechtvaardigheid en liefde. Daarmede veranderen wij echter nimmer iets aan het wezen van de werkelijkheid, doch geven namen, die ons een beter begrip mogelijk maken of omschrijven ons eigen bestaan in termen, die ontleend zijn aan de Eeuwigheid.

Daarnaast vraagt u, of de mens bij zijn overgang de binding met de stof geheel verliest. In stoffelijke zin is dit geheel juist. De geest laat de materie achter en is daarmede verder niet meer gebonden, tenzij haar eigen bewustzijn het onmogelijk maakt, de bevrijding van het stoffelijke te beseffen. Buiten het tijdsbesef leeft echter in de geest altijd de fase voort, gedurende welke zij in de stof bestond. Daarin bestaat dus het lichaam a.h.w. voort met alle belevingen en alle mogelijkheden daarvan. Als deel van haar ware bewustzijn draagt dus de geest in feite haar lichaam altijd bij zich. Wanneer de geest uiteindelijk zich van het tijdloze bewust wordt en zich in waarheid leert manifesteren, maakt dus ook het lichaam een intrinsiek deel uit van haar bestaan.

Misschien is dit voor u moeilijk te verwerken, maar dit is de achtergrond van de ‘herrijzenis des vlees’ waarin vele christenen geloven. Dit zal geschieden bij het ‘einde der tijden’. Wanneer de tijd ophoudt te bestaan, zal immers alles, wat ik ooit geweest ben, deel uitmaken van hetgeen ik dan ben. Het geheel van de tijd wordt als een telescoop ineengeschoven, zodat men het geheel beseft en niet, zoals tot dan toe, slechts een groter of kleiner stukje daarvan.

Dit heeft echter niets meer te maken met het stoffelijke lichaam, zoals dit bestaat op aarde. Er is geen binding tussen de materie op aarde en de geest, die haar eens bezield heeft. Wel is er een band tussen alles, waarvoor de stof en de bewustwording van de mens stond en het Ik. Het beeld van de bewustwording – en zo nodig dus ook van de stof – kan dus te allen tijden herschapen worden binnen het Ik. Voor het verdere verwijs ik naar de eerste vraag, waarin wij immers reeds spraken over de kosmos in de mens.

  • Als mens ben je micro, maar later wordt je macro?

Zover u volgens uw bewustzijn micro kosmisch bent, blijft u altijd micro kosmisch. U bent deel van de microkosmos, omdat u een bepaald oordeel hebt over waarden en afmetingen, zo uzelf stellende als tegenstelling tot de macrokosmos. Deze waarden zijn echter onbelangrijk. Het gaat niet om afmetingen, maar om inhoud. En hier leert men ons, dat de microkosmos volledig de macrokosmos spiegelt. Zij spiegelen elkander dus. Daarom stel ik, dat deze beiden binnen God gelijk en gelijkwaardig zijn, zodra wij de menselijke begrippen, als bv. afmetingen, weg laten vallen. Zolang u over uzelf spreekt als micro of macrokosmisch, zult u in wezen tot de kleine wereld blijven horen. Want om één te zijn met het grote zal de mens eerst alle besef van eigen grootheid of kleinheid moeten verliezen. Dan eerst kan hij deel van de Goddelijke Werkelijkheid zijn. Overigens is een dergelijke vergissing voor menigeen begrijpelijk, wanneer men zich realiseert, dat men macrokosmos beschouwt als identiek met God. In wezen echter zijn micro en macrokosmos beide uitingen van het Goddelijke. Besef, dat alle dingen uit God zijn en tevens deel zijn van God. Zonder de goddelijke kracht, die in en om u is, zou u niet kunnen bestaan. Waaruit blijkt, dat ook begrippen als micro en macrokosmos niet uit God, maar uit de menselijke pogingen om God te begrijpen zijn ontstaan.

  • Is er een verschil tussen stoffelijk en astraal lichaam of een parallel, omdat beiden worden achter gelaten?

