Waarheden gedoceerd in de sferen

15 juni 1958

Ik zou vandaag weer graag met U willen spreken over enkele waarheden, die bij ons worden gedoceerd in onze eigen sferen. U zult begrijpen, dat het mij niet mogelijk is U een volledige uitdrukking te geven van al wat wij daar leren, maar er zijn toch altijd weer bepaalde punten, die ook op aarde nuttig en belangrijk kunnen zijn.

Allereerst een ogenblik over de zin van het leven in de hoop, dat deze onaardse beschouwingen misschien een aanvulling kunnen zijn op de beelden, die U zichzelf aan de hand van lessen en door eigen denken daarvan heeft kunnen maken.

Een van onze grootste meesters zegde ons, dat de zin van het leven is; te zijn zo volledig, als “zijn” slechts beleefd kan worden. Want slechts door te zijn kunnen wij God kennen. Het is niet de wijze, waarop wij daden volbrengen, die bepalend is, noch de wijze waarop wij werkzaam zijn. Het is een toestand in onszelf, de intentie, waarmee wij alle dingen volbrengen, die bepaalt, hoe snel en hoe dicht wij God kunnen benaderen. Er wordt hier dus uitdrukkelijk een verschil gemaakt tussen intentie en resultaat. Dat zal begrijpelijk zijn, wanneer U weet, dat volgens de leringen, die wij krijgen, een groot gedeelte van het bestaan is vastgelegd of althans ten dele is vastgelegd.

Wij kunnen wel – als individu natuurlijk – onze eigen wegen kiezen en gaan, maar wij kunnen niet het totaal der dingen veranderen. Misschien zeg ik U dit het beste met wederom de woorden van een van onze leraren; “Wanneer je een daad stelt, dan kun je met die daad geen verandering in het goddelijk plan teweeg brengen. De gevolgen van deze daad zullen altijd weer zo zijn, dat zij het goddelijke plan verwerkelijken en niet, dat Uw eigen bedoeling verwerkelijkt zal worden.”

Het goddelijke plan strekt zich uit over alle werelden en sferen en zal zich zelfs tot in details daarmee bezig kunnen houden. Volmaaktheid betekent ook een volmaaktheid van aandacht. Zo zullen alle gebeurtenissen voortvloeien uit God. Maar wij, die deze gebeurtenissen doormaken, beschouwen ze op onze eigen wijze. Wij zien daarin niet de volmaaktheid, noch de volheid van liefdekracht. Wij ondergaan, nemen onze besluiten en stellen ons oordeel. Naarmate wij meer weten van God, zal ons oordeel juister zijn en zal dus het gevolg van de daad meer in overeenstemming zijn met de intentie. Doch de intentie, waarmee wij de daad stellen, betekent de wijze, waarop wijzelf deel hebben aan het geheel voor ons, in onszelf en ook in de ogen Gods.

Wanneer gij neergaat tot een duistere sfeer en gij tracht te helpen, dan zal men U soms verwerpen of niet willen zien. Treur daarom niet. Het gaat niet om het verlossen, het gaat om het feit, dat gij de verlossing tracht te brengen. Dit alleen is belangrijk. Hier ligt dus de grondgedachte in, dat onze aanvaarding van het leven, de wijze waarop wij in dit leven steeds weer het voor ons aanvaardbare en goede tot werkelijkheid maken, de zin uitmaakt van het bestaan. Alleen daardoor kunnen wij tot volmaaktheid komen. En volmaaktheid schijnt voor ons niet uitgesloten te zijn. Want – en dan citeer ik maar weer -; vele onvolmaaktheden tezamen gevoegd kunnen een grote volmaaktheid vormen. Vele schijnbaar onbelangrijke dingen beslissen samen het lot van werelden en sferen. Wij zijn het kleine, onze daad is het kleine; en uit de vele kleine handelingen en daden, de kleine bestrevingen, die ons lot – in welke wereld ook –  beïnvloeden, vormen wij voor onszelf uit het onvolmaakte het volmaakte. Uit de vele gebeurtenissen, die ten slotte een beleving zijn van een waarheid in schijn, maken wij voor onszelf de waarheid zelve; en de waarheid in ons is de volmaaktheid.

