Vrijheid

11 december 1955

Wij zullen deze bijeenkomst gebruiken om een ogenblik verschillende wijsheden over vrijheid te beschouwen.  Vrijheid is een van de meest misverstane grote goeden, die de mensheid op deze wereld gegeven zijn.

Er zijn mensen, die de vrijheid tot een goed maken, zoals de oude Si Lo Han eens heeft geschreven in een soort gedicht:

“Men noemt het vrijheid, maar het is een breien van allerlei banden, waardoor men slaaf wordt van zichzelf.”  Want juist, omdat de vrijheid zo’n kostbaar goed is mag men haar niet gebruiken om alle banden van zich af te gooien.

Wie elke band verbreekt, is een dwaas.  Want als men zelf alle banden breekt, heeft men ook geen gezag meer over zichzelf.  En waar blijft dan de vrijheid?

Vrijheid betekent de vrijheid tot aanvaarden of laten.  Dat klinkt in uw oren misschien wat eigenaardig, maar wanneer gij mij toestaat om uw eigen meer Christelijke opvoeding en denkrichting hierbij als voorbeeld te gebruiken, zou ik het u als volgt kunnen voorstellen.

Er is een grote geest, die tot de wereld kan gaan en daar de mensheid licht brengen, of in zijn eigen sfeer te blijven.  Deze geest is volkomen vrij.  Zou hij niet in werkelijkheid vrij geweest zijn, ongetwijfeld had de tegenstelling tussen hoog licht en aardse bedomptheid hem ertoe gebracht het licht te prefereren.  Hij was echter innerlijk vrij en wist dit licht met zich mee te nemen, begrijpende, dat het licht in hem woonde.

En zo werd – wat gij gaat gedenken binnenkort – Jezus op aarde geboren.

Zo staat er in uw heilig boek geschreven, dat Jezus in  bekoring werd gebracht. Hij heeft honger: “Zo Gij dan God zijt, zo Gij machtig zijt en verlicht, maak dan brood uit deze stenen.”  De honger zei: ja. Maar Jezus was vrij.  En daardoor had Hij een overzicht van de juiste waarden en wist te weigeren. Het was geen noodzaak.

Hij kon de trots weigeren, die in hem werd opgeroepen, toen men Hem zei: “Spring van de tempelmuren; de engelen Gods komen om u op te vangen.”  Hij was vrij om dat te doen.  En niets had hem kunnen schaden.  Hij deed het niet, omdat Hij vrij was. Hij liet zich niet verleiden door een ander.  Hij liet zich niet leiden door gedachten en invloeden, die een ander op Hem afstuurde.  Want Hij was vrij.  Want dit is de ware vrijheid.

Zoals eens een oud geleerde omschreef: “Vrijheid betekent dat het innerlijk denken beslissend is boven alle zaken, die in het lichaam leven.  Dat het innerlijke denken meester is van zichzelf en bewust voor zichzelf kiest, wetend wat de gevolgen zullen zijn voor elke daad. Vrijheid is de kracht om zichzelf de banden op te leggen, die noodzakelijk zijn om te leven binnen het eeuwig levensprincipe.”

Ook gij zoekt op uw eigen wegen naar vrijheid, ieder van ons zoekt naar vrijheid, stof en geest.  Sommigen naar stoffelijke vrijheid, anderen naar de vrijheid om scheppend te werken en te doen, wat hun goeddunkt voor hun medemensen, of voor hun broeders in de geest.  Wij voelen ons beperkt, wij zijn niet vrij om dat te doen wat we willen.

Ik kan tot u komen door een medium.  Maar ben ik in staat om mijzelf aan u te vertonen en hier – herschapen een ogenblik – tussen u te staan en te leraren? Zo ben ik gebonden; ik ben nog beperkt.

Eens zei Li Po: “Onvrijheid is slechts de gebondenheid, die ik mijzelf opleg.” En toch zei hij het, toen hij met het schandbord beladen naar Peking werd gebracht om daar terecht te worden gesteld.  Het bord kon hem niet vangen want zijn geest was vrij.  Hij voelde in zichzelf het vermogen om als een draak, onkwetsbaar, vuurspuwend al zijn gevangenisbewaarders te verdelgen.  Hij droeg het schandbord; maar hij overtuigde zijn rechter.  En de hemelse heerser gaf hem zijn vrijheid en een zeer aanzienlijke positie aan het hof. Want Li Po was vrij.  Vrijer dan de meesten.  En toch niet zo vrij als ik bv. geweest ben. Niet zo vrij als gij kunt zijn.

