Wanneer is een God een God?

uit de cursus ‘God in verschillende gedaanten’ 1985-1986

Waar we ook gaan, overal komen we een godsbegrip tegen. De ene keer zeer simpel of animistisch, de andere keer bijna esoterisch. Elke keer vragen wij ons af: Hoe komen ze ertoe om zoiets een god te noemen. Hoe moeten we ons voorstellen dat men uit de eerste periode van sjamanisme, van een voorouderverering is gekomen in de richting van goden en demonen? Het antwoord is waarschijnlijk het volgende:

Er is een natuurkracht. Hoe ze werkt weet je niet. Er is misschien een vulkaan. Soms barst die vulkaan plotseling uit. Stofwolken, rotsblokken, lavastromen, slachtoffers. Dan vraag je je af: hoe kan dat? Een eenvoudig mens kan zich een kracht eigenlijk niet voorstellen als onpersoonlijk. Er moet iets zijn dat dat veroorzaakt.

Als je er dan een Vulcanus van maakt die beneden een smederij exploiteert of dat je, zoals primitievere mensen hebben gedaan, denkt aan een godin die niet voldoende offers krijgt of waarbij een taboe is geschonden, maakt eigenlijk weinig uit. Het personifiëren van de dingen is iets wat we vooral in verschillende animistische structuren erg veel zien.

Een beek heeft een eigenaardig levendig karakter. Dat moet verklaard worden. Dat is gemakkelijk. Er is een watergeest die de beek beheerst. Moet je je dan zo’n wezen voorstellen, dan ga je uit van de kleuren van de beek. Ook hier weer, het kabbelt erg, dus het vrouwelijke karakter spreekt al. Dan maken we er de één of andere undine van die pas veel later een echt menselijk wezen wordt, een persoonlijkheid.

Een boom Een boom is een wonderlijk ding. Een boom leeft langer dan de mensen. De boom moet dan toch iets hebben wat wij niet hebben. Ja, dan zal er wel een dryade in wonen. Er zal wel de één of andere dryade zijn die in die boom woont. Maar dan kan die geest ook ons beïnvloeden, dus moeten we die geest eren, offers brengen.

Het is misschien niet algemeen bekend, maar in de tijd van de Germanen en de andere stammen tot de Kaninefaten toe die in het land nog aanwezig waren, kwamen de Romeinen. De Romeinen waren zo bijgelovig, dat ze net als de inheemse stammen een klein offertje, al was het maar een kruimeltje brood of een stukje van een gedroogde vrucht in stromend water gooiden voordat ze dat overstaken. Ze stapelden stenen bij bepaalde bomen op omdat die bewoond waren, ze waren heilig. Dat de Batavieren zelf dat deden is vanzelfsprekend.

Hetzelfde zien we in de natuur. Er zijn bepaalde voortekens. Wij weten als de ganzen naar het noorden vliegen, dan is de lente dichtbij. Als de eerste vluchten spreeuwen komen en die zoeken overal nog bescherming in de steden in daken, in kerktoren of waar dan ook, dan is de winter nog niet voorbij. Dat zijn gewoon natuurtekens. Maar als sommige van die tekens betekenis hebben, redeneert de simpele geest, dan moet alles betekenis hebben. Men kijkt dus naar de vlucht van een kraai of een valk. Die heeft een bepaalde betekenis. Of het uitkomt is niet belangrijk.

Wij leven in een geordend Al. In dat geordend Al is alles min of meer bezield. Een bezieling kan niet plaatsvinden zonder persoonlijkheid, dus moet er een persoonlijkheid zijn. Sommige van die persoonlijkheden zijn sterker dan andere. De bliksem kan de grootste boom vellen. Hij kan gebouwen vernietigen. Zeker de eenvoudige gebouwen die men vroeger had. Dus is hij sterker. Degene die de bliksem hanteert, moet wel een machtige god zijn. Dan maak je er Wodan van of Jupiter. De god is dus het onverklaarbare, we hebben het al eerder gezegd, voorzien van een persoonlijkheid.

Maar een god wordt pas een god, als hij de personificatie wordt van het onbegrepene. Daarbij spelen vreemd genoeg de angsten van de mensen vaak een veel grotere rol dan de verlangens. Zolang het een kwestie is van verlangen, durft een mens nog op zichzelf vertrouwen. Maar op het ogenblik dat hij bang wordt, heeft hij een soort supergedaante nodig die in staat is om hem te beschermen. Dat klinkt gek.