In beide gevallen behoort de materie, waaruit het lichaam is gevormd, niet onverbrekelijk bij het bewustzijn. In beide gevallen laat de geest haar voertuig achter, omdat zij beseft, dat er geen mogelijkheden of behoeften meer bestaan binnen de beperkingen van dit lichaam, die voor haar bewustwording van belang zijn. Het bewustzijn van het lichaam en alle werkingen en belevingen daarvan blijven echter in de geest bewaard en maken deel uit van haar wezen. Deze kan zij zo nodig altijd weer geheel hervinden. Vandaar dat een geest, die dit met alle geweld verlangt, zich onmiddellijk een astraal voertuig op kan bouwen.

  • Bestaan er in de geestenwereld rangen en graden?

Nee. Men behoeft er zelfs geen diploma’s te houden. Bewustzijn is bij ons identiek met bekwaamheid, kracht enz. Iemand die een hoger bewustzijn bezit dan ik, is niet mijn meerdere, maar wel degene tot wie ik mij zal wenden om steun, raad, onderricht. Vanuit mijzelf zal ik dus zijn meerwaardigheid wel erkennen, zonder daarom te menen dat wij nu niet meer gelijken kunnen zijn. Dit is het karakter van de ware broederschap, waarin de kunde – alleen wat u rang noemt – bepaalt, terwijl de meerwaardigheid of rang alleen gelden zal op het gebied, waarop de meerwaardigheid of kunde bestaat, terwijl op andere vlakken de verhouding zelfs omgekeerd kan zijn. Dit geldt voor de Lichte werelden.
In de duistere werelden, waar boven alles de eigenwaan regeert, bestaat echter een veel groter onderscheid van rang en stand, dan op uw wereld, denkbaar is. Daar immers zal men niet op de overeenkomsten en mogelijke gelijkheid, maar op verschillen de nadruk leggen. Op de duur probeert men in de werkelijk duistere werelden eigenlijk eerst een stand voor zichzelf te zijn, om bij een nog verder afdalen zelfs zijn eigen wereld en god te willen zijn.

  • Wanneer ik pas overga, ben ik nieuw en dus van allen de mindere. Maar toch zou ik in wezen met allen gelijk zijn?

Allen zijn gelijk. Wanneer u dus komt, zal niemand u zeggen, dat u minder waard bent dan hij en zal zelfs niemand trachten u te bevelen. Men zal u raden of verzoeken. Maar wanneer u verstandig bent, zult u raad en verzoek opvolgen. U zult gehoor geven aan dit alles, omdat u minder bewust bent dan die ander. Maar niemand zal het u kwalijk nemen, wanneer u stelt: ik ben gelijkwaardig met jou, laat mij met rust. Men zal dat dan onmiddellijk doen. Dit is een van de, grootste bewijzen van ware naastenliefde, wist u dit, want niets valt zwaarder dan een ander zijn eigen weg te laten gaan, wanneer men hem toch alle goeds wenst.

  • Wanneer een hoge geest naar lagere sferen afdaalt, verliest hij toch zijn bewustzijn niet?

Hij zal geen gebruik van zijn hoedanigheden kunnen maken, tenzij deze ook in de lagere sfeer bestaan. Wel kan hij daarin de intensiteit van zijn totale wezen leggen, maar hij is dus in het gebruik van zijn middelen beperkt.

  • Is het juist wanneer ik stel: de eeuwigheid is het moment van nu, en niet het verleden of de toekomst?

Dit is in zover juist, dat elk moment, elk nu, gevormd wordt uit het gehele verleden en alle mogelijkheden van de toekomst in zich bergt. Op het ogenblik, dat alle momenten van verleden en toekomst samen worden gebracht in één moment en als zodanig worden beseft, is men zich van de eeuwigheid bewust. De mens, die echter stelt: “nu is mijn eeuwigheid” zonder in staat te zijn wat morgen is en gisteren was, daarbij bovendien niet in staat zijnde deze waarden te zien in zijn huidig beleven, loopt op zijn mogelijkheden en ontwikkeling vooruit. Hij vergeet namelijk dat weliswaar elk moment gelijkelijk deel is van de eeuwigheid en deze eeuwigheid in elk moment gelijkelijk kan worden uitgedrukt, maar dat dit alles zonder een besef van eigen weg en taak binnen de kosmos – als geheel – dit door het Ik nimmer werkelijk gerealiseerd kan worden.

  • Waarom kan ik, als geest in de stof, mijzelf niet genezen van mijn ziekten. Ik ken mijzelf toch?

