Vragenavond

image_pdf

 26 oktober 1962

Wij zijn niet alwetend of onfeilbaar. Deze avond is geheel bestemd voor het stellen van vragen. In vroegere vragenrubrieken konden wij op belangwekkende vragen vaak niet verder ingaan door gebrek aan tijd, er moesten immers 20 of 30 vragen worden afgehandeld in een periode van maximaal 45 minuten. Wij hopen op deze wijze betere resultaten te kunnen verkrijgen.

  • Naar aanleiding van de aardbeving in Napels voltrok zich het bloedwonder van San Gennaro in de Dom. Dit wonder manifesteert zich ook ieder jaar op de eerste zaterdag in mei en de 19de september, terwijl het gelijktijdig vloeibaar worden op de steen in Pozzuoli. Ook hier had dit tussentijdse bloedwonder plaats. Hoe is dit te verklaren?

In de soortgelijke wonderen, die bestaan – er zijn er vele – blijkt, dat de oorzaak gelegen moet zijn in bijzondere chemische reacties, terwijl daarnaast bij vele dergelijke wonderen sprake blijkt te zijn van suggestie, gevolgd door massahysterie.

Ik wil trachten u duidelijk te maken, hoe een dergelijk wonder plaats vindt.

“Gedachten zijn Krachten!”. Niet iedereen gelooft dit. Maar sinds Volta de invloed van elektriciteit op weefsels van niet meer levende wezens demonstreerde en de parapsychologie aantoonde, dat telekinese bestaat, zal men misschien toch geneigd zijn, de volgende verklaringen ernstig te nemen. Wanneer een groot aantal mensen bv. verwacht, dat gestold bloed vloeibaar zal worden, terwijl het bloed zelf in zodanige staat verkeert, dat geen algeheel bederf is opgetreden – door onttrekking van vocht bv.- is het mogelijk, dat reeds de spanning, door de gezamenlijke gedachten opgewekt, het bloed vloeibaar doet worden.
In een dergelijk geval zal o.m. sprake kunnen zijn van een aantrekken van vocht van buitenaf. Zelfs in een afgesloten fles is dit, mits er voldoende tijd is, wel degelijk mogelijk. In dit geval, wordt het wonder dus grotendeels door de intense gedachten van de aanwezigen bepaald. Een dergelijk wonder vergt dus de aanwezigheid van bv. bloedmassa dat in staat is bloed op te nemen. Vaak gaat dit gepaard met een bruisen daarvan, de aanwezigheid van een steen, die water op kan nemen – de ‘wenende beelden’. Bevindt zich in de steen ijzeroxide, dan kan het beeld zelfs bloed ‘wenen’, enz. In deze gevallen is het feit voor velen waarneembaar en kan gezien worden als een feitelijk gebeuren, dat tot stand komt door de invloed van de menselijke gedachten plus chemische mogelijkheden. Bepalend zijn hier de intensiteit van het menselijke denkproces en eventueel elektrische spanningen in de lucht.

Opvallend is, dat dergelijke wonderen vaak met grote regelmaat plaats vinden, en wel op speciale dagen, wanneer van heinde en verre de mensen samen komen om dit wonder te aanschouwen. In deze gevallen is de verwachting van het wonder reeds een zodanige suggestie, dat hierdoor alleen de noodzakelijke gedachtekracht en spanning gewekt kan worden. Het wonder zal zich dan ook volgens de dienstregeling voltrekken. Zijn slechts enkele personen aanwezig, dan hoeft er geen werkelijke verandering plaats te vinden; indien deze personen voldoende gespannen zijn, kunnen zij zichzelf suggereren, dat er iets gebeurt. Eén enkele lichtreflex kan dan voldoende zijn om gemeenschappelijke hallucinaties te verwekken.

Bij buitentijdse wonderen is deze laatste mogelijkheid natuurlijk belangrijk. Maar een bijeen- komst van een groter aantal mensen onder intense spanning zou, bv. door het in onzekerheid zoeken naar een goddelijk teken, een omen, hetzelfde veroorzaken als bij een geregelde samenkomst ter gelegenheid van een regelmatig plaats vindend wonder.

Ik meen er goed aan te doen hier met nadruk vast te stellen, dat dergelijke wonderen niet ‘goddelijk’ van oorsprong zijn, geen ingreep van buitenaf en tegen alle wetten van de natuur ingaande, maar het gevolg zijn van natuurlijke mogelijkheden en eigenschappen door gelovigen of – in enkele gevallen – een geest. Onder deze eigenschappen treffen wij er wel enige aan, die nog niet wetenschappelijk zijn erkend. Het feit, dat de wetenschap in vele gevallen geen voldoende verklaring van deze ‘wonderen’ kan geven, is grotendeels te wijten aan het feit, dat de ‘heiligheid’ van het gebeuren in vele gevallen een wetenschappelijk onderzoek in de weg staat.
In vele gevallen zal de menigte immers een dergelijk onderzoek als een profanatie beschouwen, tenzij het onderzoek door gewijde priesters zou geschieden. Dit betekent reeds een aanmerkelijke beperking van de mogelijkheden tot onbevooroordeeld onderzoek. Bij de clerus zal verder, zo een redelijke verklaring mogelijk blijkt, de neiging bestaan, de eenvoudige mensen deze intense geloofsbeleving niet te ontnemen. Men meent dan vaak er mee te mogen volstaan het wonder niet kerkelijk als zodanig te erkennen, zonder de gedachte aan een wonderdadig gebeuren verder te verstoren. Kerkelijk is dit redelijk, aanvaardbaar, omdat onder invloed van een wonder de mens zich nader bij God pleegt te voelen.

  • Reactie: In dit geval kan van massasuggestie geen sprake zijn geweest. Het verhaal gaat, dat een priester de kerk kwam sluiten en, zich omdraaiende, opeens het bloed zag vloeien.

Indien wij hier de factor “zelfsuggestie”, als reeds genoemd, uit zouden willen schakelen, is er nog een andere mogelijkheid. Ik wil deze echter niet stellen als zekerheid in dit geval. De persoon in kwestie zou het brandpunt van spanningen in zijn eigen gemeenschap geweest kunnen zijn. Wanneer deze spanningen groot genoeg zijn in hem, is het mogelijk, dat hij het bloed meent te zien vloeien en dit daardoor tot werkelijkheid maakt.
Waarschijnlijker blijft echter de verklaring, dat een of enkele personen door zelfsuggestie een wonder aanschouwen, dat niet feitelijk plaats vindt. Ten slotte wil ik nog opmerken, dat, zo het wonder zelf niet verder is na te gaan, of een controle van het verschijnsel onmogelijk blijkt, men er goed aan doet steeds de eenvoudigste, de meest menselijke en redelijke verklaring, mits deze eenvoudig is, als de meest waarschijnlijke en juiste te aanvaarden.
Aan te nemen, dat hogere machten een wonder tot stand brengen, terwijl suggestieve werkingen, invloed van de massa en natuurlijke invloeden een rol kunnen spelen, lijkt mij, ofschoon voor de gelovige natuurlijk aantrekkelijk, in geen deel verantwoord.

Misschien is het goed in dit verband nog verder op te merken, dat in Italië en Spanje regelmatig wonderen plaats zouden vinden – al worden deze niet meer zo sterk gepubliceerd als in het verleden – die door enkele mensen, of een enkele mens worden waargenomen. De bewijsbaarheid van dergelijke wonderen is, om het eens royaal te stellen, wel zeer klein. Toch blijken vaak grotere menigten naar deze plaatsen te trekken, om de plaats, waarop het wonder geschiedde, te bezoeken.
In Italië vond dit in het laatste jaar minstens 15 maal plaats; drie van deze wonderen voltrokken zich in de omgeving van Rome, terwijl het merendeel van de andere wonderen zich voltrok in dichtbevolkte streken of in de nabijheid van grote steden. Volgens mij brengt dit een eigenaardig beeld van de volksmentaliteit ter plaatse. De mens wil het wonder en zal alles, wat maar naar wonder ruikt – zelfs de fantasie van enkele kinderen of de verklaring van een hysterische vrouw – gaarne aanvaarden. De bewoners van beide landen zijn sterk aan de kerk gebonden, terwijl hun landen een moeilijke tijd doormaken, waarbij vooral de eenvoudigen van geest met de sociale en politieke ontwikkelingen van de laatste tijd geen raad meer weten. Dit vergroot de neiging van de mens om naar een Goddelijk ingrijpen, naar een wonder, te zoeken.

