Wanneer een mens zoekt naar wijsheid

image_pdf

8 oktober 1963

Deze bijeenkomst zal iets anders zijn dan de vorige bijeenkomst van deze groep. Want wij hebben in deze bijeenkomst allereerst een leerrede; daarna weer een zuivere les, een meer esoterische les. Beide lessen worden ook deze maal weer gegeven door gastsprekers, waarvan een die u waarschijnlijk beter zult leren kennen in de loop van de tijd.

Ik mag ook deze maal weer de opmerking maken, dat het totaal van de lering op een bijna subliminaal vlak ligt. Er wordt dus veel gebracht wat u moet absorberen, zonder dat het mogelijk is dit direct in woorden te omschrijven. En daarbij heb ik dan een klein commentaar.

Zoals u waarschijnlijk weet spelen semantische associaties (d.w.z. klankassociaties) in de taal een zeer voorname rol. Zij vormen nl. de sleutel tot bepaalde belevingen. Het kan dus voorkomen, dat onze gasten een taal gebruiken, die uws inziens wat gewrongen is, of waarbij u meent hiaten te ontdekken. Het is goed, dat wij ons realiseren dat dit opzettelijk wordt gedaan. Het gaat nl. niet alleen om het leveren van een briljante redevoering met diepe inhoud. Het gaat om een verbinden, die geschapen moet worden tussen de mens en de kracht in de kosmos (een band a.h.w. tussen mens en Meester) en daarmede het realiseren van waarden, die niet totaal stoffelijk te uiten zijn, Hierbij wordt dus gebruik gemaakt van de semantiek om zo in u de nodige reacties vast te leggen en wat meer is bepaalde zinnen en bepaalde beeldassociaties a. h. w. in uw wezen te verankeren.

En nu met deze inleiding de zaak voldoende is voorbereid, geef ik u over aan onze eerste gast van vandaag en hoop ik, dat hij u en in de rede en ook in het geestelijk bewustzijn zal kunnen beroeren.

0-0-0-0-0-0-0

Wanneer een mens zoekt naar wijsheid

Wanneer een mens zoekt naar wijsheid, zo kan hij gaan tot de Bron, waarin het totaal levende zich openbaart. Maar een mens leeft niet als een vis in de wateren. Het element van beleving, ja, de mogelijkheid van bestaan is voor hem in het water van de Bron niet altijd voldoende.

Daarom gaat hij terug naar de oever. Hij beschouwt vol verwondering de Bron, zonder haar werkelijke oorsprong en werking te vatten en verlustigt zich aan al datgene, wat rond deze Bron kenbaar is geworden in de schepping.

Wij zullen deze avond trachten om gezamenlijk een ogenblik te zien in deze Bron der wijsheid en van uit die Bron der wijsheid tot ons te laten spreken de werkelijk levende krachten, die ons wezen door alle sferen heen beroeren.

Wanneer ik schouw op het water, zie ik slechts de weerkaatsing van de hemel en de weerkaatsing van de bomen rond de bron. Wanneer ik tracht mijn God te beschouwen, zo dringt mijn blik niet in Zijn wezen door. Ik zie slechts de weerkaatsing van al datgene, wat zich boven het water (boven het Goddelijke) bevindt; de schepping. Alle wijsheid is niet gebaseerd op de levende Kracht zelf, maar op een ín die levende Kracht gewonnen overzicht van het geschapene.

Wanneer wij trachten door te dringen onder de waterspiegel, zo zien wij als vage schimmen misschien een enkel visje, een enkel waterdier zich bewegen en wij weten niet hoe of waarheen en wij weten misschien niet eens hoe het zich voedt, waar het slapen zal, hoe het denkt.

Wanneer wij in onszelf schouwen, zo vinden wij ook daarin de weerkaatsing van het Goddelijke, de bron van onze wijsheid. En vaag daarachter zien wij de schimmen van wat ons lijkt te zijn de grote wijsheid. Al datgene wat ons toeschijnt te zijn de openbaring, die nabij is.

Maar kan ik een vis uit het water halen en haar volledig beschouwen en leren kennen, zonder haar te doden? Kan men het ongeopenbaarde in zijn vage vorm brengen in de kilheid van menselijk redelijk denken, van het ontledend doorzien van bepaalde sferen, zonder de kern ervan teniet te doen, het leven? Wijsheid is het levende en wijsheid is schimmig. Zij heeft niet het concrete, waar de mens zich zo gaarne mee bezig houdt. Zij heeft het verdwaasde van een beeld, dat telkenmale van omtekening en omlijsting verandert, zonder dat wij het wezen beter beseffen.

In uw eigen wezen zijn vele dingen, die gij niet beseft. Gij hebt levens gevoerd voor dit en ze zijn als het kruid, dat onder water groeiend een vage schemering van wuivend groen is achter de weerspiegeling van uw wereld. Ge hebt bewustzijn opgedaan in sferen. Gij hebt een keuze gemaakt voor een bepaald pad. Gij hebt u bekend tot een bepaalde reeks belevingen. En al het bewustzijn daarvan blijft onderdrukt en vaag achter de weerspiegeling van de wereld, waarin gij alles zoudt willen kennen.

Een mens, die over krachten beschikt, meent vaak die krachten te moeten toeschrijven aan die schimmen en hij geeft die schimmen een gestalte. Vandaag is het een verschrikkelijke tempelwachter, morgen is het een engel, overmorgen een draak, die langs de hemelen snelt.

En hij zegt; Ziet, dit is de gestalte van de kracht, die in mij woont. Maar kan de mens in waarheid omschrijven welke kracht in hem woont? Kunt gij zeggen wat u werkelijk beweegt?

Ja, kunt gijzelf in uw redelijke wereld een onderscheid maken tussen de vage dagdromen, die u soms motiveren en de feitelijke toestanden, zonder welke gij niet zoudt kunnen en willen bestaan? Het is u onmogelijk.

Leer daarom allereerst dit: Dat, wat vaag is en schimmig in ons wezen, kan niet tot leven en vorm worden gebracht door het te kanaliseren, te kritiseren, te aanschouwen in onze eigen zin en vorm. Wij moeten eerst terugkeren tot het element, waaruit wij geboren zijn, om de gestalten daarin levend te kunnen beseffen in hun ware bestaan.

