Waarom het pinksterfeest?

image_pdf

23 mei 1958

Wilt u er a.u.b. heel goed aan denken, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn? Het zou  kunnen voorkomen dat wij ons vergissen, ook al doen wij ons best dit te voorkomen. Mij werd opdracht gegeven met u over het Pinksterfeest te spreken. Gezien het feit, dat op 2de Pinksterdag een wijdingsdienst wordt gehouden die aan dit onderwerp is gewijd, heb ik gezocht naar een niet religieuze belichting. Daartoe heb ik mij de vraag gesteld: Waarom het Pinksterfeest?

Waarom wel vroeger Pinksteren en daarna niet meer?
Wij weten allen, dat het Pinkstergebeuren door verschillende fenomenen zich heeft onderscheiden o.m. meertaligheid, welsprekendheid buiten alle bekende mate, scherp denken, inspiratief spreken, een koude wind en vurige tongen. Het geheel wordt dan als een sacramentaal gebeuren gezien, waarbij aan de leerlingen kracht en een lastgeving werd geschonken. Hun kracht en kunnen zouden zij juist hieraan zijn blijven ontlenen. Vraagt men nu aan de gelovigen of dit nog wel eens is gebeurd, luidt het antwoord: “Neen.” Misschien een enkele keer de verrukking van een heilige, maar verder is het nooit meer gekomen.

Dan vraag ik opnieuw: waarom? Waarom zou de stem Gods niet meer door de mensen tot de wereld spreken? Vroeger waren immers overal profeten en verlichten. Waarom geneest de Goddelijke kracht thans geen zieken meer of slechts enkelen, terwijl vroeger zovelen werden geholpen en zelfs nu nog zeer veel hierover bekend is? Bovenal, waar is die Goddelijke Kracht gebleven, waardoor de leraar in staat was zijn leerling te overtuigen, niet alleen maar door leeg gepraat of droge argumenten, maar door het innerlijke leven dat Zijn lering inhoudt?

Voor mijzelf ben ik toen tot een conclusie gekomen: bij elk geloof legt men tegenwoordig de nadruk op theologie, dus de kennis van Theios, van God. In feite een menselijk beredeneren van wat God dan eigenlijk wel moet zijn. Wanneer men niet zo ver of verder was gegaan, zou het heel wat beter voor de mensheid zijn geweest. Waarom wel een Godskunde maar geen op God gebaseerde scheikunde? Dan zou men tenminste terug kunnen komen op de geheimen van de oude ingewijden. Waarom niet een theobiologie, een beschouwen van de Goddelijke kracht, zoals zij kenbaar is in alle organismen als heersend boven het zuiver materiële? Misschien zou men zo de verloren geheimen van de oude Egyptenaren terug kunnen vinden. Maar voor dergelijke dingen bestaat geen enkele interesse.
Klaarblijkelijk heeft niemand belang bij het vinden van een meer praktisch geloof. Het geloof is langzaamaan tot iets geworden dat wordt vastgelegd in leefregels, kerkelijke wetten, dogma’s en alleen in leven schijnt te kunnen worden gehouden door het herkauwen van oeroude teksten, die geen enkel nieuw beleven meer mogelijk maken. Kunnen dergelijke geloofswaarden een nieuw Pinksteren tevoorschijn roepen? Ik betwijfel het.

Wanneer ik dit vragende “waarom?” tracht te beantwoorden, dan wordt dit onwillekeurig tot de vraag: waarom niet? Ik meen hierop het antwoord te kunnen geven. Wij moeten de zaak allereerst redelijk bezien. Er bestaat veel tussen hemel en aarde, waar wij als mens geen of weinig begrip voor hebben. Het blijkt dat, wanneer een mens oprecht in zijn God en Zijn macht gelooft er wonderen kunnen gebeuren. Wanneer een mens durft uit te trekken zoals de jonge Tobias – een vreemde wereld in – alleen om een geneesmiddel te vinden voor zijn vader, zal hij vinden wat hij zoekt; ook al zal hij misschien moeten worstelen met de engel Gods. Ook wij kunnen misschien een nieuwe openbaring vinden, wanneer wij maar de moed hebben ons af te zonderen van alle gewoonten, van alle mensen en wetten, zodat wij herboren worden in het leven. Dan zal God Zich aan ons kunnen openbaren zoals Hij eens deed aan Mozes in het braambos, zoals Hij Zich toonde op de berg Sinaï, enz.,enz.

Laat ons er niet over strijden wat deze dingen werkelijk geweest zijn. Ik wil mij voor een ogenblik baseren op het Christelijk geloof dat zegt dat deze dingen voorbij zijn gegaan. Dat het Gods wil niet meer is dat de priester zieken geneest; dat het Gods wil niet meer is dat Zijn priesters vreemde talen spreken zonder lange studie. Men zegt dat het Gods wil niet meer is, dat door simpele mensen Zijn kracht en wil op aarde kenbaar worden gemaakt. Bedenk wel, dat zeg ik niet. Dat zeggen de kerken, ofschoon zij deze stellingen onder veel woorden weten te bemantelen. Niet alleen de katholieke priesters of de paus, maar evenzeer de dominees van velerlei gezindten vertellen u dit. Niet alleen de Christenheid, maar ook de leraren van de Islam en vele van de boeddhistische leraren beginnen in deze dagen het wonder althans in feite te verwerpen. Het lijkt vaak wel of juist zij die ons over God en Zijn wil beleren, bang zijn voor het wonder, bang zijn ook voor God.

Eigenlijk is dat niet te verwonderen, want de leraren hebben zich zo langzaam aan in een positie van macht op deze aarde gebracht en gebruiken deze macht maar al te vaak op een wijze, die geheel in strijd is met alles wat zij leren, wat je gelooft, wat je ervaart omtrent het Goddelijke. O, dat het verkeerd gaat met de wereld wordt steeds duidelijker. Het zal wel niet lang duren voor u weer hoort van een ramp, van een groot ongeluk. Zo gaat het altijd maar door op deze wereld. Maar is dit noodzakelijk? Dat niet. Maar zolang de mens bang is om te geloven, wanneer de mens bang blijft om boven zich en zijn kleine belangen uit te rijzen tot een begrip van hogere krachten, zolang de mens blijft menen, dat hij het denken over een beleven van hogere krachten maar moet overlaten aan degenen die daarvoor gestudeerd hebben, zal het zo blijven. Dan sterft de wereld in de dufheid van haar eigen onbegrip en zal er nooit meer een Pinksterfeest zijn.

Maar wat zeg ik? Er zijn toch stemmen, die spreken? Ook hier. Ook onze stem is soms een stem der profetie. Zieken worden genezen. Er zijn mensen die zieken genezen zoals eens de apostelen. Vreemd genoeg denken zij niet religieus, ofschoon zij innig gelovig zijn. Er zijn ook nu mensen, die onder zekere omstandigheden vreemde talen spreken, zo maar, zonder dat zij zelfs maar van die taal ooit gehoord hebben. Maar aan deze verschijnselen schijnt men in verband met het Pinksterfeest geen aandacht te durven schenken. Integendeel. Men meent juist deze uitzonderlijke verschijnselen te moeten afwijzen met een bars: dit kan alleen des duivels zijn… Is dat redelijk?
Wanneer Pinksteren moet worden gezien – en dit is het Christelijk geloof – als een reële uitstorting van de krachten van de heilige geest, waarbij dus inderdaad Goddelijke kracht, hoge kracht aan het woord is geweest, dan kunnen wij verwijtend opmerken dat God de zijnen tegenwoordig aardig in de steek laat. Was de mens een dergelijke Goddelijke Kracht vroeger dan wel waard en tegenwoordig niet? Was men vroeger misschien zo veel minder Christelijk dat men deze duivelse dingen binnen het geloof voor goede munt aannam?
Ik meen dat wij hier nadrukkelijk “neen” mogen antwoorden. Zijn de Christenen zo goed, dat deze openbaringen niet meer nodig zijn? Hoe komt het dan, dat men in de naam van het christendom soms wredere dingen doet dan ooit in het Jodendom, of heidendom gekend werden? Hier hoeven wij de oorzaak, van de niet meer komende kracht binnen de kerken dus niet te zoeken. Het is meer een kwestie van werkelijk geloof, van aanvaarding.

De moderne mens aanvaardt meestal zijn God niet meer. Hij zoekt weliswaar overal, maar vraagt naar voor hem begrijpbare bewijzen. Zelfs wanneer deze hem worden gegeven, gelooft hij nog niet en twijfelt hij verder.

