Vrede

21 juni 1955

Vanavond wil ik met u spreken over het onderwerp: Vrede

Hieraan zijn vele esoterische waarden verbonden en u behoeft dus niet bang te zijn, dat ik u een materie voorleg, die uiteindelijk hier maar ten halve thuis hoort. Er zijn op het ogenblik zodanige gevaarlijke ontwikkelingen op de wereld, dat wij ons genoopt zien voor alles vredesimpulsen uit te zenden, hopende, dat hierdoor ontstellende gebeurtenissen in de nabije toekomst kunnen worden voorkomen. Wij zijn in dit werk gelukkig niet alleen, integendeel. Wij zijn een zeer klein deel van een grote activiteit. Dit ter verduidelijking.

Waar echter de wereld altijd en de mens altijd naar vrede heeft gestreefd en over vrede heeft gedacht, is het begrijpelijk, dat velerlei concepten hiervan in het menselijk bewustzijn gerezen zijn.

Wij mogen niet zeggen, dat het zonder meer altijd juiste opvattingen zijn geweest, juiste voorstellingen. Wel kunnen wij zeggen, dat de achtergrond, die in alle gedachten weer doorklinkt, uiteindelijk overeenkomt met de esoterische wijsheid, die verder grijpt zelfs, zeker op dit gebied dan alleen de geschiedenis der aarde en de geschiedenis der mensheid.

Vrede wordt eigenaardig genoeg door de mens meestal geassocieerd met een omgeving. Wij vinden bv. vrede uitgedrukt in paradijsgedachten. Het begint al met Adam en Eva, die in vrede leven in het paradijs. De dieren verslinden elkaar niet; neen, de leeuw slaapt naast het lam. Wij zien het sterker uitgedrukt nog in menselijke termen, in de voorstellingen, die sommige Mohammedanen zich maken van het paradijs, waarin de mens kan komen, wanneer hij eenmaal ontkomen is aan de aardse verleiding en bekoring. Een paradijs, waarin alle genot der wereld aanwezig is en ten volle kan worden genoten, zonder dat er gebrek is voor iemand, zodat een ieder het zijne vindt.

Wij vinden bij de Germanen ook weer een vredesgedachte, al zou u dat waarschijnlijk niet zo begrijpen: een rijk van helden, die niet kunnen sterven en die, wanneer zij terugkeren, hun wonden genezen vinden en wederom aan kunnen zitten aan een gelag, zo hun eigen wijsheid, hun eigen bewustzijn verder dragend in een sfeer, waarin strijd wordt tot een spel, tot een sport en niet meer is een bittere noodzaak.

De projectie, die de mens dus vindt voor het vredesbeeld, is altijd in overeenstemming met zijn eigen leven en gedachten.

Wat zegt de esoterische school? Vrede is een toestand van het innerlijk zijn. Dat is ook de kern van al deze dingen. Want elk dezer mensen, dezer groepen mensen, die ik hier genoemd heb als voorbeeld – ik zou ze kunnen aanvullen met vele anderen – beschouwt zijn verlangens en zijn begeerten als noodzakelijk om vrede te vinden. De vrede is een innerlijke toestand, maar kan door deze mensen alleen worden gezien als een uiterlijke beleving.

Nu gaan wij ons een ogenblik bezig houden met de oude en nieuwe gedachten, die over vrede werden opgesteld in de scholen der bewusten, opdat wij de achtergrond, de kosmische achtergrond van de vrede kunnen vinden. Vrede kan niet zijn een gebrek aan tegenstelling, want waar geen tegenstelling meer is, daar kan geen aanvaarden op treden; zonder aanvaarden is vrede niet mogelijk. Vrede is een overgave aan het zijnde. Zij, die innerlijke vrede bezitten, hebben een wet en een kracht, die in de plaats treedt van eigen willen en denken. Door deze krachten volledig te laten dragen, vinden zij een persoonlijke daadloosheid in de beleving van hun bestaan, waarbij zij – geleid door anderen – de vrede hebben, omdat zij het juiste en het aanvaardbare inzien van al hetgeen hen door een andere kracht wordt opgelegd.

Deze opvatting is niet geheel juist, maar zij draagt toch zeer zeker in haar betrekkelijke primitiviteit enige aanwijzingen voor het begrip; Vrede. Op het ogenblik, dat de mens zichzelf kan overgeven aan een grotere macht, dan kan de hele wereld onvrede zijn en de mens in zichzelf toch vrede hebben. Hij kan alles accepteren en zal niet lijden, zal ook niet verheugd zijn in de zin van een diepgaand ervaren. Er is een evenwicht tussen al deze dingen gekomen, zodat de mens de kracht, die hij als goed erkent, als leidinggevend element in zijn hele bestaan heeft aanvaard. Op deze wijze kun je vrede vinden en kun je ook inderdaad een bewustzijn verwerven, dat je door vele schijnbaar onaangenaamheden op de duur doet overwinnen.

Een ander brengt echter dit onderwerp wel iets scherper gedefinieerd naar voren. Het is eigenaardig, dat deze juist niet spreekt over overgave of noodzakelijkheid. Hij drukt het anders uit:

In de gehele kosmos is een vastgestelde lijn van bestaan. Men denkt, dat men zelf besluit en binnen oorzaak en gevolg zijn eigen weg kan banen. Dit nu kan ik niet als waarheid zien. Want oorzaak en gevolg staan vast van af de eerste oorzaak tot de laatste. Hetgeen wat voor de mens vrede of onvrede betekent, accepteren of verwerpen, is de wijze, waarop hij zijn handelingen en daden rationaliseert; de wijze, waarop hij gestalte geeft aan hetgeen hij volbrengt. Door de wijze, waarop men de dingen beleeft, eer dan door de feiten zelf des levens, wordt voor de mens de mogelijkheid tot vrede, d.w.z. aanvaarding geschapen, ofwel de verwerping.

Een punt overigens, waar van onze kant uit over te twisten zou; zijn. Want wij gaan n.l. iets verder dan deze vriend, die meende de ogenblikkelijke Schepping, de ogenblikkelijke volmaakte Schepping, te moeten zien als iets, dat slechts één richting kent. Hij vergat nl. het bewustzijn zelf, dat wel degelijk van toestand tot toestand kan wisselen en dus elke gebeurtenis geheel anders kan beleven, waarbij voor de persoon de werkingen van oorzaak en gevolg geheel verschillend kunnen zijn, naarmate de opvattingen, die deze persoon zelf heeft, omtrent de reeks oorzaak en gevolg. Ik hoop, dat ik hiermee niet onduidelijk ben.

Maar goed, zijn conceptie van vrede is zeer zeker onze aandacht waard: het begrijpen van het onontkoombare der dingen. Begrijpen, dat het zo moet zijn. Begrijpen, dat je niet jezelf hoeft te beklagen over wat gebeurd is; jezelf geen verwijten hoeft te maken, over wat je gedaan hebt of zult doen. Dat het geen zin heeft om bang te zijn voor morgen, of te klagen over hetgeen gisteren gebeurde.

Want – zo zegt hij – er is één vaste lijn. Wanneer ik voor mijzelf de juiste wijze van rationaliseren vind, de juiste wijze, waarop ik het op zichzelf voor mij niet redelijke van het bestaan, omkleed met redenen, maakt het voor mij mogelijk om vrede te vinden. Wanneer ik mijn redenen in overeenstemming weet te brengen met de kracht, die het gehele leven leidt, ben ik klaar, heb ik vrede met het leven; kan het mij niet kwetsen, kan het mij niet meer pijn doen, kan het mij niet meer verstoren.

Een gedachtegang, die ondanks haar gebrekkigheid in sommige opzichten, onze aandacht wel degelijk waard is.

Ik zou u nu een stukje willen citeren, waarop ik helaas geen verdere uitleg wil geven, mag geven. Het behoort nl. tot lessen, die niet geschikt zijn voor degenen, die de sleutels niet kennen. Ik mag natuurlijk de sleutels hier niet openbaren, maar ik neem aan, dat er hier meerderen aanwezig zijn, die desondanks ook al door het vele onderricht, dat zij ontvangen hebben op dit gebied, persoonlijk en ook door ons in staat zullen zijn om de kern van de zaak te vinden.

