Waarden van de oude godenwereld

image_pdf

17 juni 1966

Wij niet alwetend of onfeilbaar zijn, zodat het voor u belangrijk is zelf een mening te vormen en niet zonder meer op gezag te aanvaarden. Ons onderwerp voor heden is: Waarden van de oude godenwereld.

Van de oude godenwereld en haar betekenis weet men tegenwoordig niet veel. Natuurlijk weet men wel iets van bijvoorbeeld Thor de donderaar, Jupiter en dergelijke, maar van de achtergronden waaruit deze beelden ontstonden weet men meestal weinig of niets.

Een godheid representeert niet alleen een macht, maar ook een denkbeeld. Onderzoekt men de oude pantheons, dan blijkt steeds weer dat de geaardheid van de goden strookt met de eigen geaardheid van het volk. Neem nu het godsbeeld van de Joden. Een goede man, een goede huisvader, maar een baas. Ga niet tegen hem in, want dan wordt hij nijdig en kent zijn toorn geen grenzen en zelfs geen rechtvaardigheid meer. Vergelijk hiermede nu eens de zeegod Dagon. Deze is speels, ijdel, wreed. Hij vergt mensenoffers zonder redenen, maar aan de andere kant is hij vaak edelmoedig en geeft hij de mensen grote gunsten en voordelen, zonder dat men weet waarom hij dit doet. Moedig, edelmoedig, willekeurig geeft hij het karakter weer van de volkeren die hem vereren. Overal vinden wij de goden uitgebeeld op een wijze die hen onmiskenbaar uit het volk en zijn aard doen voortkomen. Hierbij is vreemd genoeg de mythologie van betrekkelijk weinig werkelijk belang. Deze beeldt uit, maar verklaart niet en geeft geen redenen op.

Natuurlijk vinden wij in oude leringen wel eens beelden die op een werkelijkheid zouden kunnen berusten. Maar op het karakter en de handelwijze van de goden hebben dergelijke feiten kennelijk weinig of geen invloed. In oude boeken, zoals de Mahabharata, treffen wij beelden aan over luchtschepen en vreemde mensen die uit de hemel komen. Maar dergelijke verhalen treffen wij ook aan in legenden, in de bijbel en dergelijke, zodat dergelijke verhalen algemeen zijn, ook wanneer zij in sommige heilige boeken kennelijk als een beeld van de ‘godenwereld’ en een afdalen van die goden op aarde beschouwd worden. Het is echter opvallend, dat deze mogelijk op de werkelijkheid berustende verhalen geen invloed hebben op de aard, de gestalte en werkwijze van de ‘goden’. De verhalen daarover zijn in de meeste gevallen kennelijk later gemaakt en eerder een uiting van dichterlijkheid, dan van een omschrijving van geloofszekerheden.

Voor de moderne mens is vooral veelheid van de godsbeelden van belang. Maar deze mensen zien niet in, dat er ook in de moderne tijd steeds meer en meer differente beelden van God aan het ontstaan zijn. Natuurlijk, uiterlijk en in naam zijn deze goden allen identiek. Maar hun eigenschappen en de uitbeelding daarvan verschilt toch wel zeer sterk. Karakterverschillen zijn opvallend, zodat deze zogenaamde God op de ene plaats vertelt op de wijze van het oude testament, dat Hij de Heer, uw God is, dat Hij de wet stelt en dat de mens niet heeft te denken, maar alleen maar heeft te aanvaarden en te gehoorzamen. Maar iets verder predikt men dezelfde God en horen wij, dat Hij zeer mild is en de mens het recht geeft om zelf alles uit te zoeken, zelfs alles te vinden. Deze God zegt: Ik heb jullie mensen een leidraad gegeven. Dat is genoeg, je gedrag, mens, is je eigen zaak. Indien je echter mijn wet volgt, zal ik je boven anderen stellen en helpen. Een soort omkoping dus. Elders vinden wij beelden van God, die alle mensen zonder meer en vol genade lief heeft, of die alleen maar een liefde schijnt te koesteren voor een bepaald ras, dan wel zich tegen een bepaald ras verklaard schijnt te hebben. De beginselen die men presenteert onder de titels: De wil Gods, De ware leer en dergelijke, zijn dus evenzeer een uiting van maatschappelijke ontwikkelingen en volksaard, zoals de oude goden eens waren. Ook hier kunnen wij zeggen, dat het beeld dat de mens zich van God maakt, minder een goddelijke werkelijkheid weergeeft dan wel een menselijke mentaliteit.

Ik zou dit als onderwerp hebben kunnen kiezen, maar dan blijkt het bezwaar, dat de mensen van heden onvoldoende afstand kunnen nemen van hun meningen. Men kan niet voldoende afstand nemen van eigen inzichten om te beseffen, dat wat vandaag de natuurlijke verering van de Ene God heet, morgen weer herleid kan worden tot een mythos. De nu zo logisch en aanvaardbaar schijnende vormen van eredienst voor komende geslachten zullen niets anders zijn dan een samenraapsel van bijgelovigheden en vreemde gedragingen.

Om duidelijk te maken wat ik met dit alles wel bedoel gaan wij eerst een klein stukje in de geschiedenis terug. U hebt ongetwijfeld wel gehoord van de pilgrimfathers, de mensen die vanuit Leiden vertrokken en met de Mayflower naar Amerika voeren om zich daar een eigen wereld te bouwen. Voor deze mensen was het bovenal belangrijk dat zij in een gemeenschap konden leven waarin de wet Gods, zoals zij die zagen, de enige zou zijn. Dat gezelschap bestond niet alleen uit Engelsen, maar ook onder meer uit Walen. Zij waren wel gevlucht voor godsdienstvervolgingen, maar hoefden daarvoor in Leiden niet meer te vrezen, terwijl zij ook hun brood in Holland best konden verdienen. Hun tocht is dus wel zeer uitdrukkelijk een poging een gemeenschap te vestigen waarin God en dan alleen God zoals zij hem zagen, erkend zou worden. Dit wordt nog duidelijker in de eerste periode van de vestiging, wanneer een ieder die ook maar het geringste van de heersende opvattingen afwijkt, wordt uitgestoten. De Walen worden zo grotendeels pelsjagers, daar zij de te grote strakheid van de gemeenschap niet kunnen aanvaarden.

Tekenend voor deze houding is wel de reactie van deze nederzettingen in de tijd dat de West Indische Compagnie een fort en nederzetting vestigde bij Nieuw Amsterdam. De koloniën hebben een behoorlijke productie van linnen, duffel en andere handwerkproducten, die voor de mensen van de wik erg belangrijk zijn. Omgekeerd is er in de koloniën wel degelijk behoefte aan de ruilmiddelen die de wik aanvoert, om haar handel in huiden en pelzen te kunnen drijven. Het duurt echter zeer lang voor de nederzettingen besluiten, tijdens het beheer van Stuyvesant, toch maar wat handel te drijven met de ‘ketterse’ Hollanders.

Naar ik meen, is dit een historisch en voor een ieder controleerbaar voorbeeld van de wijze, waarop de godsverering, godendienst in feite, tot isolement kan voeren. Ik wil hiermee niet zeggen, dat God een splijtzwam onder de mensen is, want God overkoepelt alle dingen en is overal gelijkelijk aanwezig. Maar wat de mensen van God maken, blijkt wel verdeeldheid te bevorderen.

