Waarom Jezus gekruisigd moest worden

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 7

19 februari 1956

Wij zullen deze bijeenkomst gebruiken om ons wat te gaan voorbereiden op de komende grote dagen. Grote dagen binnen het christendom wel te verstaan. Want, het hoogtepunt van de hele christelijke leer is toch wel de kruisdood en de herrijzenis van Jezus Christus. Dat wij persoonlijk het niet geheel eens zijn met dit stellen van een punt van belangrijkheid, is uiteindelijk van minder belang.  Wij moeten trachten U in deze groep duidelijk te maken,waarom Jezus gekruisigd moest worden.

Evenzeer is het noodzakelijk, dat wij U de werkelijke situatie tekenen, de toestand, zoals die in de Evangeliën niet tot uiting komt. Ik weet, dat de mensen onder U reeds verschillende lezingen over dit onderwerp hebben meegemaakt. Toch zou ik in deze kring, die klein en meer harmonisch is, gaarne juist deze onderwerpen belichten.

In de eerste plaats: Jezus en de Profeten.

Wanneer wij de Evangeliën nalezen, dan zien we telkenmale weer, hoe de bestaande toestanden worden aangepast aan de uitingen van vroegere profeten, en hoe men door het toepassen van deze profetieën op Jezus leven trachtte te bewijzen, dat Hij de Messias is. Dat hebben wij natuurlijk te danken aan het feit, dat de kern van het christendom ontstaan is in het hart van het Joodse land en het voor de eerste christenen de vervulling van de belofte was, eens door de Vader gedaan aan Noë en Abraham.

Hoe Jezus zelve daarover dacht? Ach, eens hebben zijn volgelingen Hem gevraagd, of Hij nu werkelijk de beloofde, de Messias, de verlosser was. En Jezus zeide: “Ziet, dat wat de profeten gezegd hebben, heb Ik U vervuld. En meer dan dat.” Verlosser, bevrijder is de Messias, wanneer Hij de geest van zijn ketenen bevrijdt en de ziel vrijelijk doet opgaan tot God.

Hij ontkent niet, dat Hij de Messias is. Hij bevestigt het niet. Hij wil niet zijn: de koning der Joden. Integendeel. Hij wil ook niet zijn de bevrijder van een volk en een land. Integendeel. Maar men heeft het van Hem gemaakt. Want dit is het noodlot van alle verlichte geest op aarde. Zoals Hij zelf eens uitdrukte: “Want ziet, wanneer ik het licht Mijns Vaders doe schijnen over het land, zo vraagt gij mij: “Welke handelswaarde heeft het?” Dit was een opmerking gemaakt tegen Iskariot, die meende voor de genezingen, die Jezus tot stand bracht, toch wel enige kostenvergoeding in rekening te mogen brengen.

Jesus IS profeet. En al, wat de profeten naar voren brengen, is uiteindelijk niet veel meer dan de zekerheid, dat een dergelijke figuur zal komen. Maar niet alle profetieën aangaande de Messias zijn in Jezus vervuld. Wij mogen dus aannemen, dat Jezus meer en tegelijk minder is dan de profeten meenden te voorvoelen. Minder omdat Hij niet de verheffing van het Joodse volk in de hand heeft gewerkt; integendeel, een van de indirecte oorzaken was tot de verspreiding van het volk der Joden over de gehele wereld. Meer omdat Hij niet slechts voor het Jodendom, maar voor de gehele wereld een weg trachtte te openbaren, die voert naar vrijheid en goddelijk licht.

Jezus en de kruisdood.

Wij mogen zeker aannemen, dat Jezus in het begin van zijn loopbaan niet heeft gedacht aan de kruisdood. Zijn leer is er een van levensvreugde, van levensaanvaarding op de juiste wijze. Zijn leer is er een, die de mens ertoe brengt zich vrij en ontdaan van alle stoffelijke banden te midden van de wereld te bewegen, strevend naar de wereld van de geest. Hij heeft heel de wereld lief.

