Waarden van het vroege christendom

28 september 1958

Een van de meest eigenaardige problemen van het vroege christendom is wel de haast communistische levensopvatting, die bv. tot uiting komt in de stichting van de eerste christelijke gemeente in Jeruzalem. Voor de moderne wereld zijn er vele bezwaren aan verbonden. Wij zien dan ook, dat de groep zoals sindsdien vele soortgelijke groepen uiteen valt door de gebreken van de mens. Ik meen echter, dat dergelijke mislukkingen in de praktijk toch niet te veel afdoen aan de theorie. En ik wil proberen om deze theorie duidelijk te maken en aan de hand van de uitspraken van Jezus en tevens ook aan de hand van hetgeen de apostelen daarvan hebben gemaakt.

Jezus leert steeds weer, dat bezit van geen belang is. Hij beveelt letterlijk aan een ieder, die met hem wil gaan, om alles achter te laten. En hij beperkt dit niet alleen tot bezit: “Geef uw bezit aan de armen,” maar ook: “Laat achter vrouw, kind, vader en moeder,” Iets wat natuurlijk in de normale wereld nog wel enige protesten zou oproepen. Wanneer we dit echter nu eens gaan bezien vanuit een geestelijk standpunt en ons niet in de eerste plaats bezig houden met de stoffelijke praktijk, met al haar bezwaren, dan geloof ik, dat er toch weer duidelijker naar voren komt wat Jezus eigenlijk met zijn leer heeft bedoeld.

De mens, die zich bindt aan een bepaalde medemens, een gezin bv., is geneigd om dit gezin tegen de wereld te verdedigen. Die verdediging is niet altijd goed. Hij is geneigd om voor zich en zijn omgeving voorrechten te eisen. Hij wil het leven a.h.w, verbeteren en de wetten van het leven tijdelijk buiten werking stellen, omdat hij zijn familie, zijn kinderen. Zijn groep toch eigenlijk daarvoor te goed vindt. Gezien in het lot, of beter gezegd; in oorzaak en gevolg, is dat natuurlijk dwaas. Er bestaat geen enkele mens, die in staat is oorzaken en gevolgen voor een ander te veranderen. Ja, zelfs degenen, die met veel moeite trachten de wetten der maatschappij, der ethiek, te forceren om zo voor zich of anderen een betere positie te winnen, zullen zonder dit te weten, juist oorzaak en gevolg verwerkelijken en in werking stellen. Op het ogenblik echter dat wij het leven aanvaarden, zoals God het ons geeft, zoals de kosmische wet dit uitdrukt, zijn wij in staat om voor ons eigen leven geheel te volbrengen. En dat is heel belangrijk.

Jezus leer is er niet alleen een, die ons steeds weer zegt te gaan tot God. Maar ook een leer, die ons zegt onszelf te verwerkelijken. Zo’n verwerkelijking wordt in de moderne wereld verkeerd gezien. Voorbeelden zien we bv. in het onderricht van de jeugd, waar men meent, dat men de kinderen toch vooral veel vrijheid moet laten. En men vergeet, dat en in het leven en in de opvoeding en in de kosmische wet het meest belangrijke woord, niet luidt “ja”, maar “neen”. De weigering, de ontkenning, die wij in de opvoeding tegenkomen, wordt in het leven tot de tegenslag, tot het onbereikbare. Eerst door onze beperkingen te leren kennen, door noodgedwongen elke keer weer te staan tegenover hetgeen voor ons onmogelijk is, zullen wij in staat zijn ons eigen leven goed te leven, zullen wij ook de mogelijkheid vinden de “God in ons” te benaderen.

Het is dus duidelijk, dat Jezus op deze basis het gezinsleven afkeurt. Hij zegt niet, dat men niet huwen zal. Dat blijft over voor de zeer temperamentvolle Paulus, die zichzelf verwijt, dat hij de dienst zijn ‘s Meesters telkenmale weer dreigt te vergeten voor mensen. Maar Jezus zelf erkent het gezinsleven. Hij erkent de verplichtingen van ouders t.o.v. hun kinderen. Maar hij stelt daarboven als belangrijker, ja, als het belangrijkste: de band met de Vader, de verplichting tegenover God.