Zo blijven ons de raadselen. En als wij gezeten zijn bij de bron van wijsheid en de weerspiegelingen zien, dan lijkt het ons soms, dat een lichte rimpeling van het water de vormen vertekent. Wat boven ons en rond ons onveranderlijk en vast is, is vaag en vliedend geworden in de weerkaatsing. De bron der wijsheid, dat is de kracht der eeuwigheid, dat is het goddelijk leven. En in het goddelijk leven veranderen alle dingen voortdurend en keren toch weer tot hun uiteindelijke vorm terug. Maar wie het beeld kan lezen, beseft dat ook de veranderingen feitelijk zijn, al zal de beschouwer van de werkelijkheid ze niet erkennen.

Wanneer er in u, mijne vrienden, een beeld is van de wereld, dan is dit niet vast. Het verandert, het fluctueert als het zonlicht, dat door de tussenliggende bladeren van het geboomte nu eens hier, dan eens daar, zijn fel lichte plekken tekent. En toch is het altijd dezelfde zon en hetzelfde licht, maar de plaats waarop het de bodem beroert is steeds een andere. Uw werkelijkheid is niets anders dan het licht van de goddelijke Kracht, dat neerschijnt door het geboomte der vele werelden in uw eigen bestaan. En telkenmale, wanneer iets verandert in een van die vele werelden, die tussen u en uw God liggen, zal er een andere kracht en een andere invloed werkzaam zijn in uw leven. En ge kunt u daaraan onderwerpen.

Maar wie leert opwaarts te zien, die heeft misschien de mogelijkheid. om een enkele tak te snoeien: en ziet, er is permanent licht op een plaats, er is warmte, en zon. En waar eerst alleen een paddenstoel wilde groeien, kan nu een bloem staan.

Op dezelfde manier kan de mens, die esoterisch streeft, in het totaal van de geestelijke werelden die boven hem staan soms voor zich invloeden wijzigen, invloeden veranderen. Het is geen grotere bewustwording, die hieruit voortvloeit. Toch is de werking volledig esoterisch.

Want ziet, de hoogste Kracht dringt direct tot uw heden en uw huidige toestand door.

Ge zult moeten beseffen, dat wij niet mogen volstaan met een meditatief neerzitten aan de Bron en schouwen alleen. Want de Bron weerspiegelt alle wezen, maar het is niet de Bron die ons voedt. De Bron is de werkelijkheid, de eeuwige werkelijkheid, die onveranderlijk bestaat.

Maar de kracht die ons voedt is het Licht, waardoor de Bron weerspiegelen kan, waardoor alles wat is leven kan. En zo zal zich de totale bewustwording van de mens en ook de totale realisatie van zijn vermogens altijd weer afspelen tussen die twee factoren: het levende Licht, dat in hem bestaat en de voortdurende openbaring van een onveranderlijke en eeuwige werkelijkheid.

Het lijkt u misschien moeilijk om deze dingen in overeenstemming te brengen met uw dagelijks leven en met uw werkelijk bestaan. Laat mij daarom trachten zo goed ik mij uw stoffelijk bestaan althans herinneren kan het geheel te transponeren op het vlak van uw dagelijks beleven.

Gij leeft in een te grote volte van feiten en gebeurtenissen. Uw hele wezen is gebaseerd op een uitbreiden van zijn eigen belangen, bezit, verbindingen. Ge wordt overstelpt met alles wat tot u komt en alles is deel van de eeuwigheid. Maar wanneer u bezig bent met bewust uw eigen leven in de materie uit te breiden (meer inhoud te geven, zoals u dat vaak noemt) en gelijktijdig verzuimt om het Licht zelve, de bezielende kracht, in elk van die uitbreidingen te activeren, zijn zij dood, zijn zij nietig. Zij zeggen niets tot u, zij spreken niet tot u. En ofschoon ge ze misschien zelf beoordeelt of uzelf daarom veroordeelt of prijst, leven ze niet. Ze zijn geen deel van de werkelijkheid. Ze zijn een schimmige droom, die voorbijgaat.

Maar soms weet je als mens een eenheid van de energie van het licht van het gebeuren met een feit, iets wat je zelf gesteld hebt, naar je meent. En op dat ogenblik blijkt dat feit rust te geven. Het is alsof dat feit zichzelf handhaaft, het leeft zelve. Je behoeft dat niet ten koste van alles in stand te houden of opnieuw te doen ontstaan. Het groeit zo natuurlijk als een plant, die zich voedt uit de aarde en streeft naar de zon.

En zo gaat het met vele dingen. Wij menen al te vaak dat de esoterie, dat het gebruik van de bovenzinnelijke krachten, dat het contact met hogere entiteiten, met krachten van Licht, gebaseerd is op het voortdurende streven van de mens alleen. Dit is niet waar. Zo ge hier toehoort naar wat ik zeg, zo zult ge u misschien afvragen waar de betekenis ligt van mijn woorden. Maar hebt ge dan niet ontdekt, dat wanneer gij het Licht kunt doen schijnen (het innerlijk Licht) op uw wereld al is het op nog zo’n klein deel ervan dat dat deel zichzelf vervult?

Niet gij bepaalt uw wereld. Gij bepaalt slechts wat in die wereld leeft en wat waan blijft een waan, al is het nog zo feitelijk werkelijk voor alle andere mensen. Innerlijk licht. En een innerlijk licht kun je alleen verkrijgen door de hinderpalen, die tussen u en het Licht staan ongeacht of zij uit sferen stammen of uit uw eigen wereld te verplaatsen, te veranderen of zelfs teniet te doen.

Meen niet, dat ge een sfeer kunt schaden. Maar ge kunt uw eigen harmonie met een sfeer zozeer wijzigen, dat zij niet meer uw aandacht opvraagt zonder meer. Dat zij voor u niet is een doorkijk, waardoor ge opziet tegen het bladerdek van het verschijnsel van een hogere wereld, maar niet de zon ziet, die aan de hemel staat. Ge kunt uw eigen innerlijke afstemming wijzigen, tot zij voor u is geworden een deel van de grote levensatmosfeer, waardoor de levensadem van het Licht zelf tot u neerdaalt.

Het is niet nodig om een sfeer te kennen, om haar innerlijk te proeven en te weten wat zij betekent, wanneer gij een hinderpaal wilt verwijderen. Zo min als het nodig is om te meten hoeveel cm een hinderlijke tak boven de aarde verheven is om haar te kunnen wegsnoeien of haar schaduw te ontgaan. Besef wel, dat het dus niet in de eerste plaats de kennis is van een wereld of sfeer, die indruk uitoefent. Dat het niet de kennis is, die bepaalt wat ge volbrengt.

Dat de kennis op zichzelf alleen maar een zeer bescheiden hulpmiddel is, waarmee ge misschien in die sfeer iets tot stand brengt. Belangrijk is uw oriëntatie, niet op een sfeer of wereld, maar op de zon, het goddelijk Licht.