Als wij ons afvragen: Wat deden de stadsgoden, zoals je die in Egypte maar ook in andere landen hebt gehad in de voor-christelijke tijd. Zij waren eigenlijk de beschermers van een volk. Daarbij hadden ze gedaanten die niet menselijk waren maar ontleend aan mythologie, aan legenden, aan verering voor bepaalde dieren.

Het is tegenwoordig moeilijk te begrijpen waarom ze de leeuw de koning van de dieren hebben genoemd. Maar wie het brullen van een leeuw in de nacht heeft gehoord, die weet dat het ontzettend indrukwekkend kan zijn. Dan is het geen wonder dat bepaalde steden (Babylon) gevleugelde leeuwen en stieren gebruikten als poortwachterssymbool van kracht die verdedigde. Deze waren dan attributen van de stadsgod, de god die deze gemeenschap beschermde. Het maakte veel dingen begrijpelijker.

Als wij lezen van al die eigenaardige wonderen die in de oudheid zijn geschied onder de bescherming van Jahwe, Jehova, Adonai Drie gestalten, oorspronkelijk afzonderlijke goden, later tot één begrip geworden, dan is het opvallend, God neemt de beslissing. In feite is het eerder een orakel.

Het orakel wordt bepaald door de mensen, niet door een God. Als Gideon zijn bende samenstelt, dan doet hij dat door te kijken wie direct uit het water drinkt en wie uit de holte van de hand. Het is een selectieproces dat vergelijkbaar is met bv. de wichelarij van I Tjing. Je kijkt gewoon. Heel waarschijnlijk heeft Gideon geredeneerd. Zoveel vrijwilligers heb ik nodig. Er zijn er teveel die direct uit het water drinken. Het aantal van degenen die uit de hand drinken is net voldoende. Laat mij die nemen. Later was het echter God die op deze manier had bestemd wie aan de strijd zou deelnemen.

Ook bij vele andere zaken horen we dat. Op een gegeven ogenblik grijpt God in door de vijand te verblinden. Dat klinkt misschien erg wonderbaarlijk, tenzij je beseft dat men in die tijd al metalen schilden gebruikte, meestal koper en die waren dan hoogglanzend gepoetst. Als je nu al die schilden naast elkaar zette en de zon viel daarop, dan was de vijand verblind. Die dingen kunnen niet gewoon uit de natuur komen, want we weten niet waarom. Dus moet het een God zijn die het doet.

Zelfs als we kijken naar de vroomheid van de late middeleeuwen, dan is de aanhankelijkheid aan God en aan Jezus buitengewoon groot. Maar wat merken wij? Eigenlijk is de godsdienst gebaseerd op de vrees voor de hel. Daarmee wordt weer duidelijk, God is degene die oplost. Jezus is zo attractief omdat hij de zonden der wereld draagt. Met andere woorden: ook jouw zonden. Hij is de bescherming tegen een onderwereld waarvoor je vreest. Een onderwereld, die door de geschiedenis van de mensheid heen altijd wel een rol heeft gespeeld. Een god is een god als hij soelaas biedt op een punt waarop de menselijke angsten anders ondraaglijk en onbeheersbaar worden. Dat is het eenvoudigste antwoord.

Als wij kosmisch denken laten we het nog een keer doen, opdat wij het nooit meer vergeten, dan moeten we zeggen. God is een kracht, het is het Onbekende. Maar alles is eigenlijk kracht, energie. Als dat het geval is, dan zijn wij deel van God. God is deel van ons. Dan is er geen reden meer om een God te eren. Er is geen reden meer om allerlei rituelen uit te voeren en voortdurend offers te brengen. De kracht die in je is, weet wie en wat je bent. En als daar een weten bij is in menselijke zin, dan moet het wel absoluut zijn.

Heel waarschijnlijk is het een weten dat het menselijke weten zo ver te buiten gaat dat je niet eens meer in menselijke termen kunt spreken van besef. Het is gewoon een zijn. Als ik dat doe, dan worden heel veel priesters werkloos. Een hele hoop goede instellingen verdwijnen, want dan moet ik het zuiver op menselijk vlak gaan zien.