Laat ons nu eens wat verder in het verleden kijken. Wij zien hoe de joden een fantastisch groot rijk weten te vestigen in de dagen van Salomo. Gezegd kan worden en historisch bewezen, dat in deze dagen de vorst van Israël alleen al in een haven aan de Rode zee rond 2000 strijdwagens met paardenbespanning had klaarstaan. Dit wijst wel op zeer grote macht. Verder blijkt men te beschikken over kopermijnen in de woestijn, terwijl steengroeven worden geëxploiteerd die liggen in de richting van het huidige Abessinië en Egypte. Het rijk is groot, maar het volk kent een God, die alle andere goden afwijst. Wat u in de school niet geleerd zult hebben en waarover men bij Bijbeluitleggingen ook niet al te veel pleegt te spreken is de verklaring van de grootheid van Salomons rijk. Deze vorst, in tegenstelling tot zijn voorgangers, houdt zich namelijk niet uitsluitend aan zijn eigen God en wijst niet alle vereerders van andere goden à priori af. In de latere dagen van zijn leven erkent en eert hij ook andere goden. Men zegt zelfs dat in de tijd dat de koningin van Sheba hem bezocht, hij zelf als priester aan afgodendiensten zou hebben meegedaan. Men spreekt wel over de val van Salomo, de dood van Absalom, maar vergeet te vermelden dat de grootheid van het joodse rijk alleen bereikt kon worden door dit begrip voor andere volkeren en goden, de aanvaarding dus van anderen.

Zodra je de heiligste waarden van anderen verwerpt, komen er oorlogen van. Wij zien hoe dit invloed heeft op het lot van Israël tijdens de gevangenschappen in Egypte en Syrië. De sterke afwijzing van alle andere goden en alle maatschappelijke gebruiken, die uit het geloof aan die andere goden ontleend zijn, blijkt voor de gelovigen, maar ook voor de macht van Israël zelf, zeer gevaarlijk te zijn geweest. Natuurlijk zijn er joden, die zich onder de slavenzweep uit weten te werken. Zij nemen vaak belangrijke posities in de gastlanden in. Waar zij dit doen, zowel in Egypte als in Syrië, zien wij ook dat zij, al is het maar in schijn, eerbied betuigen aan en zelfs offeren aan de goden van het land. Men vergeet te vermelden, dat juist deze joden die voor een deel na de uittocht nog in het gastland bleven, voor de mogelijkheid tot terugkeer van het verdere volk van het grootste belang waren. Zonder hen zou vooral de terugkeer uit Syrië niet zo gemakkelijk verlopen zijn. Zij waren dus niet in werkelijkheid verraders van hun volk. Maar toch worden zij vervloekt en uitgewezen want: Zij aanvaardden het bestaan van andere goden.

Een volk dat voor de andere godsbeelden die in de wereld bestaan blind is, zal altijd weer een volk zijn dat door strijd en ellende zich zal moeten trachten te handhaven. Tot in deze dagen bestaat bij zeer velen een vooroordeel tegen de joden. Dit is niet in de eerste plaats te wijten aan de rasseneigenschappen, want deze zijn heus niet zo belangrijk. De oorzaak is gelegen in het zich afzonderen van de gemeenschap, zich als het ware buiten en boven de gemeenschap stellen, omdat deze gemeenschap een andere God erkent en aanbidt. Gelukkig is dit de laatste honderd jaar heel wat minder geworden en was in Nederland reeds veel eerder van een aanvaarding en contact sprake. Toch mogen wij niet vergeten, dat bijvoorbeeld Spinoza door zijn gemeente werd uitgestoten en uit Amsterdam verdreven omdat hij zich te veel bezig hield met vragen die niet behoorden tot de werkelijk joodse leer. Ook nu nog vinden wij overal op de wereld kleine joodse gemeenschappen die zich van de rest van de wereld afzonderen en waar godsdienst en ethiek ter sprake komen, zichzelf beschouwen als buiten en boven de joodse gemeenschap staand.

Opvallend is dat de grote rijken en beschavingen uit het verleden in hun bloeitijd altijd zeer mild zijn tegenover andere goden en hun vereerders. Bezien wij de Grieken in de vroege periode dan blijkt, dat er tussen de vereerders van vele goden nogal wat gestreden wordt. In de tijd dat Alexander uittrekt worden tempels van andere goden in Griekenland en vooral in Athene toegelaten. Tijdens zijn veroveringstochten blijkt Alexander vooral in het begin bereid om de goden te eren van de landen die hij wint en laat hij vaak zelfs de vorsten in hun waardigheid, zij het dat hij gijzelaars neemt. Zijn tocht is een succes zolang hij zelf uitmunt door krijgsmanschap en verdraagzaamheid. In Griekenland treffen wij zelfs, soms opgenomen in de mythen of overgedragen op goden van eigen pantheon, goden uit Syrië, Egypte en zelfs uit Indië aan. Men blijkt zich niet tegen andere goden te verzetten en hen zelfs te beschouwen als nuttig. De stad die het minste onderscheid pleegt te maken in dit opzicht is wel Athene. Athene is de kroon van de Griekse beschaving, de bakermat van filosofie en wetenschap. Dit feit is toch wel veelbetekenend.

Ik meen met het voorgaande duidelijk te hebben gemaakt dat het dus zeer belangrijk is op welke wijze men zijn God ziet als een persoonlijke erkenning van een eeuwige waarheid, dan wel als een vaste wet, een heersende macht, die door eenieder aanvaard zal moeten worden. En dat naast deze god of uit deze god geen andere wezen, geen andere denkwijze mogelijk zou zijn. Het is de neiging de eigen godsvoorstelling als de ‘enige ware God’ te stellen die volkeren strijdlustig maakt en soms enige grootheid van macht doet bereiken, maar dan ook weer daaraan ten onder gaat. Het christendom had een veel grotere invloed kunnen hebben in de vroege middeleeuwen, wanneer er geen sprake was geweest van verschillende godsdienstige richtingen die, terwijl zij meenden dezelfde god te dienen, elkaar bestreden omdat de wijze waarop dit geschiedt of de uitleg van de mythos verschillend is. Denk aan de Katharen of de vroege christelijke beschavingen in Noord-Afrika. Wanneer men even zijn blinddoek afzet zal men zien, dat voor vooruitgang en beschaving belangrijke personen, volkeren en groepen steeds weer worden vernietigd om godsdienstige redenen.

De wreedheid en het onbegrip, de onverdraagzaamheid, zijn overigens wederkerig: Wanneer men in de ene plaats HUSS verbrandt om zijn stellingen, wordt in een andere plaats een aantal priesters ter dood gebracht, terwijl in een ander land men alles, wat niet volgens de nauwste opvattingen aan het eigen geloof beantwoordt, martelt en vernietigt. Deze houding en de duistere jaren die daarop steeds volgen, zijn kenmerkend voor de geschiedenis van alle grote beschavingen. Bezien wij de grote islamitische rijken, de Kalifaten, dat zij juist in hun bloeitijd uitmuntten in verdraagzaamheid voor het geloof van anderen. Joden en zelfs christenen blijken in de Kalifaten oorspronkelijk geheel vrij hun eigen godsdienst te mogen belijden en zelfs hun eredienst uit te mogen oefenen. Hierdoor komt de beschaving tot een voor die tijd in Europa niet denkbare bloei. De imams komen echter aan de macht en willen opeens geen andere godsdienst meer in hun gemeenschap dulden. Zij willen een ieder met alle middelen bekeren. Het gevolg is dat de grote eenheid van de Kalifaten uiteenvalt in reeksen kleine, onverdraagzame staatjes, die langzaam alle beschaving verliezen.