Ook het bezit wordt door hem niet geheel ontkend. Voorbeelden daarvan kunnen wij te over vinden. Bijvoorbeeld: Jezus draagt kleding, die zo kostbaar is, dat zijn beulen er niet toe komen ze te verdelen, ze dobbelen erom. Dat doen ze niet om het eerste het beste. Jezus draagt werkelijk kleding van de eerste kwaliteit. Wanneer we zien, hoe hij zich voedt, dan blijkt ook elke keer weer, dat hij er helemaal niet tegenop ziet het beste van de wereld voor zich op te eisen. Maar….hij stelt het niet als noodzaak. De mens Jezus rust even graag langs de wegen als in de paleizen der rijken. Even gaarne maakt hij gebruik van de ongetwijfeld grote middelen, die hem ter beschikking worden gesteld, als hij zich bij de armen ophoudt en hun tracht te geven en van zijn geestelijke rijkdom en van zijn financiële overvloed.

Op het ogenblik dat bezit een band wordt of een verplichting, beperkt het je leven. Tegenover Johannes, zijn liefste leerling, aan wie hij dan ook de meest vertrouwelijke leringen en aanwijzingen heeft gegeven, spreekt hij hierover op de volgende wijze: “Zie, ik noem u broeder. Maar ofschoon ik u zeer liefheb bemin ik u niet meer dan anderen. Daar waar harten tot elkaar spreken, waar zielen elkaar ontmoeten in de grote vrijheid, daar erkent men de broederschap. Maar de erkenning betekent nooit een beperking. Toen ik u zegde alles achter te laten, hebt gij, mijn broeder, gedacht: Hoe zal ik dan mijn goederen achterlaten, waar anderen niet in staat zijn daarmede zo verstandig te handelen als ik. Maar is het belangrijk, dat er met bezit verstandig wordt gehandeld? Is het niet belangrijker, dat wij de Vader erin kennen? Is het niet belangrijker, dat wij vrij zijn om Zijn wil in ons wezen tot werkelijkheid te maken, dan wat de wereld verstand noemt?” Ik zou dit met ettelijke voorbeelden kunnen aanvullen. Jezus zegt ons: “We mogen een heel klein beetje Gods dwazen zijn. Want alles, wat menselijk verstand is, is beperkt. Het bevat niet de grootheid van de liefde, die in de kosmos bestaat.” Daarom is dus elke beperkende werking in de materie te verwerpen. Nu heeft hij een dergelijke stelling eens wat algemener verkondigd en daarmede zich het verzet van de robuuste Petrus op de hals gehaald, die onmiddellijk opmerkte: “Maar Heer, indien wij – daarbij doelde hij natuurlijk hoofdzakelijk op Judas indien wij – niet goed handelen met hetgeen wij bezitten en indien het geld, dat u geschonken wordt, wordt verkwist, hoe zouden wij dan leven?” Dan begint Jezus te glimlachen. Hij zegt: “Leven is meer dan eten, Petrus. Want wie zoekt, vindt zelfs in de natuur alles, wat hij nodig heeft. De mens echter, die meer eist, dan de natuur geven kan, maakt zichzelf tot slaaf.” Op het ogenblik dat de mens zegt: “Ik wens mij een woning, een paleis; ik wens mijzelf kleding of voeding van speciale eigenschappen,” dan is hij slaaf, want hij moet werken tegen de natuur om dit te verkrijgen. Maar hij, die neemt wat God geeft: het sap van de druiven, de rijkdom van het koren; wie de zon kan aanvaarden of ze brandt of koestert, die is rijk door alle dagen heen.

De mensen van tegenwoordig zullen dat waarschijnlijk niet meer begrijpen. Een groot gedeelte van de maatschappij staat geheel naast de rijkdommen, die de natuur geeft. De voeding van de mens is onnatuurlijk geworden. Zijn leefwijze ligt ver van de natuur af en zijn woningen zijn geworden tot een menselijke creatie, die de natuur misschien hier of daar even binnen laat, maar toch grotendeels haar terugdringt ergens naar een grensgebied, waar men met zekere verwondering een ogenblik constateert, dat er ook nog planten groeien, die niet door mensenhand gevormd of geleid zijn.