Nu weet ik wel dat er heel veel mensen zijn die zeggen: Humanisme is eigenlijk een verwaarlozing van God. Dat is niet waar. Je leeft in een menselijke vorm. Je bent deel van dezelfde kracht waaruit alles bestaat. Je bent deel van God. Dan is al datgene wat jij als mens voor mensen doet een beantwoorden aan die eenheid die achter alle dingen bestaat.

Er is eens gezegd: Geen enkele mens kent de werkelijkheid, want wij interpreteren de dingen. Maar achter al datgene wat wij werkelijkheid noemen, staat een werkelijkheid, de oervorm van datgene wat wij interpreteren. De werkelijkheid is heel anders dan wij beseffen. En juist omdat dat het geval is, voelen we ons gedwongen om zelf de werkelijkheid te creëren anders kunnen wij er niet mee leven.

Wie zegt dat er in de werkelijkheid ordening bestaat? Ja, wij vinden de ordening nodig. Er zijn mensen die zelfs zitten te twisten over de vraag of er nu 7, 9, 63 of misschien zelfs meer sferen zijn. Op zichzelf onzinnig, maar de mens heeft nu eenmaal behoefte aan indeling. Goed en kwaad, licht en duister. De tegenstellingen zijn datgene waaruit het menselijke onvermogen kan functioneren. En zijn die tegenstellingen er niet, dan maken wij ze eenvoudig, want daardoor ontstaat benoembaarheid, kenbaarheid en een mate van hanteerbaarheid.

De grote moeilijkheid is dat een mens niet in staat is om die grenzen rationeel en definitief aan te tonen. Hij kan zeggen. Het is voor ons allemaal zo. Maar hij kan niet zeggen; Het is werkelijk zo. Er zijn een paar dingen die de mens emotioneel als nodig ervaart. Soms uit angst, soms alleen maar omdat hij iets wil hebben dat hij kan hanteren, iets waarmee hij een dialoog kan aangaan. Als hij dat onbekende dan God noemt, dan hij er ermee praten. Of die God luistert in de zin waarin mensen luisteren dat betwijfel ik ten zeerste. Anders ga je je voorstellen dat er een God is die deel is van een wereld van doden en die in het gekkenhuig terecht komt, omdat hij luistert naar alles wat mensen zeggen. Maar voor de mens is dat een noodzaak.

Wij hebben God in heel wat gedaanten gezien. Wij kunnen God terugvolgen naar de eenvoudige houten beelden die bezield worden geacht zoals ze in delen van Afrika nog gehanteerd worden. Wij kunnen denken aan goden zoals ze in bepaalde indianenstammen worden vereerd. Goden, die zich manifesteren in bv. kaaimannen. Als je het nader bekijkt, dan zit er ook nog respect voor het dier in, angst voor het dier en dientengevolge zal God wel net zo verschrikkelijk zijn. Maar met al die dingen zijn wij geen stap verder gekomen met de vraag. Waarom noemen wij God, God?

We zijn ons bewust van onze beperkingen. Wij dromen van het onbeperkte, maar wij kunnen het onbeperkte niet eens aanvaarden. Wij denken in abstracties. Wij zijn emotioneel en praktisch gebonden aan feiten zoals wij die ervaren. Dan hebben we iets nodig waarop wij ons kunnen beroepen. Wij hebben een projectie nodig. Misschien wel van onszelf die buiten die grenzen staat, die niet wordt gehinderd door allerlei denkbeelden die in onze werkelijkheid zo’n belangrijke rol spelen.

God zegt: Dood bestaat niet. Als ik zeg dat je leeft, dan leef je. God zegt; Ziekte niet nodig, weggewist. Het is dan ook opvallend dat je altijd weer relaties vindt met het oerdenken en met het oergeloof.

Wij hebben u al eens verteld over de Grote Moeder, een van de vroege godinnen van wie heel veel votiefbeeldjes zijn overgebleven en ook heel veel afbeeldingen die vanuit een modern standpunt bijna obsceen zijn. Wat is de Grote Moeder?

De Grote Moeder is de verklaring van de continuïteit der geslachten. Die was onverklaarbaar. Er moest kracht zijn die werd benoemd. Die kon je aanroepen en dan kon je daar wat mee doen. Die figuur gaat door alle eeuwen heen. Ze wordt Astaroth. Ze wordt Isis. Ze wordt de Maagd Maria. Ze wordt in andere zin Maya, de moeder van de Boeddha. Ze wordt de vrouw van Mohammed de profeet, Fatimah. Nu je het zo bekijkt is het eigenlijk verwonderlijk dat dergelijke oude dingen doorwerken.