Wij moeten nu proberen te definiëren wat het wezen van dit godsbeeld is, wat een god voor de mensen betekent of het nu een vader is of een God. Want wij kunnen nu wel spreken van Thor, Jupiter of anderen en hun geschiedenis vertellen, maar daarmee weten wij nog niet wat een dergelijke god voor de mensen in feite betekent, wat de reden en inhoud van de godsverering in deze vorm is. De mens beleeft zijn eigen wereld. In die wereld zijn verschijnselen en aspecten van bestaan, waarvoor hij geen verklaring heeft. Er zijn veel facetten van het leven en de natuur die zinloos zouden zijn, tenzij men kan aannemen dat daarachter een wil en een bewustzijn, een God zou schuilen. Het is voor een ieder duidelijk, dat vooral deze anders onverklaarbare aspecten van het bestaan bij de volkeren gestalte krijgen in de vorm van een Godheid. In de eerste plaats is dus een godheid wel een wezen dat voor de mens de anders onaanvaardbare en onverklaarbare delen van het bestaan aanvaardbaar en duidelijk moet doen worden. Met het scheppen van dergelijke goden zal men natuurlijk astrale schillen tot stand brengen, maar men doet nog meer, men gaat bepaalde eigenschappen van de natuur en desnoods ook van eigen wezen een gestalte geven. Hierdoor wordt een dialoog mogelijk, want deze geschapen beelden hebben niet alleen eigenschappen, maar ook een persoonlijkheid, een wil en vaak zeer bijzondere machten en gaven.

Heeft men eenmaal een God geschapen en eert men deze, dan is de volgende stap het ontstaan van een ritus, waardoor die god op een bepaalde manier benaderbaar wordt. Dit grijpt heel wat verder dan men wel zou denken. Ik kan u zeggen dat happenings bij het Lieverdje in Amsterdam een vorm van ritus in zich dragen en wel degelijk ten doel hebben een levensbesef, een godsgevoel tot uiting te brengen. Alleen geschiedt dit vanuit een anarchistisch standpunt waardoor de vorm vaag blijft. U mag om deze stelling lachen als u dat wilt, want ik kan u geen bewijs leveren wat voor de huidige maatschappij aanvaardbaar zou zijn. Toch wil ik er op wijzen dat veel van hetgeen tijdens een happening gebeurt niet zoveel verschilt van hetgeen er in bepaalde zogenaamde Heilige Geestgemeenschappen van christenen pleegt plaats te vinden.

Hierin worden de mensen immers door de geest bevangen en gaan zelf reageren. Ook daar gestamel, onbegrepen klanken, pretenties, impulsieve handelingen. Dergelijke gemeenschappen werken soms zeer rustig zoals de quakergemeenschappen, soms zijn zij luidruchtig en rumoerig zoals de Brothers of the Holy Ghost, de holy rollers en dergelijke. Het vaak zeer vreemd aandoende gedrag van de gelovigen is alleen maar een ritus. Vaak een verwarrende ritus, waarin geen vaste waarden kenbaar worden, maar een ritus, de weg tot God.

De riten uit de oudheid zijn over het algemeen veel doelmatiger. Men gaat daar uit van het standpunt dat men door het erkennen van een god bepaalde logische consequenties eveneens moet aanvaarden. Men bouwt daarom een ritus op die bepaalde magische achtergronden heeft.

Men wil door de ritus iets veranderen, men wil iets van die god gedaan krijgen. Door het vermogen de goddelijke wil te veranderen of te beïnvloeden door het menselijke ingrijpen, krijgt men in wezen macht over de goden. In deze tijd denkt men daarover anders. Maar zelfs nu blijft waar dat de mens, die door offer en gebed God er toe wil bewegen iets te doen, wat hij anders niet zou doen en daarmee een zekere macht over die god uitoefent, een zekere invloed heeft op die god. Dit laatste punt moet u goed onthouden, want de hedendaagse neiging de openbaringen te interpreteren, wat in feite neerkomt op een ronddraaien en schuiven van de waarden daarvan tot het erop lijkt, of daarin alles staat wat je zelf wenst, is in feite een voorbeeld van een zelfde soort. Men probeert als het ware God om te kopen door vroom gedrag en zo zichzelf tot god te maken.

In de oudheid kennen wij goden, die voor de mensen een bijzondere betekenis hebben. Door de wijze waarop zij voor de mens ingrijpen zijn er goden die genezen, goden die orakels geven, goden die bijvoorbeeld ten aanzien van het geluk van de mens onmiddellijk ingrijpen. Het lijkt er op dat wij met vele verschillende goden te doen hebben, maar wanneer wij de kernleer zien, blijkt ook in de oudheid dat wij in wezen met functies van iets groters te doen hebben. Zien wij Athene als godin dan blijkt zij heus niet alleen een godin van wijsheid te zijn. Zij heeft nog veel andere eigenschappen en is zeker een zeer strijdbare dame. Ook wanneer wij kijken naar Diana of Venus, zo blijken zij niet alleen de attributen te bezitten die algemeen bekend zijn, maar zeer complexe persoonlijkheden te bezitten en over vele vaak schijnbaar tegenstrijdige eigenschappen en machten te beschikken. In de oude godsdiensten is het belangrijk, omdat hierdoor ook een complex van mogelijkheden werd geschapen. Op grond van alles, wat men zelfs nu nog van de oude goden kan leren, meen ik te mogen stellen: heel vaak schept de mens zijn goden op zodanige wijze, dat het hem hierdoor mogelijk wordt te leven, zoals hij, de mens, dit wenst.

Hoe groter een rijk in de werd, hoe moeilijker het werd met de vele goden te werken. In Rome brengt men zoveel goden bijeen, dat er voor elk wissewasje op de duur wel een speciaal daarvoor geschikte godheid te vinden is. Vergeet niet, dat in het latere Rome de verschillen zo groot zijn, dat de godsdiensten en riten lopen vanaf de verering van Kybyle tot de verering van Jezus toe. De priesters concurreerden, omdat zij niet meer alle facetten van hun goden zonder meer aan de man konden brengen. Het gevolg is dat de Romeinen alle eerbied voor de goden verliest. Op den duur wordt de gestalte, de persoonlijkheid van de god eenvoudig op de achtergrond geschoven en blijft alleen nog de sociaal magische functie van de godheid over.

Het gevolg hiervan is dat men de wetten van de goden, de gedragsregels die noodzakelijk gevolgd moeten worden om de magische resultaten te kunnen bereiken, terzijde schuift. De mens beschouwt zich in zijn verhouding tot tempel en godsdienst steeds meer als een magiër, die in feite zelf al het noodzakelijke magisch weet te verrichten en daarom met de godheid als een persoonlijke en complete waarde geen rekening meer hoeft te houden. Juist hierdoor ontstaat een zedelijke ontbinding, welke uiteindelijk de val van Rome veroorzaakt.

In de moderne tijd zien wij ontwikkelingen, die aan deze tijd herinnert. God is een wezen dat wij op onze manier moeten benaderen. Of wij daaraan nu deze of gene naam geven is van minder belang. Die god moet voor ons een zekere betekenis hebben. Alleen dan kunnen wij doorleven volgens de wetten van die god zoals wij die zien, de harmonie met die god bereiken. Toch moet onze benadering van die god niet alleen een nederige onderwerping en erkenning inhouden. De benadering van de God moet en zal de mens de mogelijkheid geven zijn eigen lot te beïnvloeden.

De godserkenning is eigenlijk instrumentaal voor de levenserkenning en beheersing. Wat ons weer voor raadselen plaatst. Op het ogenblik is de neiging tot zekere losbandigheid. Het gevolg is dat wij kerken zien die beweren dezelfde God te aanbidden die in de andere kerken aanbeden wordt, maar waarbij de benadering van die god opeens bijvoorbeeld seksuele riten gaat omvatten. Elders treffen wij groepen aan, die in de naam van die zelfde God, een leven van onthoudingen prediken. Groepen die een grote zendingsbereidheid blijkt te bezitten en veel, zo niet alles aan de verkondiging van hun geloof offeren, terwijl daarnaast met gebruik van dezelfde openbaringen er zelfs groepen zijn die zichzelf als uitverkorenen beschouwen en niemand willen toelaten dan na het afleggen van zeer zware proeven, terwijl van zendingsijver niet gesproken kan worden, ja, zelfs een afkeer van verkondiging aan niet-leden optreedt.