Vrijheid ligt in ons. Hoe meer wij ons bevrijden van elke band van voorstellingen, en hoe meer wij onszelf een persoonlijke wet stellen, hoe vrijer wij zijn.

Men zou denken, dat het vrijheid is, wanneer wij buiten God gaan.  Maar wij kunnen niet buiten God bestaan, omdat hiermee de essentie en het doel van ons zijn, beide zouden wegvallen.  God is onze wet en onze band.  Buiten deze kunnen wij niet gaan.  Maar deze wet is zo groot en zo veelomvattend, dat we voor onszelf nog onze eigen wet moeten stellen, zo bepalend de richting waarin wij streven binnen dat Goddelijke.

Indien gij dit begrijpt, zult gij aanvoelen, wat de grootste vrijheid is, die voor ons bestaat: Voor onszelf een wet stellen en deze handhaven tegenover onszelf en de wereld en al wat er gebeurt.

Eens heeft een westerse wijsgeer gezegd, dat de grootste vrijheid is het dienen van anderen. Ik ben dat niet helemaal met hem eens. Ik kan dat niet.

Want hij stelt voorop, dat men moet dienen, om vrij te zijn.  Ik voor mij neem aan, dat dienen – als functie van het eigen wezen – resultaat van eigen bewustzijn – de vrijelijk aan het ik opgelegde plicht kan zijn.  Als zodanig uiting van de vrijheid, maar nooit de vrijheid zelf.  Of ik met mijzelf alleen blijf of dat ik ga te midden van de wereld, of ik het heelal doorkruis, of blijf ik in mijn eigen beslotenheid, dat is mijn keuze.  En dat is ook mijn vrijheid.

Vrijheid betekent voor mij: een accepteren van de banden, die je jezelf oplegt; en het bevrijden van elke band, die de wereld buiten je, of machten buiten je, trachten je op te leggen.  Dit leidt ons tot een beschouwing van onszelf.

Wat is de gebondenheid van een mens die op de wereld leeft, en wat is zijn vrijheid?  Gebonden zijn wij allen: de eer aan onze voorouders bewezen: bij u misschien; de eer aan uw God, de wetten ons opgelegd door stoffelijke overheid; de eisen, die omgeving aan ons stelt.

Er is een tijd geweest, dat een Chinees zonder staart een belachelijk figuur was, deze haarvlecht op zichzelf een teken van onderworpenheid, van slavernij.  Want zo hebben de eerste Manchu-keizers gedecreteerd, toen zij het land veroverden.  Nu op het ogenblik is een Chinees, die nog een haarvlecht durft te dragen, een misdadiger tegen het volk en staat.  Hij is niet vrij zijn haar te dragen zoals hij wil.

En wat u betreft: uw mode schrijft voor hoe u gekleed moet zijn.  Probeert u eens bij een bijzondere gelegenheid binnen te treden in een statie-gewaad, dat jijzelf mooi vindt.  Men zou u uitlachen en honen. Gij kunt het u niet permitteren om gekleed te gaan in een jas van goede zijde, bezet met edelstenen en geborduurd met gouddraad.  Men denkt, dat gij een dwaas zijt.  Uw vrouw kan het zich niet permitteren, om bv. een Japans gewaad te dragen of het moet echt versneden zijn naar de mode-normen en lijnen, die de wereld nu eenmaal eist. Dat is gebondenheid.

Die gebondenheid gaat verder.  Men stelt zich een plicht in het leven.  Zo gij handelsman zijt, zo zult gij handelen. Maar gij zult niets voor niets geven. Want wie iets voor niets geeft, is geen goed handelaar, dus bespottelijk en belachelijk.

Gij zijt werker; gij zult uw eigen beroep uitoefenen, en u niet vergrijpen aan het beroep van een ander.  Gij wilt in de wereld uzelf zijn? De wereld geeft u geen mogelijkheid.