Men zeide: Zoek vrede. Door te zoeken werd de vrede verloren. Want wat is, kan nooit als wordend gezien worden. En wat als wordend gezien wordt, gaat voorbij. Vrede is een kracht, die eeuwig en al bestaand is. Zij is gebonden aan het gehele zijn en de oorspronkelijke kracht, waaruit het gehele Al werd geboren. Een ieder, die zijn opvattingen en gedachten weergeeft, doet dit tegen de de vrede, want de vrede zelf vraagt een persoonlijk aanvaarden. Zo is het raadsel gelegen in de overeenkomst tussen Gog en Magog, de twee rijken, die elkaar bestrijden in een ieder, maar die één zijn in de werkelijkheid. Het één zijn in de werkelijkheid, betekent de vrede in plaats van de strijd, die ieder daarin meent te zien. Er bestaat geen noodzaak, geen noodlot. Er is zijn en zijn op zichzelf is tevens een kosmisch bestaan, dat niet begrensd wordt door ik en denken.

Ik zal een klein stukje overslaan.

Zo men u zegt: Ik heb de vrede gevonden, zeg: Gij, dwaas. Zo men u zegt: Ik zoek de vrede!, zeg: Zoek uzelf! Zo men u zegt: Vrede zij u, antwoord: Zo zij hij ook met u. Maar wens niemand de vrede, omdat de vrede betekent: afstand van wat de mens kent. Een bewustzijn van waarden, die liggen ver achter alle sferen en zijnstoestanden, die nog voorstelbaar zijn.

Vrede is een onmiddellijke verbinding, die nooit gebroken kan worden, zolang wij het zoeken, het aanvaarden, het verwerpen en het betreuren weten te vermijden. Dit kan alleen, indien “Ik ben” in mijn wereld en niet mijn wereld in mij mijn Meester wordt.

Ik hoop, dat ook dit deel uw aandacht waard is. Het bevat nl. toch wel elementen, die de vrede karakteriseren. En als slot van deze kleine reeks van citaten en aanhalingen zou ik ook graag mijn eigen versie weer willen geven van vrede.

Vrede hebben, dat betekent zonder begeren en zonder angst zijn. Vrede kan nooit een toestand zijn, die wankel is, die labiel is. Op het moment, dat men in een wankel streven een moment van evenwicht heeft bereikt, is er nog geen vrede. Uw wereld heeft nog nooit vrede gekend, behalve in enkele mensen. Wanneer men u spreekt van vrede, is het eerder een koorddansers act over een gevaarlijke afgrond, waarbij men staande op de draad de dood vreest, die aan beiden zijden van het smalle pad gaapt. Zolang er een vrees is, kan er geen vrede zijn. De vrede is een continue toestand. D.w.z. dat die toestand nooit kan bestaan in werelden van bv. materie, of werelden, waarin nog veranderlijke vorm voorkomt. Want alle verandering betekent in zichzelf een wisseling, die het ik beïnvloedt en dus verwachtingen schept, of teleurstellingen baart. Om de ware vrede te vinden moeten wij dan ook doordringen tot de kern, die onveranderlijk is in al, wat zich aan ons voordoet als vorm, als licht, als kleur, als bewustzijn. Er is één kern, in alle dingen gelijk. Deze kern ziende, kunnen wij de rest beschouwen als onbelangrijke verschijnselen, die niet de werkelijke waarde van, ons bestaan, van het bestaan der wereld, of van de Schepper kunnen beïnvloeden of veranderen. Zij zijn en in hun zijn zijn zij; de onmiddellijke uiting van het Grote.

Wie dit in alle dingen kan aanvaarden voor zichzelf, zou op de duur een toestand bereiken van zekerheid. Die zekerheid is nog geen vrede. Maar zij brengt u tot een aanvaarding van alle verschijnselen en doet zo in u de drijfveren, die u in de verschijnselenwereld voortjagen, onverschillig waar die gelegen is, n.l. de vrees en het verlangen bedaren. Want ziet, in elke vorm, die optreedt, zit een volledige waarheid. Daarin is de Schepper en is de Volmaaktheid, die gij verlangt. Dan zult gij leren niet meer te achten op de uiterlijkheden en komt gij, doordat gij niet meer begeert of vreest, tot een toestand, waarin de Schepper zelf tot u spreekt en één met u is. Ik meen, dat slechts deze toestand werkelijk Vrede genoemd kan worden.

Ik hoop, dat dit toepasselijk betoog u niet heeft verveeld. Ongetwijfeld zou er interessanter materie te brengen zijn, maar ik betwijfel, of er meer waardevolle materie bestaat, want vrede is; de wens van elke mens, het verlangen van elke geest. Door het verlangen en wensen vinden wij niet, want vrede is niet iets, dat je na kunt jagen. Het is iets, dat in jezelf groeit en ontstaat en uiteindelijk het werkelijke erfdeel blijkt te zijn, dat je hebt meegekregen van het begin der Schepping af. Daarom, heb ik het zo en niet anders gemeend te moeten formuleren.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

Het is natuurlijk altijd mooi om over abstracte dingen te lezen. Toch geloof ik, dat men vaak de fout maakt abstract en esoterisch met elkaar te verwarren. Er zijn natuurlijk heel veel andere mogelijkheden om ook esoterische betekenissen te vinden. Het eigenaardige is n.l. dat al het geschapene symbolen van onsterfelijke waarden in zich dragen, zoals onze vriend zo-even gezegd heeft. Vandaar, dat ik mij aansluitende eigenlijk een klein beetje bij de voorgaande spreker, wil gaan spreken over de demon, de buitenste duisternis, het uiterste kwaad als esoterisch deel van een menselijke bewustwording.

Men vraagt zich wel af, waar ik naar toe wil, maar dat merkt u vanzelf, als ik zover ben.

Kijkt u eens, wij zitten altijd vast aan het feit: Is nu de duivel een werkelijk bestaand iets of niet? En: Bestaat er nu werkelijk een hel of niet? Het antwoord, dat U er al heel vaak op gekregen hebt, is: Ja, het bestaat wel, en het bestaat niet. Want het bestaat ín de mens en niet buiten de mens. Het is een mogelijkheid, die in de kosmos volledig wordt uitgedrukt, maar die je zelf beleeft en die je zelf kunt verlaten. Dan geloof ik, dat wij dus in de eerste plaats in de buitenste duisternis en al wat er verder bij hoort, het symbool kunnen zien. Dat symbool, dat gaat natuurlijk verder dan alleen de menselijke kennis. Dat is niet alleen een kwestie van geloof of godsdienst, het is wel degelijk een kwestie van wetenschap. En esoterie ís wetenschap. Wij zijn wetenschap, berustend op vele geheime leren, d.w.z. op een groot aantal niet geopenbaarde feiten.

Juist daarom vind ik het wel aardig om onze vriend de duivel een klein beetje van zijn bokspoten en zijn horens te ontdoen en hem in zijn ware gestalte te tonen. Want uiteindelijk weten wij, dat, al bestaat er misschien niet één heerser van het rijk der duisternis, dat er heersers genoeg zijn van het duister. Grootmeesters.

Wij weten heel goed, dat er ergens een zo groot mogelijke duisternis moet bestaan. Wat het precies is, weten wij niet. En nu krijgt u het aardige betoog, dat hierover bestaat:

Er is een duivel. Die duivel kan door honderdlei oorzaken, door honderdlei verschillende invloeden geschapen worden. Er is inderdaad niet een grootmeester der duisternis zonder meer, maar er is er één, die tot grootmeester wordt gemaakt van het duister door degenen, die hem als zodanig accepteren. Men maakt zich vrijwillig tot slaaf van ieder, die men erkent als vorst; zelfs al is het maar een vorst der duisternis. Zo krijgt het satanische zijn invloed doordat het menselijk is, d.w.z. in ons besloten, in het mens zijn.

Zo is ook de buitenste duisternis van ons eigenlijk niets anders dan een symbool. Het betekent het tegendeel van de toestand, die wij op het ogenblik aanstreven. Ik zou zeggen: ook nogal logisch en duidelijk, hé?

Nu, dan kunnen wij van wal gaan steken.

Wanneer een mens, een geest, een wezen met intellect, met verstandelijke vermogens of bewustzijn begaafd, komt tot het accepteren van iets als tegengesteld aan zijn eigen wezen, schept dit wezen daarmede voor zichzelf de buitenste duisternis, n.l. de ontkenning van alle waarden, die in het eigen ik als positief gevonden worden.