Men meent, dat Jezus een somber en droevige figuur is geweest, een voortdurend verwijten uitbrakende, een voortdurend vermanende, strenge profeet, die zwak, tenger en melancholiek met zijn volgelingen door het land ging. Maar niets is minder waar dan dat.

Jezus kende de vreugde van het volk en wist het te delen. Hij is eregast op de bruiloft te Kanaän. Hij preekt ‘s avonds aan de bron, wanneer alle vrouwen, wanneer de jeugd en ook de wijzere mannen vaak tezamen komen.

(In kleine dorpsgemeenschappen neemt de put, de bron, de plaats in van een soort vergaderzaal, een ontmoetingsplaats.) Hij lacht en Hij speelt met het volk. Wanneer men Hem in een plechtstatige afzondering wil houden, dan is Hij het altijd weer, die er op wijst, dat Hij deel wil zijn van de mensheid. “De Meester is vermoeid, houdt de kinderen van Hem.” “Neen” zegt Jezus, “laat de kinderkens tot mij komen, want hen is het Koninkrijk der Hemelen.” “Aan hen is de vreugde.”

Jezus is een profeet van de levensvreugde, een verkondiger van levensvrijheid en levensblijheid. En dit nu is niet in overeenstemming met de formele leer, die in de tempel wordt verkondigd.

Het is een verklaring voor het feit, dat Jezus overal een groot gehoor trekt. Het is ook een verklaring voor de bijzondere aandacht, die men Hem van alle kanten schenkt.

De schijnvromen, zich beroepend op de somberheid van hun leven, gewijd aan hun God, de doodgravergezichten, die met kwasten aan hun mantels statig voortschrijden, kunnen een dergelijke leer niet begrijpen. Nog minder kunnen zij deze aanvaarden. Want zij zouden de plechtstatigheid moeten afleggen. Zij zouden hun schijngestrengheid moeten prijsgeven voor een levensblijheid, die alle mensen gelijk maakt en alle gelijkelijk tot vreugde verheft. Zij zijn er van overtuigd, dat van alle profeten, wonderdoktoren en wonderdoeners in het land, Jezus de meest gevaarlijke is. Want Hij spreekt van vreugde, Hij spreekt van logisch, redelijk leven en denken, van een afwerpen van een haast ondragelijk juk van te vrome voorschriften.

Daar begint eigenlijk reeds de poging om Jezus te vernietigen. Men toont Hem een munt. Men zegt: “Hebt Gij Uw belasting al betaald. Uw cijns aan de keizer?” En Jezus beaamt dit. Men probeert daarop het volk tegen Hem in oproer te brengen, maar die willen dat niet geloven. Zou Jezus, zou deze werkelijke man uit het volk, deze verlichte figuur, die wonderen doet, de Romein cijns betalen? En daarop volgt pas het evangelisch vastgelegde: “Moeten wij cijns betalen aan de keizer of aan de tempel?” Met het befaamd geworden antwoord: “Geef God, wat Godes is; maar geef de keizer ook wat des keizers is.”

Jezus heeft Zich er weer eens tussenuit gewerkt. Ze zijn haast verbolgen hierover. Debatten over bepaalde kerkelijke aangelegenheden, zij zijn voor Hem niets anders dan een middel om steeds weer aan te tonen, hoe huichelachtig de tegenpartij is. De tegenpartij, die zeer belangrijk is.

Maar ook Rome – ofschoon niet zó vijandig gezind – heeft redenen, om Jezus niet al te gaarne te zien. Want een Romans burger is meer dan een Jood. En Hij durft zo maar te vertellen, dat een Romein en een Jood gelijk zijn. Ja, erger nog. Hij is in staat om tollenaars weg te lokken, de tolgaarders, de belastingmensen op wie toch eigenlijk de proconsul moet steunen, wil hij de volledige tributen, die geëist worden voor de keizer, kunnen opbrengen. Zij geven zelfs hun onrechtmatig verworven bezit terug. Een dwaasheid.