De wereld legt u op: “Zo ge met ons wilt leven, zo gij alles wilt hebben, wat wij u geven kunnen, dan zult gij u moeten onderwerpen aan de plaats, die wij, de wereld, voor u hebben gesteld.”

Zo is de gebondenheid wel zeer groot. Zie naar uzelf in uw eigen land.  Er wordt u voorgeschreven, welke wegen u kunt gaan, en hoe gij u op deze wegen zult gedragen.  Er wordt u voorgeschreven welke grond gij zult betreden en welke grond ge zult mijden.  Er wordt u zelfs gezegd, wanneer ge ’s avonds laat handel moogt drijven en wanneer dat niet geoorloofd is.  Het duurt misschien niet lang meer, of men zal u zeggen wanneer ge iemand helpen moogt en wanneer niet.  Hoe kan men dan vrij zijn?

Men kan alleen vrij zijn, wanneer men in zichzelf een waarde draagt, die men hoger schat, dan al hetgeen de wereld u kan geven.  Wanneer gij in uzelf een bewustzijn schept, zo groot, dat het intenser waarheid naar voren brengt, dan alle wereld u tonen kan.

Vrijheid ligt in ons. En iemand, die vrij is kan de beperking van de wereld aanvaarden, zolang ze hem niet stoort.  Hij zal zeker voor zichzelf een groot gedeelte van deze wetten inlossen, ook wanneer hij dit voor zichzelf niet noodzakelijk vindt.  “Want, zo zal hij zeggen tot zichzelf, ik zou een dwaas zijn, indien ik mij, om de vrijheid naar voren te brengen, me zou binden aan een verwerpen van de wereld.”

Er zijn mensen, die denken dat ze vrij kunnen zijn.  Men heeft deze ten onrechte existentialisten genoemd.  Zij trachten alle burgerlijkheid van zich af te werpen.  Zij durven zich niet eens meer behoorlijk te kleden, want dan zijn zij geen existentialisten meer.  Zij geven zich vrijelijk over aan alle roes en alle lust.  Maar zij durven niet meer fatsoenlijk te zijn; want, dan passen ze niet bij hun omgeving.  De armen!   Zij zijn groter slaven dan velen!

Er was eens een boer, hij had vele dochters en geen zoons. De dag van zijn arbeid was zwaar.  Toen kwam een Mandarijn voorbij.  Deze zei tot hem: “oude, wat lacht gij en zingt gij. Hoe zwaar zijn uw dagen.  Hoe ongelukkig is uw lot.  Zonen hebt gij nie, alleen nutteloze dochters.  Rijkdom hebt gij niet.  Wanneer ge naar huis gaat, zal uw vrouw u een schaal met rijstwater geven.  Gij kent niet eens de geur van de thee.” Toen lachte de boer en zei tot de Mandarijn: “Heer, wat hebt gij dan beter dan ik?”  Toen zei de Mandarijn: “Ik heb de tijd om te zitten en om rijstwijn te drinken en te schouwen naar de courtisanes.  Ik heb de vrijheid om te beoordelen en vrij te spreken.  En ik heb de tijd voor mijn vreugden, voor mijn kunsten en voor mijn studies.”  Toen lachte de boer en zei tot de Mandarijn: “Maar gij hebt niet eens de vrijheid om uw dochters lief te hebben.  Die bezit ik wel. Gij hebt niet eens de vrijheid om te lachen om een Mandarijn. Die vrijheid heb ik wel.  Niet omdat ik om u lach, want ik heb medelijden met u.”  Dat was een grote belediging.  En zo besloot de Mandarijn de boer te straffen.  Hij ontnam hem alles: zijn grond en zijn huis; de paar kleinigheden – de blauwe katoen, die hij gekocht had voor het kleed voor zich en voor zijn vrouw. En hij zei tegen de boer: “nu zijt ge eerst werkelijk vrij.”  De boer boog. En hij zei: “inderdaad Heer. Want gij hebt mij bevrijd van de enige band, waaraan mijn hart werkelijk hing: de grond, die ik bebouwde.”

Waar de boer heen is gegaan is een lang verhaal.  Het is een wonderlijk verhaal en beslaat minstens vijf boekdelen.  Maar het eindresultaat was wel komisch.