Wanneer wij aan de bron der wijsheid zitten en mediteren, dan komt er een ogenblik dat het duister wordt. De zon gaat heen en in plaats van het licht, dat scherp de wolken tekent, blijft nu alleen een zwart vlak over, waarachter geen schim meer zichtbaar is en waarin alleen een enkele fonkelende punt aantoont, dat er sterren aan de hemel staan. Ook dan is de mens geneigd om te zeggen: Ziet, mijn God heeft mij verlaten. Of: De wereld is veranderd. De wijsheid blijft hetzelfde. Wat meer is: de vage schaduwen van een boom, van een rots, die je ziet als je rond je kijkt, zij zijn alleen zichtbaar dank zij het weerkaatste licht van uw zon. Ook wanneer het in het leven duister lijkt, is er het goddelijk Licht; maar het is diffuus.

Zo zijn er in elk leven perioden, waarin de kracht van de Eeuwige alleen a.h.w. zijdelings het “ik” beroert en in stand houdt. Er zijn ogenblikken, dat het “ik” een directe band ermee kan ervaren. Werk zolang het dag is. De nacht is om te rusten, om te spelen, om te dromen. Maar de dag, waarin het “ik” een glimp kan opvangen van het licht, waarin de lijnen fel zijn en het bewustzijn scherp omschrijft wat het “ik” moet zijn en doen, is de tijd om de hinderpalen te verwijderen. En zo ge dit al hebt beseft, zo hebt ge een van de grondregels gevonden, die door alle tijden heen maar zeker ook in deze tijd in het bijzonder een sleutel vormen; niet tot het wereldgebeuren, maar tot het leven.

Gij leeft. En niets is voor u zo belangrijk als dit feit. Gij leeft. Zelf wanneer uw lichaam sterft, zo zult ge leven. Zolang ge leeft, zijt ge deel van de eeuwigheid. Zou het mogelijk zijn om te sterven, waarlijk, ge zoudt met uzelf het Al uitblussen en uw Schepper. Voor u zou er geen God meer zijn. Er zou alleen een niets blijven. Niet eens een duistere leegte, maar eenvoudig een niets.

Dat leven is het belangrijkste. Dat leven moet allereerst erkend zijn. Het moet zich uiten. En het is het leven dat zich door ons openbaart, niet wij die door het leven onszelf openbaren. Wij zijn beperkt in onze mogelijkheden; maar waar het leven is, daar kunnen wij ons openbaren.

En dan moeten wij ook weten dat wij leven.

Wanneer een tovenaar of magiër een machine maakt, een pop die op bevel schaakspeelt, de trommel roert, zijn zwaard doet flitsen. of een fluit doet klinken, dan leeft hij misschien omdat hij beweegt, maar het is geenwerkelijk leven. Er is niet innerlijk iets, wat deel heeft; er is alleen een reactie zonder meer. Het leven is alleen maar de weerkaatsing van het vernuft, van het denken, van het weten van anderen.

Zolang gij u niet elk ogenblik van het feit, dat gij leeft, van het leven in uzelf bewust bent, kunt ge als zon automaat handelen. En wie zal tot de automaat zeggen: Gij schaakt niet juist, of uw fluitspel klinkt vals, of uw dans verliest haar ritme? Dat zou dwaas zijn. Daarom zal de mens, die in deze dagen bewustzijn zoekt en lering, zich allereerst en bovenal bewust moeten zijn van het feit, dat hij of zij leeft. En met dat begrip van leven moet de definitie komen hoe dit leven nu bestaat: in licht of in duister.

De zon schijnt voor de gehele wereld. Maar als tien ingewijden zitten rond de bron der wijsheid, waarlijk, het kan voor een van hen dag zijn en voor de anderen nacht. Of allen kunnen het licht van de dag aanschouwen en een leeft in de nacht en ziet de sterren. Want uw leven is op een eigen wijze verbonden met de eeuwigheid.

Dit is een tijd voor uw wereld van licht. Maar wat kan dit licht u zeggen, wat heeft het voor werking of kracht voor u, wanneer gij het licht niet beseft? En daarom is een regel belangrijk voor u: Weet, dat ge leeft. Leef het leven bewust, elk ogenblik en tracht u bewust te zijn van het licht. En zo er geen licht kenbaar is, roep niet uit: Ik faal. Maar zeg:  Voor mij heerst nog de nacht. Laat mij dan spelen, laat mij het licht der sterren zien, opdat wanneer het dag wordt ik in staat zal zijn het licht van de dag te verdragen en de macht van het licht te maken tot iets, wat werkt in en door mijzelf.

Zeg niet: Reeds nu in het duister baan ik mij een weg naar het licht. Want hoe kunt gij weten hoe ge uw weg moet banen? Al zoudt ge in duizend sferen trachten de juiste harmonie te doen ontstaan, zolang het licht er niet is, weet ge niet hoe de relatie licht sferen persoonlijkheid gelegen is. Dat kunt ge alleen doen op het ogenblik van verlichting.

Daarom zou ik u de raad willen geven: Neem uzelf niet zo ernstig, zolang u het licht niet in uzelf beseft. Weet dat ge leeft, altijd door. Maar wacht op dat ogenblik, dat ge voor uzelf kunt zeggen: Ik ben mij ervan bewust. Er is licht, er is een kracht. Ik kan haar niet definiëren, maar ze is er. Er is niet meer de zinloosheid van een voortgaan in sleur, van een ontvluchten misschien aan delen van het bestaan, die ik niet aanvaarden kan. Nu is er ergens een hoger iets, er is iets wat mij drijft.

En zodra dat gebeurt, zult ge ontdekken: Het drijft uw leven niet evenredig. Vandaag drijft het u in stoffelijke regionen, morgen doet het u dichten. Zeg dan niet: Zo moet het zijn. Zeg tot uzelf: Eerst wanneer geheel mijn wezen is opgenomen in dit licht, is het juist. Tracht uw geestelijke oriëntatie te veranderen, tracht uw stoffelijke harmonieën te veranderen, totdat ge kunt zeggen: Heel mijn wezen is licht. Overal voel ik de koestering van dit geladen worden met kracht, van dit geleid en gedreven worden.

En wanneer ge dan het licht erkent, zeg dan niet: Ik wil de baan van de zon bepalen. Ja, Osiris, het herrezen licht, is in staat om dit te doen. Maar gij, gij draagt niet de zonneschijf langs de hemelruimte. Gij draagt niet het goddelijk Licht langs de banen der oneindigheid, voordat gij één zijt geworden met uw Schepper.