Men heet de god wel overal dezelfde te zijn, maar wanneer wij oordelen op basis van de oudheid kunnen wij wel zeggen, dat deze God zozeer verschillende eigenschappen blijkt te bezitten en zoveel verschillende attributen gebruikt, dat wel gesproken kan worden van verschillende goden.

Op zichzelf is dit onvermijdelijk. Maar juist daarom is het betreurenswaardig, dat de mens van heden nog niet leert zijn godheden te benaderen op dezelfde wijze, waarop in de oudheid de goden door hun gelovigen benaderd werden. Ik ben van mening dat ook in de moderne tijd de hogere waarden niet in een complete onderwerping benaderd mogen worden, die alleen een God erkennen, maar ook een contact, in feite dus een wederzijdse verhouding inhoudt. Ook meen ik dat God niet alleen mag worden benaderd als een verklaring, een rechtvaardiging van eigen denken en bestaan. Ik meen dat de moderne wereld meer dan ooit behoefte heeft aan de wederkerigheid tussen god en mens, zoals deze tot uitdrukking kwam in de oude riten.

Ik denk hierbij vooral aan de magische waarde van de ritus. Deze bestaat nog wel rudimentair, denk bijvoorbeeld aan de katholieke kerk, maar ontbeert de onontkoombaarheid van het resultaat, zoals de ouden die meenden te kennen. Het klinkt voor de eenvoudigen van hart heel mooi dat men verklaart voortaan het geheel of het grootste deel van de riten in de landstaal te zullen uitvoeren. Maar het kenmerk van magie is niet, dat zij begrijpelijk is, maar dat zij werkzaam is, de juiste stemming wekt zodat de verhouding tussen mens en God er niet meer een is van smekeling tot oneindige grootheid, die in wezen onbenaderbaar blijft, maar een relatie tussen mens en God, die een wederkerig verplicht zijn inhoudt. De mens doet iets en daardoor is God krachtens zijn wezen en schepping wel verplicht daarop een antwoord te geven. Zo zag men het in de oudheid, zo zou het ook nu nog beschouwd kunnen en moeten worden. Het begrip voor de mogelijkheid van een wederkerige verplicht-zijn dat ook op aarde merkbaar is in zijn gevolgen, ging sinds lang voor de ‘beschaafde’ mensen van nu verloren. In de oudheid zien wij echter opvallende, soms zelfs overweldingende voorbeelden van deze wederkerigheid. Om een beeld te geven kunnen wij elke godheid kiezen. Wat ik ga zeggen geldt evengoed wanneer het gaat om Ré, Osiris, El of anderen. Ik geef u een beeld van de verhouding tussen de mens en de godheid, zoals deze dus in de oudheid normaal was, maar waarvan ik een aan de waarden en begrippen van heden enigszins aangepaste vorm ook in deze dagen waardevol, zo niet voor het welzijn der mensheid noodzakelijk vind. Als punt van uitgang kies ik dan de verering van de Syrische god van wijsheid, Nabu. Nabu, de drager van het magisch zwaard, de mantel der hemelen, god van wijsheid en raad, zetelend in de blauwe tempelzalen geeft kennis, maar hij schenkt zijn vereerders meer. Hij geeft de mogelijkheid om samenhangen te zien. Men gaat naar de tempel van Nabu en heeft misschien zakelijke of andere problemen. Men neemt deel aan een ritus, waarbij ondermeer het heilige zwaard wordt getoond, een priester in de mantel van Abu tussen de mensen rondgaat, gebeden worden gezegd, gezangen worden gezongen en offers worden gebracht. De mens ondergaat dit. Zijn probleem wordt gericht op die ‘godheid’. Hierdoor verliest het zijn zuiver persoonlijk karakter voor een ogenblik en ontstaat een zekere afstand tussen het probleem en de mens zelf. Hierdoor kan het probleem zich in zijn werkelijke verhoudingen en belangrijkheid aan de mens tonen.

De mens weet niet eens dat hij dit alles doet en ondergaat. Half bedwelmd door de geur van sandelhout en reukwerken voelt hij zich eigenlijk eerder opgenomen in een vreemde wereld. De ritmen van de trommen, voor Nabu bespannen met de huid van reekalveren, terwijl anderen zoals de god des doods, een bespanning van hun trommen met slangenhuid vergen, dwingen het dagbewustzijn weg. Het redelijk menselijk denken en reageren verdwijnt. Nu kan het onderbewustzijn sterker ageren. Vergeet niet dat dit zich in contact kan gevoelen met de mensheid als geheel, het bovenbewustzijn van de mensheid, ook wanneer dit voor de gelovige optreedt in de vorm van Nabu, de wijze. Er is geen sprake van angsten, want het zwaard van Nabu beschermt. Er is geen onzekerheid, want de mantel van Nabu omvat immers de gehele wereld op dit ogenblik. Ik weet, dat dit suggestie en bijgeloof genoemd kan worden. Maar in de uitbeelding van de dans, de kadans van de spreuken, het dreunen van de trommen, de haast verstikkende walm der reukwerken, wordt de mens één met het totaal bewustzijn van de mensheid. Nabu, de god, is onder de werking van de rite voor de mens een enorme boekerij geworden, waaruit men naar eigen behoeven en kunnen tot zich kan nemen, wat men nodig heeft.

Is de mens dus juist afgesteld, is zijn probleem juist gedefinieerd, dan komt er een antwoord. Ik zeg niet dat dit antwoord ontstaat, omdat ook Nabu een astrale vorm is. Zo hier en daar kan het astrale aspect zeker ook invloed hebben, maar het is toch voornamelijk de instelling, het juist gestemd zijn van de mens, dat hier een rol speelt. In deze magische verhouding gaat de mens niet tot de god in de hoop dat hij een antwoord zal krijgen, maar in de zekerheid dat in of buiten hem een antwoord gegeven zal worden; het is alleen de taak van de mens dit antwoord te begrijpen, te ontvangen. In het denken van de Ouden was het deelnemen aan een plechtigheid en het brengen van een offer een menselijke handeling, waardoor men de godheid kon verplichten iets te doen. Het antwoord kan goed, aanvaardbaar zijn, of het kan negatief en teleurstellend zijn, maar een antwoord zal er komen. Er is een innerlijke zekerheid dat dit antwoord zal komen. Er is dus geen sprake van de verwachting dat er misschien ergens op een onkenbare manier iets zal gebeuren. Er is de zekerheid dat men weten zal: wanneer ik maar oplet, dan weet ik alles wat ik weten wilde, wanneer ik de tempel weer verlaat. Dit antwoord wordt echter niet onmiddellijk beseft en dat verwacht men dan ook niet. In de roes die de plechtigheid achterlaat, blijft men misschien na het einde van de rite nog even napraten, bij het verlaten van de zaal offert men nog eens enkele munten of iets anders. Men komt op het voorhof van de tempel en laat zich misschien nog verleiden om een amulet of een soort votiefbeeldje mee te nemen. Aan het probleem denkt men echter dan niet. Dat komt weer aan de orde, wanneer men weer thuis is. Maar dan begint men het weer te stellen, denkt men na over de tekenen en inspiraties die de rite deed opmerken of ontvangen en heeft de oplossing.

Bedenk wel, dat dit niet zo maar een verhaaltje is. Zo is dit in het verleden vaak gebeurd en zo zal het ook nu en in de toekomst nog vaak kunnen gebeuren. Maar dan moet de instelling juist zijn.