Het is misschien moeilijk U dit allemaal zo voor te stellen. Ik kan mij indenken, dat het U zeer abstract klinkt en wereldvreemd. Toch meen ik, dat deze beelden in Uw eigen wereld van even groot belang zijn. Want indien een ieder zijn wil in het streven zou kunnen verwerkelijken, een ieder de gevolgen zou kunnen bepalen van elke daad, volledig en geheel, hoe zou men dan in staat zijn om nog een wereld te zien, waarin enige orde, enige werkelijkheid bestaat? Het is juist de kracht van buitenaf, die aan Uw wereld de werkelijkheid schenkt. Het is het licht, dat alles doordrenkt, wat in onze sferen de werkelijkheid bepaalt, Eerst tegen de achtergrond van de goddelijke wil en de goddelijke wet, krijgt ons leven en bestaan reliëf? krijgt het inhoud en betekenis; kunnen wij ervaren.

De ervaring is voor ons het allerbelangrijkste punt. Wie niet ervaart, zal misschien weten, maar nooit beleven. Wie niet beleeft, erkent dus ook een deel van het Goddelijke niet en alles behoort daartoe. Door alle levens heen zullen wij een onvoorstelbaar grote reeks van daden moeten volbrengen, opdat in ons een onvoorstelbaar grote reeks van belevingen kan groeien tot een geheel, dat God waardig is en ons de erkenning van Zijn wezen mogelijk maakt.

Teruggrijpende weer naar hetgeen mijzelf geleerd is; “Al datgene, wat gij goed noemt, zult gij eens volbrengen en al datgene, wat gij kwaad noemt, zult gij ook volbrengen, al noemt ge het misschien in die periode goed. Want wij zullen de tegenstellingen van het Al beleven en in deze tegenstellingen ons eigen wezen kennen. Uit het kennen van het eigen wezen groeit het bewustzijn omtrent de Bron van alle krachten.”

Een wat wonderlijke stelling ongetwijfeld in de ogen van de vele moralisten, die op aarde leven. En vergeet niet, dat ook de aarde mettertijd zijn begrippen van goed en kwaad wijzigt, dat ook de mensheid zelve voortdurend onderhevig is aan een verandering van maatstaven. Deze maatstaven veranderen niet, omdat de mens zelve verandert, maar omdat de behoefte van de mens verandert. En de mens in zijn behoefte tot beleven tracht datgene, wat voor hem een noodzaak is, goed te noemen; datgene echter, wat voor hem niet noodzakelijk is of wat hem op dit ogenblik in zijn voorgenomen belevingen schijnt te hinderen, zal hij kwaad noemen. Alle leven op de aarde en alle leven in de sferen is gebonden aan deze voortdurende wisseling. Uit eigen ervaring kan ik U hier misschien een kleine illustratie aan toevoegen.

Wanneer je leeft in een wereld van vormen, ook wanneer dit een vrije wereld is, een wereld in de geest, dan is het belangrijk voor je, dat elke vorm zijn schoonheid heeft. Dan schep je voor jezelf bloemen en bossen; dan maak je voor jezelf weiden van een onvoorstelbaar diep groen; je speelt met de gedachten van wolken in de wind en bergen aan de horizon; en je meent, dat het slechts zo goed is om te zijn.

Dan komt de dag, dat het eigen ervaren verzadigd is, dat geen nieuwe beleving meer mogelijk is in deze beperking door vormen aangebracht. Dan verwelken de bloemen, dan wordt het gras somber en bruin, verwaast als door een mist, die langzaam optrekt als een nevel, die ten hemel gaat. Dan zijn de bergen plotseling niet meer aanwezig en datgene, wat je eerst vermeden hebt, de volle felheid van het licht, werd het enige, waarnaar je streeft.

Maar ook het licht kent een ogenblik van verzadiging. Het wezen, doortrild van licht, kan geen licht meer aanvaarden. Het wordt stil en rustig en je gaat tot aan de afgronden, waardoor de stroom van de tijd gaat. Je stort je in de duistere wind van jaren om misschien te incarneren of te leven met wezens op een andere wereld of zelf een wereld te zijn. En dan – uit de tijd en de opeenstapeling van gebeurtenissen – keer je terug tot een tijdloosheid. In de stille ruimte vergaar je opnieuw krachten, tot ook dit geen betekenis meer heeft en je eigen wezen terugroept naar de mensheid, terugroept naar de onvolmaaktheid, naar de geest, die in de duistere sferen leeft.

