Waarheid en waan – deel 2

image_pdf

15 oktober 1957

Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat alle dingen waan zijn, wordt het noodzakelijk om voor ons een houvast te vinden, voor onszelf een weg te vinden die onafhankelijk van waan of werkelijkheid in ons een perfecte realisatiemogelijkheid baart van iets onvergankelijks, iets eeuwigs.

Die weg kan op vele wijzen bezien en betreden worden. Praktisch elk geloof, elke lering geeft ons de mogelijkheid om door te dringen tot een bepaald gebied, dat zich verder ontplooien kan tot oneindigheid. Ik wil echter deze maal proberen met u een weg te bespreken, die ligt in alle leven, dus onafhankelijk van enigerlei specifiek religieuze of dogmatische lering. Aan het begin van die weg staat de liefde. Aan het eind van die weg staat wederom de liefde. Zij liggen echter op een heel verschillend plan. Daartussen liggen de trappen van zelfreiniging en zelfbeheersing. Om duidelijk te zijn, moet ik hier afstand doen van het voorrecht anderen en wijzeren te citeren. Wat ik u hier dus voorleg is mijn eigen versie en eigen weergave van reeksen oude stellingen. Ik ben zo vrij dit te amenderen, voor zover dit krachtens ons geestelijk ervaren mogelijk en noodzakelijk is.

De kern van de mens is zijn gevoel, Zijn gevoelsleven is het, dat boven het verstandelijke uit zijn denken dilateert. Dit denken wordt stoffelijk meestal in drie delen verdeeld en wij noemen daarvan allereerst het z.g. dierlijke denken, inhoudende de instincten. In de tweede plaats het z.g. menselijke denken, welke gedachtesporen niet te vinden dijn in de hersenen zelf, maar deel uitmaken van de grote zenuwganglia, de zenuwstrengen. En dan in de derde plaats kennen wij het werkelijk grote verstand, dat inhoudt de menselijke rede, maar dan geperfectioneerd. De normale menselijke trede is slechts een verklaring van het gevoelsleven.

Wanneer wij nu de rede en hit denken gaan beheersen, zullen wij niet verder komen, omdat ons gevoelsleven voortdurend ons dwingt te gaan langs paden, die wij achteraf misschien redelijk kunnen of trachten te verklaren maar toch niet reëel beleven. Wij moeten dus beginnen bij het gevoelsleven. En nu klinkt het u misschien vreemd, wanneer ik hier in een esoterische school begin te spreken over seksualiteit als een van de belangrijkste principes, die er bestaan. Toch moet ik dit doen. Ik bedoel hier niet mee de grofstoffelijke vorm maar de kosmische vorm van het dualisme, dat in seksen wordt uitgedrukt.

Het feit, dat er seksen zijn impliceert dat elk wezen, dat slechts een seksuele eigenschap in zich draagt – dus hetzij manlijk hetzij vrouwelijk is – onvolledig is. Deze onvolledigheid behoeft aanvulling. Vandaar dat de mensen reeds in de oudheid goden uitbeeldden als bv. Hermes, die twee seksen gelijktijdig in zich dragen. Die zijn zelfbarend, zelfvoortbrengend en zelfinstandhoudend. Dit in zichzelf besloten zijn betekent de grote realiteit van je eigen wezen verwierven. Die grote realiteit van je eigen wezen is niets anders dan het accepteren van het begeerteloze. Ik hoop dat dit duidelijk is. Het begeerteloze.

Het punt waarin de dringende behoeften en begeerten – de eeuwige jacht, veroorzaakt door de onvolledigheid van de eigen persoonlijkheid – ophouden en daarvoor in de plaats komt vrede, sereniteit en – moeilijk omschrijfbaar, maar ik zou het ‘t best kunnen noemen – een kosmisch aanvoelen.

