Waarheen moderne maatschappij?

image_pdf

17 november 1961

Wij zijn – helaas – niet alwetend of onfeilbaar en hopen maar, dat u zelfstandig na zult denken. Mijn eigen onderwerp voor heden gaf ik de titel: Waarheen moderne maatschappij?

Wanneer wij de op het ogenblik de heersende mentaliteit gade slaan, komen wij tot de ontdekking, dat een maatschappij, die eerst tien jaar geleden het gehele Duitse volk schuldig verklaarde aan alles, wat er in Duitsland gebeurd was, in een gelijksoortige onverschilligheid als eens het Duitse volk, de ontwikkelingen gade slaat en afwacht, wat er verder met de wereld gebeuren zal. Men weet, dat er zeer veel onaanvaardbare en niet-redelijke toestanden op de wereld bestaan. Men wacht rustig af, wat daaraan gedaan zal worden. Men spreekt over: “Je moet leren leven met de atoombom”. Zo’n ding heeft de onaangename eigenschap, vooral de dood in zich te dragen. Daarom heeft die slagzin weinig inhoud. Men zegt: “Jij moeten leven in een voortdurend streven naar machtsevenwicht”. Maar hoe dit machtsoverwicht in stand kan worden gehouden, weet eigenlijk niemand. Men stelt, dat men moet komen tot een betere beheersing van de mensen onderling, tot een hogere moraliteit en een betere ethiek. Maar ondertussen laat een ieder alles rustig sloffen. Het is dan niet te verwonderen, dat men in een dergelijke maatschappij de vraag stelt:” Waarheen? Waarheen gaat de mensheid?”

Nu wil ik een hele tijd teruggaan. Er was – ongeveer iets meer dan 80.000 jaren geleden – ook een rijk, dat zeer groot en machtig was. In dit rijk hadden de mensen allerhande mogelijkheden gevonden en gaven ontplooid, zodat dit alles wel vergeleken kan worden met alles, wat men in deze dagen technisch bereikt heeft. De gehele bekende wereld, uitgaande van het z.g. keizerrijk Mu, werd gekoloniseerd. Een van deze koloniën was Atlantis, dat zich langzaam maar zeker begon te ontwikkelen tot een zelfstandige staat. Deze smeltpot, waarin alle rassen en standen van het oude keizerrijk samenkwamen, verwierf op den duur zelfs een belangrijkheid, die tenminste aan de belangrijkheid van Mu zelf gelijk kwam. Natuurlijk beriep men zich in die dagen daar nog op de grote waarde van alles, wat men eens in het oude rijk had geleerd en was men trots op de voorvaderen, die eens vanuit het keizerrijk naar Atlantis waren getrokken. Ook legde men steeds weer de nadruk op de noodzaak, de oude culturele waarden van Mu in stand te houden. Daar waren echter mensen, die meenden onafhankelijk te moeten zijn. Daardoor ontstond een verwijdering tussen het oude keizerrijk en Atlantis.

Ook in het oude keizerrijk ontstonden fracties, die elk een andere richting uit wilden. De eerste groep streed voor het handhaven van de Goddelijke rechten van de keizer en de voorrechten van de satrapie. De andere partij meende, dat de volkeren en slaven bevrijd moesten worden uit het ondraaglijke juk van de tirannie. In die dagen gebruikte men natuurlijk enigszins andere woorden. In Mu zelf ontstond hierdoor een splitsing, die uiteindelijk voerde tot een uiteenvallen van Mu in twee absolutistisch geregeerde staten. De eerste werd nog steeds door de Goddelijke Keizer geregeerd. De tweede staat werd geregeerd door priesters en voormannen, die – naar zij zeiden – de imperialistische tirannie zeer haatten. Ondertussen stelden zij zich in de plaats van de tirannen, die zij verdreven hadden, zodat er in feite niet al teveel veranderde. Ook in deze dagen voelde Atlantis zich nog sterk gebonden met het oude rijk door banden van afstamming en cultuur. Het was dus logisch, dat Atlantis zich na enig beraad, in geschillen aan de kant van de keizerrijken schaarde. Hierdoor ontstonden verwarde situaties, die handel en industrie, landbouw en zelfs onderzoek en onderricht geheel in de war bracht. Men wist niet beter meer te doen dan zich te bewapenen.

Nu waren de wapenen van die tijd van een meer geestelijk gehalte. Sommige van de wapens berustten bv. op een geestelijk aantappen van de menselijke cortex, waardoor verlamming kon worden veroorzaakt. Er waren wapens bij, die hoofdzakelijk berustten op het gebruik maken van levitatie- en transportverschijnselen. In die dagen gold dit alles als normaal, omdat de magie nu eenmaal het menselijke denken regeerde. Iedereen begon zich steeds meer en nieuwere wapens te scheppen. Het was Atlantis, dat voor het eerst tot de ontdekking kwam van de beheerste vulkanische werkingen. Daarmee werd het deel van Mu aangevallen, dat door de opstandelingen van het keizerrijk was afgezonderd. Het bleek echter onmogelijk om alle vulkanische werkingen geheel te beperken tot dat deel van de wereld, waar de opstandigen leefden. Daarom zag men voorlopig af van een verder gebruik en probeerde men zijn beheersing te vergroten door vele experimenten. De mensen onder elkaar zeiden, dat het wel heel erg zou zijn, wanneer dit grote wapen gebruikt moest worden. Maar uiteindelijk kon men er toch niets aan doen, zo meende men, want een gewoon mens – of zelfs een edelman – had toch niet het recht om de magiërs en de generaals van die dagen in hun vrijheid van handelen te beperken. Het gevolg was een oorlog, waarin Mu ten onder ging, maar Atlantis bleef bestaan.

In Atlantis, dat veel buit had gemaakt tijdens de oorlog, waren de mensen onverschillig geworden voor dergelijke wapens en hun gevolgen. Men dacht alleen nog maar aan het verwerven van steeds meer luxe en het vergroten van de algemene welvaart. De staat, die – zoals in die dagen gebruikelijk was – hoofdzakelijk bestond uit landbouwers en vissers, werd meer en meer tot een handelsstaat. Het lagere werk werd door slaven verricht, die men van elders importeerde. De handelsschepen van Atlantis werden groter en konden grotere afstanden overbruggen. Overal stichtte men nederzettingen. De handel van dit rijk vond zijn werkterrein zowel in Afrika en Europa, als in Amerika. Men exploiteerde mijnen en zocht overal waarden te vinden en winsten te maken. Door de verschillen in belangen, raakte ook Atlantis tegen zichzelf verdeeld en viel uiteen in meerdere rijken. Na ongeveer 40.000 jaren ontstond een oorlog, die fataal werd. Door het gebruik van het verder ontwikkelde vulkanische wapen verdween meer dan de helft van het rijk van de aardbodem. Geheel de wereld werd in deze ernstige ramp betrokken. De mensen, die nog tijdig wisten te vluchten voor het ontketende natuurgeweld, hadden hun redding hoofdzakelijk te danken aan het feit, dat zij de oude gaven nog beheersten en wisten te leviteren, of wel doordat zij nog tijdig de hoogste toppen van de aarde wisten te bereiken. Rond de wereld liep een springtij, dat te vergelijken is met een zondvloed. Drie tot vier maal liep de verwoestende watervloed rond de aarde. Degenen, die overbleven, vonden alleen nog maar nat zand en de juist omhoog gekomen zeebodem om de voet op te zetten.

Toch werd de wereld weer opgebouwd. Het overgebleven deel van Atlantis kon zich – mede door voorzorgen, die men tegen het bewuste wapen had getroffen – herstellen. Het duurde geen 10.000 jaren, of het oude spel begon opnieuw en toen verdween Atlantis helemaal. Degenen, die daar weggetrokken waren, hadden een groot schuldbewustzijn. Zij hadden de mensen duidelijk willen maken, dat de mens aansprakelijk is voor het welzijn van elke medemens ongeacht zijn aard, instelling, ras, of wat dan ook. Zij hadden dit alles vastgelegd in magische leerstellingen. Zij begonnen, door hun schuldbewustzijn gedreven, te zoeken naar wegen om de mens tot een meer beheerst wezen te maken, hem heerschappij over zijn eigen lichaam te verschaffen en te voorkomen, dat hij ooit verder door zijn emoties zou worden meegesleept, zonder dit uiteindelijk zelf te wensen. Daarbij baseerden zij zich op de wijsheid uit de oudheid.