Het “waarom” van het Pinksterfeest zelf is eenvoudig te beantwoorden. Daar hoeven wij niet religieus voor te denken of dogmatisch te spreken. Deze mensen waren tezamen in een diepe wanhoop, die alle waarden van het leven terzijde doet werpen. Gelijktijdig waren zij bezield door een geloof, zo innig, dat het hen onmogelijk was aan de consequenties van dit geloof te ontsnappen. Zij kenden dus de innerlijke spanning plus een vrees die alle stoffelijk bedenken terzijde deed leggen.
In dergelijke toestand kan de mens in contact komen met de hogere krachten. In een dergelijke toestand kun je door het geloof bovenal de Goddelijke krachten in jezelf beleven. In dit ogenblik van diepe wanhoop om een Meester, Die men miste, in dit vertwijfelde zoeken naar een voortzetting van de weg, kon men hiertoe komen. Maar hoe velen van hen hebben dit contact met grote krachten ook later nog beleefd? Dat zijn er maar weinigen geweest, want zij hadden gehoor gevonden bij de menigte. Wanneer het zover komt, zal de mens zijn gezag, zijn eer, zijn plaats in de maatschappij en bezit meestal hoger schatten dan het Goddelijke. Dan komt het ogenblik, dat hij de eigen gemaakte kleinzielige wetten van groter belang acht dan de kosmische wetten van de naastenliefde of de eigenlijke leer van zijn Meester.
Het Pinksterfeest werd mogelijk op aarde, omdat er mensen waren, die door streven en verlangen de Goddelijke kracht de gelegenheid gaven om, zonder de vrije wil van de mens aan te tasten, op aarde door hen te werken en te spreken.

De Goddelijke kracht werd door de Christenen van toen aanvaard. Hoe zit het dan met de profeten? Wanneer wij in de Bijbel en de Oudheid naspeuren dan blijkt ons, dat zij optreden in tijden van verdrukking, van wanhoop en hongersnood. Nog duidt de term ‘jeremiade’ de klagelijke woorden van Jeremias aan, is deze uitdrukking voor klaaggezang een herinnering aan deze mens die wanhopig zijn leed uitschreeuwde toen hij de ondergang van zijn volk nabij zag. Maar daarin gaf hij zich over aan de hogere krachten, onverschillig voor alles, wat er met hem zelf gebeurde. Toch was deze mens eigenlijk evengoed een politicus als een profeet. Het feit, dat hij geen uitweg meer zag, is de verklaring van zijn dorsten naar een aanvaarden van het bovennatuurlijke, van het Goddelijke. Wanneer u de moeite wilt nemen, zal de Bijbel u in de strofen van de profeten telkenmale weer bewijzen, dat juist een dergelijke overgave aan God, zonder aandacht voor het Ik, de bron is van openbaringen door alle eeuwen heen.

Onder de condities van vroeger kon dit. Waarom kan het dan nu niet? Is uw wereld dan zo geheel vredig, zo geheel zonder problemen? Mankeert er dan niets? Dreigt er dan geen ondergang? Zijn alle mensen de volmaking nabij? Nederland leest de krant, moppert. Maar wanneer het er op aan komt iets te doen, dat de inzet van eigen persoonlijkheid vraagt, zegt men: “Och wat, zoveel interesseert het mij toch ook weer niet.” De Fransman weet, dat grote verantwoordelijkheden van zijn volk op het spel staan. Maar hij weigert er over na te denken, “Je m’en fous.” Het interesseert me geen steek. Kijk naar de U.S.A.” Oh well, that is politics.” M.a.w. oh, dat is politiek, dat gaat mij niet aan, ben ik mijn broeders hoeder? Wat zegt de Rus? “Nitchevo”, maak je niet zo druk vadertje, wees blij dat je leeft. Dat alleen is belangrijk.

Waar is de mens, die vandaag aan de dag eerlijk en oprecht de verantwoording voor zijn medemensen durft te dragen? Mag ik u een recent voorbeeld aanhalen uit uw eigen parlement? Er wordt door verschillende geleerden een geschrift ingediend. Zij hebben in de wereld van de wetenschap een goede naam. Zij wijzen op de gevaren die verbonden zijn aan het vestigen van een atoombasis in Nederland, zeggende: het atoom is te gevaarlijk wanneer het moet dienen ter vernietiging. Wat antwoordt hierop van een van de senatoren? Ik neem graag aan, dat dit wetenschapsmensen van een goede naam zijn. Maar dit is geen theoretische wetenschap. Begrijpen zij dan niet, dat dit buiten hun terrein ligt? Dit is politiek.
Dat is politiek. Politiek of de ondergang van een land ermee gemoeid is, telt niet. Dit is ons terrein. Zoveel trekt men zich van elkaar aan. Zoveel geeft men om het lot van de wereld. Zoveel geeft men om het leven, de grootste waarden die er in bestaan. Zoveel telt de waardigheid van het mens zijn, zo groot is het vertrouwen in God, zo verwerpt men alle contact met het weten en de kosmos zelf. Is het een wonder, dat er geen Pinksteren kan komen te midden van de staatslieden, of gelovigen van de kerken? Kan er geen Pinksterfeest – een uitstorting van de geest – mogelijk zijn voor de mensen die zich drukker bezig houden met de partijpolitiek en het behoud van hun zetel, of functie dan met de wil Gods? Kan er sprake zijn van een uitstorten van de geest, over priesters die meer denken over het bouwen van kerken, het oprichten van jeugdorganisaties en het bereiken van een gezag dan over de wil Gods? Of moet er soms een Pinksterfeest komen voor staatslieden, die reeds lang hun eerlijkheid hebben afgezworen, omdat zij niet anders meer kunnen dan een koehandel drijven met de menselijke belangen van heel de wereld? Dat kan toch niet?

Een Pinksterfeest kan alleen daar werkelijk worden, waar de mensen nog rein van hart zijn. Rein van hart betekent helemaal niet, dat de mens nu precies zo moet zijn als omschreven staat in boeken over goede manieren, zoals wordt bepaald door de wetten van de staat of de godsdienst. Het betekent alleen, dat de mensen eerlijk moeten zijn in hun streven en leven, evenals in hun roepen tot God, maar dit begrijpt de wereld schijnbaar niet.

Maar al zien wij dan geen groot Pinksterfeest toch zien wij soms een klein Pinkstergebeuren. Een mens spreekt bv. over dingen die voor hem en anderen werkelijk belangrijk zijn, maar kan niet de juiste woorden vinden om zijn gevoelens en denken uit te drukken. Opeens lijkt het wel of een geiser in hem uitbarst. Een stroom van woorden komt naar voren. Zuiver en duidelijk, overtuigend weet hij het belangrijke te zeggen met woorden die hij schijnbaar zelf nooit zo had kunnen vinden. Zo kan hij dan vaak een medemens helpen. Dat is een soort Pinkstergebeuren ook al is het maar een mens die hier onder inspiratie komt. Zo is het toch in wezen precies hetzelfde als de leerlingen ervoeren, toe zij naar buiten traden om een onderdrukt volk de waarheid te zeggen, waardoor het zich bevrijden kon van grote geestelijke en stoffelijke lasten en uitgrijpen naar nieuwe geestelijke waarden.

Over heel de wereld klinken stemmen, die steeds weer zeggen: “Mens, zoek toch voor alles in jezelf naar God.” Stemmen, die u raad trachten te geven. U moogt ons hier rustig buiten geding laten. Wij wensen in dit beeld hier niet eens bijgerekend te worden. Maar denk nu eens aan al die andere verschijnselen. Of het nu in een eerlijk zoekende kring op kruis en bord wordt doorgegeven, dan wel uitgesproken door een zich ontwikkelend medium, waarvan de woorden die klinken als van een dronken man – er is dan geen beheersing genoeg – of wordt uitgeschreeuwd door een mens die opeens als bevangen is van een nieuwe gedachte, het blijft een stem van de hogere kracht, van God.
Wanneer een priester het uitspreekt op de preekstoel, een ogenblik zichzelf vergetend in het bewustzijn van zijn God, of een mens in een kroeg een ogenblik de waarheid zo dringend uitspreekt dat hij de aanwezigen voor een ogenblik boven hun omgeving verheft, dan is het een klein Pinksterfeest. Dan wordt de geest Gods vaardig in de wereld van de mensen. Pinksteren is het ook, wanneer een gelovend en goedwillend mens een ander geneest, ook al noemt de wereld dit dan vaak kwakzalverij. Pinksteren is het, wanneer een mens opeens leert zichzelf te verloochenen en ondanks alle kosten en moeite die het met zich brengt, besluit de mensheid en de waarheid te dienen, onverschillig hoe.