Nu staat aan het begin van het pad de liefde, niet als zuiver stoffelijke uitdrukking, maar als een vervollediging van de persoonlijkheid. Elke man draagt in zich mentaal ook het vrouwelijke, elke vrouw draagt in zich mentaal ook het mannelijke. De eigenschappen, die stoffelijk tot uiting komen, worden heel vaak opgevangen door het aanwezig zijn van absoluut tegengestelde denkmogelijkheden en gevoelsmogelijkheden. In de westerse maatschappij worden deze niet bij de sekse behorende gevoelens en reacties veelal onderdrukt en zo naar het onderbewustzijn verdreven. Het jammere is, dat ze daar – ook wanneer een seksueel contact ontstaat – veelal blijven. Toch wordt daarmede – excuseert u mij, dat ik deze uitdrukking naar voren breng – de huwelijksdaad teruggebracht tot een paring van lijken zonder meer. Het is een lichamelijke daad: welke stoffelijke betekenis, geestelijk niets  zegt.

De mensen spreken dan in het westen romantisch over het één worden der harten. Ook dit is van geen belang. Een ogenblik van gezamenlijk gedeelde gevoelens waarborgt niet een voortdurende eenheid. Men kan zeggen, dat de vrouw a.h.w. in zich de slapende man bergt, terwijl de man in zich bergt de slapende vrouw. In het contact van beiden op stoffelijk en geestelijk niveau ontstaat de behoefte aan begrip. De behoefte aan begrip, die de vrouwelijke eigenschappen in de man zal bevorderen en sterker op de voorgrond zal stellen, terwijl omgekeerd de vrouw haar vermogen tot mannelijk reageren en denken sterker in aanspraak zal moeten nemen. Dit betekent een volledig worden van de persoonlijkheid en het is daarom, dat de liefde – nog in zijn kleine en bekrompen vorm aan het begin van het pad staat. Het is de eenwording van de geestelijke factoren, waardoor het wezen vollediger wordt. Heeft men dit bereikt, heeft men eindelijk in zich een begrip gekregen, dat a.h.w. de standpunten en de mogelijkheid van beide seksen in zich bevat, dan eerst is men rijp voor het volgende. Die volgende stap is het werken met de gevoelens.

Natuurlijk hebben wij in de eerste fase een fictieve wereld opgebouwd. Een wereld waarin de bloesem een uiting is van onze eigen gevoelens, de opgaande zon slechts betekenis krijgt als licht van onze stoffelijk. uitgedrukte eenheid, waarin de vruchtbaarheid van de wereld ons onbewust tot symbool wordt voor onze eigen vruchtbaarheid. Maar we moeten verder.

Onze gevoelens zijn over het algemeen zeer onbeheerst. Wij zijn misschien wel in staat ons denken te beteugelen, maar niet om het gevoel te regeren. Toch is dat de eerste noodzaak: Want zo reeds gezegd: niet het denken maar het gevoel in de eerste plaats is bepalend voor een grote reeks van handelingen voor impulsen, dus voor bewustwordingen. Zolang wij door het gevoel geregeerd worden, zijn wij als een vurig paard, dat door de koningin van waan bereden wordt. Wij gaan en weten niet waarheen. Wij zien niet met eigen ogen. We ervaren geen werkelijkheid. Wij moeten dus leren om de gevoelens, de impulsen, waardoor de waan voortdurend regeert, te verminderen, te beperken. Deze beperking zoeken wij in de eerste plaats van uit een verstandelijk standpunt. Schijnbaar is dat een tegenstrijdigheid.

Maar realiseer u goed: Wij kunnen het gevoel niet beperken door eenvoudig het gevoel te onderdrukken. Het is iets, dat impulsief heel vaak zelfs zonder voor ons kenbare aanleiding in ons optreedt. Wij moeten het gevoel mester worden en wij gaan dus in ons denken de gevoelswaarden anders stellen, Wij gaan op de duur het gevoel a.h.w. deel maken van ons denken. Hierdoor is het de waan niet meer mogelijk om ons voort te jagen. Want waar zij de sporen indrukt met de emotie, met het gevoel, daar kunnen wij nu zeggen: “Hé, deze emotie erken ik niet.” Wij vormen haar dan om tot iets, dat voor ons wel bruikbaar en redelijk wordt. Zo worden gevoelen en denken tot eenheid gemaakt. En hebben wij dat verkregen, dan komt de daarop volgende fase, de fase der reiniging.

Nu wordt reiniging vaak verkeerdelijk verstaan. Men ziet deze of zuiver geestelijk of zuiver stoffelijk. Toch heeft het eersten ook zijn spreuk daarvoor: mens sano in corporo sano – een gezonde ziel in een gezond lichaam.