Dan ben ik geneigd te zeggen; Wij scheppen onze God. Dat wil niet zeggen dat er niets is. Maar in onze behoefte tot benoemen en indelen hebben we geprobeerd een vorm te vinden, om ergens een beeld te maken waarop wij ons kunnen beroepen iets waarmee wij een wisselwerking denken te kunnen aangaan.

Als je je realiseert hoezeer je zelf scheppend bent in je relatie met de wereld, in je denken over allerlei dingen, dan zul je moeten toegeven, het is een zeer waarschijnlijke verklaring. Maar als er geen God is zoals wij ons hem voorstellen, wat is er dan? Het enige antwoord kan zijn: Dan zullen wij verder moeten gaan met onze waandenkbeelden zo lang wij niet zonder die kunnen leven.

Wij zijn als de slaapwandelaar, die normaal geplaagd door hoogtevrees zonder enige aarzeling door goten loopt of op de nok van een dak balanceert. Wij verdoven onze angst en een deel van ons bewustzijn door die God. Het is een kreet die u misschien in een andere vorm weleens heeft gehoord. Was het niet in het begin van de communistische ontwikkelingen één van de slagzinnen. Godsdienst is opium voor het volk. En zegt men zelfs nu niet in bepaalde kringen; God is een leugen. Wees eens realistisch. Het is in zekere zin waar.

God is de vervanging van ons onvermogen. God is een projectie van onze persoonlijkheid zodanig opgebouwd dat Hij in staat is de grenzen te doorbreken die wij voor onszelf als ondoorbreekbaar hebben gesteld. De eenvoudige heiden, zoals men in een christelijke wereld zegt, die zich voorstelt dat er een soort super luipaard is waaraan hij krachten kan ontlenen, is, en lichamelijk en mentaal in staat om dat luipaard veel beter te imiteren, maar ontleent er gelijktijdig krachten aan die vele mensen niet hebben.

Het is voor de westerlingen onbegrijpelijk dat er zoveel van die geheime genootschappen zijn. Zie leeuwmannen, de tijgermannen, de krokodilmannen enz. Overal in de wereld vind je dergelijke sekten. Waarom? Omdat zij daaraan wel degelijk iets ontlenen, een vermogen dat zij voor zichzelf dachten niet te hebben. God is het hulpmiddel waarmee wij onze rationele en emotionele begrenzing kunnen doorbreken en iets dichter kunnen komen bij de werkelijkheid die we zijn. Dan wordt het begrijpelijk dat we een God scheppen, dat we een waarheid scheppen die niet bestaat zoals wij haar zien, maar die voor ons een zekerheid is waaraan wij ons vastklampen, omdat we zonder dat vrezen verloren te zijn, niet weten waar we naartoe moeten gaan.

De kosmos heeft zijn eigen wetten, natuurlijk. Ook in de natuur bestaan wetten, ofschoon de zekerheid dat die wetten inderdaad altijd zullen bestaan niet erg groot is. Ik wil erop wijzen dat opvattingen t.a.v. de zwaartekracht, magnetische velden, zelfs gewoon t.a.v. de plaats die de aarde in de kosmos inneemt, voortdurend is gewijzigd. Maar of we zekerheid hebben of niet, wij hebben wetten nodig. En daar waar die wetten niet zijn ingebouwd in de wereld zoals wij haar kennen, in de natuur zoals wij haar zien, daar scheppen wij een macht die de wet geeft. De goddelijke geboden en wetten komen niet uit God voort. Ze zijn een vertaling van onze behoefte aan regeling, aan indeling, aan houvast.

Waarom is een God een God? Omdat wij niet zonder een dergelijke kracht kunnen leven. Omdat wij niet begrijpen dat wij met onze gedachten beelden kunnen scheppen die voor ons zo reëel worden dat ze inderdaad voor ons functioneren. Omdat wij niet kunnen begrijpen dat al onze vaststellingen, wetenschappelijke en andere, niet berusten op feiten maar op denkbeelden. Daarom is een God een God.