U kent uzelf alleen, zover als u zich de moeite hebt gegeven, uzelf waarlijk te leren kennen, zonder misleiding en zelfbedrog. Menigeen kent zijn auto meer dan voldoende om daarmede te rijden, water en benzine te laden enz., maar weet niet genoeg ervan om het voertuig ook werkelijk te repareren. Om dit goed te kunnen, zal men eerst onderricht over de auto, haar structuur en mogelijkheden moeten volgen, verder zal men over de juiste werktuigen moeten kunnen beschikken.
Voor een lichaam geldt hetzelfde: hoe bewuster de geest zich is van zichzelf en haar voertuig, hoe gemakkelijker zij levenskrachten en zenuwkrachten op de juiste wijze zal weten te dirigeren en dus ook zichzelf kunnen genezen. Niet alleen moet de geest zich hiervan bewust zijn, maar zij moet ook het lichaam met zijn pijnen en fouten tijdelijk uit kunnen schakelen, zodat het geestelijk bewustzijn alle werkingen volledig kan beheersen en alle krachten van het Ik tijdelijk kan overnemen. Want dan is het mogelijk uzelf te genezen.

Op het ogenblik dat men zich van zijn stoffelijk bestaan bewust wil zijn of moet blijven, zal dit echter nooit geheel mogelijk zijn. Jezus kon uit de doden opstaan. De vraag is echter, of hij van het kruis af had kunnen komen, zelfs indien hij dit werkelijk gewild had. Want op dat ogenblik diende hij zich als mens bewust te blijven van het gebeuren, om er de waarde niet van te verminderen. Men zal eenvoudiger een ander kunnen helpen dan zichzelf, omdat men ten aanzien van die ander afstand heeft zonder daarvoor eerst eigen lichaam te moeten erkennen, maar tevens alle ervaringen daarvan terzijde te stellen. Zolang de mens zijn gehele Ik identificeert met eigen lichaam – wat juist bij ziekte en lijden al snel het geval is – kan de mens niet voldoende afstand vinden van zijn eigen stoffelijke ervaringen, om de krachten in zijn eigen lichaam goed te leiden.

Er zijn geen vragen meer. Ik zal dan ook mijn bijdrage aan deze bijeenkomst nu besluiten. Ik kreeg van u enkele interessante vragen, waarvoor ik u dankbaar ben. Ik hoop, dat mijn antwoorden duidelijk zijn geweest. Zo dit niet het geval mocht zijn, kunt u zich na de pauze nog tot mijn opvolger wenden.

  • Er is nog één vraag binnen gekomen: Waarom zijn de Rozenkruisers er zo op tegen, leringen van gene zijde te ontvangen? Zij spreken steeds over de “spiegelsfeer”.

De Rozenkruisers hebben één bepaald systeem, wat hen veilig is. Zij hebben daar wel gelijk in: dit is nu eenmaal hun methode van werken. Wanneer zij dit systeem volgen en bovendien nog leringen uit de geest aanvaarden, kunnen er verwarringen ontstaan. Bij mogelijke tegenstrijdigheden van leer of opvatting zou dan de vraag rijzen, wie nu eigenlijk gelijk heeft: Max Heindel of de stem van gene zijde. Hierdoor zou de hiërarchische verhouding, het juist volgen van de weg en zelfs de gezagsverhouding binnen de Rozenkruisersorde in gevaar komen.

Dit geeft hen nog niet het recht te stellen, dat de geest nooit iets goeds kan zeggen. De meer ingewijden onder hen weten dit en zullen dergelijke dingen meestal niet direct beweren, ofschoon zij het soms beter achten, anderen in die waan te laten. Wel stellen zij: er schuilt een groot gevaar in het luisteren naar “geesten”. Dit kunnen verlaten schillen zijn, die niets anders doen dan oude lessen steeds weer herhalen, of mogelijk wezens, die zich aan de aarde vastklampen, onbewust zijn overgegaan etc. en nu nog – waar dit mogelijk is – op aarde hun ideeën willen spuien. Iets wat ook heus wel eens voor komt. Daarom zullen zij, ter beveiliging van de minder bewusten, alle werk uit de geest dat de vorm van leringen aanneemt, afwijzen. De behoefte aan een leergezag is hieraan ook niet vreemd. Elke groepering, die op haar wijze dogmatisch is, zal alle andere wegen afwijzen, of als van minder belang of lagere orde beschouwen.