Zoals vroeger de eenvoudige mensen de verklaring voor onheil en eigen te kort schieten pleegden te zoeken in een boze geest, daarbij heil en verlossing van die boze geest, door goede geesten verwachtende, zoeken zij nu naar een teken van de goddelijke macht, die ingrijpen zal en zien zij overal de duivel als aansprakelijke macht voor het vele, waarmee zij geen raad weten. In de oudheid bracht het leven onder spanningen met zich, dat men voortdurend zocht naar een omen, een teken van de goden. Gehele volkeren zijn in deze dagen geneigd eveneens de werkelijkheid ter zijde te stellen en naar tekenen te zoeken – welke zij dan ook wel zullen menen te zien. Ook is kentekenend dat aan op zich onbelangrijke dingen een zeer grote aandacht zal worden geschonken en daaraan een betekenis zal worden toegekend, die ver buiten alle redelijke mogelijkheden ligt. Zelfsuggestie en suggestie vanuit de gemeenschap zorgen dan wel voor het verdere.

In deze dagen zullen er heus wonderen gebeuren. Maar wanneer wij u over komende wonderen spreken, bedoelen wij daarmee niet in de eerste plaats dergelijke spektakels, dergelijke schouwspelen. Het wonder dat volgens ons verwacht kan worden, is de directe beroering van de mens en de mensheid door Hogere Krachten, het ontstaan van veranderingen in de mensen en hun wijze van werken, waardoor inderdaad het goddelijke plan juister verwezenlijkt zal worden.

  • Hoe moet men in dit verband de wonderen in Lourdes zien?

Dit is een onderwerp, dat reeds vele malen behandeld werd. Ik zal dus kort zijn. De wonderen in Lourdes blijken grotendeels plaats te vinden als gevolg van massale bijeenkomsten, waarbij de Eucharistie langs de zieken gedragen wordt. Andere genezingen vinden plaats in baden, die de roep hebben wonderdadig te zijn. Gezien de verwachtingen van de aanwezigen en van de zieken kan worden gesteld, dat de suggestie hier tenminste een zeer belangrijke rol speelt. Ook hier hebben wij verder te maken met gedachtekracht.
Wanneer u zich realiseert, dat in een klein stadje als Lourdes soms gelijktijdig meer dan 100.000 mensen aanwezig zijn, allen wachtende op het wonder, terwijl er altijd wel t.m. 20 tot 30.000 mensen zijn, die intens geloven aan de mogelijkheid van het wonder, is het duidelijk, dat de gedachtekracht, de aura van de menigte alleen reeds een zeer grote kracht moet hebben. Deze gedachtekracht zal zeker soms werkelijk tot ontlading komen, daarbij inwerkend op iemand, die bijzonder sterk op de inwerking is afgestemd.

Ofschoon inderdaad te Lourdes genezingen plaats vinden, is het werkelijke wonder groter en gelijktijdig menselijker. Namelijk, door het intense geloof van de mensen ontstaat er een sfeer van verbondenheid met het hogere dat hier weliswaar vanuit de mensen ontstaat, maar deze mensen toch gelijktijdig een antwoord vanuit hogere krachten doet ondergaan. Hierdoor keren niet alleen vele zieken, die niet werden genezen, maar zelfs nieuwsgierigen, met een innerlijke ontroering huiswaarts, die hen innerlijke krachten en nieuwe levensvreugde schenkt. Dit lijkt mij in Lourdes zelfs belangrijker dan de genezingen zelf. Ten laatste wijs ik u er op, dat het aantal gecertificeerde wonderdadige genezingen per jaar nu niet direct groot is. De reputatie die de plaats heeft, plus het zeer grote aantal bedevaartgangers per jaar, scheppen een waarschijnlijkheidsfactor voor onbegrijpelijke genezingen – die immers ook elders wel plaats vinden – welke ongeveer gelijk komt aan het vastgestelde aantal werkelijk onverklaarbare genezingen van blijvende betekenis.

  • Ik las in een verlag, dat kennis vergaat. Kunt u dit nader toelichten?

Met enige voorbeelden is dit wel mogelijk. Enkele eeuwen geleden wist men, dat de wereld zo plat was als een pannenkoek. Zij dreef in de wereldruimte, overstelpt door hemelen, terwijl onder de aarde Tantalus, de hel, zich zou bevinden, of een oeroceaan vol vreemde monsters. Dit gold als kennis. Nu lacht een ieder om dergelijke stellingen en acht men de argumenten, die vroeger in alle ernst door geleerden hiervoor werden aangehaald, bespottelijk.

Deze kennis is dus wel zeer snel vergaan. Kennis is een vorm van weten, die niet uit het innerlijke Ik voortkomt, maar gebaseerd is op ervaringen in de tijd, ervaringen in de ruimte, daarbij gebonden, door de menselijke rationalisatie van het onbegrepene en de beperkingen van de mens en de menselijke wereld.

Elke wijziging in condities houdt een wijziging van aanvaardbare kennis in. Het niet meer aanvaardbare wordt ofwel niet meer als kennis gezien, dan wel vergeten. Bij de mens speelt dit vergeten vooral ook in de persoonlijkheidsvorming en ontwikkeling een grote rol. Opvallend is daarbij, dat de doorsnee mens slechts in staat is de kennis werkelijk te verwerven, waarmede hij zelf harmonisch is. De kennis dient dus voor de mens aanvaardbaar te zijn. De mens kan zichzelf wel dwingen om kennis te vergaren, die in wezen niet tot hem spreekt. Maar dan blijkt hij niet tot een werkelijk begrip te komen. De kennis bestaat dan uit het onthouden van een aantal gegevens of feiten – een zuivere geheugenfunctie – terwijl de samenhangen, zo deze al begrepen werden, al snel verloren gaan.

Wanneer nu een mens op aarde innerlijk evolueert, zal daardoor een groot deel van de kennis die hij bezit, onbelangrijk worden. Feiten en mogelijkheden, die eens van het allerhoogste belang bleken te zijn en zijn denken voortdurend bezig wisten te houden, zijn bekwaamheden én handelingen bepaalden, worden langzaamaan vergeten. In de plaats van alles, wat vergeten wordt, komen nieuwe voorstellingen van het Ik, wereld en kosmos, welke weer tot nieuwe vaardigheden kunnen voeren. Kortom, er ontstaat een nieuwe kennis, waarin alleen de meest essentiële waarden van het oude nog blijven voortbestaan.

Uit de kennis, die dus steeds in betekenis en waarden kan veranderen, ontstaat op de duur het innerlijke weten. Het innerlijk weten echter is niet meer een erkennen van veranderlijke condities en omstandigheden, doch een innerlijk constateren van de kracht, die de basis van alle veranderlijke verschijnselen is: de eeuwige en onveranderlijke werkelijkheid Gods.

Dit laatste is niet alleen maar een mooi en vaag woord, maar de aanduiding van een grotere werkelijkheid, waarin de tijd niet meer noodzakelijk is om processen te omschrijven en niet meer behoefte te worden gezien als een progressie of een verandering, maar ten hoogste als een afmeting kan worden beschouwd. Daarom meen ik, dat men terecht kan stellen, dat alle menselijke kennis en zelfs alle geestelijke kennis, zover deze is gebonden aan een tijdsbegrip, of zelfs maar door middel daarvan werd vergaard, teniet zal gaan, zal sterven of vervallen, naarmate de mens innerlijk rijper wordt.

Een vriend van mij drukte dit eens als volgt uit: Wanneer het geestelijk bewustzijn groter wordt, worden de zeefgaten van de herinnering groter en zal meer onbelangrijks wegvallen. Hierdoor is er voldoende plaats om de werkelijk belangrijke krachten en feiten van het leven binnen eigen bewustzijn te verwerken en te bevatten.

  • Maar toch vergaat niet alles? Bv. de lessen, die wij hier mogen ontvangen dan?

Deze vergaan ook. Onze lessen maken immers deel uit van een bepaalde fase van menselijke en geestelijke ontwikkeling. Op het ogenblik, dat u dit alles hebt verwerkt en innerlijk tot een nieuw bewustzijn gekomen bent, hebben die lessen u niets meer te zeggen. U zult ze dan vergeten. Iets anders is het feit, dat de pogingen die u hebt gedaan om die lessen te verwerken, uw wezen en denken veranderd hebben. Zij zijn dus in zekere zin tot persoonlijke eigenschappen geworden. Door de lessen hebt u dan een deel van uw eigen werkelijkheid ontdekt; iets wat zonder deze lessen misschien langs een andere weg, veel pijnlijker en moeizamer, zou zijn geschied.
Natuurlijk is de waarde van onze lessen ook beperkt. Dacht u soms, dat men met mensenwoorden kan preken over de werkelijke waarden van de eeuwigheid? Over de werkelijkheid van het leven in een sfeer? Wij proberen u aanduidingen te geven. Wij trachten uw bewustzijn te bereiken, zodat uw innerlijk wezen meer harmonisch kan worden met het menselijk redelijk denken. Door uw eigen begrip – dat dan zeer vele gevoelselementen zal inhouden – kunt u dan komen tot een erkennen, dat heel wat meer omvat, dan wij u ooit zullen kunnen zeggen. Alléén, u zult aan deze verworven innerlijke wetenschappen geen volkomen uiting op stoffelijk vlak kunnen geven. Want net zomin als wij de woorden kunnen vinden hiervoor, is dit voor u mogelijk.