Kijk, de eerste christenen hadden daarvan geen grote hinder. In de eerste plaats zijn Jezus volgelingen vaak de eenvoudigen, de armen. De enkele rijken, die er zich tussen bevinden, zijn over het algemeen denkers en filosofen. De eerste dagen van het christendom tonen ons slaven, verworpenen, boeren, werklieden, vissers. Niet de vorsten der aarde. Later is het anders geworden. Maar toen de vorsten der aarde christenen werden, toen verloor het christendom veel van zijn waarde. Want juist zij, die niets te verlangen hebben van de wereld, kunnen in het christendom geluk vinden. Christendom is een rijkdom, die gegeven kan worden op het ogenblik, dat je arm bent en je je van die armoede bewust bent.

De mens, die meent rijk te zijn en deze rijkdom bezit op tijdelijke grond, op tijdelijke waarden, die zal ontdekken, dat hij juist daardoor werkelijk arm is. Jezus zelf zegt hierover: “Vele dingen zijn onvergankelijk. Vergankelijk slechts zijn de gedachten der mensen, de steden, die zij bouwen, de wetten, die zij stellen. Doch boven alles is de Vader. En wie in de Vader leeft, leeft eeuwig.” Begrijpelijk. Alle dingen, die op aarde bestaan gaan ten slotte voorbij. Wetten en modes, gij weet het zelve, veranderen keer op keer. De mens streeft nu naar deze dan naar gene vorm van maatschappij om een ogenblik later zelf te vernietigen, wat hij heeft opgebouwd.

Maar de kosmische wet en de natuur zijn onveranderlijk. Daarom is Jezus altijd weer de voorstander geweest van het aanvaarden van God. Of zoals wij het zouden zeggen van de natuurlijke wetgeving. De vraag is nu maar: In hoeverre hebben de eerste christenen dit juist in de praktijk gebracht? Simon, de Athener, lid van de eerste gemeente te Jeruzalem, drukt het misschien wel heel aardig uit, wanneer hij verwijtend roept naar de anderen: “Gij, die zegt te werken voor de gemeenschap en te leven voor de gemeenschap, hoe vaak hebt gij gedacht: Wat verwerf ik hiermede? Doch de Meester heeft gezegd, dat niets verworven kan worden, doch dat al geschonken wordt uit God.” Het is typisch, dat die vroegchristelijke gemeente daaraan te gronde gaat. Men zoekt van anderen iets te verwerven. Men meent, dat tegenover een gave een wedergave moet staan. Men meent, dat het bewijzen van diensten rechten geeft.

Als wij wat verder in de geschiedenis gaan, dan zien we hoe langzaam maar zeker de christelijke maatschappij er een wordt, die is opgebouwd uit wederzijdse rechten en eisen. Jezus erkent geen rechten dan de rechten Gods. Hij geeft een ieder de vrijheid zijn eigen rechten kenbaar te maken op zijn wijze en volgens zijn begrippen. Hij erkent staat en kerk, maar is voor zichzelf volledig vrij, ongebonden, zij het dan door de goddelijke wet, die hij in zich erkent. En nu wij verdraagzaam willen zijn, wanneer wij spreken over naastenliefde, dan verliezen wij vaak dit ene, zeer belangrijke punt uit het oog. Wij menen, dat onze verdraagzaamheid ons rechten geeft of ons verheft. Wij menen, dat onze goedheid niet een óns slechts betreffende zaak is, maar dat het iets is, wat door de wereld moet worden erkend en gewaardeerd. Hierin ligt de grote fout van het leven.