Het is hierom, dat ik mijn stellingen van zo even toch enigszins moet herzien. Er is een Pinkstergebeuren dat voortduurt. Er zijn nog steeds wonderdoeners en wonderdadige krachten te vinden in de wereld. Maar de mens van heden wil die tekenen niet erkennen, wil niet horen of zien. De mens van heden is bang voor het bovennatuurlijke. Komt het in wezen niet daarop neer? Hoe vaak hebt u een gedachte of impuls, waarvan u weet, dat zij goed was, dat zij van bovenaf tot u kwam? Hoe vaak hebt u de moed dan ook dit alles tot werkelijkheid voor uzelf te maken, te streven naar een groter ervaren en streven metterdaad? Hoe vaak zegt u: “Nu ja, het zou mooi zijn, maar…” Daarin ligt – naar ik meen – het zwaartepunt van de geestelijke werkingen op aarde, een zwaartepunt dat heus niet alleen maar op een feestdag valt. Het is een zwaartepunt dat altijd door, weer voor een ieder blijft bestaan, het hele leven door. De vraag is en blijft: ben je als mens, ben je als geest in staat voor jezelf de weg naar het Licht en vrede te zoeken, daarvoor al het andere terzijde schuivend? Ben je in staat te begrijpen dat je wereld in feite niets waard is, zonder een hogere kracht die je leidt en je hulp geeft, die het je mogelijk maakt datgene te doen wat ook werkelijk noodzakelijk is.

Het zal menigeen moeilijk vallen deze vragen voor zich eerlijk te beantwoorden. Moeilijker nog valt het antwoord op de vraag: Waarom doet u niet zo? Waarom bestaat in uw leven deze kracht niet en dit begrijpen? Een enkeling hier kan misschien zeggen: “Ik meen tenminste iets hiervan reeds gevonden te hebben…” Maar dat is dan ook werkelijk slechts een enkeling. Toch is er een zeer grote behoefte aan geestelijke krachten op deze wereld. Een alles overtreffende behoefte aan de geest, die vaardig wordt in de mens en hem er toe brengt over alle hinderpalen van het dagelijkse leven weg te zien. Misschien heeft men zelfs wel behoefte aan de stem van een profeet die uitroept: “Ontwaak, want nieuwe tijden zijn nabij…”

Zonder de plaats van een dergelijke profeet in te willen nemen, kan ik toch dit praatje haast niet besluiten zonder iets te zeggen over de nieuwe tijden, die inderdaad nabij zijn. Vrienden, de wereld worstelt op het ogenblik om zichzelf te behouden. Zij doet dit misschien op een wat eigenaardige manier, maar zij meent het zeker wel goed. In deze wereld heeft de mens de angst geschapen, sterker en machtiger dan ooit tevoren. De mensheid heeft de zelfzucht tot het voornaamste wapen gemaakt in een strijd, waarin men meent eigen recht en behoud van eigen bestaan te mogen verdedigen.
Nu zal ik u zeggen, wat kan gaan gebeuren. Wanneer niet binnen enkele jaren de grenzen geslecht zijn, wanneer niet binnen enkele jaren alle kleinere belangen worden prijs gegeven ter wille van de grotere, houdt deze menselijke beschaving op te bestaan. Velen zijn er van goede wil. Daarom meen ik, dat er een uitweg zal kunnen worden gevonden, maar die uitweg zal zeker alleen mogelijk zijn ten koste van veel wat men op het ogenblik nog onaantastbaar, heilig en groot acht. Er zijn krachten, die helpen deze uitweg te bereiken om deze laatste mogelijkheid voor de mens – om zichzelf te blijven – te behouden.

Bereidt u voor op grote slagen en moeilijkheden. Niet zozeer voor u persoonlijk. Bereidt u voor op grote, verschrikkelijke gebeurtenissen. Bereidt u voor op een zegepraal van de willekeur, op revolutie en omwenteling. Bereidt u voor op de meest eigenaardige ommekeer op politiek en sociaal gebied, die de bekende geschiedenis ooit heeft gezien. Bereidt u voor op overal voorkomend onderling verraad en onderlinge strijd. Hou er rekening mee, dat velen op aarde weg zullen vallen die thans nog groot en machtig worden genoemd, want in deze tijden komt de koorts van de menselijke zelfzucht tot een hoogtepunt. Er is slechts één ding, dat de mensheid in deze tijden nog kan redden. Een onzelfzuchtig en onbaatzuchtig streven voor de naaste en voor de wereld. Wanneer de mensheid hierin niet slaagt, vrienden, zal er op aarde nooit een Pinksteren meer zijn. Dan zal de laatste klacht van de laatste mens weerklinken in een honende vervloeking aan de Schepper, tegen de grauwe korst van wat eens aarde heette en schoon was in wateren en groen.
Wee de mensheid, wanneer zij de tekenen des tijds niet wil verstaan. Wee de mensheid, wanneer zij niet grijpt naar het laatste redmiddel: de onzelfzuchtige samenwerking buiten alle politiek en strijd. Wee de mensheid, wanneer zij meent dat geweld en dreiging te kunnen oplossen wat door haar eigen fouten onoplosbaar is geworden. Het warnet van kleine en zelfzuchtige belangen, dat een wereld beheerst, die voor een dergelijk leven en denken thans mensen teveel telt.

Maar gelukkig de mens, die dit alles beseft en uitreikt naar hogere krachten. Gelukkig de mens, die begrijpt dat er ook Licht in de wereld wordt gestuwd, telkenmale weer, ook voor hem, voor haar. Gelukkig de mens, die in zich een vrede bovenal leert kennen, zonder daarvoor te verloochenen, wat in zijn wereld als werkelijkheid bestaat, zonder daarvoor te verraden wat als noodzaak in anderen leeft. Gelukkig de mens die anderen kan helpen hun teleurstelling te dragen, opdat zij in hun begeerten en wanhoop de wereld niet zullen vernietigen.

Nog enkele jaren vol van onrust. Nog enkele jaren maar. Dan zal beslist worden of een – de gehele wereld bereikend – pinkstervuur de mensen tot een nieuw leven zal voeren, dan wel het atoomvuur – door mensenhanden ontstoken – de wereld zal verbranden. De tijd is kort, de kracht is nabij. Laat de mens die kracht aanvaarden met al zijn krachten, met heel zijn wezen, opdat de wereld moge worden tot een hernieuwd Eden en de mensheid verheven moge worden boven de thans heersende beperking van geestelijk en stoffelijk bewustzijn. Dit laatste is zeker mogelijk. Het is een deel van de weg die de Schepper voor allen heeft bereid. Maar er is een keuze mogelijk. Wanneer de mens anders kiest, dan zal hij moeten terugkeren in de nauw ontketende razernij van een pas geboren wereld en moeten strijden, miljoenen jaren lang tot hij wederom – zoals heden – kan staan als bewust en denkend wezen te midden van de kosmos, erkennend de mogelijkheden, besluitende voor zichzelf, in staat zich een volmaking te scheppen zelfs in een stoffelijke wereld, door de leiding van de Goddelijke krachten te aanvaarden.

Vrienden, dit is mijn onderwerp voor vandaag. Ik had misschien beter een vreugdig pinksterverhaal kunnen vertellen. Maar wat ik zei is waar voor uw wereld. Zo staan de zaken. Al, wat ik u heb gezegd, is even waar als het feit, dat de kracht van het Goddelijke Licht voor u allen bereikbaar is, wanneer u daarnaar werkelijk streeft en bereid bent andere dingen daarvoor opzij te zetten.

Deel 2: Parapsychologie

Wij moeten beginnen met vast te stellen, dat de parapsychologie de kinderschoenen zeker nog niet ontwassen is. Werkende met de zeer beperkte middelen en voor haar doel zeer beperkte wetenschap van de psychologie, heeft zij zich begeven op het terrein van de onverklaarbare verschijnselen van de geest. Hierbij moest zij wel zeer zeker van haar zaak zijn. Want op het ogenblik dat de parapsychologie zich zou gaan bekennen tot een standpunt, dat strijdig is met het in de meeste kringen aanvaarde, of in strijd komt met de zogenaamde nuchtere logica – die vooral een 20-tal jaren geleden zoveel opgang maakte – zou zij, voor zij haar wasdom kon bereiken door andere belangen eenvoudig gesmoord zijn.  Zelfs nu blijft dit gevaar nog steeds bestaan.
De parapsychologie kan alleen bestaan indien zij zich zoveel mogelijk onthoudt van commentaren op het bovennatuurlijke, hoe vreemd dit ook moge lijken, wanneer wij het doel van haar studiën bezien.

