Vrede

Vrede

Als je de mensen vrede hoort zeggen, dan denk je dat het een staat is waarin niemand eigenlijk een vin verroert. De meeste mensen begrijpen niet dat vrede een innerlijke toestand is en dat werkelijke vrede, volgens de menselijke opvatting, een stilstand van alle conflict, ondenkbaar is op een aarde, die zelf voortdurend in beweging en in ontwikkeling is. De mens loopt zich het vuur uit de sloffen om zich aan te passen aan alle mogelijkheden en ontwikkelingen, die hij ontmoet en die in zich een element van strijd bevatten. De vrede is voor de mens niet gelegen in de manier waarop hij zich uit. Het is vooral gelegen in de wijze waarop hij zichzelf voelt. Vrede is een innerlijke toestand.

Als een mens vrede vindt, dan betekent dit dat hij in harmonie is met de wereld en met al datgene wat hem omgeeft. Hij zal dan desnoods nog wel actie voeren, hij zal strijd kennen, maar omdat dit altijd op harmonische wijze gaat, zal elke strijd zich oplossen in een nieuwe harmonie. Daarin ligt eigenlijk het aspect van de vrede dat zo belangrijk is.

Als wij kijken naar de conflicten zoals ze nu op aarde bestaan, dan moeten wij tot de conclusie komen dat de mensen vrede zeggen, terwijl ze iets anders bedoelen. Men smeekt om vrede in het Midden-Oosten, maar de vrede die men zoekt is niet te vrede van mensen die elkaar begrijpen. Het is gewoon een zich onthouden van gewapende acties. Een officiële er­kenning van elkaar misschien, en verder niet. Werkelijke vrede kan eerst bestaan indien er een wederkerige waardering is. Dan behoef je het niet met elkaar eens te zijn, maar dan kun je zoeken naar een manier om met el­kaar samen te werken.

Ik weet wel dat menigeen zal zeggen: dat zullen de Arabieren ten aanzien van de Israëliërs niet willen en de Israëliërs niet ten aanzien van de Arabieren. Maar daarmee zijn we er nog niet. Dat conflict kan alleen worden opgelost, indien die mensen gaan begrijpen wat de ander beweegt. En datzelfde, zou men kunnen zeggen, geldt voor alle grote conflicten.

Neem bijvoorbeeld de conflicten tussen de verschillende systemen op deze we­reld. Is het nu werkelijk zo belangrijk of je leninistisch-marxist bent, maoïstisch-marxist of helemaal geen marxist. Het is belangrijk hoe je leeft en hoe jij je tegenover je medemens, die jou ervaart, gedraagt.

Als je spreekt over vrede kun je zeggen: Nederland met zijn autoloze zondag, dat was toch wel een beeld van vrede! Maar als je even verder kijkt, zie je dat dat helemaal niet waar is. Men maakt er het beste van, dat wel. Maar gelijktijdig vond men het noodzakelijk te demonstreren dat men het met die toestand niet eens was. Er was uiterlijk een aanvaarding, gepaard gaand met veel innerlijke onrust die voorlopig, omwille van een zekere uitdaging, onderdrukt is. Werkelijke vrede zou zijn, als de mensen zouden zeggen: het heeft zoveel goede kanten, dat wij ons daar eenvoudig bij aanpassen zo ­lang dat noodzakelijk is. Dan zul je niet zeggen: ik wil niet meer met een auto rijden. Dan zul je zeggen: het autorijden is niet belangrijk, omdat het mijn innerlijke toestand niet beïnvloedt. Ik kan voldoende harmonie vinden op een andere manier. Waarbij ik mij overigens afvraag waar de harmonie van het autorijden zit. Want als je ziet hoe ze elkaar opjagen en welke woorden er worden gedacht, gemompeld en soms zelfs geschreeuwd door de deelnemers aan het verkeer onderling, dan vraag je je af of hier van enige harmonie wel sprake is. De enige harmonie is, naar ik meen, de zin en de lust van de beweging.

De situatie van de gehele wereld is gebaseerd op tegenstellingen. Dat is helemaal niet zo erg. Een tegenstelling geeft juist nadruk aan de goede dingen van het leven. Als alles gelijkvormig was, zouden de mensen ook geen vrede kennen. Ze zouden sterven van verveling en vóór de dood een ander nog de dood willen aandoen. De tegenstelling is dus noodzakelijk.

Het belangrijke is dat wij de noodzaak van de tegenstellingen, de po­tentie ervan (de mogelijkheid van de tegenstelling) aanvaarden. Wij kunnen natuurlijk zeggen: wij hadden het anders willen hebben. Maar als wij het an­ders willen hebben, dan moeten wij zelf proberen het anders te maken; niet door een ander iets te ontnemen, maar door zelf iets te presteren, iets te zijn. Wij moeten niet proberen een ander af te kammen. Wij moeten proberen onze eigen waardigheid te demonstreren. Daarom zeg ik: vrede is een inner­lijke zaak. Die vrede als zodanig kun je nooit tot uitdrukking brengen in ­de wereld.