Eerlijk gezegd kan ik iemand, die geheel in zijn eigen stellingen gelooft dit niet kwalijk nemen. Eigen leer is goed, er is niets anders noodzakelijk. Waarom dan het risico lopen, dat volgelingen een andere weg kiezen, die voor hen tenminste gevaarlijker is, volgens opvatting van de dogmatische denkers. Vergeet verder niet, dat elke instelling of groep op aarde geneigd is zichzelf blijvend te handhaven, zelfs indien dit ten koste van anderen zou gaan. En is zo een groep – elke op openbaringen of geestelijke leringen gebaseerde groep – die zich daardoor tot dogmatisme laat voeren. Vooral wanneer de meeste leden van een dergelijke groep hun leringen of geloof niet in de eerste plaats praktisch beleven, maar zich grotendeels tot de theorieën bepalen, zal het dogmatisch denken alles gaan beheersen en zal men ten koste van alles, zelfs ten koste van onrechtvaardige beschuldigingen en handelingen t.a.v. anderen, zijn eigen gelijk willen handhaven. Want juist wanneer de theorie de boventoon voert, zal men belang hebben bij het vernietigen van concurrentie, waar dit maar mogelijk is. Dit laatste geldt overigens niet alleen voor de Rozenkruisers, maar wel voor menige andere groep. Hoe kleiner en onbelangrijker een sekte is, hoe feller zij gemeenlijk alle anderen bestrijdt in een dwaze behoefte gelijk te krijgen en waar mogelijk op geestelijk gebied alleenheerser te zijn.

  • Bij de Egyptische inwijdingsmysteriën wordt onder meer deze zin gebruikt: “Rijs, o zon van middernacht, herrijs Osiris”. Kunt u hierover nog iets zeggen?

De zon van middernacht is het niet gekende Licht. Osiris is de tot Licht geworden geest, maar ook de geleider van de zonneboot. Hier echter staat hij voor het bewust levende. Nu is Osiris de zon van middernacht, omdat hij zich op dat uur in de onderwereld bevindt en slaapt in de boeg van de zonneboot. Wanneer de zon ondergaat, vaart de zonneboot volgens het Egyptische geloof een grot binnen en vervolgt haar weg onder de aarde, gaande door de hellewerelden en steeds omringd door vele monsters. De boot wordt uiteindelijk door gevaarlijk, zich steeds verplaatsende monsters belaagd. Maar op het ogenblik, dat de boot dreigt te vergaan ontwaakt Osiris, het Licht straalt uit zijn ogen, de monsters wijken en de zonneboot kan ongedeerd door de gevaarlijke rotsen de bovenwereld binnenvaren.
Wanneer men zegt, dat de zon van middernacht zich moet openbaren, wordt daarmede dus bedoeld, dat de slapende Osiris moet ontwaken. Dit betekent zoveel als: de menselijke ziel, die zich nog niet bewust is, moet wakker worden. De ban van misleidingen en gevaren, die steeds weer de mens bedreigen, moeten verdreven worden door het ontwakende bewustzijn, dat de gezel is van het Goddelijke Licht. Osiris herrijst dan uit de slaap, het onbewustzijn herneemt zijn kennis en macht, die in de rust teloor schenen te zijn gegaan en beheerst hernieuwd de hemelen.

Wanneer u het Egyptische dodenboek kent – dat eigenlijk een mystiek werk is – en de godsdienstige verhalen wel eens hebt gehoord, kunt u zich het werkelijke verloop van vele Egyptische inwijdingen wel verder voorstellen. Maar alles zal u duidelijker zijn, wanneer u nimmer vergeet, dat Osiris weliswaar zoon van de zon en de maan is, maar desondanks ook de menselijke geest voorstelt.

Lees dus voor Osiris eens: menselijke geest, die zich bewust is geworden van de kosmische waarheid. Daarom zegt men in de dodendiensten ook tot de dode: “Osiris zijt gij”. In het licht van het voorgaande wordt deze uitspraak, naar ik meen, geheel duidelijk. Ik hoop, dat uw vraag daarmede tevens goed beantwoord is.

image_pdf