Dit houdt in, dat ons lichaam ook gezond moet worden gemaakt. Zijn wij meester van onze gevoelens, dan zullen wij onze leefwijze moeten aanpassen aan de behoeften van ons lichaam en gelijktijdig ook onze oefeningen: dus o.a. onze overpeinzingen, ons zoeken naar de waarheid, ons denken aan een volledig blijvend gezond en reëel bestaan.

Die reiniging kan langs veel wegen verkregen worden. In het westen zien wij vormen van zuiver psychische reiniging, o.a. in de vorm van biecht, dus het uitspreken van hetgeen ons belast, waardoor het a.h.w. als schadelijke invloed uit ons verwijderd wordt. In het oosten zien wij het heel vaak als een combinatie van stoffelijke en geestelijke factoren, waarbij het lichaam wordt gereinigd. Een van de Yoga-leringen gaat daarbij zelfs zo ver dat zij o.a. het opsnuiven van water voorschrijft. Leren drinken door de neus en teruggeven door de mond en omgekeerd. Men moet leren om het lichaam a.h.w. door braken te reinigen, enz. In beide gevallen wordt hier hetzelfde bereikt. Door lichamelijke reiniging wordt een soort ontheffing van stoffelijke belasting ervaren. Door de biecht dus het uitspreken van gedachten, van gevoelens, en wel op zodanige wijze, dat men daarop a.h.w. een antwoord krijgt – krijgt men ook ditzelfde gevoel: Het gevoel van zuiver te zijn, van rein te zijn. Heeft men dit gevoel en is men meester over zijn emoties, zodat men zich niet laat drijven door elke nieuwe invloed, die in het leven komt, dan kan deze toestand lange tijd behouden blijven. In deze reinheid komt dus de volgende fase: de meditatie.

De meditatie wordt gebruikt als middel: zij is nooit ons doel. Zij dient ons als middel omdat wij nu eenmaal moeten en willen doordringen in een waarheid, die buiten het voor ons kenbare ligt. Het geschoolde gevoel kan elke stoffelijke gevoelsinvloed afweren en toch gelijktijdig de impuls aanvaarden, die van het niet-gekende gebied komt. Een andere wereld en een andere toestand vinden een uitdrukking in het ik: een andere wereld en een andere kracht openbaren zich en brengen zo voor ons een toestand van innerlijk welbehagen, waarbij gelijktijdig een wereldvervreemding kan optreden. Vervolgens leren wij harmonie tussen stof en geest te bewerkstelligen. Ik kan u natuurlijk al deze leringen niet zonder meer geheel uiteenzetten.

Maar ik wil ook dit kort aanstippen. Wanneer men in staat is het lichaam volledig te ontspannen op het ogenblik, dat ook de, geest volledig ontspannen is, krijgen we een zeer vreemde toestand. Een toestand, waarin ook ons eigen beleven ons niets meer zegt. Hierdoor ontstaat een verzinking in een kracht, die niet meer als wereld te omschrijven is: En is ook deze fase doorleefd, dan komt men tot de laatste fase, die dient om de waan te verdrijven. Men leert in de volledige overgave te komen tot een aanvaarding wan deze hogere kracht en zal bv. heel vaak i.p.v. te rusten of te slapen zich in deze kracht verzinken. Hierdoor wordt een grote stimulans bereikt zowel op stoffelijk als op geestelijk terrein. Deze maakt het ons mogelijk inzicht te verkrijgen inde achtergronden der dingen. Die weg om de waan te verdrijven brengt ons tot “een” werkelijkheid. Ik zeg uitdrukkelijk “een” werkelijkheid, niet “de” werkelijkheid. Maar een werkelijkheid, waarin – vanuit ons standpunt – het gehele kosmische bestel is uitgedrukt. Een toestand, waarin wij de samenwerking en onderlinge beïnvloeding van alle delen (dingen) voor onszelf redelijk kunnen ervaren. Dan hebben wij dus de waan a.h.w. teruggedrongen. Ze is aanwezig en ze blijft aanwezig. Persoonlijk inzicht en het persoonlijk denken blijven een stempel drukken op de eigen beleving, op de eigen reactie en op de eigen bewustwording. Maar deze bewustwording is niet meer gebonden aan de in ons liggende beperkingen. En dat is belangrijk. Want nu kunnen wij, doordat de beperking ophoudt te bestaan, komen tot een volledig opgaan in een grotere kracht, waarbij een instinctief beleven a.h.w. vervangend optreedt voor het bewust beleven. Het kleine “ik”-wordt uitgeschakeld, het grote “ik” wordt geboren. Het “ik”, waarin het goddelijk licht onmiddellijk werkzaam is.