  • Bedoelt u hiermede het groeien van de wijsheid?

Ik heb het begrip wijsheid hierbij, ter vermijding van verwarringen, niet te berde gebracht. Indien men onder wijsheid het echter wil verstaan: “begrip voor het wezen der dingen”, zo is alle bewustwording ongetwijfeld een groeien van de wijsheid. Met het groeien van de wijsheid zal dan ook de kennis altijd in zekere mate sterven.

  • Komen zielen, die in het ene leven met elkaar in nauwere relatie hebben  gestaan, in een volgend leven weer met elkaar in contact?

Dit is een vraag, waarop geen definitief antwoord te geven is. Het antwoord zal namelijk geheel afhankelijk zijn van de interpretatie van het begrip ‘nauwe relatie’. Bedoelt men daarmede een relatie als die tussen man en vrouw, ouders en kind? Of meent men hiermede eerder een innerlijke relatie, die niet op stoffelijke banden berust en soms zelfs een elkaar in de stof ontmoeten geheel kan ontberen?
Wanneer wij over de laatste vorm van relatie, van verbondenheid spreekt, luidt mijn antwoord: ja. Waar een harmonie is ontstaan van de geest, zal deze door sfeer en werelden steeds blijven bestaan, tot zelfs voor het diamant witte Licht, waarin de Goddelijke Kracht zich bergt. Deze band kan, voor de uiteindelijke bereiking en eenwording met het goddelijke, niet vernietigd worden. De band, die geestelijk is en voortkomt uit een innerlijke samenwerking, een zielsverwantschap, onverschillig of deze al dan niet in de stof tot uitdrukking komt, waarborgt een verbondenheid zonder beperkingen. Men vormt als het ware een onscheidbaar geheel. Wanneer er dus voor beiden een gelijktijdige incarnatie mogelijk en noodzakelijk is, zal men elkaar op aarde treffen, dan wel beïnvloeden. Is er geen sprake van gelijktijdige incarnatie, dan blijft de band bestaan en zal waarschijnlijk degene van het paar, die in de geest blijft leven, optreden als beschermer, geleider en helper van degene, die op aarde incarneert.

Mag ik u er op wijzen, dat de zuiver stoffelijke band alleen nimmer hiertoe voert? Zelfs niet, wanneer dit zuiver stoffelijke liefde is. Want deze komt immers voort uit hartstocht en zuiver stoffelijke bezitszucht. Vergeet niet, dat vele van de stoffelijke banden, die men misschien belangrijk acht voor latere contacten en gezamenlijke incarnaties, in feite niets anders zijn dan geïdealiseerde instincten. Daarnaast treffen wij onder deze banden in de stof maar al te vaak geïdealiseerde ideeën van sociale geaardheid aan, waaraan het werkelijke ik van de mens geen deel heeft, of zelfs innerlijk strijdig mee is. Deze idealisering komt voort uit het feit, dat men aan deze ideeën belangrijkheid, rechten of zekerheid denkt te ontlenen. Maar ongeacht de hoog klinkende denkbeelden, die men aan dit alles pleegt te verbinden, is het een product van zuiver stoffelijke samenhangen, zodat het op het bestaan in de geest of mogelijke nieuwe incarnaties absoluut geen invloed zal hebben.

Slechts de innerlijke verwantschap, de zielsverwantschap, zal bepalend zijn voor ontmoetingen, hetzij in de sferen, of latere stoffelijke levens. Anders niets. Verder zij opgemerkt, dat bepaalde contacten als geestelijke inwijdingen, niet betekenen, dat men op aarde in elkanders onmiddellijke omgeving zal opnieuw incarneren. Wel betekent het, dat er toch enig contact zal bestaan. Zeer vaak is dit contact dan telepathisch. Voor het verdere verwijs ik u naar alles, wat in dit verband reeds vroeger werd gezegd omtrent tweelingzielen, gezamenlijke of groepsincarnaties en de brochure over het werk van de Witte Broederschap op aarde.

  • U stelde in uw esoterische beschouwing van 14 dagen geleden, dat God één enkel, vast en onveranderlijk geheel is. Kan de mens dit begripsmatig erkennen?

Neen. Wel is dit voor de mens theoretisch aanvaardbaar te maken. Maar als begrip, kan dit in de mens niet bestaan, omdat de mens zelf een voortdurend veranderend en wisselend wezen is, dat juist aan zijn instabiliteit en veranderlijkheid zijn begrip van leven ontleend. Voor het praktisch begrip en beleven van een mens is een eeuwige en onveranderlijke God eigenlijk een dode God – ook al beseft men dit zelf vaak niet. Daarom kan de mens de stellingen wel theoretisch aanvaarden, maar zal hij deze werkelijkheid in de stof nimmer gevoelsmatig kunnen ondergaan, of begripsmatig geheel verwerken.

  • In de Bijbel wordt gesproken over de wederkomst van Christus. Hoe moeten wij dit opvatten?

Ik vraag mij af, of het wel geheel juist is te stellen, dat daarover in de Bijbel wordt  gesproken. Naar ik meen, neemt de uitspraak, over de wederkomst van Jezus een geheel afzonderlijke plaats in. Noch in het Oude Testament, noch in het Nieuwe Testament, wordt namelijk over deze wederkomst op definitieve wijze gesproken. De voorstellingen omtrent de wederkomst, ontleent men aan de Openbaringen van Johannes, een van de boeken, die later werden toegevoegd aan de evangeliën, evenals de Handelingen der Apostelen en de Brieven.
Deze openbaring wordt weliswaar beschouwd als door God geïnspireerd, maar is qua structuur, opzet enz. geheel verschillend van alles, wat tot Jezus’ leer behoort. Wel zijn er associaties met de visioenen van enkele van de oude profeten. Wanneer wij deze openbaringen lezen krijgen wij de indruk, dat de schrijver magisch geschoold was, daarbij sterk onder de invloed staande van de Assyrische- Babylonische magie.
Uit enkele van de gebruikte beelden zou men verder af kunnen leiden, dat de schrijver niet direct vriendelijk tegenover de joodse geheimleer en magie heeft gestaan, terwijl hij wel weer beelden en gedachten ontleend schijnt te hebben aan de Griekse esoterie. Verder mag niet vergeten worden, dat deze profeet leefde in een tijd, dat het christendom streed om de suprematie. In zijn tijd behaalden de christenen plaatselijk wel grote overwinningen en werden zij erkend, maar elders leden zij grote nederlagen.

De gedachte aan een grote strijd tussen het christendom en het heidendom lag dus wel zeer voor de hand. Een zelfstandige zegepraal over het nog steeds machtige en grote Romeinse Rijk was in die dagen voor de eenvoudige mensen niet denkbaar. Men meende daarom algemeen reeds in die dagen, dat binnen afzienbare tijd de goddelijke machten zouden ingrijpen.

Kentekenend voor de mentaliteit van de christenen in die dagen is ook wel het feit, dat reeds vóór het jaar 800 n. Chr. tenminste vijf maal door christelijke groeperingen een beroep wordt gedaan op de openbaringen van Johannes, om de gang der tijden te verklaren. Steeds ging dit gepaard met de verklaring, dat de wederkomst van Jezus op aarde nabij was. Interessant is hierbij, dat zelfs 140 jaren n. Chr. een kleine christelijke sekte zover ging, dat zij een bepaalde Caesar van Rome uitriep tot incarnatie van Christus, tot weergekeerde Messias.
Ik meen dan ook, dat de algemeen gegeven interpretatie van de openbaringen van Johannes op zijn minst dubieus is. Bovendien kunnen wij de openbaring naar mijn inzien niet goed als een werkelijk deel van de heilige schrift beschouwen, en heeft zij daarbij eerder het karakter van een appendix, een aanhangsel.

Dit sluit niet uit, dat dit geschrift stamt van een groot en begaafd visionair. Ik weet, dat velen mij dit gezegde kwalijk zullen nemen. Maar dit zijn feiten. Het visioen is verder doorzaaid met de symbolen van de oudheid. Wij vinden daarin o.m. restanten van de Babylonische getallenmystiek – die voornamelijk voor voorspellingen gebruikt werd – en kabbalistische getallen en aanduidingen. Dit gebruik van verschillende cijfer- en symboolsystemen is des te meer verwarrend, omdat alle pogingen tot interpretatie gebaseerd worden op de kabbala, zo uitgaande van waarderingen en waardebepalingen, die kennelijk bij de stelling van het visioen niet bepalend waren.

