Vragenavond: 1961-03 – Invloeden van de geest op de stof

image_pdf

23 maart 1961

We zijn niet alwetend of onfeilbaar. Mogen wij dan ook vragen zelf over de gebrachte stof na te denken. Vooreerst de vragen die u over het algemeen cursusonderricht te stellen hebt.

  • Graag wat verduidelijking omtrent de onderstaande paragraaf uit het verslag  van 21 februari 1961 – De magie der gedachten – waarin wordt gesteld:
    “we stellen hier, in de 1e plaats: De geest komt op aarde om te leren. Haar volmaakte bereikingen zal zij dus niet zo sterk in die stof afdrukken als juist haar problemen. Wanneer wij nu uit de geest gedreven worden – haast buiten onze eigen wil en vermogen om – tot een reeks van ervaringen, zo impliceert dit dat dit voor onze bewustwording noodzakelijk is. Ons verzetten tegen het onvermijdelijke is niet alleen een verspilling van krachten, maar in vele gevallen tevens een verzet tegen waarden en invloeden die voor ons geestelijk noodzakelijk zijn. Zo kan een dergelijk verzet onze bewustwording aanmerkelijk belemmeren, beperken of tot stilstand dwingen”.

Ja vrienden, wanneer wij proberen op deze manier dus de invloeden van de geest op de stof helemaal te definiëren, dan kunnen wij het beste denken aan een slaapwandelaar. Een slaapwandelaar volvoert een reeks handelingen die in zijn droom logisch zijn, die hij in motorisch bewegen omzet, maar die hij zichzelf niet realiseert.

Leven is voor de geest in zekere zin een soort slapen, zij onttrekt zich dus aan haar eigen geestelijke wereld en bestaan, blijft daarmee weliswaar verbonden en in contact, maar haar beleven zelf spitst zich toe op aarde in het lichaam. Ik wil trachten om enkele voorbeelden hiervan te geven.

De geest is in zichzelf volledig bewust en zou kunnen worden gerekend tot de ingewijden. Zij erkent echter in zichzelf dat haar verhouding ten opzichte van het lijden van mensen niet juist is. Zij incarneert, nu zal zij dus lijden moeten ondergaan. In de 1e plaats zoekt zij haar lichaam daar te plaatsen waar lijden waar te nemen is. Blijkt die waarneming voldoende, dan zal de geest – dus niet het lichaam – drijven tot allerhande conflicten. Maar blijkt dus in dit stoffelijk leven het lijden van anderen eigenlijk aan het ‘ik’ voorbij te gaan, of blijken delen daarvan niet begrijpelijk, dan zal dat lichaam zo ver moeten worden geprest, dat het ook zelf de toestand kent en ondergaat. Nemen wij hiervoor een pleegzuster:

De geest dus wordt pleegzuster en is regelmatig in het ziekenhuis bezig met het helpen en verzorgen van zieken maar kan zich niet voorstellen hoe die zieken zich voelen. Daardoor handelt zij, naar eigen inzicht, kordaat, tegenover de zieken vaak hard of onredelijk met weinig begrip. Nu gaat zich dat uitwerken: de geest dringt aan de stof onregelmatigheden op. Dat kan zich in een eenvoudige ziekte openbaren, maar heel vaak ook in een ernstige ziekte, kanker bijvoorbeeld. In dit geval maakt die persoon, die eens andere zieken behandeld heeft, nu een soortgelijke behandeling van anderen mee en kent nu het lijden vanuit twee kanten.

Wanneer tot een aanvaarding van dat lijden gekomen wordt, de mens dus in staat is dit te accepteren en zich daar als het ware bovenuit te worstelen, is aan het geestelijk probleem voldaan.
Het gevolg zal zijn: ofwel de dood – dus het lichaam wordt achtergelaten – dan wel, wanneer nog andere doeleinden nagestreefd moeten worden, een stilstand van de ziekte die tijdelijk onbelangrijk wordt.

Op deze wijze heeft de geest dan haar eigen wensen in de stof vervuld. Nu lijkt dat erg wreed, dat de eigen geest bijvoorbeeld een gevreesde ziekte als kanker veroorzaakte. Feitelijk echter is dat niet het geval, want voor de geest is dit tijdelijk, zij is niet volledig één in haar gehele wezen met de stof, maar zij drukt daarin als norm van haar bewustzijn hoofdzakelijk haar problemen af.

Nu kunnen we de zaak ook omkeren.

Er is een mens die, in de stof levend, een behoefte voelt bijvoorbeeld aan harmonie. Die harmonie kan op 1001 wijzen gezocht worden. Nu stellen wij dat deze mens een magisch esoterische weg neemt. Die mens gaat nu allerhande bezweringen uitspreken, die mens gaat zich bezig houden met het instralen van Kracht bij anderen en al wat erbij hoort. Wat is het gevolg? Deze mens wordt enerzijds in de stof met grotere geestelijke Kracht geconfronteerd en staat anderzijds voor het onbegrijpelijke. Hij moet tot aanvaarding komen. Alleen wanneer er een aanvaarden is van de Kracht buiten de rede, dan blijkt zijn werk volledig te kunnen lukken. Het gevolg is dat deze mens leert ook met niet redelijk gedefinieerde Krachten en niet volledig gekende Krachten tot harmonie te komen. Dit brengt voor de geest met zich mee dat zij nu ook reageren kan op wezens die waarden in zich dragen die zij niet kennen kan en daaruit zal kunnen leren in haar eigen wereld. Voor de mens in de stof betekent dit dat geestelijke en stoffelijke waarden volledig met elkaar samen vloeien.