Degene die dat ondergaan, verkeren vaak in trancegelijke toestand. Zij zijn a.h.w. uitgeschakeld uit het leven. Het is geen krampachtige vlucht: toch toont het lichaam zich als praktisch versteend. Het toont zich verder met een minimum aan temperatuur en polsslag, volledig kil en zelfs koud. Slechts bij de kruin zal over het algemeen enige temperatuur zijn waar te nemen, dus een verhoging van de normale lichaamstemperatuur zelfs. Dit komt, doordat het lichaam, dan uitgeschakeld wordt. In deze uitschakeling staan de levensfuncties praktisch stil. Bij de terugkeer ontstaat daardoor – mag ik zeggen – een levenshonger, en gaat a.h.w. met vergrote intensiteit het eigen leven na om daarin de weerspiegeling te vinden van de geestelijk beleefde werkelijkheid.

Nu gaan we proberen – nadat ik hier de procedure, de weg, een klein beetje beschreven heb – ons eens voor te stellen, wat de werkelijkheid is buiten de waan om. Dus we gaan eens even voor ons zelf alles uitschakelen, wat niet waar is. We gaan proberen daarin een waarheid te vinden. De wereld, die ik zie, bestaat niet zo. Dat, wat ik denk te zijn, ben ik niet. Dat, wat ik meen te weten over andere werelden, is geen waarheid. Al wat ik zeg, al wat ik denk, al wat ik omschrijf, is in feite een zodanige beperking van de werkelijkheid, dat ze tot leugen wordt. Ik wil echter zoeken naar de werkelijkheid. Ik verwerp dus voor een ogenblik de wereld die rond mij is. Weg al wat ik zie, weg alle geluiden, ja, zelfs het spreken van het eigen lichaam leg ik stil. Stilte en niets dan dat.

Wat bestaat er nu nog? Ik besta. Maar wat ben ik? Ik weet het niet.

Ik beng zeker, maar onbegrensd en onwetend. En in deze onwetendheid is al, wat ik ontmoet “ik”. Al wat is. Maar wat is wordt geen uiting: het wordt geen openbaring, geen vorm, geen kleur, geen licht. Het is, zonder meer. Het is als het aanvoelen van de aanwezigheid van iemand anders in een stille kamer, en dan te ontdekken, dat het je eigen schaduw is. Het is een gevoel: Meer niet. Een gevoel dat langzaam maar zeker ook nog wegebt en niets overlaat dan een bewust zijn: het zijn. Het zijn, onbeperkt, onbegrensd, volkomen reëel, vol van kracht en intensiteit. Dan weet ik – voor het eerst misschien in alle tijd, dat ik heb bestaan – wat werkelijkheid is. Want al, wat ik nemen wil aan begrenzing, kan ik hier in dit niet-begrensde “ik” opbouwen: en het bestaat. Alles wat leeft, wat ik schep of wat ik ken, is slechts een speeltuig van het zijn. Het zijnde, dat identiek wordt met ik, met ego.

Nu hebben wij zo getracht ons voor te stellen – al is het misschien praktisch voor de meesten haast niet bereikbaar – wat de eindtrap is van de hele weg van leven en van streven, want die eindtrap is het zelf creëren, het jezelf erkennen en het herkennen van alle dingen. “Dat zijt gij”, zeiden de oude leermeesters: En gij herhaalt het voor uzelf: “Dat ben ik.” En daardoor wordt de liefde nu volledig tot uiting gebracht in Uzelf. Want al wat ge schept aan licht en schaduw zijt ge zelf. Ge hebt de schaduw lief, omdat ze deel van u is, zoals ge ook het licht lief hebt, omdat het deel van u is.