Wij hebben geen erkenning nodig. Wij hebben zelfs geen resultaten nodig. Wat dit betreft, wordt tegen Rachel, een vrouw, die Jezus een tijdlang gevolgd heeft, door de Meester gezegd: “Wanneer u iets gelukt wat  ge nastreeft, wanneer gij iets volbrengt, dan is dit het loon voor het streven zelve. Doch wie streeft en niet volbrengen kan, zal de compensatie daarvoor vinden in de Eeuwige, in de Vader.”  Dus Jezus stelt zeer duidelijk; dat het niet gaat om succes in het leven. Het gaat niet om resultaten. “O,” zegt hij: “het is prettig, wanneer zij er zijn. We kunnen er dankbaar voor zijn, maar het is zo onbelangrijk vergeleken bij het streven zelf.” En daar klinkt even de echo van andere wijsgeren uit de oudheid. Wordt niet in het z.g. Klooster van de Put der Wereld in de tijd dat Jezus leeft zelfs nog gedoceerd: “Niets is de mens werkelijk buiten zijn streven. Want het doel, dat men zich stelt, de gedachten en daden, die aan het doel gewijd zijn, zijn werkelijke. Het doel zelve kunnen we niet bepalen. Het is een schim, die verdwijnt in de nacht. Maar het streven blijft werkelijk, altijd. De eeuwigheid is niet gelegen in.de bereiking, maar in de bestreving.”

In Jezus leer klinkt dat steeds weer door. En ook de ware christenen van vroeger tijden zullen, wanneer zij werkelijk christen zijn, daartoe terugkeren. Ik zou daar kunnen noemen Basilius, de monnik, die in Byzantium wordt uitgeworpen, omdat hij weigert gezag uit te oefenen en weigert giften in ontvangst te nemen, tenzij dan om ze onmiddellijk weer weg te schenken. Deze Basilius een vorstelijke titel overigens die Franciscus van Assisi a.h.w voorschaduwt, gaat als een arme dwaas door het land heen. Men weigert hem het recht zich christen of priester te noemen. Maar men vertelt ook, dat waar hij gaat de lente gaat, aangevende, dat de sfeer rond hem er een is van veerkracht, van leven. En dat, terwijl één van de hofschrijvers in diezelfde tijd schrijft: “Als komende uit het graf wankelen deze sombere gestalten naar boven om de keizer met hun doodse dromen te begoochelen.” De somberheid, de gebondenheid zelfs reeds twee- driehonderd jaren na Christus in vele christenen, is de directe verloochening van Christus werken en leven.

Jezus predikt de vreugde, de ware vreugde. Niet het ogenblik van voorbijgaand zingenot of het ogenblik van zelfverheffing. Want hij weet, dat deze dingen ten slotte opgeheven worden door het tegenovergestelde, door mislukking of het schaal worden van de vreugde. Maar het streven, het leven zelve en het aanvaarden daarvan, is een voortdurende vreugde. Wanneer Jezus door de velden gaat, dan is dat een vreugdige tocht. De moderne mens stelt zich Jezus en de apostelen voor als een groep bezadigd voortschrijdende mannen, die al is de weg ook lang en stoffig voortdurend in diepgaande gesprekken gewikkeld zijn. Eerder echter doet hun groep denken aan een aantal kinderen, dat voor het eerst uit mag, die in een rijtuig gezeten of lopende langs de bospaden juichen en lachen en jubelen.…en dan een ogenblik verstomd staan voor een nieuwe ontdekking.

Jezus wijze van doceren is niet de gezapige, galmende preektoon, die zoveel van zijn volgelingen zich hebben eigengemaakt. Jezus vertelt anekdotes. Hij maakt een grap, hij lacht, hij viert feest, hij speelt met de kinderen. Hij troost de groten, maar steeds weer met een zekere blijmoedigheid. In de eerste tijden van het christendom vinden we nog iets van die blijmoedigheid terug in de z.g. communiemalen of communiteitsmaaltijden. Hier komt de gemeenschap samen en verheugt zich. Er is niet alleen sprake van een plechtstatige kerk of een door vroomheid overspoeld avondmaal. Neen, men komt samen, men zet zich aan de lange tafels. Men erkent een ogenblik God en dankt Hem, dat hun dit is gegeven. Men vraagt niet waar het vandaan is gekomen. Het is er. Deze heeft dit meegebracht, gene wat anders. En dan….dan denkt men aan de Meester, die voor is gegaan. Men breekt het brood, men schenkt de wijn. Men spreekt elkander aan met broeder en zuster. Rang en stand zijn vervallen. En denkt ge, dat dan die maaltijd er een is van sombere beslotenheid of van voortdurend vroom gemekker?