Dit neemt niet weg, dat zij sedert haar bestaan aan de mensheid reeds verschillende grote diensten heeft kunnen bewijzen; onder meer door te bewijzen dat met zeer simpele proeven reeds een selectiviteit van denken kan worden aangetoond, die kan leiden tot prognose of voorspelling. Ook heeft men kunnen aantonen dat er een telepathisch rapport (contact: Red.) kan bestaan tussen verschillende mensen. Daarnaast heeft men bewezen, dat ook zonder direct optredende telepathische werkingen enkelen in staat zijn – bij raden naar willekeurige samenstellingen – ver boven het normale liggende gemiddelde van juistheid te behalen.

De taak van de parapsychologie wordt echter aanmerkelijk verzwaard door het feit dat, om een inzicht in de bovennatuurlijke of occulte verschijnselen te krijgen, zij niet slechts met  enkele individuen mag werken, maar daarentegen zo groot mogelijke groepen moet onderzoeken. Eerst hierdoor verkrijgen de proeven een werkelijk wetenschappelijke betekenis en kunnen zij ook praktische waarde bezitten. Een onderzoek naar bv. de invloeden van persoonlijkheidsbindingen op het telepathisch contact, heeft reeds in de laatste tijd een reeks opvallende resultaten met zich gebracht. Ik denk hier zowel aan de Engelse proeven met volwassen studenten, de proeven met gemengde leeftijden in Oostenrijk, als het jeugdonderzoek in Nederland.

Een zeer grote verdienste van de parapsychologie mag het ook worden geacht, dat men in staat was veel bijgeloof te ontsluieren, niet door het eenvoudig met koude logica te vernietigen, maar door de grondslag te verklaren op wetenschappelijke basis. Hierdoor kon men veel ontdoen van de geheimzinnige waas die er altijd weer rond bleef bestaan. Juist de parapsychologie heeft ons duidelijk kunnen maken dat veel volksgeloof niet zonder werkelijke grondslag is, maar berust op verkeerde interpretatie van bestaande feiten. Moge deze grondslag gedeeltelijk op de psychische reacties van de mens berusten, daarnaast vinden wij ook vele aanwijzingen voor de werkelijke inhoud en stoffelijke oorzaak.

Onderzoek wees bv. uit dat het zg. ‘second sight’ een erfelijke waarde is.  Het erkennen van deze feiten en het binden daarvan aan stoffelijke oorzaken zal in vele gevallen voor groepen als deze – die zich baseren op een geloof aan het werken en leven van de geest en haar ingrijpen op aarde – zeker niet veel betekenen. Integendeel. Vaak zullen de stellingen van de parapsychologen de ergernis wekken van de gelovigen. Aan de andere kant wordt een haast niet te onderschatten bijdrage geleverd aan de psychologie, die een vaak geheel nieuw inzicht kan krijgen in verschillende psychische processen van de mens. M.i. is dit toch wel een zeer belangrijk punt.

Indien wij de parapsychologie in de huidige toestanden en haar huidige gedaante willen beschouwen dan mogen wij niet vergeten, dat de medewerking die aan het onderzoek van wetenschapsmensen op dit gebied wordt verleend, eerst de laatste jaren redelijk groot is geworden. Elk instrument en proef voor het werk van parapsychologen moest en moet worden ontwikkeld en uitgevonden. Ook hierdoor is het deze wetenschap niet mogelijk verantwoord verder te gaan dan zij doet. Zij kan niet komen tot een bewijs omtrent het voortbestaan na de dood en snijdt dit punt dan ook meestal niet aan. Wel geven vele onderzoekers zijdelings te kennen, dat zij hiervan persoonlijk overtuigd zijn, terwijl ook meerderen onder hen de verschijnselen van het spiritisme – althans ten dele – willen zien als een teken van een persoonlijk voortleven na de dood. Maar een persoonlijke overtuiging is nu eenmaal nog geen wetenschap.

Om toch te kunnen komen tot aanvaardbare resultaten heeft de parapsychologie overal ter wereld werkgroepen ingesteld. Deze houden zich met vele occulte fenomenen bezig, maar zij bestaan althans voor een groot deel uit leken. Ook wanneer zij meer weten omtrent paranormale verschijnselen dan de doorsnee mensen, zijn zij niet in staat de werkelijke inhoud en betekenis van vele gebeurtenissen op occult gebied ook maar enigszins te overzien. In dergelijke groepen vinden wij mensen die met een overdreven enthousiasme alle verschijnselen als echt en onaantastbaar willen zien, net als de nuchterlingen die bij voorbaat elke verklaring, die buiten het als natuurlijk geldende uitgaat, afwijzen. Zij overdrijven hierbij vaak om zo hun eigen zuiver wetenschappelijke instelling toch vooral duidelijk aan de wereld te tonen. Ook zoeken sommigen niet naar de waarheid, maar naar een bevestiging van hun eigen stellingen. Daar de rapporten van dergelijke groepen vaak grotendeels bepalend zijn voor de wegen die de onderzoekingen van geschoolde parapsychologen in zullen slaan, zal duidelijk worden dat slechts een zeer onvolledig beeld van de werkelijke toestand – dat bovendien soms aanmerkelijk vertekend wordt – bij de mensen van de wetenschap heerst.

Ik meen dan ook, dat wij de eerlijke parapsycholoog ondanks alles voor zijn werk dankbaar moeten zijn. Want de honger van de mens naar het mysterie, het geheimzinnige, drijft hem o.a. tot een zoeken naar de toekomst. Zonder de goeden op dit gebied te willen benadelen, meen ik toch, dat u met mij eens zult zijn dat er op dit gebied veel, ja te veel zwendel wordt bedreven.  Waar de parapsychologie in staat is dit te onderzoeken en de ergste gevallen te ontmaskeren, zal zij de mens tenminste meer bewust maken van de risico’s die hij loopt bij dergelijke pogingen om de toekomst te leren kennen.

Het onderzoek van de parapsycholoog naar de werkelijkheid omtrent de magnetiseur en degene, die langs geestelijke weg een diagnose stelt, is ook niet te verwerpen. Ongetwijfeld zal het oordeel van de parapsycholoog hier vaak falen, doordat hij te voorzichtig wil zijn. Aan de andere kant wordt eerst door een dergelijk onderzoek en het daaruit voortvloeiend begrip een verantwoord gebruiken van dergelijke gaven binnen de maatschappij mogelijk. Immers het welzijn van de mens mag volgens de huidige opvattingen niet aan het geloof worden overgelaten.

Uit het voorgaande blijkt wel, dat ik tegen de oprechte parapsycholoog zeker niet afwijzend sta. Integendeel. Ik waardeer, het zo vaak voorkomend ernstig streven om de geheimzinnige wereld van het occulte te maken tot een voor allen te begrijpen en te bereiken deel van het menselijke bestaan. Dat ik daarnaast ook enige opmerkingen moet maken, die velen van diegenen die aan parapsychologie doen onaangenaam in de oren zullen klinken, is helaas niet te vermijden.
Het is bv. een treurig feit, dat menige beroepsparapsycholoog – op grond van eigen en persoonlijke belevingen en overtuigingen zonder wetenschappelijke achtergronden – zekere gedachten als onomstotelijk zeker, aan zijn leerlingen tracht op te dringen. Het is jammer, dat menigeen die zich in de parapsychologie een grote naam heeft verworven, zich omwille van een bereikte positie, leraarsstoel of toegekende subsidie zich onthoudt van het uitspreken van bepaalde dingen, die hij door proeven als waarheid meent te mogen erkennen. Terwijl hij zich in vele gevallen – ondanks alle resultaten – steeds weer blijft bepalen tot vage verklaringen, die juist nog aanvaardbaar zijn voor zijn lasthebbers of geldgevers.

Verder moet ik grote bezwaren maken tegen sommige zg. parapsychologische onderzoekingen, die bv. in Frankrijk de laatste tijd nog al aan de openbaarheid worden prijsgegeven. Hier is namelijk geen sprake meer van een wetenschappelijk en onpartijdig onderzoek. Hier wordt alleen gestreefd, onverschillig met welke middelen, naar een ontmaskeren van alle verschijnselen als bedrog en het aan de kaak stellen van allen, die deze verschijnselen teweeg brengen. Eerlijkheid is meestal hierbij ver te zoeken.