Zij zwoegden voort om een redelijke leer en werkwijze te ontwikkelen, terwijl het grootste deel van de mensheid woonde in holen en paalwoningen. Zij werkten voort, terwijl een deel van de toenmalige mensheid geheel ten onder ging, om pas veel later te worden opgegraven door geleerden om te worden getoond als delen van de prehistorische mens. Zo legden zij de grondslagen voor werkwijzen als bv. yoga, maar ook voor godsdiensten, mythologie en overleveringen, die tot heden nog voortbestaan.

Altijd weer hebben deze priesters de mensheid toegeroepen: “Mens, jullie zijn aansprakelijk voor elkaar. Je eigen omstandigheden zijn niet belangrijk.” Alleen wanneer de mens zich onthouden kan van vijandschap en geweld, zal de mensheid in staat zijn om eens weer geheel haar eigen wereld, en mogelijk zelfs nog meer, te regeren. Hun opvolgers hebben dit steeds weer verkondigd en in weer nieuwere vormen de oude waarheid aan de mensen voorgehouden.

Dit is een oud verhaal. Op het ogenblik, nog geen 10.000 jaren na het verdwijnen van het oude Atlantis, zien wij weer dezelfde zelfzucht en dezelfde onverschilligheid, die reeds meerdere malen de beschaving vernietigde. Bij de voornamen van heden ontdekken wij eenzelfde vasthouden aan positie en macht – ongeacht de middelen – als in het verleden. Wij zien, evenals in het verleden, de voortdurende zucht van alle mensen naar vergroting van eigen belangrijkheid, macht, inkomen, luxe, die alle geestelijke waarden overwoekeren.

Waarheen kan deze weg voeren? Redelijk gezien zou het een ondergang moeten worden. Een dergelijke ondergang zou, indien zij enigszins parallel zou lopen met de ontwikkelingen in de oudheid, die ik zojuist schetste, beginnen met een ontvolken van grote delen van Europa en Azië. Er blijft dan natuurlijk een deel van de wereld over, Amerika, of misschien wel Australië, waar de mensen een nieuwe beschaving op kunnen bouwen tot ook deze laatste beschaafden op den duur elkaar uitroeien. Dan blijft alleen nog de primitiviteit over. Geen opwekkend beeld.

Gelukkig kunnen wij ook andere dingen leren uit de oudheid, waardoor andere parallellen belangrijker lijken en waarschijnlijk eerder tot stand komen dan de gestelde. In het oude Atlantis en zelfs in het oude Mu waren priesters, die vóór de rampen, die zij onvermijdelijk zagen komen, wegtrokken. Deze trachtten hun wijsheid neer te leggen op vele plaatsen en zo iets te bewaren van alles, wat de mensheid geestelijk en stoffelijk tot stand had gebracht. Er werden waarheden in de rotsen gebeiteld. Elders werd door een soort concentratie een kracht, afleesbaar voor gevoeligen – u zou het psychometristen noemen – in stenen neergelegd. Men koos vooral hooggelegen plaatsen, die waarschijnlijk niet door soortgelijke rampen en werkingen van de aardkorst vernietigd zouden worden. Overigens is het waarschijnlijk hieraan te danken, dat zoveel hooggelegen plaatsen tot voor betrekkelijk korte tijd als de woonplaatsen der Goden werden beschouwd. Het bleek de priesters mogelijk een soort netwerk over de aarde te leggen, waarin de oude wijsheden en waarheden bevat werden en voor het nageslacht bewaard konden blijven. Ook hun hoogste bereikingen werden langs geestelijke weg vastgelegd. Hierdoor was het mogelijk, dat nog vele duizenden jaren later enigszins geschoolde mensen op de toppen van de bergen hun Goden konden ontmoeten, zoals Mozes op Sinaï.

Hoe machtig deze ingewijden en priesters ook waren, zij bleken niet in staat de vernietiging te voorkomen. Profeten, die reeds 2.000 jaar voor de laatste ondergang van Atlantis daarover spraken, beseften deze machteloosheid zeer wel. Vandaar dat velen van de edelsten wegtrokken en boeken, kunstschatten en wijsheid op afgelegen plaatsen wisten te verbergen en te behoeden voor alle schade. Ook zij, met al hun medestanders, bleken niet in staat ook maar één enkel deel van te vernietigingen, die de mensen met hun onbewustzijn opriepen, te voorkomen.

Waar nu de oceaan en de Middellandse Zee ruisen in de bochten van Hispanis, daar, waar Afrika het zuiden van Europa begroet, lagen vroeger havensteden van een schoonheid zonder gelijken. Waar zijn zij gebleven? Ondergegaan zijn ook zij. Ondergegaan door de traagheid van handelen en denken, door de zelfzucht van de gewone mensen.

Stel u niet voor, dat de mensen uit de door mij beschreven perioden nu alleen maar oorlog en verwoestingen nastreefden. Ook in die dagen zijn er velen geweest, die uitgeroepen hebben: “Wij wensen slechts vrede. Wij willen rechtvaardigheid. Wij willen een nieuwe moraal, een nieuwe ethiek”. Net als in deze dagen hebben zij niet zelf durven handelen zonder zich af te vragen: “En wat doet mijn buurman?” Of: “Brengt mij dit niet in conflict met de knechten van de keizers, met de edelen en de belangen van de grote handelsheren? Is dit niet gevaarlijk?”

De kennis, die op de aarde bestaat, het geestelijk weten en het geestelijk vermogen zullen blijven voortgaan, tot er geen mens meer op aarde is, vrienden. Daarvoor vrees ik niet. Zelfs wanneer de laatste mensen van de aarde zijn verdwenen, zullen er impulsen overblijven en wanneer een nieuw ras op deze aarde ooit vaste voet zou krijgen en een voldoende bewustzijn zou verwerven, zullen er krachten zijn, waardoor de wijsheid en de gedachten van het heden in de materie zelf zijn gegrift. Wanneer het nieuwe ras rijp is, zal het zijn, of een stem uit het onbekende zegt: “Zo is het eens geweest? Dat hebben wij geleerd”. “Weest voorzichtig, dat het ook u niet vergaat, zoals eens ons”. Daarvan ben ik overtuigd. Maar wat heeft u daaraan? Wat hebben de komende generaties daaraan? Waarheen gaat de mensheid? Wanneer men verder gaat, zoals men in deze begonnen is, kunnen wij ervan verzekerd zijn, dat – indien voordien geen wereldvernietigende oorlog is uitgebroken – de gehele wereld binnen 100 jaren – geen land en geen landstreek uitgezonderd – onder een strenge en alles overheersende dictatuur zal leven. Men kan ervan verzekerd zijn, dat bij een voortzetting van de huidige tendensen de mensheid gebonden zal worden in handelen en zelfs denken, tot er geen vrijheid meer overblijft, waardoor men zichzelf kan en durft zijn, in de stof of zelfs in de gedachte. Wij kunnen ervan verzekerd zijn, dat bij een voortgaan van de huidige tendensen over 100 jaren mensen zonder enig gewetensbezwaar een miljoen mensen ter dood zal veroordelen, zij het als afschrikwekkend voorbeeld, als executie, of alleen maar ter wille van een experiment, waardoor zij hun macht en grootheid menen te bevestigen. In dit geval kunnen wij er wel zeker van zijn, dat de mens in de toekomst slechter zal leven dan nu menige hond, kat, paard, of zelfs koe. Toch worden die dieren soms afgemaakt, wanneer zij te oud zijn.

Moraal! Wat is moraal? Een zeer veranderlijk iets, volgens mij. Hoe lang duurde het – om eens een voorbeeld te geven – voor in Duitsland het huwelijk als een sociale, maar vaak overbodige maatregel werd beschouwd en menigeen er eerlijk van overtuigd was, dat het voor elke vrouw een eer was, ook zonder huwelijk het kind te dragen van een willekeurige soldaat van het rijk?

Hoe lang heeft het geduurd, in Rusland, tot de mensen, die tot op dat ogenblik morele opvattingen hadden, die sterk overeenkwamen met de morele opvattingen in het verdere Europa rond begin 1800, eerlijk begonnen te denken, dat vrije liefde en uitspattingen aanvaardbaar waren en een redelijke compensatie konden vormen voor de barre levenscondities?