Geloof me, bij het eerste christendom zijn de voorlopers van de Begijntjes er ook wel geweest. Maar ze pasten toen nog niet in die omgeving. Er was een vrolijke lach en een scherts. En menigmaal heeft men deze vroegere maaltijden vergeleken met de gelagen der rijken. Niet dat het geheel waar was, want bij de rijken ging het tegen alle wetten. Een maaltijd van de vroege christencommuniteit was de vreugdemaaltijd, die alle wet erkende en beleefde.

Ik geloof, dat wij daar een les uit kunnen trekken, die ook voor uw eigen tijd en uw eigen dagen geldt. Vraag u nooit af: Zal ik bereiken, zal ik volbrengen. Dat is het eerste. Het heeft geen doel om iets te bereiken. Maar het is het doel van het leven om voortdurend te streven, om te bouwen. Men moet niet zeggen: Als ik zover gekomen ben, zal ik rusten. Men moet zichzelf zeggen: Uit elk doel groeit een nieuw doel, omdat uit elke kleine onvolmaaktheid steeds weer een grotere volmaaktheid gebouwd kan worden; omdat bij elke schrede omhoog op de trap, die naar de hemelen leidt, we een uitzicht krijgen over de wereld zoveel groter, dat we verder moeten gaan om nieuw begrip en nieuw besef te verwerven. En we moeten wel begrijpen, dat onze tocht er niet een kan zijn van vrome statigheid.

In het leven is de vreugde geschapen evenzeer als het leed. De vreugde is een gave Gods. En degenen, die menen, dat men de vreugde moet afwijzen of beperken ter ere Gods, dat zijn de dwazen, die Gods gaven zelve verwerpen. In onszelf kennen we Gods wet. Tegen die Wet zullen we geen vreugde zoeken, maar we zullen haar aanvaarden. En wanneer het ogenblik komt, dat wij met anderen tezamen zijn en daar iets voelen van de Meester of van de weg, dan is het belangrijk, dat we rang en stand laten vallen. Zolang er in een christendom een priester is, die zich verheft boven de gemeente; zolang er een verschil is tussen de rijke in de voorste banken in de kerken en de arme, die maar moet staan in een hoekje, kan er geen sprake zijn van waar christendom en ook niet van een waar broederlijk streven, van een werkelijke naastenliefde.

Wanneer het gaat om een dienst, wanneer het gaat om het begin van de maaltijd, natuurlijk, dan is daar de oudere, de wijze, die het recht heeft om de vergadering te openen. Want iemand moet het toch doen. Maar in dit openen, in dit tijdelijk voorzitter zijn, ligt gelijktijdig zijn plicht om alle anderen te dienen. In de moderne tijd denkt men, dat priesterschap, wijsheid, rang, voorrechten zijn, waardoor men dienst kan eisen. Het is precies omgekeerd. Hoe meer men doordringt in de werkelijke wijsheid, hoe meer men zich bewust wordt van de broederschap en de gemeenschap, hoe meer men dienen moet. En zij, die het hoogste stijgen, zullen de nederigste dienaren zijn. Zoals Jezus zelf toch de voeten van zijn discipelen waste om hun te tonen, dat hij nederig was, dat hij een zich gevoelde met hen en evenzeer dienstbaar kon zijn als ieder ander.

De wetten van het christendom, vrienden, zijn wetten, die heel wat verder grijpen dan een beperkte kerk. Het zijn wetten, het zijn leringen, die met de praktijk van het menselijk leven nu niet veel te doen hebben. Het zijn de wetten van het innerlijk. Het is de weg, die van binnenuit voert. Het is de weg, die het innerlijk steeds meer versmelt met de wereld en uiteindelijk met de Schepper Zelf.