Op het moment, dat dit gebeurt, schept zo’n iemand zich zijn hemel en zijn hel. Deze hemel en deze hel zolang zij van persoonlijke geaardheid zijn betekenen uiteindelijk slechts fasen van bewustwording, waaruit ten allen tijde een bevrijding mogelijk is. Men kan u inderdaad binden door de voorstelling, die u in uzelf draagt en uitwerpen in de buitenste duisternis. Want het ontbreken van al het gene, wat voor uw ervaren en bewustzijn als reëel wordt gezien en aanvaren, betekent een absoluut niet, een afwezig zijn der dingen, en dus: het grote donker, de hel, of hoe u het noemen wilt.

Dit is helemaal niet zo erg, want op het moment, dat mijn voorstelling verandert, verandert mijn wereld. Ik kan in dat buitenste duister een bewustzijn verwerven, waardoor ik ook de hemel gelijktijdig kan ervaren, d.w.z. het volledig lichte bewustzijn van vroeger, de grenzen, die gesteld zijn, zijn kunstmatig, die liggen in mij. En zolang die grenzen in mij als mens liggen, mag ik dus zeggen: voor mij bestaat de hemel, zo lang als ik die hel aanvaard, beter gezegd vrees.

Iets erger wordt het echter, wanneer ik ga spreken over een vorst der duisternis. Nu is het wel opvallend, dat er wordt gesproken in een van de werken, die wij toch esoterisch van grote betekenis moeten achten:

De duivel, als hij rondgaat als een Leeuw, briesend en zoekend, wie hij kan verslinden.

Ik weet niet, of u wel eens een leeuw heeft gezien, als die op jacht gaat. Hij begint met wat geluid te geven, hij kondigt als het ware aan, dat hij op stap gaat. Nu is het eigenaardige, dat hij dan vaak het sterkste geleid wordt door de vluchtende elementen laten wij zeggen door de paniek van degenen, die door dat geluid worden getroffen. Hij maakt niet jacht op degenen, die stil en rustig blijven en zich niets van hem aantrekken. Dat vertrouwt hij niet eens. Een leeuw zal zelden op een dier, dat volledig onbewust is van zijn aanwezigheid, onmiddellijk aanspringen; dan zal hij eerst door tekens onrust wekken, om dan op het laatste moment aan te vallen. Ik vind die gelijkenis van die leeuw verbluffend juist getroffen, wanneer het gaat over onze grootmeesters van het duister. Zolang men niet vreest, zolang men zich dus helemaal niet realiseert, dat dat een leeuw is, laat ik het maar zo zeggen, dan bestaat er helemaal geen reden voor die leeuw om u aan te vallen. Zijn instinct is niet gebaseerd op het aanvallen ten koste van alles, zijn instinct is gebaseerd op de jacht. Vooral dan op: de gevaarloze jacht. Het eigenaardige is, dat een leeuw vaak iemand, die hem onbevreesd tegemoet treedt, zozeer vreest, dat hij terugwijkt. Alweer een eigenaardige gelijkenis, want hetzelfde bestaat voor de grootvorsten van het duister ook. Als men ze onbevreesd in de ogen durft te kijken en ze tegemoet treden, dan denken zij: Die is sterker dan ik. Dan gaan zij weg.

Maar een ieder, die bang voor hen is, die wordt hun slachtoffer. Nu hebben wij geesten der duisternis, die om enigerlei redenen invloed wensen uit te oefenen op hetzij mensen, hetzij overgeganen. Hoe doen zij dat? Zij trachten datgene te zijn, wat door die mensen het meest wordt gevreesd met reden. Die reden ligt in het ik.

Wanneer de mensheid dus zegt: Wij vrezen de duivel, dan hebben ze gelijk. Er zijn invloeden, die die duivel personifiëren voor hen. (De duivel zelf is een symbool) Die personificatie kan door de angst, de vrees, die men er voor koestert, invloed uitoefenen op elke mens. Begrijpt u?

Esoterisch gezien is het buitenste duister, de, buitenste duisternis, het symbool van de onbewuste, die in eenzijdigheid zich richtend, weigert God te zien in alle dingen. Zij is een geestelijke invloed, die de mens stelt voor een aantal problemen, die onoverkomelijk zijn. Dan daarnaast: de satan. Het symbool van de kracht, die in zichzelf negatief noch positief zijnde, zijn eigen invloedssfeer, werking en uiting ontleent aan de reactie van de buitenwereld op zijn eigen bestaan.

Deze waarheid kunnen wij doorvoeren voor elke sfeer en elke wereld. Zolang er ergens in een wezen, in een ziel vrees bestaat, zal deze vrees uit zichzelf baren; een demon, duivel, hoe meer deze vrees zuiver wordt voorgesteld of persoonlijk wordt doorleefd, hoe sterker deze demon zich opbouwt. Hoe sterker men de tegenstellingen ervaart in het leven tussen goed en kwaad (Proviso hierbij: dus niet het er kennen ervan, maar het persoonlijk ervaren, het verwerpen van het één en het accepteren van het ander zonder meer, het redeloze a.h.w. ), naarmate men dit doet zal men ook sterker zijn eigen negatieve invloed tot uiting brengen.

Men zal dus voor zichzelf een rijk der duisternis scheppen door dat deel van de Goddelijke Schepping, dat men zelf ontkent.

Hoe komt men dan aan al die aardige verhalen over de duivel? De duivel, die komt dobbelen om een zieltje, vooral onder kerktijd. De duivel, die op kruiswegen op het middernachtelijk uur verschijnt. Waarmee wordt dat geassocieerd? Wel, zeer simpel.

Het dobbelen onder kerktijd was indertijd voor het bewustzijn der mensen een groot misdrijf. Zij verloochenden allereerst hun plicht tegenover God en de kerk, ( en kerk en God waren toen vaak in het voorstellingsvermogen één), terwijl men ten tweede – en dat is zeker ook niet te verwerpen en te misachten – maar voor zichzelf verwachtten, dat God deze handeling zou nemen. Men maakte dus een scherp onderscheid tussen goed en kwaad ons stelde zichzelf in het ongelijk. Dit zichzelf in het ongelijk stellen schiep reeds de kracht, de demonische kracht, die inderdaad aanvallen kon. Misschien niet in de vorm der legende, maar dan toch in vormen, die daaraan vaak zeer gelijk kwamen.

Het duister en de demon, de zwarte magie, vinden wij in de esoterie altijd weer terug als de symbolen der ik-heid. Zij zijn in ons. Het is niet maar zo iets en het is niet een factor, die ergens buiten ons staande, ons beïnvloedt, het is altijd weer iets, dat ons persoonlijk betreft, omdat het in ons leeft. Willen wij de demon dus bannen, dan moeten wij hem uit onze persoonlijkheid uitdrijven.

Wanneer wij, door onze persoonlijkheid volledig te ontdoen van al het demonische, ons wezen en uitstraling richten op iemand, waar in demonische aanwezig is, kunnen wij het wederom uitdrijven. Waarom? Omdat onze persoonlijkheid tijdelijk het trilling vermogen van de ander opheft tot een harmonie en eenheid, waarbij er geen plaats meer is voor het duister, voor het demonische.

Hieruit kunnen de conclusies worden getrokken als volgt: Het onbewustzijn, dat in de mens leeft, dat in de geest bestaat en alle daarmee voorkomende waanvoorstellingen, kunnen worden genoemd: het duister, indien zij niet gepersonifieerd worden, dus niet in een persoonlijkheid voorgesteld of van een persoonlijkheid voorzien, als het grote kwaad, de grote demon of de duivel, zodra men gestalte verleent aan deze onbewustheidsfactoren in het eigen ik.

Naarmate men duidelijk door de Goddelijke Wetten erkent en ze volledig werkzaam ziet op alle gebied, zal het duister een niet in het ik bestaande factor komen te zijn. Resultaat: er zal dan ook geen duister bestaan buiten ons. Sterker zelfs: er zal zich in onze nabijheid geen duister kunnen manifesteren, indien wij onze gedachtekracht en straling, zoals zij in ons persoonlijk reeds leeft, richten op elke persoonlijkheid, voorwerp of stuk der omgeving, waarin wij vertoeven.