Stellen wij dus tegenover het volle vertrouwen van de Ouden, de moderne mens. De moderne mens gaat naar de kerk. Er wordt gezongen, hij zingt mee. Opstaan, zitten, luisteren. De zegenende woorden van dominee of pastoor, de leerrede werken op hem in. Maar hij beleeft het geheel anders. Hij verwacht niet, dat God kenbaar zal worden. God is er misschien wel, maar die zal toch heus niets zeggen, zo denkt men. Als er iets te zeggen valt, zullen pastoors en dominees het wel doen…. Men zit, wacht, ondergaat. Maar men gaat niet naar de kerk om zijn problemen op te zien lossen. Men denkt er natuurlijk wel eens over, men bidt zelfs voor een oplossing van het probleem, maar het behoort niet speciaal tot Gods werk en plicht. Wij vragen als mensen aan God, dat Hij op zijn manier maar iets voor ons zal doen, dat Hij ons misschien hulp zal geven, maar moderne mensen geloven en beseffen niet, dat er tussen mens en God, of een facet van het goddelijke, een vaste wetmatige relatie kan bestaan, die wederkerig werkt. Het gevolg is dat zelfs indien men bidt voor de oplossing van zijn moeilijkheden, men daarvan toch niet waarlijk loskomt, het probleem is en blijft in het ik besloten. Een enkele maal zal er misschien voor een enkeling een zodanige roes ontstaan dat bovenbewustzijn en innerlijke krachten een rol kunnen spelen, maar dit is een zeldzaamheid.

Overigens is het aardig om op te merken, dat naarmate de geloofsvorm en haar riten ouder zijn, dit element van persoonlijk contact met god door middel van de rite ook meer kenbaar is. Ik denk hierbij aan bepaalde gebruiken in het christendom, maar vooral aan oudere godsdiensten als de hindoeleer en de joodse kerkgemeenschappen. Ook hier kan men stellen, dat de ritus langzaamaan een andere betekenis heeft gekregen, maar toch zien wij hier vooral de mens zelf die voor God treedt. De priester, de leider en leraar van de gemeenschap begeleidt hierbij desnoods de mens, maar hij staat niet zoals bij vele latere versies van godsdiensten, tussen de mens en God. Het is duidelijk dat vooral dit zichzelf niet met God op persoonlijke wijze verbonden voelen een groot hiaat veroorzaakt in het contact met goddelijke waarden voor de moderne gelovigen. Vooral telt hierbij dat de mens niet in staat is op God een dwingend beroep te doen krachtens een vaststaande relatie. Men gelooft niet meer in de magische waarde van een ritueel, dat vast en zeker op een voor de mens kenbare wijze het resultaat van eigen streven tot God zal brengen. Natuurlijk wordt het huwelijk ook heden ingezegend en worden ook nu kinderen gedoopt. Maar wat verwacht men dat hierdoor zal veranderen? Meestal niets. En toch is juist de instelling en de verwachting van het gebeuren, voor het bereiken van resultaten zo belangrijk.

Hierdoor zal het u duidelijk worden dat de mens van heden op godsdienstig terrein andere wegen zal moeten zoeken dan de nu gangbare. Hoe? Dat zal voorlopig voor elke groep wel wat anders komen te liggen.

Het belangrijkste is echter, dat men God niet alleen maar ziet als de representant, de vage representant van de oneindigheid. Maar dat men Hem weer leert zien, gemanifesteerd in goden en geesten of desnoods engelen die een bepaalde functie hebben, maar ook een bepaalde relatie kennen tot de mens. De mens, die van beneden uit naar boven grijpt, moet zeker zijn van een antwoord. Waarmee ik wijs op een van de zwaktepunten in geloof en geloofsbeleving in deze dagen. Men lacht nu om de goden uit de oudheid. De oude orakels, zo zegt men in deze tijd wetenschappelijk gemoedelijk, waren ongetwijfeld voor 9/10e bedrog en 1/10e hysterisch bijgeloof. Wat men over het hoofd ziet is de psychologische achtergrond, de werkelijke betekenis.

De orakels maakten het de mensen mogelijk te reageren, zelfs indien de gegeven tekst voor vele uitleg vatbaar was. Zoals vaak voorkwam, werden zij voor de mens tot een stimulans, een reden voor het stellen van daden. De mens van toen stond niet daadloos, hij hoefde niet eerst op lange termijn te gaan plannen zoals de mens van heden, die van zijn orakels, economische prognoses bijvoorbeeld, eveneens tweeslachtige antwoorden krijgt waarmee men alle kanten uit kan. Maar daaruit niet tot daadstelling komt, maar tot een planning die het hem vaak onmogelijk maakt van de inspiratie en de mogelijkheden van het heden volledig gebruik te maken. Het orakel maakte als het ware in de mens het, halfbewust reeds als noodzakelijk of onvermijdelijk gevoelde, weten los zodat het op bewust vlak behandeld kon worden. Men kan in deze dagen op eenvoudige wijze alle goden van het verleden afdoen als bijgeloof of zelfs als duivels. Men kan goedkope argumenten gebruiken als: wij weten nu heus wel dat er geen goden op de Olympus zetelen. Want al weet men dit inderdaad nu zeker, daarmee is de waarde, de werkelijke betekenis van de oude goden, niet aangetast. De oude goden leven in de instincten, in het bewustzijn van de mens. Zelfs nu zien wij dat mensen wanneer het onweert, ook al is dit verschijnsel wetenschappelijk ontleed en geheel verklaard, de mensen instinctief bang zijn en proberen met een half-onbewuste rite het gevaar af te wenden. Wanneer men het licht aansteekt zodra het gaat lichten, is dit in feite een poging om de goden te misleiden, door te tonen: Hier is al licht, hier is uw bliksem niet meer noodzakelijk. Men reageert dus op dezelfde wijze als men in de oudheid deed, ook al is de vorm wat moderner en spreekt men niet van goden. De instinctieve angst voor het verschijnsel is nog steeds aanwezig en de poging aan de dreiging te ontkomen, veroorzaakt even onredelijke reacties als toen.

Wat ontbreekt is het positieve dat door een magisch ritueel in de oudheid werd bereikt. Men kan van de bliksem nu geen zegen maken, die vruchtbaarheid gaat brengen en geluk in plaats daarvan denkt aan brand, dreiging en vroege dood. In de oudheid kende men methoden, waardoor dit voor de mens een zekerheid werd, die ook in stoffelijk opzicht resultaten opleverde.

Dit moet herwonnen worden. Want de oude goden waren in wezen de vele poorten tot het geheimzinnige rijk van gemeenschappelijk menselijk bewustzijn, persoonlijk innerlijk bewustzijn en zelfs het onderbewustzijn. Kortom, zij ontsloten een wereld waarin de werkelijke persoonlijkheid van mens en dingen een beslissende rol kon spelen, ook voor het menselijke bewustzijn. Volgens mij heeft men dergelijke poorten tot de verborgen wereld van innerlijk en natuur ook in deze dagen nog nodig. Men kan niet volstaan met te zeggen: wij weten waarom wij onzeker zijn. De mens van heden denkt dat hij alles wel kan overzien, maar toch blijft hij ergens bang voor het onbekende, toch durft ook hij nog niet zonder een ‘teken’ zijn innerlijke erkenningen volgen. De oude goden waren voor de mensen in de oudheid een poort tot een grotere werkelijkheid. Alles wat daaromheen werd gevlochten aan verhalen en plechtigheden was deels een poging de goden voor het volk aanvaardbaar te maken, deels een poging om de mens tot de goden en zo tot een grotere werkelijkheid te brengen. Alle riten waren in feite een magisch afdwingen van een eenheid tussen de mens en een deel van het eeuwige, een deel van het goddelijke of het totaal menselijke zijn.

Op grond van dit alles stel ik: De oude goden zijn schijnbaar verdwenen. Toch zullen ook zij in de moderne tijd steeds meer gaan herleven. Jammer is het dat deze goden hun naam, hun attributen en daarmede hun waarden van menselijkheid en onsterfelijkheid gelijktijdig in het menselijk bewustzijn zullen ontberen. De oude goden waren gelijktijdig mens, soms op een wel heel menselijke wijze zoals blijkt uit de ontvoering van Europa, of het verhaal dat bekend werd onder de titel “Amphitrion”, en toch op hun terrein almachtig. Zo zouden de mensen van heden God moeten kunnen benaderen: niet als een geheel, maar in besefte delen, die gelijktijdig begrijpelijk zijn, omdat zij zo menselijk zijn en toch oppermachtig in hun goddelijke aspecten.