Vreemd is ook, dat dergelijke ‘parapsychologen’ zich bij een ontbreken van mogelijkheid, of bewijsmateriaal dat bedrog aannemelijk maakt, zich tot de diabolie wenden om een bewijs voor de duistere krachten aan te voeren. Alle erkende verschijnselen heten dan ook voor deze alleen uit de duivel geboren te zijn. Dit ageren van bepaalde godsdienstige groepen  – onder het mom van parapsychologisch onderzoek – bestaat niet alleen uit een volkomen onwetenschappelijke wijze van onderzoek maar neemt zelfs vaak het karakter aan van een achtervolgen van alle verschijnselen, die zich buiten eigen groep op dit terrein maar zouden kunnen voordoen. Ik kan het dan ook niet met dergelijke mensen eens zijn, wanneer zij zich in ernst parapsychologen willen noemen.
Niet alleen in Frankrijk, maar ook elders komt dit soort ‘onderzoek’ voor. Hierbij tracht men dus alle voor een bepaalde confessie niet aangename verschijnselen weg te verklaren, dan wel te ontmaskeren, terwijl men zich niet ontziet – in laatste instantie – ook naar smaad als wapen te grijpen. Dit is en blijft onaanvaardbaar.

Een laatste ongunstig punt is wel de sensatiezucht, die vooral aan vele van de amateur psychologen eigen schijnt te zijn. Men zoekt niet alleen de verklaring, maar hunkert naar het fenomeen ‘pour soi’. Dit zoeken naar het verschijnsel om de beleving alleen leidt tot een ongezond zoeken naar voor het ‘ik’ aanvaardbare of vleiende verschijnselen. Dit zal tot grote persoonlijke teleurstellingen kunnen leiden. Deze teleurstellingen worden dan weer als een wapen gehanteerd tegen de ware verschijnselen, die men niet wilde afwachten.

Het werk van de geest wordt in zeker opzicht geholpen door wat de parapsychologen thans doen. Door het geven van een redelijke verklaring als basis van de bijgelovigheid van het volk, evenals de ontmaskering van veel bedrog beperkt men de onjuistheden die het beeld vertroebelen dat de geest tracht te geven. Hierdoor kan het redelijk denken en aanvaarden, ook van het z.g. bovennatuurlijke, door de massa op de juiste wijze aanmerkelijk worden gestimuleerd. Gelijktijdig bestrijdt men – helaas  echter – de verschijnselen die een deel uitmaken van ons werk, omdat men verkeerdelijk meent, dat slechts wanneer onder voor de mensen gelijke condities een gelijk fenomeen steeds op kan treden, van een wetenschappelijk aanvaardbaar zijn kan worden gesproken. Men vergeet daarbij, helaas, dat het voor de mens onmogelijk is om te oordelen over, wat voor het werken uit onze wereld vaak bepalend kan zijn.

Mijn algehele conclusie is deze.  Een stopzetten van het parapsychologisch onderzoek zou – tenzij de dreiging, waarover onze vriend zo even sprak werkelijkheid wordt – een verarming betekenen voor het menselijke leven in de komende eeuwen. Dit onderzoek moet als noodzakelijk worden gezien en zal zeer zeker daarbij de geestelijke gezondheid van de mensheid ten goede komen. Anderzijds lijkt het mij niet noodzakelijk de uitspraken van parapsychologen nu al als bindend te aanvaarden. Ik meen zelfs dat er nog 50 à 60 jaren zullen moeten verlopen voor van een werkelijke rijpheid van de parapsychologie als een concrete wetenschap kan worden gesproken.

Vragen

  • In het boek “New frontiers of the mind” merkt de schrijver, Dr. Rhines, op dat een contact met onzienlijke wezens wel behoort tot de punten die de parapsychologie tot het laatste bewaart. De hieraan verbonden controversen zouden een onderzoek kunnen belemmeren, doordat de fondsen worden onttrokken, die voor een verantwoord onderzoek noodzakelijk zijn.

De stelling van Dr. Rhines is inderdaad juist voor de werkelijke wetenschapsmens. Er wordt onder de naam parapsychologie ook vaak propaganda tegen occulte verschijnselen gevoerd op onverantwoorde wijze. Hier gelden m.i. andere beweegredenen en bestaat er een zekere angst, onplezierige bewijzen te vinden. Dergelijke propaganda wordt veelal gevoerd door leden van religieuze groeperingen. Dat erkende grote parapsychologen toelaten, dat, geheel uit het verband gerukt, hun werken voor deze doeleinden worden geciteerd, doet de vraag rijzen of zij terecht zwijgen en dit onderzoek van de onzichtbare wereld voor het laatst bewaren, terwijl zij een tendentieus gebruiken van hun onderzoekingen tegen deze niet onderzochte verschijnselen schijnbaar zwijgend goedkeuren. Hierin meen ik ook een tegenstrijdigheid te moeten zien. Deze geldt echter niet voor de schrijver zozeer, dan wel voor vele van zijn collegae.

  • Is de rooms-katholieke kerk tegen fenomenen zoals wij hier meemaken?

Zij staat in feite afwijzend tegen fenomenen zoals u hier meemaakt, tenzij deze optreden binnen haar eigen kerk en onder gezag van haar geestelijkheid. Men mag dit niet als een tegenstrijdigheid zien, daar men het standpunt van de katholieke kerk mee in aanmerking moet nemen. Daar zij aanneemt dat de paus een soort vertegenwoordiger van God op aarde is en haar leer en stelling de enige juiste is, zal zij moeten aannemen dat alle Goddelijke uitingen zich in de eerste plaats binnen haar eigen groep zullen afspelen, terwijl haar gezag daarbij steeds geheel erkend zal worden. Al wat niet goed is volgens deze regel, zal buiten de kerk blijven en als zodanig te veroordelen zijn. Een dergelijke houding is overigens niet een specifiek katholieke daar wij deze in alle kerkelijke, politieke en sociale groeperingen kunnen aantreffen. Men mag dus de kerk van Rome er zeker geen verwijt van maken dat zij in deze handelt naar haar eigen stellingen. Anderzijds mag worden opgemerkt, dat deze houding enkele fanatiekelingen heeft gedreven tot handelingen en methoden, die niet reëel, onrechtmatig en onrechtvaardig te noemen zijn.

Ik zei reeds, dat een vreemdsoortige propaganda uit deze kringen tegen vele van de z.g. spiritistische verschijnselen wordt gericht. Van deze zijde werden o.m. in Italië in het afgelopen jaar 174 geschriften tegen dit en dergelijk werk uitgegeven. Veertien van deze geschriften komen tot de conclusie dat alle verschijnselen op oplichting berusten. De andere geschriften nemen het bestaan van de verschijnselen aan, doch trachten te bewijzen dat deze niet met Gods wil in overeenstemming zijn en als zodanig van de duivel moeten komen. Want, zo stellen twee van deze geschriften, indien dit alles in overeenstemming zou zijn met Gods wil, zouden deze verschijnselen zeker ook en vooral voorkomen binnen Zijn eigen kerk, waarin echter deze verschijnselen niet op deze wijze waren te constateren.

In Frankrijk werden in het laatste jaar niet alleen een groot aantal pamfletten uitgegeven tot een totaal van 793, maar bovendien werden een maandblad en enkele kleine weekbladen aan het occultisme gewijd en met soortgelijke doeleinden verbreid. Deze uitgaven stammen – op een enkele na – van één en dezelfde groep die zich geheel aan het uitroeien van het spiritisme heeft gewijd. O.m. worden de volgende argumenten vaak gebruikt: “zij, die tot de aarde terugkeren, konden niet de vrede des hemels vinden, dus zijn het duivelen of dienaren van de duivel” en “het is dwaas naar dergelijke dingen ook maar te luisteren; zelfs indien zij redelijk schijnen, zal er toch wel ergens een addertje onder het gras schuilen, wat u van het geloof zou kunnen vervreemden en u ongelukkig zou kunnen maken.”
Het bevreemdt mij alleen, dat deze heren de mensen ook niet aanraden om – behalve voor de kerkgang – thuis te blijven, daar men mogelijkerwijze door een auto zou kunnen worden overreden. Dat gevaar is nl. veel groter. Dan gebruikte men ook nog een argument, dat mij enigszins heeft geschokt, namelijk dat slechts de curie – de geestelijkheid dus – in staat is te beoordelen wat deze verschijnselen in feite zijn, zodat alleen de curie het recht zou hebben dergelijke verschijnselen op last van of met dispensatie van hun overheden, dergelijke bijeenkomsten te bezoeken en dergelijke verschijnselen te onderzoeken. Aan, door de Curie goedgekeurde leken kan men dan eventueel de taak van de bestrijding ook opdragen. Let wel: bestrijding. Niet: onderzoek. Ik meen dat de enkele geciteerde stellingen en argumenten voor zichzelf spreken. Het voeren van het predicaat parapsychologisch door dergelijke geschriften en weekbladen is in mijn ogen een hoon aan de werkelijke wetenschap.