Rome heeft geen redenen om Jezus dankbaar te zijn. Zelfs niet, wanneer Jezus ook vreemdelingen – ja zelfs Romeinen, waaronder een centurio – helpt, om genezing te vinden, om innerlijke rust te vinden.

Het volk verheerlijkt Jezus, maar eerder, omdat het meent, dat Jezus vrijheid brengt en bevrijding, dan omdat het Jezus begrijpt. Daar hebben we dan de drie partijen, die in het drama een grote rol zullen spelen; partijen, die later gezamenlijk in een schijnvertoning zullen besluiten Jezus te offeren aan een kruis.

Jezus zelve zou die kruisdood gemakkelijk hebben kunnen ontkomen. Op het ogenblik, dat Hij de leider was geworden van een Joods volk en Zich op Zijn vorstelijke afkomst had beroepen, want HIJ was uit het geslacht van David, zou men Hem in Rome misschien hebben terechtgesteld. Inderdaad. Maar niet aan een kruis. En het zou meer waarschijnlijk geweest zijn, dat Hij – evenals vele vorsten – in een trotse slavernij aan het Romeinse hof nog langen tijd had kunnen voortleven, met een grotere luxe en een beter bestaan, dan Hem dit mogelijk zou zijn in het land der Joden. Want Rome weet, dat een Barbarenvorst te winnen, die door het volk vereert wordt, een zekerheid biedt van vast bestuur over geheel het volk.

Maar Jezus blijft voortdurend en ten alle tijde elke poging tot toenadering verwerpen. De Maccabeën in die tijd U zoudt tegenwoordig zeggen “de Partizanen of de verzetslieden van het Joodse volk” proberen Jezus voor zich te winnen. In de bergen confereert Hij menigmaal met hen. En somwijlen, wanneer Hij voor zijn leerlingen zegt Zich terug te trekken in de eenzaamheid, confereert Hij met deze leiders, die trachten het Joodse land vrij te maken van de slavernij, die Rome hen oplegt. Maar ook van de boeien, waarin de Viervorst hen heeft geslagen, die aan Rome geheel verknocht is.

Hij had aan het hoofd van een Joods leger kunnen binnenstromen. Het zijn de Maccabeën, die tezamen met de Gallileërs de werkelijke aanleiding zijn tot Jezus triomfale intocht, die het christendom nog herdenkt op de z.g. Palmzondag. Zij zijn het, die Hem in de tempel haast willen forceren Zich te verklaren, te zeggen dat Hij koning is, dat Hij de Messias is. En zij rekenen op de opwinding van een naderend Paasfeest om daarmede geheel Jeruzalem in opstand te brengen, om het Romeins garnizoen, dat klein is, te verslaan. Alles is klaar, alles is voorbereid.

De Farizeeën en de schriftgeleerden laten Jezus meerdere malen aanbiedingen doen. Hij is uit het geslacht Davids en het zal Hem geen moeite kosten Hem te verheffen in de een of andere priesterlijke functie of stand, zelfs wanneer Hij eigenlijk aan de volledig erfelijke waarden, die de Joden daarvoor kennen, niet geheel voldoet.

De Romeinen bieden Hem ook aan. Zij bieden Hem aan rustig te blijven als genezer onderwerping predikend voor Rome zeker te zijn niet slechts van de genegenheid van de consul en de bescherming door Romes sterke arm, maar meer nog, om Hem te maken tot opperpriester van zijn volk. Over die dingen spreekt men niet. Maar ze zijn gebeurd. En zo is Jezus dan langzaam, haast onvermijdelijk, afgegleden in de waardering van verschillende volkeren en groepen binnen het Jodendom.