Ik wil een 3e en laatste voorbeeld geven om alle aspecten van deze zaak zoveel mogelijk te belichten. Er is een mens geboren en de geest daarvan heeft gezocht naar eenheid. Die eenheid kan in de geest het makkelijkst en praktisch alleen bereikt worden wanneer men zijn eigen ik prijs geeft aan het Hogere. Dus een soort zelfontkenning. Nu kan het gebeuren dat een dergelijke mens in de stof, helemaal niet denkend aan het geestelijke, een groot aantal liefdesavonturen begint. Maar het eigenaardige is, op een gegeven ogenblik, zonder enige voorwaarde of conditie, komt zo’n mens tot overgave. Dus hij stelt helemaal geen eisen meer die in verband staan met stoffelijke zeden, of moraal, of rechten. Die mens geeft zich. In dit geven is dan de uiteindelijke overgave gevonden die in al dat stoffelijke werd gezocht. Men zou kunnen zeggen: zo heeft deze mens in dingen die stoffelijk verwerpelijk worden geacht – zelfs soms desondanks – het probleem van de geest aanvaard en uiteindelijk stoffelijk tot oplossing gebracht, terwijl de emoties daaruit voortkomende voor de geest een mogelijkheid betekende om ook die eenheid en overgave ten opzichte van het Hogere geestelijk te bereiken zodra het lichaam ter zijde werd gelaten.

  • Aan de hand van uw 1e voorbeeld kunnen we dan stellen dat de geest, als hij reïncarneert, speciaal een vrouwelijk lichaam gekozen heeft en dat hij wist dat ze ziekenverpleegster ging worden?

Ja. Wel te verstaan dat de kennis van het vrouwelijk lichaam dus inderdaad aanwezig was. Wij nemen aan dat die geest bewust is, vandaar dat ik zeg: praktisch ingewijd. Dat moest ik vooropstellen. Die geest is dus in staat aan de hand van chromosomen reeds te zien wat voor een voertuig er ongeveer zal uit voortkomen. In de 2e plaats weet die geest in wat voor een omgeving zij leeft en dus ook dat zij binnen die omgeving de mogelijkheid zal hebben om dat lichaam in de richting van dat pleegzuster worden sterk te beïnvloeden. Er kunnen omstandigheden zijn die bijvoorbeeld daar een liefdezuster van maken, een geestelijke zuster dus. De wijze waarop is niet bepaald, dat kan zuiver lekenwerk zijn, het kan religieus worden binnen een organisatie, dat kan zijn een eenvoudige verpleging van personen, van particulieren. Dat is niet alles te overzien en ontwikkelt zich aan de reeks van de gebeurtenissen van het leven. Maar dat deze mogelijkheid bestaat is dus primair bekend aan de geest.

  • Dan moeten we tot de conclusie komen dat we geleefd worden en niet leven?

Wanneer u uw stoffelijke persoonlijkheid stelt als het ware ‘ik’ en de geest niet als deel van het ik beschouwt, heeft u voor een groot gedeelte gelijk. Het is namelijk zo dat de geest een groot aantal van uw tendensen, zowel als van uw problemen veroorzaakt en daarmede dus ongetwijfeld de richting die uw leven in zal gaan bepaald. Het houdt niet in dat u daardoor in alle kleinigheden gebonden bent, integendeel, u behoudt een betrekkelijk grote vrijheid tot het variëren binnen de probleemstelling die de geest heeft gegeven. Maar indien de geest werkelijk bewust is – dit moet voorop worden gesteld, er is dus een bewuste keuze – dan zullen de problemen die ontstaan daar dus uit voortkomen. Nu kan een auto ook zeggen: ik rijd niet, ik word gereden. Maar eigenlijk is het allebei waar. De auto wordt gereden zover het de besturing aangaat, de auto rijdt in zover zij de beweegkracht opbrengt, waardoor de inzittende die stuurt zich in de gewenste richting kan bewegen. In feite vormen zij in deze periode een twee-eenheid, waar geen van beide zonder de ander tot een volledig resultaat zal kunnen komen.

  • Maar dan heeft het voertuig toch de minste vrije wil?

Dat is ongetwijfeld waar. Als wij verder willen gaan en het voertuig bezien, kan praktisch worden gesteld: het voertuig heeft geen vrije wil, waar het voortdurend onderhevig is aan zijn erfelijke en natuurlijke tendensen en zich daar slechts zelden onderuit kan worstelen zonder dat direct hierbij een ingrijpen van de geest een rol speelt. Met andere woorden, altijd zal het de geest zijn die het feit van de vrije wil volledig concreet binnen een stoffelijk leven stelt, het lichaam zelf zal dit slechts zeer beperkt – in de praktijk zelfs bijna niet – doen.

