Waarheid en waan

23 oktober 1955

Inleiding

We zullen vandaag trachten om wat verder te gaan in de hogere waarheid.  Ook hiervoor heb ik een spreker beschikbaar gevonden, die U naar ik hoop, zult kunnen appreciëren.

Om U een klein beetje in te wijden in het materiaal, zou ik U willen wijzen op verschillende aspecten van zijn, die gelegen zijn buiten de directe stoffelijke wereld.  Hierover werd o.a. geschreven door een filosoof der oudheid.

“Het zijn is een wereld van gedachten.  Maar hoe kunnen mijn gedachten tot stand komen?  Want al wat ik denk, is gebaseerd op de wereld rond mij”.  Zo kan ik niet zeggen:

“Mijn wereld is slechts denken“. Er moet een oorzaak voor dat denken gelegen zijn in de wereld.”

Dit is een verweer-betogen, die werd uitgesproken tegen de Maya-filosofie, de filosofie der begoocheling.  Er moet een realiteit zijn.  En, vreemd genoeg, vinden we diezelfde aspecten terug tot in de zeer moderne wereld.

Altijd weer tracht de mens te definiëren wat hij is, dat hij bestaat en dat tracht hij ook in zijn wereld te omschrijven.  En hij loopt altijd vast op het punt: Ik denk wel, maar mijn denken is bepaald door vormen rond mij.  En deze vormen waren er, voor mijn denken tot stand kwam.  Waar ligt de waarheid?

Dit wordt uitgedrukt door een andere schrijver in de volgende zin: “Waarheid is niet kenbaar.  Zij is slechts schijnbaar, omdat we nooit in staat zijn te bepalen, wat waar en wat onwaar is.  In mij geloof ik aan de waarheid.  Buiten mij kan ik de waarheid niet bewijzen.

Deze tweede spreuk geeft de weifelende, onbepaalde houding aan van de mens – en ook van de geest – die niet in staat zijn buiten zichzelf te treden en objectief een wereld te beschouwen.  U zult begrijpen dat ook aan onze kant, van dit probleem vele studies gemaakt zijn.  Zo zou ik U een spreker van de groep der Barmhartigen willen voorstellen.  Een groep, die reeds lange tijd werkzaam is, maar hoofdzakelijk haar werkzaamheden bepaald tot de aardgebonden geest, eerder dan tot de mens op aarde.  Een van de sprekers van die groep zal thans het woord tot U richten.  En vanuit het standpunt van zijn groep en hun eigen ervaring trachten voor U te belichten hoe zij deze waarheid zien en denken te kunnen benaderen.  Ik vraag Uw aandacht thans voor deze spreker.

Gastspreker

Zoals de inleider U reeds heeft gezegd, is een groot gedeelte van ons onderzoek gewijd aan de waarheid.  De waarheid, die voor ons – mens en geest gelijkelijk – onvindbaar blijkt, waar wij de oorsprong van ons denken en onze gedachten niet kunnen vaststellen.  Langdurig onderzoek, door velen onder ons geschiedt met het doel de waanvoorstelling, (die vooral in de lagere sfeer de geest het leven verbittert en onmogelijk maakt), op te lossen door haar te confronteren met een waarheid, heeft ons ertoe gebracht de volgende stellingen te poneren:

Er zijn vele waarheden.  Maar geen enkele waarheid kan worden erkend door een mens.  Een geest is niet in staat deze waarheid binnen zich ten volle te omschrijven, ofschoon hij – vrij van de stof – beter in staat is deze waarheid innerlijk te beleven, deze echter niet te begrijpen.  Dit geldt evenzeer voor de geest van hen, die nog in de stof leven, die tijdelijk vrij geworden zich verheft boven eigen sfeer.

Waarheid wil zeggen: onveranderlijke waarheid, waarden die door tijd en ruimte overal zichzelf gelijkblijvend, de kern betekenen van alle beleven.

Om de waarheid te vinden is het geest en mens niet mogelijk de positieve weg te volgen door de waarheid zelf te zien.  Zij kunnen slechts de waarheid vinden langs de negatieve weg door elke erkende onwaarheid of onzuiverheid in beschouwing uit hun eigen bewustzijn te elimineren.