In een wereld van handel, van industrie is er concurrentie. Dat is onvermijdelijk. Nu kun je concurreren door de ander op de een of andere manier de grond in te werken en je kunt het doen door te proberen zelf beter te zijn dan de ander. Op de tweede manier heb je vrede.

Op de eerste manier heb je oorlog. Het strijdelement blijft bestaan. In het eerste geval ben je geneigd te vernietigen. Je bouwt niet op en je zult weten dat wat je doet eigenlijk niet eerlijk is en daardoor word je gegrepen. In het tweede geval probeer je op te bouwen, zelf iets duidelijk te maken, iets beter te maken en daardoor heb je innerlijk rust en kun je tegenover je tegenstander ook grootmoedig zijn. Je zult hem niet alles cadeau geven, dat is dwaasheid, maar je zult aanvaarden dat de ander ook het recht heeft om beter te worden, een beter product te maken. Het is geen kwestie meer van: hoe kan ik de ander minder maken, maar hoe kan ik voor mijzelf een meerwaardigheid tot stand brengen en behouden. De strijd is er nog wel, maar deze betreft meer het eigen ‘ik’ dan de ander. Het is het positieve aspect van wat je oorlog kunt noemen.

Indien de mensen proberen zelf beter te worden, dan is het positief, dan is de strijd geen oorlog, want hij wil niet vernietigen. Hij wil opbou­wen. Bij oorlog is de strijd negatief, omdat hij wil vernietigen. Hij wil de ander tot mindere maken. In alle aspecten van het leven speelt dat een rol.

Als u mij naar mijn persoonlijke mening zou vragen zou ik willen zeggen: de meeste mensen­ die zeggen, ik heb vrede met mijn lot, hebben dit in wezen niet. Iemand die vrede heeft met zijn lot, behoeft dat niet meer te zeggen. Hij leeft het. Zolang je iets moet zeggen, leef je het niet. Uitingen, die niet de gehele persoonlijkheid betreffen, duiden aan dat er een strijd, een onevenwichtig­heid is. Mensen die spreken over vrede, dragen strijd in hun hart. Mensen die de vrede leven, zullen de strijd een nieuw karakter geven. Ze praten niet over vrede, maar ze geven eenvoudig hun positieve benadering in zoverre door dat er een soort ridderlijkheid ontstaat of moet ik het sportivi­teit noemen in deze dagen. Laat mij een klein voorbeeld geven.

In de oorlog 1914-1918 waren de piloten aanvankelijk zeer ridderlijk. Wat ze deden was zeer gevaarlijk, dat wisten ze, maar ze hadden respect voor elkaar en ze probeerden beter te zijn dan de ander. Het was geen po­ging de ander zonder meer te vernietigen. Integendeel. Men erkende diens waarde en betekenis. Heel vaak werd er gewoon een grafkrans afgeworpen voor een gevallen piloot van de tegenpartij. U zult zeggen, was dat dan vrede? Dat was een vorm van vrede in een oorlog; werkelijke vrede. Het is een respecteren van elkaar.

Oorlogen zijn de mens ingeschapen. Een mens kan niet leven zonder strijd. De hele natuur, deze hele wereld is eenvoudig op strijd gericht. Je kunt natuurlijk zeggen, als je een leeuw hebt en een kudde zeboes, dan is er tussen deze strijd; dat is onvermijdelijk. De leeuw zoekt voedsel, hij moet slaan. Wat doet de kudde? De kudde aanvaardt dit feit. Zolang de leeuw niet heeft geslagen, vlucht ze. Zodra hij een slachtoffer heeft ge­slagen, komt de kudde tot rust en begint te grazen. De situatie is aan­vaard. De leeuw is een aanvaard deel van het bestaan van die zeboes.

Dit is voor een mens ondenkbaar. Hij zegt: maar dan worden alle zwakke exemplaren aangevallen en dat kunnen wij niet dulden, want het zijn de onzen. De dieren hebben daar een vrede gevonden, die op zichzelf niet zo zachtzin­nig en niet zo zoetsappig is. Zoiets van vrede op aarde en in allen een welbehagen. Het is eerder vrede op aarde, daar allen elkaar in eerlijkheid aanvaarden.

Wat de mens in de natuur als een droom ziet, is dat niet. Een dier in doodsnood zal worstelen tot het beseft dat die worsteling zinloos is en dan legt het zich er fatalistisch bij neer. Dat is voor een mens onbegrijpelijk. Toch heeft het dier de vrede hervonden, ik kan de situatie niet meer meester, dus is ze verloren. Als mijn krachten niet toereikend zijn om de situatie te veranderen, moet ik mij daar eenvoudig bij neerleggen. Daardoor kent een dier op een beperkte wijze een vrede, waarin angst en wreedheid kunnen bestaan, maar nooit op een zodanige wijze dat het wezen wordt vernietigd. En dat is nu juist wat strijd bij de mens kan doen.