Hoe lang duurde het, voor men ook hier meende, dat vruchtbaarheid en het voortbrengen van steeds meer nieuwe mensen belangrijker was, dan de band van menselijke gevoelens, die huwelijk heet? Hoeveel tijd heeft men ervoor nodig om deze z.g. moraal te veranderen? Zou het meer dan vijf jaren zijn? Laat men zich dus niet beroepen op de moraal van deze dagen als wapen tegen een mogelijk verval. Deze moraal is weinig of niets waard, omdat zij steeds gebonden blijkt te zijn aan uiterlijke omstandigheden en afhankelijk is van vele zuiver materiële belangen. Wanneer je de gedachtegangen van de massa verandert, zal haar moraal eveneens veranderen. Dit alles kan gemanipuleerd worden als een aapje op een stokje, dat je laat klimmen en dalen door wat harder aan het touwtje te trekken, of wat meer los te laten. Neen, van de moraal, zoals die op het ogenblik verkondigd wordt, hebben wij maar weinig te verwachten.

De ethiek dan? Wat is ethisch verantwoord? Is ook dit niet het gevolg van een aanvaarde denkwijze, die kan worden opgelegd door propaganda enz.? “Ik heb mijn plicht gedaan als goed soldaat van het Duitse Rijk en goed volgeling van de Führer”. Dat werd te Neurenberg steeds weer herhaald door mensen, die als oorlogsmisdadigers terecht stonden, maar zich innerlijk geheel gerechtvaardigd voelden door hun geloof aan de Führer en het Reich. Er zijn hier geen verschillen, of deze mensen nu Hess heten, Donitz, of Eichmann. Hun ethiek is het aanvaarden van de leringen van het Derde Rijk. Dit is voor hen de basis van alle dingen. Ethiek is klaarblijkelijk het gevolg van de trouw aan een heersend systeem en het belijden van de daarmee gepaard gaande godsdienstige of pseudo-godsdienstige opvattingen. In zeer vele gevallen blijkt de ethiek ook nog verknoopt te zijn met eigen voordeel, eigen verlangens en levensbehoud. Men beredeneert eenvoudig zijn eigen wensen op een zodanige wijze, dat zij geheel met het belang van de mensheid, of de wil Gods schijnen te stroken. Bedenk, dat dit niets bijzonders is. Het is heus de eerste maal niet, dat een dergelijke ontkenning van waarden op aarde voorkomt.

Ondanks alle mooi klinkende woorden omtrent moraal en ethiek moeten wij de vraag herhalen: “Waarheen dan, mensheid? Waarheen met alles, wat je op het ogenblik zo buitengewoon angstig bewaart, met alles, waardoor je je zo buitengewoon angstig aan vasthoudt? Waarheen met alle organisaties, die je zo mooi aanduidt met alle letters met punten er achter?” Er is niets, wat blijvend is; niets, waarop je je voor je werkelijke leven en behoud kunt beroepen. U.N.O.? Congo? N.A.T.O.? Frankrijk? Duitsland? Eén woord is genoeg. Commerciële belangen maken zich vaak meester van organisaties als de internationale federatie, die de kinderen van de wereld wil helpen. Men levert vaak verkeerde of waardeloze producten. Wanneer het eens uitkomt, is er natuurlijk een schandaal. Nu ja, dat riskeert men wel. Enkelingen zijn hiervoor aansprakelijk, zeker. Maar verwacht u uw redding daar dan soms van? O, u meent misschien, dat de redding voor de mensheid is gelegen in het gezag van grote en sterke regeerders? Dat kan, maar wanneer een grote en sterke man orde op zaken heeft gesteld en hij sterft, wat gebeurt er dan? Kijk eens naar Stalin. Hoeveel haaien kwamen voor hun eigen belangen op, op het ogenblik dat hij stierf? Nu is hij reeds jaren dood, maar men strijdt nog steeds om zijn erfdeel en haalt dwaasheden uit, die hij – ondanks alle fouten, die hij misschien bezat – zeker nooit begaan zou hebben.

Er is nergens een optimistische zienswijze te vinden, een opwekkend en vrolijk antwoord op de vraag: “wereld, waarheen?”, wanneer wij uitgaan van de op het ogenblik uiterlijk heersende situaties. De parallel is uiterlijk bijna volledig. De uiterlijke toestanden op het ogenblik zijn niet aanvaardbaar en kunnen geen uitweg aangeven. Dit sluit natuurlijk niet uit, dat er veel mensen zijn, die het goed bedoelen. Iemand, die het erg goed bedoelt en in zijn denken beperkt is, doet vaak denken aan die goedmoedige krankzinnige, die ontdekte, dat arme mensen geen kolen hadden om te stoken. Hij sprak tot zichzelf: “Kolen kan ik hen niet geven, laat ik dus maar het dak van hun huis in brand steken, dan hebben zij in ieder geval wat warmte”. Wat in de eerste plaats nodig is om in deze toestand van de wereld een gunstige ontwikkeling te veroorzaken, is inzicht en bewustzijn. Wij staan kort voor een scheiding van wegen. Steeds weer in de geschiedenis van de mensen vinden wij punten, waarop een beslissing valt, die een langere tijd verder bepaalt. 1812 bijvoorbeeld, of 1943. Of voor een bepaald land:1928 voor Rusland bv. Dat zijn punten, waarop bepaald wordt, welke weg de mensheid voor de komende tijden zal gaan. Vreemd genoeg is deze keuze niet afhankelijk van degenen, die schijnbaar deze keuze doen en schijnbaar over de macht tot het doen van een dergelijke keuze beschikken. Dit is niet afhankelijk van de regeerders, de erkende behoeders van publieke moraal en ethiek, of de geestelijke leraren. Deze keuze is alleen afhankelijk van de mensen zelf.

Het lijkt mij verstandig een tweede beeld aan het eerste toe te voegen. Er was een tijd, dat in Mexico ieder wachtte op de vervulling van een profetie. Bovennatuurlijke wezens zouden uit de zee komen om in het lot van de mensheid in te grijpen. Er kwamen dergelijke wezens, die met vreugde of bezorgdheid werden ingehaald, maar in ieder geval werden beschouwd als bovennatuurlijke krachten. Dit bleken de conquistadores te zijn. Degenen, die niet begrepen, dat men zich niet kan verlaten op een ingrijpen van Goden, of bovennatuurlijke machten, maar steeds zelf en volgens eigen weten en aansprakelijkheid moet handelen, gingen aan de komst van deze mensen ten gronde. Er zijn meer van de oude Tolteken, Inca’s enz. gestorven in de mijnen van de Spanjaarden, dan er ooit in een direct verzet tegen de veroveraars ten gronde hadden kunnen gaan. Voor de mens van heden is er dan ook geen uitweg in het wachten en vertrouwen op het ingrijpen van bovennatuurlijke krachten of wezens. Hij zal zelf iets moeten doen.

Wat? In de eerste plaats geldt wel: Wanneer de huidige openbare moraal en ethiek van buitenaf zo gemakkelijk beïnvloed kan worden, is dit het gevolg van het feit, dat deze waarden niet werkelijk uit de mens zelf voortkomen, maar berusten op een maatschappelijk gedragspatroon.

Het eigen denken wordt hierbij uitgeschakeld en eigen bewustzijn heeft slechts een zeer beperkte invloed, zodat alleen het openlijk gedrag en denken van de massa bepalend is. Hierbij is geen werkelijke bewustwording, maar ook geen volgens eigen beste weten en denken dragen van verantwoording meer mogelijk. Dies dient elke mens voor zich een persoonlijke moraal en ethiek te vinden, die alleen op zijn eigen wezen en bewustzijn berusten. Alleen, wanneer hij deze waarden op een zuiver persoonlijke wijze heeft verwerkt en in zich draagt, is hij op dit terrein onaantastbaar geworden. Hoe meer mensen op dit terrein van de uiterlijke omstandigheden onafhankelijk worden, hoe meer mensen ook een juiste keuze zullen kunnen doen. Hoe groter het aantal mensen, dat een juiste keuze weet te doen, hoe groter bij een onvermijdelijke ramp het aantal overblijvenden en wetenden zal zijn en – wat nog belangrijker is – hoe gemakkelijker de meer bewusten het allerergste zullen kunnen voorkomen.