Verder kunnen wij in de geschiedenis zien, dat de wederkomst van Christus steeds weer wordt verwacht, wanneer de christenen in een benard parket verkeerden en niet meer wisten wat te doen, of waarheen te gaan. Kennelijk is het beroep op de wederkomst en de verwachting van een door Christus te stichten theocratie dus een utopische droom, waarmede de mens zich tracht te troosten voor het onrecht, hem aangedaan, zijn onvermogen de wereld te aanvaarden, zijn onvermogen, om de kernwaarden van zijn geloof in de praktijk om te zetten etc.

Voor vele fanatieke gelovigen houdt de wederkomst verder in een bevestiging van eigen uitverkiezing en een door God – dus buiten hun eigen verantwoordelijkheid – te nemen wraak op hun vijanden en bestrijders. Overigens geloof ik – en met mij velen in de sferen – in de waarde van dit visioen, zonder dat de daarbij vaak gegeven uitleggingen door ons daarmede nu ook aanvaard worden. Gezien de waarde, die wij aan de Bijbel toekennen – wel goddelijke wijsheid bevattende, maar niet het letterlijk zo gegeven woord van God zelf – ben ik zelfs bereid te aanvaarden, dat men deze openbaring met de andere delen van de Schrift, op één lijn stelt.

Om echter tot de vraag zelf terug te keren: Kan de wederkomst van Christus op aarde ooit datgene zijn, wat men ervan pleegt te verwachten?
De mensen die hiervan dromen doen mij enigszins denken aan de apostelen vóór de kruisiging. Zij meenden dat Jezus zich door het volk tot koning der Joden zou laten uitroepen, de Romeinen verdrijven en – omringd door zijn trouwe apostelen – zijn troon zou vestigen, waar eens ook Salomo’ s troon had gestaan. Maar Jezus was de vorst van de Liefde, niet de koning der Joden, zijn bestemming niet een troon, maar een kruis op de Schedelplaats. Een zegevierende wederkomst van Christus, zoals men zich die in bepaalde kringen voorstelt, is dan ook dwaasheid.
Jezus is drager van de Goddelijke Liefde, Christus is de Goddelijke liefdekracht zelf. Deze Kracht komt niet eens terug, gezeten op de wolken, na eerst de mensen een tijdlang in de steek gelaten te hebben. De Liefde Gods is altijd met ons. Jezus eigen woorden luidden: “Ik zal met u zijn tot aan het einde der dagen”. Daarom acht ik het belang van hen, die beseffen, dat de Goddelijke Liefde steeds met ons is veel belangrijker dan de, mijn inziens verkeerde stelling van hen die beweren, dat Jezus stoffelijk op aarde weer zal keren om het duizendjarig rijk te stichten. Met andere woorden, de wederkomst, zoals deze verwacht wordt, acht ik niet mogelijk.

Nog enkele kleine commentaren.
Wij maken bij ons een onderscheid tussen Jezus een grote Meester van hoogste kracht, en de Christus, een aspect van het goddelijke zelf, waarvoor Jezus als voertuig diende. Dit is o.i. zelfs noodzakelijk, omdat men zich anders God te zeer in een te menselijke vorm voorstelt en het werkelijke, alomvattende Wezen Gods daardoor vergeet.

Wij weten, dat Jezus zelf meerdere malen op aarde zich heeft gemanifesteerd in stoffelijke vorm. Wij weten verder zeker, dat zijn kracht en wezen in vele tijden, in de huidige tijd zelfs, zich bijzonder sterk uit. In deze zin lijkt het ons soms, dat Jezus inderdaad tot de wereld terug is gekeerd. Maar zijn uiting is er niet een van gezag. Hij doet altijd weer een beroep op de mens, tracht steeds weer de mens tot het begrip van werkelijke mensenliefde, werkelijke liefde tot de Vader te voeren. Maar waarlijk, in Jezus vinden wij geen enkel spoor van streven naar of uiten van een gezag.

Ook zegt men in het christelijke geloof, dat Jezus zal komen om te oordelen over de levenden en de doden. Dit is een geloofsartikel.
Ik vraag mij af, of de Goddelijke Liefde tot rechter kan worden. M.i. ligt zelfs hierin een tegenstrijdigheid, die alleen verklaarbaar wordt, wanneer wij ons herinneren, waar het in feite om gaat: Jezus geeft de mens de weg. De weg van de werkelijke naastenliefde, van de werkelijke geweldloosheid, van de werkelijke innerlijke vrijheid. De mensen kunnen die weg gaan, dankzij de kracht van Christus, die in Jezus aanwezig was en ook in ons alles aanwezig is. Wanneer zij wordt beseft, vormt zij voor ons het Koninkrijk Gods, de volledige aanvaarding. Zij, die die weg durven gaan, kunnen het Licht aanvaarden, waarin zij gehuld worden door de openbaring van de Christus. Deze zijn dan de schapen, waarover gesproken wordt, zij die aan de rechter zijde zullen gaan. Degenen die, ondanks een zich steeds weer op Jezus beroepen als hun Meester én Vorst, weigeren de consequenties te trekken uit de leer, die zij zeggen aan te hangen, de weg, die hen getoond is, zullen dan – zelfs indien zij gehuld zijn in talaar of toga – de bokken zijn die de andere kant, de linkerzijde kiezen. Niet omdat God hen veroordeelt, maar omdat zij persoonlijk de Goddelijke Liefde verwerpen. Ja, dit overwegende zou men zelfs geneigd zijn te stellen, dat het Laatste Oordeel reeds lange tijd aan de gang is.

Zo doet zich dit alles vanuit ons gezichtspunt voor. Ik meen, dat ik hiermede de vraag zelf tevens beantwoord heb. Er zal een wederkomst zijn van Christus op aarde, zeker, maar alleen wanneer de mensen zelf de Christus durven en willen aanvaarden. Want indien er een voertuig is voor de goddelijke liefde op aarde, zo zal God dit voertuig zeker niet ledig en onbenut laten. Gods Liefde openbaart zich steeds weer overal, waar zij wordt aanvaard. Maar Jezus als wereldvorst, gesterkt door engelen, die later nog even bij Armageddon af gaan rekenen met het kwade, klinkt mij even onaanvaardbaar in de oren als u de verklaring, dat binnen enkele dagen U.S.A. en U.S.S..R een gezamenlijke vrede en vreugdefeest zullen organiseren.

  • Er is toch geen incarnatie van Jezus tot nu toe?

In de zin van belichaamd door geboorte uit een moeder, is dit juist. Er bestaan échter andere methoden, buiten alle reïncarnatie om, om op aarde een voertuig te bouwen en daarin tijdelijk in de stof als een mens te leven. Ik herinner u er aan, dat, toen Jezus gestorven was, Zijn lichaam uit het graf was verdwenen, terwijl hij, hoewel hij gestorven was, kort daarop levend tot zijn leerlingen weerkeerde. Dit was toch ook geen incarnatie? Toch was het wel degelijk een stoffelijke herverschijning van Jezus. Van andere grote Meesters en Wijzen vertelt men ons overigens soortgelijke verhalen. Na hun dood zouden zij lichamelijk zijn verschenen enz. Volbewuste geesten, grote Meesters, kunnen uit de stof voor zich een stoffelijk voertuig opbouwen, zonder dat dit via geboorte enz. behoeft te zijn gegaan. Vol bewustzijn van de geest impliceert beheersing van de stof. Kennis van het Ik maakt willekeurige verstoffelijking van dit Ik door eigen wil mogelijk.

  • Kunt u een verklaring geven van het verschijnsel Therese Neumann, die jaren  zonder voedsel in leven bleef en periodiek de verwondingen als van de Christus vertoonde?

Ook hier ben ik geneigd, naar eerder hierover gegeven verhandelingen te verwijzen. Ik geef dus alleen kort de feiten. Allereerst zuiver psychologisch blijkt het mogelijk te zijn, door suggestie een fysiek trauma te doen ontstaan. Het is verder aannemelijk te maken, dat een sterke identificatie van het ik met de lijdende Jezus langs suggestieve weg de lichamelijk kenbare wonden, de stigmata, kunnen ontstaan. Zelfs kan, tijdens een intense verbondenheid met, en meditatie over de lijdende Christus, bv. op gedenkdagen, hierdoor bloeding ontstaan. In de tweede plaats weten wij, dat personen in verrukkingstoestand, onverschillig of hierbij een volledige trancetoestand optreedt of niet, kunnen spreken in dichtvorm, in vreemde talen, die zij normalerwijze niet beheersen.
Bij Therese Neumann is ook dit tot uiting gekomen. Gezien het geheel van haar leven en de invloeden, die daarin optraden, kan dan ook worden gezegd dat zij vanuit een psychologisch standpunt  een hysterica was, een zeer sterke verzelvigingsdrang kende t.a.v. de Christus. Wel zeker is, dat zij voortdurend trachtte – door het herlezen en overwegen van het lijdensverhaal – haar eigen Ik te verhogen. Daarbij kon zij, gezien haar toestand, ongetwijfeld met zeer geringe hoeveelheden voedsel en drank volstaan. Dat zij in jaren geen voedsel tot zich genomen zou hebben, is namelijk een leugen. Indien dit wordt beweerd, kunnen zowel de priester van haar parochie, als degenen die in haar omgeving waren, zo zij willen en durven, het tegendeel verklaren.
Wel kan elke mens met een minimum aan voedsel en drank volstaan, mits hij in een toestand van zodanig geheven bewustzijn leeft, dat het eigen energieverbruik t.a.v. arbeid en beweging vermindert. Gelijktijdig zal men een grotere kracht uit de omgeving op kunnen nemen langs andere weg. Wat dit laatste betreft verwijs ik u naar de vele verhandelingen en boeken over yoga – ook Hatha yoga – waarin dit verschijnsel wordt besproken.