Wanneer Hij uiteindelijk Zijn eigen leer wil blijven prediken, dan weet Hij, dat Hij drie vijanden heeft. Twee bewusten. Rome, dat Hem alleen maar onschadelijk bij voorkeur belachelijk wil maken, dat alleen maar de macht van de proconsul wil openbaren aan Jezus en Hem dan laten gaan, en het Sanhedrin, geleid door de hogepriesters, die als vertegenwoordiging van de kerkelijke richting willen trachten Jezus eenvoudig tot ketter te verklaren, ofwel – wat nog beter is – te doen toevoegen, dat Hij met grootspraak het volk heeft misleid. Ook zij wensen Jezus dood niet.

En het volk? Ach, het volk interesseert zich voor Jezus heel wat minder dan het zich voor Zijn sensationeel optreden interesseert. “Wat zegt die Jezus wat zegt Zijn leer uiteindelijk? Nou ja, het is een aardige vent; maar als je hem hoort spreken en je bent er zo allen samen en ja gaat achter hem aan …. er is altijd wat te beleven, er is sensatie, er is prikkel. Ja, met Jezus kun je altijd wel wat beleven. En een wonder is buitengewoon aardig. En niet alleen, dat Hij zo nu en dan wonderen doet, maar je hoort nog van veel. Oh, het is een buitengewoon mens.”

Maar juist dat buitengewone, dat Hem enerzijds de belangstelling van het volk verzekerde, betekende aan de andere kant, dat het volk Hem niet waarlijk kon liefhebben. Het volk heeft geen mensen lief, die hoger staan dan het volk. Die genegenheid is eerder een aanbidding van bepaalde regalia, dus uiterlijkheden, kostbaarheden eventueel, wonderen in dit geval, die zo iemand het volk kan aanbieden.

Het volk wacht U; het wacht sidderend op sensatie. En wanneer Jezus niet geneigd blijkt aan hun verlangen om nu de grootste sensatie van allen te beleven: een wonderdoener, die afstammend van David in de tempel door de Maccabeën tot koning wordt geproclameerd, dan heeft Jezus zeer veel verloren. U ziet het, het is allemaal zo logisch, zo nuchter.

Hier heeft U dan de uiterlijke toestand, die zo dadelijk leidt tot de kruisiging met al, wat er aan voorafgaat en daarop volgt.

Maar Jezus zelve, hoe denk Hij erover? Hij weet deze dingen. Zegt Hij niet eens op een avond tegen Johannes en Andreas: “Ge weet niet, hoe eenzaam ik ben. Ieder in de wereld verlangt iets van mij. Niemand geeft; allen verlangen iets. Gij geeft Uw trouw. Maar gij geeft niet Uw trouw aan Mij, maar aan een goddelijk aspect, dat gij meent in Mij te ontdekken. Zoals sommigen Mij alleen vereren, omdat zij hopen eens te kunnen zetelen op de treden van Mijn troon. En toch tracht ik zo veel te geven.”

Wanneer Johannes daarop antwoordt: “Maar Meester, Broeder, ik heb U lief, lief om Uzelf. Niet om wat Gij doet. Niet om wat Ge schijnt te zijn in de ogen van anderen.”, dan weet Jezus daarop maar één antwoord; “Zo zijn er twee, die mij liefhebben: Mijn Moeder en mijn leerling.”

Hij is eenzaam. Op dezelfde avond zal Hij nog nadat de andere leerlingen met hun gebruikelijke twistgesprekken en vragen zijn heengegaan tegen Johannes opmerken; “Ziet, zij noemen mij Rabboni, Meester. Maar ik ben geen Meester over hen, noch zijn zij meester over zichzelf. Geen hunner weet, waarheen wij gaan. En ik, die weet, mij gruwt het.”

Hij weet, dat Hij gekruisigd zal worden, al weet Hij misschien niet alle onaangename details. Hij voorvoelt, wat er gebeurt. Hij is een profeet. En dit werkt dagen en dagen lang in Hem door.