Dit zijn de hoofdpunten.  Wij hebben lange tijd gestreefd naar het oplossen van de waanvoorstelling, vooral voor de lagere geest.  Onze pogingen houden zich dan ook hoofdzakelijk bezig met de lagere geest en trachten voortdurend deze geest tot bewustzijn te verheffen.  Wij zijn tot de conclusie gekomen dat elke waarneming van de lagere geest berust op een verdraaiing van werkelijke waarden, die binnen het ik, dus binnen eigen bewustzijn plaatsvinden.  Wat wij als waarheid zien, blijkt ook voor de lagere geest aanwezig te zijn.  Maar waar wij een Lichtende God zien, zien zij een dreigende demon.  Waar wij vreugde zien en hemelse tuinen, zien zij een poel van de afgrond, omringt door vuur.

Lang onderzoeken heeft ons ertoe gebracht als vaststaand aan te nemen, – zonder dat hiervoor een laatste bewijs te brengen is -, dat alle twijfel zou bannen bij elke twijfelaar, nl. dat, wat wij zien onze reactie is op een bestaande werkelijkheid.  Er schijnt iets te bestaan dat in alle sferen gelijk is.  Iets, wat datgene is, wat wij waarheid willen noemen: uitingen van eigenschappen Gods, werkelijke structuur van de schepping. Ik weet niet, hoe ik het noemen moet.  Maar zeker is dat waar wij iets waarnemen, ook de lagere sfeer iets waarneemt.  Alleen deze waarneming is zo volledig vervormd door het ik, dat van hieruit schrikbeelden ontstaan die in afschuwelijkheid alles overtreffen, wat wij ooit meenden als mogelijkheid aan te kunnen nemen binnen het Al.

In onze groep bevinden zich een aantal, wat U zou noemen Indianen, d.w.z. geesten uit het vroegere Amerika, die zich bezighouden met een onderzoek op hun wijze.  En zoals U weet hadden zij een symboliek, waarbij de waarde van alle dingen symbolisch kon worden.  Zij geloofden in een symbool-berekening en passen die ook in onze wereld toe.  Omtrent onze eigen sfeer hebben zij uiteindelijk de volgende thesen opgesteld:

Wij spreken over een liefdevolle God.  Liefde is slechts het aspect, dat wij van die God ervaren.  Wij spreken over licht.  Licht is onze eigen reactie op de invloed, die rond ons is.  Wij zijn ervan overtuigd, dat wij zelf bestaan.  En onze zelfstandigheid menen wij bewezen te zien door het feit dat wij ons door eigen wil kunnen bewegen van wereld tot wereld; en zelfs de waarden van de wereld rond ons kunnen veranderen door voldoende concentratie van gedachten.  Wij komen echter tot de conclusie dat zo wij zelf al bestaan, al ons denken moet voortspruiten uit waarden die worden waargenomen door ons – worden gezien -, maar die wij niet in hun geheel, of niet volledig, begrijpend althans, in ons ik kunnen opnemen en verwerken.

Mijn eigen opinie is, dat, wat wij zien en beleven, het zien en beleven is van fragmenten van de waarheid.  Ik zou echter zeer zeker onze groep, zowel als Uw eigen vermogens verstandelijk en esoterisch tekortdoen, wanneer ik niet de stelling van onze vrienden daartegenover zou zetten.

Mijn eigen vrienden, mijn groep, de Indianen, zij zeggen:

“De mens vertaalt alles in symbolen.  En zoals vroeger een stam zich omwille van de in haar verborgen eigenschappen “het Hert” noemde. En bij een rituele dans dan ook inderdaad het hert,  de bizon, de beer, naargelang het totem,  liet optreden, zo zien wij de dingen in een symbool.  Er is een wereld geweest, waaruit wij allen zijn voortgekomen en waarin wij de waarheid kenden.  In die werden wij nog beheerst door een kracht, die onmiddellijk in ons werkzaam, een realiteit voor ons opbouwde.  In deze wereld ontwakend echter, is de mens – en dat ” mens ” moogt U wel tussen aanhalingstekens zetten – begonnen met te zoeken naar waarden die voor hem bijzonder belangrijk waren.  Hij is daarmee op den duur afgeweken van het patroon dat hem gegeven werd door de Schepper, door de Kracht die voor het “zijn” in die periode aansprakelijk was.  Hierdoor ontstond een sterke differentiatie van waarneming en van waardering voor de verschillende punten der dingen.  De waarheid was hiermee reeds lichtelijk verstoord; maar nog maakte de kern van de waarheid deel uit van elk bestaan.  Naarmate de mens zich meer vrij ging voelen, heeft hij al meer en meer deze wereld van zich afgeworpen.  Hij kon de waarheid niet accepteren en gelijktijdig zo vrij zijn, als hij zichzelf wenste te voelen.  Als resultaat hebben velen bewust, in den beginne, al datgene verworpen, wat hem niet paste; en voor hetgeen hij verlangde een symbool uit de waarheid genomen. M.a.w. alle waarneming, in wereld zowel als sfeer, is in werkelijkheid een symbool-denken.  Wat wij zien is niet een kracht of een gebeuren.  Het is een mogelijkerwijze oneindige reeks van gebeurtenissen, vormen en feiten, die door ons worden samengebracht binnen het ene beeld dat wij zien.

Overigens moet ik toegeven, dat het gebruik van deze theorie, in lagere sferen althans, vele nuttige resultaten heeft afgeworpen.  En wel, omdat wij bij de ontleding van de symbolen, die hoofdzakelijk optreden in de droomwereld, de waanwereld, die zo menig geest in de lagere sferen bindt, door de splitsing in componenten reeds vaak een bevrijding van de geest kunnen bewerkstelligen.  Slechts daar waar de geest zelf hardnekkig voortdurend vasthoudt aan het symbool, aan dit ene beeld, is het onmogelijk door te dringen zonder eerst het beeld zelf volledig gewraakt te hebben.  Die volledige wraking is dus eigenlijk een leugen.

De conclusie, die ik voor mezelf persoonlijk heb gemeend hieruit te moeten trekken, is de volgende: Al wat wij beleven en zien is in ieder geval een deel van de Goddelijke waarheid.  Deze delen houden echter voor ons in: belevingen, die echter verscholen zitten, en die niet bewust worden doorgemaakt.  In zoverre kan ik het dus met het symbool-denken eens zijn.  Wanneer wij ons realiseren dat elke handeling en elk beleven niet alleen staat voor een realiteit in onze wereld, maar staat voor een hele reeks ervaringen, bewustwording en emoties op elk vlak van ons bestaan, dan zullen wij begrijpen, dat de complexheid van ons beleven het onmogelijk maakt datgene, wat onze wereld uitmaakt, als waarheid te zien.  Het is echter geen leugen; het is slechts onvolmaakte weergave van de werkelijkheid.

En nu ik hier dit standpunt heb uiteengezet, zoals mij door Uw Orde is verzocht, wil ik graag het woord laten aan een van de broeders van Uw eigen Orde, opdat deze zijn commentaar op deze stellingen zal kunnen geven.  Ik voor mij, dank U voor Uw aandacht.

Commentaar op de gastspreker

Zo vrienden.  Ik weet niet of u begrepen hebt, wat er precies gezegd is.  Ik hoop voor u, dat althans de kern ervan tot u is doorgedrongen.  Want, eigenaardig genoeg, – hoewel de benadering langs een geheel andere weg geschiedt, dan wij normalerwijze volgen – komt men hier tot een conclusie, waar wij het volledig mee eens moeten zijn.

Deze theorieën over symbolen, deze theorieën over waarheden, die achter halve waarheden verborgen zijn, stemmen overeen met de werkelijkheid.

Nemen wij nu alleen maar de kwestie over Godsbegrip.

Waarom omschrijven wij God met zoveel woorden, die eigenlijk leeg zijn, omdat zij voor ons onvoorstelbare begrippen vertolken; zij bevatten alleen maar theoretische factoren omdat wij voelen dat de schepper meer is dan dat  en groter is dan dat. Maar in onze behoefte tot beperking daarvan, komen we tot een aantal omschrijvingen, die althans vrede geven aan onze eigen zin van weten, van bevatten en omschrijven.  En zo is het dan wel heel begrijpelijk, dat men zegt: “Ik zie God in alle dingen.” Dan kijkt men naar een boom en vindt die boom mooi.  Maar de werkelijkheid Gods, die er inderdaad in leeft ziet men er niet in.