Nu bezien wij even de huidige maatschappij. Wanneer men zich aan de normen van deze maatschappij vastklampt, kan men uiteindelijk niets meer doen en is men steeds meer tot een lijdzame en afwachtende houding gedwongen. Alleen wanneer men het eigen denken onafhankelijk weet te maken van hetgeen de gemeenschap denkt, zal het mogelijk zijn, dat men op de meest juiste wijze zal gaan – en blijven – handelen. Men zal daartoe ook geen steun bij anderen kunnen of mogen zoeken. Het is niet voldoende te behoren tot een bepaalde groep, of het behoren tot een te grote en algemeen aanvaarde groep te vervangen door het behoren tot een kleinere groep, doch dient men zich, onafhankelijk van alle maatschappelijke verhoudingen, een beeld te vormen wat goed, dan wel niet aanvaardbaar is. Stel, dat er in de maatschappij voldoende mensen zijn, die op een dergelijke wijze denken en handelen. Dan zullen deze mensen in het begin natuurlijk aangevallen worden en misschien zelfs achtervolgd. Dit is niets bijzonders: Pioniers worden altijd aangevallen. Dan zal men het niet altijd even prettig hebben.

Dat is waar. Maar de vraag is, of men, indien men zich geheel aan al de geldende voorschriften blijft houden, het snel prettig zal hebben in de wereld. Op den duur zullen de zelfstandig denkende mensen op het geheel een steeds toenemende pressie uit gaan oefenen.

Vanuit het huidige gezag en de nu bestaande verhoudingen is deze werking anarchistisch, omdat zij geen macht aanvaardt. Zij aanvaardt alleen gezag, wanneer dit door de feiten gerechtvaardigd is en de zinrijkheid van de gezagsuitoefening bewezen kan worden, tot tevredenheid van het individu. Verder zal deze invloed opstandig en zelfs obstinaat lijken. Wanneer men hoort, dat er ergens atoombommen zijn opgeslagen en men meent, dat dit niet goed is, zal men niet alleen met woorden demonstreren, maar ook trachten deze bommen eenvoudig weg te halen, of ongevaarlijk te maken. Dergelijke acties kunnen natuurlijk veel ellende veroorzaken. Wanneer meer en meer mensen op deze meer actieve wijze hun genoegen en misnoegen uit gaan drukken, kunnen deze acties tot een soort volksgerecht worden. Daarbij wordt dan niet alleen een onbelangrijke fout van enkele mensen gecorrigeerd en een dorpje in opspraak gebracht, doch een hervorming afgedwongen, die ook ver buiten het directe daadbereik zijn invloed doet gelden. Een dergelijk optreden zal een aan de gevoelens van persoonlijke verantwoordelijkheid en persoonlijk recht aangepaste normalisatie van nationale, maar ook internationale, verhoudingen noodzakelijk maken. Wanneer er erg veel mensen komen en zeggen, dat zij bij een strijd om de wereldmacht geen enkel belang hebben en metterdaad alle bestrevingen in die richting tegenwerken, zullen er natuurlijk vele onaangename voorvallen komen, maar tevens zal die machtsstrijd uiteindelijk niet voortgezet kunnen worden.

Wanneer in de tijd van Mu de keizer anders op het verzet van de massa had gereageerd, en zijn satrapen opgedragen had elke slaaf, die door eigen prestatie en bereiking de vrijheid waardig bleek, ook deze vrijheid te geven, zou er nooit een machtsstrijd ontstaan zijn tussen de delen van Mu. Dan zou ook nooit een dergelijke fatale machtsstrijd als direct gevolg hiervan in Atlantis ontstaan zijn en dan waren alle gaven, die de mensheid nu vergeten heeft, maar die in de oudheid algemeen gebruikt werden, het erfdeel van de huidige mensen zijn, en zouden vele nu ongebruikte delen van de menselijke begaafdheid nog heden op de juiste wijze algemeen getraind worden.

Het waarheen is dus in feite alleen te beantwoorden door eerst een antwoord te geven op de vraag: “Wat kies ik?” Daarbij is het niet belangrijk, wat je kiest voor jezelf en is er zelfs geen sprake van een keuze tussen bv. leven en dood. De keuze is dan té gemakkelijk. Bedenk, dat het vaak gemakkelijker is voor je ideaal of je eer te sterven, maar dat het vaak verduveld moeilijk is waardig voor deze waarden te leven. Deze keuze zal moeten bepaald worden door de wijze, waarop je het leven zelf ziet. Je dient het leven van je naaste zó heilig te achten, dat je alles wat zíjn leven en vrijheid in gevaar kan brengen, bestrijden wilt, desnoods ten koste van jezelf. Wanneer je kiest voor jezelf, is het betrekkelijk eenvoudig de omstandigheden zo te wijzigen, dat je keuze verandert. Maar een keuze, die niet berust op eigen belangen en welvaart, kan niet zo gemakkelijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Wanneer de mensheid de heiligheid van het leven beseft, daarbij niet alleen maar rekenende met het lichamelijke bestaan, maar ook denkende aan het geestelijk bestaan, elke mens daarbij het recht toekennende omtrent deze beide waarden voor zichzelf een beslissing te treffen, dan zal de wereld van heden niet teniet gaan. Indertijd zou een dergelijke beslissing van de keizer in Mu de uiteindelijke ondergang van satrapie betekend hebben: de landheren van hun voorrechten en belangrijkheid ontdoende, maar Mu zelf zou voortbestaan hebben. In deze wereld zal een dergelijk streven de ondergang betekenen van vele schijnbaar belangrijke zaken en personen, maar de maatschappij met haar verworvenheden en mogelijkheden zal voort kunnen blijven bestaan, zich wijzigend en zo steeds de mens betere mogelijkheid tot ontwikkeling biedende.

Het zal niet gemakkelijk zijn om bij het optreden van een dergelijke invloed de vraag te beantwoorden: “Wereld, waarheen?” Het waarheen is namelijk niet alleen van de uiterlijke omstandigheden afhankelijk, maar vooral van de innerlijke mens. Wanneer je de doorsnee mens innerlijk beziet, blijkt er in hem een tamelijk vertekend beeld van de werkelijkheid te bestaan. Voorbeeld: er zijn mensen, wier mentale vertekening zo groot is, dat zelfs een Rus, die zo knap is als Adonis zelf, voor hen de afzichtelijkheid van de hel bezit en opeens voorzien wordt van horens, spitsbaard en bokkenpoten. Een overdreven beeld? Natuurlijk. Maar de vertekening, die ik overdrijf, bestaat toch werkelijk. Om de mensheid in de goede richting verder te brengen, moet men deze vertekening kwijt. Het gedachteleven van de mens zal gezond moeten worden.

Er is een groot aantal invloeden op het ogenblik juist hiermee bezig: geestelijke centra, de Witte Broederschap, een groot aantal geestelijke groepen als bv. de Orde. Indien de mens weigert afstand te doen van zijn vertekend beeld van de werkelijkheid, zullen al deze inspanningen tevergeefs zijn. In dat geval zijn de krachten, die trachten de mensheid verder te helpen, machteloos. Even machteloos als de priesters, die indertijd Mu en Atlantis waarschuwden voor de gevaren van de toen heersende denkwijzen.

Indien de mens zijn denken weet te wijzigen, zijn er grote verbeteringen te verwachten. Hoe dit denken te wijzigen is? Dat is een vraag, waarop één antwoord kan gegeven worden, dat tevens een antwoord inhoudt op de vraag: Waarheen? In de eerste plaats: in 9 van de 10 gevallen denkt de mens van heden hoofdzakelijk met zijn emoties en niet tevens met zijn verstand. Een mens moet leren verstandelijke overweging en emotie van elkaar gescheiden te houden en tot een bewuste en zo harmonisch mogelijke eenheid samen te laten vloeien. Dit betekent ook, dat de mens op den duur een vertraging van zijn emotionele reacties zal moeten leren bereiken. Wanneer hij woedend wordt, moet hij die woede zo lang kunnen vertragen, dat hij redelijk de juiste handelwijzen kan overzien en zijn juiste instelling tegenover de wereld kan bepalen, voor de emotie hem tot handelen dwingt. Dat betekent niet, dat de mens elke emotie zal moeten leren onderdrukken. Indien een emotie optreedt, moet men leren deze zover te onderdrukken, dat zij geen direct gezag uitoefent op het lichaam en een logisch denken en handelen niet onmogelijk maakt. Eerst wanneer men emotie en juiste handelwijze in zich geïntegreerd heeft, kan men zich laten gaan. De actie vindt dan plaats op een hoger vlak dan normaal en beweegt zich daarbij geheel volgens een uit het totaal van weten en redelijk denken gevormd patroon.