Ongeveer twee weken na het door mij aangehaalde gesprek, spreekt Hij zijn weeklacht over Jeruzalem uit. Hij profeteert de ondergang. Want Hij ziet hoe machten der mensen onophoudelijk samenstreven naar dit ene punt: het conflict, waarbij het niet anders kan gaan. Jeruzalem moet vallen. Geen steen zal op de andere blijven. De hartstochten der mensen zijn te fel.

De profetie schokt de leerlingen. Want Jeruzalem is een heilige plaats. De plaats waar de tempel staat. De plaats, waar God zetelt en vanuit de omhulling der beide Serafijnen zwevend als een licht, Zich openbaart aan Zijn priesters.

Dan zegt Jezus dit: “God spreekt niet meer tot de mensen. En de mensheid is nog niet rijp genoeg, dat Hij door de mensen kan spreken. Het Allerheiligste het Heilige der Heiligen, is verlaten. En God woont niet meer in de arke des Verbonds. Men zal andere beelden verheffen. Men zal met pronk en praal nieuwe afbeeldingen scheppen en zeggen, dat deze God zijn.” (Voorvoelt Hij misschien de verering van Zijn beeld?)

Hij gaat verder: “Maar waar is het, gij zult geen beelden van Goden voor Mijn ogen stellen.” Men mag God niet vangen in menselijke voorstellingen, die blijvend zijn. Wie God zo vastlegt, maakt het zich onmogelijk tot God te komen. En wij allen willen gaan tot het huis des Vaders. Dagelijks smeek ik met U, dat Uw koninkrijk kome, Vader, dat Uw wil verwerkelijkt worde, ook op deze aarde. Maar de stem des Vaders wordt niet gehoord. Wanneer Hij tekenen schrijft aan de hemel, zo verstaat de mens Hem niet. Wanneer Hij spreekt in hun harten dan verwerpen zij zijn stem. Mijn broeder noemde zich “de stem eens roepende in de woestijn”. Ik zeg U:“eenzamer dan hem ben ik. Mijn stem versterft zonder dat het woord gehoord of begrepen wordt.”

Weemoed. Een voortdurende weemoed. En zo nu en dan daartussen haast vlijmend een ogenblik van realisatie; “Het kan niet anders; het moet die kant uit, waar Ik geofferd wordt.” En dan het stil protest; “Hoe bitter wordt mij de kelk des levens, wanneer ik zie, waarheen mijn voeten me leiden, naar het einde van de weg, zoals dat de wil is van mijn Vader.”

Een enkele keer probeert Hij zijn leerlingen bij te brengen, dat – al vreest Hij hiervoor – Hij toch overtuigd is, dat Gods wil de enige ware vervulling is. “En”, wijzend op de tempel, zegt Hij, “ziet, wanneer men de tempel afbreekt, in drie dagen zal ik ze U opbouwen.”

Men heeft dit van toepassing verklaard in zijn herrijzenis. Maar Hij meende letterlijk, wat Hij zegde. In God kan men alle dingen. Maar om in God de dingen te verrichten, dient men zich te reinigen, te zuiveren, en in de eerste plaats tot God te gaan. Daarom in drie dagen.

Zo gaat Jezus onophoudelijk verder, steeds meer bewust van de conflicten, die Hij schept. Steeds meer beladen met stille weemoed over al hetgeen Hij moet verlaten, over al hetgeen Hij niet volbrengen kan. En toch in de zekerheid, dat wanneer het noodzakelijk is God zal ingrijpen, God, die de God van Abraham is en een ram zond, om Isaäk te sparen.