In dit deelgenootschap wordt het spel der waan tot iets anders. Het wordt een werkelijkheid, een uitdrukking, niet van uw wezen maar van uw liefde voor al wat leven, wat zijn, wat bestaan inhoudt. Zo is het scheppende spel de realisatie van de grote liefde, die de eindtrap is. De eindtrap van ieder, die de bewustwording nastreeft.

o-o-o-o-o

De kleine prins.

Er is in het leven zo buitengewoon veel, wat je eigenlijk niet begrijpt. En dat onbegrip veroorzaakt altijd weer strijd. Alle strijd betekent beperking van wijsheid. Gelijktijdig zou je kunnen zeggen, dat strijd een uiting van het noodlot is.

En daarom zou ik u het volgende verhaal willen voorleggen: Er wordt een mens geboren op aarde. Een vreemd en een bijzonder mens. Wat zijn naam is, weten we niet. Wel weten wij, dat voor het eerst in de kilte van het bestaan liggend, voor het eerst van alle beschutting ontdaan: zelfstandig het kind met een afgrijselijke kreet het nieuwe leven begroette.

En ieder, die aanwezig was geweest bij de geboorte, sprak over de eigenaardige kentekenen, die het kind droeg Want ziet, het lichaam drukt vaak reeds in de geboorte iets van het wezen uit. De oren waren op een wonderlijke wijze vastgegroeid, zodat de oor lellen doorlopend geheel maakten met het hoofd.: De kleine neus – nog niet eens vol gevormd – toonde al iets van een trotse steilheid en het voorhoofd was – zelfs voor een baby – hoog. Ieder verwachtte dan ook van deze mens een bijzondere uiting, een bijzonder leven: En altijd weer werden deze verwachtingen uitgesproken.

Men zeide: “Mijn kleine prins, je bent voor grote dingen voorbestemd. Leer, mijn prins. Speel, mijn prins,” En het kind gaf als een prins zijn bevelen: En de ouderen? Zij gehoorzaamden, want zij verwachtten in het kind een wonder. Zo meende het kind, dat het meester was van de dingen. En het begon zijn orders te geven ook daar, waar zij niet gehoorzaamd werden. Het zei tot de bloemen: “Bloei,” Maar zij bloeiden niet. Het sprak tegen de wolken: “Ga heen, ik verlang de zon te zien.” Maar de regen viel grof en zwaar. Het kind weende.

Toen het kind zeven jaar oud was, kwam de pest. De ouders stierven en de kleine prins stond alleen in de wereld, die niet gelooft in prinsen en in wonderen. En altijd, wanneer de kleine prins hongerig en vermoeid zich een schuilhoek zocht, droomde hij. Droomde van een wereld, waarin hij regeerde, waarin de zon scheen op zijn woorden en de bloemen bloeiden. Waarin de mensen gelukkig waren, omdat het zijn wil was. Waarin zij, die hij haatte, ondergingen op afgrijselijke wijze, omdat ze het gewaagd hadden hem te beledigen. Zo werd de kleine prins een dromer. Hij leefde meer in zijn eigen wereld dan in de ruwe wereld, waarin hij zijn dagelijks brood moest zien te verdienen.

De dagen gingen voort en niemand kan de kilte breken, die als een ijzeren grens rond de persoonlijkheid van de jongen lag. Niemand kon ooit een gevoel aan hem ontlokken, dat niet was een uiting van “ik”. Niemand zag een glimlach op zijn gelaat, tenzij een glimlach van zelfverheerlijking. Niemand hoorde een woord met gevoel, tenzij een woord van zelfbeklag. En zo werd hij, die door de ouders een prins genoemd werd, uitgestoten uit de maatschappij.

Hij kwam bij de bloemen en weende en zeide: “Waarom bloeien jullie niet?”

“Ben ik dan geen prins?” Dan: een wonder: waar de tranen de aarde beroerden, bloeiden de bloemen. De rozen omgaven hem met duizenden geuren, de vogels zongen hun lied en de wolken vluchtten weg en lieten de weldoende stralen der zon neerdalen op de wenende mens.

Toen vroeg hij zich af: “Ben ik dan toch meester van al deze dingen?” Hij ging een stad in en nam zich het eten, want dit was zijn wens. Men sloeg hem en benam hem zijn vrijheid. Hij vluchtte terug in de droom. Omdat hij wilde nemen, werd hem niets gegeven.