Ten tweede: Een groot deel van de vertekening van het wereldbeeld bij de moderne mens is het gevolg van een te sterk vertrouwen op en aannemen van hetgeen anderen zeggen. Driekwart van uw weten is op horen zeggen gebaseerd en op niets anders. Rekening houden met waarden van hetgeen men verwerft door anderen, door horen zeggen, is ook in het heden wel noodzakelijk. Daardoor ontstaan immers overleveringen, is wetenschappelijke vorming, onderricht e.d. in beginsel mogelijk. Maar wanneer het gaat over ons handelen tegenover medemensen, onze besluiten in de wereld, die mede te maken hebben met geestelijke waarden en krachten?

Juist wanneer het om deze waarden gaat, mogen alle waarden, die wij alleen van horen zeggen kennen en waaromtrent wij zelf geen enkel inzicht of bewijs hebben kunnen vinden, op ons handelen geen invloed uitoefenen.

Men moet leren zijn denken tijdelijk af te sluiten van het verleden, tot het praktisch maagdelijk zijnde en dus niet met oudere denkbeelden bezwangerd, in zich de huidige situatie opneemt, deze volgens de nu, op het ogenblik zelf gevonden impulsen, invloeden en mogelijkheden tot oplossing tracht te brengen, om eerst daarna het gevonden beeld te vergelijken met hetgeen men als herinneringsbeeld, horen zeggen enz., nog in zich bergt. Verder hebben wij ontdekt, dat een groot deel van de menselijke denkfouten voortkomt uit zijn ellendige gewoonte om, zelfs wanneer dit in feite niet logisch is, toch steeds terug te grijpen op en voort te bouwen vanuit alles, wat binnen hem reeds aanwezig is. Er is iemand, die midden in het boerenland etage op etage blijft stapelen en zo een wolkenkrabber bouwt, waar het logischer, bruikbaarder en goedkoper zou zijn, een even groot aantal eengezinswoningen te stichten. Deze mens noemt men dwaas, want de wolkenkrabber is moeilijk of niet bewoonbaar in dit gebied, terwijl de eengezinswoningen wel degelijk hun nut zouden hebben. Dwaas? Hoeveel mensen handelen niet op dezelfde wijze, wanneer het om kennis en inzicht gaat? Leer alle erkenningen en kennis, die men verwerft bij het beschouwen van nog niet erkende verschijnselen, te zien als op zich staande en alle oude wetenschappen en kennis voorlopig opzij te zetten.

Bouw voor de verschijnselen van heden een zo eenvoudig mogelijke en alle feiten dekkende theorie. Wijk nooit van de grootst mogelijke eenvoud af om zo het geheel in overeenstemming te brengen met reeds bestaande theorieën, maar handel steeds volgens het motto: De eenvoudigste verklaring is, bij gebrek aan verdere bewijzen, de beste. Door haar eenvoud zal zij dichter bij de waarheid liggen dan elke meer ingewikkelde verklaring. Alleen indien de zo ontstane theorie proefondervindelijk niet juist blijkt, kan men trachten haar zodanig te wijzigen, dat zij alle verschijnselen steeds weer geheel dekt. Dit is beter dan alles onder te brengen in reeds bestaande theorieën en vakjes, zonder dat er een bewijs is, dat een dergelijke indeling inderdaad terecht plaats vindt.

U ziet, dat er aan het menselijke denken nogal iets veranderd zal moeten worden. Wanneer wij mensen zo zien denken, ontstaat er een geheel nieuwe situatie. Er is dan op den duur een mensheid, die niet meer gevangen kan worden in de bekende psychische carrousel van elkaar steeds herhalende en aanvullende leugens. Het bekende en zo schadelijke verdergaan op een bepaalde weg, omdat dit in het verleden onder geheel andere omstandigheden aanvaardbaar bleek, zal dan niet meer voorkomen. Ook een groot deel van het heersende zelfbedrog, voortkomende uit de poging zichzelf als een blijvend en ondeelbaar geheel te beschouwen, zal afnemen. Men zal zichzelf liever beschouwen als bestaande uit desnoods vijf of meer delen, die elk afzonderlijk moeten worden bezien, verwerkt en gebruikt.

Hiermee beschrijf ik de mens, die op aarde kan leven, wanneer hij eenmaal leert als mens zelfstandig te denken en te handelen. Dan is die mens nog steeds dezelfde. Hij heeft niet meer hersenen als vroeger en heeft geen bijzondere gaven ontvangen. Maar toch is hij – alleen hierdoor reeds, in vergelijk met de mens van heden – een supermens. Wanneer de mensen leren begrijpen, dat men als mens niet alle dingen kan, en begrijpen kan, dat men nimmer zelfs maar van één enkel gebied alles weet, zullen zij niet meer trachten op een bepaald gebied de eerste of de grootste te zijn, maar eerder alles, wat zij kennen en doen, zo goed mogelijk te doen en te kennen.

Alleen op deze basis is een synthese van alle verschijnselen van geest en stof mogelijk. Alleen zo kan de mens werkelijk leven volgens de hem omringende werkelijkheid en kan hij zich een wereld bouwen, waarin werkelijk vrede heerst, waarin bewapenen, machtsevenwicht, politieke blokken e.d., een illusie zijn, doch de mens het geheel van zijn vermogens zo ver kan ontplooien, dat hij – indien dit noodzakelijk is – in enkele dagen tot achter de sterren vliegt, of, wanneer zijn wereld voor hem niet meer voldoende is, er zich desnoods één maakt, kortom, meester wordt van de materie, meester is van zichzelf en – door de grote vrijheid die hij bezit – de beste dienaar voor alle anderen is.

Ik geloof, dat er tussen absolute onvrijheid en de gestelde vrijheid van nieuw denken een tussenweg bestaat. De mens van heden kan m.i. kiezen uit een ondergaan door behoud van het oude, of een werkelijk algehele vernieuwing, die begint met een andere wijze van denken, handelen, leven. Bij het juiste gebruik van kenvermogen, zintuigen en geest kan de mens komen tot een wereld, die werkelijk vrij, bewust en actief is, terwijl een ieder daarop beseft, dat het een levensnoodzaak is, je naaste lief te hebben gelijk jezelf. Want wie inzicht heeft in de invloeden, die deze wereld der mensen regeren, beseft ook, dat het noodzakelijk is bewust en met verloochening van eigen wezen de dienaar van anderen te zijn, omdat alleen zo, eigenbelang, egoïstische rationalisatie van onmenselijkheid, enz. voorkomen kunnen worden. De bewuste beseft reeds heden, dat alleen op deze wijze de eenheid, die in de mensheid leeft, werkelijk tot uiting kan komen zonder dwang.

Ik ben ervan overtuigd, dat dit alles binnen enkele jaren beslist zal worden. Ongeacht de keuze, die gemaakt wordt, zal het pad van de uiteindelijke ontwikkelingen in beide gevallen lang zijn.

Ongeacht het eenmaal gekozen pad zullen de mens nog vele mogelijkheden blijven. Maar de werkelijke keuze, die het uiteindelijke lot van de mensheid voor zeer lange tijd kan bepalen, zal reeds binnen korte tijd geschieden. Stof en geest kunnen niets anders doen dan in een persoonlijk aanvaarden van aansprakelijkheid, streven naar een juist denken en handelen, ongeacht de mening of voorwaarden, die de wereld kenbaar maakt. De taak van de bewustere is, genoemde juiste tendensen te doen overheersen boven al het andere en zo de keuze van de mensheid te richten op het goede, het juiste pad, dat geen ondergang inhoudt en een voortbestaan van al het stoffelijk bereikte, zowel als een ontplooiing van alle geestelijke mogelijkheden inhoudt.