Want de Mandarijn, reizende, zag eens een stoet met een grootmachtig heer voorbijgaan.  Hij haastte zich ijverig buigend, om zich neer te leggen aan de voeten van de heer.  En ziet, daar troonde, waardig in zijn draagstoel…de boer.

Toen zei de boer tot de Mandarijn:” Ziet gij hebt mij de vrijheid gegeven, en ik heb mij alles genomen wat gij begeerlijk achtte.  Maar ik heb meer behouden.  Want men noemt mij nar en dwaas.  Maar ik zeg de waarheid, die gij niet durft te zeggen.  Ik lach om de rijkdom, die ik makkelijk missen kan.  Mij maakt dit alles niets. “En toen boog hij zeer hoffelijk en nam uit zijn mouw een zakje met gebroken zilver en bood het de Mandarijn aan, zeggende: ” Ziet, laat mij, nietswaardige, U deze prijs geven voor mijn vrijheid. “

Hier zit een symbool in, dat velen op uw wereld ongetwijfeld voorbijlopen; en een waarheid, die velen voor zichzelf niet durven te erkennen: eerst waren we gedwongen afstand te doen van het weinige, waarin wij conventioneel onszelf gehecht hebben; wanneer we gedwongen zijn prijs te geven, datgene wat wij als zekerheid ons erfdeel beschouwden, zijn wij in staat om datgene te worden in de wereld of in de geest, wat wij verlangen te zijn.  Bestaat er grotere vrijheid, dan dat te zijn,  wat wij verlangen te zijn?  Ik meen van niet.

Zo vrienden, mogen wij dankbaar zijn voor al hetgeen ons genomen wordt in de zekerheid van ons denken en leven en streven.  Want niet de zekerheid geeft de vrijheid; zij is de band.  Maar de onzekerheid.  De wisselvalligheid van het bestaan, die ons niet toelaat te zeer te vertrouwen op dit, of ons te hechten aan dat, is de sleutel tot de gouden poorten van de vrijheid, die wij zo graag hebben willen doorschrijden.

Hoe minder we bezitten (bezitten en hebben zijn twee dingen; we kunnen zeer veel hebben in de wereld van u: huizen en goederen, gezondheid, vrienden en geliefden, maar wij bezitten ze niet; wij rekenen ze niet als iets van ons, maar alleen als iets, waarvan we onze vreugde mogen hebben.  Zoals we vreugde hebben van een bloem, die bloeit aan de rand van de weg.) zo vinden wij vrijheid.  Want we weten, dat de dingen voorbijgaan en dat we zelf blijven.  Wij zullen zo trachten onszelf te zijn i.p.v. een deel van hetgeen dat ons op onze weg ontmoet.

De grootste wijsheid, die er voor ons bestaat is de vrijheid om alles te verwerpen of alles aan te nemen, zoals het in ons het klinkt als waarheid.  Laten we onze eigen waarheid dan nemen als sleutel tot de grote vrijheid, die wij allen begeren.

Die waarheid is voor ieder misschien een ander.  Voor sommigen heet de waarheid: eenzaamheid.  Voor sommigen: plicht.  Voor weer anderen: Vrede.  Maar wat wij in onszelf zijn, dat is de sleutel van de vrijheid.  Omdat we – zo wij onszelf durven zijn, ondanks alle dingen, dankzij het bewustzijn, dat in ons leeft – wij hiermede vinden de enige band, die wij niet kunnen verbreken: de band met het Groot-Scheppend Vermogen, die in onszelf leeft en daardoor onze enige werkelijkheid is.  Alle andere band is een schijn, die wij verwerpen kunnen.

We kunnen niet de wegen gaan van anderen.  Want dat is gebondenheid, de traagheid van onze schreden.  We kunnen slechts onze eigen weg gaan.  Maar we moeten deze weg gaan vrij en onafhankelijk van alle dingen.