Het bewustzijn houdt in: een harmonisch zijn met kosmische waarden, waardoor het totaal van het zijnde tot uitdrukking komt in ons en door ons wederom kan worden erkend in de wereld buiten ons. Hier bestaat geen licht en geen duister meer, geen demon en geen God meer in de persoonlijke zin en vorm, zoals wij mens en ook vaak als geest die ons heden graag denken. Daarvoor in de plaats komt te staan een vormloos zijn, dat in zichzelf veelbetekenend wordt door zijn uitingen en dat in ons de grote waarde krijgt, niet door zijn licht en duister, maar door de volledige wetmatigheid en logica, waarmee het is opgebouwd en zich uit, daarvoor voor ons vormend een gedachtepatroon, dat acceptabel is. Het werkelijk Goddelijke is geen figuur of persoonlijkheid, het is een gedachte. Deze gedachte is het enige voor ons kenbare en de bron daarvan of oorsprong daarvan is voor ons, althans aan de Goddelijke Wetten zonder meer, niet kenbaar. Duister kan er voor ons niet bestaan en licht kan er voor ons niet bestaan, omdat de gedachte in zichzelf klaar is en alles omschrijvend is en licht noch duister betekent, maar slechts bewustzijn. Bewustzijn is zo de enige ware factor, waarin het leven bestaat. Zij is het leven zelf. Waar het bewustzijn ophoudt te bestaan, is er geen leven meer in de werkelijke zin van het woord, wordt het leven niet meer ervaren, zo ook het totaal van het levende voortbestaat zonder enige vermindering.

Van ons standpunt uit echter belevende moeten wij zeggen; het bewustzijn, dat in ons leeft, is voor ons; Het Leven. Wanneer dit bewust zijn tot Al bewustzijn wordt, dus tot een bewustzijn, dat kosmisch gebonden en harmonisch is met het totaal van het zijnde, zullen wij licht noch duister kennen, zijn er voor ons geen demonen en geen Goden. Zodra het bewustzijn echter onvolledig is, scheppen wij ons een verschil tussen bepaalde uitingen van deze gedachte. De wijze, waarop wij een onjuiste nadruk leggen op de gedachte leggen, baart voor ons uit het eigen wezen de demon, de duivel en de grote duisternis, die slechts een uiting zijn van het in ons levende onbegrip.

0-0-0-0-0-0-0-0

Ik moet u allereerst in de gelegenheid stellen om eventuele vragen naar voren te brengen over de beide voorgaand behandelde onderwerpen.

  • Ja, mag ik u iets vragen? In het betoog van de laatste spreker werd er over het licht en het duister in onszelf gesproken, dus dat de buitenste duisternis ook in onszelf leeft en ook het licht. Maar dat dat beide eigenlijk niet bestaat. Mag ik een antwoord van u hebben? Wat is er dan? Duisternis, licht bestaat niet. Wat is er dan? Mag ik daar antwoord op hebben? 

Ja. Iets, dat betekent de absolute eenheid van licht en duister en daardoor voor de mens onvoorstelbaar, naar meestal aangeduid als Theios, als God. Het is dus een toestand zonder verschijnselen, waar in een absolute realisatie optreedt van het hele Al, teruggebracht; tot één punt, de grootste kenbare en doordringbare eenheid, die in de kosmos bestaat, vanuit het bewustzijnsstandpunt en vlak, dat wij als mens en geest kunnen innemen.

Zijn er nog meer personen, die vragen willen stellen? Dan zou ik gaarne – ook al gezien de vraag, die bij enkelen der aanwezigen is gerezen, toen ik de vergelijking “punt” voor het enig doordringbare vlak naar voren bracht – een ogenblik willen spreken over kleinere wijsheden uit de Pythagorese geheime school. Pythagoras en zijn volgelingen ook wel Pythagoreërs genoemd benaderen het kosmisch besef vanuit mathematisch, vanuit meetkundig standpunt. In tegenstelling met de Euclidische opvattingen brachten zij echter naar voren, dat een lijn nooit kan worden gezien als een meetbare uitdrukking van een deel der ruimte, aangezien elke lijn is opgebouwd uit een oneindig aantal punten, wier eigen aspecten in de lijn verloren gaan, zodat elke lijn een waanbeeld is, terwijl daarentegen de punt, de stip, het ogenblik moment in tijd en ruimte de enig bevatbare waarheid is. Ik meen voor deze groep er goed aan te doen de meetkundige terminologie, de bewijzen, uit te schakelen. Ik wil u echter eerst trachten een beeld te geven van de wijze, waarop dit onderricht plaats vond.

Stelt u zich voor een binnenplaats of een kamer, geplaveid met stenen. Hier zijn enkele wijsgeren aanwezig en de met zand bestrooide stenen worden gebruikt om daarin voorstellingen te tekenen met een soort aanwijsstaf, die daarna weer worden uitgewist, wanneer zij niet meer noodzakelijk zijn. Ik mag hierbij opmerken, dat de Pythagoreërs nu de enigen zijn, die op aarde erin slaagden de kwadratuur van de cirkel te bewijzen. Haar dus als een Vierkants-verhouding te stellen in het Al, ongezien haar in zichzelf besloten zijn en haar afgerondheid. Maar goed, dit is een probleem, dat ons op het ogenblik te ver van onze weg zou afvoeren.

Er wordt hier getekend en ook gedebatteerd. Eén van de debatten zou zich ongeveer als volgt kunnen afspelen:

Wanneer ik een lijn trek, begrens ik twee delen van de ruimte. Een lijn, een waarde, is een fictie. Want een lijn bestaande (u ziet, ik breng de stelling naar voren, die ik zo even reeds heb aangeroerd), een lijn bestaande uit een oneindig punten kan ruimtelijk alleen worden uitgedrukt in de ontmoeting van de twee door u willekeurig schijnbaar gescheiden delen der ruimte op een bepaald moment. De verhouding der ruimtelijke delen tot elkaar is slechts van punt tot punt vast te stellen.

De voorstander van de deling der waarden brengt onmiddellijk tot uiting; maar wanneer ik dit accepteer, dan kan ik nooit een berekening op aarde uitvoeren. Toch weten wij, dat wij met driehoeksmeting, dat wij met het uitzetten van meetkundige figuren aardse waarden kunnen bepalen.

Antwoord: Omdat, mijn waarde vriend, alle aardse bepaling schijn is. Als aardse bepaling schijn is, waarom handelen wij dan daarin? Omdat wij niet anders kunnen.

Het is een aardige uitvlucht, maar vertel mij dan, waarom wij niet anders kunnen?

Wij kunnen niet anders, omdat wij niet in staat zijn onze aandacht te bepalen intens genoeg en langdurig genoeg tot één moment en één klein aspect van het zijnde. M.a.w. je wilt dus zeggen, dat wij niet kunnen komen tot een reële uitdrukking in meetkundige termen en waarden van het zijnde?

En op dat moment grijpt dan heel vaak, of de meester zelf – ofschoon hij niet zoveel aan dergelijke debatten deelneemt – ofwel één van de leerlingen in.

Wij kunnen meetkundig, al hetgeen wij weten omtrent de Schepping, vastleggen. Wij kunnen zelfs in getallen formules, in figuren en lijnen uitdrukken datgene, wat wij vermoeden in de Schepping en door vergelijking van waarden kunnen wij komen tot een begrip, van het geen zich normalerwijze aan ons kenvermogen onttrekt. Maar zo gij mij zegt, dat deze figuren en getallenwaardevol zijn, moet ik opmerken, dat zij alleen bestaan in verhouding tot en in relatie met onze eigen wereld. Zodra wij in een andere wereld leven, zijn onze getallen niet meer waardevol. De afmetingen, die wij kennen en hier wordt waarschijnlijk op de inch gedoeld, de z.g. piramide-inch van uw tijd, het is althans een afmeting, die daar slechts, als ik mij niet vergis, 2/100 van verschilt wanneer wij een inch zeggen, dan bedoelen wij hiermede; een deel van de afmetingen der aarde, wanneer onze planeet anders zou zijn, zou dus ook de getalswaarde veranderen en toch zouden wij spreken in inches. Het resultaat is, dat de naamgeving de waarde van onze getallen bepaalt.