Zo, wanneer het licht geheel uw wezen evenredig beroert, staak uw streven. Laat die zon in u wakker roepen wat vrucht het leven in u heeft gelegd. Laat daaruit groeien het denken, de handeling, het weten. En wanneer ge dan schouwt naar deze bron met haar spiegelend vlak, dat gij wijsheid noemt en ge ziet de schimmen gaan, zeg niet: Ik zal de schimmen najagen.

Zeg tot uzelf: De schimmen zijn het wezen. Maar de weerspiegeling in de wijsheid doet mij het wezen kennen van datgene, wat nu belangrijk is.

Wanneer ik als vis mij baad in de bron der wijsheid, zo zal ik de vissen leren kennen, die daar zwemmen en de kruiden, die erin groeien. Ik zal zien waar het koele water vandaan stroomt en misschien beseffen, hoe uit het ingewand der oneindigheid. de tijd opborrelt. Maar nu, nu kan ik alleen maar beschouwen. van uit mijn wereld, van uit mijn kennen, van uit mijn bewustzijn.

Esoterie is verwant aan magie. En beide zijn alleen een aspect van volledig leven. Wanneer gij nl. de zon in uzelf kent, dan ontstaan er in u mogelijkheden, waarvan ge in het duister niet hebt gedroomd. En zo de zon u onmiddellijk beroert, zo zijn er in u krachten, die ge in de schaduw niet hebt vermoed. Zo is het wanneer ge staat tegenover de levende Kracht zelf. Uw wijsheid alleen kan u niet helpen. Maar wanneer ge een band hebt gevonden met het ware Licht, een evenredige band als het mogelijk is, dan wordt daaruit het wonder geboren. Dan is zelfs uw daadloze aanvaarding een magische activiteit. Want ziet, de weerkaatsing van het licht van uit u, de krachten bij u ontstaan, de voeding die gij uw wereld biedt, zij maken die wereld tot een andere. Dit is het verhaal van de bron der wijsheid, die in de tuin des levens staat.

Maar er is nog een verhaal: De diamant.

Eens vond men begraven in de blauwe klei onder de afval van de hoge bergen, verborgen in de schaduw die bijna eeuwig is, een grote brok steen, een diamant. En een ieder die haar beschouwde meende: het is een steen. Tot er een wijze kwam. En hij ontdeed haar van haar schil. En ziet, ze glinsterde. Het was een flonkerende steen en menigeen roemde hem. Totdat op een dag een meer bewuste kwam en ziet: Deze spleet de diamant, zodat ze haar kristallijnen vlakken kon prijsgeven aan het licht, het licht kon drinken en weerkaatsen. En een ieder zei: Ziet, nu is de zon op aarde gedaald in tweevoud.

Toen kwam de Meester. Hij greep de beide helften van de diamant en met de ene helft sleep hij de andere, totdat zij vele facetten kenden en elk een verveelvoudiging was van alle licht.

De ingewijde bracht de beide stenen naar een tempel, die was gelegen in de diepe ingewanden van een hoge berg. Daar in de duistere gangen, verlicht door een enkele fakkel, hadden de priesters gezocht naar het geheim en ze hadden het niet gevonden. De twee diamanten echter droegen in zich het licht der zon. En ziet, de zon trad binnen in het rijk der onderwereld en het werd tot een paradijs. De zoekenden zagen hun doel. En van hun verblinding bekomen wisten zij: de kracht der goden is met ons.

Zoals de diamant, zo is de kracht van de ziel, die in de mens ligt. Omhuld door de foutieve laag van droge wetenschap en erkenning van vooroordeel kan zij niet leven. Vallen vooroordeel en schijnwetenschap weg, dan geeft zij iets weer van haar werkelijkheid. Haar glans is hoog en de kostbaarheid van haar wezen openbaart zich. Maar nog is het niet genoeg. Want onze ziel moet erkennen, dat zij leeft in de tegenstellingen van tijd en tijdloosheid. Gespleten moet zij zijn door het bewustzijn, dat wij eeuwigen zijn. en toch slaven van de eeuwige wind der momenten. En hebben wij dit beseft, dan weerkaatsen wij de eeuwigheid, niet eenmaal maar tweemaal.

Eens in de macrokosmos, waarin wij bewust en eeuwig reeds zijn; en eens in de microkosmos van de tijd, waarin wij leven. Wij zijn dragers van licht.

En dan komt het moeilijke ogenblik, dat wij zoekende naar net innerlijk bewustzijn de kracht van de ziel, van het tijdloze en eeuwige, moeten afwegen tegen de kracht van de tijd, van de tijdelijkheid en het gebeuren. Wanneer wij dit juist doen, dan ontstaan er in beide delen van ons wezen facetten. Facetten, die het mogelijk maken door te dringen in de verborgenheden van onze eigen ziel, van onze eigen geest. Dan hebben wij een licht, dat het ons mogelijk maakt in de duisternis van het onbegrepen eindeloze voor het eerst te zien, wie wij zijn. Dan zullen wij ook in de beperktheid van een tijd over de ogenblikken en de scheiding der jaren wegziende, weten: Dit zijn wij.

De vele delen van ons wezen, die verward waren en strijdig met elkander, dolend in een dwaaltuin van onbegrip, worden uit de onderwereld levend, worden één en keren terug tot het paradijs.

Dat is esoterie en magie. De handelingen, die de diamant splijten, zijn de handelingen, waardoor de magische kracht in de mens bewust wordt. De kracht van ziel is het evenbeeld van de kracht der materie. De kracht van het tijdloze is het evenbeeld van de kracht in de tijd.

Daardoor zijn de waarden van beide werelden in elk deel van ons bestaan behouden. En wanneer wij die waarden tegen elkander afwegen, zoekende naar de juiste verhouding, facet na facet vindend, waarin het eeuwige Licht zich opnieuw weerkaatst, zo worden wij beheersers van onze zielewereld en van onze stofwereld en tijdwereld.

En wanneer wij ten slotte het werk voltooid hebben en niet schromen binnen te gaan in de wereld, die de mens de wereld der duisternis noemt, noch schromen op te gaan tot de wereld, die de mens noemt die van een verblindend licht, zo zullen wij dank zij de krachten die wij in ons dragen zien en beseffen. En dit is de voleinding van ons wezen.

Werk daarom met de krachten van stof en geest. Laat het Eeuwige weerklinken in de tijd en laat al wat in de tijd geschiedt betekenis hebben, die tijdloos is. Dit is de weg der bewustwording. Dit is de hantering van de krachten. Dit is de vervulling van uw bestemming.