  • Ja, hoe moeten we dan staan als genezer tegenover een zieke, als u zegt dat die ziekte bijvoorbeeld moet doorgemaakt worden en wij willen die mens helpen?

Dan zullen we die mens de hulp geven zo goed als we kunnen, ondanks alles. Want, wanneer het noodzakelijk is dat dit lijden, alles, zo wordt doorgemaakt, dan zullen we dat nooit kunnen voorkomen. Maar indien er een mogelijkheid is om dit milder te stemmen, wanneer onze hulp en onze vrij gegeven bijstand dus voor de zieke ook geestelijke inhoud en betekenis gewint, zal dit ongetwijfeld voor die geest een bewustwording zijn en wordt het dus ook mogelijk voor haar, haar drang van ziekte op het lichaam aanmerkelijk te verminderen.

Er mag worden gesteld dat geestelijke gezondheid en daaruit onmiddellijk voortvloeiend psychische gezondheid, uiteindelijk tot fysieke genezing en gezondheid zullen leiden. Vandaar dat we de hulp nooit kunnen geven met de zekerheid dat hetgeen wij verlangen zal gebeuren, maar wel met de zekerheid dat het resultaat ervan voor de persoon die wij trachten te helpen het beste is.

  • Als gevolg daarvan zouden we kunnen zeggen, in plaats van: “Als het Gods wil is”, “Als het de wil van de geest is”?

Ja, dat mag u ook rustig zeggen waar het de mens betreft, indien u daarbij tenminste stelt dat de wil van de geest bepaald wordt door de wetten Gods, die Gods wil uitdrukken en als zodanig de totale bewustwordingsgang van de geest hebben bepaald. Evenals het streven zelf, dat de geest voortdurend voort doet gaan, de Goddelijke Kracht zelf is, die als ziel deze geest in stand houdt en helpt ontwaken tot werkelijkheid. Er is dus een beperking bij, maar vanuit uw eigen standpunt mag u zeggen: het is de wil van de geest die binnen de Goddelijke Wetten zoekt zichzelf en in zichzelf en door zichzelf God te kennen.

  • Als de mens dan handelt, overtuigd dat hij goed doet, kan hij dan eigenzinnig genoemd worden?

Ongetwijfeld. Wanneer namelijk het idee van ‘het goed doen’ niet een direct voortvloeisel is uit de geest, maar eerder een resultaat is van een zekere eenzijdigheid in denken, dus in de stof. Iemand is eigenzinnig op het ogenblik dat hij, alleen van eigen standpunt uitgaande, weigert om andere mogelijkheden ook maar te aanvaarden of te bezien. Dus eigenzinnigheid kan zeer goed een zuiver mentaal verschijnsel zijn, dat misschien mede uit de geest is voortgekomen, die de probleemstelling nodig had, maar die daaraan allang geen behoefte meer heeft.
Het is namelijk zo dat het denken van de mens een bepaalde traagheid bezit en deze traagheid kan als volgt worden geformuleerd: naarmate het eigen denken een langere tijd volgens een bepaalde gewoonte en een bepaalde gang heeft gelopen, zal het moeilijker zijn deze gedachteketen te onderbreken en haar door een meer ware en op het ogenblik ook voor de geest meer nuttige te vervangen. Van daaruit zou ik van eigenzinnigheid willen spreken op het ogenblik dat een invloed, die misschien eens door de geest werd gelegd, niet meer geestelijk noodzakelijk is, maar aan de hand van stoffelijke gewoonten en gedachten vaak tegen de behoeften van de mens in – stoffelijk en geestelijk tegelijk – wordt volgehouden, zo conflicten veroorzakend op velerlei terrein.

  • Dus wordt een mens bijvoorbeeld eigenzinnig gestart, om zo te zeggen, gelijk een automotor die gestart wordt en die aan het rijden geraakt in de eigenzinnige richting?

Ja, inderdaad. Maar wanneer een bepaald toerental bereikt is – om in uw voorbeeld te blijven – weigert die in de volgende versnelling over te schakelen, waardoor de motor oververhit wordt met al de gevolgen van dien.

  • Een soort geestelijk automatisch zenuwstelsel dus?

Nou, dat heeft met de geest weinig te maken.

  • Ja, om bijvoorbeeld in de stof duidelijk te maken, omdat we nu toch dik in de stof aan ‘t praten zijn.

Kijk eens, wanneer u dat nu weer op de geest gaat werpen, dan maken we een fout. De kwestie is dus deze: we mogen stellen dat het vaart wisselen in de auto bijvoorbeeld en het op snelheid blijven automatisch is, maar dat dit vaart wisselen dus niet – wanneer het volgens de bestuurder plus de snelheid eigenlijk gewenst zou zijn – overgaat in een volgende en hogere versnelling, waardoor dus schade ontstaat. Hierbij is dus de fout gelegen in het mechanisme, inderdaad.