Want alleen een menselijk beeld is voor de mens ergens benaderbaar. Een magische rite, die alleen gericht wordt op een abstract begrip kan nooit een concrete uitwerking hebben. Een gebed dat wordt gericht tot een abstracte godheid, waarvan je eigenlijk geen beeld kunt vormen en waarvoor je in wezen geen enkel begrip hebt, zal maar zelden voor een concreet en merkbaar antwoord zorgen. Hoe meer wij bereid zijn de eigenschappen Gods weer tot ‘goden’ te maken.

Goden tot voor de mens kenbare en begrijpelijke wezens maken die wij in eigenschappen en macht kunnen begrijpen, des temeer wij resultaten zullen boeken met ons bidden en werken.

Dan zou men het nu genoemde paranormaal als een normaal deel van de samenleving kunnen leren hanteren.

Wat dit laatste betreft: Kan men opmerken dat er veel mensen zijn die pretenderen uit de macht van god te kunnen genezen, bij een ieder meer kwaad dan goed doen door een schuldbesef te wekken bij degenen die niet geneest. Dat is alles waar. Maar dan mag men niet vergeten dat zelfs deze christelijke wonderdokters mensen van schijnbaar ongeneeslijk kwalen hebben weten te genezen. De patiënten, waarbij zij goede en blijvende resultaten hebben behaald, zijn er in verhouding zeer weinig, maar zij zijn er!

Er zijn veel mensen die in een toestand van halve trance of onder inspiratie spreken in hun kerkgemeenschap. Bij de op deze wijze als ‘boodschap van de Heilige Geest’ wordt gepresenteerd zitten vele preekjes, die zelfs een dronkenman op het zondaarsbankje van het Leger des Heils nog zou kunnen verbeteren. De taal waarin sommigen spreken blijken vaak hysterisch gelal te zijn.

Maar er worden ook profetieën uitgesproken die wel degelijk uitkomen, mededelingen gedaan die van werkelijk en onmiddellijk belang zijn. Er worden soms leringen gegeven van een diepte en waarheid, die men zelfs bij grote filosofen slechts zo hier en daar pleegt aan te treffen. God werkt in de mens. Dit is hun punt van uitgang, dit is echter ook een feit. Om op betrouwbare wijze te kunnen werken met deze God, zal men echter die God op een andere wijze moeten benaderen dan tot nu toe. Men kan hierin betrouwbaarheid bereiken. Maar alleen wanneer men bereid is God ook weer gebonden te zien met de materie, gebonden zowel aan regels en wetten, als geuit in de stof. Het is gemakkelijk God zover weg te duwen. Te velen leven met een God, die ergens in de eeuwige zaligheid is opgeborgen. Hij is natuurlijk hier ook wel, maar daar merk je niets van en Hij doet niets.

Om het eens te overdrijven; wij moeten God zozeer werkelijk voor ons maken, ook al is het maar een deel van zijn oneindig wezen, dat wij, wanneer wij zouden vragen: “God, wilt u ook een kopje thee hebben?” Hij ons daarop antwoord zou geven. Het klinkt misschien dwaas. Willen wij God en goddelijke krachten in het menselijke leven weer op een meer kenbare en voor de mens ook meer hanteerbare wijze aantreffen, dan is dit de relatie tussen God en de mens die noodzakelijk is.

Sterker nog: Omdat veel mensen van hun abstracte God geen antwoord krijgen en niets van hem merken, keren zij terug tot het oude ‘bijgeloof’ dat meer aan de wensen en eisen van de menselijke denkwereld beantwoordt. Het is niet voor niets dat er in deze dagen weer een opleving van hekserij is, dat er weer zwarte missen worden gelezen en zuiver heidense riten onder de naam van een bepaald soort christendom worden bedreven. Wat dit laatste betreft vindt men de meest openlijke en duidelijke beelden in Argentinië en Brazilië.

Dergelijke hekserijen en riten beantwoorden natuurlijk in de eerste plaats aan een psychologische noodzaak. Daarnaast brengen zij vaak ook tastbare resultaten. Voodoo lijkt u misschien een wat vreemd en bijgelovig mengseltje van wat christendom en een grote hoeveelheid Afrikaanse magie. Maar het eigenaardige van voodoo is niet zijn ritus en leer, maar het feit dat men langs deze schijnbaar dwaze en bijgelovige weg vaak werkelijke resultaten weet te bereiken en die resultaten te voren zelf weet te bepalen.

Men kan de schouders ophalen en bijvoorbeeld goena-goena verwijzen naar bijgeloof. Maar er wordt vaak iets mee bereikt. Deze vreemde leringen zouden resultaten brengen, terwijl het christelijk geloof geen resultaten biedt? Laat mij niet lachen. Ook de mensen van heden, als de vroege christenen, zouden weer resultaten kunnen bereiken, ook voor hen zouden wonderen weer mogelijk zijn. Maar dan moeten zij eerst God weer toestaan dicht bij hen te wonen. Dat klinkt vermetel. God toestaan om dichtbij te komen. Maar ook de mens uit de oudheid stond zijn goden toe dichtbij te komen. De god is een altijd verwachte gast, de god komt ook. De verhalen geven hiervoor beelden genoeg.

Wodan stopt bij een kolenbrandersgezin en omdat er geen voldoende voedsel is, slacht de god zijn beide bokken, eet met het gezin en gaat verder. De mensen van toen geloofden daarin.

Vandaag nog kan God naast je staan. Nog vandaag kan Hij wonderen doen. Zelfs wraakgodinnen achtervolgen hun slachtoffers niet alleen met geheimzinnige pijlen en tegenslagen, maar treden vaak persoonlijk op. Ook zij tonen zich aan de mensen en maken hun bedoelingen tenminste duidelijk, hoe onaangenaam als zij ook mogen zijn. Denk maar eens aan de vele Griekse verhalen, waarin dergelijke dingen worden beschreven. Wij zouden God weer steeds en ook kenbaar moeten durven verwachten en Hem zo ook voor ons bewustzijn weer toegang geven tot ons leven en onze wereld. Wij zullen dit moeten doen, al weten wij dat God zich nooit geheel aan ons zal openbaren. De goden van de oudheid waren delen van het totaal goddelijke, de kinderen van de werkelijke Godheid. Zij waren misschien niet zo volmaakt en hanteerbaar als de abstracte God in de hemel, aan wie men heden de voorkeur geeft. Maar zij waren bereikbaar en juist hierdoor waren zij wezens of machten, die voor de mens ook werkelijke resultaten brachten. De o zo wijze, moderne wereld moet terugkeren naar de domme beleving van de goden, die in de oudheid bestond. Zij zal een andere vorm moeten vinden. Het is niet noodzakelijk dat men Adonis vereert of Osiris gaat aanbidden. Men zal een vorm van geloof en eredienst moeten vinden, waardoor de Godheid een machtige en dichtbij staande figuur wordt, die op de mens kan reageren en zo ook in het stoffelijke leven van de mens een directe en direct kenbare rol kan spelen. In wezen zoekt de moderne mens hier wel naar, maar hij is bang te stellen dat zijn God een antwoord zal en kan geven op een stoffelijk kenbare wijze. Hij is bang om aan te nemen dat zijn God zomaar in zijn woning in zichtbare gestalte zou kunnen binnentreden. De moderne mens, die toch al geen raad weet met zich en zijn geloof, durft het risico van een dergelijk aanvaarden eenvoudig niet aan. Misschien is de moderne mens niet bang meer voor magie of zelfs voor God, maar is hij bang voor onverklaarbare en stoffelijk kenbare resultaten van zijn magie of zijn geloof.