Er moet echter in de kosmos iets bestaan, dat absoluut is. Er moet een waardemeter bestaan, die gelijk is op elke plaats, op elk moment, en waaraan wij een reeks berekeningen kunnen koppelen, die voor elk deel van ruimte, van tijd, gelijkelijk aanvaardbaar zijn. Zo kom ik dan tot de noodzaak om een waarde te nemen, die niet veranderlijk is.

Wanneer ik voor mijn wezen de kleinst waarneembare waarde noem, kom ik tot de punt. Ik wil niet zeggen, dat uw lijn ondienstig is. Integendeel! Om onze begrippen uit te drukken, om onze formules uit te rekenen, moeten zij de lijn gebruiken. Maar zij heeft in zichzelf geen waarde. Zij is slechts een voorstelling van de waarde, die wij in het kleinste kunnen vinden.

Zodra wij de lijn en lijnverdeling, de vlaks berekening en inhoudsberekening gaan zien als de werkelijke waarde, dan wordt de kubus voor ons een vorm, die een wereld betekent. Een wereld kent zoveel aspecten, dat wij die niet kunnen vangen in de formule van een kubus, die is tussen deze ribben niet in te persen.

Wanneer ik een kubus uitsla, om daardoor te komen tot een andere verhouding, waarbij meerdere waarden als invloeden gelden, dan stel ik een hypothese. Ik neem niet aan, dat het zo is, maar ik bereken, hoe het zou kunnen zijn, indien het zo ware. Mijn berekeningen hebben dus alleen betrekking op mijzelf, mijn gedachten en mijn wereldbeeld, Maar de voorstelling als zodanig is slechts een hulpmiddel en een uitdrukking. Zij is nooit voor mij een realisatie, een werkelijkheid, waarin ik de Goddelijke waarde erken.

Maar meester, een punt kent geen dimensies, kent geen afmetingen. Juist datgene dat geen afmetingen kent, moet de ware eigenschap; van het zijn in zich dragen. Zodra wij gaan kijken naar de veelheid, krijgen wij een gemiddelde. Dat gemiddelde zal onjuist worden beraamd.

Wanneer gij tot een marktkoopman gaat en gij koopt van hem een mand vol erwten, hoe zult gij weten, of onder de schijnbaar goede oppervlakte niet wormstekigheid verborgen ligt?

Wanneer gij een amfora wijn koopt en gij schouwt alleen naar het zegel, wie zegt u niet, dat de inhoud anders is, dan het zegel aangeeft? Gij laat u verblinden door de schijn, wanneer gij meent uit de veelheid een richtlijn te kunnen trekken, die anders dan voor deze veelheid zelf van belang is.

Een berekening van het gemiddelde is goed voor een mens, voor een menselijke opvatting, voor een menselijk besef. Maar het is dan ook alleen bruikbaar in de wereld van de mens. Iets in mij zegt, dat er meer moet bestaan. Daarom zoek ik naar een waarde, die toepasselijk is buiten alle dingen. Die vind ik in de punt. Zij kent geen dimensie. Zij kan een kruising zijn van twee dimensies, inderdaad. Maar ook van honderd. Zij kan alle lijnen in zich verenigen.

Wanneer ik de punt realiseer, realiseer ik niet slechts enkele van haar mogelijkheden, zoals bij de lijn, maar alle mogelijkheden, die in haar voorkomen. Zo is voor mij de punt het aanknopingspunt en door te dringen in de materie, om door te dringen in de kosmos, om door te dringen in de geheimen van het zijn.

Waarna men dan waarschijnlijk tot verdere discussie is overgegaan.

U zult begrijpen, dat dergelijke discussies behoorden tot de lichtere gesprekken. Het is misschien reeds boud van mij om aan te nemen, dat u een dergelijk betoog zonder moeite kunt volgen. Helaas weet ik geen lichtere materie, om u deze denkbeelden duidelijk te maken.

Zij zijn de grondslag van elke esoterische bewustwording. Er bestaat geen kennen uit een veelheid, uit een vorm, of uit een afmeting van de werkelijke kracht, die erin schuilt. Wie de mens ziet en waardeert met zijn eigenschappen, staat voor het raadsel: het leven.

Wie de cel aanschouwt komt reeds dichter bij deze waarde. Omdat hij het intrinsieke van de mens, dat eerst door de eigenschappen over het hoofd werd gezien, nu kan benaderen. Maar eerst, wanneer men de kleinste kern van de cel doordrongen heeft, het kleinste punt, wint men de wetten van het leven. Eerst wie zelfs hierin dan nog een – desnoods willekeurig – punt neemt en vandaar uit weer zoekt naar alle waarden, die erin samenkomen, kan vinden, vanwaar de levende kracht zelve staat.

Er zijn ook over Pythagoras en de Pythagoreërs vele dingen gezegd. Men heeft hen dwazen genoemd en grote wijsgeren. Maar hun leer is voor de doorsnee mens verloren gegaan. Want de mens leeft, in een wereld van mensheid, van menselijk bestaan. Daarom kan hij zich niet bepalen tot het kleine en tot het ene moment. Hij kan niet de tijd zien in seconden. Hij wil haar overzien in jaren en eeuwen.

Dit is een begripsverwarring. Wanneer ik één punt heb in de tijd, dan heb ik het begrip eeuwig. Wanneer ik één punt in mijn eigen wezen volledig erken, doorzie en doorgrond heb, ken ik mijzelf en alle krachten, die mij tot aanzijn brengen.

Dit geheim der esoterie werd de grondslag van vele geloven en leerstellingen. Toch was het in zichzelf niet nieuw. Want Pythagoras is de eerste geweest, die een school bouwde, gebaseerd op de oude Godsleringen, samengevat in termen, in formules, waardoor het mogelijk werd om al cijferende concepties van ideeën, die niet in het ik aanwezig waren, te wekken uit de daarin aanwezige kennis. Ik zal u niet verder trachten te boeien met deze materie of trachten u te dwingen mij verder aan te horen. Want wij zijn getweeën gekomen, getweeën uit een tijd, die niet zo ver uit elkaar ligt, een gedachtewereld, die in – schijnbare tegenstelling – gelijkelijk toch inhoudt een erkenning van dezelfde waarden, de spreker, die na mij komt, zal u tonen hoe uit de sentimenten en het onbegrip der massa hetzelfde Goddelijke moment kan groeien, dat van zo groot belang is in de Pythagoreïsche filosofie.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Tegenover de koude beschouwingen van de denker en filosoof, die de esoterie heeft gemaakt tot zijn werkterrein, staat het oude geloof der menigte aan de Goden. Ik moet erkennen, dat veel van de waarden, die men mij leert, ook nog daar, waar ik nu verblijf, aangaande deze stoffelijke theorieën der denkers ten aanzien van hun geestelijke waardering voor stoffelijke  waarden, belangwekkend en overweldigend zijn. Maar ik heb de menigte hetzelfde zien beleven in een droom van angst en verschrikking, en hevige emoties, waarbij lust en dood elkaar afwisselen.

Eens heb ik geregeerd in een tempel. Een tempel gebouwd uit hoge, zware stenen, sterk ommuurd en voorzien van rijke gangen en woningen, voorzien ook van al datgene, wat een priester nodig heeft, wanneer hij als stem der Goden de menigte begoochelt. Onze eredienst was een eredienst aan de Vruchtbaarheid, aan het Leven. Wanneer de menigte samendrong op de tijd, dat geofferd werd, dan werd in de gloeiende stier, menig kind, menige slaaf gedood, gesmoord in de hitte en de verschrikking. Men heeft ons vaak in uw wereld verweten, dat dit zinloos was en nutteloos, dat het wreedheid was en demonisch. Maar de mens, die een medemens ziet sterven, wordt zich van de heiligheid van het leven bewust. Degenen, die het leven niet kennen, omdat zij niet zoals anderen de verschrikking kennen, het weten, dat op een moment, door een woord, een gebaar van een priester het leven beëindigd kan worden, durven het leven niet aanvaarden en accepteren.

Wanneer onze vriend spreekt ever dat filosofische punt, waarin alle krachten samenkomen, dan spreek ik over dat ene punt, de mens, waar alles om draait. Zelfbehoud! Stel een mens in een gevaar zichzelf te verliezen, stel hem voor angst en pijn en kwelling, stel hem voor lusten en overrompelende weelde en deze mens zoekt zichzelf. Hij tracht zichzelf te erkennen in verhouding en relatie tot al, wat er bestaat. Ik wil de woorden van mijn geachte confrater gaarne lenen hiervoor. Want de dood van een enkeling betekent zo weinig, omdat ze de dood van velen kan verhoeden.