Een God schept voor ons de zekerheid dat onze wereld is zoals wij haar zien. De zekerheid dat onze vijanden bestraft zullen worden, dat wij eventueel beloond zullen worden. Hij schept de zekerheid dat alles zinvol is op een wijze die wij nog niet kunnen aanvaarden, zij het alleen emotioneel.

Een God is een God, omdat wij het goddelijke in onszelf niet durven aanvaarden en het dus verloochenen. Omdat wij niet begrijpen dat in feite alles betrekkelijk is, zelfs de waarde en de betekenis van onze persoonlijkheid, de waarde en de betekenis van onze wereld en al wat daarin gebeurt. Als wij die betrekkelijkheid aanvaarden, dan komen we in contact met iets dat we misschien geen God kunnen noemen, maar een soort tijdloos continuüm, een bestaan waarin geen grenzen zijn. Waarin een leven niet wordt begrensd door de dood, maar dood en leven samensmelten tot bewustzijn. Een continuüm waarin geen ondergang bestaat, maar waarin alles alleen maar de manifestatie is van een altijd blijvende vorm.

Dan wordt leven en streven veel te zinloos. Dan leef je eigenlijk niet meer gedreven door angst en begeerte. Dan leef je niet meer volgens wetten en regels, dan besta je in het besef van je verbondenheid met alle dingen. Dat is voor een mens niet aanvaardbaar.

Een God is een God, omdat Hij de mens het recht verschaft in te delen, te verwerpen, te veroordelen, zichzelf te verheffen of te vernederen.

Een God is een God, omdat een mens nog niet zo bewust is dat hij met zichzelf kan leven. Hoe onbewuster je bent, hoe wankelmoediger je innerlijk bent, hoe sterker je behoefte is aan een God, aan een wet, aan iets wat jou bevestigt, aan iets wat jouw wereld a.h.w. continuïteit garandeert, zekerheden schept. En toch leef je in iets dat menselijk gezien onzeker is. Niets is blijvend behalve datgene wat we nog niet kennen. Niets heeft zin op de manier die wij kunnen interpreteren.

Er zijn samenhangen, zeker. Die samenhangen zijn mede afhankelijk van ons beeld van de werkelijkheid. Als ons beeld verandert, dan verandert de ervaring van de werkelijkheid. Wij staan slechts aan het begin van onze werkelijke tocht. Wanneer wij mens zijn, dan zijn we misschien in staat om onszelf een beetje te bezien vanuit de buitenwereld nadat we die buitenwereld eerst hebben gedefinieerd, verder komen we niet.

Wij kunnen en niet voorstellen wat het is om een planeet of een ster te zijn. Wij kunnen ons niet voorstellen wat het is om in het schijnbare Niets te bestaan. Ze hebben de mens gemaakt tot de top van alle evolutie. Ze hebben de geest gemaakt tot de goddelijke bevestiging van al datgene wat in de mens leeft en in het menselijk denken belangrijk is. Wij hebben een God geschapen compleet mei koren, tronen, heerschap­pijen, orde, dienaressen, sub-goden van allerlei soort, omdat we daar­door relaties hebben die ons helpen het onzinnige in ons bestaan te ver­geten. Maar eens zullen we weten wat het is om een ster te zijn. Eens zullen we weten wat het is om deel uit te maken van een schijnbaar ledig en eeuwig poseren in de ruimte. Eenmaal zullen wij beseffen dat een God niet noodzakelijk is, omdat er een werkelijkheid is die meer dan alles vervult wat mens en geest ooit van een God hebben durven verwachten. Hierover moet maar eens goed nadenken. Er zijn natuurlijk wat heilige huisjes ingetrapt. U weet het, een heilig huisje is een huisje dat is opgetrokken als woongelegenheid voor een ideaal dat nooit kan bestaan en gelijktijdig daardoor de woongelegenheid onttrekt aan degenen die het nodig hebben.

  • Je kunt je een God toch ook onpersoonlijk voorstellen, een bron van licht, kracht, energie?

Pas als je je God voorstelt als een bron, stel je nog altijd een wisselwerking en is God buiten jezelf. Ik heb geprobeerd duidelijk te maken je bent deel van een geheel. Alleen dat geheel is werkelijk, niet wat je zelf daarvan denkt. Ik geef toe, als je je een onpersoonlijke God kunt voorstellen, kunt beleven als een kracht die van buitenaf jou moge­lijkheden geeft, dan ben je alweer een stap verder dan iemand die daar een persoon voor nodig heeft.