Wat dat betreft doet menige moderne gelovige mij denken aan een oude franciscaner monnik, die wonderen placht te doen door gebed, maar aan het einde van zijn gebed altijd zei: “Heer, ik weet, dat gij dit wonder zult doen, maar wacht er alstublieft even mee tot ik weg ben, want mijn hart is tegen dergelijke dingen niet bestand.” Zo stelt menige moderne priester en mens: God kan alle dingen doen. Wij weten dat God dergelijke dingen doen kan. Maar God, als U ingrijpt, doe het dan alstublieft achter mijn rug, want anders weet ik met U en mijzelf geen raad meer. Het zal duidelijk zijn dat een dergelijke houding niet bevorderlijk is voor het bereiken van resultaten. Vandaar dat ik stel: De oude goden moeten terugkeren, niet meer als afgoden, maar in de erkenning dat verschillende aspecten van het goddelijke benaderbaar zijn in een eigen gestalte, die met een eigen rite bereikt kunnen worden. Zodat de mens door hen een vaste relatie met God kan vinden.

Dan zal men God kunnen bereiken als een onmiddellijk werkzame kracht en zal hij niet meer voor de meeste mensen iets onbegrijpelijks en onberekenbaars zijn. Elke andere wijze van reageren zal op de duur ofwel tot een innerlijk ontkennen van het bestaan van God voeren of, wat nog erger is, voeren tot een vergoddelijking van op zich onbelangrijke dingen.

De oneindige, de onmetelijke God is er en zal er altijd zijn. Maar wij kunnen Hem niet benaderen, bereiken, begrijpen. Laat ons dan niet te trots zijn enkele aspecten van zijn wezen in onze werkelijkheid te aanvaarden, zodat God toegang krijgt tot ons leven, de menselijke praktijk van streven en bestaan.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen.

  • Als wij ons tot onze innerlijke waarde richten, doen wij toch in wezen hetzelfde?

Niet geheel, omdat de goddelijke waarde van het eigen ego niet als almachtig en onmiddellijk werkzaam beschouwd wordt en ook te weinig gedefinieerd wordt gezien om daarmede ook in de praktijk te werken.

Indien wij de theorieën terzijde laten blijkt het in jezelf gaan een abstractie te zijn. De God benaderen is een daad in de werkelijkheid, waarbij geen theorie maar alleen de praktijk van belang is en de God zichzelf bewijst door de resultaten.

  • U stelt: als je de relatie tussen jezelf en de God weet te scheppen, moet er een antwoord komen. Dit houdt ergens in dat je God een antwoord af kunt dwingen?

Inderdaad. God is het totaal van de natuur, van alle leven en alle krachten. Het geheel van alle leven en krachten wordt echter ook voor de mens op kenbare wijze door wetten geregeerd. Indien wij een beroep doen op deze wetten, kan het goddelijk wezen zonder zichzelf en eigen wezen te loochenen, dus geen beantwoording afwijzen. Het antwoord hoeft niet positief te zijn, het kan ook negatief zijn. Maar er is een antwoord, je weet dus waar je aan toe bent. Het gegeven antwoord zal men moeten aanvaarden. De aanvaarding van de goddelijke wil wordt dus niet uitgesloten, wel wordt een einde gemaakt aan de vaagheid waarmee deze beseft wordt.

  • Bij de antwoorden zit toch een hoop persoonlijke suggestie?

Ja. Maar de suggestie bepaalt de vorm van het antwoord, niet het antwoord zelf. Verder bepaalt de suggestie het inzicht dat de mens in zichzelf krijgt, de mens erkent zijn verbondenheid en ‘het andere’, maar niet als een vage stelling, maar als een reële waarde. Zo werkelijk als de verhouding tussen een vader en moeder en een kind. De reactie is concreet, de handelingen worden eveneens tot het concrete beperkt. De speculatie van de filosofie maakt plaats voor een daadwerkelijke erkenning gevolgd door een daadwerkelijke opbouw. Theologie maakt plaats voor concrete godsbeleving. Dit is op zich reeds een belangrijke stap voorwaarts, ook wanneer zelfsuggestie daarbij een rol speelt ten aanzien van de vorm waarin men dit alles ervaart. Ten laatste, als u bidt in uw kerken berust dit ook ergens op suggestie? Als u een eed aflegt berust de waarde daarvan toch ook op suggestie? Is de waarde van geld niet een suggestie? Uw gehele maatschappij is op vormen van suggestie en zelfsuggestie gebaseerd.

Gaan wij daarom een werken met de goddelijke krachten op meer praktische wijze verwerpen, omdat ook daarbij suggestie een rol speelt?

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterische beschouwing.

Dit tweede deel van deze avond gaat dan weer in de richting van de esoterie.

De kern van het innerlijk leven is gebaseerd op een erkenning van het andere, het Hogere. Zolang wij vanuit onszelf niet iets hogers erkennen, zijn er hiaten in ons bestaan en voelen wij een zinloosheid die langzaam maar zeker voert tot verdierlijking. Mens-zijn wil dus ook zeggen: Het andere in jezelf dragen. Maar het andere in jezelf is moeilijk te omschrijven. Ik wil dan ook niet vervallen in het oude gebruik inwijdingen te beschrijven en u te spreken over de trappen van bewustwording, de poorten van inwijding en dergelijke, maar ik wil proberen u duidelijk te maken hoezeer wij in onszelf eigenlijk aan een voorstellingswereld gebonden zijn, zodat deze ook ons innerlijk bereiken mede bepaalt.

Wanneer ik denk aan God, denk ik automatisch ook aan mijzelf. Het is mij onmogelijk aan mijzelf te denken, zonder daarbij ook iets anders te betrekken. Onmogelijker is het nog aan God te denken zonder hierbij zelf een rol te spelen. Mijn waarneming van het Hogere is dus een zeer persoonlijke. De voorstellingen die ik in mijzelf opbouw zijn gebaseerd op mijn wezen, mijn weten en mijn waarheid. De stellingen die ik hanteer, de beelden die ik gebruik om datgene, wat ik als waarheid beschouw uit te drukken, zijn in feite voor een groot deel misleidend. Ik kan immers niet echt tot uitdrukking brengen wat er in mij leeft. Daarom is er in de esoterie een groot gevaar aanwezig. Wanneer wij te zeer abstract gaan denken is er geen enkele vergelijkingsmogelijkheid meer. Er is geen contact met een werkelijkheid meer en het beeld dat men zich van God maakt is het beeld van een eigen ik. De wetten die men in de kosmos erkent, zijn dan de wetten waarvan men zich voor het bestaan begeert. De constructie van het Al, de kringloop van de ziel en alles wat daartoe behoort, worden tot een weergave van eigen verlangens, eigen wensen en angsten.

De doorsnee mens realiseert zich dit gevaar niet. Hij ploetert getrouwelijk aan de innerlijke bewustwording en zoekt daarbij voor alles het hoogste. Maar het allerhoogste is zo moeilijk te bereiken, te erkennen, te ervaren, dat hij in feite al snel tot een vorm van zelfverering overgaat.

Ik besef ten volle, dat dit voor velen niet zo’n aangename uiting is. Op het ogenblik dat de mens God of het Hogere stelt als een bereikbaar doel, als iets wat een logische samenhang toont met het eigen leven en werken, een logische verbinding vormend tussen heden en morgen, zal men zich daarin niet volledig zelf kunnen projecteren. Want ofschoon de esoterie de innerlijke weg betreft, wordt die innerlijke weg mede ook door de uiterlijke wereld bepaald. Daar waar ik mijn punten van referentie buiten mijzelf zoek, is een controle mogelijk.