  • Maar zijn de verschijnselen van Lourdes, het bloed van H. Januarius, enz. dan wel  toelaatbaar en aanvaardbaar?

Zoals ik reeds aanduidde, is het geschieden van deze dingen binnen de H. Moederkerk reeds een aanduiding, dat het dan wel een natuurlijk iets, dan wel een wonder Gods is. Zouden deze dingen buiten de kerk plaats vinden dan zouden zij ongetwijfeld – althans officieel – als demonisch worden beschouwd. Het is jammer, dat een dergelijke instelling t.o. het occulte in het openbaar wordt gehandhaafd, maar schijnbaar menen vele leden van de geestelijkheid, dat zij zonder deze houding het gezag over hun gelovigen zouden verliezen. Geheel zonder grond is dit niet. Want wij moeten bedenken, dat juist de rooms-katholieke kerk een grote nadruk op de mystiek en de mystieke beleving legt. Hierdoor is het vooral voor de in dit geloof geborenen aanvaardbaarder en aantrekkelijker dan voor leden van menige andere religie.

  • Zou de fenomenologie, het met de stoffelijke zintuigen benaderen van de verschijnselen, niet een doorbraak kunnen betekenen voor de stellingen van  parapsychologie?

De formulering is hier m.i. fout. De parapsychologie is wel algemeen aanvaard. Maar binnen de parapsychologie zijn bepaalde fenomenen nog niet als reëel aanvaard. Wij kunnen beter stellen, dat het bestuderen van de verschijnselen op de duur de grens tussen het stoffelijke en het onstoffelijke zal doen verbleken. Daardoor zal zij op de duur een steun kunnen betekenen voor vele nu nog vaak bestreden en omstreden stellingen binnen de parapsychologie. Gelijktijdig moeten wij ons echter realiseren, dat ook deze tak van wetenschappelijk onderzoek nog in de kinderschoenen staat en ook deze wetenschap zal worden geremd door dezelfde invloeden, die de parapsychologie zo kenbaar van bepaalde onderzoekingen terug houden.

  • Wat voelden de inquisiteurs bij het ondervragen en martelen van de ketters?

Een (al)gemeen antwoord is hier onmogelijk. Ongetwijfeld waren onder deze inquisiteurs sadisten, die zich in het lijden van de ketters zeer verheugden. Aan de andere kant is van enkele inquisiteurs en groot inquisiteurs bekend, dat zij na het bijwonen van een pijnlijke ondervraging misselijk waren, terneergeslagen en soms dagen lang geen voedsel tot zich konden nemen. Dit wijst er wel op, dat sommigen onder hen tenminste, dit als een zeer pijnlijke plicht en zware taak hebben ervaren.

  • Wat wordt bedoeld met “Wessac-vallei”?

Wessac-vallei is de naam, die wordt gegeven aan een plaats van samenkomst, waar de ingewijden van deze wereld, de leden van de Witte Broederschap plus bepaalde entiteiten en geestelijke te samen komen om uiting te geven aan hun streven de Goddelijke harmonie eens geheel op aarde te doen heersen. Hierbij worden ook alle punten aangeroerd die met dit streven in verband staan.

  • Staat het punt van overgang reeds vast bij de geboorte, of kan dit beïnvloed worden?

Rekening houdende met oorzaak en gevolg, plus de verkregen herediteit en dat een redelijke gissing mogelijk is, zal het nooit mogelijk zijn lang te voren of bij de geboorte, het juiste ogenblik van overgang met zekerheid vast te stellen, tenzij een volkomen rechtlijnigheid van gebeuren wordt aangenomen. Een verandering van inzicht, een beheersen van bepaalde karaktereigenschappen of het aanvaarden van andere stellingen dan verwacht werd, zal het geschatte  ogenblik van de overgang verschuiven, verlaten dan wel bespoedigen.

  • Wat is het verschil tussen een etherisch dubbel en een astraal lichaam?

Het astrale lichaam is opgebouwd uit fijnere materie dan het stoffelijke. Het draagt op zich geen levenskrachten, maar moet bezield worden uit andere sferen. Het is enigszins vorm behoudend doch minder dan de stof die u kent. Het kan niet buiten zijn eigen gebied werken dan met astrale krachten alleen.
Het etherisch dubbel bevat meerdere voertuigen, waarvan tenminste één het mentale gebied zal moeten beroeren. Het is zichtbaar door zijn trillingen en kan onder omstandigheden stoffelijke eigenschappen imiteren. Het moet gemanifesteerd worden door een bewust willen. Een astraal lichaam kan onder bepaalde belichtingen zelfs voor de leek soms zichtbaar zijn en beheerst zijn vorm van verschijning dus niet.

  • Het etherisch dubbel, is dat niet aan het lichaam gebonden met een draad?

Ongetwijfeld. Die draad is echter niet noodzakelijk om het te doen handelen en bestaan. Dit is nog enige tijd mogelijk nadat de band met het lichaam reeds is verbroken. Vormgeving en levenskracht van het etherisch dubbel zijn hoofdzakelijk afhankelijk van de geest. Een astraal lichaam kan weliswaar worden opgebouwd zonder een band met een bepaald lichaam, doch indien het een persoonlijkheid uitdrukt en daarvan een voertuig is, zal het ook door een band daarmede verbonden zijn, zolang de persoonlijkheidsuiting daarin aanhoudt. Een astraal voertuig kan echter bestuurd worden door projectie van gedachten zonder vereenzelviging daarmede. Met een etherisch dubbel kan dit dus niet. Zolang het etherisch dubbel op aarde, of i.v.m. de aarde gebruik wordt, zal een band met het lichaam dus bestaan.

  • Men kan dus niet leven zonder astraal lichaam?

Zolang men in de stof leeft, niet. Daar is het even noodzakelijk als drinken. Zelfs wanneer u alle spijzen hebt, zullen de levensprocessen zich niet zonder vloeistoffen kunnen afspelen. Eerst daarmee en daardoor worden opbouwstoffen werkelijk opgenomen en voor celbouw gebruikt. Voor de geest is een werken in de stof alleen mogelijk door middel van het astrale lichaam dat a.h.w. een benadering van de stof eerst voor de geest werkelijk reëel en mogelijk maakt. Het astrale gebied – als met de stof zeer verwant en toch niet geheel zonder geestelijke eigenschappen – maakt een werkelijke overdracht van prikkels en kracht van stof naar geest, of omgekeerd, eerst werkelijk goed mogelijk.

  • Was het spreken van talen op Pinksteren iets anders dan een mediamiek  verschijnsel?

Ongetwijfeld kunnen wij een groot gedeelte van de verschijnselen op Pinksteren tot een zekere mediamiciteit terug brengen. Maar wij moeten niet vergeten, dat – in tegenstelling met het meeste trancewerk – een eigen keuze van en bewustzijn omtrent het gesprokene aanwezig was. De meertaligheid had nl. een eigenaardigheid: de leerlingen, die spraken, meenden in hun eigen taal te spreken en gebruikten hun eigen woorden. Desondanks werden zij verstaan door anderen die hun taal geheel niet beheersten.
Eerst later realiseerde men zich, dat men in feite en zonder het te weten zich geheel had uitgedrukt in de taal van de ander. Er vond hier dus geen talenwonder plaats door trance  noch een normale inspiratie, waardoor men woorden in een andere taal kon spreken, zonder hun inhoud geheel te beseffen. Het klankherinneringscentrum bleek opeens te beschikken over klankmogelijkheden van een vreemde taal, ofschoon deze onder normale condities niet of ternauwernood gekend werd. Verder valt op, dat de meesten slechts één vreemde taal konden spreken, doch dat anderen daarentegen 4 à 5 talen volkomen juist spraken. Daarom beschouw ik dit verschijnsel als different t.o.v. het normalerwijze onder mediamiek verstaande, terwijl ook aanmerkelijke verschillen aan te wijzen zijn bij een vergelijking met datgene, wat men thans onder inspiratie pleegt te verstaan.