Eens zag hij een dier. Een klein eenvoudig dier. Een dwerghert. Een dwerghert, gevangen in een wrede strik. Bewogen door medelijden hergaf hij het dier zijn vrijheid en toen ging hij verder en droomde van zichzelf, dat hij een vorst was groot en machtig. Bijna was hij zelf in een valkuil terecht gekomen, maar het kleine dwerghert waarschuwde hem. Het liep voor zijn voeten en wekte hem uit zijn droom tot de barre werkelijkheid.

Telkenmale wanneer hij droomde, tot in de dorpen en in de steden toe, was daar het dwerghert. Het volgde. En toen zeiden de mensen: “Ziet, deze vreemde mens heeft toch van de goden een gave ontvangen.” En zij wisten niet, hoe groot die gave was: Want nu hij niet meer dromen kon en de werkelijkheid moest zien, was de kleine prins ongelukkig, was de jonge mens voortdurend in diep leed, en in voortdurende zelfstrijd. Maar hij kon niet vluchten in de droom. Het was alsof het hert zijn gedachten kon lazen. Wanneer een flits van verlagen en begeren de wereld omtoverde, was daar de bruine schim, was daar een vochtige snuit en vier fijne, smalle beentjes en de droom was voorbij: En zo leerde de jonge man de werkelijkheid kennen. De werkelijkheid kennen tegen wil en dank, omdat hij niet meer dromen kon. En hij vervloekte het hert, maar doden kon hij het niet, omdat hij het eens het leven gered had.

Twee maal eenentwintig jaren gingen voorbij. De kleine prins was oud geworden. Grijs waren zijn haren, moe zijn voeten. Het hert volgde hem al lang niet meer, maar de dieren des velds schuwden hem niet. Zelfs de vorstelijke cobra groette hem statig buigend, maar viel niet aan.

Toen: gaande naar de bergen met de weedom en het leed, dat in hem lag zag hij voor het eerst de wereld. De wereld, niet in een ontvluchting, maar als een vlucht naar een andere, grotere werkelijkheid. Met zijn geest a.h.w. aanzijn lichaam onttogen zag hij over het land. In vrede en begrip zag hij de wereld onder zich liggen. Hij wist, dat het goed was zo te zijn, vervuld van vreugde, van kracht niet zijnde de vorst, die regeert maar zijnde de waarnemer, die zich laat doordringen door al het gebeuren der wereld en zo alle wereld zijn eigen noemt.

Veertig dagen bleef de nu oud geworden mens op de berg. Voedsel noch drank beroerden zijn gehemelte. Toen wist hij, dat hij besluiten moest: terugkeren en verder lijden of bestaan in die grote vreugde. En hij keerde terug. Terugkerende vond hij voor het eerst zijn ware bestemming. Want hij zag door de ogen der mensen in hun harten. Hij zag door de wanden van paleizen en hutten, wat er binnen leefde. Hij zag de strijd der dieren in de wrede natuur en hij begreep, dat het niet anders kon zijn. Zo werd in hem de waarheid geboren. En vol werd zijn hart van licht, van liefde voor al het leven. Hij keerde terug naar de plaats waar hij geboren was en wilde de waarheid verkondigen die hij ontdekt had. “Gij”, zo sprak hij luide op de dorpsplaats, “denkt te zijn, maar gij zijt niet. Want in u is een leegte. Hol zijn uw gedachten, zonder betekenis uw woorden, uw daden zijn niets dan een schimmenspel, door hogere krachten opgevoerd voor het Volmaakte.” Hij wilde nog zeggen: “En toch leeft in u een licht..” Maar voor hij die woorden uitsprak, vielen de kogels. Kogels van de jagers. En terwijl hij ineen zeeg, stamelde hij nog: “In u is het licht,” . De vrouwen namen modder en stenen en wierpen, ze op hem. De mannen schreeuwden en trokken hun mes naar wie hen beledigd had en doodden hem.