Dan ga je gewapend met je licht in die andere werelden en eerst daardoor krijgt het hernieuwd betekenis. Dan ga je met je stille vrede en je kracht naar die oorden, waar geen vrede is, en eerst daardoor beleef je de vrede, die in jezelf leeft.

Dit is een feitelijke ervaring. Zoals, ik dit heb meegemaakt, maken ongetelde miljoenen van zielen dit mee. Zoals ik het U beschrijf, zult ge het eens zelf moeten doormaken. In een voortdurende wisseling van tegenstellingen, ligt de belevingsmogelijkheid van het bestaan. In het voortdurend vinden van de krachten, die voor ons noodzakelijk zijn, kunnen wij komen tot een groter begrip omtrent de werkelijke Kracht, waarbinnen wij leven. Niets is op de wereld belangrijker dan ten goede te streven volgens je eigen begrip. Niets is belangrijker dan de schoonheid te kennen van je eigen wereld, altijd weer. Niets is belangrijker dan te aanvaarden en te verwerpen, want in deze dingen wordt het bewustzijn geschoold; in deze dingen groeit het leven in jezelf uit, totdat het in staat is vele werelden en sferen gelijktijdig te omvatten. Eerst wanneer je – zelve de absolute vrede kennende – de onvrede van de mens kunt begrijpen, eerst wanneer je in het ongevormde de schoonheid en waarde van elke vorm kunt gaan beseffen, leef je werkelijk.

Het is geen droom, het is iets wat op ons aller pad ligt. En zoals ik leringen krijg van hen, die verder zijn gekomen dan ik, zoals ik krachten kan verkrijgen van hen, die groter kracht zijn dan ik, zo zult ook gij op Uw tijd lering krijgen in alle wereld en alle sfeer. Ge zult in contact komen met geesten, die verder zijn en zo geprikkeld worden tot een nieuw beleven, een nieuw ervaren.

Het beleven en ervaren is een noodzaak. Geen enkele meester, geen enkele oudere broeder kan mij maken tot meer dan ik ben. Ten hoogste kunnen zij mij voeren tot een nieuw beleven, tot een nieuw zoeken, tot een nieuw aanvaarden van een wereld. En eerst. daarin zal ik groeien.

Er is mij eens gezegd; “Je droomt van het leed der duistere sferen. Droom niet. Erken het geluk van je eigen wereld; erken je leven met zijn inhoud en denk niet aan hetgeen wat had kunnen zijn, maar aanvaard, wat is. Doch wanneer het duister je belast, ga naar de duisternis en verdrijf de duisternis, zo je kunt.” “Erken in de duisternis je eigen licht. Eerst dan heb je betekenis.” Ik heb dit gedaan en ik ben gekomen tot een stille vrede, tot een groots bewustzijn, dat het mij mogelijk maakt hier met U te spreken en toch te leven in mijn wereld, zo lichtend, zo zuiver en zo helder. Maar indien gij er niet zoudt zijn om toe te spreken, ik vrees dat het licht van mijn wereld zou doven, want slechts in U kan ik het licht erkennen, dat in mijzelf leeft. En door U het licht te geven, dat in mij leeft, maak ik het licht, dat voor mijzelf bestaat, groter.

Zoals mijn grootste meester zegde; “Alle dingen zijn één, verweven, tot een onverbreekbaar geheel. Er is geen werkelijke scheiding tussen wat je ziet als de diepste hel en de hoogste hemel. Er is geen scheiding tussen mens en geest. Er is geen scheiding tussen geluk en ongeluk, vrede en onvrede. Alles is één. En door het één te ervaren verwerf je het andere en zo gaat het steeds verder. Naarmate je verder kunt doordringen in de diepten van de wereld, in de diepten van de duisternis, zul je hoger kunnen stijgen. Stijgen, niet weg van deze wereld, maar stijgen door deze werelden meer te omvatten en in jezelf tot eenheid te brengen.”