  • Is het mogelijk dat het onderbewustzijn een kennis van deze taal in zich had?

In dit geval droeg het onderbewustzijn geen kennis van de gesproken taal in zich, doch ten dele buiten het onderbewustzijn bestaat er, wat men wel bovenbewustzijn noemt. Men kan het beste zeggen dat hierin het gehele weten van de wereld aanwezig is. Daardoor was het hen mogelijk – krachtens hun eigen innerlijke gesteldheid – het weten van anderen plus het wezen van hun gedachtewereld – veelal gebonden aan eigen stam, of meerdere stammen – in zich te ervaren en daaruit te putten. De mensen, die zo spraken, gaven zich geen rekenschap van het feitelijke gebeuren. Zij gehoorzaamden slechts de drang, die in hen was ontstaan om te spreken over Jezus, Zijn werk en Zijn leer. Zo er in deze gevallen al sprake was van inspiratie, was deze eerder gelegen in het stellen van de daad, het prediken, dan in de wijze waarop en de middelen waarmede de prediking geschiedde. Ik meen, dat wij dit laatste in feite nog eerder kunnen zien als een gevolg van het meer dan normaal in harmonie zijn met de wereld, de kosmos en het denken van de mensheid.

  • Maar er zijn vele dialecten. Zo iemand moet dan in contact hebben gestaan met een bepaalde groep?

Inderdaad, dit stelde ik reeds. Het contact met de groep wordt bepaald door degenen tot wie men zich richt. Overigens staat er niet geschreven dat zij spraken in de dialecten van hun toehoorders maar wel dat hun woorden werden verstaan. Dit maakt wel een verschil uit. Wanneer u een groep samenstelt uit bv. een Jordaner, een deftige Hagenaar, een platte Rotterdammer, een Brabander en een paar Tukkers dan zullen zij allen Nederlandse woorden kunnen verstaan, ook wanneer in een van de dialecten wordt gesproken. Niet ieder van hen hoort dan echter ook zijn eigen dialect. De nadruk in het pinksterverhaal ligt dan ook op het verstaanbaar zijn voor allen.

  • Volgens de memoires van Mevr. Blavatsky was zij op haar 4de jaar in staat om met haar astrale organen de stof te beroeren. Hoe moet men zich dat voorstellen?

Astrale kracht – daar zij behoort tot de fijnere materie – kan zich gedragen als een kracht of stof t.o.v. normale materie. De verschijnselen die ontstaan door het gebruik van astrale organen in de stofwereld, worden meestal Poltergeist verschijnselen genoemd. Hierbij kunnen o.m. deuren worden geopend of gesloten zonder dat iemand ze zichtbaar beroert; vaatwerk kan worden verplaatst dan wel stuk gegooid. Ook bepaalde levitatieverschijnselen bij dode voorwerpen kunnen hieronder begrepen zijn.

  • Hoe kan men een concentratievermogen ontwikkelen bij kinderen, die zich ondanks een goed verstand toch niet geheel kunnen geven?

Men dient allereerst uit te vinden, wat wel hun volle belangstelling heeft en voor hen dus wel een volle concentratie en verzinken kan betekenen. Men tracht dan, door associaties te wekken in het denken van het kind, een verbinding te doen ontstaan met de onderwerpen waarin concentratie het meeste gewenst is. Hierdoor omvat het vermogen om zich te concentreren langzaamaan een groter gebied en zal het daardoor mogelijk worden voor het kind zich ook op andere gebieden meer te concentreren. Een stok achter de deur is wel zeer gewenst in het begin. Over een gebrek aan concentratievermogen hoeft men zich overigens vóór het dertiende, veertiende jaar niet te zeer te bekommeren. De erger, die vóór deze tijd ontstaat, kan de vorm aannemen van slechte rapporten. Daarna moet echter van een zeker vermogen zich te concentreren sprake zijn, indien men in staat wil zijn op de wereld ook werkelijk iets te bereiken.

Overigens acht ik het betreurenswaardig, dat men in Europa zo veel waarde hecht aan een papiertje waarop staat aangegeven, wat je in je jeugd al zo hebt gekend. Diploma’s hebben immers na de schooljaren weinig praktische waarde. Door overschatting krijgt het enige waarde voor de bezitter. Maar in de praktijk kan een proef van bekwaamheid binnen een bedrijf of functie, gedurende enige dagen afgelegd, alleen beslissen omtrent het al of niet geschikt zijn. De cijfers, die men behaalt bij een examen, zullen slechts zelden in direct verband staan met de praktische aanleg die aanwezig is. Naar mijn inzien heeft een diploma zonder bijgaande prestatielijst geheel geen waarde. De eisen, die worden gesteld door sommige werkgevers, zijn absurd. Men ziet dan ook advertenties als: Gevraagd correspondent Engels, Duits, diploma’s vereist. Vrij van dienstplicht, niet ouder dan 25 jaar, minstens 4 jaren praktijk in soortgelijke positie… Het mankeert er nog maar aan, dat men iemand wil hebben, die niet ouder is dan 25 jaar met te minste 20 jaren praktijk, in bezit van alle diploma’s. De doorsnee mens verlangt 5 poten aan een schaap. Waarschijnlijk omdat menigeen ook 5 poten schijnt te hebben, ofschoon hij zo geen van alle weet te gebruiken. Slechts degenen, die zelf niet in staat zijn praktisch met goede resultaten te werken, menen aan anderen dergelijke absurde eisen te mogen stellen.

  • Houdt een incarnerende geest evenveel rekening met astrologische tekens als met het milieu?

Dit is afhankelijk van het bewustzijn dat die geest bezit. Normalerwijze geschiedt ongeveer 70% van de incarnaties te hooi en te gras. Hierbij wordt met geen van beide genoemde factoren bewust rekening gehouden en telt alleen de mogelijke bevrediging van in het ‘ik’ heersende lusten. Het resterende percentage is graadsgewijs bewuster. Geheel bewust incarneert ongeveer 0,3% van de bevolkingsaanwas op de wereld. Dit is nog betrekkelijk veel. Wanneer u dit in concrete cijfers omzet zal het u nog wel meevallen.

  • Indien God de mens naar Zijn beeld schiep en Zelf liefde is, hoe is het dan mogelijk, dat oorlogen bestaan en God mensen bij rampen om laat komen?

Allereerst een protest tegen de stelling, dat God mensen bij een ramp laat omkomen. Een ramp kan een beleven zijn. Maar een omkomen bestaat binnen God niet.
Dat, wat u dood noemt, is in Gods werkelijkheid slechts een verandering van leven en sfeer en betekent, in verhouding binnen Hem niet meer dan voor u het gaan van de ene kamer naar de andere. De nadruk, die de mens legt op het leven en de heiligheid daarvan is te danken aan het zeer beperkte inzicht dat hij heeft in zijn eigen wezen. Wat men op aarde de liefdeloosheid of wreedheid Gods pleegt te noemen, is binnen de grotere wereld noch liefdeloos of wreed. Dood en oorlog zijn vanuit een ruimer standpunt slechts even wreed als de handeling van een dokter, die een kind een injectie geeft om het zo te behoeden voor groter lijden en ernstige ziekten. Het leven is oneindig, zolang de Schepper dit zo toelaat. Veeleer kan men dan ook stellen, dat God juist in Zijn liefde voor de Schepping ongevallen en rampen toelaat, zelfs oorlogen en haat duldende, opdat Zijn schepselen door de tegenstellingen die zij zo voor zichzelf scheppen, zullen leren de kosmische harmonie bewust en uit zich, te aanvaarden. In de Schrift staat wel, dat God de mens heeft geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, maar niet, dat de mens zich daarvan ook ten volle bewust is. Het zich van dit één zijn met God bewust worden is m.i. het doel van alle leven.

  • Kan in de geest latent gebleven aanleg worden ontwikkeld, kan men in verband hiermede bij reïncarnatie een nieuwe omgeving op aarde kiezen?

Dit is afhankelijk van de vraag of de op aarde, latent gebleven eigenschap, ook voor de geest een deel van het bewustzijn vormt en door deze geest als een noodzakelijk deel van eigen ontwikkeling wordt gezien. Kunstzinnige uitdrukking van het ‘ik’ is deel van elke geestelijke ontwikkeling die verder gaat dan de laagste sferen van het Zomerland. Kunst is in feite niet veel meer of minder dan een vermogen tot abstract uitdrukken van een innerlijke toestand op zodanige wijze, dat zij voor andere kenbaar wordt. Het betekent niet, dat het kunstwerk altijd abstract is, doch wel, dat de in het kunstwerk uitgedrukte gedachte los wordt gemaakt van eigen persoonlijkheid en wereld en in de uiting blijft besloten. Wanneer dit voor de geest bv. bij een volgende incarnatie als noodzaak geldt, zal ongetwijfeld een mogelijkheid worden gezocht dit ook op aarde te doen. Zeker dat dit ook zal geschieden, is het in ieder geval niet.