De geest zelf heeft daar niets mee te maken. En nu is het dus een feit dat de stof door gewoontevorming op de duur in een zeer bepaalde richting gaat leven en denken. En het kost de mens vaak moeite daar onderuit te komen. Er ontstaat dan een zekere gemakzucht, of ja, wat wij dus eigenzinnigheid hebben genoemd en daardoor houdt men zich aan hetgeen men eenmaal heeft gesteld. Dit belemmert de geest vaak in het verder volvoeren van haar eigen taak zoals ze dit wenst.

  • Maar is het dan niet moeilijk voor de mens om te weten op welk ogenblik dat het dus niet meer nodig is voor de geest van eigenzinnig te zijn? Hij blijft dus voortlopen in de richting waarin hij gestart is, kan hij die overgang dan aanvoelen?

Op het ogenblik dat de eigenzinnigheid tot een conflict leidt, waarbij blijkt dat eigen opvattingen, eigen handelwijze, eigen denkwijze enzovoort, in feite niet geheel te handhaven zijn aan de hand van de gevolgen, is het ogenblik reeds gekomen dat deze eigenzinnigheid – of welke instelling dan ook – ten einde moet komen. Men moet aan de hand van het conflict namelijk leren tot de juiste aanpassing te komen, dit is het immers wat de geest gewenst heeft. Dus op het ogenblik dat er werkelijk grote en blijvende conflicten ontstaan, is het ogenblik reeds gekomen om eigen instelling te wijzigen.

De punten namelijk die voor u belangrijk zijn, liggen voor een groot gedeelte althans op het terrein van de persoonlijke aanpassing. De vraag die steeds weer bij de mens zal rijzen, is onmiddellijk gelieerd aan zijn hanteren van de zuiver materiële maatstaven die op een bepaald ogenblik gelden. Deze mens realiseert zich niet dat wat heden verwerpelijk heet, morgen een deugd genoemd zal worden en omgekeerd. Hij zal zich evenmin realiseren dat hetgeen hij thans zo sterk veroordeelt in de voorbije dagen een grote zegen voor de mensheid was en het misschien weer kan worden. Het gevolg is dat wij bij de doorsnee mens en zeker bij de mens die deze weg van de magie en esoterie gaat, een grote aarzeling aantreffen om minder conventionele begrippen voor zichzelf te aanvaarden. Die aanpassing ligt dan als volgt:

Wat in de kosmos ligt en leeft is uit het goddelijke. Er is niets wat niet goddelijk is. Ook niet hetgeen thans verwerpelijk heet! Er bestaat niets in stof en geest dat niet uit God is! Voor elke mens en voor wat dat betreft ook voor elke geest, is het dan ook niet belangrijk om een oordeel uit te spreken, waardoor het gedrag van anderen en de waarde van anderen wordt bepaald, maar wel om de maatstaf te vinden voor zichzelf, waardoor hij binnen al hetgeen hij doet, denkt, erkent, dus toch God en goddelijke waarden wedervindt. Dit betekent over het algemeen voor hem dat hij in zijn aanpassing nimmer een vaste maatstaf mag hanteren voor de buitenwereld.

Wat hij wel mag doen, is dit: hij mag, zo ver het hem mogelijk is, zijn eigen maatstaven in eigen leven van toepassing verklaren. En wel zolang deze maatstaven niet in zijn eigen wezen een gedachte, die minder lichtend of minder goddelijk is, doen opkomen. En indien hij overtuigd is dat hij, volgens zijn beste begrippen, ook de buitenwereld niet door zijn eigen handelingen of daden van het goddelijke af zal voeren.

Hier zien wij de mens heel vaak komen tot de conclusie: Ja, maar voor mij zijn deze dingen goed en noodzakelijk, een ander neemt daaraan aanstoot, dus mag ik dit toch niet doen. En dat is een fout in redenering. Wanneer u het opzettelijk zo doet dat u een ander aanstoot geeft, dan bent u schuldig. Want nu is het concept (van anderen storen) het niet lichtende dus of zelfs duister in u aanwezig. Zolang daarvan geen sprake is echter, is het zich stoten aan de dingen, zich ergeren aan de dingen, een kwestie die alleen de anderen aangaat en die dan ongetwijfeld behoort tot zijn deel van de bewustwording.

Gezien het magisch aspect dat in alle dingen is gelegen, ik herinner u aan de zinsnede: “in alle dingen is God en uit alle dingen kan God tot ons spreken”, is het mogelijk om alle, maar dan ook alle functies van stof en geest een sacraal karakter te geven, te maken tot een onmiddellijke uitdrukking van een band met de kosmos en het goddelijke zelf.

De magiër die hiervan gebruik maakt, heeft zich allereerst te richten tot zijn eigen wezen, zijn eigen denken, zijn eigen vermogen. Hij is nooit beter of slechter dan een ander, ook wanneer hij ook alle goddelijke krachten die er zijn onmiddellijk tot openbaring en uiting brengt. Het wonder is nimmer een bewijs van geestelijke status. Het is slechts een openbaring van de goddelijke kracht. Niet van de status van degene door wie die openbaring plaats heeft, getuige de bekende zegswijze dat God van vele vreemde werktuigen gebruik maakt, om zijn wil te doen werken aan de mens.