Zijn ouders nu, levend in de hoge wereld, bij de lotusvijvers der eeuwigheid, zagen hem komen, hem, die op aarde niets betekend had voor de mensen en voor zichzelf slechts leed en bitterheid had gekend. En zij wilden wenen, omdat hij zo gekomen was. Maar ziet, heel het zonnige land der vreugde werd vervuld van ene stem, die hun zeide: “Ziet, deze heeft waarlijk het leven gewonnen.” Toen de ouders naar hem toe wilden gaan om hem te kussen en hem beschermend welkom te heten, deinsden ze verblind terug. Lichtend en hoog schreed hij boven hen uit: een zon, die tot hem neeg en die zij niet konden aanschouwen. Zo groot, zo hoog was die mens geworden.

In de wereld der sterren was een zon geborene een zon, die planeten regeert en zegt: “Dat hier een wereld ontsta en daar een wereld verga,” Want een mens wordt geboren met een eeuwige bestemming. Met een kracht in zich, groot als die der scheppers. Maar indien hij niet eerst leert de Schepper te aanvaarden, te kennen en toch de mensheid te kiezen ommentwille van die Schepper, zal hij nooit worden tot een licht, dat staat aan de hemel, dat schept en leven geeft, dat bewustzijn geeft en vreugde van een eeuwig leven.

Dat was het verhaal. De moraal kunt u zelf wel vinden. Maar ik zal haar toch in een paar regels kort voor u schetsen: Iedere mens is als deze, van wie ik spreek. In zich droomt hij van een wereld, waarin hij regeert. Hij weent en verzet zich tegen de wereld, omdat zij niet gehoorzaamt aan zijn stem.

Dan gaat die mens uiteindelijk de eenzaamheid in. Sommigen vroeg anderen laat. Niemand kan daaraan ontkomen. Zelfs Hij, die men Jezus van Nazareth noemt, ging veertig dagen in de woestijn. En ook voor Hem lag de bekoring open, de bevrijding van de wereld, de vrede en het beschouwen der dingen. Maar een mens verliest zijn mensheid en geestelijk erfdeel, wanneer hij niet terugkeert. Het is niet onze taak om boven de mensheid uit te groeien Het is onze taak de mensheid te aanvaarden en haar te geven wat wij haar geven kunnen, opdat zij zich bewust worde van de werkelijkheid, die in haar leeft.

Ik hoop, dat u met dit verhaal genoegen wilt nemen. Het is een gelijkenis, die u misschien heel veel zeggen kan voor uw eigen wezen. Het is misschien ook een belofte, die u troosten kan, wanneer ge in uw lijden soms meent uw wereld te moeten verlaten en u terug te trekken in een wereld van fantasie. Maar of ge u terugtrekt of niet, eens zult ge de werkelijkheid moeten erkennen. In het erkennen van die werkelijkheid zult ge moeten opgaan tot een eenzaam bestaan om van daaruit te komen tot een realisatie van de schepping en uw eigen taak daarin.

o-o-o-o-o

Een poging om esoterie te verklaren is eigenlijk het binnenste – buiten draaien.

Esoterie is innerlijke wetenschap en per slot van rekening kun je die niet in woorden uitdrukken, tenzij je ze exoterisch maakt. Maar dan is het geen esoterie meer. Je zou dus kunnen zeggen: een poging om esoterie te verklaren is eigenlijk het binnenste – buiten draaien van de betekenis der woorden in de hoop, dat de mens het innerlijk gevoel krijgt, dat hem zijn uiterlijke omstandigheden juister verklaart. En laat ik nu eens een keer proberen om de esoterie van mijn kant te zien.

De binnenkant van de dingen is eigenlijk – hoe moet ik het zeggen – heden en verleden in een capsule, gestempeld met het nummer, dat de verwachting der toekomst daaraan geeft. Wat je van binnen hebt, daarvan kun je niet bepalen wat er vandaag is en ook niet wat morgen. Want water eenmaal in je ligt, dat blijft bestaan. Nu zijn er heel veel theoretici, die uitgaan van het standpunt, dat de kosmos alles bewaart, dus dat elke daad, elke gedachte, alles wat je ooit gezien hebt of zien zult, vastligt en bewaard blijft in het kosmisch denken. Ik kan daar persoonlijk niet zo erg in meegaan, want ik heb de dingen op een persoonlijke manier gezien – van mij uit – en ik behoud in mij deze persoonlijke herinneringen. Ik zou dus eigenlijk willen zeggen: Wat in ons leeft is niets anders dan het totaal van al, wat we ooit hebben meegemaakt: En dan niet alleen in een leven, maar in alle levens, in alle bestaansvormen en in alle toestanden.