In deze dagen geldt deze wet zoals vroeger, met een verschil: vandaag is het dag, ook wanneer de morgennevel nog veel verhult. In uw tijd is het dag van goddelijk Licht voor haast elke mens uit deze golf der bewustwording. Laat dan de dag niet voorbijgaan zonder uw wegen te ontdoen van het onbelangrijke. Laat de dag niet voorbijgaan zonder tenminste eens de glans van het Eeuwige te hebben gereflecteerd; en zo mogelijk de kracht te hebben gevonden om de delen van uw wezen afzonderlijk te beschouwen en toch de kracht van beide delen gezamenlijk in elk deel tot uiting te brengen.

Dit is al, wat ik u voor heden wil brengen. Het begin van een weg, meer niet. Maar zo ge mediteert en neerzit aan de bron der wijsheid, gedenk mijn woorden. Opdat gij niet zoekend naar schimmen, die gij niet waarlijk en levend kunt kennen van uit uw huidig standpunt vergeet de werkelijkheid van uw wezen te openbaren.

Zo het mij toegestaan en mogelijk is, hoop ik meermalen met u te spreken over deze ontwikkeling van het eigen wezen.

0-0-0-0-0-0-0

Wanneer de aarde en het licht met elkaar in contact komen

Altijd weer, wanneer de aarde en het licht met elkaar in contact komen, ontstaat er in de mens een eigenaardige verwarring. Je ziet hoe de mens in zich iets aanvoelt als juist en het toch verwerpt als onjuist. Je erkent hoe hij in plaats van het licht dat je hem geeft te gebruiken om meer licht te scheppen, het gebruikt als een vuur waaraan. hij zichzelf brandt en er misschien anderen mee schaadt. Voor ons allen is licht een van de krachten van het leven, en het totaal van alle lichtende kracht op zichzelf wordt voor ons uitgedrukt in het contact met onze medeschepselen.

Er is een zekere waarde van harmonie en van eenheid, die wij niet voor onszelf kunnen verloochenen, wanneer wij zoeken naar een nieuwe openbaring naar een nieuwe kracht. Is er ergens in de schepping voor ons dan niet de vervulling? Wij dromen. van het ideaal en door vele levens en vele gebeurtenissen heen blijven we zoeken naar het ideale. En altijd weer is er de teleurstelling en het tekort.

Het is over deze dingen, dat ik vandaag zou willen spreken. Want altijd weer als je tot de wereld komt en je tracht te helpen, altijd weer als je probeert iets van je eigen harmonie, je eigen wezen te geven aan de mensen, dan ontdek je datzelfde. Ze zoeken naar een ideaal, naar niet naar datgene, wat bestaat en dat wat is. Neen, ze zoeken naar het onzichtbare, naar de droom waarin ze leven.

Is dan de wereld van de mensen ten slotte een wereld van droom? Is het dan alleen maar een schimmenspel, waarin men zichzelf niet meer beseft? Neen, het is heel wat meer. Want de dromen zijn alleen naar de ontkenningen van de werkelijkheid, die wij in ons dragen. Zeker, de droom openbaart ons aan onszelf, maar we kunnen de droom niet lezen. En het ideaal, dat ons wezen vervult en dat we steeds weer zouden zien als we maar konden dat we zouden beleven keer op keer, blijft ergens weg.

Wij zijn misschien wezens, die gebonden zijn aan de woestijn, maar we dromen van de vruchtbaarheid van de oase. Wij zijn wezens, die geketend zijn aan de zakelijkheid van het dagelijks leven en we dromen van de magische macht, waarmee we alles kunnen overvleugelen. We zijn misschien de eenvoudige dienaren van anderen en wij zouden de vorsten willen zijn, die alles in orde maken.

Denk niet, dat dit alleen maar bestaat bij u. Het bestaat bij ons evengoed. Want wij zijn allen schepselen en wij zijn allen ten slotte ergens gelijk. En ik geloof, dat het grote verschil, dat er bestaat tussen u in uw stoffelijke vorm en ons in de verschillende geestelijke werelden, hoofdzakelijk een verschil is van droom. Onze droom ligt iets dichter bij de werkelijkheid dan de uwe. Maar dromen op zichzelf kunnen de werkelijkheid niet wegvagen, ze kunnen ons niet omvormen of veranderen. Zij kunnen ons wat dwazer maken dan wij zijn misschien, of wat wijzer; maar dat ook alleen maar in uiterlijkheden.

We moeten van de droom naar de verwezenlijking, naar de werkelijkheid toe. En dan niet alleen maar op een speelse manier, op een manier van eens proberen. Neen, met de werkelijke overgave van het hele wezen en van alle krachten. En zo zou ik voor u vandaag willen trachten iets van die krachten duidelijk te maken.

U bent hier op het ogenblik allen tezamen en u kunt de krachten ondergaan, die zich langzaam maar zeker opbouwen en ontstaan. Maar elk van u droomt van die kracht op zijn eigen manier.

De één zal zeggen: Ik heb Jezus gezien. De ander zal zeggen: Ik heb een groot licht gezien. En weer een ander zegt: Het was me, of er een warmte naar binnen kwam.  Of: Het was mij, of ik sliep en bijna dood was. Elk zijn eigen droom. En toch is de kracht dezelfde. Wat is dan het wonder van die kracht, die onze werkelijkheid is? Waarom is ons ideaal altijd zo ver verwijderd van het wezenlijke, waarin wij moeten bestaan? Ik geloof wel, dat dit in de eerste plaats is, omdat wij onze droom zien als de enige werkelijkheid.

Wij hebben het leven lief, wij hebben onszelf lief en wij zouden de hele wereld willen liefhebben, maar dan moet ze zijn zoals wij. Wij zouden de hele wereld kunnen aanvaarden en omhelzen, maar dan moet ze een antwoord geven op onze tekorten en onze vragen. Wij zoeken naar het tegendeel, dat ons aanvult, datgene waardoor wij onszelf groter, beter, sterker, volmaakter zullen voelen. En we vergeten daarbij, dat wij juist zoals wij nu zijn betekenis hebben, dat we kracht hebben. Onze droom is een afwijking van de werkelijkheid, maar zelfs die afwijking kan niet verbergen dat er iets in leeft.