Belangrijk is alleen het verband dat wij innerlijk vinden met de godheid. Dit verband vinden wij dus door bepaalde delen van ons leven, werken, of denken, een sacraal karakter te geven. Wij kunnen van elk deel van ons leven bijvoorbeeld een soort offerande maken, of een erkenning van de Goddelijke Liefde, of een erkenning van de Goddelijke Wijsheid, de Goddelijke Kracht.
In deze erkenning ligt de grote esoterische waarde besloten van elke bewustwording, zeker van een bewustwording die de magische weg kiest.

Wat wij voor anderen zijn, wordt nimmer bepaald aan de ander, maar slechts wat wij zijn ten opzichte van God in de ander telt. Ik weet dat dit natuurlijk menig idee van menselijke relatie en verhoudingen wat moeilijker maakt. Toch is het de moeite waard hierover na te denken. Want u mag als mens precies zo doen, denken en handelen als u wilt, daar kan niemand bezwaar tegen hebben, mits u dit doet met het Lichte voor ogen, het goede voor ogen.

Wanneer u zich echter gaat richten op een medemens in plaats van op God, zoals deze zich daarin openbaart, maakt u het uzelf onmogelijk een kosmische harmonie te beleven. Het is voor de esotericus en de magiër dan ook niet goed om zich volledig aan personen, dingen, wetten, of toestanden te binden. Deze binding mag uiterlijk gehandhaafd zijn, zij mag echter innerlijk niet bestaan. De erkenning van eigen verhoudingen ten opzichte van anderen is altijd secundair ten opzichte van eigen verhouding ten opzichte van de Godheid.

De juiste erkenning van de godheid brengt altijd vrede en vreugde. Op het ogenblik dat de mens in zich onrust kent, in zich geen vrede kent, geen vreugde kan ervaren, blijkt hem – alleen hieruit dus reeds – dat hij stoffelijk en waarschijnlijk ook geestelijk niet op de juiste wijze met God in harmonie is.
Het is zijn eerste plicht en taak steeds om deze harmonie met God te herstellen, ten koste van alles desnoods.

  • ‘Ten koste van alles’ kunt u dit nader verklaren. Heeft u daar een bepaald concept van?

Dan hoeft u niet ver te gaan. Leest u maar de Evangeliën: “Heer wat moet ik doen om U te volgen.” Daar is het heel goed gezegd: “Geef uw bezit aan de armen”, met andere woorden, hecht aan niets voor jezelf, doch gebruik het slechts om hen die er behoefte aan hebben, om Gods Wil, daarmede te helpen.

“Laat achter vader, moeder, vrouw en kind”, de familierelatie is onbelangrijk, zodra Gods werkelijkheid spreekt, het is belangrijker God te dienen en te erkennen dan een menselijke relatie, hoe heilig ook in menselijk oog de voorkeur te geven “en volg mij” zegt Jezus. Met andere woorden, volg het pad, de weg.

  • Er is hier voor ons toch een grote moeilijkheid aan verbonden, want kijk eens, wanneer nu bijvoorbeeld een man gehuwd is en kinderen heeft, dan heeft hij toch een zekere verplichting op zich genomen voor de opvoeding van de kinderen, eveneens voor de vrouw, de moeder van die kinderen. Wanneer zij voor de kinderen moet zorgen, instaan voor de stoffelijke noden van de kinderen, dat is juist de moeilijkheid?

Nee, dat is hier niet een moeilijkheid, buiten de moeilijkheid die uit de menselijk, maatschappelijke concepten is opgegroeid. Want op het ogenblik, maar dan ook alleen op het ogenblik dat de Goddelijke Taak, dus de éénheid met God, voor ons op de voorgrond komt, moeten wij deze dingen terzijde laten. Wanneer Jezus in zijn geestelijk werk Maria ontmoet en zij een beroep op Hem wil doen als ‘Zoon’ – en geloof mij in die dagen betekende dat een veel grotere verantwoording dan in uw dagen – antwoordt hij haar: “Vrouwe, wat heb ik met u van doen.” U ziet ik haal mijn voorbeeld uit een bron die toch voor elke christen heilig moet zijn. Maar wij horen ook iets anders. En dat is dat, zodra het werk van God Jezus niet beweegt – dus er geen noodzaak is om de wil van het goddelijke – Hij zelfs werkt in de werkplaats van Jozef, dat Hij zijn Moeder onderdanig en gehoorzaam is, want zodra de directe noodzaak uit het goddelijke voortgekomen niet meer bestaat, herneemt de menselijke verplichting haar recht, maar ook dan alleen.

  • Ja, maar moeten we het dan niet zo zien, dat het een extreem geval is, dat het zoeken en vinden van God en dergelijke onthechting, ook tegenover die directe binding met vrouw en kind, noopt of noodzakelijk maakt. Jezus is denkelijk een figuur die één keer in de geschiedenis is voorgekomen.

Wilt u het in andere figuren? Moet ik praten van Boeddha, ingewijden als Apollonius, Diana, u kunt kiezen?

  • Maar in verhouding met de grote massa van de mensheid?