En bedenk wel: wie voor zichzelf vrijheid heeft, zal eerbiedig terzijde gaan voor de vrijheid, die leeft in een ander.  Zo zullen vrije mensen, vrije geesten, gezamenlijk elkaar steunend, wanneer dit hun wil is, of het doel van hun leven, het bewustzijn kunnen vinden, doordat zij – zoals de dichter zegt:

  “Ontdaan van bezit en banden, ontdaan van kleed en leed,

   eindelijk durven treden in landen, die geen mens betreedt

   Opdat zij vrij en ongebonden niet meer hun schuld

   of zonden kennen

   Niet meer kennen, gezondheid, wonden en leed en

   ongezondheid altezamen;

   maar slechts zichzelf kennen en in zichzelf een naam,

   die is de eeuwigheid.”

Zo is het met ons, wanneer wij de vrijheid gevonden hebben.  Er is niets, wat ons beroert buiten onze God.  En onze God is de band, die wij zelfstandig en vrijwillig aanvaarden, omdat wij weten, dat wij zonder Dat niet kunnen leven.

Meditatie :  Overgave

Overgave is eigenlijk het geven van het ik.  Geen beperkingen meer. Wij geven onszelf, geheel, zonder enige restrictie.  Maar waar vinden wij de kracht, die deze overgave waardig is?  Want oh, wij spreken over overgave aan mensen, aan gedachten, aan geestelijke leidingen, maar altijd is er nog iets, wat wij voor onszelf houden.  Zeker, het is overgave, maar geen volledige overgave.  Geen volheid van leven en streven en geven in een kracht, die wij volledig als leiding aanvaarden.

Er is maar een kracht, waaraan wij ons zonder enige twijfel of aarzeling volledig kunnen geven: God.  Want God is alle volheid der dingen.  God is de kracht, die ons regeert, de Vader, Die schept, het leven, dat ons in stand houdt.

Wanneer wij dus over overgave willen mediteren, dan moeten we altijd in de eerste plaats gaan nadenken over de mogelijkheid tot overgave, die in ons is.

Ik kan mij overgeven aan elk doel, aan elk denken, elk streven, waarin ik God erken.

Daar waar God zich voor mij openbaart, kan ik mijzelf volledig geven, omdat ik vervuld ben van vertrouwen, dat Hij in Zijn grote kracht, Zijn grote macht, alles voor mij ten goede zal voeren.  Want overgave is afhankelijk van het vertrouwen.  Vertrouwen op God, vertrouwen op de mens.  Zonder vertrouwen kun je jezelf niet geven.

In een godsdienst, in een geloof, vinden wij soms God terug.  En wij geven onszelf ten volle, ook wanneer wij later beseffen, dat dit niet de volheid van het Goddelijke kan zijn.  Dan nog hebben wij onszelf gegeven en zullen wij dat Goddelijke dat wij erkennen in de gekozen richting, altijd beschouwen als een werkelijke leidraad, als de Kracht, die over ons volledig zeggenschap heeft.

Soms zien wij een schim van het Goddelijke vuur, de Goddelijke waarheid en het Goddelijke licht in een geleidegeest of een Meester.  En ook daaraan geven wij ons ten volle zonder voorbehoud over.  Want wie zich een Meester kiest, zelfs in de stof, moet volledig overtuigd zijn, dat deze Meester alleen het goede kan brengen.  Eerder heeft men geen recht een Meester te aanvaarden.

Maar heeft men die overtuiging, dan mag er ook geen seconde van aarzeling meer zijn, geen moment van terughoudendheid, geen enkele reserve.  Dan geven we ons geheel en laten ons kneden door de hogere of wijzere kracht, tot uit ons eigen onvolmaakte wezen een evenbeeld van het Goddelijke geboren wordt.

Al wat goed is volgens ons beste weten en denken, al wat waar is, is voor ons een deel van God.  Daaraan kunnen wij ons geven zonder enig voorbehoud.  Want wie de wegen gaat, die op deze wijze worden getoond, zal juist door het vrijwillig afstand doen van zelfstandig leven en denken, het prijsgeven vaak van de rede, die in het ik woont, voor het hoger bewustzijn dat leidt; de juiste weg vinden naar het goede geluk, zal vinden de vrede, de kracht, die eenieder verlangt.

Overgave betekent niet een zelfontkenning.  Integendeel. Wanneer wij ons overgeven aan iemand, dan zijn wij ons zeer bewust, dat wij het doen.  En wij blijven onszelf. Maar wij staken onze strijd tegen een kracht, die wij als machtiger, als beter hebben erkend.