Als je dat zo bekijkt, voel je eigenlijk voor jezelf, dat wat je van binnen bent niet helemaal klopt met wat je van buiten bent. Er is een voortdurende spanning tussen de – laten we het deftig zeggen – exoterische beleving en de esoterische bestreving, die in je gelegd is. Ik heb dat persoonlijk heel sterk ervaren, en ben daaruit eigenlijk tot de volgende conclusie gekomen: Je leven – zoals je dat bent, wanneer je op aarde leeft of ergens in een sfeer – is slechts een zeer kleine gedeeltelijke weergave van de werkelijke inhoud van je wezen. Ik geloof, dat we het daarmede eens zijn. Trouwens, het is ook niets nieuws, het is oud nieuws. Maar het is oud nieuws, dat altijd nieuw blijft, omdat je voortdurend weer tot die ontdekking komt. Wanneer nu mijn beleving maar de weergave is van een plein deel van mijn persoonlijkheid, dan staat een ander deel van mijn persoonlijkheid op non-actief, het is uitgeschakeld. Maar kan dit deel van mijn persoonlijkheid voortdurend uitgeschakeld blijven? Volgens mij niet, want het bewustzijn kan nooit nauwkeurig begrensd blijven binnen dezelfde tijd. Zoals je de wereld ziet als een jonge kerel van 20 of als een nog niet zo oude heer van 65, dat is toch wel een redelijk  verschillen.

Dat verschil kan nooit liggen in de verandering van de wereld. Je denkt het wel, maar het is niet zo. Het is een verandering van je eigen beschouwen van de wereld. Je bent zelf in die wereld ook een ander geworden. Met het ouder worden is dus je opvatting en wereldbeleving veranderd, terwijl je persoonlijkheid wel gelijk is gebleven, daar een ander deel van je persoonlijkheid is ingeschakeld.

o-o-o-o-o

Meditatie

Regenboog

De regenboog is een verschijnsel, dat ontstaat door de breking van het licht. Het blijkt dan, dat in de weerkaatsing alle kleuren ontstaan, die we in het licht der zon zelf niet erkennen.

De mens heeft zich de regenboog gedacht als teken, van het verbond tussen God en mens, als brug tussen het stoffelijk bestaan naar een andere, goddelijker wereld. In feite zal men daar als volgt over kunnen spreken: Regenboog

Een kleurenbrug, die naar een einder streeft, waarin ‘t ons schijnt, dat ‘s levens licht en kleur uitbundig leven. Regenboog in werkelijkheid ontleding van het licht, dat ons het leven is. In feite dus gemis aan volle zonnekracht, gemis aan volle zonnepracht.

Toch noemen wij weerkaatsing schoon, omdat wij niet de kracht bezitten, het ware reeds te zien en vaak de felheid nog bezitten van ‘t wondre licht der zon. Toch is ze voor de regenboog haar oorzaak en haar bron.

Wanneer in ‘s levens wolken en leed het licht ons breekt, dan is het of de wereld een andere tule spreekt. Het is ons eigen wezen, dat nu de zon verstaat, waar anders onbegrip nog ‘t onberoerd en onverwerkt ons laat.

De regenboog is teken van ware zonnekracht. Voor al wat leeft in goddelijk licht. Symbool van alle pracht, die in ons wezen leven zal, is ‘t slechts tot God gericht.

Zoals de regenboog een weerkaatsing is, zo zijn de vreugden en ervaringen -van het leven een weerkaatsing van pan werkelijkheid, die we niet verdragen kunnen. Maar zoals de regenboog ons het teken is, dat de zon schijnt, dat in de wolken haar krachten werkzaam zijn, zo is het kennen van de vreugde en ook van het leed van het leven voor ons een teken, dat de goddelijke kracht werkzaam is temidden van. onze beperktheid van stof en geest: en dan kunnen wij dromen van het ogenblik, dat de zon weer schijnt, dat het licht ons beroert en ons baadt in levende kracht.

image_pdf