De grote massa van de mensheid is zich zo weinig van God bewust, dat zij haar zekerheid zoekt in menselijke binding in plaats van in het aanvaarden van het goddelijke, dat ben ik met u eens. En dat wil dus zeggen, dat een dergelijke noodzaak over het algemeen eerst dan geboren wordt, wanneer men een band met God bezit, dus een innerlijke zekerheid van de band met God, zoals Jezus ongetwijfeld een tijd lang leeft onder het gezag van zijn ouders. Zoals Appolonius gehuwd is en kinderen heeft enzovoort. Maar op het ogenblik dat de Goddelijke Kracht en de Harmonie met het Goddelijke dit vergen, laten zij alles achter en eerst wanneer die noodzaak voorbij is, nemen zij hernieuwd dus de verplichting op zich. Ik ben mij ervan bewust dat dit voor u een moeilijk te verwerken stuk is, want u zoekt naar iets dat in uw maatschappij en uw maatschappelijke concepten zou passen.
Ik wil me niet laten verleiden u uit te leggen waarom bijvoorbeeld huwelijk en huwelijkse verplichtingen in deze maatschappij zo heilig zijn. Ze zijn het namelijk wel in de 1e plaats in deze dagen, omdat zij een macht vormen. Door huwelijk, door de vrouw en de kinderen wordt een man gebonden, omgekeerd wordt door man en kinderen de vrouw gebonden. Ze zijn dus gemakkelijker sociaal hanteerbaar. Vroeger was het een kwestie van erfrecht, er moesten bezittingen overgedragen worden en beschermd. Op deze wijze was vroeger het huwelijk heilig. U vergeet dat dit zuiver stoffelijke zaken zijn en dat wij – ook wanneer wij daar zo veel mogelijk aan tegemoet zullen komen in de stof – toch de werkelijkheid die achter dit alles – dat veranderlijke spel van menselijke waarderingen – ligt, namelijk het erkennen van God in alle dingen, primair moeten stellen. Er is geen andere mogelijkheid. Men kan niet verwachten dat de Eeuwige zich laat wringen in het keurslijf van een tijdelijk en voortdurend veranderend menselijk concept, wat wel en niet verantwoording, verplichting, behoorlijk, enzovoort is.
God is te groot voor die dingen. Wie God gaat zoeken, zal uitgaan van het feit: “ik zal nimmer mijn naaste schaden”. En dat houdt in: dat wanneer je gehuwd bent, je aan elke verplichting zult voldoen zo ver en zo lang je dat mogelijk is, zonder daardoor je contact met God te verliezen. Het houdt in dat je zakelijk bijvoorbeeld aan elke verplichting zult blijven voldoen, als de meest eerlijke en eerbare mens die er bestaat, totdat daarin het contact met het goddelijke teloor dreigt te gaan en dan mag men zich daaraan onttrekken. Maar ook alleen dan.

Dit zijn natuurlijk voor u té hoge eisen. Maar wanneer u werkelijk wilt komen tot innerlijke verlichting, tot laat ons zeggen inwijding, tot het ontwikkelen van paranormale krachten en het juist en goed gebruiken daarvan, dan zult u deze concepten moeten kennen. U zult moeten weten wat de consequentie is van uw streven. U kunt u natuurlijk terug laten dwingen in de menselijke kudde. Maar denk niet dat dit voor uw geest of voor uzelf goed of belangrijk is.
Integendeel, we hebben het zo even gezegd, in verband met een ander punt, daarvan verliest de geest vaak haar mogelijkheid zich volledig uit te drukken binnen een menselijk leven, door gewoontevormingen een verkregen eenzijdigheid.

Indien u het Pad opgaat, waarin u de Goddelijke Kracht zoekt boven alle dingen, waarin u mensen wilt genezen, waarin u wilt spreken met de geest of met God zelf, waarin u zo nodig de toekomst wil zien om voorzorgen te kunnen treffen voor uzelf en anderen, waarin u juist wilt kunnen handelen ten opzichte van anderen, dan zult u uit moeten gaan van de Goddelijke Kracht. God is de enige waarheid.

Ik zou het prettig vinden wanneer u hierover nadenkt en dan moet u er niet over nadenken in de zin van: ‘ja maar, dat zou ik nooit kunnen’ of ‘ja, dat is mij onmogelijk’, want het is u nu onmogelijk, gezien uw ogenblikkelijke status van ontwikkeling. Het contact dat geest en stof in uw wezen gevonden hebben, dat bepaalt wat u op het ogenblik denkt en bent. Maar deze consequenties zijn hieraan verbonden: een mens die de weg Gods gaat, de Weg waarin hij ongetwijfeld wonderbaarlijke Krachten kan ontwikkelen, voor zijn medemensen een Licht kan zijn, maar ook een redding, een genezing, een bescherming, zal zich moeten verwijderen van de norm der mensheid, daar is niets aan te doen, want slechts hij die vrij is om de waarheid te zien, kan de mensheid die de waarheid nog niet ziet of kent, helpen, onderrichten, steunen. Slechts diegene, die weet hoe zijn krachten te richten, kan deze Kracht op de juiste wijze gebruiken om een ander te genezen, om hem geestelijk licht te geven en te troosten. Alleen deze mens is in staat de gevangenis, die de mens voor zichzelf heeft gemaakt, soms uit ideeën en gedachten, te doen breken.