Vrienden, alle leven is gebaseerd op datgene, wat je beleven kunt en moogt. Het is onze taak dit beleven op de juiste wijze te zoeken. Maar wanneer U mij toestaat om voor een kort ogenblik deze leringen dan over te zetten in aardse termen en begrippen, dan klinken ze als volgt:

Ge leeft in Uw eigen wereld en de meesten Uwer leven slechts vanuit hun eigen standpunt. Maar wie slechts – uit zichzelf levend – alleen zijn eigen standpunt wil bezien, die zal te allen tijde in het leven verstompen en versuffen. Het leven zal zijn inhoud verliezen. Eerst in de contrasten ligt de rijkdom van het leven. Daarom moet je in je leven het contrast weten te zoeken.

Ben je rijk, geef niet slechts de armen, maar dien de armen. Ben je arm, aanvaard niet slechts je noodlot, maar zoek de steun en de hulp van de rijken, totdat je in staat bent je armoede te verdrijven. Ben je eenzaam, zoek dan de volheid en de menigte en tracht in haar op te gaan. Tracht het contact met de mens te beleven in zijn intensiteit, opdat je weet wat het is met mensen gebonden te zijn. Zo eerst krijgt je eenzaamheid andere waarden. Ben je gebonden in de volheid van een leven, dat je weinig rust laat, zoek wat eenzaamheid, want eerst, wanneer je eenzaam bent – al is het maar voor een kort ogenblik – kun je begrijpen, wat dit leven van je aan inhoud heeft. Je moet altijd bereid zijn om het tegengestelde van je eigen wezen in overweging te nemen. Je moet altijd bereid zijn althans je te realiseren, wat er naast je eigen zienswijze, je eigen denken bestaat. Ja, wat meer is, je moet trachten die zienswijze voor een ogenblik te beleven.

Wanneer ge Uzelf christen noemt, dan zondert ge U meestal af van grote delen van de wereld. Maar eerst wanneer ge weet, hoe het is in een wereld te leven, die bezield is aan alle kanten, waarin demonen je van alle kanten dreigen, begrijp je wat de vrede en de waarde van het christendom is en zul je het in praktijk brengen tot het einde toe.

Ge meent misschien, dat het U slecht gaat? Het zou goed voor U zijn een ogenblik – wanneer het mogelijk is – te leven in de hutten van de allerarmsten, opdat ge Uw rijkdom zult kennen. Ge meent, dat ge Uzelf onthecht hebt aan de wereld? Tracht een ogenblik alle dingen, die ge normaal doet, achterwege te laten en ge zult zien, hoezeer ge nog gebonden zijt. Dat zijn punten, waaraan ge niet kunt ontkomen, ook in Uw eigen bestaan niet.

Er is nu eenmaal geen enkele andere weg, dan de beleving en de ervaring en wanneer wij in die beleving en ervaring dan voort streven, laat ons dan verstandig zijn. Want datgene, wat U vandaag beleeft, datgene, wat ge in jaren hebt beleefd en doorgemaakt, de gedachten, die U soms beheersen, ze zijn door ongetelde anderen gedacht en beleefd; ongetelde anderen zijn beheerst door dezelfde denkbeelden. Zij weten, omdat zij zich hebben kunnen bevrijden hieruit. En ze kunnen U de richting wijzen, waarin Uw beleven moet gaan, om voor Uzelf een grotere vrijheid te vinden. Aanvaard nooit de lering als een weten, dat op zichzelf rechten schept, of op zichzelf U verbetert; maar betracht alle lering steeds weer uit het standpunt van een richtlijn, U gegeven om binnen Uw eigen mogelijkheid en door Uw eigen besluiten tot een beleven te komen, dat de waarheid van Uw wezen sterker openbaart.

Ach, ik vertel het allemaal, vrienden, en U hebt het misschien al wel duizend maal gehoord, maar misschien moet U eerst in onze werelden zijn om te beseffen, hoe belangrijk dit alles is.