De boom is dan een symbool voor God? Nee. Dat zou men misschien denken.  Onze ervaring leert ons wel, dat die boom een boom blijft, ook al spreken we over God.  Die boom wordt een symbool voor een kracht, die we in onszelf vinden, in onszelf aanvoelen.

Wij zeggen: ” Dit is goed en dat is kwaad “.  En wij wijzen op de wereld precies aan wat mooi en schoon is en wat lelijk is.  Al datgene wat een volmaaktheid benadert en al datgene wat ten onder moet gaan, omdat het zo slecht is.  Maar geven wij daarmee inderdaad aan, dat het goede en het mooie allemaal van God is, de eigenschappen Gods als het ware openbaren, en het slechte niet?  Wij uiten alleen datgene wat in onszelf leeft.  En zo stellen wij ons dus voor, dat in de eerste plaats een projectie van ons eigen wezen plaats vindt op de wereld.

Nu begrijp ik, dat er geen projectie kan plaats vinden, zonder dat er een vlak is dat die projectie opvangt.  Anders vervliegt zij in het ledige.  We zouden dus kunnen zeggen dat de vormen die wij projecteren, doordat zij voor ons zichtbaar en waarneembaar worden, een symbool zijn van datgene, waarin de projectie plaats vindt.  En dit is een zeer belangrijk iets.

Wij zien in duizenderlei vorm.  Wij beleven allen op een verschillende wijze.  Neem bv. het eenvoudige element van een menselijke geest die uittreedt, die zoekt tot bewustwording te komen.  Een voelt zich alleen maar opgenomen in een licht, waarin muziek klinkt; en een ander ervaart het als een lichtende wereld, waarin hij wandelt met anderen.

Een derde ervaart alleen maar een gevoel, dat niet verder te omschrijven is.  Zouden we dan moeten aannemen dat zij allen een verschillende wereld bezoeken?  Zij drukken in hun eigen symbolen uit datgene, wat zij als invloed binnen zich ervaren hebben.

Hetzelfde voor een helderziendheid.  Vijf helderzienden nemen waar.  En alle vijf zullen zij het enigszins anders doen, enigszins anders beschrijven, enigszins anders zien.  Ieder van hen is gespecialiseerd zelfs op een bepaald iets dat wordt gezien.  Wat zien ze?  Zien ze dan volledig verschillende dingen?  Neen.  Zij zien op hun eigen wijze delen van hetzelfde op een zodanige wijze dat de interpretatie ervan volledig verschilt.

Daar zit een grote wijsheid in.  Een wijsheid die de moeite waard is om mee te dragen.  Want anders kom je zo heel gauw in de verleiding om te zeggen: Zie, ik heb de waarheid, want ik ben opgegaan tot een hogere sfeer en ik heb mij daar gebaad in het licht; ik heb mij gesterkt in die kracht daar; ik weet het toch wel. Of men kan zeggen: “Ja, maar ik zie toch meer dan een ander.  Ik weet het nu wel”.

Neen.  Ik wil graag geloven dat ge, doordat ge andere symbolen waarneemt achter de voor iedereen waarneembare vormen, meer omtrent de geaardheid der dingen weet dan een ander.  Dat wil ik heel graag accepteren.  Maar ge kunt niet een werkelijk hogere wijsheid hebben, die uit te drukken is in termen die U gebruikt hier in Uw normale wereld.

De helderziende en degene die uittreedt en de filosoof die alleen maar denkt, zij trachten allen in zichzelf een uitdrukking te vinden binnen de wereld, waarin ze leven, voor dingen die buiten de wereld liggen.  En dat gaat niet.  Al hetgeen ge dan ook zegt, al hetgeen ge tot uitdrukking brengt, is inderdaad een symbool voor grotere waarden.

Vanaf de oudste oudheid heeft de mens zich met symbool-uitdrukkingen beziggehouden.  In de oudheid is een kunst, die op het ogenblik weer langzaam naar voren gaat komen de werkelijke bron geweest van alle beschaving en filosofie en wijsbegeerte.  Namelijk de kunde om te rekenen met symbolen.  Symbool-rekenen.  Datzelfde moeten wij ook kunnen doen en leren doen met de symbolen, die in onszelf leven.