  • We stellen vast dat er in ons dagelijks leven zoveel belemmeringen zijn voor die geestelijke opgang, moeten we dan die belemmeringen de één na de ander terzijde stellen om te trachten tot een zuivere en vluggere ontwikkeling te komen, of moeten we wachten totdat onze geestelijke honger zo groot geworden is dat we praktisch de meeste ervan tegelijkertijd opzij kunnen zetten?

Wanneer u streeft op de wijze die u heeft gesteld, dan blijkt plotseling dat wat nu een belemmering is voor u niet meer als een belemmering geldt. Ze zullen dus over het algemeen de één na de ander verdwijnen, soms enkele zeer snel achtereen, soms met langere tussenpozen. Het is namelijk zo, wanneer u dus die eenheid met God voelt, die Goddelijke Kracht gaat gebruiken en ermee gaat werken, dan is het geen geestelijke honger meer. Geestelijke honger kan u nooit nopen iets opzij te zetten, een honger kun je niet stillen door iets weg te werpen, alleen door iets te verwerken.

Dus de geestelijke honger zelf kan je nooit nopen iets terzijde te stellen of weg te werpen, denk daaraan wel. Maar wanneer u dus God vindt in uzelf, wanneer uw leven daardoor een andere richting krijgt, een andere taak, dan mag u daaraan veel offeren. Op het ogenblik dat u dit offer moet brengen, is het geen feitelijk offer meer. Het mag volgens de mensen misschien niet juist zijn, maar voor u is het het enige juiste.

Het vloeit voort uit uw innerlijke ontwikkeling. Dat betekent dus dat u niet moet trachten opeens zo eens u van alle banden te ontdoen. U zou zeer waarschijnlijk met uw vrijheid geen raad weten, duizelig worden en/of andere banden zoeken, dan wel de oude banden weer aanvaarden. U moet innerlijk groeien totdat de onbelangrijkheid van de band u zo zeer bewust is, dat u haar als terloops terzijde kunt schuiven zodra de innerlijke, grote belangen, de band met God daarbij in het geding komt. Bent u zo ver, dan zult u dat ook zó leren doen dat dit voor anderen geen feitelijke schade, integendeel, in vele gevallen een gewin betekent. Dat kunt u niet doen zolang er alleen sprake is van een geestelijke honger.

  • Mogen we daaruit opmaken dat het het best is dat we onze kinderen aanraden in het klooster te gaan, om later minder banden te hebben om af te gooien?

Een kloosterling heeft over het algemeen meer banden dan een gewoon mens. Hij is meer een gewoontewezen dan een gewoon mens. Hij wordt meer geleefd door regels, opvattingen en conventies dan een gewoon mens. Daarom is de kloosterling – op een enkeling na – meestal armer, niet alleen stoffelijk maar ook geestelijk, dan menig gewoon mens. Een klooster als een tijdelijke haven, een plaats om jezelf een ogenblik te hervinden en te mediteren, kan zeer gunstig zijn, maar een klooster waaraan je gebonden bent door eeuwigdurende geloften, waardoor je uit de werkelijkheid steeds verder verwijderd wordt, is niet aanvaardbaar, althans niet voor mij. Dat houdt dus in dat men als ouder zeker niet, vanuit zich, mag bevorderen dat de kinderen kloosterling worden. Is het echter, nadat het rijpelijk beproefd is, hun eigen wens en wil, is men verplicht dit toe te laten, want dan kiezen zij zelf dit pad en zal dit voor hen geestelijk een betekenis hebben die het voor u niet kan bezitten.

  • Ja maar een kluizenaar dan bijvoorbeeld, is dat dan de ideale toestand niet?

Een kluizenaar die zijn God vindt, daalt uit zijn eenzaamheid weer af naar de wereld. Dat is heus niet Zarathoestra. Dat is altijd waar. De groten van de wereld zonderen zich soms af. Jezus trok zich terug in de woestijn enzovoort. Maar altijd weer keren zij zich tot de mens, waarom? Omdat hun taak nimmer kan zijn een zich afzonderen van de Schepping. Want de Schepping is God. God is in elk deel ervan. Door een deel van Gods Schepping te verwerpen of terzijde te stellen, zou u dus als het ware God zelf beoordelen en selecteren. Iemand die een waar bewustzijn heeft, beseft dat dit onmogelijk is. Dus kluizenaar zijn is zeker niet het ideaal. Kluizenaar zijn, zal voor de ware zoeker vaak een periode zijn waarin hij tracht eerst zichzelf te kennen en te vinden, voor hij met hernieuwde kennis omtrent zichzelf zowel als het Goddelijke, zijn ware wezen in de wereld gaat trachten te leven volgens de Goddelijke Wetten. Blijvend kluizenaarschap is al even steriel als elke andere wijze van wereldontvluchting of -verwerping. Ook voor de geest.