Wanneer U zoudt kunnen vliegen met de wind, gaan over het water en over het land, het ene ogenblik stijgend in het licht van de zon, het volgend ogenblik dalend in de kilte van zware wolken, dan zoudt U misschien weten, wat de vrijheid van de atmosfeer kan betekenen. De vrijheid alleen al van een niet meer gebonden zijn aan vaste vormen, een niet meer gebonden zijn aan die trage aarde, die je vasthoudt en zelfs, wanneer je een ogenblik probeert aan haar te ontsnappen, je altijd terugtrekt met haar haast verpletterende zwaartekracht. Alleen wanneer je die dingen beleeft, wanneer je ze tot werkelijkheid maakt, ja, dan kunt U misschien iets begrijpen van onze wereld en het belang, dat deze dingen hebben.

Er zijn bij ons enkele meesters, die men wel de meesters der goddelijke liefde noemt. En hun leringen ontrukken je eigenlijk zelfs aan je eigen sfeer en wereld. Het is een gevoel, een intens doorleven eerder nog dan een reeks van woorden. Toch wil ik mij verstouten om – voordat ik afscheid van U neem – enkele van hun leringen aan U weer te geven, voor zover mij dit toegelaten is, voor zover ik dit in menselijke woorden kan uitdrukken.

“Alle dingen leven. Niets is dood en niets ontbloot van een wezen en bewustzijn, waarin onze Schepper, onze Vader leeft. Zo is er niets, wat ons vreemd is, want in de Vader zijn wij één met alle dingen. Laat ons deze eenheid niet verwerpen, laat ons niet oordelen en zeggen; Dit is onnut en dat is nuttig. Laat ons niet trachten van uit onszelf de wereld te delen volgens begrippen van geest of mens. Wij moeten aanvoelen, hoezeer wij één zijn met alle dingen.

Eén met het gestorven hout, waarvan de stoel is gemaakt. Hout, dat U dient, dat absorbeert van Uw leven en gedachten, dat verwerpt misschien, evenzeer als gij verwerpt. Een met de bloemen, die vreemd van de bron van hun leven staan te dromen en misschien te sterven in de vazen in Uw kamer, maar die met hun schoonheid U vreugde geven en uit Uw vreugde een groter leven weten te putten. Eén met de dieren; de dieren, die stom zijn misschien en geen menselijke woorden kennen, maar die zo intens Uw gevoel kunnen ondergaan. Probeer ook met hen mee te voelen.

Probeer te begrijpen wat de aarde betekent, die U draagt. De aarde, die leeft in Uw wezen. De aarde, waaruit gij zijt voortgekomen. En probeer dan te beseffen, hoe gij, evenals die aarde, ongekende levens in U draagt. Hoe gij, evenals die aarde, een aaneenschakeling zijt van steeds weer wisselende perioden, steeds weer wisselende tijden. Misschien dat ge dan een ogenblik in een bewustzijn van tijdloosheid het één zijn ziet van Uw eigen “ik” met de eerste mensen en de grote monsters uit de oertijd; met het laatste leven, dat met het laatste licht van de zon verklankt, wanneer de aarde eenmaal kaal zal zijn.

Eén met de vreemde vreugden van hen, die zich bezighouden met wat U verwerpelijk of onnutte bezigheid lijkt. Een met hen, wier daden gij veroordeelt, zowel als één met hen, die gij bewondert; met hen, die ge zoudt willen navolgen. Gij zijt één met alle dingen. En in deze eenheid leeft God in U.”

Hoe schieten woorden tekort, wanneer je wilt trachten om dit, wat van binnen leeft, in woorden weer te geven, vrienden. Hoe meer ik tracht U te leren, hoe meer ik mij bewust word van mijn onvermogen tot leren, en hoe meer ik mij één kan voelen met mijn leraren, die zich in mijn onbegrip en hun eigen onvermogen ongetwijfeld wederom bewogen voelen om verder te gaan tot een andere wereld en een hoger streven; en weer terug te keren, desnoods tot nog lager gebieden, om daarin toch weer hun wezen uit te drukken.

Eens meende ik, dat mijn leven toch te onvolmaakt was om God op dit ogenblik te kunnen aanschouwen. En één van deze meesters van liefde zegde mij; “Mijn kind, weet ge niet, dat het alleen Uw eigen verblindheid is, die U belet de Waarheid te zien, de Schepper Zelve? Want al wat ge hebt gedaan, al wat ge U thans verwijt, was deel van Zijn wezen. Zonder Hem hadden deze dingen niet kunnen bestaan. Aanvaard! Aanvaard God! Aanvaard Uw leven en Uw zijn. En de schoepen vallen U van de ogen en ge zult zien en ge zult weten.”