U denkt misschien op het ogenblik even aan mij en er tussendoor aan vele dingen in de materie. U vraagt uzelf misschien af, of bepaalde dingen stoffelijk ooit waar zullen worden. U vraagt zich af, of een bepaalde geestelijke waarde in u zal kunnen ontstaan. U vraagt zich zelfs af, of uw lichaam zal kunnen veranderen misschien en kunnen beantwoorden aan andere en nieuwe eisen. Dat is niet zo dwaas als u denkt. U droomt een beetje. Maar onze droom en ons ideaal is voor ons toch ergens ook de uitdrukking van onze kracht. En ons zoeken naar het ideaal, ons zoeken naar de droom is voor ons alleen maar de wanhopige poging om onszelf te

realiseren, niet als zwak, als onvolmaakte wezens, maar als wezens die een werkelijke betekenis hebben, die in het geheel van een kosmisch Al passen als een klein stukje in een groot mozaïek, precies met de juiste vorm, de juiste toon; gesloten in het geheel, onverbrekelijk ermee verbonden. En het zijn deze dingen, die de droom en het ideaal toch nog waardevol maken.

In jezelf zoek je naar het hoogste. Maar wat is het hoogste, waar je werkelijk naar kunt zoeken? O, neen, ik zal u niet te lang met die vragen lastig vallen. Vreest u niet, vrienden. Ik heb zo lang op uw aarde moeten vertoeven en ik heb zo vaak met leerlingen moeten spreken.

Ik weet, hoe ongeduldig men wordt als de Meester niets doet dan vragen stellen. En zonder mij uw Meester te willen noemen, wil ik u toch niet vermoeien met het onnodige.  Toch blijft er een vraag bestaan, die voor ons leven belangrijk is en waarop wij een antwoord moeten vinden. De vraag: Wat is dan die Kracht? Wat is dan datgene, wat ons beweegt? Wat maakt ons dan tot wezens, die een eigen volmaaktheid zo ten koste van alles begeren en zouden willen verwerven? Een volmaaktheid, die de wereld omvat, maar die toch ergens bij onszelf begint? Die God waarvan wij dromen meestal op een verkeerde manier en Die toch voor ons betekenis heeft?

Dat kun je alleen uitdrukken in termen van kracht en van licht. En met die termen van kracht en van licht zou ik vandaag een soort spel willen spelen. Een heel gewoon spel, want het is misschien voorbijgaand van aard. Tenzij u leert het in uzelf te gebruiken, dan wordt het van spel ernst.

Om dat te doen moet ik allereerst beginnen met de intensiteit van kracht, die voor mij bestaat en die voor mij leeft, tot uitdrukking te brengen. O, ik ga geen bezweringen uitspreken, hoe graag u die ook misschien zou willen horen. Want de kracht, die in mij is en die in mij leeft zoals er een kracht is die voor u is bestemd en in u leeft die wordt uitgedrukt door het element van begrip en van eenheid. En dat begrip van eenheid en van kracht, dat kan ik ook uitdrukken zonder een aanroeping, zonder iets anders dan eenvoudig mijn denken.

Ik ben ergens een deel van een ieder van u op het ogenblik. Niet een belangrijk deel. Ik ben een enkele gedachtevonk in een enkele cel van uw brein. En u allen tezamen met uw denken, met uw verschillende reacties, u bent deel van mij geworden. Het is niet mijn droom van een macht over u of uw droom van een volmaaktheid in uzelf, die hier bepalend is. Het is het deelgenootschap, dat wij bezitten. Het feit, dat iets van mij hoe gering dan ook, in beroering komt met iets van u, hoe gering dan ook.

Licht wordt geboren uit de ontmoeting van twee krachten, waar een sfeer en een wereld elkaar ontmoeten. Waar bewustzijn en bewustzijn elkaar tegemoet treden, daar is licht, daar is de eeuwige lichtende kracht, die waarheid is. Waarheid boven onze dromen, ver reikend boven onze idealen. En daarom druk ik deze kracht uit door mijn denken.

En zo wij gezamenlijk een kracht vinden en een kracht beleven, moeten wij die. kracht opbouwen. Want wijzelf, hoezeer wij misschien voor een ogenblik ergens deel van elkander kunnen zijn, wij staan apart, we staan gescheiden. Wij hebben ons eigen idee. We zouden misschien willen zeggen: We moeten als een groep voortdurend en geheel met elkaar verbonden zijn; en die binding moet geestelijk en materieel en op elk terrein en in elke sfeer voortdurend blijven bestaan. Maar dat kan niet. Het is maar een vluchtige ontmoeting. Wij moeten iets van elkaar meenemen. Maar dat, wat wij meenemen, moet eeuwig zijn. En daarom is het niet voldoende te zeggen: Hier is licht. Maar wij moeten zeggen: Het licht, dat is, doen wij opstijgen als een loutere vlam, die zoekt naar het grote Licht van de sferen, der hemelen.

O, een hoge sfeer? Wat is een hoge sfeer? Als ik in mijn wereld ben, dan ben ik zoals u in de uwe. Misschien wat anders door de andere omstandigheden, maar een wezen zoals u. En wanneer ik uw wereld bezie, dan zie ik haar misschien eenvoudiger, simpeler en vollediger dan u haar ziet. Maar ik sta in mijn eigen wereld voor evenveel raadsels en verwarringen als u in de uwe.

En toch heb ik ergens die kracht van licht sterker in mij. Want ik bouw uit het licht, uit de kracht die de mijne is, uit het bewustzijn dat mij gegeven werd, ja, uit de taak die deel is van mijn wezen een vlam van licht op, die reikt tot aan de hemelen. Daar, waar in een oneindige zee van licht alles verdrinkt in het Lichte, daar moet de vlam van ons wezen roeren aan het Eeuwige. Daar moet een verbinding worden geschapen tussen de werelden van het onmetelijke Licht en de kleine wereld, waarin wij bestaan.

Niet meer een droom of een ideaal alleen. Niet meer alleen een handeling of een verwachting. Neen, een kosmos die zich uitstort, dat moeten wij zijn. Wat heb ik aan alle termen en alle omschrijvingen, wanneer ik het Licht niet in mij draag. En wat heb ik behoefte aan omschrijvingen, aan beperkingen, aan wetten en aan regels, wanneer het Licht zich door mij uit. Het Licht, dat in mij is, stuw ik op tot de hoge Kracht. En daar, daar alleen vindt het zijn vervulling. Daar en daar alleen is de vervulling van de droom en van het ideaal; niet zoals ik ze misschien nu zie, maar werkelijk en volledig.