Zo begint dan het noodlot, dat het christendom heeft geboeid, mijne vrienden. Ik zal trachten om voor een kort ogenblik een van onze betere sprekers nog enkele woorden hierover te laten zeggen.

o-o-o-o-o

De stemmen van de kinderen roepen soms de mens terug naar de wereld. Maar soms beletten zij ook de geest zich op de juiste wijze te openbaren op de wereld, wanneer zij uit hun eigen sfeer terug willen. Want er zijn geluiden, die te veel als hinderlijke ondergrond de ware concentratie van de mensen verstoren. (Dit in verband met het lawaai van spelende kinderen op straat.) Maar sta mij dan toe om juist van dit laatste onderwerp U één klein punt te belichten en op de voorgrond brengen.

Opstandigheid, verzet, ja, radeloos zoeken naar vlucht, zou de begrijpelijke reactie zijn geweest van ons allen. Geen onzer zou de moed hebben gehad normaal verder te leven, wetend, dat een noodlot als Jezus kruisiging, ja, Zijn marteling voordien, het resultaat zou zijn van dit verdergaan.

Jezus heeft dit geweten. En er was in Hem een kracht, sterker dan alle vrees, dan alle angst. Jezus was onzelfzuchtig. Onbaatzuchtig heeft Hij voortdurend zijn leven gewijd aan alle mensen. Hij heeft niet gevraagd: “Waar zal ik slapen” of “Waar zal ik eten?” Hij heeft niet gevraagd: “Zal men mij roemen of vervloeken?” Hij heeft zijn taak vervuld zo goed, als Hij kon. En daarmede heeft Hij een voleinding bereikt, die wij allen Hem eigenlijk wel benijden.

Het raadsel van Zijn Kracht blijft steeds onoplosbaar, wanneer wij niet één ding boven al het andere stellen. Jezus had God lief en in God de wereld. Hij had God lief boven alles, en door God ook de wereld boven zichzelf.

De grote mens van alle tijden, de grote mensen van alle wereld, zij zijn uiteindelijk de mensen, die zichzelf vergeten. Vergeten voor een doel. Vergeten in het vuur ener ontdekking. Of en hiervan is Jezus het lichtende voorbeeld in een liefde, die al het andere verteert. Een liefde, die niet vraagt, maar geeft, en gevende ontdekt, dat er altijd nog meer te geven overblijft.

Jezus is de kracht der liefde. En wanneer onze vriend, die daareven zo zakelijk en toch ook mooi de oorzaken van Jezus kruisiging aanroerde en trachtte uiteen te zetten, U op het nuchtere aspect wijzende, zo zeg ik U: “Jezus wist immers deze dingen. Hij had ze dus kunnen veranderen. Hij had ze kunnen ontgaan. Maar Zijn liefde was sterker dan alle vrees, sterker dan alle begeerten. En in deze liefde is het Jezus, die zegeviert. Jezus, die ons is: de ware zoon Gods.”

Er zijn veel dingen, die ik U niet duidelijk kan maken. Ik kan ze U niet duidelijk maken, omdat je die alleen maar zo echt van binnen kunt voelen. Maar we mogen dan toch misschien zeggen, terwijl we hier nu zo samenzijn, dat wij leren de Goddelijke liefde in ons wezen als Grote Werkelijkheid te ervaren, wanneer wij kunnen aanvaarden, dat alles onbelangrijk is, zolang wij ons niet in ergernis of zorgen tot de wereld wenden, maar alleen maar gaan tot God, dat we dan alle dingen overwinnen. Wij zullen dan misschien de wegen gaan, die ons ook leiden tot Calvarieën. Want Gods wil is de vervulling van Zijn Wezen in elke sfeer, in elke wereld. Maar het is ons beter gekruisigd te worden en te lijden, dan in innerlijke onrust onszelf te verteren.

Wij allen kunnen vrede vinden. En Jezus heeft ons getoond hoe: Door met voorbijzien van alle dingen – ook van jezelf – gedragen door de Goddelijke liefdewet, je weg te gaan tot aan het bittere einde. En verder. Dan alleen kunnen wij zeggen, dat wij Jezus weg hebben gevolgd. En dan alleen, geloof ik dat wij de volle betekenis van Jezus leven en lijden kunnen begrijpen.