Nu zult u misschien zeggen, dat dit het oude lied is, op een andere wijze verpakt. U heeft gelijk, maar wij moeten wel herhalen. Van de 1.000 mensen op aarde, die spreken over de noodzaak tot meer verantwoord stoffelijk en geestelijk leven, geestelijk hoger bewustzijn te verwerven en meer samen te werken met anderen, vinden wij er misschien wel twee, die er soms ook praktisch iets aan doen, wanneer zij tenminste tijd overhouden van hun andere bezigheden. Zeg niet, dat dit cynisme is, want helaas komt dit beeld de bestaande werkelijkheid wel zeer dichtbij en is de werkelijk actieve mens in dit opzicht een uitzondering. Nog commentaar?

  • Hierop kunnen wij geen commentaar geven. Wij kunnen niet zover zien als u.

Toch zou ik mij sommige vragen voor kunnen stellen, bijvoorbeeld: Wat kan ik zelf er aan doen? Het antwoord zou daarop luiden: Begin de mensen te dienen, niet volgens hetgeen je zelf aanvaardbaar lijkt, maar volgens hetgeen voor hen noodzakelijk is. Ook zou u kunnen vragen: wat hebben wij er aan steeds weer met deze dingen geconfronteerd te worden? Wij weten dit nu wel. Mijn antwoord zou zijn: De mens, die gewaarschuwd wordt tegen gevaar, heeft nog vele mogelijkheden om daaraan te ontkomen. Wie niet gewaarschuwd is, kan meestal niets meer doen. Degene, die de gevaren in worden gehamerd, zal onmiddellijk kunnen reageren, wanneer een van deze gevaren zich openbaart, ook al verwacht hij dit niet. De herhaling wordt dus feitelijk nuttig, doordat zij zich in geheel uw wezen vastzet en niet alleen beperkt blijft tot een erkennen van bepaalde mogelijkheden met het verstand.

U zou kunnen vragen: U zegt dat allemaal zo mooi, maar hoe kunnen wij deze boodschap verspreiden? Dan is het antwoord: Uitdragen kunt u deze boodschap en waarschuwing alleen, wanneer u bereid bent zelfstandig en daadwerkelijk te beginnen met een streven naar het goede. Dan dient u uw mening kenbaar te maken omtrent alles, wat al dan niet juist is in uw ogen en alle neutraliteit terzijde te stellen. U kunt dit alleen met vrucht, wanneer u ook naar de uitgesproken overtuiging leeft. Manifesteer uw meningen niet opzienbarend. Dat is niet noodzakelijk. Opvallende demonstraties zijn overbodig en leiden vaak tot een verkeerd oordeel bij anderen. Wel kun je er voor zorgen, dat – wanneer ergens iets te demonstreren is, niet alleen door handtekeningen, of een wandeling, maar door eigen werk en aanwezigheid, krachtinspanningen – je hieraan een actief deel hebt en duidelijk maakt, wat je denkt. Ook u kunt deze boodschap helpen verspreiden door mensen een dienst te bewijzen, zonder er iets voor terug te vragen – of je ze nu kent, of niet – en hen te verzoeken, als tegenprestatie een ander voor niets te helpen, wanneer deze andere hulp nodig heeft. Daarmee maak je dan een goed begin voor een betere onderlinge verhouding.

Vragen

  • U stelde, dat wij ons verantwoordelijk moeten voelen voor elke medemens. Wanneer je dit praktisch doet, is de mogelijkheid groot, dat je tegen de wil van de medemens ingaat en dat mag ook niet.

Het antwoord is eenvoudig: Wanneer iemand desnoods een brandstapel op wil richten om zich daarop tot as te verbranden, mag u hem niet tegenhouden, wanneer u blijkt, dat hij in het bezit van al zijn vermogens is en weet, wat hij feitelijk gaat ondernemen. Wanneer iemand zichzelf wil doden door een bom te laten ontploffen, die het leven en welzijn van anderen mede bedreigt, is het uw taak hem dit ding af te nemen en hem duidelijk te maken, dat hij, wat u betreft, zichzelf desnoods vernietigen mag, maar dat u in zult grijpen op het ogenblik, dat hij daarmee een ander schaadt, of in zijn ondergang betrekt. U bent niet verantwoordelijk voor hetgeen de mensen zelf willen en wensen, maar voor alles, wat zij door hun wil anderen zouden kunnen aandoen. Anderen dient u dus te dienen en te beschermen door te voorkomen, dat hen schade of leed wordt toegevoegd door mensen, die hen dit tegen hun eigen wil en ondanks hun eigen streven aan zouden doen. Dit ingrijpen zal natuurlijk innerlijk en geestelijk zijn eerste bron en kracht tonen. Maar u zult ook in stoffelijk, handelingen moeten uiten, anders blijft men bij het uitzenden van gedachten in de hoop, dat er ergens een ander is, die daarop wel iets zal doen. Omdat men allen deze gedachten uitzendt, komt niemand tot daden en blijft alles bij het oude.

  • Hoe neemt u ons waar? Ziet u onze gedachten en gevoelens ?

Tot op zekere hoogte beiden. Waarneming vanuit een medium is grotendeels een aanvoelen, waarbij de uitstralingen de grootste rol spelen. Zij maken gezamenlijk de sfeer uit.

Daar, waar een gelijkgerichtheid is, kunnen meerdere personen als eenheid worden waargenomen. Waar grote verschillen zijn, wordt juist het verschil scherp merkbaar. Gedachten, indien scherp gevormd, worden eveneens opgevangen en werken in als een telepathisch beeld. Wanneer wij niet door een stoffelijk voertuig belemmerd zijn, zien wij de uitstraling van de mens. Indien wij ons daarop instellen is een juist aflezen van de menselijke gedachten mogelijk, zover deze gedachten gevocaliseerd worden en binnen de persoon dus scherp gevormd zijn.

Niet elke gedachte is, volgens zijn menselijke waarde, voor de geest afleesbaar. Dit laatste is alleen mogelijk, wanneer binnen het denken de gedachte in woordsymbolen wordt omgezet. Het bewuste denken kan door de geest feilloos worden waargenomen, delen van het onderbewuste deel van de gedachten blijven vaag, nevelachtig en daardoor niet duidelijk te definiëren. Daarbij kan soms een aanmerkelijke vergroting van details plaats vinden, terwijl belangrijke factoren voorbij gezien zullen worden, tenzij wij door het gevocaliseerd denken hierop attent worden gemaakt. Alleen de zeer hoge en bewuste geesten kunnen de mens altijd geheel en ook tegen zijn wil, in wezen en denken waarnemen.

Het gevoelsleven van de mens is over het algemeen kenbaar in de uitstraling. Het wordt in de tweede laag van de aura scherp afgetekend, wanneer het mentaal is, terwijl dierlijke impulsen uitstralen van de eerste laag van de aura. De derde of buitenste laag van de aura geeft geestelijke emoties en belevingen aan door veranderingen van kleur en kleurige tongen. Aan de hand van deze uitstralingen kunnen bepaalde conclusies worden getrokken, doch alleen in combinatie met de bijbehorende gedachten is het mogelijk een algeheel beeld van het emotioneel leven van de mens te krijgen. Mentale en dierlijke emoties zijn juister en scherper definieerbaar en afleesbaar dan de geestelijke.

  • Acht u de praktische uitvoering van de door u gegeven lessen door de leden van de O.D.V. op zich en in verband voldoende? Zo niet, gaarne aanwijzingen ter verbetering hiervan.

Er zijn veel mensen in de Orde, die het geestelijk heel erg mooi willen doen, maar graag, wanneer het even kan, het woord in de plaats van de daad stellen. Zo zij al tot het stellen van een daad komen, hopen zij, dat deze voldoende zal zijn om een verder daadwerkelijk tot uiting brengen van de lessen overbodig te maken. Ik meen te mogen stellen, dat de praktijk van de lessen, die gebracht worden, in de meeste gevallen onvoldoende is. Het zou beter zijn, indien men – hetzij voor zich, hetzij in groepen, maar vooral het laatste ook – zou trachten zijn stoffelijke uiting van de leringen te intensifiëren en meer tot een direct en blijvend deel van eigen leven te maken.

Wanneer u mij richtlijnen vraagt, bent u wel aan het goede adres. Ik geef er een paar:

Het is belangrijker een keer voor een medemens daadwerkelijk iets te doen, dan uren te mediteren en dan de handen in de schoot te leggen. Het is belangrijker voor een medemens een werkelijke vriendelijkheid of dienst te verrichten, dan duizendmaal te spreken over de hoogheid, wijsheid en kracht van de geest.