Als onze Heer sprak tot het volk, wanneer de stempijp galmde van de rietfluitmuziek, die de zuchten van de God moest verbeelden, of wij, roependen, gezamenlijk in veelheid een donderende galm te voorschijn brachten, waaruit dan de stem van de spreker uiteindelijk het decreet, het orakel naar voren bracht, dan sprak onze God der verschrikking nooit van onderdrukking en geweld. Ja, ik weet dat er vorsten zijn geweest, die dergelijke orakels hebben misbruikt. Maar laat ik u zeggen, dat in onze tempel met zijn vele wreedheden, met zijn offers van mens en dier, met zijn doodsnood en zijn angst, veel goeds werd geboren.

Want omdat onze God wreed, omdat men zag, hoe hij leven verteerde in een ware vreugde, achtte men hen hoog en erkende zichzelf daarin als vorst. Men zag in hem een heerser en men vroeg naar zijn oordeel. Vaak heeft hij gezegd: Voer geen krijg! Vaak heeft hij gezegd: Stuur uw troepen elders. Hele landstreken en hele steden heeft hij beschermd. Uw tijd noemt ons afgodendienaars. Uw tijd begrijpt ons niet. Want wij kennen de volle waarheid van een volk, dat primitief leeft en wij weten, dat er niets anders is, dat hen regeren kan. Er is één punt in de mensheid, dat hen vatbaar maakt voor alle invloeden, invloeden van het meest Goddelijke tot het meest demonische toe. Elke mens kent zichzelf als een heiligdom, dat hij vreest te verliezen. Het ene punt ‘ik’ in die mens, dát moet beroerd worden.

Dreig het en dood desnoods. Want doden betekent niet: ten onder doen gaan. Dood en breng verschrikking, maar breng ook zegen. Geef hen de volheid van lusten. Laat hen zich uitleven en confronteer hen dan met pijn en dood en ondergang. Zij zullen plotseling terugschrikken in zichzelf en zeggen: Maar ik? En dat ‘ik’ is het punt, waarom het gaat, geloof ik. Want waar wil mijn waarde Pythagorese vriend het punt van aanraking vinden; in de wereld of in de kosmos, waarin de mens kan door dringen? Er is maar één ding, dat hem werkelijk heilig is: zijn, ik. Stel dat ik in conflict met de wereld, stel het in angst en siddering en hij zal gedwongen zijn zich dat ik te realiseren. Dan luistert hij naar de galmende stem van een priester, die zegt een God te zijn. Hij gehoorzaamt om de wille van het ik.

Denk niet, dat wij dwazen waren. Zeker, de stem van onze orakels heeft ook ons soms waarheid en wijsheid gebracht. Want er zijn orakels, die gij trancetoestand noemt, die inderdaad zien over de tijd weg, die waarden beseffen, die voor ons slechts moeilijk benaderbaar of bereikbaar zijn.

Maar er is meer. Er zijn de sterren. De sterren, de noodlotstoestanden schrijven, die het je mogelijk maken, indien je de mensheid beheerst, hen een aanrakingspunt te geven met de kosmische werking en kracht, die op hen neerdaalt. En zijn en het bewustzijn van hen, die de kern van de mens hebben leren verbinden met een ander zijn.

Het beeldje dat wij, grove heidenen, hadden, was niet zo dwaas, als het beeld, dat sommigen van uw christenen er op na houden. Ook wij geloven aan Verlossing. Een verlossing van het ‘ik’, van het zelf zijn. Ook wij geloven wel degelijk aan de noodzaak om tot God te komen. Wij geloven ook aan ene God, aan een God, Die in onze geheimen een andere Naam had dan in de boeken der tempels, gehouwen in de stenen, of gesproken in het openbaar. Er is één kernkracht, Dat is het Ware. Daaruit is alles voortgekomen. Maar als alles er uit is voortgekomen, moet het in alles ook nog voortbestaan. Van daaruit kan ik alle dingen benaderen en beroeren. Maar elke mens en elk wezen haast zo doen wij het in de geest nog vaak verhult zichzelf in drogredenen, in opvattingen, in redeneringen. Vooral in het gevoel van eigenwaarde, in het bewustzijn, dat het voor anderen wel kan gelden, maar niet voor hem of haar. Daarom hebben wij de zweep gebruikt van de angst, de tirannie van het mensenoffer.

Want de mens vergeet zijn waanvoorstelling, wanneer hij geconfronteerd wordt met de vernietiging van alles, wat die waan uitmaakt: zijn leven. Wij hebben de mensen geleerd, dat er een voortbestaan was. Wij hebben hen gesproken over hemel en hel, zoals u dat noemt. Gesproken over duistere reizen, over lichtende velden, waarin geluk kan worden gevonden. Dingen, die bestaan, die ook uw geest nog steeds weer aanvaardt als een werkelijkheid. Dingen, die uw Orde, waar u zo gaarne naar luistert, steeds weer uitspreekt. De mens door vrees en door lust bevangen, in zijn roes plotseling geconfronteerd met het sterven en het gevaar om te sterven, toont zich, zoals hij is, is zich zelf, keert terug tot de kern van zijn zijn. In die kernuiting kunnen wij erkennen, waar de waarheid ligt van het Goddelijke.

Dan zegt u; God is in alle dingen. Ik ben het daar niet mee eens. God is alle werkelijkheid. Maar daar is zoveel waan omheen gevlochten door mensen en geesten, die weigeren om de werkelijkheid te aanvaarden, dat je alleen in een moment van nood, of in een moment van grote vreugde, iets van de werkelijkheid naar voren ziet komen.

De Pythagoreërs meenden, met betrekkelijk geringe proeven de esoterische bevattingsvermogens van de leerlingen te testen. Zij konden dit gemakkelijk doen, want zij hadden zich een eigen taal geschapen, die toch niet verstaan kon worden door degenen, die de begrippen op de achtergrond niet kenden. Wij hadden die geheimtaal niet. Wij hadden ze niet nodig. Wij waren mensen. Intriganten misschien soms. Wezens, die leven en dood brachten, zoals het uitkwam. Maar ook zonder al hun geredeneer, wisten wij alleen door de beproeving van de mens vast te stellen, wat hij waard was. Wisten wij voor die mens een mogelijkheid te scheppen om op te gaan tot een kracht, zo groot en zo ontzagwekkend, dat onze eigen God slechts een speelgoed was, daarbij vergeleken, ofschoon die God ook een machtige geest was, dat kan ik u verzekeren. Er bestaan geen Goden meer, die mensenoffers vragen en geen tempels meer, waarin de vuurgloeiende stier, het geloei van de vlammen, de dood betekenen van mensen. Maar uw wereld is nog erger. Wanneer men vroeger uitging op roof, op krijg, zoals dat heette, wanneer men oorlog voerde, dan had men een doel, dat redelijk was. Een stoffelijk doel, dat begrijpelijk was voor een ieder en dat voordeel betekende voor een ieder, die er aan deelnam en kon overwinnen, het was een eerlijke proef van mensenkracht.

De Molochsen de Baäls zijn uitgestorven. Tenminste in hun stoffelijke vorm en tempels. Maar uw wereld offert aan waanideeën niet enkelen, maar miljoenen. De dood in de gloeiende stier was niet zo erg, als de dood, die gij soms aan zovele tegelijk bezorgt met uwe napalmbommen. Gij zoekt de bandeloosheid in de oorlog. Wij zochten in het geweld en de verschrikking de kern, waardoor wij de band konden leggen tussen ons en iets hogers.

Misschien zijn het verschillen, die niet tot u spreken, maar voor mij hebben zij een grote betekenis. Ik zeg u: De oude Goden leven nog steeds, omdat zij leven in elke mens. Slechts wanneer de mens alle hoop verliest, dan vindt hij een beeld, dat hem terugvoert tot zijn God.

Dan vindt hij het ene punt van aanraking met de kosmos, die hij in zichzelf draagt. Buiten zichzelf kan hij dat punt niet vinden.