  • In de Stem las ik, dat bepaalde mensen een zodanige eenheid met een God of macht kunnen bezitten, dat zij zonder verder ritueel uit naam van die god of macht kunnen handelen. Wel zou het contact met die godheid dan regelmatig vernieuwd moeten worden, terwijl men in het dagelijkse leven aan bepaalde rituele eisen zal moeten voldoen. M.a.w.: Zo een mens is geheel onder de invloed van die godheid en leeft onder de dwang daarvan. Dus een soort slaaf. Gaarne uitleg hierover.

Voorbeeld? U kent alle verkeersregels en houdt u daaraan, om zo aan het verkeer deel te kunnen nemen. U kent het ritueel van het afsluiten, resp. ontsluiten van uw huis. Tanden poetsen e.d. kunnen wij ook ritueel noemen, men doet dit immers dagelijks, om zo zijn gezondheid te beschermen? Kan men nu echter stellen, dat men zich daardoor tot een slaaf van de hygiëne of de verkeersveiligheid maakt? Dat er sprake is van een algehele gebondenheid daaraan? U zal inzien, dat dit wel wat erg fors gesteld is. De waarheid luidt eerder: men wenst iets te bereiken. Om dit mogelijk te maken houdt men zich aan bepaalde regels. Dat men dit doet, is vrije verkiezing. Een absolute gebondenheid, een slaaf zijn, ontstaat m.i. alleen, wanneer men geen mogelijkheden meer heeft, om voor zichzelf te beslissen. Daarvan is echter bij geciteerde rede geen sprake geweest.

Wij kunnen het echter nog eens anders zeggen: Er zijn mensen die hun God zo intens kunnen erkennen en het Licht van die God zo bewust in zich kunnen dragen, dat zij vanuit zichzelf daardoor de goddelijke kracht kunnen manifesteren, bv. door het genezen van zieken, het tot stand brengen van wonderen enz. Wanneer men u vertelt, dat ingewijden dit alles kunnen doen, zal niemand over hun gebonden zijn spreken of beweren, dat zij de slaven zijn van de krachten, die zij hanteren. Toch zal een ieder beseffen, dat dergelijke ingewijden zich verbonden hebben met een hogere macht, met God, met de kosmische werkelijkheid. De minder bewuste mens vindt soortgelijke mogelijkheden soms, door contacten met goden – delen van God – op astraal gebied. De band houdt geen beheersing in, wel een afgestemd zijn. Er is een bron, waaruit meer dan normaal menselijke kracht geput kan worden.

Uit bedoelde redevoering bleek verder, dat de mens, die met een bepaalde Lichtende entiteit op astraal terrein contact heeft, de trillingen van het astrale voertuig van deze entiteit ondergaat, zelf astraal hierop is afgestemd en zo zichzelf dus in grote harmonie met deze entiteit zal bevinden. De mens is dan dus astraal a.h.w. een verlengstuk van de trilling die in het astrale beeld van de godheid of entiteit bestaat. Wanneer men dit beseft, weet dat men door deze harmonie belangrijke krachten en mogelijkheden kan scheppen – niet voor zich, maar voor de wereld – is zeker niet dwaas, wanneer hij, om dit contact te kunnen behouden steeds weer eigen bewustzijn door concentratie, gebed enz. op deze kracht richt. Evenmin getuigt het volgens mij, van slaafsheid of dwaasheid, wanneer men zich omwille van de zo verworven krachten van bepaalde daden of voedingsmiddelen onthoudt, dan wel rituele handelingen volvoert. Zeker is zo iemand niet méér gebonden als een mens die gaat werken, omdat hij door die arbeid de nodige middelen verkrijgt om aan zijn behoeften, of die van anderen, tegemoet te komen.

Een laatste vergelijking? Wanneer u een bepaalde radiozender wilt beluisteren, zult u uw ontvanger daarop moeten afstemmen. Wanneer nu de golflengte van de zender niet helemaal gefixeerd is – als bv. bij luniks, spoetniks, explorers enz. – zal men de ontvanger regelmatig bij moeten stellen. Dit klinkt geheel redelijk, nietwaar?
Even redelijk moeten wij het dan achten, dat een mens alle middelen gebruikt om zich voortdurend zuiver af te stemmen op een Lichtende kracht, om de bewustwording, kracht en mogelijkheden, die uit het contact voortkomen voortdurend te kunnen bewaren. Zeker, wanneer zonder een zich steeds weer afstellen de mens dit contact – dat voor hem dan toch belangrijk is – zou verliezen. Nogmaals, er is hierbij geen sprake, van een tegen eigen wil gebonden zijn of zelfs slavernij. Van slavernij is eerst sprake, wanneer een mens tracht zich door een god, kracht of geest – meester – geheel te laten leven, zonder daarbij zelf nog een besluit te nemen enz. Bindt men zich op deze wijze aan een astraal beeld, of zelfs maar een schijnbeeld, dan kan terecht van slavernij gesproken worden. Maar zelfs dan is de mens nog niet een werkelijke slaaf van God, een entiteit e.d., maar de slaaf van zijn eigen zwakheid, van zijn weigering om zelf beslissingen te nemen en zelf voor zijn streven en daden verantwoordelijkheid te dragen.

  • Het is mij opgevallen, dat zovele mensen – niet alleen oude mensen – verstrooid  zijn. Hoe komt dit?

De meeste mensen zijn verstrooid, wanneer zij geen werkelijke belangstelling hebben voor het leven, een bepaalde kennis, of een bepaalde verplichting schuwen e.d. Een grote rol speelt verder het feit, dat vele mensen weigeren de werkelijkheid van het leven te aanvaarden en niet volledig in de wereld willen, kunnen of durven streven naar een eigen doel, maar bij voorkeur via een zekere vaagheid zichzelf buiten de werkelijkheid plaatsen. Zij achten bepaalde dingen niet van belang, ofschoon zij dit voor zich niet durven toegeven en zullen daardoor veel, soms zelfs alles, wat met zoiets in verband staat, vergeten.
Een te eenzijdig leven, een te eenzijdig gerichte belangstelling, heeft voor alles, wat buiten streven en belangstelling ligt, dezelfde gevolgen. Dit vergeten wordt op de duur een gewoonte. Jongere mensen, die een werkelijke belangstelling koesteren voor geheel het leven, mensen die werkelijk interesse hebben voor hun taak enz., zijn niet verstrooid. Uitzonderingen moeten gemaakt worden voor hen, die door ouderdom of fouten in de lichamelijke structuur, door een aantasting van denkvermogen, worden geplaagd. Onvoldoende doorbloeding van de hersenschors, zuurstofgebrek dus, kan bv. verstrooidheid in de hand werken. Maar voor de meeste mensen is verstrooidheid alleen maar een ontwijken van onprettige dingen, of een ontwijken van dingen, die voor hen niet belangrijk zijn, zelfs al doen zij, alsof zij vol belangstelling zijn.

Volledigheidshalve voeg ik hieraan toe, dat in de verhandeling van de vorige week een andere mogelijkheid is aangesneden. Verstrooidheid kan nl. ook optreden als gevolg van een verschuiving tussen eigen werkelijkheid en de afstemming van het astrale voertuig, of eigen geestelijke werkelijkheid. Toch meen ik, dat ook daar sprake is van een zichzelf bedriegen, een zich maskeren bv. tot een conformiteit met anderen, waardoor de storing tot stand kwam. Zelfs toenemende onbekwaamheid en onnadenkendheid kunnen vaak aan dezelfde oorzaken geweten worden. Gesteld kan worden: naarmate een mens meer op zichzelf gecentreerd is, meer alleen aan zichzelf denkt, het geheel van de kosmos en het leven beschouwende als iets, wat alleen maar bestaat om hem leven en vreugde mogelijk te maken, zal deze mens minder feiten uit het geheel op kunnen nemen, meer feiten omtrent het geheel vergeten, verkeerd zien en verkeerd begrijpen, zo minder voor die wereld presteren en bereiken en een steeds grotere vervreemding van de werkelijkheid bereiken in eigen beeld van eigen persoonlijkheid.