Wanneer wij dan op deze morgen trachten om iets te overzien van dit christendom, dan geloof ik, dat we daar toch wel in de eerste plaats een lering voor onszelf uit mogen trekken. En dat is deze: Vraag u nooit af: Wat zal ik bereiken? Vraag u af: Zal ik kunnen blijven streven? Vraag u nooit af: Dient een ander evenals ik? Vraag u slechts af: Mag ik dienen en kan ik in dit dienen de vreugde vinden van de verbondenheid? Vraag u nooit af; Wie heeft gelijk of wie heeft ongelijk? Maar zeg tot uzelf: In mij is een streven naar waarheid. Dit streven is het dat belangrijk is boven alle dingen. En ten laatste: Zeg niet: De wereld heeft recht op mijn liefde; of: ik heb recht op de liefde van de wereld. Zeg alleen maar: Ik wil mij één gevoelen met God, één zijn met de Vader, dat is de volbrenging van al hetgeen de wereld ooit als begeerlijk of belangrijk zal zien, Dan kunnen er werkelijk gemeenschappen bestaan, die het heden als communisten zou bestempelen. Gemeenschappen, die echter niet gebaseerd zijn op dwang, maar op de vrije dienstbaarheid, de grootste vrijheid, die gegeven is aan de schepselen. De vrijheid om naar eigen verkiezing God te aanvaarden en te dienen, zowel in Zijn Wezen, hoog verheven, als in de schepselen, waarin Hij Zich openbaart.

Dat is de waarheid van het christendom. En wanneer we de volgende keren ook weer dergelijke onderwerpen aansnijden, dan hoop ik, dat u zich dit ene dus van vanmorgen zult herinneren: christendom is een innerlijke toestand, geen leerstelling. Jezus leer is geen leer van uiterlijkheden, maar van innerlijk streven. christendom is geen leer van bereiking, maar van het leven zelf, van het zoeken eerder nog dan het vinden. Want het zoeken houdt het vinden in, zoals het vragen het bereiken inhoudt. Voor ons is het zoeken belangrijk. De vraag en bereiking vinden, dat zijn delen van de goddelijke Kracht, waarover wij niet kunnen beslissen.

o-o-o-o-o

Het is herfst, al heet het misschien officieel nog zomer. Als u door de bossen heengaat, dan kunt u wel zien, hoe de late spinnenwebben als verzilverde mazen hangen tussen de bomen, en hoe de zwerfdraden als vreemde glinsterende engelenharen door de ruimte heen zweven, zoekend naar een plaats om zich te hechten. De zon wordt bleek en de bladeren verliezen hun groene eenheidskleur om langzaam maar zeker in een laatste uitbarsting van schoonheid zichzelf te verven met rood en vermiljoen en goud en bruin.

In deze herfstelijke wereld denkt de mens onwillekeurig terug aan de zomer. Hij vraagt zich af, of de rijkdommen, die nu op het veld staan, drogend in de laatste stralen der zon, een volgend jaar weer zullen komen. Hij spreekt over de zonnedagen toen de volle warmte hem haast bevangen had en de wateren zoel en zoet waren en de wind ten hoogste fluisterde van tropische oorden.

De herfst is niet alleen een jaargetijde. Herfst is het ook op het ogenblik in de wereld van de mensen. Herfstig spreekt men over de goede oude tijd. In de herfst tonen zich plotseling de schoonheid en de bereiking, die in het verval zelve gelegen zijn. Groot en machtig is de wereld geworden. De steden gaan nog hoger op dan ooit te voren. En zoals in de bosgrond soms de elfenkringen rijzen, getekend door de paddenstoelen, zo schijnen plotseling in de wereld allerhande belangrijke conferenties in groepen uit de grond te springen. De webben, die in het bos hangen, ach, zij zijn de schitteringen van de techniek, die de mens zelfs omhoog zou willen slingeren tot ver achter de laatste planeten, op een weg naar nieuwe sterren.

Herfst is de tijd der mensen, want oud: begint deze mensheid te worden, al is ze nog zo jong. Vergrijsd, beroept zij zich op wat het verleden heeft gebracht. Niet is er de nieuwe veerkracht, het zelf doen en het zelf zoeken. Eerder gezapig zich steunen op wat anderen volbracht hebben; op wat men meent uit anderen te begrijpen. Mogen wij, met deze tendens meegaan? Ik weet het, er bloeien nog vele wonderlijke bloemen in deze wereld. Er is schoonheid, er is pracht en geur. Maar weten we niet, dat ook wanneer de herfst komt en de zon nog voor het laatst haar kracht toont, soms planten openbarsten als ware het lente? De bloemen van deze tijd, ze zijn als de bloemen in de herfst, die denkende nog aan lente zo dadelijk ondergaan in de eerste nachtvorst, verbruinend en vergrijzend, verschrompelend, totdat ze niets zijn.