Toen ben ik mij van mijn eigen onvermogen bewust geworden. Mijn onvermogen om te aanvaarden. En nu, vrienden, zoek ik naar aanvaarding en de mogelijkheid om alle dingen te accepteren. Om in alle sferen en werelden te werken, niet alleen van uit mijzelf maar van uit alle krachten, die daarin leven. Wanneer ik dat volbracht heb, dan hindert het niet in welke wereld ik leef of besta, dan ben ik één met God en zijn alle werelden slechts een schijn, die overblijft.

Ik weet niet, of ik geslaagd ben of gefaald heb. Ten dele althans het laatste. Maar misschien dat ik in dit falen weer de weg vind om U een andere keer duidelijker en intenser te doordringen van de werkelijkheid van het leven en het lot. Van de werkelijkheid van een God, Die meester is in alle dingen. Die alle dingen schept en in stand houdt en waarbinnen wij met ons willen slechts bepalen, hoe wijzelf tegenover de dingen zullen staan, maar niet hoe zij zullen verlopen in het geheel der gebeurtenissen.

o-o-o-o-o

Laat mij dan maar beginnen met te stellen, dat ik de tegenstelling ken. En dat is ook hierin noodzakelijk, al zoudt U misschien graag verder dromen in de sfeer, die mijn voorganger voor U heeft opgebouwd. Want, mijne vrienden, deze dingen die hij zegt, zijn wel allemaal waar, maar per slot van rekening voor een mens bestaan er veel beperkingen. En hetzelfde is voor een geest in menige sfeer evenzeer waar. Laten wij daarom eens een ogenblik de stemming van gewijdheid verwisselen voor die van nuchterheid en laten wij hetzelfde onderwerp nu eens gaan bekijken van uit een simpel, nuchter en eenvoudig standpunt.

Je moet leven in de tegenstellingen. Eerst door het kennen van het tegendeel van wat je bent, kun je jezelf leren kennen. Akkoord, onmiddellijk akkoord daarmee. Maar….hoe kan ik de tegenstelling van mijzelf leren kennen zonder tegelijkertijd dat, wat ik ben, tijdelijk prijs te geven? Het is natuurlijk eenvoudig om te zeggen; “Je moet één kunnen zijn, zelfs met een moordenaar.” Maar om die eenheid te bereiken zou je soms zelf een moord moeten begaan en dat is natuurlijk onaanvaardbaar.

Je kunt zeggen; “Ik ben rijk, ik wil een zijn met de armen.” Dat is nog wel mogelijk. Maar hoe moet je, als je arm bent, één zijn met de rijken? Dat is in de wereld over het algemeen heel moeilijk tot stand te brengen. Je kunt natuurlijk zeggen; “Wanneer je eenzaam bent, zoek contact met de mensen.” Maar dat is niet zo gemakkelijk, wanneer die eenzaamheid een eigenschap van jezelf is. En wanneer je gebonden bent door allerhande sociale verplichtingen, door banden met mensen aan alle kanten, hoe zul je dan in staat zijn de eenzaamheid te vinden?

De theorie is mooi, praktisch en waar. Alleen….ze is niet zonder meer uitvoerbaar voor ieder mens. In een leven is het onmogelijk datgene, wat de vorige spreker heeft gesteld, te volbrengen. Het is dan ook maar gelukkig, dat wij niet aan dit ene leven gebonden zijn. We hebben vele levens voor ons en wij kunnen een ongeteld aantal malen reïncarneren, indien het noodzakelijk is. Wanneer wij dus datgene, wat wij doen kunnen, goed doen zonder de tegendelen uit het oog te verliezen, ook al kunnen wij ze niet helemaal beleven of kennen, dan zullen wij al heel veel hebben gedaan om ons verdere leven te vormen en een volgende incarnatie, die een aanvulling van de huidige betekent, voor te bereiden.