Van overgave aan het kwaad kan geen sprake zijn, zolang in ons nog iets goeds woont.  Wij kunnen tijdelijk a.h.w. de wapens neerleggen, maar niet volledig, geheel, en zonder enige restrictie.  Het heeft geen zin om ons over te geven aan dingen, die wij zelf erkennen als kwaad.  Alleen, datgene, wat wij als goed zien, daaraan mogen wij ons overgeven.  Daardoor mogen wij ons laten leiden, zelf indien dit volgens mensen-denken dwaasheid is.  Zelfs indien dit in de sferen wordt gezien als belachelijk, onbegrijpelijk, als boos, als kwaad.  Voor ons echter moet het goed zijn.  Voor ons moet het waar zijn.

Wanneer wij ons geven, moeten wij dat geheel doen, zonder voorbehoud.

U vraagt mij over overgave te mediteren. Maar er zijn geen woorden genoeg om het begrip overgave uit te drukken.  Want overgave is meer, dan met woorden gezegd kan worden.  Het is de abdicatie van het ik in eigen leven.  Afstand doen van de troon, waarop je zelfgerechtigd en zelfgereid oordelend en strevend gezeten bent… in de tempel van je eigen wezen.  Zelfs, indien je wat je Meester noemt, of het geloof, of datgene, waarin ge u hebt overgegeven als zijnde deel van het Goddelijke en voor u Goddelijk, u zegt te gaan regelrecht tegen uw eigen denken of handelen of menen in, dan nog zult gij moeten volgen.  Want gij hebt uzelf terzijde gesteld voor een hogere macht.  Kunt ge dat niet aanvaarden, spreek dan niet over overgave.

Wanneer de stem van een Meester of een Leider, de stem Gods in U misschien, datgene waarin ge gelooft, u zegt: “Verlaat alle dingen en ga naar vreemde landen,” dan moogt ge niet aarzelen.  Dan moet ge gaan, zonder meer. En vreugdig gaan.

Wanneer men u zegt: “verlaat dit leven”, zo dwaas of slecht, als u het lijkt, wanneer gij u overgegeven hebt aan een macht of aan een leider, dan zult ge dit doen, zonder meer.  Want gij zijt ervan overtuigd, dat datgene, waaraan ge u hebt overgegeven, meer waard is, dan gijzelf.

Op aarde kent men de term overgave tussen twee geliefden.  En in hun overgave – zo stelt men dat graag voor – worden zij een.  Onscheidbaar. Een wezen met twee lichamen, twee denkwijzen, twee soorten reacties.  Toch een en onscheidbaar.

Onze overgave aan hogere krachten is hetzelfde.  Wij hebben geen eigen wil meer, ook al blijven we onze eigen persoonlijkheid behouden.  De wil die bestaat, kan slechts de eenheid zijn van ons wezen met het Goddelijke, uitgedrukt door datgene, wat thans vorm en onze ikheid is.  Zo is overgave.

Wanneer gij erover denkt uzelf over te geven aan een macht, die u geleidt, zoek dan eerst, of zij waardig is.  Maar hebt ge besloten dat dit het geval is, aarzel dan ook niet.  En wees een daarmee.  Geheel.

Met deze eenheid zult gij rijzen tot ver boven uw eigen wezen; zult gij, geleid door de macht, aan wie ge uzelf gegeven hebt, hoogtepunten bereiken, die voor u zelfs niet voorstelbaar waren.

Wanneer ge u overgeeft aan God, komt ge tot God, door uw overgave.  Maar ge zult afstand moeten doen van uzelf om alleen de Goddelijke wil uit te drukken en tot stand te brengen.

En dit juist is de moeilijkheid, dit is juist hetgeen, dat voor ons zo vaak onmogelijk maakt om ons volledig over te geven aan het Hogere.  Want wij willen onszelf blijven zijn.

Het zij zo.  Wanneer het niet anders kan, laten we dan onszelf blijven.  Maar spreek dan niet over overgave.  Want zo gij dit woord gebruikt zonder uzelf geheel te geven, dan hebt gij gezondigd tegenover uzelf, een leugen uitgesproken in het woord; dan zijt ge niet waardig het begrip overgave op uw lippen te nemen.