Deze wereld begint haar nieuwe cyclus. Reeds wordt de barre, kille adem van de winter kenbaar, als de wind, die ‘s nachts voor het eerst de bijtende vorst aandraagt en die de wereld plotseling stil en sterk doet staan in de nacht in het blauwige licht van de maan, terwijl overdag nog de herinnering aan de zomer voortleeft. Oorlog en krijg, crisis en conferenties, nood en nieuwe ziekten, ze zijn op de wereld overal kenbaar geworden. De stormen van de herfst zijn reeds enkele malen losgebarsten. En er zal nog wel meer storm komen, want alle dode hout, restant van een vergane zomer en bloei van een vorige periode, zal moeten worden gebroken en weggeruimd. Denk niet, dat dit jammerlijk is. Want wat kunt gij, mensheid, de top van uw bloei, de rijkdom van de oogst bereikt hebbende, nog verder verwachten buiten een verschraling en een verarming zonder eind?

Nieuwe tijden gaan er komen. Tijden, die bar zijn en strak. En toch met een eigen schoonheid. Want wanneer eenmaal de winter komt, dan bant ze eerst in modderige poelen alles vast. Dan lijkt het, of je niet meer verder vooruit kunt komen, of alles vastloopt in een moeras. Een moeras, dat niet zo ver weg is. Moeras van de zelfzuchtige beredenering, van het onbegrip, van de spraakverwarring, die aan een oud Babel gelijk komt. Dan….komt er de kille wind. De vogels vluchten weg en hun zang klinkt alleen nog een enkele keer in een tjilpende roep. De bomen laten hun bladeren los. De wereld blijft kaal. Maar als er dan eenmaal een witte deken komt van sneeuw, al is het maar voor een enkel ogenblik, dan is die wereld herboren in een haast sceptische reinheid. Het is of de wereld ontsmet wordt. Ook deze wereld zal ontsmet worden. Deze wereld, die aan het decadente toe gekomen nu eindelijk in haar verstarring en lusteloosheid haar ziekten zal moeten prijsgeven.

De mensheid, die het zwakke heeft opgekweekt en behoed, zoals een zomer, die in een spel van regen en zon zelfs de zwakste gewassen nog in stand houdt en zelfs de lijdende boom nog de mogelijkheid geeft om blad te schieten. Die tijd is voorbij. Onbewust nog van het komende speelt de mens in de herfst, alsof het nog zomer is. De winter is dichterbij, dan u denkt. Want het nieuwe getij, het nieuwe teken, de nieuwe weg hebben zich reeds geopenbaard. Reeds op dit ogenblik gaan de vreemde geestelijke trillingen uit, die een nieuwe leer, een nieuw bewustzijn wekken. Reeds nu wordt overal geopenbaard, dat het oude teneinde is; dat de vernieuwing nabij is. De oude structuur kraakt, wankelt. De nieuwe structuur rijst steeds sterker, zonder dat men haar waarde thans nog begrijpt. Want het is een skelet, onbekleed nog, kaal en mager. De wereld hervormt zich, geestelijk en stoffelijk. Uit de werelden van de geest worden nieuwe wezens geboren op deze wereld. Geesten, die anders zijn, die ander bewustzijn en streven kennen dan de geesten, die tot nog toe incarneerden. De grote massa, die in een stortvloed nog in het laatst van deze periode op de wereld wilde bestaan, zal langzaam maar zeker heengaan. En wat er overblijft, is het nieuwe, het harde, het reine.

Wanneer de tekens der sterren wisselen, wanneer nieuwe Heren het bestier op zich nemen over zon en wereld, dan wordt er een nieuw rijk geboren. Het rijk, dat thans geboren wordt, is dat van geest en wijsheid. Niet zoals gij denkt misschien. Want in het heden zal men dit rijk het rijk der anarchie willen noemen. Het is het rijk van de vrijheid, die zich beperkt door bewustzijn en begrip. Het rijk van de verantwoordelijkheid, die zozeer wordt beseft, dat ze een rem is op elke bestreving, die onjuist is. En dan….dan zullen wij in de geest misschien, of in de stof een ogenblik nog levend, voordat de barheid van de komende tijd ons vernietigt kunnen zeggen; “Ziet, hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar de waarheid en de liefde van de Schepper is onveranderlijk. Want in alle dingen, die op dit ogenblik gebeuren, kan men zien, hoe God Zelve met nood en met zorg, met menselijk onbegrip polijstend werkt aan hetgeen afgelopen tijden hebben geschapen.