Want er is neergeschreven – nog niet eens zo lang geleden, 900 jaar na Christus bijna, in de kloosterrepubliek Athos – van de eerste kluizenaarslevens: Mijn broeder ziet Jezus gekruisigd.  Maar ziet, ik zie hem als een vorst.  En zo meende ik, dat wij verschillend zagen.  Toen heb ik gevraagd: “Heer, waarom verschijnt gij aan mij als een lichtende gestalte en aan mijn vriend als een lijder aan het kruis?“ En hij heeft mij geantwoord: “Ziet met U ben ik tot het einde der dagen in de vorm, waarin ge mij behoeft.  Zo ben ik voor U licht, omdat licht een kracht is, die gij nodig hebt.  Zo ben ik voor die ander een lijden, omdat lijden zijn sterkte is.

Ik geloof dat die oude monnik, al moest hij natuurlijk ook weer in vergelijkingen en symbolen spreken, het aardig heeft uitgedrukt.  God, of Jezus zo ge wilt, of welke verlichte geestelijke kracht dan ook, kan alleen voor ons iets betekenen, wanneer zij zich aan ons voordoet op een bepaalde wijze.  Maar zou zich moeten maskeren; dan zou er van een soort bedrog, van een soort beperking sprake zijn.  Dat is niet het geval.

Maar de verlichte geest laat toe, dat de mens zijn eigen masker, zijn eigen voorstelling opdrukt aan de grote kracht, zodat er een voorstelling in hem kan leven, die symbool is voor de kracht, die in hem werkzaam is.

In U zijn ook vaak grote krachten werkzaam.  Maar gij zijt niet altijd in staat om daar de juiste uitdrukking voor te vinden.  Men spreekt over geleiders, men spreekt over de heilige geest, men vindt duizend en één namen.  En wil men dicht bij de aarde blijven, dan noemt men zichzelf geniaal.  Maar al die uitdrukkingen tezamen betekenen slechts een ding: de ene mens neemt meer, de andere mens neemt minder deel aan het bovennatuurlijk leven en de bovennatuurlijke kracht – van het menselijk standpunt althans – die voortdurend rond ons zijn, die de basis en de kern van ons bestaan zijn.

  1. Moge al wat wij zien waan zijn, het is een waan, die geboren is uit een werkelijkheid.
  2. Deze waan is zo onvolledig, dat zij in haar waarden slechts een symbool kan zijn voor de grote krachten, die daarachter schuilgaan.

Wanneer wij voor vandaag de les geleerd hebben, dan zullen wij misschien kunnen begrijpen, waarom de weg naar de bewustwording en het licht in ons ligt.  Altijd in ons blijft.  Waarom wij in onszelf kunnen gaan en toch tot God komen.  Want in onszelf liggen evenveel symbolen als buiten ons.  Ook in ons hebben wij eens een waarheid gedragen, die langzaam maar zeker door het bewustzijn vermomd werd achter symbolen.  Achter voorstellingen die niet meer helemaal echt zijn.

Wel, die voorstellingen die niet echt zijn, kunnen ze langzaam maar zeker terugbrengen tot een minimum.  En naarmate de voorstellingen in ons minder gebaseerd zijn op ons eigen wezen en meer gebaseerd zijn op de kracht die wij in ons erkennen, zullen wij dichter gekomen zijn tot de God die wij begeren,  tot het Ware Leven, dat ons aller doel is.

Ik weet niet zeker of het mogelijk is, maar ik heb goede hoop, dat ik de volgende keer een van de zgn. kerkvaders kan voorstellen.  Een mens van buitengewone heiligheid, zoals dat heet, die geworden is tot een verlichte geest.  En die nu nog uitdrukt in symbolen van zijn oude geloof, wat op het ogenblik zijn werkelijkheid is.  Vandaar dat hij zowel U als zijn vroegere geloofsgenoten waarschijnlijk ketters toe zal schijnen.  Tenzij we begrijpen, dat achter alle woorden een waarheid kan schuilgaan, wanneer de mens oprecht beleeft.

Want alle woorden en alle beelden zijn slechts het symbool van de Goddelijke kracht, die de realiteit van ons bestaan is.