Ik wil hier maar mee zeggen, dat met al die leringen, die voor de sferen ongetwijfeld volledig waar zijn, op aarde de mens wel eens te zwaar zou kunnen worden belast. En daarom wil ik van mijn kant proberen om een aantal nuchtere regels te geven, die iedereen, die op aarde leeft, in de praktijk kan brengen, wanneer hij dat nu werkelijk wil. Die leiden natuurlijk naar hetzelfde doel. Het doel is belangrijk. Het doel is uiteindelijk het enige, dat het streven waard is. Al het andere is maar schijn. Het is een waan, waarin je verkeert, die ten slotte op een teleurstelling uitloopt.

Wanneer je streeft naar bewustwording, dan moet je in de eerste plaats natuurlijk heel goed begrijpen – wat mijn voorganger ook heeft gezegd – dat het in de eerste plaats gaat om de intentie, waarmee je de dingen doet. Loopt het eens verkeerd uit, dan krijg je er misschien voor op je duvel, maar dat is niet erg. Wanneer je het kwade niet gewild hebt, heb je het goede gedaan. Maar wanneer je een ander zou schaden door iets te doen, wat voor jouw idee goed is, doe je gelijktijdig kwaad. Want je begrijpt heel goed, dat het toebrengen van schade aan ieder ander mens of elke geest of, elk wezen, in feite kwaad is. Dus zul je het goede voor jezelf moeten doen, zoveel mogelijk het kwaad voor anderen vermijdende. Dat maakt de zaak wel een beetje ingewikkelder, maar het maakt het mogelijk om het spel van evenwichten binnen ons eigen leven te spelen. We behoeven niet te gaan zoeken naar die grote tegenstellingen. We kunnen het meestal wel met die heel kleine tegenstellingen doen. En daar hebben wij onze handen al aan vol.

Op het ogenblik dat U een daad stelt en deze daad voor Uzelf acceptabel is, wanneer U verder meent, dat die daad voor U of voor anderen vreugde en vrede kan betekenen, goede gevolgen zal kunnen hebben, dan is die daad acceptabel, indien U daarmede niet tevens een onrecht stelt, waardoor anderen leed zullen ondergaan. Die laatste overweging laten we meestal nog al eens buiten beschouwing. En wanneer wij dat doen, dan, denken we er niet genoeg over na. We zeggen; Nu ja, dan moet een ander dat maar nemen. Of: Het is niet belangrijk. Of: Het is niet erg. We moeten ons goed bewust zijn van de mogelijkheden, die in elke daad schuilen, om een ander leed toe te brengen. En wanneer wij nu voor onszelf overtuigd zijn, dat de vreugde, die wij geven, groter is dan het leed, dan nemen wij aan, dat de daad acceptabel is. Maar dan hebben we door dit doordenken meteen ook alle fasen van die daad leren kennen met al de mogelijkheden, voor zover ze binnen ons bewustzijn liggen,

U zult begrijpen, dat juist door dit doordenken van onze daden, wanneer ze belangrijk worden, door ons af te vragen: Wat betekenen ze voor anderen, wat betekenen ze voor mij? We steeds een groter deel van ons eigen leven gaan leren kennen. En wanneer wij dat kennen, zullen we misschien later beter aan een tegenstelling kunnen denken, die een aanvulling betekent. Wanneer je op aarde de mogelijkheid hebt om vreugde te genieten of voor jezelf vrede te kennen, geluk te vinden zonder dat dit onmiddellijk ten nadele van anderen is, dan moet je dat accepteren. Het is aardig om overal naar ongeluk te gaan zoeken, maar het heeft weinig zin. U moet het eerder zo zien:

Op het ogenblik dat je zelf gelukkig kunt zijn, dat je werkelijk geluk kunt vinden, dat je werkelijke vrede kunt vinden, dat je een ogenblik van verademing kunt kennen, verander je in je eigen wezen. Daardoor beteken je voor anderen, alleen al door je gedachten, door je manier van handelen en spreken, een bevordering van hun geluk, een mogelijkheid ook voor hen om tot grotere vrede te komen en tot vermindering van de strijd in de wereld. Het is dus niet alleen je recht, maar zelfs je plicht om niet alleen naar de sombere kant van het leven te kijken, maar juist zoveel mogelijk de vreugden van het leven voor jezelf intens te genieten. Het heeft weinig zin om je voortdurend bezig te houden met allerhande zorgelijke problemen, wanneer je daar op het ogenblik geen oplossing voor weet. Denk er over na, stel ze vast en leg ze naast je neer. Hoe meer je denkt over je zorgen, je noden en je problemen, hoe meer je zult worden genoopt, vrienden, om anderen bewust of onbewust af te stoten, te kwetsen, voor hen een sfeer te scheppen, die onaangenaam is. Door jezelf te kastijden, kastijd je soms anderen. En er zijn slechts weinig mensen, die in staat zijn zichzelf te kastijden of in zichzelf somberheid te dragen zonder een ander daarvoor de rekening te presenteren.

Dit is absoluut ongeoorloofd.

Binnen de beperking van ons eigen leven moet er een streven zijn om zoveel mogelijk vreugde in de wereld te geven, zoveel mogelijk licht in de wereld te betekenen. We hebben niet het recht om anderen te dwingen te handelen naar onze manier van denken en handelen; we mogen alleen trachten hun steeds datgene te geven, wat voor hen grotere zekerheid en vreugde betekent. En wanneer ze in nood verkeren, dan is het onze taak hen terug te voeren tot vreugde, tot vrede. Verwerpen van die dingen of het nalaten deze dingen voor jezelf geheel te beleven is gewoon een misdaad. Juist doordat je steeds niet alleen aan jezelf denkt hierbij maar ook aan anderen, wordt het begrip, dat je van je eigen leven krijgt, voldoende groot.

En dan kun je – in de sferen gekomen – het overpeinzen, de essence ervan trekken, zeggen; “Kijk, dit was mijn leven; dit was de inhoud van mijn bestaan.” Wanneer je dat dan weet, dan is er tijd genoeg om de andere kant van de zaak te gaan onderzoeken. Wanneer je dan vandaag in armoede hebt geleefd, dan kun je kiezen om rijk te zijn en daarin te ervaren; of omgekeerd. Wanneer je dan eenzaam bent geweest, dan kun je de volheid der mensen kiezen; of omgekeerd. In je eigen stoffelijke leven kun je niets doen dan zo nu en dan een symbolisch gebaar in die richting maken. Verder gaan je mogelijkheden niet.

Mijn voorganger heeft zijn leringen gegrepen uit onze sferen. In onze sferen zijn ze ongetwijfeld waar. Maar voor de mens geldt enige beperking. Hij zit vast aan de maatschappij, aan een gezin misschien, aan de verplichtingen t.o.v. zijn medemensen, hij zit vast aan de wetten van de staat, aan de regels van een kerk misschien. Deze beletten hem om volledig in de praktijk te brengen, wat geestelijk begeerlijk zou zijn. Wanneer wij ons dit realiseren, dan zullen wij begrijpen, dat het zaak is op aarde er het beste van te maken, zoveel mogelijk te beleven, zo intens mogelijk te beleven en zoveel mogelijk goed, zoveel mogelijk geluk en vrede te betekenen voor anderen. En dan ben ik het volledig eens met de stelling van de vorige spreker, wanneer hij zegt, dat de intentie op zichzelf al genoeg is, omdat wij niet altijd kunnen overzien, wat de verdere gevolgen zijn.

Ik zou dus willen zeggen, vrienden, dat de praktijk van al hetgeen U vanmorgen hebt gehoord, voor U het gemakkelijkst samen is te brengen in deze zin; Streef steeds er met je hele wezen naar anderen gelukkiger te maken en zelf gelukkig te zijn. Wanneer je dat kunt, dan heb je aan alle voorwaarden voldaan voor een verdere geestelijke rijping. En dan zullen volgende sferen, volgende levens misschien op aarde, ook wel bepalen hoe je dichter komt tot God.

Nu is het je taak om te leven en zo te leven, dat je binnen de mogelijkheden van je wereld, van je maatschappij, van het ras waartoe je behoort, voldoet aan de eis geluk te brengen, geluk te zijn; vrede te brengen, vrede in jezelf te dragen. Uit de tegenstelling van de vorige spreker en mijzelf kunt U misschien ook weer een lering trekken.