Dit is de tijd der voleinding, de afwerking. Dat, wat nu zichtbaar wordt voor uw ogen als wetenschap, als filosofie, inzicht in de mens, begrip van wereld en ruimte, dat is lange, lange jaren voorbereid. Dat werd als schaduw neergelegd in het geloof van het verleden. Dat werd ruw reeds gevormd in de schijnbaar boertige tijden der middeleeuwen. Het is of de meester ruw de vorm gehouwen hebbende, thans de beitel zet om met scherpe lijnen aan te geven: dit is het wezen, dat ik geschapen heb.

Wat blijft ons dan, wanneer deze tijd voorbij is? Een beeldje misschien van onvergelijkelijke schoonheid, ergens geborgen in een nis aan de kathedraal der schepping. Maar het is goed te weten, dat dit voltooiing is, voleinding, oogst. Het is goed te beseffen, dat voor ons de stoffelijke normen van het heden dra voorbij zullen zijn. Juist het bewustzijn van een nieuwe tijd, die nu groeit, het bewustzijn, dat we geestelijk reeds mogen streven naar iets, dat nog niet op aarde kan bestaan, te weten, dat wij thans reeds het zaad zijn, dat in de herfst wordt verzameld en zorgvuldig bewaard, opdat het in de lente vrucht zal dragen, is toch wel een reden tot vreugde.

Er zullen tijden van verwarring komen. Tijden, dat u zich afvraagt: Waar moet het naartoe met deze wereld? Dat u zich afvraagt: Is dan een ieder waanzinnig geworden? Denk dan aan deze waarheid: “Er is een nieuwe wereld geboren.” Een nieuwe kracht heeft de eerste woorden reeds gesproken. Geestelijke golven van vernieuwing gaan reeds nu over heel de aarde. Achter het goud en het zilver, waarmee verblindend de maatschappij zich dekt, achter de pleister, die het graf is van de oude tijd, bloeit het nieuwe op. Het nieuwe leven, de nieuwe mens, het nieuwe bewustzijn, de nieuwe aarde, die zich een nieuwe hemel zal bouwen. Een hemel, mijne vrienden, die meer waar is en meer reëel. En als zegel: de mens zal de macht verkrijgen om te spreken met de geest. Niet slechts door middelen en mediums, maar vrij en onbeperkt. De mens zal de macht krijgen om het microleven, dat hem thans bedreigt, ja, dat vele verliezen zal veroorzaken van mensenlevens door zijn onbegrepen nieuwe vormen, te regeren. Niet meer als vijand maar als broederlijke dienaar in de microkosmos voor de mens, die streeft naar bewustzijn van een grote kosmische wet.

Er ligt een belofte. Een belofte, die reeds nu haar vervulling nabij is. Wanneer de tijd komt van de Heer, die techniek en geestelijk inzicht vereent, de Heer, die geest en stof samensmelt tot nieuwe volmaaktheid, dan zullen de sferen juichen, dan zal de aarde de nieuwe trap van bewustzijn kunnen betreden, die haar maakt tot meer dan alleen maar een school, waarin geworsteld wordt. Dan zal deze wereld van thans zijn geworden de werkplaats, waarin de leerling zijn meesterstuk vervaardigt, opdat hij in kan gaan in de Raad van de Goden

Ik hoop, dat ik u niet verveeld heb met dit beeld. Maar juist nu de verwarringen weer op komst zijn in de wereld, juist nu men zich gaat afvragen: Waar moet het eigenlijk heen? Is het misschien goed hieraan te herinneren. De nieuwe tijd is zeer nabij.  Ook wanneer eerst nog een winter komt, voordat de wereld opbloeit in haar nieuw bewustzijn.