  • Bestaat er enig bezwaar tegen de crematie van een stoffelijk overschot? Zo ja, welk is dit?

Het spijt mij, dat wij geen grammofoonplaten of zo iets hebben, om aan de 2500ste, 5000ste steller van een vraag uit te reiken. Anders zou men nu hiervoor in aanmerking komen.
Kort gezegd: crematie, is in geen enkele zin feitelijk bezwaarlijk voor de geest. De onbewuste zal weliswaar door de verbranding een hevige, maar korte pijn ondergaan, maar daardoor zich ook weer sneller bewust kunnen worden van zijn werkelijke toestand, en omgeving. De bewuste zal zelfs van het proces geheel niets merken, tenzij hij/zij wenst de plechtigheid gade te slaan.

De bezwaren, die in vele kringen tegen crematie bestaan, zijn hoofdzakelijk voortgekomen uit het geloof aan een persoonlijke lichamelijke opstanding, waarbij de bestanddelen van dit lichaam dus weer tezamen zouden komen. Men realiseert zich de bezwaren hiervan niet. Stel u zich het volgende voor: bestanddelen van een begraven lichaam werden opgenomen door gras. Dit gras werd door een koe gegeten, welke daaruit melk voortbrengt. Met deze melk is een baby gevoed. Wie heeft nu aan het einde der dagen – bij de opstanding dus – recht op die stoffen? Iedereen zal, naar ik meen, wel beseffen dat de bezwaren dus hoofdzakelijk berusten op een verouderd religieus standpunt.
Maar wie aan deze bezwaren gelooft, zal ingeval hij of zij toch gecremeerd wordt, dit proces als een vernietiging van eigen wezen beschouwen, met alle pijnlijke en soms zelfs gevaarlijk voor het bewustzijn vertragende gevolgen van dien. Het blijkt ons steeds weer, dat er geen enkel bezwaar bestaat tegen de crematie op zich, maar voor velen de verbinding van de ideeën: lichaam én voortbestaan of opstanding, de crematie voor onbewusten toch tot een schok kan worden.

  • Het geloof aan de noodzaak van begraven en mummificeren is dus onjuist. In de  oudheid waren er ook ingewijden, die dit hebben geweten. Waarom werd dit dan niet  bekend gemaakt?

In Egypte is inderdaad eens een priester van Anubis geweest, die verklaarde dat het verduurzamen van een lichaam van geen enkel werkelijk belang was en geen invloed had op het al dan niet betreden van het dodenrijk. De man werd kort daarop zelf een mummie, omdat de priesters, balsemers, kruidenverkopers en nog vele anderen hun winstgevende bezigheden niet door de verklaringen van deze ketter wensten te verliezen. Dit is m.i. meteen het antwoord op de vraag, waarom men in deze verlichte eeuw de begrafenisgebruiken niet veel meer vereenvoudigd heeft. Er zijn eenvoudig te veel mensen, die voordeel hebben van de bestaande gebruiken en het bestaande geloof, zodat dezen een wijziging van opvattingen zullen bestrijden en zo mogelijk zelfs de overheid er toe bewegen zulke eenvoudiger begrafenisgebruiken niet toe te staan.

  • Stemt u er mee in, dat de kinderen de katholieke of protestantse catechismus  moeten leren?

Bezwaar heb ik er niet tegen. De kinderen leren wel veel jaartallen ook, waar zij later niets meer aan hebben. M.a.w.: ik vind het systeem van de catechismus dwaas. Het is een doods van buiten leren van regels, zonder dat hiermede een begrip van de godsdienst of de werkelijke waarde daarvan zal worden verworven. Het komt er op neer, dat de kinderen vol worden gestopt met allerhande mooie antwoorden en regels, waarop zij zich later zullen blijven beroepen, zonder ooit de werkelijke betekenis daarvan aan te voelen of te beseffen. Het enige voordeel van een catechismus is, dat zij het mogelijk maakt een mens te examineren omtrent zijn kennis van een godsdienst. Vanuit geestelijk en zelfs vanuit een moreel standpunt acht ik deze methode echter niet verantwoord. Hoe kan een mens iets geloven wat hij van buiten heeft geleerd, zonder de werkelijke achtergronden, de redenen van formulering e.d. te beseffen? Vooral, wanneer hij nimmer heeft geleerd, allereerst de godsdienstige werkelijkheid in zichzelf allereerst aan te voelen en innerlijk te beleven? Het is daarom, dat ik geen bezwaar heb tegen het leervak, maar er minder nut van verwacht dan schade, door afremmen van eigen denken.

Sta mij toe als besluit op te merken, dat de mensen klaarblijkelijk nog steeds trachten hun kinderen vooral alles te leren, waaraan zij later weinig of niets zullen hebben. Zo vertelt men de kinderen nog steeds over de Batavieren, die in uitgeholde boomstammen bij Lobith het land binnen kwamen, terwijl zij ondertussen bier dronken uit de schedels van hun verslagen vijanden. Historisch en volkenkundig is dit kolder, dat weet men tegenwoordig heus wel. Maar de kinderen leren nog steeds dergelijke vaak onjuiste of onvolledige feiten over het verleden.
Maar zij krijgen weinig of geen voorlichting over de oorzaken van de grote crisis, die tussen de beide wereldoorlogen de wereld teisterde. Men besteedt weinig aandacht aan het ontstaan van het communisme, de ontwikkelingen daarvan enz., maar gaat uitvoerig in op de oorlogen die Napoleon eens voerde. M.i. zou het voor de kinderen – en hun begrip van de wereld waarin ook zij zullen moeten leven – veel beter zijn hen voor te lichten over de wijze waarop het fascisme kon ontstaan, over de psychologische factoren, die het mogelijk maakten, dat Hitler aan de macht kwam, of hen tenminste een inzicht te verschaffen in de redenen, die men heeft, om zuiver dictatoriale systemen op het ogenblik als democratisch te beschouwen en te behandelen.
Waarom aan kinderen, de mensen wel vertellen, hoe Karel V zijn intocht hield in Brussel of Antwerpen, wanneer men hen niet wil vertellen hoe en waarom de concentratiekampen in bv. Vught en Amersfoort ontstonden. Het laatste zal ongetwijfeld voor een juiste keuze en houding in hun leven veel belangrijker zijn dan het eerste. Men leert de kinderen vele jaartallen over oorlogen en veldslagen, maar vindt het eenvoudiger hen niet te vertellen, waartoe geweld, oorlog en wreedheid kunnen voeren. Meent men misschien, dat dit voor kinderzielen te schokkend is? Ziet men de kinderen liever dromen over Batavieren, die zich bezuipen met bier, geschonken in de schedels van verslagen vijanden?

Ik wil het onderwijs niet aanvallen, maar meen te mogen stellen, dat bij het leren van de catechismus evenzeer de werkelijkheid wordt ontweken als bij het geschiedenis onderricht, dat ik hier als voorbeeld hanteerde. Hoe weinig immers is alles, wat Jezus de mensen leerde, nog in de reeksen van vragen en antwoorden bevat. Hoe weinig van de christelijke praktijk van deze dagen, haar fouten en mogelijkheden doorklinkt in de stellingen, die de kinderen braaf van buiten moeten leren. Neen. Volgens mij is een christendom, dat gebaseerd is op de gangbare vorm van catechisatie iets, wat niet meer in verband staat met de hedendaagse werkelijkheid. Indien ik stem in het kapittel zou hebben, zou ik zeker zoeken naar een weg, om de kinderen God en de Goddelijke Wetten te laten beleven op eigen wijze, in plaats van een hen voortdurend te confronteren met de fraaie formuleringen van theologen, waarvan de werkelijke betekenis toch aan de kinderen ontgaat, terwijl de meeste theologen daarin reeds lang niet meer geloven.

  • Hoe verklaart u de oorzaak van psychische ziekten?

Het ontstaan van psychische ziekten is op meerdere wijzen verklaarbaar en heeft dan ook meerdere oorzaken. In de eerste plaats, kan de oorzaak zijn: een verstoring van het lichamelijk evenwicht, bv. door verstoring van de evenwichtigheid van de interne secreties, ernstige schokken voor het zenuwstelsel, het optreden van langdurige oververmoeidheid of overspanning. Hierdoor ontstaat bij het individu, een vervreemding van de werkelijkheid, waardoor het optreden van monomane gedachten in de hand wordt gewerkt. Deze kunnen op hun beurt voeren tot ziektesymptomen in het lichaam, afwijkingen van de gedragsnorm en foutieve associaties binnen het denkvermogen.