Ik wil sluiten met enkele korte wenken:

  1. Leer u zelf om, bijvoorbeeld luisterend naar een bepaalde lievelingsmelodie, ziende naar een lievelingskleur, een lievelingsplaat enzovoort, voor u zelf een ogenblik in het ervaren van schoonheid op te gaan. Vraag u niet af van waar zij komt of hoe zij is. Zoek echter bij voorkeur in dit geval schoonheid die de mens heeft geschapen, of door de mens werd geëncadreerd. Wanneer u daarin uzelf doet verzinken, dan zult u een schoonheid ervaren die deel uitmaakt van de achtergrond van het menselijk zijn. Gedachten die hieruit oprijzen, kunnen worden gebruikt als onderwerp van meditatie en zullen over het algemeen een gevoel van eenheid met de mens en ook met de hogere Krachten, die de mens op zijn pad mogen leiden en helpen, bevorderen.
  2. Besef dat elke ontwikkeling van uw geest en stof, in een gemeenschappelijk begrip wederkerig eigenschappen overdraagt. Wanneer men dus een grotere eenheid tussen stof en geest – het zij tijdelijk of blijvend – tot stand brengt, zo zullen bepaalde capaciteiten en eigenschappen van de geest in de stof kenbaar en geuit worden. Soms noemt men dit helderziendheid, helderhorendheid, soms noemt men het anders. Een enkele keer zelfs alleen ‘poëtisch gevoel’. Toch is dit een deel van de geest dat kenbaar wordt in de stof. Echter, dat wat in de stof edel en harmonisch is, wordt ook in de geest kenbaar. De perfecte versmelting zal, indien uiteindelijk bereikt, voeren tot de verheerlijking. Dit wil zeggen een voor uw wereld verdwijnen van een stoffelijk lichaam of wezen dat dan in alle geestelijke sferen van hoog tot laag gelijkelijk gemanifesteerd kan worden en aanwezig is – en dat ten allen tijde – zowel als een stoffelijk, dan wel als een geestelijk voertuig of kracht gebruikt kan worden. Dit is de opstanding der doden.
  3. Ten laatste. Elke levensweg is voor de mens zwaar. Ook wanneer er feitelijk geen lasten zijn, zo zal hij zich die zelf scheppen. Dit mede dankzij het stuwen en werken van zijn geest. Besef wel dat het niet noodzakelijk is het zware in uw eigen lot geheel ter zijde te stellen. U mag het rustig erkennen, maar u mag het nooit tot het middelpunt van uw denken en streven maken. De mens die ernaar streeft om zijn eigen vermeende of werkelijke zorgen of bezwaren – alleen en zonder daarbij andere dingen te betrekken – op te heffen of te veranderen, vergroot het aantal van zijn moeilijkheden. Wie echter slechts streeft naar het scheppen van steeds harmonischer verhoudingen in zichzelf en vanuit zichzelf in de wereld, en zijn zorgen daarbij ten hoogste beschouwt als een middel om hierdoor verder te komen, zal vanuit deze houding zijn problemen tot oplossing zien komen, zonder dat hij zelf daaraan volgens eigen inzicht daadwerkelijk volledig meewerkt. Al uw problemen en zorgen kunnen worden opgelost door deze harmonie, omdat dan het schijnbare toeval ingrijpt en dat volbrengt wat u met uw meest intens zoeken en streven zelf nooit tot stand zou kunnen brengen.

Wanneer u deze drie raadgevingen ook wilt overdenken, dan heeft u hier een basis die u kunt gebruiken, om al hetgeen omtrent magie en samenhang omtrent Harmonie enzovoort is gezegd, te interpreteren op een praktische wijze. Want toegepast in een ‘ik’ dat niet zichzelf zoekt of de oplossing van eigen problemen, worden de lessen u gegeven tot Kosmische Kracht die zich onmiddellijk kunnen openbaren, bijvoorbeeld dus in genezing et cetera, dan wel middels, door een scheppen van veranderingen in omstandigheden, die in, rond en met u, harmonie vergroten. Indien u handelt, zo zult u altijd moeten handelen zoveel mogelijk ten bate van anderen, zoveel mogelijk in overeenstemming met uw beste weten, maar vooral in Harmonie met God en het goddelijke, zoals u dat in u kent. U zult verder in alle handelingen, die volgens u in overeenstemming zijn met het Goddelijke, bevorderlijk zijn voor harmonie met het Goddelijke en de Schepping et cetera, door eigen wil en werken de leiding nemen. Want actief streven is de noodzaak voor een mens die de juiste weg voor harmonie en bewustwording wil vinden.

Ik wens u toe, dat u de lessen toe zult passen, dat u er geen verkeerde consequenties uit zult trekken, dat u eerst naar God in u zult zoeken, vóór u uw wereld gaat afbreken en veranderen. En ten laatste: dat u in het zoeken naar die harmonie de kracht zult vinden, die u ten bate van anderen en ter vergroting als het ware van het licht in de wereld zult kunnen uiten. Velen daarmee helpende en bovenal steeds uzelf meer één makende met de Goddelijke Werkelijkheid.

image_pdf