Strijd kan de mens vernietigen, omdat hij op den duur zijn eigen waarden en maatstaven helemaal verliest. Als de strijd voorbij is, is hij niet meer zichzelf; dan is hij iets anders geworden waarmee hij niet meer kan leven. Daarom moeten wij zeggen: vrede op aarde is wel degelijk denkbaar, maar die vrede zal niet rust zijn. Dat wil niet zeggen dat er nooit meer geweld zal zijn. Afwezigheid van geweld is geen vrede. Dat is de stilte van het sterfhuis of de stilte voor de storm.

Vrede erkent het bestaan van strijd en zelfs de onvermijdelijkheid daar­van. Maar men zoekt in de strijd niet zichzelf te verliezen. Men probeert niet zichzelf te verheffen, maar maakt alleen zichzelf zo harmonisch moge­lijk, waarbij erkenning van een harmonie zelfs in de relatie met de tegen­stander kan zijn.

Ik kan mij voorstellen dat een soldaat op een gegeven ogenblik be­seft dat zijn hele raison d’ etre is gelegen in het feit, dat de soldaat van de tegenpartij bestaat en dat hij daarom een waardering heeft voor de soldaat van de vijand, ook al is deze zijn potentiële tegenstander. Dan is dat ook een vorm van vrede. Niet de mooiste, want als wij zeggen dat er militairen moeten zijn, dan zeggen wij dat oorlog en geweld onver­mijdelijk zijn.

Wij zouden misschien de zaak wat kunnen vereenvoudigen. Een simpele methode zou bijvoorbeeld zijn elke mens in staat stellen zichzelf te ver­weren, er eventueel voor te trainen en hem dan gewoon de mogelijkheid geven om, indien zijn vrijheden worden aangetast, daartegen in verweer te komen. Dan zou er meer vrede zijn, omdat enerzijds er een veel grotere defensieve potentie is, terwijl er aan de andere kant een veel minder agressieve potentie is. Het is de agressie die de vrede vernietigt. Het is niet het feit dat verdediging soms noodzakelijk is.

Er zijn situaties denkbaar dat het is: vecht of sterf. Maar, vecht of sterf, betekent niet dat de vrede wordt verstoord. Het betekent al­leen dat er een situatie moet worden opgelost en dat daarin een harmonie kan blijven bestaan, die, zelfs in het geweld en door de vernietiging van een van beide partijen, niet wordt verbroken.

Ik geloof dat het voor een mens erg moeilijk zal zijn om dit concept van vrede te begrijpen. Vrede leeft in jezelf. Het is een waarde die in de mens moet groeien en die nooit kan worden gevonden door middel van allerlei conferenties. De UNO is geen wapen voor de vrede. Integendeel, het is een wapen waar­door de werkelijke vrede verre wordt gehouden door het scheppen van tegen­stellingen die niet noodzakelijk zijn en door het verhullen van harmonieën die feitelijk wel bestaan. Dat mag men natuurlijk niet zeggen.

Ik kan op precies dezelfde wijze zeggen dat de predikers, die de enige waarheid verkondigen op de hoek van een straat of in een machtige kathe­draal, op zich een goed werk doen tot op het ogenblik dat ze zeggen, daarom zijn alle anderen heidenen, zondaren en verworpenen. Op dat moment hebben zij de vrede verbroken. Zij hebben niet gezegd, in mij is een waarheid die harmonisch groeit. Ik kan er misschien aan te gronde gaan, maar dit is een waarheid die leeft. Deze waarheid in mij maak ik duidelijk kenbaar over­al waar ik ben. Ik aanvaard dat alle anderen in hun eigen waarheid kunnen groeien tot een harmonie, waardoor hun waarheid en de mijne kunnen samengaan.

Het scheppen van tegenstellingen betekent nog niet het scheppen van onvrede. Het scheppen van een relatie van meerwaardigheid ten aanzien van anderen of van het andere, is al een sterke bedreiging van de vrede. En als je stelt dat je eigen rechten, mogelijkheden en werkingen exceptioneel zijn en door een ander niet kunnen worden geïmiteerd, ook niet als hij uiterlijk blijk geeft van een gelijkwaardigheid, dan heb je pas werkelijk de vrede vernietigd. Vrede op aarde, in alle mensen een welbehagen, is zo een mooie tekst. Met kerstmis zal hij weer vele malen worden uitgegalmd. Maar het is een tekst die zegt, dat vrede op aarde alleen kan bestaan, niet in de mensen waarin God een welbehagen heeft, maar in de mensen die welbehagen vinden in God.

De mens die zijn God aanvaardt en daarmee zijn bestaansrechtvaardi­ging aanvaardt, die zijn bestaan kan aanvaarden en zo zijn leven kan leven zonder ooit in haat, nijd en afgunst tegenover anderen te ontbranden, die mens kent de vrede. En dat is de enige werkelijke vrede, omdat ze niet kan worden vernietigd en omdat ze, bestaande in de mens, bestaat in de eeuwigheid.