In de tweede plaats kunnen psychische ziekten ontstaan, indien een mens absoluut geen houvast meer heeft in zijn wereld en zich daarin niet meer weet te oriënteren. In dit geval stelt de mens een deel van zijn wezen onder spanning en leeft hij hierin onder voortdurende druk. Dit deel van het ik wordt dan veelal in het droomleven buitengewoon actief, terwijl ook in dagdromen dit deel van het ik meer en meer tot uiting pleegt te komen. Het verschil, dat in steeds groeiende mate ontstaat tussen het uiterlijk beeld, dat men de wereld toont en wat men volgens eigen inzichten is of wil zijn, veroorzaakt steeds groeiende spanningen, die op de duur niet zijn te dragen. Wederom ontstaat dus een psychische toestand, die ziekelijk is en zowel bepaalde lichamelijke klachten kan veroorzaken – vaak mede om aandacht te trekken, of zich aan een verantwoordelijkheid te onttrekken – maar ook de vorm van krijgen van een schizofreen gedragspatroon, waarbij afwisselend bepaalde facetten van de persoonlijkheid op een redelijk niet te volgen of te controleren wijze op de voorgrond treden.
In dit laatste geval zal eigen gedrag in toenemende mate op eigen dromen gebaseerd zijn, waarbij de werkelijkheid steeds meer wordt ter zijde gesteld. Deze groei gaat voort tot een vorm van krankzinnigheid toe. De psychische ziekte is dus een van de mogelijkheden, om aan deze krankzinnigheid, die geheel van de wereld pleegt te vervreemden, te ontkomen. De andere oplossing is in dit geval, de erkenning dat een van de door anderen gestelde normen afwijkend gedrag, het handhaven van de normaliteit in andere opzichten mogelijk maakt. Helaas zijn er vele mensen, die zich liever op een kwaal beroepen en deze dan door zelfsuggestie tot een lichamelijke werkelijkheid maken.

Dan kan een z.g. psychische ziekte ook nog ontstaan, wanneer men in strijd is met eigen geloofs- of zedenwaarden. Ook kennen wij een strijd van eigen wezen en gewoonten met innerlijke geestelijke erkenningen als oorzaak. Een rol kan hierbij bv. gespeeld worden door het innerlijk als – belangrijk of onbelangrijk – erkennen van taak, persoonlijkheid e.d. in strijd met eigen vroegere voorstelling. Er zijn meer bronnen te noemen. Allen hebben zij echter één ding gemeen: de mens zal in zijn psychische ziekten – zij het door een lichamelijke kwaal te doen ontstaan, of door het scheppen van een waan – een grote afstand tussen zich en de wereld trachten te scheppen, zich aan bepaalde aansprakelijkheden in die wereld trachten te onttrekken, daarbij anderzijds een beroep doende op die wereld, om daaruit meer dan de normale rechten te verwerven.

  • Kan men geen afwijking van de geest bij de geboorte mee krijgen?

Neen. Een afwijking van de geest kan men niet bij de geboorte meebrengen. Ik meen niet, dat wij geboorteafwijkingen, die mede het denkvermogen van de mens betreffen, als psychische ziekten mogen aanspreken. Dan immers zouden wij bv. mongoloïde kinderen, met eenvoudig denkvermogen geborenen of idioten enz. onder de geestelijk zieken moeten rekenen. In deze gevallen echter hebben wij te maken met een afwijking van de lichamelijke ontwikkeling tijdens de prenatale periode ofwel met een, door ongunstige verhoudingen in de chromosomen veroorzaakte afwijkingen in de ontwikkelingsmogelijkheden van de beginnende vrucht. Dergelijke oorzaken echter moeten m.i. als zuiver lichamelijk worden beschouwd en kunnen niet gerekend worden onder de psychische ziekten.

Er blijft echter toch een punt over, wat door mij niet genoemd werd, maar – nu u over het kind spreekt – toch wel degelijk bij de besproken kwalen past: de spanningen in de omgeving, die op het kind een zeer grote invloed uit kunnen oefenen en daarbij bepaalde verschijnselen in het denkvermogen teweeg brengen, die niet onmiddellijk ziekelijk zijn, maar door hun uiting doen denken aan zwakzinnigheid e.d. Ik denk hierbij onder meer aan leesblindheid, woordblindheid. Dezen komen namelijk vooral tot uiting, wanneer een kind in een zeer ongelukkig gezin leeft, ofwel in de eerste levensjaren daarvan getuige is geweest, waardoor de volwassenen te veel van het kind hebben geëist, of onmatig veel belangstelling en aandacht aan het kind hebben gegeven. Dit is natuurlijk alleen bij wijze van voorbeeld, want de reeks van oorzaken kan aanmerkelijk uitgebreid worden. Men is geneigd om bij dergelijke afwijkingen te spreken van een minderwaardigheid, of een, zij het beperkte, meerwaardigheid.
Door velen wordt een afwijking van de norm beschouwd als een boven het gemiddelde bekwaam zijn, geniaal zijn e.d. Maar waar de massa zelf, door haar bestaan alleen, de norm stelt, is het beantwoorden aan de normen voor de mens een noodzaak. Een zich vasthouden aan de normen kan dus niet zonder meer een meer- of minderwaardigheid betekenen dan wel tot abnormaliteit voeren. Eerder kan men zeggen, dat alle verzet tegen de in de wereld buiten het ik bestaande normen – ook bij genoemde kinderen voorkomende, maar zeker in even sterke of sterkere mate bij psychisch zieken – dan tot abnormaliteit enz. leidt.

In dit verband wil ik er op wijzen, dat het voor de mens noodzakelijk is de bestaande normen in de wereld te aanvaarden, zelfs indien hij voor zich ervan af kan en/of moet wijken. Hierbij onderscheiden wij dan nog werkelijkheid – hetgeen in feite zo is en bestaat – en Maya – de reeks van voorstellingen, ideeën en maatstaven, die niet voortkomen uit de bestaanswerkelijkheid, maar uit het denken van de mens. Wij zouden zelfs terecht kunnen stellen, dat het menselijke denken de mensen doet leven in een wereld – en met maatstaven – die zowel uit een dierlijk als een geestelijk standpunt irreëel zijn. Maar dit is nu eenmaal de norm van het bestaan als mens. Laat ons niet over het hoofd zien, dat het mede hierdoor is, dat de mens zijn bewustwordingsmogelijkheden vindt.

  • Kunnen oogziekten ook een psychische achtergrond hebben?

Dat kan natuurlijk wel. Toch meen ik, dat wij bij oogziekten wel in de eerste plaats na zullen moeten gaan, of er geen lichamelijke oorzaken zijn. Een vertroebeling van het oogvocht bv. zal in de praktijk nimmer psychisch veroorzaakt worden. Hetzelfde geldt voor staar. Wel wordt door psychische spanningen soms een vermoeidheid van de spieren veroorzaakt, die het oog moeten aanpassen en het focus bepalen; het kan dus voorkomen, dat deze door zuiver psychische oorzaken weigeren juist te functioneren. Daarom zou men misschien kunnen stellen, dat overmatige cerebrale bezigheden voeren – ongeacht het gebruik dat van de ogen zelf wordt gemaakt – tot bepaalde vormen van kortzichtigheid. Een voortdurend bezig zijn met waarden en dingen, die ver buiten je eigen bereik liggen, kan psychisch aanleiding worden tot vormen van verziendheid. Dit geldt echter wel vooral, indien deze fouten optreden bij jongeren. Bij ouderen zullen de afwijkingen eerder kunnen toegeschreven worden aan de normale spierverzwakking.

  • Wanneer een vrouw een schok krijgt, terwijl zij een baby verwacht, kan dan het  trauma tot allergische ziekten als astma, enz. voeren?

Neen. Niet tot allergie. Wel kunnen zich bij het kind later bepaalde fobieën openbaren als gevolg van een dergelijk trauma, vooral wanneer de schok gedurende de laatste 3 maanden van de zwangerschap plaats vond. Wij hebben dan te maken met ruimtevrees, hoogtevrees, angst voor besloten ruimten enz. Deze en dergelijke fobische verschijnselen zullen dus vaak op een prenatale schok terug te voeren zijn, vooral wanneer zij bij kinderen optreden. Daarnaast blijken dergelijke trauma’s invloed te hebben op afwijkingen van het gedrag i.v.m. de geldende seksuele normen en/of een grote invloed hebben op de benadering van de wereld vanuit het ik.
Allergische verschijnselen als astma enz. zijn veelal het gevolg van een te sterk gespannen zenuwtoestand, die dan weer voort kan komen uit de – door de ouderen meestal niet of onvolledig erkende – fobische gesteldheid van het kind. Men wordt dus niet als gevolg van een dergelijk trauma geboren met astma, eczeem e.d. Deze kwalen kunnen wel als geboortefactor voortkomen uit een sterk vertegenwoordigd zijn van erfelijke waarden in die richting bij vader en moeder. Bepaalde allergieën, dus niet alle, blijken ook terug gevoerd te kunnen worden op de voedingsgewoonten van de moeder gedurende de zwangerschap, en wel voornamelijk vanaf de vierde maand. Eenzijdigheid van voeding bij de moeder, plus erfelijke aanleg in meerdere of mindere mate kunnen dus ook wel aansprakelijk zijn voor het feit, dat sommige kinderen worden geboren met astma enz.