Ik geloof niet, dat je een esoterisch geheim kunt oplossen door een formule. Je moet het doorleven; je moet het zelf doormaken. Je moet weten, dat het je ondergang kan betekenen, wanneer je mislukt. Dan pas zul je je hele wezen eraan durven wagen, dan zul je je helemaal

inzetten, zul je doordringen tot de diepste kern. In die diepste kern zul je dan inderdaad de ware Goddelijkheid erkennen, de ware oorzaak en reden van alle bestaan. Dan valt een ogenblik de sluier van de waan weg.

Dan, zie je achter alle geweld, achter alle bloeddorst, achter alle dierlijkheid en lust, één ding, dat altijd weer even zuiver en schoon blijft. Je ziet, dat je het zelf bent, die de onberoerde ongereptheid, alleen gerept door het scheppende denken van het Goddelijke, vernietigt.

Mensengedachten, mensenbegeerten, geestelijke hovaardij in alle sferen bezoedelen de ruime rijpheid, de wonderlijke stilte, die in de kern van ons wezen ligt geborgen.

Daar heeft u de tegenstelling. Ongetwijfeld zal de licht weten schappelijke betoogkracht van mijn vriend u meer aanspreken, dan de mijne. Want hij aarzelt voor bloed en niet voor formules. Ik schrik terug voor een formule en ik aarzel niet voor bloed, omdat ik geen formule ken, maar slechts één waarheid. Voor die waarheid is er geen formule.

Maar wij beiden tezamen vormen toch weer een eenheid. Wij zijn slechts aspecten van hetzelfde ding, twee uitingen van dezelfde mogelijkheid om tot God door te dringen. Mogen wij het niet met elkaar eens zijn, dan komt dat, omdat wij nog niet ver genoeg zijn gekomen tot de kern. Want wanneer wij dat punt in de Schepping eenmaal beroerd hebben, dat het onze is, ons moment, dan staan wij van daaruit met de hele Schepping in verbinding, dan kan elke invloed bewust ons passeren, dan kunnen wij uit elke invloed aflezen, wat de Werkelijkheid is. Dan kan er geen twist meer zijn. Daarom zou ik het prettig vinden, wanneer u mij inderdaad als tegenstelling tot een Pythagoreër wilt beschouwen.

Ik hoop, dat ik in het taalgebruik niet gefaald heb. Dat ik met de beschikbare woordenschat duidelijk heb kunnen maken, dat ondanks de uiterlijke tegenstelling er een innerlijke eenheid kan zijn, die uiteindelijk door tegengestelde principes voor ons scheiding betekent, terwijl wij allen beseffen, dat de kern ervan onscheidbaar één zijn.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

Zo, ik weet niet, of u dat nu zware of lichte kost wilt noemen, maar ongetwijfeld heeft het u voor een paar problemen geplaatst. Het zou de moeite waard zijn om die dingen eens te overdenken. Ik denk, dat u het bv. met de tweede spreker niet zo gemakkelijk eens zult zijn en dat ligt in uw tijd, in uw wezen. Dat hij nog zo denkt, heeft hij te danken aan het feit, dat hij sedertdien niet meer op aarde is geweest. Het feit, dat hij in een hogere sfeer is op het ogenblik en niet meer op aarde terug is geweest sedert die tijd, zal u bewijzen, dat – in zijn tijd althans – zijn stellingen toch wel enige kracht hadden. Ook op geestelijk gebied.

Maar goed, het wordt tijd, dat wij zo langzamerhand gaan besluiten. U heeft meer dan voldoende stof tot overpeinzing gekregen. Ik wil er dan uiteindelijk nog maar een klein ding aan vastknopen. Een kleine beschouwing of meditatie hoe u het noemen wilt over een onderwerp, dat u zelf moogt kiezen.

Verlangen.

Verlangen. Juist, ik dank u.

Wanneer ik ergens naar verlang, dan moet ik er een beeld van hebben. Want een verlangen, dat geheel ongericht en onbestemd is, een vaagheid, kan hoogstens betekenen, dat ik mij van mijn weten daaromtrent nog niet bewust ben. Wanneer ik iets geheel niet ken, wanneer het in mijn wezen niet is vastgelegd, hoe moet ik dan tot verlangen komen? Dus het hele verlangen is opgebouwd uit allerhande verschillende beschouwingen, die op de duur door ervaringen, door erfelijke factoren desnoods, als je mens bent, door bewustzijnstoestanden je roepen in een richting, die je wel kent, maar die je meent niet te kunnen bereiken. Men verlangt bv. naar een mens. Men zegt bv.; Ja, maar die is heengegaan en ik zou hem zo graag weer ontmoeten. Het is heel begrijpelijk, dat men dat zegt. Maar wat verlangt men eigenlijk? Welk beeld is er blijven hangen? Wanneer u goed nadenkt, dan zult u zien, dat die verlangens heel sterk variëren, De één verlangt naar de zekerheid, de ander naar de zorgzaamheid, de derde alleen naar zijn gemak. Maar een enkeling werkelijk naar een gehele mens.

Men verlangt naar bepaalde factoren en de rest, die wordt dan weer heel gauw vergeten. Een mens geeft aan het verlangen dan ook een naam en drukt dat uit in een totale term. Hij meent, dat het onbereikbaar is. En toch, wanneer het verlangen de voorstelling in zich draagt, dan meet degene, wat ge verlangt er reeds zijn. Er bestaat eigenlijk geen reden om te verlangen. Want wanneer je vastgesteld hebt, dat iets in je bewustzijn bestaat, dan moet het ook realiteit zijn. Ergens. Dan is er de mogelijkheid, die vandaag of morgen tot uiting zal komen. Indien je het werkelijk verlangt, dan kan het niet anders zijn, of dat verlangen moet zichzelf vervullen. Want het bestaat uit een gekende waarde. Een gekende waarde moet tot het bewustzijn door dringen op een gegeven moment en zijn eigen vervulling veroorzaken.

“Ik verlang,” zegt men, “de mensheid te helpen”. Ja goed, maar de hele mensheid? Zo vaag.

Ga eens nazoeken; wat wilt u nu werkelijk? Dan wordt het hele terrein al heel wat kleiner. Dan merkt u, dat u bepaalde mensen wilt helpen, dat u bepaalde prestaties wilt leveren; dat u met een bepaalde hulp en leiding desnoods, een zeker iets wilt gaan volbrengen. Dat is meestal dan betrekkelijk en nauwkeurig te omschrijven. Dan zegt men; En als ik dat nu maar zou kunnen.

Er stond eens een man voor een greppel. Hij zei tegen zichzelf: Als ik daar nu eens overheen kon stappen. Wat zou dat gemakkelijk zijn! Want anders moet ik een heel eind omgaan om over een brug te lopen. Hij had er met een schrede overheen kunnen stappen, maar hij vertrouwde zichzelf niet. Hij was bang, dat hij zou vallen. Omdat hij zich wel kon voorstellen, dat hij aan de andere kant stond, maar zich niet kon voorstellen, dat zijn eigen beweging voldoende zou zijn, om dat inderdaad tot werkelijkheid te maken. Hij verlangde wel, maar in zijn verlangen zat niet het vertrouwen in de werkelijkheid. Het was reeds werkelijkheid op dat moment. Een schrede en hij zou er geweest zijn. Het bestond werkelijk, die mogelijkheid. Er was helemaal niets onmogelijks bij, het leefde in hem. Daarom was het ook te verwerkelijken. Maar hij vertrouwde zichzelf niet en daarom bleef zijn verlangen onbevredigd en een brug kon hij niet vinden. Zo word hij door een greppel van nog met een schrede diep gescheiden van het gebied, dat hij zo gaarne zou betreden.

In deze gelijkenis ligt het menselijk verlangen en ook vaak het verlangen van de geest in zijn wezen opgesloten. Al hetgeen wij ons kunnen voorstellen is een werkelijkheid. Dat bestaat reeds. Het is ergens. Dat is voor ons te bereiken, wanneer wij gelukkig de moed hebben om te zeggen: Zo ga ik. Die weg sla ik in. En dít maak ik tot werkelijkheid. Zonder aarzelen, zonder twijfelen. Gedragen door de overtuiging, dat omdat wij ons dit ook werkelijk precies en in details kunnen voorstellen, het hoe en het waarom erbij, dat wij het ook kunnen bereiken. Als u zich iets niet kunt voorstellen, met alle trappen, die eraan verbonden zijn, dan kunt u ook zeker niet het verlangen verwerkelijken. Want dan is het geen werkelijk verlangen. Dan is het een droom. Dan is het een spelen met gedachten. Dan vreest u zelfs om die gedachten tot werkelijkheid te maken. Wanneer u het zou kunnen, dan zou u het niet doen.