Het zijn maar een paar woorden, die ik U kan geven. Achter die woorden staat mijn poging om de Goddelijke liefde te realiseren ook tegenover U. Wanneer ik dan nog zeg: “Wees gezegend in naam van de Vader, de Zoon en de Geest”, dan geef ik met dit symbolisch gebaar de eenheid weer, die ons allen bindt binnen de drievoudigheid van het bestaan, binnen de scheppende liefde van die Ene God, Die ons allen regeert.

RECHTVAARDIGHEID

“Ik rechtvaardig mijzelf”, zo zei de mens, “door handelen en door daden. Rechtvaardig ben ik en niet afhankelijk van Godes kracht of genade.”

“Rechtvaardig ben ik”, zo zei er de mens, “want volgens mijn wil en mijn weten oordeel ik over al hetgeen, wat de mens en de mensheid te doen mij heten, zowel als wat zij mij aandoen, altijd. Zo vind ik rechtvaardigheid besloten in mijn eigen wezen”.

“Rechtvaardig”, zei de dwaas, “rechtvaardig is een woord, dat vrezen voor onrechtvaardigheid en onvermogen in het eigen wezen uit.”

De wijze nam uit de woorden van de dwaas zijn waarheid en kwam tot het volgend besluit;

Rechtvaardig is alles, wat gerechtvaardigd wordt door een mens of een God of een wezen.

Maar rechtvaardigheid is niet eeuwige kracht, die staat in de sterren te lezen.

Want er bestaat geen recht en geen werkelijkheid, geen rechtvaardigheid in al ‘t leven, omdat je het recht tot een oordeel niet hebt, omdat je alles steeds wordt gegeven en niets je jezelve verwerft.

Wie spreekt over rechtvaardigheid en neemt dan zichzelf, die sterft vaak in ‘t eigen wezen, omdat hij een oordeel spreekt over zijn God, een oordeel, dat onbewezen, veroordeelt of oordeelt ‘t bestaan van het lot.

Wat kan dan rechtvaardigheid wel wezen?

Rechtvaardig is het leven, want ‘t leven is recht, door God ons eenmaal gegeven Rechtvaardig is het in ‘s levens strijd naar steeds groter bewustzijn te streven. Want ‘t is God, Die onze bewustwording leidt.

Rechtvaardig is het te oordelen steeds over wat je in jezelf bemerkt. Omdat God de kennis van het “ik” en het “zijn” in je wezen steeds versterkt.

Rechtvaardig is het jezelf te zijn.

Maar niet om een ander te dwingen te aanvaarden dat “ik” of misschien zelfs de lof op de kracht van je wezen te zingen.

Rechtvaardig is het te zijn, wie je bent: een mens met zijn hopen en vrezen.

Want slechts als een mens of als geest in een sfeer kun je Gods hand slechts lezen, zoals Hij het legde in de schepping eens neer en begrijpen Zijn woord en Zijn werken.

Dan ken je de weg der rechtvaardigheid, dan ben je rechtvaardig, verwerp je de strijd, want in God is alle kracht van het wezen.

Geen reden tot oordelen heb je dan meer, geen reden tot strijden of vrezen.

Je bent één met de kracht, het Leven, de Heer, en hebt voor jezelf bewezen:

Rechtvaardig was het mijn wegen te gaan, rechtvaardig mijn lijden en sterven; rechtvaardig ook, wat ik vermeende eens zo vaak en zo veel te derven.

Rechtvaardig is God, maar verder ook niets, omdat niemand het recht kan begrijpen. Zo noch U, o mensen, op aard of in sfeer, het noodlot soms gruwelijk nijpen en brengen in nood en scheppen een staat, waarin ge van onrecht wilt spreken …..

beheers U, door niet van rechtvaardigheid maar van Gods grote Wil slechts te spreken.