  • Het kind houdt een factor van risico in voor de maatschappij. Is het niet daarom,  dat het in feite gevreesde kind zovele offers moet brengen aan levensruimte, ontwikkelingsmogelijkheden naar lichaam, gevoel en verstand?

In de eerste plaats wil ik opmerken, dat het kind een bestaansverzekering is voor de maatschappij. Vandaar dat de maatschappij – dus niet de ouders – het kind altijd zal begeren, zelfs indien er geen plaats voor is, zelfs indien dit ten koste van het kind en de ouders zou gaan. Want door jonge mensen wordt de maatschappij gecontinueerd, niet door de ouderen die, met alle respect overigens, de neiging tonen, te verstarren. Dit punt heeft u bij de vraagstelling over het hoofd gezien.

Het tweede deel van uw vraag stelt, dat het kind offers moet brengen. Is dit waar? Volgens mij niet. In zijn opvoeding en leefwijze dient het kind zich echter wel aan te passen bij de gemeenschap waarvan het deel uitmaakt. Naarmate die aanpassing rigoureuzer wordt, zal het kind zich – vreemd genoeg – gelukkiger voelen. Want het kind op zich zoekt in de jeugd de bescherming van de gemeenschap. Zelfs het oudere kind zoekt niet de uiting van eigen wezen in de eerste plaats, maar de eenvormigheid met anderen. Dit is overigens een psychologisch verschijnsel, dat wij bij elk kuddedier terug vinden.
Ook de mens leeft in gemeenschappen, kent gezagsverhoudingen en gedragsregels en kan dus in dit opzicht met een kuddedier worden vergeleken. Het ontbreken van een strakke leiding echter brengt het kind er toe meer te eisen, dan het zelf verwerken of aanvaarden kan, meer te willen dan het weet feitelijk ooit te kunnen doen. Zo zijn het juist de meer verwende kinderen die, tezamen met de te vrij gelaten kinderen, de grootste offers brengen. Ook al beseffen de ouderen dit tegenwoordig niet meer. Juist door een te veel aan vrijheid, een tekort aan gebondenheid – in de jeugdjaren ervaren – zal men later het offer moeten brengen van ofwel een voortdurende zelfoverwinning dan wel een voortdurende rebellie. En geen van beiden is aangenaam.

  • Waarom werden er dan vroeger zoveel kinderoffers gebracht?

Dit ligt op meer magisch terrein. Men offerde het kind, niet omdat het onbelangrijk was en gemist kon worden, maar omdat dit de meest kostbare gave was, die men de goden kon bieden. Het kind werd namelijk haast overal beschouwd als een gave van de goden, of een geschenk van God.

Verder betekende het kind zekerheid voor de ouders, wanneer deze niet meer in staat zouden zijn zelf te werken of zelf hun bezittingen naar behoren te beschermen. Juist daarom meende men, dat men een godheid het beste kon vertederen, het best gunsten van hem kon verwerven, door de godheid de kostbare gave aan te bieden die hijzelf de mensen geschonken had, ja, uit de kinderen de besten en edelsten te kiezen, zo de god als het ware omkopende met het beste, wat men maar offeren kon. Deze opvattingen waren in de oudheid zeer verbreid. U vindt ze onder meer terug in de bijbel, wanneer Abraham probeert Izaäk te offeren.

  • Maar in vele gevallen werden toch misdadigers geofferd?

Pardon. Misdadigers werden nimmer geofferd. Wel krijgsgevangenen. Zelfs offerde men aan de belangrijke goden niet alle krijgsgevangenen, maar bij voorkeur alleen die gevangenen, die door dapperheid en strijdlust hadden uitgeblonken. Misdadigers werden afgemaakt, gemarteld, als voedsel voor heilige dieren gebruikt enz. Heldhaftige krijgsgevangenen werden dan wel in het eigen volk opgenomen, dan wel aan de goden geofferd. Minder moedige en edele krijgsgevangenen werden slaven – koopwaar – of werden eenvoudig afgemaakt. Ook hier weer: de goden offerde men alleen mensen die door houding, moed, afkomst, de goden waardig waren. Dit alles kunt u in de geschiedenis terug vinden.

  • Is het zo, dat een moordenaar(es) soms in volgende incarnatie vader of moeder  wordt van zijn/haar slachtoffer? Wat acht u de waarde, wat de mogelijkheid van dit  beginsel?

Dit is iets, wat uitermate zelden voorkomt. Wanneer het voor zou komen, zou toch in ieder geval aan de volgende condities voldaan moeten zijn. Ten eerste zou er geen haat meer mogen leven bij de moordenaar of moordenares. Daarnaast is een vergeven van de daad, ja, zelfs een begrip daarvoor bij het slachtoffer noodzakelijk. Door de geestelijke banden, die in de sferen aan de hand van deze verhouding ontstaan, zou dan een dergelijke incarnatie inderdaad mogelijk zijn. Zonder dat aan deze voorwaarden is voldaan, komt het genoemde verschijnsel nooit voor. Ik acht dan ook de waarde van dergelijke incarnaties, gezien de daaraan voorafgaande geestelijke bewustwording, zeer waardevol, maar meen niet, dat er hier van een beginsel gesproken kan worden.

  •  Zou u een enigszins verklaarbare uitleg kunnen geven van het begrip vierde  dimensie?

De vierde dimensie is de krachtinhoud of verhouding, die men in de tijd wel “duur” noemt. Zij is dus als het ware datgene, wat als werkelijke waarde van duur aan de andere zijde van het tijdservaren ligt. Als zodanig houdt dit begrip verder in, dat de ruimteverdeling in drie afmetingen, treffende onder een hoek van 90° nu vier gelijkwaardige doch verschillende richtingen of waarden omvat, waarbinnen alle ruimtelijke en alle in tijd bestaande verhoudingen kunnen worden uitgedrukt en omvat. Zoals u ziet, is het moeilijk dit in voor iedereen begrijpelijke termen te definiëren. Het bestaan van en rekenen met een vierde dimensie houdt verder nog in, dat verschillen, die 3-dimensionaal aanwezig zijn, 4-dimensionaal opgeheven kunnen worden en wel zodra de verschillende producten van de driedimensionale waarden, plus de factor tijd of duur een gelijk product op leveren.

Om dit duidelijk te maken een voorbeeld: Amsterdam 9 uur 30 en Boston om 7 uur 37 – op een andere dag desnoods – leveren 4-dimensionaal een gelijke waarde op. Dan beschouwen wij deze beide op aarde ver uiteen gelegen plaatsen in de 4de dimensie niet alleen als gelijk, maar als identiek. In de vierde dimensie bestaat er op een bepaald ogenblik geen verschil en zijn beiden een geheel. Een mens met begrip van de vier dimensionale waarde zou dus op een bepaald ogenblik van de ene plaats naar de andere kunnen gaan, zonder ruimte te doorschrijden, maar in de andere plaats dus een ook gewijzigde tijd aan treffen. Dit mag u echter niet vergelijken met alles, wat u gehoord hebt over de wijze, waarop men zich in de geest verplaatst: dit berust op een geheel andere wijze van bestaan, waarbij het geheel van de dimensionale verhoudingen gewijzigd is.

Ik heb mijn best gedaan, om in korte woorden dit redelijk duidelijk te maken. Indien u het echter nog eenvoudiger wilt uitdrukken, dan kan dit, door de redelijke termen door gevoelswaarden te vervangen: de vierde dimensie is de eeuwigheid Gods, zoals zij zich uitwerkt door de tijd, terwijl zij zichzelve gelijk blijft.

  • Acht u in de huidige omstandigheden eenzijdige ontwapening verantwoord?

Vanuit een geestelijk standpunt is dit onvermijdelijk. Alleen op deze wijze zal men kunnen ontkomen aan een steeds groeiende haat en niet meer te beheersen geestelijke en materiële spanningen. Vanuit een stoffelijk standpunt: “Wij moeten houden, wat wij hebben”, is eenzijdige bewapening echter onverantwoord. Alle grootmeesters uit de geest, die op de wereld waren, ook Jezus zelf, hebben geweldloosheid gepredikt, zelfs indien dit tot hun eigen dood zou voeren. Daarom is eenzijdige ontwapening een oplossing van de bestaande spanningen en verwarringen in waarlijk christelijke zin.

(verkort)

image_pdf