  • Wordt in hogere sferen nog kunst bedreven door dichters, enz.?

Ongetwijfeld. Er bestaan in de sferen bepaalde bezigheden die kunnen worden vergeleken met uw dichten en schilderen, uitvoeren of componeren van muziek, etc. Dit betekent echter niet, dat deze uitingen een gelijke inhoud hebben als op aarde. Dit laatste is niet eens mogelijk, daar er altijd bepaalde verschillen tussen een geestelijke en stoffelijke wereld blijven bestaan.

  • Kunt u iets zeggen omtrent de ervaringen tijdens en na de overgang? Zijn gedachtevormen die in de sferen worden opgebouwd, aan verandering of vernietiging onderhevig?

Een gedachtevorm die in de sferen wordt opgebouwd, blijft slechts zolang bestaan als er een gedachte daaraan in stand wordt gehouden. Dit betekent dat iemand een gedachtevorm kan opbouwen die voor anderen aanvaardbaar is. Wanneer zij voor hem zelf ophoudt te bestaan, zal zij dan voor de anderen normaal kunnen voortbestaan.

Voor de ervaringen bij de overgang kan ik geen voor ieder geldende aanduiding geven. Dit is te veel van persoonlijke factoren afhankelijk. Meestal betekent de overgang een lichte verwarring, gevolgd door het vaststellen van een nieuwe situatie. Bij aanvaarding hiervan als een feit, volgt een erkennen van andere figuren, die u dan benaderen en trachten te helpen. Daarna volgt meestal een verblijf als in een duistere, of koele kamer. Hierin wordt het afgelopen leven overdacht. Ten dele beleefd is misschien een betere uitdrukking hiervoor. Daarna volgt een kennismaking met het Licht. Al of niet verwerpen van dat Licht bepaalt dan weer het verdere leven. Het is onmogelijk alle voorkomende sensaties geheel en onmiddellijk hier weer te geven.

  • Hoe kan een overgegane een concert beluisteren?

Muziek is een gedachte die voor anderen in reproduceerbare klanken uiteen is gerafeld en in notenschrift werd neergelegd. Het concert in gedachte gaat dus altijd aan de composities of uitvoering vooraf. Bij reproductie moet een kennen of begrijpen van de bedoelingen van de componist in beperkte of volledige zin aan de uitvoering vooraf gaan. Hieruit blijkt, dat muziek dus ook een deel uitmaakt van het denken. U zult begrijpen dat iemand, die een schoonheid op aarde – als muziek bekend – voller en schoner in zich ontdekt of voelt oprijzen uit een andere sfeer, geboeid wordt als bij een concert. Er is een verschil. Men heeft al zeer snel in beperkte of grotere mate hieraan deel. Er is dus geen sprake van een aparte orkestbezetting.
Ieder die met de gedachtemuziek in harmonie komt, vibreert a.h.w. daarin mee en geeft zo de tonen van zijn eigen persoonlijkheid mee, weer in het geheel. Dit vergroot de schoonheid van het voor allen ervaarbare geheel. Op deze wijze kan men spreken over koorzang, wanneer als menselijk uitgedrukte gedachtebeelden verknoopt worden uit klank en tekst. Dit is zingen en ook in lagere sferen als zeer perfect bekend. Indien echter de tekst wegvalt en in de plaats daarvan alleen een gevoelservaren en uitdrukking overblijft, spreken wij over muziek. Deze komt tot in de hoogste sferen voor en kan daar dus ook beleefd worden. Het geheel berust in feite op het waarnemen van de gedachtenvibraties van anderen. Het eigen wezen geeft in feite een variant weer van het oorspronkelijk opgevangene, waar het gehele wezen daarin meetrilt met al zijn eigenschappen.

  • Muziek is bij ons in de eerste plaats een gevoelsbeleven en pas in de tweede plaats misschien ook een mentale.

Om tot een beleven te komen, moet ook mentaal verwerken plaats vinden. Overigens is het door u gestelde op aarde wel zeer afhankelijk van de eigen instelling, zodat dit een zeer subjectief punt is. Sommigen ondergaan muziek in de eerste plaats als een sentiment, dat dan weer bepaalde illusies van voorstelling en plaats kan oproepen. Doch ook een ontledend genieten van de muziek is wel degelijk mogelijk. Hierbij zal zowel de compositie als de hantering van de instrumenten worden beschouwd, waaruit dan waardering, dus vreugde, of ergernis kan voortvloeien. De muziekbeleving kan bij gevoelsbeleving zeker een geestelijk stijgen bevorderen. De trillingen van de muziek hebben een zekere stoffelijk magische werking. Bij het zich geestelijk verheffen zal echter meer de voortgebrachte trilling dan de muziek zelf spreken.
Verrukking kan evenzeer worden opgewekt en ervaren door het woeste trommelspel van negers, het nasale geluid van een oosterse fluit, als door de perfecte uitvoering van een bekende compositie door een groot orkest. Dit laatste betreft dus feitelijk weer enigszins andere waarden dan de muziek zelf alleen.
Men mag dan ook stellen, dat bepaalde ritmen en trillingen op het menselijke lichaam een zodanige invloed kunnen uitoefenen, dat zijn bewustzijnsdrempel daardoor aanmerkelijk wordt verhoogd. Van een bewust ervaren van klanken is dan slechts beperkt of geen sprake. De geest, vrij geworden van een deel van de stoffelijke banden, zal nu volgens eigen inhoud en streven belevingen op ander gebied kunnen ondergaan. De indrukken, die door de muziek werden opgeroepen voor de toestand ontstond, zijn vaak bepalend voor de wijze waarop de geest zich in het Al beweegt en tot een kosmisch bereiken komt, dan wel afdaalt in de afgronden van duister en onbegrip. Muziek kan de geest dan ook niet alleen tot het Goddelijke voeren, maar evenzeer brengen tot de diepste afgronden van wanhoop.

  • Waarom kan iemand zonder enig begrip voor kunst toch een bewondering hebben voor een kunstenaar en zijn kunst?

Waarschijnlijk is dit de behoefte zich te vereenzelvigen met iemand, wiens werk als scheppend en interessant of intellectueel wordt gezien. Juist onbegrip kan vaak leiden tot verering en nabootsing, waar men een voor het ‘ik’ begerenswaardig geachte, doch niet begrepen eigenschap in een ander meent te erkennen. De z.g. bewondering voor bv. Bach en enkele van de modernen is vooral van een dergelijke impuls afhankelijk bij het merendeel van de mensen. In feite geldt een dergelijke bewondering meer een in het ‘ik’ bestaande gedachte dan de kunstenaar of zijn werken. Dwepen houdt altijd een onbegrip in. Is er begrip, dan kan er van dwepen geen sprake meer zijn.

Het schone woord: vertalen

Woorden uit een vreemde taal, begrepen en doorvoeld, maar toch de moeilijkheid te zeggen, wat de schrijver heeft bedoeld in eigen taal. Een worstelen met beelden, die niet passen. Zoeken naar een metrum, dat verloren gaat. En zo vertalende, herscheppen tot het kunstwerk ontstaat en toch zijn eigen rechten kent.

Het geestelijk weten is kosmische kracht, misschien hebt gij soms een deel van die kracht door leven en streven op aarde gebracht. Het is niet genoeg, dat die krachten hier dalen. De mens moet leren te vertalen, zodat de mensheid hen verstaat, opdat er voor de wereld, opdat er voor de stof, kracht en leven weer opnieuw bestaat.

Wie wil vertalen, moet begrijpen, wat de schrijver dreef. Wat hem bracht tot deze formulering, waarom hij juist dit ritme, deze woordenrijen schreef.

Wilt gij een hogere kracht vertalen? Vergeet u zelf, vergeet verlangen, vergeet uw haat en tracht één te wezen met al het hogere,  wat in en buiten u bestaat. Misschien dat dan, vertalend, in de daad wordt neer geschreven de vrede, die de Allerhoogste geeft aan al, wie Hem erkent in sfeer en stoffelijk leven.

image_pdf