Wanneer iemand op onbekend terrein gaat, zal hij zich vaak door middel van een kompas oriënteren. Als hij verstandig is zorgt hij dat alle metaal verwijderd is en stelt dan in het landschap en wel zo dicht mogelijk langs de eigenlijke richting die hij volgen moet, een herkenbaar punt in het landschap vast dat als voorlopig doel kan fungeren. Heeft hij dit gedaan, dan bergt hij voorlopig zijn kompas op en begeeft zich naar het zichtbare doel. Daar zal hij proberen opnieuw een zichtbaar doel te vinden. Men kan nu stellen dat op deze wijze niet de kortste en meest ideale weg gevolgd wordt. Dit is waar, maar op elke fase van de weg beschikt men over een punt van referentie zodat verdwalen, zich vergissen haast uitgesloten is.

Stel hiertegenover iemand die het uiteindelijke doel op de georiënteerde kaart zoekt, de kompasrichting vaststelt en met het kompas in de hand de kortste weg zoekt. In zijn kleding, zijn bagage bevinden zich metalen. Langs de weg kunnen eveneens metaalmassa’s aanwezig zijn, die een afwijking van het kompas kunnen veroorzaken. Zelfs een wisselen van het kompas van de ene hand naar de andere kan dus betekenen, dat een afwijking van meerdere graden ontstaat.

Ofschoon hij dus de ideale koers probeert te volgen door elke tussenliggende oriëntatie op het kompas alleen te baseren, zal in de praktijk blijken dat hij meer van de weg afwijkt en meer correcties op zijn pad nodig heeft, dan degene die zich eenvoudig op zichtbare doelen in de juiste richting oriënteerde.

De mens, die de hoogste waarde en de innerlijke kracht als enige maatstaf voor zijn streven wil gebruiken is als iemand, die wil lopen op het kompas, zonder rekening te houden met andere oriëntatiemogelijkheden. Het is niet onmogelijk, dat men op deze wijze inderdaad zijn doel bereikt. Maar in dat geval is de concentratie op het ‘kompas’ zo overheersend, dat hij de weg die hij aflegt niet leert kennen. Bovendien blijft het altijd de vraag, of zijn ‘kompas’ voortdurend juist aanwijst. Het gevaar is niet denkbeeldig, dat hij aan zijn doel voorbijschiet, of zelfs de juiste richting op den duur helemaal mist. Degene die in de esoterie echter streeft aan de hand van het gewone dagelijkse bestaan en daarin bepaalde punten voor zich als mijlpalen kiest, erkent daarbij: Dit is het zichtbare punt dat ik nu en met de huidige middelen kan bereiken.

Wat moet ik dus doen om dit allereerst tot stand te brengen? Wie dit doet zal, omdat hij een concreet doel van streven heeft, gemakkelijker en bewuster iets bereiken dan de ander.

De trappen van de bewustwording blijken dan niet een Jakobsladder zonder einde te zijn, maar eerder een reeks van constateringen, welke voeren tot een streven waarin elke fase voor zich waar wordt gemaakt en van waaruit de mens komt tot een volgende oriëntatie, een grotere bewustwording en een juister overzicht van eigen mogelijkheden en taak.

De verhouding tussen God en de esotericus ligt dus in wezen wel ietwat anders dan men pleegt te stellen. Men zoekt het zo graag in de ‘unio mystica’ in een niet te definiëren innerlijke verbondenheid met het Hogere. Maar hierin speelt het Ik een veel grotere rol dan in het schijnbaar eenvoudige streven naar onmiddellijk kenbare en bereikbare doelen. Zelfmisleiding is hierdoor een gevaarlijke mogelijkheid. Het zal de buitenstaander vaak toeschijnen dat iemand die ingewijd is in zekere geheimen of ingewijd werd tot het betreden van bepaalde sferen, veel verder moet zijn dan een eenvoudig mens die van dit alles niets weet. De praktijk wijst echter vaak in een andere richting.

Het is vaak de eenvoudige mens die van kenbaar doel tot kenbaar doel verder streeft en daarbij nog niet eens schijnt te denken over de eindbestemming, de grote resultaten boekt. Deze mens vormt zichzelf en leert gelijktijdig in de vele fasen van streven en zoeken zichzelf kennen. Tijdens het streven zal ook deze mens de Hogere Krachten in en rond zich leren kennen. Voor hem zijn deze dingen echter niet uitzonderlijk, maar een normaal deel van het bestaan. Want zijn leven bestaat immers uit het erkennen van al hetgeen voor hem door de dingen rond hem bepaald wordt. Zo iemand leeft in het Al Gods, dat voor hem steeds kenbaarder en begrijpelijker wordt. Maar een wijze die zelfs tot de hoogste sferen weet door te dringen ziet zelfs daar maar al te vaak alleen wat hijzelf daar wil zien. Hij kent wel het Hoge Licht, maar niet de werkelijkheid waarin het bestaat en de werkelijke bron waaruit het voortkomt. Zo iemand zal door de nadruk op eigen innerlijk niet veel zien van de weg rond hem. Vele aspecten der werkelijkheid ontgaan hem omdat hij steeds met zichzelf bezig is. Ook zo iemand kan bereiken, maar aan het einde van de weg zal men dan vaak constateren: ik meende God en Al te zien, maar in wezen heb ik mij slechts een beeld van mijzelf gevormd en niet de goddelijke werkelijkheid ervaren.

In dit verband wijs ik ook op de voorrechten die juist dergelijke zoekers voor zich opeisen en herinneren aan een oud verhaal: Een wijze steeg op ten hemel. Daarna keerde deze hindoeheilige terug op aarde om de mensen leringen te geven. Men geloofde niet dat hij werkelijk de hemel betreden had. Als bewijs nam hij een kat en voerde deze door zijn krachten naar de hemel.

Maar toen de kat terugkwam eerde men niet de wijze, maar de kat. Die kwam immers uit de hemel… dan was ook de kat heilig… Menigeen beziet ook esoterie op dezelfde wijze: Men denkt dat het contact met een sfeer het belangrijkste is. Maar dat kan een ieder wel bereiken ook zonder esoterie. Zelfs een contact met godsengelen is door de eenvoud van een geloof, juist of niet, voor een ieder mogelijk. Maar het maken van een bewust contact waaruit je zelf volgens eigen wil, lerend en wetend, een nieuw doel kunt kiezen, is moeilijk. Dat is niet voor een ieder in dit leven bereikbaar.

Dus: Wees maar niet jaloers op degenen die zo ‘hoog’ zijn. Vaak is hun ‘heiligheid’ niet groter dan die van de kat in het verhaal dat ik u verkort weergaf. Zoek liever voor uzelf een reëel doel, iets wat je kunt zijn of worden. Dat is belangrijker. Want je voelt innerlijk heus wel, waar God is. In de mens is een soort kompas ingebouwd, dat hem altijd weer wijst op de eeuwigheid, op een soort tijdloosheid. Volg dat kompas, maar kies steeds weer voor jezelf een kenbaar doel. Alleen zo is directe bewustwording plus een bewust beheersen en kennen van al het bereikte mogelijk.

Alleen zo ontkomt men aan illusies en zelfbegoochelingen die in een te abstract streven zich helaas veel te snel plegen te tonen.

Tot slot nog dit: U hoort misschien wel eens van de steen der wijzen, het liquide goud en al die andere dingen die de alchemisten nastreven. Men meent dat dit alleen geestelijke waarden zijn, zodat zij een werken in een meer stoffelijk laboratorium niet nodig hebben. Hen zou ik willen vragen: Kun je in dat geestelijke laboratorium van u wel een echte proef nemen? Niet? Dan, mijn vrienden, is het niet zo dwaas in een echt laboratorium te werken om steeds weer te experimenteren en de proef te nemen die erkenningen en stellingen moet bewijzen. Want alleen zo ben je er zeker van, dat je steen der wijzen werkelijk de steen der wijzen is en niet een kei van zelfverheerlijking.

image_pdf