Je bent misschien bar als een woestijn en je zoekt ernaar iets voort te brengen. Je verlangt misschien naar een kind, naar een werk, naar een gedachte, waarin je voort bestaat. Maar is dat noodzakelijk, wanneer je wezen doordringt in de wereld? Ben je dan niet sterker verbonden met alles dan met het voortbrengen van alleen maar een denkbeeld of alleen maar een wezen in een wereld? O, het is niet zozeer van jezelf misschien, maar er is licht en er is kracht. En licht en kracht tezamen binden je veel dichter aan een werkelijkheid dan ooit een klein en onbelangrijk feit kan doen, hoezeer je misschien als mens of als geest toch ook nog een andere verwezenlijking zou wensen.

En daarom hebben we dan nu de tweede fase genomen.

Ik bouw van mijzelf uit een vlam van licht, die opgaat tot het oneindig Licht. Strevend van uit mijzelf naar dat, wat ik niet bevatten of beseffen kan, tracht ik het Onmetelijke beroerende dat wat in mij is te doen leven uit de Kracht boven mij en de werking van Kracht boven mij te doen weerkaatsen in mijn wezen. Niet alleen in geest of besef, maar in het totaal van wat ik ben en alle wereld, die ik beroeren kan en al, wat ik kan zijn.

En dan moet ik een volgende stap nemen. Want mijn droom is het evenwicht tussen mijn vrees en mijn verlangen. Mijn ideaal is de erkenning van de tekorten, die ik zelf bezit. Laat ik dan de onvolkomenheden van mijn wezen, zoals ik die besef, nemen en stellen in het midden van dit licht, dat ik opzend. Je zou kunnen zeggen; Mijn God, laat mij tot U komen. Niet uit de volmaking die ik bezit, maar uit de onvolmaaktheid waarin ik U aanvaard. Daar heb je het begin, het principe, Ikzelf, deel van een lichtende vlam, die ten hemel gaat, mijn wezen vergetend, mijn dromen terzijde stellend, mijn idealen verwerpend zelfs als het nodig is, ik wil een band zijn tussen de eeuwige werkelijkheid en de kleine onvolmaakte wereld, waarin ik als geest, als mens, besta. En dan heb ik veel bereikt, want er is een kracht die sterk is, die lichtend is en die zelfs blijmoedig is.

Maar nog is het niet genoeg. Als je leeft zoals ik leef, dan ontdek je al heel snel, dat je wel naar beneden kunt schouwen en naar boven, maar dat je altijd weer alleen door een eigen vibratie deel kunt zijn van het geheel. En drie snaren zijn er in mijn wezen, die behoren tot de eeuwigheid, Snaren, die zeker deel hebben aan mijn dromen en mijn gedachten, maar die toch heel wat meer omvatten dan dat.

In mij is de liefde. Niet alleen maar de hoge geestelijke liefde. O neen, alles bij elkaar. Van het eenvoudigste, voor u meest materiele af, tot het hoogst en meest onwezenlijke toe. Al datgene, wat mij in de wereld iets van de wereld, in God iets van God meer doet aanvaarden, wat moet vibreren in mijn wezen, dat moet tot uiting komen op elk vlak van mijn bestaan. Ik moet het levende en niet alleen het leven, ik moet de schepping en de Schepper als geheel en niet alleen mijzelf liefhebben. Want waar ik geen liefde bezit, daar is elke band met God alleen een koud licht, dat door mij heen stroomt en mij niet beroert. Maar waar ik verbonden ben door de liefde met alle krachten, zoals ik van uit mijn wereld verbonden ben nu met de uwe en toch ook met de hoge Kracht, die mij bezielt, zo heb ik deel aan alle dingen. Ik ben een deel van uw wezen en mijn licht en mijn kracht zijn een deel van uw wezen. Maar ik ben ook een deel van alles wat er in mijn eigen sfeer bestaat. Alle broeders, alle krachten, die in mijn wereld leven, ze zijn deel van mij, ergens. En alles wat daarboven ligt, de hoogste, meest schitterende krachten des levens zelf, ja, dat wat verborgen is voor de ogen van hen, die de hoogste sferen betreden hebben, dat alles is deel van mijn wezen. Ik aanvaard het, ik heb het lief. Ik wijs het niet af. Ik eis het niet voor mijzelf. Maar het is een kloppend deel van mijn leven.

Zo heb ik dan de innerlijke weg door de vibratie van een snaar geopend.

Maar het is niet voldoende. Want er is een wet. De eerste gedachte van de Schepper is de wet geweest, waarmee het Al wordt geregeerd. Een wet, die voor mij geldt. Een wet, die zich niet bezig houdt met pietepeuterige kleinigheden, die zich niet bezig houdt met de kleine beperkingen. Een wet, die niet staat tussen mens en God, die niet staat tussen mens en mens, die niet staat tussen leven en leven of sfeer en sfeer. Maar die toch is de wet, de rechtvaardigheid. Want ziet, ik moet erkennen dat er een gerechtigheid is.

Wat ik ben en wat ik doe, ja, wat ik droom, het ideaal dat ik ben, is voor mij niet alleen maar een bezit of een verwazing van werkelijkheid, het is voor mij een oordeel. Eeuwig is oorzaak en gevolg, is licht en duister werkzaam in en rond mijn wezen. En al wat ik ben, wordt daarin uitgedrukt. Het wordt mij tot een beleven en een ondergaan en dat moet ik aanvaarden.

Ik erken het recht van de hoogste Macht om zich door mij te uiten, zoals Zij wenst en niet anders. Ik erken het recht van de hoogste Macht om mijn leven te voeren, te beëindigen, over te planten naar andere werelden, mijn taak te wijzigen of mij te ontnemen wat ik lief heb, mij te geven dat, wat ik niet begeerd heb of dat wat ik begeer. Wat uit de wet is, is goed. En de wet leeft in mij. De vlam van ziel, die opwaarts gaat, is deel van de wet. De eeuwige wet vibreert in mijn wezen rechtvaardigt mijn bestaan.

En nog is het niet genoeg, Want ziet, alle dingen tezamen vormen een eenklank en een harmonie, die veel verder reikt dan het uiterlijk verschijnsel. Al wat mijn slagen en mijn mislukken bepaalt, al wat de wereld rond mij is aan geweld en aan wreedheid, aan schoonheid, aan genegenheid en menselijkheid, al wat is de lichtende wereld, die in een: golf van Licht de mensheid kan trachten op te heffen tot zichzelf, of die door datzelfde Licht gedreven zich moet terugtrekken en alleen van uit de verte mag toezien, ze worden geregeerd door een harmonisch geheel, dat is de schoonheid van de schepping, Eeuwige golvingen, die elkaar voortdurend ontmoeten, weven het patroon waarin Gods wezen wordt omschreven. Lijnen van licht en van duister nl. spellen de naam van de Levende. En er is niets wat zinloos is daarin.