Het is ook belangrijker met anderen, zo goed je kunt, samen te werken, met een volledig begrip voor hun standpunt en wensen, dan de mooiste theorieën te verkondigen en in jezelf te koesteren, terwijl je het streven van anderen en hun zienswijze over het hoofd ziet.

Het is belangrijker om als groep en gemeenschap gezamenlijk, onverschillig welke bezigheid harmonisch te verrichten, dan afzonderlijk je bezig te houden met de hoogheid van de geest of goede daden te stellen, maar niemand de mogelijkheid te geven daaraan deel te hebben.

Misschien zeg ik dit alles niet direct diplomatiek, maar wat volgens mij voor deze Orde werkelijk van belang zou zijn, kan ik u wel zeggen: Werken de leden zodanig samen, dat zij gezamenlijk in staat zijn een ieder, die in de puree zit, er een eindje uit te halen? Hebben de leden al eens overwogen, hoe zij elkaar kunnen helpen om de lessen beter te begrijpen? Heeft men al groepen, die zich dit ten doel hebben gesteld? Heeft men er al eens over nagedacht, dat het bij ziekenbezoek even belangrijk is, dat de afwas wordt gedaan, als het schenken van een glimlach, goede woorden en zelfs wat geestelijke kracht?

Heeft men er al eens over nagedacht, hoe belangrijk het is om zich – ook al ken je elkaar misschien niet zo goed – toch ten opzichte van elkaar als werkelijke broeders en zusters te gedragen, in plaats harmonisch onder elkaar in een te klein groepje te blijven konkelen en kleppen?

  • Er zijn toch wel leden, die aan deze dingen reeds veel doen, maar daar voor anderen, niets van willen weten?

Juist, zij zijn er. Maar vindt u niet, dat, wanneer men in een vereniging is die zich deze dingen ten doel stelt, het verkeerd is aan anderen niet de gelegenheid te geven mee te werken? Meent u niet, dat ook dit een fout is? De Orde predikt verdraagzaamheid en naastenliefde. Ofschoon de verdraagzaamheid door mij misschien ietwat onvoldoende gerepresenteerd wordt, behoort tot dit alles ook een zo intens mogelijke samenwerking met anderen, in de eerste plaats binnen de Orde, maar zo mogelijk ook met mensen en groepen daar buiten.

Door goed te doen in het verborgene voldoet men zeker aan enkele eisen, die worden gesteld. Door anderen in staat te stellen – ook al is dit misschien lastiger, of neemt het voor eigen denken iets van eigen verdienste weg – maakt men ook voor de anderen dezelfde mogelijkheid tot juist handelen vrij. Dit lijkt mij wel broederlijker. Juist het zonder dringende noodzaak geheel in het verborgene te werken zodat zelfs je naaste omgeving niet precies weet, wat je doet, heeft nadelen en kan op den duur zelfs schadelijk worden voor anderen, die zich door deze hulp – waarvan de bron immers niet beseft wordt – van hun aansprakelijkheden ontheven achten, of – wat nog erger is – zelf geen kans meer zien iets te doen, omdat zij niet weten, waar te beginnen.

Ik zou dus zeggen: Degenen, die zich als eenling reeds met deze dingen bezig houden, hebben eigenlijk toch wel de plicht, anderen die enigszins gelijkgericht denken in de gelegenheid te stellen mee te doen, aldus de mogelijkheden de geestelijke eenheid binnen de gemeenschap te vergroten. Bedenk wel, dit is geen verwijt aan degenen, die reeds uit zichzelf zoveel goed doen, maar een antwoord op uw vraag. Zijn er geen anderen, die willen helpen, doe het dan zelf, maar wijs niemand af, die mee wil helpen. Bedenk ook, dat het weinig nut heeft te zeggen, dat er iets moet gebeuren. Aanpakken is de enige oplossing, ook binnen de Orde.

  • Is dit niet een kwestie van rijpheid? Wanneer men iets gaat doen zonder er rijp voor te zijn, komt er toch niets van. Wanneer je eenmaal vanzelf komt tot het handelen, omdat dit kosmisch noodzakelijk is, zijn wij verder.

Wat groen is, kan narijpen. Indien wij moeten wachten op de persoonlijke rijpheid van de mensen om kosmische invloeden aan te voelen en te verwerkelijken, vrees ik, dat wij, wanneer het erop aan komt, grote aantallen van mensen, die actief zouden kunnen en willen zijn, te kort zullen komen. Ik heb er niets op tegen, wanneer de mensen, die misschien innerlijk nog niet geheel rijp zijn voor het zelfstandig verwerkelijken van kosmische invloeden, toch reeds trachten iets praktisch te doen. Beschouw het desnoods als een kleuterklas, waarin de kinderen alvast leren, lezen en schrijven wordt bijgebracht. Daardoor zullen zij dan later sneller rijp zijn voor de universiteit. Wanneer wij stellen, dat je eerst rijp moet zijn om iets ook praktisch te mogen doen in geestelijke zin, zullen wij vele mensen horen zeggen: “Ik zou eigenlijk dit of dat moeten doen, maar ik laat het maar, want ik ben er nog niet geestelijk rijp voor”.

Ik weet een ding zeker, dat het beter is om, ook wanneer je kosmisch nog niet geheel rijp bent, tenminste naar beste weten kleine daden van naastenliefde te stellen en binnen eigen vermogens en begrip met het goede mee te werken, dan rustig te blijven afwachten, tot je er geestelijk rijp voor bent, om dan te ontdekken, dat er niets meer van node is. Het is aardig te stellen, dat men met de praktijk moet wachten tot de mensen innerlijk en geestelijk rijp zijn.

Dat hebben wij ook gezegd in 1919. Maar nu, in 1961, kunnen wij dit niet meer herhalen want de tijd is kort. Het begrip van eenheid, samenwerking en samenhorigheid, dat nu geboren wordt, is van het grootste belang. Dat kan niet alleen voor degenen, die daar nu mee beginnen, maar ook voor vele anderen mee bepalen, wat de komende 15 – 20 jaren aan levenswaarden en levensinhoud bieden. Er is geen tijd meer om te zeggen: Die is rijp en die niet. Wij kunnen hoogstens zeggen: rijp of niet, laat ons nu beginnen. Zelfs het kleinste begin is beter dan niet, dan niets doen en wachten. De dagen zijn geteld. Het duurt niet zo lang meer, dat men rustig verder zal kunnen streven. Het duurt niet zolang meer, dat men kan volstaan met een afwachten, wat er geestelijk en stoffelijk gebeurt.

Over enkele jaren zal het moeilijk worden om een praktisch werkende groep nog te formeren en nog iets van beslissende waarde te doen. Wat in deze dagen groeit, kan, wanneer het er op aan komt, de rijpheid bereikt hebben, waardoor het van werkelijk belang wordt en actief deel heeft in het helpen van de mensheid en het verbeteren van de omstandigheden.

In principe ben ik het wel met u eens, maar er is geen tijd meer om daarop te blijven wachten. Wie nu niet begint, heeft weinig kans, dat hij het eind 1963 alsnog kan gaan doen. Niet omdat de wereld dan ondergaat, maar omdat de omstandigheden van de mensen geheel anders zijn en de werkingen vanuit de geest niet zo eenvoudig als nu kunnen worden omgezet in menselijk praktische waarden. Vandaar de nadruk, die ik leg op samenwerking en stel: het is tijd, dat u ook materieel begint de leringen van de Orde, of welke groep u ook volgt, in hun edelste en meest directe zin in de praktijk om te zetten. Niet alleen voor jezelf, maar in een zo goed mogelijke samenwerking met anderen.

Wanneer je werkelijk geestelijk rijp bent, heb je een eigen tijd en de noodzakelijke krachten wel gekregen. Dan werk je al samen met anderen. Degenen, die nog niet zover zijn, moeten leren nu tot samenwerking te komen, opdat zij in mogelijk komende verwarringen niet verloren lopen.

Geestelijk zowel als stoffelijk geldt reeds nu met nadruk: “Doe wel en zie niet om.” Helpt elkaar wel te doen, niet teveel om te kijken, of zich op eigen geestelijke deugden teveel te roemen.