Daar zit nu juist het grote probleem van verlangen. Want wij verlangen immers zoveel dingen.

Wij zeggen allen: Wij verlangen naar God. Zeker. Wij verlangen naar God. Maar niet naar de werkelijke God en naar de Waarheid. Wij verlangen naar de God, Die ons past. Onze God. Zou ik misschien mogen zeggen: Onze eigen Godheid? Onze zelfvergoding? Want daar komt het op neer.

Wij verlangen naar leiding uit de geest. Maar wij verlangen dan toch vooral leiding die ons de weg wijst, die wij aangenaam en gemakkelijk vinden. Wij verlangen dus eigenlijk iemand te hebben, die ons de verantwoording afneemt, om datgene te doen, wat wij zelf graag zouden willen doen. Dat zijn factoren in het verlangen, mijn vrienden, die voor elke oppervlakkige beschouwing reeds op de voorgrond treden. Toch zijn er van die verlangens in je, die je eigenlijk niet goed kunt binden. Er zijn krachten en drijfveren, waaraan je niet kunt ontkomen.

Omdat die bestaan, is het noodzakelijk, dat wij ons af vragen: Wat verlangen wij? Wat is ons werkelijk verlangen? Wanneer wij dat voor onszelf omschrijven, dan zullen wij al heel gauw tot de conclusie komen, dat dit verlangen op zichzelf nutteloos is, om dat het strijdig is met ons wezen, dus een droom, en terzijde gesteld kan worden. Of wij komen tot de conclusie, dat het inderdaad iets noodzakelijks is. Maar dan moeten wij het verlangen ook zelf volvoeren. Wij moeten ook zelf uitdrukking daaraan geven en niet zeggen: Laat het naar op een ander terecht komen. Wij moeten niet zeggen: Wij wachten het wel af. Of: Wij zullen wel eens voorzichtig proberen, of het misschien gaat. Wij verlangen het. Wij hebben er een beeld van. Dan kan dat ook.

Verlangen is eigenlijk een vorm van weten. Wanneer wij niet een weten in ons zouden dragen van de liefdevolle grootsheid van God, dan zouden wij ook niet naar die God verlangen. Als wij God alleen zouden zien als een toornende factor, of als een vernietiging van ons ego, dan zouden wij ons niet tot die God getrokken voelen. Misschien, dat wij ons alles niet zo precies realiseren, als het in ons leeft. Maar wanneer wij nagaan, waaruit het verlangen voortspruit in ons, dan vinden wij ook, dat dit berust op een innerlijk weten. Iets, waarvan wij zeker zijn. En juist, wanneer dat het geval is, dan is het ook begrijpelijk, dat wij zonder aarzelen dat verlangen kunnen nagaan. Als wij weten, wat de kern is en wij kunnen die kern verwerpen of aanvaarden, dan kunnen wij ook zeggen: Dit verlangen zetten wij terzijde, ik verlang niet meer, want ik heb mij gerealiseerd, wat het is; ofwel: Ik ga mijn weg, want ik weet; dat ligt in mij en dus kan ik het ook verwerkelijken. Verlangen wordt zo vaak misbruikt in een deel van uw tijd. Ik verlang naar dit. En ik verlang naar dat. Wat verlang je dan precies? Omschrijf het nu eens precies. Waar komt het vandaan? Dat kun je toch wel nagaan? Wat is er werkelijk aan je verlangens? Hoe kun je dat zelf geestelijk verwerken, hoe kun je het accepteren? Stel je het je precies voor, dan kom je vanzelf tot een schitterende conclusie, want dan zeg je; Hé? Daar kan ik dit zo en zo tot realiteit maken. U zegt: Ik verlang naar het leven in de geest, ik verlang naar de rust van een Zomerland, ik verlang naar een lichte sfeer. U heeft een geest. Die geest kan op het ogenblik deze sfeer al bereiken. Wanneer u de moed heeft om dit niet als een onmogelijkheid van u af te wijzen, maar werkelijk Uw geest met al uw krachten erop te richten. Wanneer er een voorstelling daarvan leeft in u, dan kunt u dit bereiken.

Ja en dan moeten wij gaan overdenken over verlangen. Want eigenlijk zou ik moeten gaan mediteren erover. Maar ik kan het niet laten om er een lesje van te maken.

Verlangen, dat is het voor jezelf vaststellen van wat je nodig hebt. Dat is voor jezelf vaststellen, wat er in je leeft. Wanneer je dat verlangen niet zuiver en scherp uitdrukt, dan betekent dat, dat je jezelf begoochelt. Dan is je verlangen een pijnlijkheid, een lijden. Maar indien je begrijpt, wat de werkelijkheid is, wanneer je weet, wat het verlangen in je is en het beeld, waaruit het verlangen is voortgekomen, dan ken je een bepaald iets, dat in de werkelijkheid bestaat. Alles, wat in de werkelijkheid bestaat, is bereikbaar. Een vondeling, in de goot gevonden, kan op een troon komen te zitten, wanneer hij dat wil. Een halve dwaas, die bewustzijn genoeg hoeft om naar weten te verlangen, kan zich zeer veel weten verworven.

Een mens, die zich bewust is van de redenen, waarom hij verlangt naar iets en de geestelijke waarden, die hij zoekt, voor zichzelf weet te omschrijven, kan deze bereiken, wanneer hij zelfvertrouwen heeft.

Maar denk niet, dat het verlangen altijd het onbestemde heimwee moet zijn naar dingen, die later komen.

U leeft op dit moment. Uw verlangen is van dit moment. Dan is ook de verwerkelijking ervan in het heden. Dan moet u er zelf alles voor doen, dat het in orde komt. Dan moet u ook de consequenties niet vrezen van uw verlangen. U moet precies nagaan; wat is eigenlijk de factor? Als u zegt: Ik verlang naar de edele reinheid van het Goddelijke en aan de andere kant zou u zo graag uw aardse leven voortzetten en u merkt, dat die twee voor u niet samen kunnen gaan, dan moet u kiezen: of het verlangen weg, of de aardse vorm van leven weg.

Eén van de twee, maar niet alle beiden.

Door op deze wijze het verlangen te beschouwen, kan het verlangen worden gemaakt tot een wapen van bewustzijn. Een wapen, dat doordringt tot in de diepste kern van je eigen wezen.

Maar ook gelijktijdig tot de kern van alle werkelijkheid, die voor je bereikbaar is, van alle wereld, die voor jou nog te bevatten is. Dan is je verlangen niet meer een niet-hebben, of een niet-kennen. Dan is het integendeel een richtingaanwijzer, een vriendelijke hand a.h.w., die je leidt tot de bereiking.

Nu moet u mij niet kwalijk nemen, dat ik te weinig heb gemediteerd en misschien teveel heb gezegd. Maar, wanneer u Verlangen zegt, dan betekent dat ook, dat u verlangt er iets over te horen. Dan kan ik het niet in mooie woorden gaan kleden. Dan kan ik dat niet statig en gedragen maken, ofschoon ik er natuurlijk een aardig dichtwerkje over kan maken en een hele hoop nonsens kan zeggen erover. Nonsens, zo mooi en gedragen, dat u a.h.w. ondergaat in de mooie gedragenheid van woorden. Maar dat zou uw verlangen niet kunnen helpen. Dat kan alleen de realisatie van wat een verlangen betekent en van de wijze, waarop het je kan leiden, indien je het op de juiste wijze gebruikt althans: Tot een bereiking en bewustwording, een vervulling, waardoor het verlangen zelf slechts is de aankondiging van een volgende stap in je leven, van een volgende realisatie, misschien in een nieuwe wereld, misschien in deze. Maar in ieder geval de vervulling van je wezen, tot eens de volmaaktheid is bereikt. De volmaaktheid, die wij allen aanvoelen als mogelijkheid, ofschoon, wij ze ons niet kunnen voorstellen. En die wij dan noemen: het opgaan in God.