Laat mijn wezen vibreren in de schoonheid, in de verrukking. Laat mij opstuwende de vlam van licht, die in mij leeft erkennen de zin die de schoonheid heeft, de verrukking en de vreugde die de rede, doet zwijgen, die de ziel doet opspringen, zonder dat zij weet waarom. Het onbegrepene, dat is een wisselwerking van tranen en lach. Laat dit alles als een harmonisch geheel in de schoonheid aanvaard zijn in mijn wezen.

De kracht der schoonheid wil ik leven.

Drie zijn de snaren, die trillen in mijn wezen.

Drie zijn de krachten, die versterken de vlam, die opwaarts gaat.

Drie zijn de krachten, die gezamenlijk steunen het geheel, waarop ik bouw en waaruit ik besta.

En twee zijn daaruit de krachten des levens, die opwaarts gaan in een voortdurende wisseling als de slangen des levens zelf, het hoogste en het laagste verenigend, micro en macrokosmos versmeltend tot eenheid.

Dat is de achtergrond van mijn droom, van mijn ideaal; van de macht die ik bezit, van de machteloosheid die soms de mijne is. O, ik weet het, ik leef in een wereld, die voor de meesten van u onvoorstelbaar en verblindend zou zijn. Toch ben ik als u. Het verschil tussen ons is hoogstens gradueel, niet wezenlijk. En daarmee kunnen wij gezamenlijk die innerlijke weg afleggen. Daarom kunnen wij gezamenlijk uit het schijnbaar onzinnige van een droom en van een ideaal, uit het schijnbaar onwezenlijke van een meditatie als deze zelfs, uit de onbegrepen abstractheid van werelden, die ver van je staan en de onbegrijpelijke concrete feiten, waarmee je op dit ogenblik bent belast. gezamenlijk opbouwen dat ene, wat werkelijk is: Het Licht.

Niets in ons wezen blijft buiten beschouwing. Niets. En wanneer wij met elkaar verbonden zijn (wij, die van uit Licht met u proberen te werken, de hogere broeders nog, die met ons en met u trachten deze golf van lichtende Kracht, die de aarde beroert, om te zetten in een feit en niet alleen in een droom), wij allen tezamen, wij moeten die eenheid uitdrukken op elk niveau en op elk vlak.

En ik kan dit voor mij op het ogenblik misschien het best doen. alweer niet met een incantatie of zo (en toch heb ik in mijn tijd ook tot God geroepen, met luider stem; en ik heb de goden genoemd bij name; ik weet wat een bezwering en een incantatie kan zijn), maar eenvoudig door een openstelling van eigen wezen. En wanneer wij daarmee dan dit samenzijn besluiten, vrienden, dan hoop ik dat u niet zult zeggen: Deze was hoog of hij was laag. Maar dat u juist in dit laatste zult zeggen: Ziet, deze was een met ons allen. Eén van wezen. Een broeder onder broeders en zusters. Een licht temidden van licht. Een ontwaken uit duister temidden van een ontwaken uit duister.

En nu zal ik proberen dit alles saam te watten in beelden, die altijd in mij leven. Wees ontspannen, maar wees u ervan bewust, zoals wij hier samen zijn (en er zijn er meer dan u ziet misschien), zijn wij een, ergens. Ergens is de band gesloten. Ergens is de verbinding gemaakt tussen ons allen en datgene, wat wij zelfs nog niet beseffen. Laat ik het dan nu proberen in woorden te zeggen.

Verleden en toekomst en heden, die ik ben, licht en kracht, zoals zij in mij leven, wegen van bewustwording, zoals zij in mij bestaan, krachten uit u allen, zoals zij bestaan, laten zij nu samenkomen en worden tot een werkelijkheid en een geheel.

Band van hoogste Licht en geest en stof van alle sfeer, verzamel uw licht en doe het uitgaan tot het onbegrepene.

Laat de gedachten zwijgen en het wezen stil zijn. Maar laat het licht en de kracht uitstromen,  opdat wij mogen beroeren de hoge Kracht, waaruit wij leven.

Kracht van Licht, die ik beroer, zie hier eenheid.

Zie hier Uw beeld.

Vervul Uw beeld met Uwe kracht en Uwe geest.

Niet ben ik, doch Gij zijt in mijn gedaante en mijn gestalte.

Niet spreek ik, doch Gij spreekt fluisterend tot Uzelf.

Licht en duister, vervloei in mij tot eenheid.

Hoge en lage wereld, wees harmonie.

En laat mijn wezen bestaan, niet als een eenheid uit zichzelf, maar als de bevestiging van de uiting van licht, die leeft in alle dingen.

Mijn ziel, wiek opwaarts.

Kracht van geest, wiek neer.

Versmelt, God en schepsel, opdat de waarheid moge leven in ons allen, opdat de wet geopenbaard moge zijn.

Want waarlijk, de schoonheid der dingen is gelegen in de volle liefde die wij schenken en die wij ontvangen, in alle sfeer en wereld.

In de wet, die wij erkennen, handhaven en lezen in onszelf, in alle sfeer en wereld.

In de schoonheid der volle openbaring, waarin wij onze bestemming leren zien.

Zo, vrienden, leeft het altijd in mij. En ik hoop dat dit ogenblik van een ook meer vocaal samenzijn met u in u een kennis kan leggen en misschien| een begrip voor wat ik ben, voor wat wij zijn, voor wat God is. Want, geloof mij, alleen uit de eenheid, alleen uit het deel-zijn van het totaal der schepping, zal het licht, dat wij opwaarts zenden, ook in ons bewustzijn kennen de volle vervulling.

En nu moet ik heel voorzichtig proberen uw medium zonder schade vrij te geven. Daarom vraag ik een ogenblik uw geduld, wanneer ik u wat langzaam verlaat. Maar bedenk dit: Dit is niet een contact dat verbroken behoeft te worden, ook al ga ik nu heen uit uw medium. De band, die ge onder uzelf en met mij en met alle licht kent of misschien in dit ogenblik kunt erkennen, kan voortbestaan, indien u zelf u daarop durft blijven concentreren en beroepen, telkenmale weer.

Ik hoop, dat het voor u mogelijk zal zijn om in uw bewustzijn en wezen deze eeuwige band voortdurend te blijven erkennen. En nu. vaarwel, althans in deze vorm van contact.

image_pdf