Ik hoor u, vrienden, vragen: “Is er zwendel hier? Misleiding of bedrog daar?” Zou men zich niet eerder af moeten vragen, of niet elke mens tot zelfmisleiding geneigd is? Ik ben ervan overtuigd, dat elk van de aanwezigen, wanneer hij dit eerlijk en bewust voor zichzelf tracht na te gaan, zal moeten zeggen: Ja. Ik heb mijzelf vaak misleid, vaak zelfs bewust bijna. Een mens kan wel zeggen, dat hij van de waarheid houdt, maar in 9 van de 10 gevallen betekent dit dat hij van de waarheid over anderen houdt, niet van de waarheid over zichzelf. Wij hebben allen een beeld van onszelf. Wanneer je de mensen hun gang zou laten gaan, zo ben ik ervan overtuigd, dat zij een beeld van zichzelf, als een heilige, compleet met stralenkrans, in een kathedraal zouden willen op stellen. Niet omdat zij heiligen zijn, maar omdat zij het zouden willen zijn. In zeer vele gevallen gaan wij uit van een wensdroom. Ook in de geest doet men dit vaak. Wij zouden iets graag waar willen hebben. Daarom doen wij dan maar, of het zo is. Alles, wat niet strookt met het gewenste beeld, zetten wij eenvoudig terzijde.

In de dagen waarin u leeft, is dit wel in zeer sterke mate kenbaar. Op elk terrein krijgen wij te maken met beelden, die geen waarheid zijn, maar die men als waar tracht te aanvaarden, omdat men zou willen, dat zij dit zouden zijn. Zelfmisleiding is in deze dagen zelfs een regel geworden. Men meent de meerdere van anderen te zijn door enig bezit te verwerven. Projectie van het ik in dingen, een zelf-misleiding. Wat is de waarheid omtrent de mens? Wat bepaalt eigenlijk, wat je werkelijk bent? Niet de droom, die je hebt – ofschoon deze een aanduiding kan zijn van hetgeen je eens kunt worden, wanneer je er genoeg naar verlangt. Je werkelijke wezen is in feite dat wat je metterdaad tot stand brengt. Je kunt zeggen: “Ik sta geestelijk hoog. Ik heb elke nacht in mijn slaapkamer bezoek van 37 meesters en nog een stel geesten…” Je kunt dat nog eerlijk geloven ook. Wanneer je ten gevolge van dergelijke werkelijke of imaginaire contacten niet komt tot een werkelijk ten goede streven, wanneer je je vaak met een Jantje van Leiden van je taken en verplichtingen afmaakt, zodra zij wat lastig zijn – of eenvoudig stelt, dat iets heus niet kan, wanneer je in feite liever iets anders doet – dan kan dit contact en elke conclusie, die je daaraan verbindt, niet werkelijk waar zijn. Zelfs al zouden al die meesters er werkelijk zijn, dan heeft dit zonder je eigen daadwerkelijke streven geen enkele betekenis en is dit alles helemaal geen reden om je de meerdere van anderen te achten, of je erop te beroemen. Je kunt contacten hebben met de grootste geestelijke krachten over geheel de wereld. Wanneer het resultaat daarvan niet is, dat je op de juiste manier leeft en handelt, is dat alles geen steek waard. De praktijk is noodzakelijk, want een mens leeft in de stof. In zijn leven denkt hij na. Zijn denken wordt alleen voor hem tot werkelijkheid en voorgoed in zijn wezen vastgelegd, wanneer hij het omzet in iets, wat buiten hem ligt. Alleen de mens, die zijn innerlijk leven door zijn uiterlijk leven bevestigt, kan waarlijk hopen te beantwoorden aan de beelden, die hij in zich draagt, of zich van zichzelf vormt.

Iemand, die hulp van de geest wil hebben, kan tot de geest zeggen: Help mij. Maar wanneer zo iemand zelf niet bereid is anderen te helpen, kan hij niet verwachten harmonisch genoeg te zijn om deze hulp ook werkelijk te ontvangen en als zodanig te erkennen, zelfs indien zij hem ondanks alles gegeven wordt. Als een mens geen gehoor wil geven aan de verzoeken en beden van anderen, hoe kan hij dan verwachten, dat zijn eigen gebeden toch tot God door zouden dringen? Hoe kan hij verwachten, dat hij met God in harmonie kan zijn en diens Goddelijke goedheid ervaren, wanneer hij zelf niet goed is en zelfs niet naar een goed-zijn streeft?

Wat je zelf bent en metterdaad bent, is het enige, dat bepaalt met welke krachten je waarlijk in harmonie kunt zijn, wat je geestelijk kunt bereiken, wat je waard bent. Het is misschien wel erg jammer, wanneer je in jezelf moet toegeven, dat je geen heiligenbeeld waard bent, maar hoogstens kunt dienen als gargouille aan de kathedraal van de eeuwigheid. Maar het beseffen hiervan betekent, dat je dan tenminste in staat bent om je taak als gargouille op de juiste wijze te volbrengen.

Een mens kan in vele gevallen nog wat beestachtig zijn. Wanneer hij dit niet toegeeft en doet, of hij alleen maar een heilige geest is, wordt zijn leven in stoffelijke en geestelijke zin een mislukking. Maar wie toegeeft, dat hij een beetje beestachtig is en het beestachtige dat in hem leeft, gebruikt om het grote doel op de meest juiste manier te dienen, dan heeft hij zijn plaats bereikt en heeft zo, volgens zijn mogelijkheden, iets belangrijks tot stand gebracht.

Elke mens droomt van bepaalde dingen. Daarbij zijn altijd weer punten, die betrekking hebben op het voortbestaan, op de geest, op bewustwording, zelferkenning en alles, wat daarbij hoort.

Deze droom om te zetten in een werkelijk deel van je dagelijkse leven en werkelijkheid is de enige mogelijkheid om van deze verlangens en realisaties nog iets anders te maken dan een vluchtige, snel vergaande, maar zeer geliefde droom.

Werkelijkheidszin is noodzakelijk om geestelijk bewust te leven en een werkelijke geestelijke bewustwording door te maken. U zult zeggen: “Dat hebben wij al zo vaak gehoord, moet jij ons dit nu nog eens komen zeggen?” Mijn antwoord is dan: u hebt groot gelijk. Het is u al heel vaak verteld. Maar zegt u mij dan eens, hoe het komt, dat nog zo weinig mensen er werkelijk iets aan doen? Het is de mensen verteld door Jezus en in Zijn naam sindsdien op God-weet-hoeveel preekstoelen. Het is u verteld door de geest in meerdere miljoenen van geestelijke groepen over geheel de aarde, in een niet te tellen aantal van seances en geïnspireerde redevoeringen. Het is de mensen verteld in inwijdingsscholen en ook elders. Hoe komt het dan, dat de mens wel wil dromen van het hogere, maar zo zelden ertoe overgaat het geheel van Zijn leer om te zetten in de praktijk? Is de mens misschien bang te erkennen, hoe zeer hij tekort schiet in vergelijking met zijn eigen dromen? Dan is het tijd, eindelijk die angst te overwinnen. Want leven in waarheid wil zeggen: Leven in een bewust contact tot God. Leven in een droom wil zeggen: Leven in een verdwazing, waaruit je moeilijker zult ontwaken, naarmate je langer droomt.

Dit is niet alleen retoriek. Ik heb verschillende van in hun droom verwarde geesten tot de werkelijkheid terug moeten brengen. Dat was wel zeer vermoeiend en haast niet te volvoeren. Zo zwaar, moeilijk en tragisch kan het zijn, wanneer een mens verdwaalt in zijn eigen dromen.

Denkt u er eens over na. Dromen zijn mooi en woorden kunnen mooi zijn. Alleen, wanneer zij gepaard gaan met werkelijke daden en in je wezen helpen om de grote werkelijkheid tot uitdrukking te brengen, hebben zij een betekenis, die verder reikt dan een dom en tragisch spel.

Ik hoop, dat u er eens over nadenkt. Ik heb overigens de opdracht over enige tijd een lezing voor u te houden over “Kolder en Humor”. Ik ben van plan dit ernstig te doen en zal daarin op deze waarheden, vanuit een ander standpunt, nog wel eens terug komen, want ook voor u geldt: Kijk zo nu en dan eens achter de grapjes en de schijnbare oppervlakkigheden, achter de dromen. Ik ben misschien niet zo belangrijk, maar één ding is zeker: Ik tracht tenminste voortdurend te doen, wat ik u voorhoud. Houdt mij daarbij gezelschap alstublieft.

image_pdf